CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

26011.11 - MOTIVERING - TAM-Omgevingsplan Aarleseweg 24 (A)

Raadsvergadering 15 juni 2026, gemeente BestBij agendapunt: Rik Dijkhoff25.513 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

verklaard. Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor deze bevinding , waaronder blootstelling aan micro-organismen in de stallucht of indirecte factoren zoals het woongedrag en de algemene gezondheidstoestand van bewoners in agrarische gebieden. Het onderzoek toont dus wel een verband (correlatie) , maar kan niet met zekerheid stellen dat de nabijheid van een geitenhouderij de directe oorzaak is van de verhoogde kans op longontsteking. Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 15, en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s.

Beoordeling Binnen de gemeente Best zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Wel zijn binnen de aangrenzende gemeente Oirschot in zijn totaliteit een zestal geitenhouderijen van bedrijfsmatige omvang gelegen. Aangezien het grondgebied van de gemeente Oirschot binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied is gelegen , wordt hier nader op ingegaan. In het onderstaande worden deze geitenhouderijen benoemd met de afstand tot het plangebied: -

Broekstraat 28 Oirschot: circa 73, kilometer ; Nieuwe Erven 2 Oost , West en Middelbeers: circa 75, kilometer ; Heiakkerweg 2B Oost , West en Middelbeers: circa 99, kilometer ; Neereindseweg 6 Oost , West en Middelbeers: circa 83, kilometer ; Kattenbergseweg 1 Oost , West en Middelbeers: circa 98, kilometer ; Voorteindseweg 9 Oost , West en Middelbeers: circa 103, kilometer.

Bovenstaande opsomming laat zien dat ten aanzien van alle omliggende geitenhouderijen binnen de aangrenzende gemeente Oirschot ruimschoots wordt voldaan aan de richtlijnafstand van 2 kilometer. De meest dichtstbijzijnde geitenhouderij betreft de geitenhouderij aan de Broekstraat 28 te Oirschot op een kortste afstand van circa 73, kilometer

58/83

het plangebied. Hierdoor kan worden aangenomen dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat , gelet op het aspect geitenhouderijen. van

Hierbij dient opgemerkt te worden dat tussen voornoemde geitenhouderijen en de planlocatie meerdere woningen zijn gelegen met een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens is ter plaatse van de planlocatie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zowel ten aanzien van het aspect geur als ten aanzien van endotoxine. Een cumulatie van nadelige gezondheidseffecten is hierdoor niet aan de orde. Verder dient opgemerkt te worden dat tussen de planlocatie en de nabijgelegen geitenhouderijen reeds meerdere (burger)woningen zijn gelegen , waardoor de geitenhouderijen eerder in (mogelijk toekomstige) ontwikkelingen wordt gehinderd. Verder is ten aanzien van overige milieuaspecten zoals geur en fijnstof is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede kan hierbij worden verwezen naar relevante jurisprudentie van de Afdeling , waaronder een uitspraak van 23 februari 2022 (zaaknummer: 202002286/1/R4). Ook al is deze uitspraak niet geheel vergelijkbaar met onderhavige casus laat deze uitspraak zien dat alleen belangen waarvoor voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaat een rol kunnen spelen in de besluitvorming.

Aan de hand van algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten moet vast staan dat een activiteit zodanige risico’s oplevert , dat hieraan aanvullende voorschriften moeten worden verbonden of een en ander geweigerd moet worden. Het voorzorgprincipe is naar het oordeel van de Afdeling niet gestoeld op algemeen wetenschappelijk aanvaardbare inzichten over het verband tussen het houden van geiten en negatieve gevolgen voor de gezondheid en omwonenden. Deze uitspraak laat derhalve zien dat niet enkel het voorzorgprincipe in de weg kan staan aan bepaalde ontwikkelingen. 5. 8. 3 Spuitzones In de directe omgeving van het initiatief is het mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Derhalve dient getoetst te worden of hierdoor wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Er is geen vigerend beleid om dit te toetsen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zij een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt , in het algemeen niet onredelijk vindt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AP3436). Deze vuistregel wordt tot op heden toegepast door de Afdeling in haar jurisprudentie. Een afstand kleiner dan 50 meter kan ook aanvaardbaar zijn , mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.

Zo werd in een uitspraak van 14 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1179) een afstand van 10 meter aanvaardbaar geacht. In de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 20 december 2017 stelde de Afdeling dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Verder is de afdeling in een uitspraak van 22 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4331) tevens tot de conclusie gekomen dat een afstand van 17 meter voldoende mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen die de spuitzone verkleinen. Argumenten voor het toestaan van een kleinere afstand kunnen zijn: De wet- en regelgeving waaraan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moet voldoen: Verplichting tot gebruik van driftbeperkende technieken. Verplichting tot gebruiken gewasbeschermingsmonitor. De wijze van teelt: Teelt in de open lucht of containerteelt. -

59/83

Vollegrondsteelt of bomen- of fruitteelt. Feitelijke omstandigheden:

-

Fysieke beperkingen reikwijdte spuitnevel (bomenrijen , heggen , etc. ).

Wanneer de situatie nabij de planlocatie locatie-specifiek in ogenschouw wordt genomen , wordt tot de conclusie gekomen dat het plangebied binnen een afstand van 50 meter aan de overwegend noordoostelijke , oostelijke , zuidoos-

telijke , zuidwestelijke en noordwestelijke/westelijke zijde wordt omgeven door agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden aangewend. Met betrekking tot de agrarische gronden overwegend ten oosten/zuidoosten van het plangebied dient opgemerkt te worden dat deze tot het eigendom van de initiatiefnemer behoren. Ter plaatse vindt uitsluitend extensieve teelt plaats in de hoedanigheid van de teelt van gras. Er is geen sprake van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij deze teelt met opwaartse druk. Nu de onderhavige gronden tot het eigendom van de initiatiefnemer behoren , is verzekerd dat de onderhavige gronden niet worden omgezet tot fruitof boomteelt of tot een teelt waar gewasbeschermingsmiddelen worden aangewend. Met betrekking tot de overige agrarische gronden in de directe omgeving van het plangebied dient opgemerkt te worden dat de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelig gebouw. Enkel wordt een bedrijfsfunctie omgezet naar een woonfunctie aan de hand waarvan de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. Hierdoor is er sprake van een bestaande situatie en heeft de beoogde ontwikkeling per definitie geen beperking op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot gevolg. Verder is binnen het plangebied tevens een aanvaardbaar woonen leefklimaat verzekerd.

Dit omdat de beoogde ontwikkeling volledig aan de orde is binnen bestaand ruimtebeslag waarbinnen reeds een gevoelig gebouw in de hoedanigheid van een bedrijfswoning is toegestaan. Ook komen in de directe nabijheid van het plangebied reeds een groot aantal gevoelige gebouwen in de hoedanigheid van burgerwoningen voor. De huidige bedrijfswoning en woonfuncties in de directe omgeving hebben reeds een beperkende werking op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van omringende agrarische gronden. Immers , omliggende agrarische grondgebruikers dienden met betrekking tot de aanwending van gewasbeschermingsmiddelen reeds een afstandsmaat van 50 meter te hanteren ten aanzien van de bestaande bedrijfsfunctie binnen het plangebied en omliggende woonfuncties. Dit mede gelet op het feit dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor fruit- en boomteelt op een afstand van minder dan 50 meter van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoe-

lige functies reeds als een strijdig gebruik wordt aangemerkt. Gelet hierop is het binnen een afstand van 50 meter van het plangebied reeds niet mogelijk om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Dit maakt dat kan worden aangenomen dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat , gelet op spuitzones. Te meer nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de komst van een gevoelig gebouw. Conclusie Het aspect gezondheid staat niet in de weg aan het planvoornemen.

5. 9

Kwaliteit

van

de buitenlucht

Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde ; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ;

60/83

•

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging ;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging , is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 12, ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. 5. 9. 1 Standaardgevallen niet in betekende mate luchtkwaliteit (artikel 5. 54 Bkl) De beoogde situatie is objectief te kwantificeren als een van de ‘standaardgevallen NIBM’. Op basis van de meest actuele kaarten van NO2 , PM10 en PM25, is er geen sprake van een overschrijding van de waarden die aanvaardbaar worden geacht. De gemeente Best is dan ook niet aangewezen als een “aandachtsgebied” voor NO2 en/of PM10. In artikel 5. 54 van het Bkl is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit

uitgevoerd worden.

Beoordeling Wanneer het planvoornemen wordt vergeleken met bijvoorbeeld de uitbreiding van 1. 500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg , kan worden aangenomen dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Immers , de beoogde ontwikkeling heeft een afname van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Voor een nadere motivatie zie paragraaf 5. 13 van de onderhavige onderbouwing. Het aspect luchtkwaliteit staat derhalve het planinitiatief niet in de weg. 5. 9. 2 Blootstelling aan verontreiniging In paragraaf 2. 2. 1. 1 zijn in het Bkl omgevingswaarden opgenomen die als richtlijn gelden voor de luchtkwaliteit. Voor onderhavig plan wordt getoetst aan de concentraties van NO2 , PM10 en PM25. ,

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van NO2 , PM10 en PM25, en ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer (peiljaar 2023).

61/83

Figuur 29: Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (NO2-2023) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Figuur 30: Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM10-2023) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

62/83

Figuur 31: Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (PM25-2023) , (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Gelet op bovenstaande uitsneden is ter plaatse van de planlocatie sprake van een jaargemiddelde concentraties NO2 , PM10 en PM25, en die ver onder de grenswaarden blijven. Immers , de jaargemiddelde concentratie van N02 binnen de planlocatie bedraagt circa 104, μg/m³ , waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van 30 μg/m 3 als kalenderjaargemiddelde geldt. Verder bedraagt de jaargemiddelde concentratie PM 10 circa 157, μg/m³ en PM 25, circa 87, μg/m³ , waar de ten hoogste toelaatbare concentratie van PM 10 en PM 25, 40 μg/m³ , respectievelijk 25 μg/m³ , bedraagt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar is.

5. 10

Geluid door wegen

,

spoorwegen en

industrieterreinen

Toetsingskader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen , wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties ; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen ;

63/83

• • •

het bevorderen van bronmaatregelen ; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Beoordeling In paragraaf 6. 6 vindt een nadere toetsing plaats aan geluid afkomstig vanuit industrieterreinen en andere bedrijvigheid. Verder bevindt het plangebied zich op dermate ruime afstand van een spoorweg dat van enige geluidhinder afkomstig vanuit spoorwegen geen sprake is. Dit maakt dat in deze paragraaf enkel inzicht wordt gegeven in het aspect wegverkeerslawaai. Het planvoornemen gaat niet gepaard met de planologische toevoeging van een geluidsgevoelig gebouw op grond van het Bkl voor geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen in de hoedanigheid van woningen. Enkel blijft één geluidsgevoelig gebouw in de hoedanigheid van een om te zetten bedrijfswoning onverminderd aanwezig , waardoor sprake is van een bestaand geluidsgevoelig gebouw. Hierbij kan worden verwezen naar artikel 5.78 , lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Een en ander laat zien dat de instructieregels Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden (paragraaf 5. 1. 4. 2a. 4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)) niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan , op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De omstandigheid dat sprake is van een gebruikswijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning maakt dit niet anders.

Immers , onder de Omgevingswet wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen een bedrijfswoning en een burgerwoning. Er wordt enkel gesproken over een geluidsgevoelig gebouw. Nu sprake is van een bestaande geluidsgevoelige functie kan een andere toetsing aan geluidsbelasting afkomstig vanuit wegverkeer in de onderhavige onderbouwing achterwege blijven en bestaat geen aanleiding om een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te verrichten. Echter , vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bezien , wordt in het onderstaande toch in enigermate inzicht in gegeven in de geluidsbelasting ter plaatse afkomstig vanuit wegverkeer. In onderstaande afbeelding is de geluidsbelasting ter hoogte van het plangebied weergegeven. Een en ander laat zien dat de hoogste geluidsbelasting aan de uiterst westelijke/noordwestelijke zijde van het plangebied circa 49 dB bedraagt. Gelet hierop wordt de standaardwaarde van 53 dB die van toepassing is voor gemeentewegen nadrukkelijk niet overschreden. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Te meer nu sprake is van een bestaand geluidsgevoelig gebouw.

64/83

Figuur 32: Uitsnede https://www. atlasleefomgeving. nl/kaarten (Geluid van wegverkeer) (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

5. 11

Trillingen

Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw , die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. Beoordeling De planlocatie bevindt zich op aanmerkelijk ruime afstand van een spoorweg , te weten een afstand van circa 12, kilometer. Derhalve kan een nadere toetsing aan het aspect trillingen achterwege blijven in de onderhavige onderbouwing en kan worden aangenomen dat binnen de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect trillingen. Conclusie Onderhavig plan heeft met zekerheid geen mogelijk negatief effect tot gevolg.

5. 12

Ladder voor duurzame verstedelijking

Hoofstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5. 1. 5. 4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5. 129g van het Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’.

65/83

Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Dit motiveringsvereiste is gericht op zorgvuldig ruimtegebruik en houdt in dat in de toelichting bij een ruimtelijk besluit dat ‘een nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt , een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling , en , indien het ruimtelijk besluit de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied , een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling wordt daarbij gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein , of van kantoren , detailhandel , woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder andere stedelijke voorzieningen wordt het volgende verstaan: onderwijs , zorg , cultuur , bestuur en indoor sport en leisure. Beoordeling Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling Met de onderhavige ontwikkeling wordt een fouragehandel herontwikkeld naar wonen. Hiermee wordt een bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning.

Gelet hierop gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met de planologische toevoeging van woningen. Enkel blijft één bestaande woning behouden. Uit de jurisprudentie die is verschenen sinds de inwerkingtreding van de ladder blijkt dat de Afdeling een zekere ondergrens stelt aan ontwikkelingen wanneer het gaat om de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Zo heeft de Afdeling ten aanzien van woningbouwplannen geoordeeld dat de realisatie van 1 woning (AbRvS 14 januari 2014 , nr 201308263/2/R4) , 4 woningen (AbRvS 27 augustus 2014 , nr. 201311233/1/R4) of 6 woningen , waarvan 3 rechtstreeks bestemd en 3 eerst na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid (Vz AbRvS 4 juni 2014 , nr. 201401129/1/R4) , niet zijn aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Verder laat relevante jurisprudentie van de Afdeling zien dat de ondergrens om iets aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in beginsel bij 12 woningen ligt (AbRvS , 16 september 2015 , 201501297/1/R4). Nu de beoogde ontwikkeling niet gepaard gaat met de planologische toevoeging van een woning , maar enkel de omzetting van een bedrijfswoning naar burgerwoning behelst , is een en ander gelet op bovenstaande uiteenzetting van relevante jurisprudentie , niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Te meer nu de beoogde ontwikkeling tot een forse afname van bestaand ruimtebeslag en bebouwing leidt.

Conclusie Geconcludeerd wordt dan ook dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en daardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op deze ontwikkeling.

5. 13

Mobiliteit en parkeren

Mobiliteit In het kader van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ moet er sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling en mag door het planvoornemen geen gevaarlijke verkeerssituatie ontstaan. Voor wat betreft het aspect mobiliteit zijn de kencijfers van het CROW geraadpleegd. Hierbij is uitgegaan van een ligging buiten de bebouwde kom en een verstedelijkheidsgraad van ‘matig stedelijk’. Op voorhand dient opgemerkt te worden dat de gedoogde situatie met betrekking tot de inpandige mantelzorgwoning gehandhaafd blijft. Nu enkel sprake is van een gedoogsituatie en het aantal verkeersbewegingen die hiermee gepaard gaan ongewijzigd blijft , wordt een en ander niet meegenomen in de beoordeling van mobiliteit.

66/83

In de huidige planologische situatie bevindt zich binnen de planlocatie een niet-agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van een fouragehandel. Ook vindt ter plaatse bewoning plaats binnen één bedrijfswoning. Een dergelijke fouragehandel is conform de kencijfers van het CROW het beste vergelijkbaar met een ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods , opslag , transportbedrijf)’. Dergelijke bedrijvigheid gaat binnen het buitengebied gepaard met maximaal 57, verkeersbewegingen per 100 m 2 bvo. Uitgaande van de totale oppervlakte van bedrijfsgebouwen van 575 m 2 , wordt tot circa 328, verkeersbewegingen per etmaal gekomen. Verder gaat de bedrijfswoning conform de kencijfers van het CROW gepaard met circa 86, verkeersbewegingen per etmaal. Gelet hierop wordt in de huidige situatie conform de kencijfers van het CROW tot 414, (afgerond 42) verkeersbewegingen per etmaal gekomen. In de beoogde situatie is binnen het plangebied één woning aanwezig. Een dergelijke vrijstaande woning gaat binnen het buitengebied en binnen een matig stedelijk gebied gepaard met maximaal 86, (afgerond 9) verkeersbewegingen per etmaal per woning. Wanneer het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie wordt afgezet tegen het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie , wordt tot de conclusie gekomen dat het planvoornemen een afname van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg heeft.

Immers , waar het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie circa 42 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt , neemt het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie af tot circa 9 verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het plangebied is gelegen aan de Aarleseweg. De Aarleseweg betreft een lokale doorgaande weg die onder meer ontsluiting biedt aan verkeer dat zich vanuit de Oirschotseweg en de Kapelweg in overwegend noordelijke richting begeeft en vice versa. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie wegvalt in het heersende verkeersbeeld , waardoor de normale afwikkeling van het verkeer niet in het geding komt als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Te meer nu de beoogde ontwikkeling een afname van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg heeft.

Parkeren Parkeren onderdeel uit van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeenteraad van de gemeente Best heeft op 13 december 2021 de 'Nota Parkeernormen 2022’ vastgesteld. Blijkens de ‘gebiedsindeling’ , zoals opgenomen in de parkeernormennota , ligt onderhavig plangebied in een gebied aangeduid als het buitengebied. De parkeernormen in het parkeerbeleidsplan vinden zoveel als mogelijk aansluiting bij de parkeernormen , zoals die gesteld zijn in de destijds geldende publicaties van het CROW. In de beoogde situatie is binnen het plangebied één woning aanwezig. Deze woning betreft een vrijstaande woning. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid is hiervoor een parkeernorm van 17, parkeerplaatsen van toepassing voor bewoners en 03, voor bezoekers. Gelet hierop wordt tot een totale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen gekomen. Verder blijft de gedoogde situatie met betrekking tot de mantelzorgwoning gehandhaafd. Ondanks dat enkel sprake is van een gedoogsituatie wordt een en ander ten overvloede meegenomen bij de berekening van de parkeerbehoefte. Een dergelijke mantelzorgwoning is het beste vergelijkbaar met een ‘Serviceflat/aanleunwoning’. Hiervoor geldt conform het gemeentelijke parkeerbeleid een parkeernorm van 07, voor bewoners en 03, voor bezoekers.

Dit maakt dat in de beoogde situatie tot een totale parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen wordt gekomen. Binnen de planlocatie en binnen de beoogde woonfunctie is meer dan voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het benodigde aantal parkeerplaatsen zijn bovendien reeds als zodanig aanwezig. Ter illustratie zie onderstaande afbeelding.

67/83

Figuur 33: Duiding reeds aanwezige parkeerplaatsen bij om te zetten bedrijfswoning

Conclusie De aspecten ‘mobiliteit’ en ‘parkeren’ staan het planvoornemen niet in de weg.

5. 14

Natuur

Toetsingskader Natuur/stikstofdepositie is geregeld in artikel 22. 20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5. 5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt , vooralsnog , dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Derhalve wordt in het onderstaande getoetst aan de voormalige Wnb. Relevante emissies Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten , zoals verdroging , oppervlakteverlies , verontreiniging , versnippering , optische verstoring , verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies of verstorende activiteiten. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten.

68/83

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op een kortste afstand van circa 6. 519 meter in overwegend noordwestelijke richting. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde voor een stikstofgevoelige habitat ligt op een afstand van circa 6. 565 meter in overwegend noordwestelijke richting. In het onderstaande is de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Figuur 34: Afstand planlocatie ten opzichte van omringende Natura-2000 gebieden

Referentiesituatie Een AERIUS-berekening is uitgevoerd om te bepalen of de bouw-/aanlegfase en de gebruiksfase een noemenswaardige stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is ervoor gekozen om hierbij geen referentiesituatie te hanteren. Een al dan niet noodzakelijke omgevingsvergunning ‘Natura 2000-activiteit’ wordt indien nodig separaat aangevraagd en is niet onlosmakelijk verbonden met onderhavige aanvraag. Aanleg- en bouwfase

69/83

Voor de aanlegfase (bouwfase) worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht , middelzwaar verkeer (zoals personenauto’s , bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen) en zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers). Hierbij is uitgegaan van de navolgende verkeersbewegingen (uitgaande van worst-case benadering zijn verkeersbewegingen in beide richtingen opgevoerd) in alle bouwfasen , te weten sloop , bouwrijp maken , fundering , bouwfase en bouw-

rijpfase: • • •

224 lichte verkeersbewegingen (bestelbussen/personeel/aannemer) ; 224 middelzware verkeersbewegingen (bakwagens/bodediensten) ; 56 zware verkeersbewegingen (sloop/mobiele kraan , vrachtwagens/betonstorters , etc. ).

Bij het transport met de zware vrachtwagens is het aannemelijk dat zij bij stilstand nog stationair draaien zoals bijvoorbeeld het laden en lossen van de bouwmaterialen , optrekken containers etc. Zoals eerder beschreven zijn er 56 bezoeken met zware vrachtwagens. Het laden/lossen duurt circa 03, uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien

bedraagt daarmee: 03,

x 56 = 168, uur per

jaar.

Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator’ heeft een stationair draaiende vrachtwagen (2025) een emissie van 08976 , gr. NH3 en 924864 , gr. NOX per uur. Dit resulteert in: 168, 168,

x 00008976 , x 00924864 ,

kg = 00143 , kg NH3 per jaar kg = 15537 , kg NOx per jaar

Ook dient rekening gehouden te worden met het stationair draaien van middelzwaar verkeer. Het laden/lossen duurt circa 03, uur per bezoek. De totale bedrijfstijd stationair draaien bedraagt daarmee: 03,

x 224 = 672, uur per

jaar.

Conform bijlage 1 van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator’ gaat stationair draaiend middelzwaar verkeer gepaard met een emissie (2025) van 07116 , gr. NH3 en 6465 , gr. NOX per uur. Dit resulteert in: 672, 672,

kg = 00478 , kg NH3 per jaar kg = 43445 , NOx per jaar

x 00007116 , x 006465 ,

Verder dient tevens rekening gehouden te worden met koude starts als gevolg van licht verkeer gedurende de aanlegfase. Het gaat hierbij om in totaal 224 koude starts per jaar. Een en ander gebaseerd op 224 lichte verkeersbewegingen gedurende de bouwfase met één koude starts per dag. Inzet mobiele werktuigen De inzet van onderstaande mobiele werktuigen is als volgt:

70/83

Figuur 35 Ingevoerde parameters mobiele werktuigen

Brandstofverbruik Ten aanzien van de inzet van mobiele werktuigen is vanuit een worst-case benadering uitgegaan van de inzet van graafmachines , betonstorters/-pompen , minigravers , hijskranen , verreikers en een mobiele kraan. Ook is rekening gehouden met de inzet van hijskranen en verreikers ten behoeve van sloop van bebouwing. De berekening van het brandstofverbruik is gebaseerd op relevante kengetallen van het TNO. Bij het bepalen van de ureninzet , het brandstofverbruik en de bouwtijd is uitgegaan van een worst-case benadering. Dit om te duiden dat de beoogde ontwikkeling per mol/ha/jaar leidt. Immers , de bouwfase definitie niet tot een noemenswaardige stikstofdepositie van meer dan 000 , behelst in casu enkel de sloop van bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van circa 555 m 2 , het verwijderen van verharding/voorzieningen en de realisatie van een bijgebouw met een oppervlakte van ten hoogste 200 m.2 Voor wat betreft de bouwtijd wordt uitgegaan van de omstandigheid dat een en ander één jaar in beslag zal nemen. In onderstaande afbeeldingen is een gebruikelijke formule weergegeven.

71/83

Figuur 36 Gehanteerde formule brandstofverbruik

De inzet van onderstaande mobiele werktuigen kan worden onderverdeeld in een aantal fasen. Het gaat hierbij om: de sloop , het bouwrijp maken , de bouwfase en de woonrijpfase. Per fase wordt in het onderstaande de ureninzet illustratief en kort benoemd. Een en ander zal bij een verdere planvorming voorzien worden van een nadere uitwerking.

Sloop (2 weken): Hijskraan: 40 uur ; Verreikers 40 uur ; Bouwrijp maken (2 weken): Graafmachine: 28 uur ;

Bouwfase (10 maanden): Betonstorters/pompen: 18 uur ; Hijskranen: 22 uur ; Verreikers: 80 uur ; Mobiele kraan: 80 uur ; Woonrijpfase (1 maand): -

Minigravers: 56 uur.

Daarnaast blijft tevens de om te zetten bedrijfswoning in gebruik gedurende de aanlegfase , waardoor deze zijn meegenomen in de AERIUS-berekening. Het gaat hierbij om: CV-installatie woonhuis met een gasverbruik van 3. 300 m 3 gas per jaar ; 9 verkeersbewegingen per etmaal ; 5 koude starts per dag gebaseerd op één woning met twee koude starts per dag en drie parkeerplaatsen met ieder één koude start per dag.

72/83

De uitgevoerde AERIUS-berekening laat zien dat de aanlegfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 000 , mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de

onderhavige onderbouwing opgenomen. Gebruiksfase Er is tevens een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase. Voor wat betreft de gebruiksfase is uitgegaan van de volgende parameters: -

Eén CV-installatie huidige bedrijfswoning met een gasverbruik van 3. 300 m 3 gas per jaar ; 9 verkeersbewegingen per etmaal ; 5 koude starts per dag gebaseerd op één woning met twee koude starts per dag en drie parkeerplaatsen met ieder één koude start per dag.

Deze berekening laat zien dat de gebruiksfase geen noemenswaardige stikstofdepositie (niet meer dan 000 , mol/ha/jaar) op omringende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Deze AERIUS-berekening is als bijlage aan de on-

derhavige onderbouwing opgenomen. Conclusie Het aspect natuur staat niet in de weg aan het planvoornemen.

5. 15

Flora en fauna

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat géén instructieregels met betrekking tot ecologie. Echter , bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op flora en fauna en natuurgebieden. Dit vergt doorgaans onderzoek afhankelijk van de omvang van het plan. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Een voorbeeld is een woningbouwontwikkeling. Deze kan tot gevolg hebben dat planten en dieren op de ontwikkellocatie verdwijnen , bijvoorbeeld door het bouwen van woningen , aanleggen van verharding , het rooien van bomen en het dempen van sloten.

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang , die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen , als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van weten regelgeving , maar ook van fysieke maatregelen die bescherming , vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter , ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan

worden of:

•

er soorten aanwezig zijn ; en

•

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Beoordeling

73/83

Met de beoogde ontwikkeling wordt een bedrijfslocatie waarbinnen een fouragehandel is toegestaan herontwikkeld naar wonen. Hierbij wordt de bedrijfswoning omgezet in reguliere woning en worden overtollige bedrijfsgebouwen gesloopt. Verder wordt tevens de komst van een nieuw bijgebouw mogelijk gemaakt op gronden die nu ingericht zijn als bedrijfserf. Nu met de beoogde ontwikkeling tevens sloopwerkzaamheden zijn voorzien , kan niet met zekerheid geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling per definitie niet van negatieve invloed is op eventueel voorkomende beschermde soorten. Derhalve is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De complete quickscan flora en fauna is als bijlage aan de onderhavige onderbouwing opgenomen. In het onderstaande worden de conclusies (in cursief) weergegeven.

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden , zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.

Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen nemen om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap , de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november , de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel

dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten , is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden , zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Natuurinclusief bouwen Verder zal bij de realisatie van het nieuwe bijgebouw rekening worden gehouden met natuurinclusief bouwen. Dit betekent dat waar mogelijk rekening wordt gehouden met beschermde diersoorten die in gebouwen wonen door bijvoorbeeld nestkasten te plaatsen. Dit aspect wordt bij een verdere planvorming , te weten bij de bouwactiviteit verder uitgewerkt.

74/83

Conclusie Het aspect ‘flora- en fauna’ staat het planvoornemen dan ook , gelet op bovenstaande conclusies , niet in de weg.

5. 16

Waarborgen

van

de veiligheid

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg , water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4. 2. 14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan , bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl)

Beoordeling De planlocatie is , zoals weergegeven in de afbeelding in deze paragraaf , niet gelegen in een aandachtsgebied of PRcontour van een risicobron en/of een transportroute. Wel bevindt zich in de directe nabijheid van de planlocatie een enkele risicobronnen. Zo is op een kortste afstand van circa 870 meter in overwegend westelijke/zuidwestelijke richting een buisleiding gelegen met bijbehorend brandaandachtsgebied en PR10-6 en PR10-8 contour. Overige risicobronnen in de directe omgeving betreffen onder meer een buisleiding op een kortste afstand van circa 810 meter in overwegend zuidoostelijke richting met bijbehorend brandaandachtsgebied en een spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt op een kortste afstand van circa 12, kilometer in overwegend oostelijke/noordoostelijke richting met bijbehorend gifwolk- , explosie- , brandaandachtsgebied en PR10-6 , PR10-7 en PR10-8 contour. Ten aanzien van alle voornoemde risicobronnen geldt dat de planlocatie ruimschoots buiten het aandachtsgebied of PRcontour is gelegen.

75/83

Figuur 37 Uitsnede Atlas leefomgeving (planlocatie is indicatief voorzien van een rode omlijning)

Groepsrisico De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico moet doorlopen worden voor ruimtelijke ontwikkelingen wanneer deze (gedeeltelijk) binnen 200 meter van risicovolle infrastructuur liggen. Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 200 meter van risicovolle infrastructuur. Dit betekent dat vanwege de afstand tot de plaats van het mogelijke incident en de aard van incident (blootstelling toxisch gas) het groepsrisico niet significant zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.

Beperking , bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Een verantwoording van de mogelijkheden voor bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de zelfredzaamheid van mensen dient plaats te vinden indien een plangebied binnen het aandachtsgebied of PR-contour van een transportroute gelegen is waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Uit de Atlas Leefomgeving volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied of PR-contour van een transportroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt de planlocatie , evenals in de bestaande situatie , in de beoogde situatie in beginsel enkel gebruikt door personen die goed zelfredzaam zijn (geen kwetsbare doelgroepen). Daarbij is voldoende ruimte om te schuilen in geval van een toxisch scenario én mag worden aangenomen dat de bebouwing voldoet aan het Besluit bouwwerken leefomgeving.

76/83

Conclusie Het aspect ‘waarborgen van de veiligheid’ staat het planvoornemen dan ook , gelet op bovenstaande conclusies , niet in

de weg.

5. 17

Licht en windhinder

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot licht en windhinder anders dan de instructieregels in § 5. 1. 4. 4a. Slagschaduw van windturbines. Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2. 1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2. 4 en 4. 2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van de mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Bkl bevat geen instructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Bal. Beoordeling In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van kassen en windturbines. Een verder uitwerking wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect ‘licht en windhinder’ staat het planvoornemen dan ook , gelet op bovenstaande conclusies , niet in de weg.

77/83

6. 6. 1

JURIDISCHE PLANOPZET Algemene opzet

6. 1. 1 Inleiding Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het juridisch-planologisch mogelijk maken van de beoogde herontwikkeling van de bedrijfslocatie aan de Aarleseweg 24 te Best. Met de beoogde ontwikkeling wordt een fouragehandel met aanhorigheden definitief beëindigd en gesaneerd. De planlocatie wordt hierbij herontwikkeld naar wonen , waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning Het TAM-Omgevingsplan wordt als een nieuw hoofdstuk opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Best (hoofdstuk 22g). Het TAM-omgevingsplan (nieuwe hoofdstuk) wordt bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening , bedoeld in artikel 1.2.1 , tweede lid , van het Besluit ruimtelijke ordening , op https://www. ruimtelijkeplannen. nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het TAM-omgevingsplan wordt in een later stadium opgenomen in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Beste. Het 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22g Aarleseweg 24 , Best’ bestaat uit de volgende onderdelen: 6. 1. 2 De onderbouwing In de onderhavige onderbouwing is uitvoerig gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hierin is onder meer een beschrijving van het plangebied en de omgeving opgenomen , een beschrijving van de huidige en de beoogde situatie , een toetsing aan relevante beleidskaders en is nader inzicht gegeven in relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving. De hoofdconclusie luidt dan ook dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6. 1. 3 De regels De regels worden zoals gezegd opgenomen als afzonderlijk hoofdstuk binnen het Omgevingsplan van de gemeente Best. De regels bevatten onder andere de bouw- en gebruiksregels , die zijn gekoppeld aan werkingsgebieden op de digitale verbeelding. De regels van dit hoofdstuk gelden naast de overige regels van het omgevingsplan. 6. 1. 4 De (digitale) verbeelding Op de digitale verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen , die zijn gekoppeld aan bepaalde (primaire) functies. Deze worden in paragraaf 6. 2 nader toegelicht. Daarnaast zijn diverse werkingsgebieden opgenomen , gekoppeld aan

specifieke regels. 6. 1. 5 De opzet van het plan Het omgevingsplan bevat regels , die bindend zijn voor eenieder. Gekozen is voor zoveel mogelijk concrete regels in dit TAM-omgevingsplan , omdat er sprake is van een concreet initiatief. Hierbij is zoveel als mogelijk aangesloten bij de plansystematiek van het bestemmingsplan “Buitengebied Best 2021” (nu onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Best). Ook is rekening gehouden met de opzet van het recent vastgestelde ‘TAM-Omgevingsplan Oostzijde Stationsomgeving Best’.

Toelichting op de regels/verbeelding Op de verbeelding zijn werkingsgebieden opgenomen , die zijn gekoppeld aan functies met bijbehorende regels. Hierna worden deze functies met bijbehorende regels kort toegelicht. Het gaat hierbij enkel om een algemene beschrijving van welke functies hierbinnen vallen. Voor een complete beschrijving wordt dan ok verwezen naar de re6. 2

gels.

78/83

Agrarisch De gronden met een agrarische functie bevinden zich aan de overwegend oostelijke zijde van het plangebied. Ter plaatse wordt in hoofdzaak een gebruik ten behoeve van agrarische doeleinden , waaronder agrarische bodemexploitatie , toegestaan. Verder zal ter plaatse van de gronden waar voorzien wordt in (nieuwe) landschappelijke inpassing/kwaliteitsverbetering van het landschap een specifieke functieaanduiding komen te rusten. Wonen Ter plaatse van de gronden waar sprake is van de aanwezigheid van de om te zetten bedrijfswoning in burgerwoning komt een woonfunctie te rusten. De beoogde woonfunctie kent een oppervlakte van circa 2. 550 m.2 Verder zal ter plaatse van de beoogde woonfunctie expliciet vast komen te liggen dat hierbinnen in zijn totaliteit maximaal 300 m 2 aan bijgebouwen is toegestaan. Ook zal ter plaatse van de gronden waar voorzien wordt in landschappelijke inpassing een specifieke functieaanduiding komen te rusten. Daarnaast zijn ter plaatse van het plangebied tevens de dubbelfuncties “Leiding – Riool” , “Waarde – Archeologie 3 (gebied met hoge archeologische verwachting , historische (kern)) en “Waarde – Archeologie 4 (gebied met hoge archeologische verwachting)” van toepassing , alsook de gebiedsaanduidingen ‘luchtverkeerzone – ihcs en invliegtunnel’ en ‘vrijwaringszone – radar’.

Verder zijn in de regels tevens diverse voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ter borging die voorschrijven dat een woongebruik enkel is toegestaan wanneer: De landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden ; Voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd ; Overtollige bebouwing is gesloopt ; Voorafgaand aan de sloop van bedrijfsbebouwing en bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd.

79/83

7.

PARTICIPATIE

7. 1

Verplichte participatie

Participatie is een verplicht onderdeel is in het geval sprake is van een herziening van het Omgevingsplan. Zo dient de gemeente in het geval een herziening van het Omgevingsplan wordt voorbereid daarvan een kennisgeving te doen. In deze kennisgeving staat hoe de gemeente participatie zal vormgeven. Dit staat in artikel 10.2 , lid 1 van het Omgevingsbesluit. Verder dient ook op het moment dat een wijziging van het Omgevingsplan wordt vastgesteld in het vaststellingsbesluit te staan hoe burgers , bedrijven , maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen betrokken zijn bij de voorbereiding en wat met de resultaten is gedaan. Dit staat in artikel 10.2 , lid 2 van het Omgevingsbesluit. Wie de gemeente bij de vroegtijdige participatie betrekt , hangt af van het type omgevingsplanwijziging , de aard , de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.

De initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd. Hierbij is het gemeentelijke participatiebeleid in acht genomen. Hierbij zijn directe omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen en in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Uit de gevoerde omgevingsdialoog is gebleken dat geen enkele omwonende bezwaren tegen het planvoornemen heeft geuit. Gelet hierop gaf de gevoerde omgevingsdialoog geen aanleiding om het plan aan te passen naar gelang wensen en/of bezwaren vanuit omwonenden. De resultaten van de gevoerde omgevingsdialoog zijn gedeeld met het bevoegd gezag.

7. 2

Participatie omgeving

Vanwege de aard en omvang van het planvoornemen is in casu voor wat betreft participatie gekozen voor een omgevingsdialoog. Een verslag hiervan is gedeeld met het bevoegd gezag.

7. 3

Terinzagelegging ontwerp-omgevingsplan

De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan (ontwerpbesluit) in het gemeenteblad via het LVBB. De gemeente legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11 Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen , te weten van 17 december 2025 tot en met 27 januari 2026. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze kenbaar te maken. Er is gedurende de termijn van tervisielegging één zienswijze ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze zijn de regels voor vervangende nieuwbouw aangevuld met een minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Verder worden tevens een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Het gaat hierbij onder meer om een aanpassing in het archeologisch bureau- en vooronderzoek , in aanscherping van de voorwaardelijke verplichting in artikel 10. 5 en uitbreiding van de functieaanduiding ten behoeve van landschappelijke inpassing.

7. 4

Vaststelling omgevingsplan

De gemeenteraad van de gemeente Best heeft in de raadsvergadering van 15 juni 2026 het TAM-Omgevingsplan vast-

gesteld.

80/83

8. 8. 1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden ten behoeve van het planvoornemen en voor het opstellen van de herziening van het Omgevingsplan voor

rekening komen van de initiatiefnemer.

8. 2

Kostenverhaal

De initiatiefnemer fungeert als de financiële drager voor onderhavig plan. Voor de uitvoering worden de benodigde financiële middelen gereserveerd. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan en gemeente Best draagt geen financiële risico’s voor de realisatie. Tussen de gemeente Best en de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten voor wat betreft de regeling van nadeelcompensatie. Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Nu geen sprake is van een formeel bouwplan conform artikel 8. 13 van het Omgevingsbesluit worden deze verhaald conform de Verordening op de heffing en invordering van leges 2025 van de gemeente Best. Dit plan heeft daarmee geen financiële consequenties voor de gemeente. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.

81/83

9.

EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES

Zoals in het vorenstaande reeds uitvoerig is beschreven , is de initiatiefnemer voornemens om de bedrijfslocatie aan de Aarleseweg 24 te Best te herontwikkelen. Hiermee wordt een fouragehandel definitief beëindigd en gesaneerd. De planlocatie wordt hierbij herontwikkeld naar wonen , waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet naar burgerwoning. Nu de beoogde ontwikkeling in strijd is met het huidige planologische kader , dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. Conform afstemming met de gemeente Best is besloten dat het Omgevingsplan herzien zal worden om de beoogde herontwikkeling naar wonen mogelijk te maken via de zogenaamde TAM-IMRO systematiek. Middels de onderhavige onderbouwing wordt gemotiveerd om welke reden met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toelichting van functies aan locaties en om welke reden het planvoornemen voldoet aan relevante instructieregels van de provincie Noord-Brabant en het Rijk. De conclusie luidt dan ook dat het initiatief in overeenstemming is met relevante beleidskaders en dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toede-

ling van functies aan locaties.

82/83

10. BIJLAGEN 10. 1 10. 2 10. 3 10. 4 10. 5 10. 6

83/83

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan ; Bijlage 2 Vooronderzoek bodem ; Bijlage 3 Archeologisch bureau- en vooronderzoek ; Bijlage 4 AERIUS-berekening aanlegfase ; Bijlage 5 AERIUS-berekening gebruiksfase ; Bijlage 6 Quickscan flora en fauna.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16876311/1