26011.11 - MOTIVERING - TAM-Omgevingsplan Aarleseweg 24 (A)
Tekst van het document
biedsopgave ‘Woonwijken’ opgenomen.
34/83
Figuur 21: Kaartbeeld gebiedsopgave ‘Woonwijken’ (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)
Hierbij wordt onder meer de woningbouw in Aarlesche Erven en de aansluiting op het dorpse karakter van Best en de (regionale) vraag naar groenstedelijk wonen als gebiedskader benoemd. Ook wordt het borgen van een gezonde leefomgeving als gebiedskader aangemerkt. Zoals hiervoor reeds is aangegeven , heeft de beoogde beëindiging van de fouragehandel een positief effect op de leefomgevingskwaliteit in de directe omgeving , waaronder binnen de beoogde woningbouwlocatie Aarlesche Erven. Ook maakt een en ander vanwege de afname van emissies de weg vrij voor de toevoeging van woningen binnen de beoogde woningbouwlocatie Aarlesche Erven en wordt hiermee een bijdrage geleverd aan het gebiedskader om een gezonde leefomgeving te borgen. Conclusie Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen relevante gemeentelijke beleidsuitgangspunten , zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie Best 2040: dorp van formaat 4. 4. 2
Structuurvisie buitengebied Toetsingskader De gemeenteraad van de gemeente Best heeft op 4 april 2016 de ‘Structuurvisie buitengebied’ vastgesteld. Dit visiedocument herziet de ‘Structuurvisie Best 2030’ uit 2011 voor wat betreft het buitengebied. De structuurvisie verbeeldt en verwoordt op hoofdlijnen het gemeentelijke beleid voor natuur en landschap , de agrarische sector , recreatie en andere functies in het landelijke gebied. Het vormt tevens de basis voor het toentertijd nieuwe bestemmingsplan buitengebied. Beoordeling De Structuurvisie buitengebied’ bevat onder meer een visie per thema. Ten aanzien van het thema niet-agrarische bedrijvigheid wordt onder meer aangegeven dat de gemeente Best vrijkomende locaties in het buitengebied als kans ziet voor revitalisering van het buitengebied. Door sloop van voormalige stallen en loodsen kan bovendien een kwaliteitsslag worden behaald. Ook wordt aangegeven dat ter plaatse van het (voormalige) boerenerf kan worden ge-
woond.
35/83
Met de beoogde ontwikkeling wordt middels de herontwikkeling van een fouragehandel naar wonen een passende invulling gevonden voor een vrijkomende locatie. Hierdoor wordt leegstand , verpaupering , verommeling en ondermijning voorkomen en wordt een bijdrage geleverd aan revitalisering van het buitengebied. Ook wordt middels de
sloop van overtollige bebouwing en het verwijderen van erfverharding een aanmerkelijke kwaliteitsslag behaald. Daarnaast wordt reguliere bewoning mogelijk gemaakt op een voormalig erf waarbinnen bedrijvigheid was toegestaan die een directe link kende met de agrarische sector. Ook is in de gemeentelijke ‘Structuurvisie Buitengebied’ een toekomstbeeld per deelgebied opgenomen. Hiertoe is onder meer een kaartbeeld opgenomen. In deze paragraaf is een relevante uitsnede van voornoemd kaartbeeld opgenomen.
Figuur 22: Uitsnede kaartbeeld ‘Structuurvisie buitengebied’ (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode cirkel)
Bovenstaande afbeelding laat zien dat de planlocatie is gelegen binnen het ‘Agrarisch-recreatief landschap’ en tevens is gelegen binnen een ‘Gebied voor dorpsuitbreiding’. Ten aanzien van het ‘Agrarisch-recreatief landschap’ wordt onder meer aangegeven dat sprake is van een open agrarisch landschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een landschap dat in de loop der tijd is veranderd als gevolg van schaalvergroting in de landbouw. De functie landbouw blijft in grote delen van het gebied richtinggevend naast het 36/83
versterken van dagrecreatief medegebruik. Verder wordt aangegeven de intentie is om verdwenen landschapselementen terug te brengen en op passende plekken nieuwe landschapselementen te realiseren. Daarnaast wordt aangegeven dat de bestaande lintbebouwing aanknopingspunten biedt voor kleinschalige ontwikkelingen in het stedelijke uitloopgebied. Zo kan er medewerking worden verleend aan relatief kleine afwijkingen van een bestemmingsplan , waarbij het onder meer gaat om geconcentreerde , bestaande bebouwing en functies langs onder meer de Aarleseweg. Ontwikkelingen zijn hierbij mogelijk mits ze bijdragen aan het landschap als drager van de ruimtelijke kwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling wordt middels de herontwikekling naar wonen een passende invulling gevonden voor een bedrijfsfunctie die direct gelieerd is aan de agrarische sector. De beoogde woonfunctie is naar aard passend binnen de ruimtelijke structuur en het bebouwingslint van de Aarleseweg. Met het planvoornemen wordt bovendien
bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en versterking van het landschap middels de afname van bebouwing , de afname van bestaand ruimtebeslag en landschappelijke inpassing. Ook wordt op een passende plek middels landschappelijke inpassing nieuwe landschapselementen gerealiseerd. een
Tot slot is het plangebied op grond van het kaartbeeld van de ‘Structuurvisie buitengebied’ tevens gelegen binnen een ‘Gebied voor dorpsuitbreiding’. Hierbij is de navolgende beschrijving opgenomen (in cursief): Het aangeduide gebied voor dorpsuitbreiding is beoogd voor mogelijke toekomstige stedelijke uitbreiding van de kern Best. Deze aanduiding is overgenomen uit de Structuurvisie Best 2030. Het gaat hierbij om realisatie van Steegsche
Velden-west , afronding van Heivelden/Heuveleind aan de Heikantweg-Seinheuvel en een eventuele uitbreiding van het plangebied Aarle. De stedelijke uitbreidingslocatie Aarle valt buiten de scope van deze structuurvisie. De opgenomen begrenzing van dit gebied is vanwege het visieniveau niet op kavelniveau ingetekend. Zoals bij de toetsing aan de gemeentelijke omgevingsvisie reeds uiteen is gezet , heeft de beoogde beëindiging van de fouragehandel een positief effect op de leefomgevingskwaliteit in de directe omgeving , waaronder binnen het beoogde ‘Gebied voor dorpsuitbreiding’. Ook maakt een en ander vanwege de afname van emissies de weg vrij voor de toevoeging van woningen binnen het ‘Gebied voor dorpsuitbreiding’. Conclusie Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen relevante gemeentelijke beleidsuitgangspunten , zoals vastgelegd in de Structuurvisie buitengebied. 4. 4. 3 Omgevingsplan gemeente Best In paragraaf 3. 1. 2 van de onderhavige onderbouwing is reeds inzicht gegeven in de huidige planologische situatie. Hierin is geconcludeerd dat de beoogde herontwikkeling van het plangebied naar wonen niet rechtstreeks passend is binnen het huidige planologische kader. Het huidige planologische kader bevat weliswaar een binnenplanse wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan de herontwikkeling naar wonen mogelijk is.
Echter , nu een wijzigingsplan een planvorm betreft die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is komen te vervallen en gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling , is het vereist om het Omgevingsplan te herzien. Dit maakt dat om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken het Omgevingsplan gemeente Best wordt herzien middels de TAM-IMRO systematiek. Hierdoor kan een verdere toetsing aan het Omgevingsplan gemeente Best in beginsel achterwege blijven en kan volstaan worden met een verwijzing naar paragraaf 3. 1. 2. Echter , om aan te tonen dat het planvoornemen in voldoende mate objectiveerbaar is binnen gemeentelijke beleidskaders wordt in het onderstaande ten overvloede getoetst (in cursief) aan de
voorwaarden van de binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. 7. 6. 2 Wijzigen naar bestemming 'Wonen'
37/83
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' als ook voor de gronden buiten de (toekomstige) woonbestemming voor Agrarisch , Agrarisch met waarden - Landschapswaarden of Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden , waarbij moet worden voldaan aan de volgende voor-
waarden: a. bewoning mag uitsluitend plaatsvinden in de voormalige bedrijfswoning ; Hier wordt aan voldaan. Reguliere bewoning vindt uitsluitend plaats in de voormalige bedrijfswoning.
b.
splitsing in meerdere woonfuncties is niet toegestaan ; Hier wordt aan voldaan. Van splitsing in meerdere woonfuncties is geen sprake.
c.
er vindt geen onevenredige aantasting plaats van den en omliggende (agrarische) bedrijven ;
de in geding zijnde belangen , waaronder die van omwonen-
Van een onevenredige aantasting van de in geding zijnde belangen , waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven is geen sprake. Voor een nadere motivatie zie hoofdstuk 5 van de onderhavige
onderbouwing. d.
aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid , geluid , bodemkwaliteit , luchtkwaliteit , geurhinder , hinder van bedrijfsactiviteiten , flora en fauna , externe veiligheid , water en archeologie ; In hoofdstuk 5 van de onderhavige onderbouwing wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid , geluid , bodemkwaliteit , luchtkwaliteit , geurhinder , hinder van bedrijfsactiviteiten , flora en fauna , externe veiligheid , water en archeologie. Voor een nadere motivatie wordt dan ook verwezen naar hoofdstuk 5 van deze onderbouwing.
e.
de oppervlakte van de woonbestemming bedraagt niet meer dan 1. 500 m 2 ; de overige gronden van deze bestemming worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen ; Hier wordt niet aan voldaan. Dit aangezien de beoogde woonfunctie een oppervlakte kent van circa 2. 550 m.2 Echter , per e-mail van 7 augustus 2025 heeft de gemeente Best te kennen te geven dat een grotere woonfunctie dan 1. 500 m 2 mogelijk is , mits voor de aanvullende oppervlakte boven de 1. 500 m 2 een aanvullende bijdrage/investering van € 100 , per m 2 wordt gedaan. Hier wordt met de beoogde ontwikkeling aan voldaan.
f.
de oppervlakte aan bijgebouwen dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot maximaal 100 m 2 met dien verstande dat 1. voor wat betreft de oppervlakte bijgebouwen kan worden toegestaan 100 m 2 , vermeerderd met 50% van het te slopen meerdere van 100 m 2 aan bij de woning behorende bijgebouwen en voormalige bedrijfsgebouwen dat voor de sloop aanwezig was , met een maximum van in totaal 300 m 2 aan bijgebouwen of , Met de beoogde ontwikkeling wordt in totaal 300 m 2 aan bijgebouwen toegestaan. 100 m 2 aan bijgebouwen is per definitie toegestaan. Voor de aanvullende 200 m 2 aan bijgebouwen wordt in zijn totaliteit 555 m 2 aan bedrijfsgebouwen gesloopt. Gelet hierop wordt ruimschoots tegemoet gekomen aan de verhouding dat 100 m 2 aan bijgebouwen vermeerderd mag worden met 50% van de te slopen voorma-
lige bedrijfsgebouwen.
38/83
2.
voor wat betreft de inhoud van de woning kan worden toegestaan 750 m 3 tra per 200 m 2 sloop , met een maximum van 1. 000 m.3
vermeerderd met 50 m 3 ex-
De inhoud van de woning blijft gelijk. g.
de sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is niet toegestaan ; Van de sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is geen sprake.
h.
er wordt
voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Best.
Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregeling (LIR) van de gemeente Best. Voor een nadere motivatie wordt verwezen naar de toetsing van het planvoornemen aan de Omgevingsverordening Noord-Brabant , meer specifiek het aspect kwaliteitsverbetering van het landschap.
Conclusie Ondanks dat een toetsing aan het Omgevingsplan gemeente Best in beginsel achterwege kan blijven , laat bovenstaande toetsing zien dat de beoogde ontwikkeling (wijziging naar wonen) passend is binnen de voorwaarden van de in artikel 7. 6. 2 opgenomen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Daar komt bij dat de beoogde omvang van het bestemmingsvlak 'Wonen' passend is , gelet op de bestemming/inrichting van de aangrenzende percelen. Ook de aanwezigheid van de rioolleiding op het perceel vraagt om een wat groter perceel om ook het oprichten van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk te maken.
39/83
5.
BEOORDELINGSREGELS WAARONDER INSTRUCTIEREGELS
5. 1
Inleiding
Aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden beoordeeld.
Bodemkwaliteit
5. 2
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5. 89K Bkl , art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving , het omgevingsplan , een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa , paragraaf 2.3.6a.2) ; • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3. 2. 21 en 3.2.22Bal) ; • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico •
(paragraaf 2.3.6a.4) ; Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen , (paragraaf 2. 3. 6a. 5).
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Beoordeling Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5725 en NEN 5740 dient in beginsel te worden uit-
gevoerd wanneer de functie en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Het gaat hierbij om zogenaamde bodemgevoelige functies en/of gebouwen. Met de beoogde ontwikkeling wordt een fouragehandel herontwikkeld naar wonen. Hiermee wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de komst van een bodemgevoelig gebouw. Echter , wel vindt met de beoogde ontwikkeling een functiewijziging van bedrijf naar wonen plaats. Ook gaat de beoogde ontwikkeling gepaard met bodemingrepen nu voorzien wordt in de mogelijkheid tot het oprichten van een nieuw bijgebouw. Hierdoor is een vooronderzoek bodem vereist aan de hand waarvan inzichtelijk wordt gemaakt of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het complete vooronderzoek bodem is als
40/83
bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies worden in het onderstaande (in cursief) weergegeven.
Uit het verrichte vooronderzoek blijkt sprake van een voormalige onder- en bovengrondse dieseltank en van een wasplaats met OBAS. Deze boven- en ondergrondse dieseltank zijn in november 2003 voldoende onderzocht. In het kader van beëindiging van bedrijfsactiviteiten worden de wasplaats en OBAS beschouwd als verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP). Met het oog op de resultaten van het in 2003 verrichte bodemonderzoek wordt de bovengrond ter plaatse van het overige terrein beschouwd als verdachte locatie , diffuse bodembelasting , heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van mon-sterneming (VED-HE). De ondergrond wordt als onverdacht beschouwd (ONV-NL). De bodem wordt op basis van de veldwerkbevindingen uit voorgaande onderzoeken als asbestverdacht beschouwd. Vanuit de directe omgeving wordt geen beïnvloeding verwacht op de bodemkwaliteit.
Advies Geadviseerd wordt verkennend bodem- en asbestonderzoek te verrichten. Gelet hierop wordt aan de hand van het vooronderzoek bodem geadviseerd om een verkennend bodem- en asbestonderzoek te verrichten. Dit betekent dat bij een verdere planvorming , te weten na de sloop van het aanwezige bedrijfsgebouw en voorafgaand aan de bouwfase , een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd moet worden. Dit zal bij een verdere planvorming worden uitgevoerd , waardoor een en ander niet in de weg staat aan het planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiertoe is tevens een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. Conclusie Het omgevingsaspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5. 3
Beschermen
van
de waterbelangen
5. 3. 1 Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk
beleid als het beleid van het waterschap. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5. 1. 3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit , de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een bopa dienen de waterbelangen te worden geborgd. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven , maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. 41/83
De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid , het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(-s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd , dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. 5. 3. 2
Waterschapsverordening Sinds 1 januari 2024 geldt de Omgevingswet. In de Omgevingswet staan alle regels van het waterschap voor de ruimte waarin we wonen , werken en ontspannen: onze leefomgeving. Deze regels staan in één digitale verordening: de waterschapsverordening. Voorheen stonden deze regels in het waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en de bijbehorende algemene regels. Met de komst van de Omgevingswet zijn deze regels vervangen door de waterschapsverordening. Artikel 2. 2 lid 5 schrijft onder meer voor dat het verboden is om zonder omgevingsvergunningaanvraag water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam. Dit verbod geldt niet voor het afvoeren van hemelwater naar een oppervlaktewaterlichaam door een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m.2 Beoordeling Nu de beoogde ontwikkeling geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg heeft , geldt op grond van de waterschapsverordening geen verplichting tot de realisatie van een waterbergende voorziening. Voor een nadere motivatie zie de toetsing aan het gemeentelijk waterbeleid. 5. 3. 3 Gemeentelijk beleid De gemeente Beste heeft haar waterbeleid vervat in het ‘Waterplan Best , ‘op naar een veerkrachtig watersysteem’ en een
‘Water- en Rioleringsplan’.
In het ‘Waterplan Best , ‘op naar een veerkrachtig watersysteem’ wordt een visie gegeven op het watersysteem van Best. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema’s aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en aangepakt kan worden. Deze waterthema’s zijn waterkwaliteit , verdrogingsbestrijding , wateroverlast en waterbeleving. Voor onderhavig plangebied zijn met name de thema’s waterkwaliteit en wateroverlast van belang. Ten aanzien van waterkwaliteit staat het behouden en verkrijgen van schoon grondwater , schoon oppervlaktewater en schone waterbodems centraal. Dit kan worden bereikt met de trits ‘voorkomen - scheiden - zuiveren’. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving , kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg. Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Derhalve wordt ten aanzien van wateroverlast de trits ‘Infiltreren - vasthouden - afvoeren’ gehanteerd.
In het Water- en rioleringsplan wordt ingegaan op de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater , hemelwater en grondwater. Zo zijn voor deze aspecten , alsmede voor het aspect oppervlakte , een aantal opgaven en speerpunten
geformuleerd: Stedelijk afvalwater: • Inzameling van stedelijk afvalwater. • Transport van het stedelijk afvalwater. • Continueren huidige rioleringszorg.
42/83
Hemelwater: • Inzameling van hemelwater. • Verwerken van ingezameld hemelwater. • Inspelen op klimaatverandering. Grondwater: • Voorkomen van grondwateroverlast. Oppervlaktewater: • Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur. • Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ten aanzien van de inzameling van stedelijk afvalwater is aangegeven dat alle percelen waar afvalwater vrij komt , aangesloten worden op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. Bij kleinschalige in-/uitbreidingen kan daarbij aansluiting op het bestaande (gemengde) systeem acceptabel zijn. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. Voor wat betreft het hemelwater wordt ingezet op de trits ‘schoon houden (voorkomen) - scheiden - zuiveren’ en ‘Infiltreren - vasthouden - afvoeren’. Vertrekpunt daarbij is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij de zorgplicht voor grondwater is het met name van belang dat er geen wateroverlast zal optreden als gevolg van planologische wijzigingen.
Verder wordt in het ‘Water- en Rioleringsplan’ aangegeven dat om de versterking met het waterschap verder te versterkend de gemeente Best de komende periode gaat kijken in hoeverre het eigen hemelwaterbeleid kunnen koppelen aan de ‘Keur Oppervlaktewater 2015’ van het waterschap. Beoordeling Nu met de beoogde ontwikkeling een forse afname van het verhard oppervlak plaatsvindt , geldt op grond van zowel het waterschapsbeleid als het gemeentelijk waterbeleid geen bergingseis. Immers , waar het verhard oppervlak in de huidige situatie circa 3. 490 m 2 bedraagt , neemt een en ander in de beoogde situatie af tot circa 970 m.2 Vanwege de forse afname van het verhard oppervlak verbetert de waterhuishoudkundige en de hydrologische situatie en kan regenwater als gevolg van de beoogde ontwikkeling eenvoudiger oppervlakkig in de bodem infiltreren. Ter onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling een afname van het verhard oppervlak tot gevolg heeft zie onderstaande tabel. Bestaande situatie Bebouwing/verharding Bedrijfswoning Bijgebouw met aangebouwde overkappingen Opslagloods Schuur Berging
Erfverharding (bedrijfs- en agrarisch perceel) 1 Uitgaande van 240 m 2 aan
43/83
Oppervlakte 180 m 2 150 m 2 400 m 2 113 m 2 42 m 2 2. 365 m 2
Beoogde situatie Bebouwing Bedrijfswoning Bijgebouw met aangebouwde overkappingen Nieuw bijgebouw Erfverharding totaal 1
bestaande erfverharding en 200 m 2 aanvullend ten behoeve van beoogd bijgebouw.
Oppervlakte 180 m 2 150 m 2 200 m 2 440 m 2
Erfverharding ceel) Totaal
(woonper-
240 m 2
3. 490 m 2 Tabel 1 Verhard oppervlak bestaande en beoogde situatie
Totaal
970 m 2
5. 3. 4 Watertoets Aangezien de beoogde ontwikkeling een forse afname van het verhard oppervlak tot gevolg heeft en geen bergingseis geldt op grond van zowel het gemeentelijk als het waterschapsbeleid , kan de watertoets in beginsel achterwege blijven. In de onderhavige paragraaf wordt daarom enkel inzicht gegeven in het aspect waterkwantiteit.
Waterkwantiteit Op alle watergangen en sloten binnen het plangebied , die zijn opgenomen in de legger , is de Waterschapsverordening van het waterschap van toepassing. Dit betekent voor de verschillende watergangen het volgende: a. waterlopen categorie A: voor deze watergangen geldt dat het waterschap tot 5 m vanaf beide insteken van de watergang randvoorwaarden stelt aan de inrichting om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden ; b. waterlopen categorie B: de eigenaren van gronden langs deze watergangen moeten de sloten eenmaal per jaar – in het najaar – schoonmaken. Het waterschap controleert of de sloten goed schoon zijn (= schouwen) ; c. voor ingrepen die binnen 5 m vanaf de insteek van waterlopen categorie A plaatsvinden , dient een ontheffing van de keur te worden aangevraagd. Dit geldt ook voor ingrepen in de waterlopen categorie B en overige watergangen en sloten , zoals het verleggen en dempen van watergangen en het aanbrengen van duikers in watergangen. Binnen het plangebied zijn geen A-waterlopen met bijbehorende beschermingszone gelegen die zijn opgenomen in de legger van het waterschap. Wel bevindt zich grenzend zowel ten noordoosten als ten zuidwesten van het plangebied een B-watergang. Grenzend aan de B-waterloop zijn geen ontwikkelingen beoogd die van negatieve invloed zijn op de waterhuishoudkundige situatie aldaar.
In het onderstaande is een uitsnede uit de legger van het waterschap opgenomen ter illustratie.
44/83
Figuur 23: Uitsnede kaart Legger Waterschap De Dommel (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Veiligheid en waterkeringen Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen gelegen. Wel dient opgemerkt te worden dat binnen het plangebied een rioolleiding aanwezig is. In overeenstemming met de huidige planologische situatie is ter plaatse van deze rioolleiding met bijbehorende beschermingszone in onderhavig TAM-Omgevingsplan een dubbelbestemming “Leiding – Riool” opgenomen. Binnen voornoemde dubbelbestemming mag enkel worden gebouwd als de veilige ligging en continuïteit van de leiding is gewaarborgd en schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder. Gelet hierop is verzekerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op de binnen het plangebied aanwezige rioolleiding. Conclusie Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5. 4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd , archeologische monumenten , (voorbeschermde) rijksmonumenten , beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleid provincie Noord-Brabant
45/83
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen , bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
Beoordeling Met het planvoornemen wordt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gesloopt , waardoor met zekerheid geconcludeerd kan worden dat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing verloren gaat als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
Figuur 24 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart , herziening 2024 (CHW). (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
De planlocatie bevindt zich conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart niet binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied , complex van cultuurhistorisch belang , een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang of anderszins. Enkel is de Aarleseweg ter hoogte van het plangebied aangeduid als ‘Lijn van redelijk hoge waarde’ (historische geografie). Het planvoornemen doet , gelet op diens aard en omvang , geen afbreuk aan deze cultuurhistorisch waardevolle lijn. Immers , de beoogde ontwikkeling is aan de orde op een bestaand bouwperceel. Hiermee wordt een fouragehandel herontwikkeld naar wonen en wordt een bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning. De bedrijfswoning bevindt zich in het bebouwingslint en het straatbeeld van de Aarleseweg. Nu ter plaatse van de bedrijfswoning enkel sprake is van een planologische gebruikswijziging zonder relevante bouwingrepen , is de beoogde ontwikkeling passend binnen de omgevingskarakteristiek en het straatbeeld. Van enig negatief effect op de Aarleseweg als lijn van redelijk hoge waarde (historische geografie) is dan ook nadrukkelijk geen sprake. Te meer nu de sloop- en bouwwerkzaamheden enkel aan de orde zijn op het achtererf , waardoor deze niet van (negatieve) invloed zijn op de Aarleseweg als zijnde een
46/83
‘Lijn van redelijk hoge waarde’.
Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Het aspect ‘cultuurhistorie’ staat het planvoornemen niet in de weg.
5. 5
Archeologie
Toetsingskader In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd , archeologische monumenten , (voorbeschermde) rijksmonumenten , beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 5. 5. 1 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een Archeologische Verwachtingen- en waardenkaart 2015. Tevens is het gemeentelijk archeologisch beleid opgenomen in het bestemmingsplan “Parkeernormen en archeologie” , hetgeen later ook is overgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied Best 2021”. Dat gebeurt door het opnemen van een dubbelbestemming. Beide bestemmingsplannen maken intussen onderdeel uit van het Omgevingsplan gemeente Best.
Figuur 25: Uitsnede archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Best (planlocatie is indicatief aangeduid met een rode omlijning)
Beoordeling
47/83
Bovenstaande afbeelding laat zien dat binnen het plangebied op grond van de gemeentelijke archeologische verwachtingen- en waardenkaart is aangeduid als ‘Categorie 3: Gebied met hoge verwachting (Historische linten) en ‘Categorie 4: Gebied met hoge verwachting’. Verder is het gemeentelijk archeologiebeleid , zoals hiervoor reeds is aangegeven , tevens opgenomen in de bestemmingsplannen Parkeernormen en archeologie” en “Buitengebied Best 2021” (nu onderdeel van Omgevingsplan gemeente Best). De planlocatie is op grond van voornoemde bestemmingsplannen voorzien van de archeologische dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 3 (gebied met hoge archeologische verwachting , historische kern)” en “Waarde – Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting)”. Binnen beide archeologische dubbelbestemmingen geldt een maximale oppervlakte voor bouwplannen. Binnen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” geldt een maximale oppervlakte van 250 m 2 en binnen de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” een maximale oppervlakte van 500 m.2 Met de beoogde ontwikkeling wordt in beginsel de maximale maatvoering van 250 m 2 voor een bouwplan niet overschreden.
Dit omdat ten hoogste de komst van een nieuw bijgebouw met een oppervlakte van circa 200 m 2 mogelijk wordt gemaakt , gelet op de omstandigheid dat een bestaand bijbouw (exclusief overkappingen) met een oppervlakte van 100 m 2 , blijft behouden. Echter , nu het planvoornemen tevens gepaard gaat met bodemingrepen vanwege de sloop van bedrijfsgebouwen , is een archeologisch bureau- en vooronderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat de archeologische waarden niet zullen worden verstoord. Het complete archeologisch bureau- en vooronderzoek is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. De conclusies worden in het onderstaande (in cursief) weergegeven. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting kent , onder meer vanwege de ligging binnen een historisch bewoningslint en de aanwezigheid van verschillende archeologische vindplaatsen ten oosten van het gebied. De boringen tonen aan dat de bodemopbouw deels is verstoord , maar dat er zeker nog grondsporen aanwezig kunnen zijn die waardevolle inzichten kunnen geven in de bewoningsgeschiedenis van Aarle. Er zal dus in het kader van de planontwikkeling rekening moeten worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied.
Ten behoeve van het herzien van de functie van het terrein (van bedrijfsterrein naar wonen) , zal de hoge archeologische verwachting in het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. De huidige planregels uit het vigerend beleid van de gemeente kunnen hieraan worden toegevoegd (250 m2 en 40 cm -Mv). De exacte werkzaamheden binnen het plangebied moeten nog worden bepaald. Voor de verbouwing van de woning zijn in ieder geval geen bodemingrepen voorzien ; de omvang van de toekomstige loods moet nog worden bepaald. Afhankelijk van de uiteindelijke omvang van de bodemingrepen en de regels in het omgevingsplan , moet worden besloten of archeologisch vervolgonderzoek nodig is. Mochten ingrepen binnen 250 m2 en 40 cm -Mv blijven , kan waarschijnlijk archeologisch onderzoek achterwege blijven. Mochten de werkzaamheden deze planregels overschrijden , adviseren wij om in het plangebied een archeologisch onderzoek uit te voeren om te bepalen of er nog archeologische resten aanwezig zijn op de plaatsen waar de ingrepen gepland zijn. Gezien de verwachting op grondsporen kan dit het beste middels een proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Voor een dergelijk onderzoek is vooraf een Programma van Eisen (PvE) – een opgravingsbestek – noodzakelijk , dat door de gemeente dient te worden beoordeeld en goedgekeurd vóór aanvang van
de werkzaamheden. Gelet hierop is de conclusie van het archeologisch bureau- en vooronderzoek dat afhankelijk van de daadwerkelijke bodemingrepen archeologisch vervolgonderzoek nodig kan zijn. Mochten de bodemingrepen een grotere verstoring dan 250 m 2 tot gevolg hebben , wordt geadviseerd om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit archeologische onderzoek kan het beste worden uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek voorafgaand door een Programma van Eisen. Dit betekent dat bij een verdere planvorming , te weten na de sloop van het aanwezige bedrijfsgebouw en voorafgaand aan de bouwfase (bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) , een nader archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden in het geval de ondergrens voor bodemingrepen wordt overschreden. Dit zal , indien nodig , 48/83
bij een verdere planvorming worden uitgevoerd , waardoor een en ander niet in de weg staat aan het planvoornemen en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Immers , de archeologische dubbelbestemmingen binnen het plangebied blijven onverminderd van toepassing. Hierdoor is verzekerd dat op het moment van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen een bouwwerk wordt gerealiseerd , waarbij de ondergrens voor bodemingrepen wordt overschreden , archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Ten overvloede is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor het plan.
5. 6
Bedrijven- en milieuzonering (oude stijl)
Op voorhand dient opgemerkt te worden dat in 2024 de nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is gepubliceerd. Voornoemde publicatie vervangt de eerdere publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van milieuhinderlijke activiteiten onder de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet worden ruimte en milieu geïntegreerd in het omgevingsplan en bij buitenplanse omgevingsvergunningen (BOPA). Met het oog op deze integratie is een nieuwe systematiek gewenst. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven is de systematiek in de nieuwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Hierbij dient opgemerkt te worden dat onderhavig TAM-Omgevingsplan geen reguliere wijziging van het Omgevingsplan betref. Middels onderhavig TAM-Omgevingsplan wordt het Omgevingsplan gewijzigd via de IMRO-standaard en wordt grotendeels nog uitgegaan van de
oude plansystematiek. Derhalve en gelet op de ligging van het plangebied binnen het buitengebied wordt voor onderhavig planvoornemen de publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009 toegepast. Deze publicatie wordt tevens door de Omgevingsdiensten nog als toepasbaar gezien. Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen , woongebieden , ziekenhuizen , scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. 5. 6.
1 Beoordeling omgevingstype De ligging van het plangebied laat zich omschrijven als gelegen in het bebouwingslint van de Aarleseweg. Het plangebied bevindt zich ten noordwesten van de kern Best en op betrekkelijk korte afstand van de recente woningbouwlocatie Aarlesche Erven en bestaand stedelijk gebied. Aan het bebouwingslint van de Aarleseweg en in de directe omgeving van het plangebied komen een variëteit aan functies voor. Het gaat hierbij onder meer om woningen , agrarische be-
drijven , waaronder melk-/rundvee en varkens , agrarische gronden , niet-agrarische bedrijvigheid , waaronder een bedrijfsverzamelplek , een pensionstalling , twee loonwerkbedrijven , een fouragehadenl , een bedrijf gericht op opslag/handel in openhaardhout en een tuincentrum , maatschappelijke functies en een horecafuncties. Gelet hierop is er sprake van een gemengde omgeving waarbinnen in behoorlijke tot sterke mate sprake is van functiemenging. Dit
49/83
maakt dat de ligging van het plangebied zich laat typeren als ‘gemengd buitengebied’ , waardoor de richtafstanden uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering met één afstandsmaat verlaagd mogen worden. 5. 6. 2 Gevoelig gebouw Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herontwikkeld naar wonen. Hiermee wordt één bestaande bedrijfswoning herontwikkeld naar wonen. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de planologische toevoeging van een gevoelig gebouw. Enkel blijft één gevoelig gebouw behouden , waardoor sprake is van een bestaande situatie. Hierdoor kan een nadere beoordeling van het aspect bedrijven en milieuzonering in beginsel achterwege blijven. Desondanks wordt vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties inzichtelijk gemaakt of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. 5. 6. 3 Omliggende bedrijvigheid Op onderstaande figuur zijn de omliggende bedrijven weergeven en aangeduid.
50/83
Opslag/handel in openhaard hout Aarleseweg 42
Melk/rundvee Aarleseweg 23
Varkens , KI-station Aarleseweg 34 Vollegrondsteeltbedrijf Aarleseweg 32
Bedrijfsverzamelplek
Melk/rundvee
Hagelaarweg 10
Aarleseweg 30
Paardenbak Aarleseweg 20
Melk/rundvee Aarleseweg 8 Figuur 26: Ligging planlocatie ten opzichte van bedrijvigheid in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Bedrijvigheid in de directe omgeving van de planlocatie betreft onder meer: Adres Aarleseweg 23 Aarleseweg 42 Aarleseweg 34 Aarleseweg 32 Aarleseweg 30
51/83
Bedrijvigheid Melk/rundvee Opslag/handel in openhaard hout Varkens , KI-station Vollegrondsteeltbedrijf Melk/rundvee
Milieucategorie
Grootste
richtafstand
Feitelijke afstand
3. 2 2 4. 1 2 3. 2
50 meter 10 meter 100 meter 10 meter 50 meter
270 meter 340 meter 170 meter 128 meter 43 meter
Aarleseweg 20 Aarleseweg 8
Paardenbak Melk/rundvee
3. 1 2 3. 2
30 meter 50 meter
50 meter 165 meter
Hagelaarweg 10
Bedrijfsverzamelplek
2
10 meter
154 meter
Tabel 2 Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied
5. 6. 4 Woon- en leefklimaat Wanneer bovenstaande bedrijvigheid met bijbehorende richtafstanden wordt afgezet tegen de daadwerkelijke afstanden wordt tot de conclusie gekomen dat nagenoeg ten aanzien van alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Enkel wordt ten aanzien van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30 niet voldaan aan de geldende richtafstand. Waar de geldende richtafstand 50 meter bedraagt , bedraagt de afstand tot het plangebied circa 43 meter. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat enkel niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter die van toepassing is voor het hinderaspect geur. In de navolgende paragraaf wordt nader inzicht gegeven in het hinderaspect geur. Ten aanzien van overige hinderaspecten , te weten stof , geluid en gevaar , wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstanden. Hierdoor kan worden aangenomen dat sprake is van een aan-
vaardbaar woon- en leefklimaat. 5. 6. 5
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Voorgaande paragraaf laat zien dat ten aanzien van nagenoeg alle omliggende bedrijvigheid wordt voldaan aan de geldende richtafstanden. Gezien het bovenstaande mag worden aangenomen dat omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Enkel wordt niet voldaan aan de geldende richtafstand ten aanzien van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30. Echter , de beoogde ontwikkeling heeft per definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde veehouderij tot gevolg. Dit omdat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een nieuwe gevoelig gebouw. Enkel vindt een planologische gebruikswijziging naar wonen plaats , waarbij een bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. Nu hiermee binnen bestaand ruimtebeslag wordt gebleven , heeft de beoogde ontwikkeling nimmer een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. Daar komt bij dat er reeds andere gevoelige gebouwen op kortere afstand zijn gelegen die reeds maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30. Ook wordt enkele niet voldaan aan de geldende richtafstand ten aanzien van het hinderaspect geur , zoals hiervoor reeds is beschreven. 5. 6.
6 Milieubelastende activiteiten Binnen het plangebied vinden in de beoogde situatie niet langer milieubelastende activiteiten plaats. Wel dient hierbij in ogenschouw genomen te worden dat met de beoogde ontwikkeling de mogelijkheid vervalt om binnen het plangebied een fouragehandel te exploiteren. Gelet op de toegestane omvang aan bedrijfsgebouwen betreft een dergelijke fouragehandel bedrijvigheid in milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 10 meter binnen gemengd gebied. Ten aanzien van een tweetal gevoelige gebouwen in de hoedanigheid van burgerwoningen wordt in de huidige situatie niet voldaan aan voornoemde richtafstand. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling een positief effect heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende gevoelige gebouwen. Dit vanwege een afname van emissies , waaronder geur en geluid.
5. 7
Geur (door veehouderijen)
2 Wost-case uitgegaan van
52/83
paardenfokkerij , hetgeen bedrijvigheid in categorie 3. 1 betreft.
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig
gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan ; Rekenen ; Afstandeisen ; Randvoorwaarden. 5. 7. 1 Gemeentelijk beleid In casu is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij’ van toepassing. Conform voornoemde verordening bevindt de
planlocatie zich binnen het ‘Invloedsgebied E’. Hierbinnen geldt als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op de voor geurgevoelige objecten: 7 ouE/m³. Daarnaast is voor wat betreft gemeentelijk beleid gericht op geur tevens de ‘Beleidsregel definitie geurgevoelig gebouw Best 2024’ relevant. Hierin zijn aanvullende definities voor onder meer een geurgevoelig gebouw opgenomen. Voor een geurgevoelig gebouw is de navolgende definitie opgenomen: gebouw , bestemd voor en blijkens aard , indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik , wordt gebruikt , waarbij onder «gebouw , bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het omgevingsplan , of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf , daarbij inbegrepen gebouwen die op basis van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gebouwd mogen worden. 5. 7. 2 Geurgevoelige gebouwen Met de beoogde ontwikkeling wordt de planlocatie herontwikkeld naar wonen. Hiermee wordt één bestaande bedrijfswoning herontwikkeld naar burgerwoning. Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling in beginsel niet gepaard met de planologische toevoeging van een geurgevoelig gebouw.
Enkel blijft één geurgevoelig gebouw behouden , waardoor sprake is van een bestaande situatie. Echter , wel dient hierbij opgemerkt te worden dat het beoogde bijgebouw tevens als een geurgevoelig gebouw kan worden gezien conform de definitie uit de ‘Beleidsregel definitie geurgevoelig gebouw Best 2024’ nu hierbinnen sprake kan zijn van menselijk verblijft. Gelet hierop en vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient inzichtelijk gemaakt of binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat , gelet op het aspect geur en of de beoogde ontwikkeling een beperking tot gevolg heeft voor de ontwikkelings-
mogelijkheden van omliggende veehouderijen. 5. 7. 3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven Binnen de directe omgeving van het plangebied zijn enkele veehouderijen gelegen. Ter illustratie zie onderstaande afbeelding. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat met een groene stip actieve veehouderijen worden weergegeven. Locaties met een rode stip betreffen voormalige veehouderijen.
53/83
Melk/rundveehouderij Aarleseweg 23
Varkenshouderij Aarleseweg 34
Melk/rundveehouderij Hagelaarweg 14
Melk/rundveehouderij Aarleseweg 30
Varkenshouderij Aarleseweg 8
Figuur 27: Veehouderijen in de directe omgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
Ten aanzien van de melk/rundveehouderijen aan de Hagelaarweg 14 , de Aarleseweg 23 en de Aarleseweg 30 is enkel een vaste afstandsmaat van 50 meter van toepassing. Hier wordt ten aanzien van de melkveehouderijen aan de Hagelaarweg 14 en de Aarleseweg 23 ruimschoots aan voldaan. Ten aanzien van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30 wordt niet voldaan aan de vaste afstandsmaat van 50 meter nu de afstand circa 44 meter bedraagt. Echter ,
de beoogde ontwikkeling heeft per definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde melk/rundveehouderij tot gevolg. Dit omdat met de beoogde ontwikkeling enkel een planologische gebruikswijziging naar wonen plaatsvindt , waarbij een bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. Nu hiermee binnen bestaand ruimtebeslag wordt gebleven , heeft de beoogde ontwikkeling nimmer een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden tot gevolg. Daar komt bij dat er reeds andere geurgevoelige gebouwen op kortere afstand zijn gelegen die reeds maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30. Van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30 is dan ook per definitie geen sprake. Met betrekking tot de varkenshouderij aan de Aarleseweg 8 dient opgemerkt te worden dat hierbinnen zowel dieren met als zonder geuremissiefactor worden gehouden. Er wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstandsmaat van 50 meter. Verder worden ter plaatse , alsook binnen de varkenshouderij aan de Aarleseweg 34 , dieren met geuremissiefactor gehouden. Dit betekent dat geen vaste afstanden van toepassing zijn. Echter , de beoogde ontwikkeling heeft per
54/83
definitie geen beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van voornoemde varkenshouderijen tot gevolg. Dit omdat de beoogde ontwikkeling enkel een planologische gebruikswijziging betreft binnen bestaand ruimtebeslag en andere geurgevoelige gebouwen op kortere afstand zijn gelegen die reeds maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de varkenshouderijen aan de Aarleseweg 8 en de Aarleseweg 34. 5. 7. 4 Woon- en leefklimaat Context In de Handreiking bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied , gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet , 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit , onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’.
Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel.
Voorgrondbelasting (oue/m³)
Achtergrondbelasting (oue/m³)
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
< 15,
< 3
< 5
3 – 7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig
15 – 35 35 – 65 65 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25 ,
,
,
,
,
Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel 3 Relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform voormalige Wgv
De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën , zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel , omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten.
Beoordeling In de navolgende paragrafen wordt inzicht gegeven in de voor het woon- en leefklimaat relevante aspecten , te weten voor- en achtergrondbelasting. Op voorhand dient hierbij opgemerkt te worden ten aanzien van de melk/rundveehouderijen aan de Hagelaarweg 14 en de Aarleseweg 23 voldaan wordt aan de vaste afstand van 50 meter , waardoor kan worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder bevinden de dierenverblijven ter plaatse van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30 zich eveneens op grotere afstand dan 50 meter van het plangebied. Vanwege een tweetal bestaande woonfuncties aan de Aarleseweg 26 en 28 kunnen deze dierenverblijven bovendien niet op kortere afstand gesitueerd worden. Dit maakt dat eveneens ten aanzien van de melk/rundveehouderij aan de Aarleseweg 30 geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
55/83
5. 7. 5 Voorgrondbelasting Vanwege de behoorlijke afstand van het plangebied tot veehouderijen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden en de betrekkelijk beperkte milieuvergunning van deze veehouderijen , wordt niet toegekomen aan een berekening van de voorgrondbelasting. Immers , de meest dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden betreft de veehouderij aan de Aarleseweg 8 op een kortste afstand van circa 165 meter waarbinnen slechts 403 varkens mogen worden gehouden met een betrekkelijk beperkte geuremissie. Dit blijkt tevens uit de uitsnede van de actuele achtergrondbelasting in de navolgende paragraaf. Hierdoor kan worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat , gelet op de voorgrondbelasting. Te meer nu sprake is van een bestaand
geurgevoelig gebouw. 5. 7. 6 Achtergrondbelasting Op basis van de geurkaart met de achtergrondbelasting opgesteld door de ODZOB valt op te maken dat binnen de planlocatie sprake is van een achtergrondbelasting variërende tussen 3 en 7 ouE/m.3 Hiermee is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Onderstaande
afbeelding betreft een weergave van de actuele achtergrondbelasting binnen en
rondom het plangebied.
Figuur 28: Kaart achtergrondbelasting geur ODZOB (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)
5. 7. 7 Conclusie Het aspect ‘geur’ staat het planvoornemen niet in weg.
5. 8
Beschermen
van
de gezondheid
en van
het milieu
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5. 1. 4 instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Een omgevingsvergunning voor een bopa kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet de kwaliteit van de fysieke leefomgeving worden gewaarborgd. Dit ver-
56/83
eist een brede belangenafweging waarbij ook het belang van de gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering wordt afgewogen. Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema’s samenkomen. Het gaat hierbij om thema’s die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd , zoals geluid , geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. De beoogde ontwikkeling gaat niet gepaard met de komst van een gevoelig gebouw. Derhalve kan een beoordeling aan het aspect gezondheid in beginsel achterwege blijven. Echter , vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien , wordt hier in het onderstaande desondanks inzicht in gegeven. 5. 8. 1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) intensieve De veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen , waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk , op advies van de Gezondheidsraad , is nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het
Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1. 0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ een-
voudig bepaald kan worden. De rekentabel hanteert enkel afstanden ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter , overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1. 400 kg PM10/jaar , dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot) , niet meer voorkomen. Bij grootschalige pluimveehouderijen is deze afstand , afhankelijk van de bedrijfsomvang , het type pluimvee en de uitstoot , circa 300 – 650 meter.
Beoordeling Binnen een afstand van 650 meter van de planlocatie bevindt zich een tweetal pluimveehouderijen , te weten de pluimveehouderij aan de Aarleseweg 31 te Best op een kortste afstand van circa 620 meter en de pluimveehouderij aan de Kapelweg 25 te Best op een kortste afstand van circa 500 meter. Ook zijn binnen een afstand van 200 meter van het plangebied een tweetal veehouderijen gelegen waarbinnen varkens worden gehouden. Het gaat hierbij om de Aarleseweg 34 op een kortste afstand van circa 170 meter en de Aarleseweg 8 op een kortste afstand van circa 165 meter. Ten aanzien van voornoemde veehouderijen is derhalve de endotoxine-contour berekend. Zie onderstaande tabel.
57/83
Veehouderij adres Aarleseweg 34 Aarleseweg 8 Aarleseweg 31 Kapelweg 25
Soort veehouderijWerkelijke afstandPM10(kg/jaar)Berekende minimale afstand Varkens 170 41 0 44 Varkens 165 0 Leghennen 620 1.72680 , 148 Leghennen 500 5.89830 , 218
Tabel 4: Berekende endotoxine-contour omliggende pluimvee- en varkenshouderijen
Bovenstaande tabel laat zien dat beide varkenshouderijen een dergelijk betrekkelijk beperkte fijnstofemissie kennen dat van enige endotoxine-contour geen sprake van is. Verder is het plangebied ruimschoots buiten de endotoxinecontour van nabijgelegen pluimveehouderijen gelegen. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft endotoxine. 5. 8. 2 Geitenhouderijen Het VGO-III onderzoek heeft geen direct causaal verband aangetoond tussen de afstand tot geitenhouderijen en gezondheidsklachten zoals longontsteking. Hoewel er statistisch een verhoogd risico op longontsteking is vastgesteld bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij , is de exacte oorzaak hiervan nog niet volledig