25055.03 - Bijlage Groen- en biodiversiteitsplan 2026-2036
Tekst van het document
Levensduur
Vervangingskosten
Theoretische vervangingswaarde
Jaarkosten
Bomen - stedelijk in verharding
1839 stuks
B
40
€1650,00
€3.034.400
€75.900
Bomen - stedelijk in groen
12457 stuks
B
50
€770,00
€9.592.000
€191.900
Laanbomen - buitengebied
11484 stuks
B
50
€ 770,00
€ 8.842.700
€ 176.900
€ 21.469.100
€444.700
Subtotaal
154.573 m2
B
40
€ 9,20
€ 1.422.400
€ 35.600
2
243.044 m
B
30
€ 36,00
€ 8.749.600
€291.700
Heesterrozen
3.299 m2
B
25
€ 31,50
€ 104.000
€ 4.200
Vaste planten
6.663 m2
B
25
€ 52,00
€ 346.500
€ 13.900
Hagen
52.017 m2
B
30
€ 74,50
€ 3.875.300
€ 129.200
275 m1
B
25
€ 81,00
€ 22.300
€ 900
2
B
30
€120,00
€1.092.000
€36.400
€ 22.167.400
€ 730.500
Bosplantsoen Heesters / botanische rozen (incl. bodembedekkers)
Klim- en leiplanten Mos - sedum
9.100 m
Subtotaal
Gazon
367.710 m2
B
40
€ 2,90
€ 1.066.400
€ 26.700
Gazon met bloembollen
10.942 m2
B
25
€ 42,50
€ 465.100
€ 18.700
Gras 6x maaien
80.434 m3
B
40
€ 2,90
€ 233.300
€ 5.900
Gras 1 en 2x maaien
2
57.537 m
B
50
€ 2,66
€ 153.100
€ 3.100
Gras 1 en 2x maaien (gefaseerd)
429.730 m2
B
50
€ 2,66
€ 1.143.100
€22.900
2.559 m2
B
40
€2,90
€ 7.500
€200
Subtotaal
€ 3.068.500
€77.500
Totaal
€ 46.705.000
€ 1.252.700
Wadi (gras extensief - 6x maaien)
De tabel geeft inzicht in de omvang en waarde van het gemeentelijk groenareaal en maakt zichtbaar welke structurele middelen nodig zijn om dit op peil te houden. Door de levensduur, vervangingskosten en theoretische vervangingswaarde per beheergroep te berekenen, ontstaat een realistisch beeld van de financiële opgave voor de komende jaren. Deze informatie vormt een belangrijk fundament voor het maken van strategische keuzes in het groenbeheer en draagt bij aan een duurzame, toekomstbestendige inrichting van de openbare ruimte. Zo wordt niet alleen het behoud van de huidige kwaliteit geborgd, maar ook de mogelijkheid gecreëerd om het groenareaal verder te ontwikkelen als drager van biodiversiteit, klimaatadaptatie en leefkwaliteit. Toelichting per beheergroep Bomen: met ruim € 21 miljoen aan vervangingswaarde vormen bomen de grootste kapitaalpost binnen het groenareaal. Bomen in verharding vragen relatief hoge vervangingskosten en jaarkosten. Investeren in gezonde groeiplaatsen en toekomstbestendige soorten is daarom cruciaal. Daarmee kunnen bomen gezond oud worden en ook daadwerkelijk hun ecosysteemdiensten leveren. Bosplantsoen, heesters, vaste planten en hagen: deze categorie vertegenwoordigt samen circa € 22 miljoen aan vervangingswaarde.
Heesters, hagen en bodembedekkers hebben substantiële jaarlijkse vervangingskosten, maar dragen sterk bij aan biodiversiteit en de beleving van de openbare ruimte. Ook leveren ze hogere maatschappelijke baten op. Beplanting neemt bijvoorbeeld overtollig regenwater beter op en zorgt voor meer verkoeling dan gazons. Vervangen van de dakbeplanting van de spoortunnel vraagt meer dan alleen het vervangen van de beplanting, daarom is de vervangingswaarde hoog.
Tabel 6: overzicht van beheergroepen, levensduur en kosten.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
47
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Gras en gazon: hoewel de vervangingswaarde lager ligt (ongeveer € 3 miljoen), hebben gazons en gras een belangrijke functie voor recreatie en verkoeling. Bij een klimaatadaptieve inrichting kan hier worden gestuurd op variatie in maaifrequentie en bloembollenbeheer. Actiepunten Als actiepunt vanuit dit beleidsplan wordt voor het stedelijk, openbaar groen (bomen, plantsoenen et cetera) een beheerplan voor een periode van vijf jaar opgesteld met een concrete, financiële uitwerking van vervangingen van stedelijk groen in Best. Bij vervangingen van openbaar groen wordt ook gekeken naar ‘werk-met-werk’-mogelijkheden bij civieltechnische projecten. Een tweede actiepunt vanuit dit beleidsplan is het opstellen van een uitvoeringsprogramma biodiversiteit, waarin concrete maatregelen met kostenraming ter bevordering van de biodiversiteit worden beschreven. Het onderhoud van openbaar groen en daarmee samenhangende onderhoudskosten staan beschreven in het Kwaliteitsplan Openbare Ruimte en vallen buiten de scope van dit beleidsplan (zie paragraaf 1.3 Afbakening).
Afbeelding 27: medewerkers groenvoorziening aan het werk bij de renovatie van het Heilig Hartplein.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
Groenbeleidsplan en biodiversiteitplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bijlage 1: Begrippenlijst In deze bijlage is een begrippenlijst opgenomen die hoort bij dit beleidsplan. De lijst verduidelijkt belangrijke vaktermen en moeilijke woorden die in het plan en de onderliggende rapporten worden gebruikt. Hiermee willen we het document beter leesbaar en toegankelijk maken voor een breed publiek. De begrippenlijst kan daarnaast dienen als naslagwerk bij de verdere uitvoering van het beleid.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
49
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Adviesrapport
Een document waarin deskundigen of een organisatie hun bevindingen, conclusies en aanbevelingen geven over een bepaald onderwerp. Het rapport helpt bij het nemen van beslissingen of het bepalen van beleid
Afwegingskader
Een hulpmiddel waarmee de gemeente keuzes maakt tussen verschillende belangen of mogelijkheden. Het beschrijft welke criteria en uitgangspunten worden gebruikt om beslissingen te nemen, bijvoorbeeld bij het bepalen waar nieuw groen wordt aangelegd of welke bomen behouden blijven.
Areaal
Gebied. Het verspreidingsgebied van een soort, een levensgemeenschap of een biotooptype. De grenzen van het verspreidingsgebied worden bepaald door de habitateisen van een soort, het klimaat en door natuurlijke barrières.
Barrière
Hindernis/iets dat in de weg zit.
Basiskwaliteit Natuur
Een landelijk ontwikkelde systematiek die aangeeft welke minimale omgevingscondities nodig zijn om natuur gezond te laten functioneren, met name buiten de beschermde natuurgebieden.
Bebouwde kom
Een verzameling lokale regels die door de gemeente zijn vastgesteld. In de APV staan voorschriften over het gebruik van de openbare ruimte, zoals veiligheid, overlast, evenementen en beheer van groen. Het is dus de ‘huishoudelijke wetgeving’ van de gemeente.
Een plek met aaneengesloten bebouwing met voornamelijk een woon- en verblijfsfunctie. Er leven vaak veel personen per oppervlakte-eenheid.
Beekdal
Een landschapstype bestaande uit een beek en het dal waardoor die beek loopt (het stroomdal).
Begeleidingsgroen
Beplanting die langs wegen, fietspaden of waterlopen staat.
Ambassadeursoorten
Planten en dieren die als ecologische doelsoorten gelden voor een bepaald gebied.
Beheerbeleid
Ambitie
Een streven om iets tot stand te brengen of te verbeteren.
Beschrijft hoe de gemeente omgaat met het onderhoud en de verzorging van het openbaar groen. Het geeft aan welke kwaliteit wordt nagestreefd, hoeveel onderhoud nodig is en hoe keuzes worden gemaakt tussen kosten, duurzaamheid en leefbaarheid.
Ambitiekaart
Een kaart waarop de gemeente laat zien welke doelen en wensen zij heeft voor de toekomst van een gebied.
Belanghebbende(n)
Een persoon of een groep personen die belangen heeft bij een bepaald onderwerp.
Beleidsakkoord
Een afspraak tussen politieke partijen of bestuurders over de belangrijkste doelen en plannen voor de komende jaren.
Beleidsplan
Een plan waarin doelstellingen staan beschreven en de manier waarop die doelstellingen behaald moeten worden.
Berm
Een strook gras langs een (spoor)weg.
Agrarisch gebied
Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
Amfibie
1. Inleiding
Land dat vooral wordt gebruikt voor landbouw, zoals akkers, weilanden en boomgaarden. In deze gebieden werken boeren aan het telen van gewassen en het houden van vee.
Een amfibie is een dier dat zowel in het water als op het land leeft. Voorbeelden zijn kikkers, padden en salamanders. Ze hebben een vochtige huid en leggen hun eitjes meestal in het water.
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
50
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Biodiversiteit
Soortenrijkdom, de variatie van het leven op aarde.
Biotoop
Ruimtelijk min of meer hetzelfde gebied. Dit gebied wordt gekenmerkt door eigenschappen die verschillen van de omgeving en wordt daarom bewoond door een bepaalde levensgemeenschap met planten en dieren.
Boomkroonvolume
Het volume dat een boomkroon inneemt, benoemd in kubieke meter.
Boomspiegel
Het stukje grond rondom de stam van een boom. Deze ruimte zorgt ervoor dat water en lucht bij de wortels kunnen komen.
Broekontginningslandschap
Een oud landbouwgebied dat vroeger is ontgonnen uit moerassig of nat terrein, ook wel ‘broekgrond’ genoemd. Het landschap bestaat vaak uit smalle kavels, sloten en houtwallen
Bufferzone
Een zone die twee verschillende gebieden van elkaar scheidt.
Buurtschappen
Kleine bewoonde plaats die vaak geen middelpunt zoals een kerk en/of marktplein hebben.
Bloemrijk grasland
Een onbemest hooiland met grassoorten en meerjarige planten die bloeien.
Bodembedekkers
Laagblijvende planten die breed uitgroeien en de bodem bedekken, waardoor onkruid weinig kans krijgt.
Bodemleven
Alle organismen in de bodem.
Bodemstructuur
De manier waarop de bodem is opgebouwd. Een goede bodemstructuur zorgt ervoor dat water goed kan worden opgenomen, wortels kunnen groeien en planten gezond blijven.
CO₂
Koolstofdioxide. Een verbinding van koolstof en zuurstof, dat in lage concentraties aanwezig is in de lucht die we inademen. Het is na waterdamp het belangrijkste broeikasgas.
Bomenbestand
Het totaal aan verschillende soorten bomen en hun kenmerken binnen een bepaald gebied. Vaak opgeslagen in een (gemeentelijk) databeheersysteem.
Composieten
Planten uit de familie van de samengestelde bloemen, waarbij wat lijkt op één bloem eigenlijk bestaat uit veel kleine bloemetjes. Voorbeelden zijn zonnebloemen, margrieten en paardenbloemen.
Bomenlaan
Een rij bomen aan weerskanten van een weg. Corridors
Groene zones die verschillende natuurgebieden met elkaar verbinden. Ze maken het mogelijk dat dieren zich kunnen verplaatsen en planten zich kunnen verspreiden.
Cultivars
Door mensen gekweekte rassen van planten die zijn geselecteerd op bepaalde eigenschappen, zoals bloemkleur, groeivorm of weerstand tegen ziektes.
Boom 1e grootte
Boom die een volwassen hoogte heeft of krijgt hoger dan twaalf meter.
Boom 2e grootte
Boom die een volwassen hoogte heeft of krijgt tussen de zes en twaalf meter.
Boom 3e grootte
Boom die een volwassen hoogte heeft of krijgt lager dan zes meter.
Cultuurgewas
Het deel van de boom dat takken (en bladeren) heeft, dus de boom zonder de takvrije stam.
Een plantensoort die voor menselijk gebruik wordt geteeld en uit wilde planten is veredeld.
Cultuurhistorisch
De geschiedenis van de beschaving, dat wil zeggen alles wat door mensen is gedaan en gemaakt.
Boomkroon
Boomkroonbedekking
1. Inleiding
Het percentage van de oppervlakte van een boomkroon gedeeld door de oppervlakte van een bepaald gebied.
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
51
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Cultuurlandschap
Een landschap dat onder invloed van de mens is gevormd
Ecosysteem
Dekzandvlakte
Een vlak gebied dat in de ijstijd is gevormd door wind die zand heeft verplaatst en afgezet. Deze zandlagen liggen vaak aan de basis van het huidige landschap in Brabant en vormen de ondergrond van veel bossen en landbouwgronden.
Een natuurlijk systeem van alle organismen in een bepaald gebied samen met elementen zoals water en lucht, die constant in wisselwerking zijn en elkaar nodig hebben om te overleven.
Ecosysteemdiensten
Diensten die een natuurlijk systeem van alle planten en dieren in een bepaald gebied aan de mens levert, zoals productie van voedsel en medicijnen, drinkwater en zuivere lucht, maar ook natuurbeleving.
Enkeerdgronden
Oude landbouwgronden die door mensen zijn opgehoogd met plaggen en mest. Hierdoor is een vruchtbare, donkere bovenlaag ontstaan. Deze gronden liggen vaak rond oude dorpen en boerderijen en vormen een kenmerkend onderdeel van het traditionele zandlandschap.
Erfgoed
Betreft de zorg voor wat ons als samenleving rest uit het verleden. Het omvat archeologisch erfgoed, natuurlijk erfgoed en 'immaterieel' erfgoed, zoals gebruiken, kennis etc. Het is het geheel van verhalen, plekken, gebouwen en objecten die binnen een groep van generatie op generatie wordt overgedragen.
Extensief beheer
Beheer met weinig ingrepen, zodat planten en dieren meer ruimte krijgen om zich te ontwikkelen.
Fauna
Alle dieren samen in een gebied of tijdperk.
Faunavoorziening
Een voorziening die dieren helpt om zich veilig te verplaatsen in een gebied. Voorbeelden zijn faunatunnels onder wegen, ecoducten over snelwegen of takkenrillen langs water. Ze voorkomen dat dieren verkeersslachtoffers worden en zorgen dat natuurgebieden beter met elkaar verbonden blijven.
Flora
Alle planten samen in een gebied of tijdperk.
Gazon
Een veld met kort gemaaid gras.
Gebiedseigen
Van nature en van oudsher in een gebied thuishorend.
Doelsoort
Een dier of plant die hoort bij een bepaald leefgebied en waarvan het behoud, het herstel of de terugkeer een doelstelling van natuurbehoud is.
Doorwortelbare ruimte
De hoeveelheid bruikbare bodem die een boom tot zijn beschikking heeft om in te wortelen.
Draagvlak
De mate waarin mensen iets ondersteunen of nastreven.
Duurzaam
Iets is duurzaam wanneer het geen problemen veroorzaakt voor de toekomst. Vaak wordt duurzaam gezien op drie gebieden, te weten economie, milieu en sociaal.
Ecologie
Een wetenschap die onderzoekt hoe planten en dieren in verhouding staan tot hun omgeving en tot elkaar.
Ecologisch beheer
Het onderhouden van groen, waarbij rekening wordt gehouden met de ecologie. Bijvoorbeeld door minder vaak te maaien, geen gif te gebruiken en het onderhoud te richten op het creëren van goede leefomstandigheden voor plant en dier.
Ecologische waarde
Het niveau van voordelen dat een natuurlijk ecosysteem biedt om inheemse levensvormen te ondersteunen.
Ecologische verbindingszone
Een verbinding tussen natuurgebieden die wordt aangelegd om het verplaatsen van planten en dieren tussen natuurgebieden mogelijk te maken en een samenhangend ecologisch netwerk te creëren.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
52
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Hitte-eiland effect
Het verschijnsel dat het in een bebouwde omgeving warmer is dan in het buitengebied. Steen, asfalt en gebouwen nemen overdag warmte op en geven die ’s nachts langzaam weer af. Daardoor blijft het in dorpen en steden langer warm, vooral tijdens zomernachten.
Hittestress
Ongemakken door (aanhoudende) hitte, zoals niet goed kunnen slapen of je niet lekker voelen omdat je het (te) warm hebt.
Houtsingel
Een aaneengesloten rij inheemse bomen en struiken, van 4 tot 20 meter breed en minimaal 25 meter lang. De bomen en struiken worden als hakhout beheerd.
Houtwal
Een aaneengesloten rij inheemse bomen en struiken, van 4 tot 20 meter breed en minimaal 25 meter lang, liggend op een verhoogde aarden wal. De bomen en struiken worden als hakhout beheerd.
Inheems
Planten en dieren die vanaf de laatste ijstijd (10.000 jaar geleden) voorkomen in een bepaald gebied.
Invasieve exoten/soorten
Exoten zijn dieren of planten die niet van nature in Nederland voorkomen, ze zijn door menselijk handelen in onze natuur terechtgekomen. Invasieve exoten kunnen zich snel vermeerderen door het ontbreken van natuurlijke vijanden. Daardoor verdringen ze inheemse soorten en vormen een gevaar voor het ecosysteem en de biodiversiteit.
Een gebied dat vroeger bestond uit heidevelden en later door mensen is ontgonnen voor landbouw. Het landschap heeft vaak rechte kavels, sloten en wegen en ligt meestal op de zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland.
Kampenlandschap
Een oud cultuurlandschap dat bestaat uit kleine, onregelmatige akkers (kampen), omgeven door houtwallen, heggen of zandpaden. Het ligt meestal op hogere zandgronden en is ontstaan door eeuwenlange landbouw.
Neerslag: regen, sneeuw en hagel.
Kleinschalig landschap
Een gevarieerd landschap met kleine landschapselementen.
Klimaatadaptatie
Het aanpassen van onze omgeving met als doel de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verminderen.
Gefaseerd maaien
Een grasveld of berm niet in één keer, maar in delen en op verschillende momenten maaien. Zo blijven altijd stukken lang gras staan waar insecten, kleine dieren en planten kunnen overleven.
Groenareaal
Het totaal oppervlakte aan groen.
Groenbeheer
Het groen onderhouden en verzorgen. Verantwoordelijk zijn voor het groen.
Groene elementen
Elementen die bestaan uit beplanting (groen), bijvoorbeeld een bomenlaan, park, tuin, vogelbosje, groene gevel of voedselbos.
Groennorm
Een richtlijn voor de hoeveelheid en kwaliteit van groen in een woonwijk of gebied.
Groenstructuur
Een samenhangend geheel van alle groene elementen in een gemeente of dorpskern.
Habitat
Het specifieke leefgebied van een soort.
Hagen
Een strak geschoren, lijnvormige aanplant van bomen en/of struiken die dient als afscheiding, windkering of structuur in een landschap of tuin.
Heesters
Sierlijke (grotere) struiken, vaak met mooie bloemen en vruchten, zoals een hortensia (Hydrangea), sneeuwbal (Viburnum) of vlinderstruik (Buddleja).
Heideontginningslandschap
Hemelwater
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
53
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Klimaatrobuuste soorten
Soorten die opgewassen zijn tegen de klimaatverandering.
Klimaatverandering
De algehele afkoeling of opwarming van het klimaat op aarde gedurende een lange periode.
Koolstofdioxide
Kroonprojectie
Maaibeheer
CO2. Een verbinding van koolstof en zuurstof, dat in lage concentraties aanwezig is in de lucht die we inademen. Het is na waterdamp het belangrijkste broeikasgas.
Het proces waarbij vegetatie, zoals graslanden, bermen en ruigtes, wordt gemaaid om het te onderhouden. Het doel kan variëren, maar veelvoorkomende doelen zijn het bevorderen van biodiversiteit door het creëren van bloemrijke en gevarieerde begroeiingen, het voorkomen van verruiging, of simpelweg het netjes houden van een gazon.
Mantel
De horizontale oppervlakte op de grond die wordt bedekt door de kroon van een boom.
Een bosrand. Een zone met struikgewas tussen de bomen en de kruiden of het grasland.
Microklimaat
Klimaat vlak boven het aardoppervlak in een relatief klein gebied met een eigen karakter door lokale omstandigheden. Bijvoorbeeld het microklimaat in bossen of op de zuidhelling van een berg.
Monitoring
Het systematisch volgen en controleren van een proces, systeem of activiteit om de voortgang, effectiviteit en prestaties te beoordelen
Monumentale lanen
Bomenlanen van een bijzondere/zeldzame soort of bomenlanen die ouder zijn dan tachtig jaar oud.
Mozaïeklandschap
Een landschap dat bestaat uit een mozaïek van open en gesloten delen.
Nacht-actief
Betekent dat een dier vooral ’s nachts actief is. Overdag rust het dier en in de nacht gaat het op zoek naar voedsel of is het bezig met voortplanten. Voorbeelden van nachtdieren zijn vleermuizen, uilen en egels.
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)
Een online kenniscentrum van een publiek-private samenwerking, die betrouwbare natuurinformatie verzamelt en opslaat, inclusief miljoenen waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Deze data wordt gebruikt door onder andere gemeenten, omgevingsdiensten en onderzoekers voor het beheren van de natuur, het opstellen van plannen en het doen van kennisontwikkeling.
Kruidenrijk gras
Een veld met hoger gras met daartussen bloeiende kruiden. Het veld wordt één of twee keer per jaar gemaaid.
Kwalitatief groen
Groen met een hoge ecologische en klimaatadaptieve waarde.
Laarpodzolgronden
Zandgronden die zijn ontstaan door uitspoeling van mineralen en humus in natte bos- of heidegebieden. Ze hebben vaak een donkere bovenlaag en een lichtere onderlaag. Deze gronden komen veel voor in Brabant en zijn matig vruchtbaar, maar geschikt voor bossen en natuur.
Landelijk gebied
Al het gebied buiten de bebouwde kom.
Landgoed
Een groot stuk grond buiten de bebouwde kom met een gebouw, zoals een landhuis, kasteel of grote boerderij. Vaak zijn er mooie tuinen of parken aangelegd.
Landschapselement
Bouwsteen van het landschap, meerdere landschapselementen vormen de structuur van het landschap. Denk hierbij aan een houtwal, vrijstaande boom, poel en boomgaard, maar ook een kerktoren, weg, sloot of dijk.
Leefomgeving
1. Inleiding
De omgeving waarin een plant, dier of mens leeft.
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
54
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Natura 2000
Een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.
Paraplusoort
Natuurinclusief
Natuurinclusief wil zeggen dat er binnen projecten, producten of diensten bewust ruimte wordt gecreëerd voor de biodiversiteit en dat de natuur zo min mogelijk wordt belast.
Een soort waarvan de bescherming leidt tot bescherming van veel andere soorten in hetzelfde ecosysteem of gebied.
Participatie
Actief meewerken of bijdragen.
Plantsoen
Kleinschalige groenvoorziening, soms met wandel- en speelmogelijkheden, tussen de bebouwing,
Plantvak
Een perk of een strook beplant met meerjarige vaste planten, bodembedekkers en/of struiken.
Poel
Een ondiep, stilstaand waterlichaam dat natuurlijk kan ontstaan of door de mens kan worden gegraven.
Populierenlandschap
Een landschap met veel populieren in bijvoorbeeld bossen en wegbeplantingen.
Provincie
Een deel van een land. Het bestuur van een provincie. In Nederland worden provincies bestuurt door de Provinciale Staten met Gedeputeerde Staten met de Commissaris van de Koningin aan het hoofd. Dit bestuur wordt ook wel afgekort provincie genoemd.
Recreatie
Alle activiteiten die iemand voor zijn plezier doet.
Renovatie
Het verbeteren van iets bestaands, om weer te voldoen aan de geldende maatstaven en normen.
Reptiel
Een koudbloedig dier met schubben dat eieren legt en op het land leeft. Voorbeelden zijn slangen, hagedissen en schildpadden. Reptielen warmen zich op in de zon en zijn actief bij hogere temperaturen.
Rode Lijst
Een lijst waarop per land of deel daarvan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige dieren-, planten- en schimmelsoorten staan. Ook staan op deze lijst beschermingsmaatregelen om deze soorten in aantal te laten toenemen.
Natuurinclusief bouwen
Bij het ontwerpen en bouwen van huizen, bedrijven en andere gebouwen wordt rekening gehouden met de natuur. Er wordt bewust ruimte gemaakt voor planten en dieren, bijvoorbeeld door groene daken, nestkasten voor vogels of vleermuizen, en tuinen met inheemse beplanting aan te leggen.
Natuurnetwerk Nederland
Het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Natuurontwikkeling
Alle maatregelen die voorwaarden scheppen voor het herstel van de natuur in een gebied of voor de ontwikkeling van nieuwe natuur.
Natuurwaarde
De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit natuurbescherming en landschap.
Omgevingsvisie
Een strategische, langetermijnvisie van een overheid (rijk, provincie of gemeente) voor de gehele fysieke leefomgeving, waarin de hoofdzaken van het beleid voor bijvoorbeeld ruimte, water, natuur en verkeer worden vastgelegd.
Openbare ruimte
De ruimte die openbaar is voor iedereen. Dat kan buiten (bijvoorbeeld een plein, park of straat) of binnen (bijvoorbeeld een deel van het gemeentehuis, een bibliotheek of een parkeergarage) zijn.
Oppervlaktewater
Water dat zich aan de oppervlakte bevindt en dus zichtbaar is.
Organismen
Levende wezens.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
55
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Ruilverkaveling
Het proces waarbij landbouwkavels binnen een bepaald gebied worden samengevoegd en opnieuw worden verdeeld onder de eigenaren om aaneengesloten, regelmatige en beter toegankelijke percelen te creëren die dichter bij de boerderij liggen.
Spontane opslag
Het vanzelf groeien van planten of bomen zonder dat ze bewust zijn geplant. De zaden komen bijvoorbeeld via de wind, dieren of regen op een plek terecht en kiemen daar. Dit natuurlijke proces draagt bij aan verjonging van het groen en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Het beleid, advies, ontwerp en aanleg van de leefomgeving.
Stakeholder
Een persoon of groep personen die belang heeft bij een bepaald onderwerp.
Schrale bermen
Bermen met voedselarme grond waar weinig meststoffen in zitten. In zulke bermen groeien veel verschillende bloemen en kruiden.
Stedelijk gebied
Een gebied met een hoge adressendichtheid en veel bebouwing, bewoning en bedrijvigheid.
Strategie
De manier waarop je vooraf gestelde doelen bereikt.
Sedum
Ook wel vetkruid genoemd - is een plantengeslacht uit de vetplantenfamilie. Deze familie bestaat uit vier- tot vijfhonderd soorten en duizenden variëteiten. Vetplanten of succulenten zijn planten die water opslaan in een deel van de plant. Ze zijn geschikt om op moeilijke plaatsen te groeien, zoals bijvoorbeeld platte daken.
Strategisch
Volgens een bepaald vooropgezet plan.
Stroomdal
Dal waardoor een beek, rivier of ander water stroomt.
Struweel
Een begroeiing van voornamelijk struiken, niet hoger dan 5 meter. Een struikgewas.
Subsidie
Vergoeding van een overheid of andere instantie voor het nemen van bepaalde maatregelen of activiteiten, zonder dat er goederen of diensten worden verstrekt.
Takkenril
Een stapel van snoeihout of takken tussen twee rijen palen. Het vormt een natuurlijke afscheiding en biedt schuil- en nestgelegenheid voor kleine dieren, vogels en insecten.
Toekomstbestendig
Op de toekomst voorbereid.
Vaste plant
Een plant die niet-houtige stengels heeft en langer dan twee jaar leeft.
Vegetatie
Het geheel van planten die in een bepaalde omgeving voorkomen.
Vergunning
Toestemming van een overheid om een activiteit uit te voeren.
Solitair
Alleen levend of alleenstaand (boom).
Soortenrijkdom
De variatie aan planten, dieren en andere organismen binnen een bepaald gebied (ook biodiversiteit).
Soortenmanagementplan
Met een soortenmanagementplan (SMP) maakt een gemeente op basis van uitgebreid ecologisch onderzoek een biodiversiteitplan voor de gehele gemeente. Zo’n plan voorziet niet alleen in de wettelijke bescherming van kwetsbare dieren, maar ook in een “plus” voor duurzame bescherming van populaties.
Sortiment
1. Inleiding
De verzameling aan rassen en soorten. Sortiment gaat over levende organismen in tegenstelling tot assortiment (de verzameling aan niet levende artikelen).
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
56
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Vergunningsplicht
De plicht om voor een activiteit eerst een vergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag.
Vruchtzetting
Het verschijnen van vruchten na de bloei.
Verkaveling
De manier waarop land in stukken (kavels) is ingedeeld.
Waardplant
Een plant waarop een insect of ander dier leeft, eitjes legt of voedsel vindt.
Verontreiniging
Vervuiling van bodem, water en/of lucht met schadelijke stoffen. De aanwezigheid van schadelijke stoffen in het milieu.
Wadi
Een ondiepe greppel waarin het regenwater wordt opgevangen bij heftige regenbuien, waarna het langzaam in de bodem kan zakken. Afkorting voor Water Afvoer Drainage en Infiltratie.
Verordening
Een voor burgers algemeen bindende regeling.
Verstedelijking
Een proces waarbij steeds meer mensen op een bepaald oppervlak komen te wonen. Een negatief effect daarvan is toenemende verstening.
Waterbuffer
Een opslagplaats voor water, zodat het niet meteen afstroomt en in een gebied kan infiltreren.
Waterbuffering
Het vasthouden van regenwater in een gebied door sponswerking van de bodem of door opslag in waterbuffers.
Het verdwijnen van natuur en landschap door bebouwing en infrastructuur.
Waterpartij
Een element met oppervlaktewater, zoals een vijver.
Verwoestijning
Het verschralen en verdrogen van de bodem.
Wijkniveau
Het schaalniveau van een wijk.
Visie
Het beeld dat of de verwachting die je hebt van de toekomst.
Woningcorporatie
Sociale woningbouworganisatie die zich richt op het bouwen, beheren en verhuren van betaalbare woningen.
Vlakvaaggronden
Jonge bodems die nog maar weinig ontwikkeling hebben doorgemaakt. Ze bestaan vooral uit zand en hebben geen duidelijke lagen. Deze gronden komen vaak voor op plekken waar het landschap regelmatig is verstoord, bijvoorbeeld door wind, water of menselijk gebruik.
Zandgronden
Bodems die voor minimaal 50% uit zand bestaan.
Zandlandschap
Een landschap met een bodem van minimaal 50 % zand, dat bestaat uit hogere en lagere delen (stuwwallen, dekzandruggen, beekdalen en dekzandlaagten).
Zandverstuivingen
Open plek zonder begroeiing waar het zand door wind en water verplaatst wordt.
Zandwinning
Het wegzuigen van zand uit de bodem.
Zon-PV
Benaming voor zonnepanelen. PV staat voor Photo Voltaic.
Verstening
Voedselbos
Een door mensen ontworpen en aangelegd bos, met bomen, struiken en planten die voedsel produceren.
Volksgezondheid
Enerzijds de gezondheidstoestand van de bevolking, anderzijds het geheel aan activiteiten ter bevordering van de gezondheid van de bevolking.
Volkstuin
Een gehuurd stukje grond die niet bij een woning ligt, bedoeld om groenten, fruit en andere planten te kweken.
Zoogdieren
Dieren die hun jongen voeden met moedermelk.
Volwassen boom
Een boom die zijn maximale afmetingen heeft bereikt.
Zoom
De overgang van mantel naar grasland. De mantel bestaat uit struiken, de zoom uit ruigtekruiden.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
Groenbeleidsplan en biodiversiteitplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bijlage 2: Resultaten enquête inwonerspanel Deze bijlage bevat het rapport van de peiling onder inwoners van Best over het nieuwe Groenbeleids- en Biodiversiteitsplan. Het rapport geeft inzicht in hoe inwoners denken over thema’s als klimaatadaptatie, biodiversiteit en de waarde van openbaar groen. De resultaten hebben de gemeente geholpen om keuzes te maken die aansluiten bij de wensen en zorgen van bewoners. Daarmee vormt dit rapport een belangrijke onderbouwing van het groenbeleidsplan en de verdere uitwerking ervan.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
58
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
59
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
60
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
61
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
62
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
63
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
64
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
65
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
66
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
67
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
68
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
69
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
70
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
71
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
Groenbeleidsplan en biodiversiteitplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bijlage 3: Verwerking van de participatie In bijlage 3 is opgenomen hoe de resultaten uit de participatie zijn verwerkt in het plan. Daarbij maken we inzichtelijk welke wensen en signalen naar voren zijn gekomen en op welke manier deze zijn meegenomen in de keuzes die gemaakt zijn. Zo zorgen we dat het beleid niet alleen aansluit bij gemeentelijke doelstellingen, maar ook bij de behoeften van de mensen die dagelijks gebruikmaken van het groen.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
73
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Inbreng over klimaatadaptatie
Klankbordgroep Groen
Stakeholder
Opmerking
Verwerking
Inwonerspanel
De gemeente doet erg zijn best om de nieuwe wijken te vergroenen. De oudere wijken lopen achter.
Opgenomen in hoofdstuk 4 Groenbeleidsplan, 4.1.1 Klimaatadaptief groen.
Klankbordgroep Groen
95 hectare gazon in de gemeente is erg veel. Dit zorgt ook voor hoge CO2-uitstoot door frequent maaien. Graag meer ecologisch beheren en daarmee de CO2uitstoot naar beneden brengen.
Opgenomen in hoofdstuk 5 Biodiversiteitsplan paragraaf 5.4
Klankbordgroep Groen
Graag prioriteit geven aan de aanplant van bomen in het centrum om hittestress aan te pakken (zie ook uitkomsten enquête).
Opgenomen op de ambitiekaart in hoofdstuk 5 - Biodiversiteitsplan paragraaf 5.7
Ambtelijk/ interdisciplinair
Met betrekking tot klimaatadaptie zijn bomen het belangrijkst. En hitte het grootste probleem. Het adviesrapport Omdenken - voor een klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal in Best bevat pijlers en handvatten die belangrijk zijn voor het groenbeleidsplan.
Opgenomen in hoofdstuk 4 Groenbeleidsplan, paragraaf 4.1.1 Klimaatadaptief groen en paragraaf 4.3.3. Bomen. Een samenvatting uit het rapport is als bijlage 4 opgenomen.
3-30-300 regel toevoegen
Niet verwerkt: De 3-30-300 regel is een norm voor groenontwikkeling. Deze norm stellen we níet vast in beheerbeleid. Wel kunnen we vanuit beheerbeleid hier een fysieke bijdrage aan leveren in Best door het vergroenen van de openbare ruimte.
Inbreng over regelgeving en beheer
Inbreng over groen en gezondheid Stakeholder
Opmerking
Verwerking
Inwonerspanel
Mijn wens voor het openbaar groen in Best is een wilde plek voor mijn kinderen om te spelen (bomenklimmen, hutten bouwen).
Opgenomen in: Hoofdstuk 4 – Groenbeleidsplan, Paragraaf 4.2.2.
Stakeholder
Opmerking
Verwerking
Inwonerspanel
Als bomen worden aangeplant dient er gezorgd te worden voor goede doorwortelbare grond. Dat is in onze wijk niet gedaan waardoor jonge bomen niet aanslaan en vroegtijdig afsterven.
Opgenomen in hoofdstuk 4 Groenbeleidsplan, paragraaf 4.3.3, alinea Principes van het Norminstituut Bomen.
Inwonerspanel
Het groen in de gemeente wordt keurig netjes bijgehouden. Misschien wel te netjes. Het mag allemaal een beetje natuurlijker, rommeliger. Of creëer plekken op enkele plaatsen, waar de natuur zijn gang mag gaan.
Opgenomen in hoofdstuk 5 Biodiversiteitsplan, paragraaf 5.4 Ecologisch beheer.
Klankbordgroep Groen
Voorpootrecht: Heemkunde vindt dat we aan immaterieel erfgoed niet mogen tornen. Dit is een kans, geen verplichting. Graag opnemen hoe de gemeente om wil gaan met beheer voorpootrecht bomen.
Opgenomen in: Hoofdstuk 4 – Groenbeleidsplan, Paragraaf 4.3.4.
Inbreng over biodiversiteit
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
74
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Stakeholder
Opmerking
Verwerking
Stakeholder
Opmerking
Verwerking
Inwonerspanel
Bermen allemaal inrichten zodat biodiversiteit toeneemt. Dus weinig maaien, bloemrijk inzaaien , hagen planten en rillen aanleggen.
Opgenomen in hoofdstuk 5 Biodiversiteitsplan, paragraaf 5.4 Ecologisch beheer.
Ambtelijk/ interdisciplinair
Klankbordgroep Groen
De bermen worden te intensief gemaaid door aanwonenden en boeren/tuinders om bij te dragen aan de ecologische doelen van natuurherstelwet
Verwerkt in: Hoofdstuk 6 - Participatiebeleid alinea voorlichting
Vaste planten kunnen ook werken om verloedering van wijken tegen te gaan. Uiteraard moet dit niet overal maar kan wel iets betekenen voor een wijk. Kijk bijvoorbeeld omgeving Trompstraat.
Klankbordgroep Groen
Meer onderbegroeiing tussen bomenrijen, zowel in als buiten de kom (met hazelaar, mispel, vlierbes). Zowel vanuit beleefbaar groen als biodiversiteitsbevordering.
Verwerkt in: Hoofdstuk 4 – Groenbeleidsplan, Paragraaf 4.2.3
Niet opgenomen: Vaste planten zijn relatief duur in aanleg en onderhoud ten opzichte van heesterachtigen. Vaste planten willen we daarom meer op zichtlocaties. Bovendien kunnen we met heesters ook kleur en variatie toepassen in de wijken. Daarnaast hebben heesters veel te bieden aan insecten én vogels en egels, terwijl vaste planten vrijwel alleen maar iets te bieden hebben aan insecten.
Klankbordgroep Groen
Pas de lijst met ambassadeurssoorten en paraplusoorten aan naar minder soorten en kansrijker gekozen.
Verwerkt door ecoloog naar een nieuwe lijst.
Overige inbreng
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
Groenbeleidsplan en biodiversiteitplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bijlage 4: Adviesrapport voor een klimaatbestendig en klimaatadaptief boomareaal voor Best. Deze bijlage bevat de samenvatting van het adviesrapport over een klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal voor de gemeente Best. Het rapport zelf beschrijft de huidige knelpunten, zoals de kwetsbaarheid van het bomenbestand door eenzijdige soortensamenstelling en beperkte groeiruimte, én het biedt strategieën om bomen toekomstbestendig te maken. Met de zogeheten BEST-methode worden concrete handvatten aangereikt voor inrichting, beheer en participatie. Het rapport vormt daarmee een belangrijke bouwsteen voor de verdere uitwerking van het gemeentelijke groenbeleid richting 2050.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
76
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
OMDENKEN Voor een klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal in Best Rik van Leeuwen juni 2025 Samenvatting Klimaatverandering bedreigt het huidige bomenbestand in Best door toenemende hitte, droogte, hevige neerslag en hogere plaagdruk. Tegelijkertijd zijn bomen cruciaal voor verkoeling, waterberging en biodiversiteit. Er is daarom een noodzaak om het bomenareaal nu al toekomstbestendig te maken. De belangrijkste problemen van het huidige bomenareaal in Best zijn o.a. de dominantie van de zomereik, wat het areaal kwetsbaar maakt voor ziekten. Ook de disbalans in leeftijd leidt tot hogere kosten en minder meerwaarde van bomen op de leefomgeving van Best (ecosysteemdiensten). De groeiplaatsen zijn vaak slecht; kleine boomspiegels en onvoldoende groeiruimte voor wortelruimte verkorten vaak de levensduur van het huidige bomenareaal. Er staan bomen op de verkeerde plek, waardoor bij hogere temperaturen en meer neerslag door klimaatverandering, bomen uitvallen door stress. En de ruimtelijke druk wordt groter, door uitbreiding van ASML, terwijl bomen juist meer ruimte nodig hebben om gezond oud te kunnen worden en meerwaarde geven aan de leefomgeving van Best.
Het doel van dit adviesrapport is om voor Best instrumenten te maken waarmee projectleiders, beheerders en stedenbouwkundige een toekomstbestendige leefomgeving en bomenareaal in de openbare ruimte kunnen realiseren, op peil houden en verbeteren. Hierdoor heeft Best in 2050 een gezond, veerkrachtig, klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal. Beide instrumenten bestaan uit een verzameling van bewezen wetenschappelijke onderzoeken, concepten en ideeën uit het vakgebied. Het eerste instrument is een methode, bestaande uit een concreet stappenplan waarmee de openbare ruimte in Best klimaatbestendig kan worden ingericht en heeft beheermaatregelen voor klimaatadaptieve gezonde groeiplaatsen en bomen. De methode heet: De BEST-methode’
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
• Bodem als basis • Ecosysteemdiensten verbeteren • Soortenlijst en Santamour regel gebruiken • Toekomstbestendige klimaatadaptief beheermaatregelen voor de openbare ruimte Met de bodem als basis, worden ecosysteemdiensten verbeterd door het verlengen van de levensduur van bomen en meer schaduw door een grotere kroonvolume bij het gebruik van grotere bomen. De bomen worden op de juiste plek gezet, door gebruik te maken van verschillende adaptieve boomsoorten, als klimaatbomen in verharding en inheems in open groeiplaatsen. Het bomenareaal wordt veerkrachtiger door de 10-20-30 regel van F. Santamour toe te passen. Het tweede instrument is een vebeterconcept voor borging en constante verbetering m.b.t. klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal. ‘Het BEST-ZEIST concept’ • Zonering door ruimtelijke verschillen • Evaluatie + Verbeteren • Investeren in Kennis + Integreren stappenplan • Samenwerken via participatie en communicatie voor meer draagvlak • Totaalconcept voor borging en constante verbetering m.b.t. een klimaatbestendig en klimaatadaptief bomenareaal. Door zonering worden per zone verschillende richtlijnen mogelijk. Het is een differentiatie van het gebied en geeft ontwerpers handvatten. Het investeren in kennis van klimaat en het integreren van het stappenplan geeft ook extra handvatten voor beheerders en projectleiders van Best.
Door samenwerking met bewoners via participatie en communicatie wordt er draagvlak gecreëerd voor het nut van een klimaatbestendig bomenareaal. Het evalueren en verbeteren geeft constante nieuwe inzichten in bomen en klimaatverandering. Hierdoor kunnen stedenbouwkundige betere plannen maken. Uiteindelijk geeft dit adviesrapport input voor een klimaatbeleidsplan en een boomstructuurplan per wijk. Ook geeft het Best meer instrumenten en kennis van de openbare ruimte en klimaatverandering. Ook de internationaal erkende 3-30-300 Norm voor de openbare ruimte kan door het toepassen van de methode en concept behaald worden. Bij het bereiken van deze norm, heb je een groene openbare ruimte die voor verkoeling, gezondheid en sociale cohesie in Best zorgt.
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
Groenbeleidsplan en biodiversiteitplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bijlage 5: Ambassadeursen paraplusoorten Om het biodiversiteitsbeleid in de gemeente Best concreet te maken en gebiedsgericht uit te voeren, zijn per deelgebied ambassadeursoorten en paraplusoorten geselecteerd. Deze soorten worden in bijlage 5 beschreven met kenmerken, voedsel, habitat en benodigd beheer.
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
78
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bebouwde kom - bermen Bermen: ambassadeursoort De citroenvlinder (Gonepteryx rhamni) is een dagvlinder met citroengele vleugels die vroeg in het voorjaar vliegt en als volwassen vlinder overwintert. Voedsel: de rupsen zijn afhankelijk van sporkehout (Frangula) en wegedoorn (Rhamnus), terwijl de volwassen vlinders nectar halen uit onder andere pinksterbloem en look-zonder-look. Habitat: struweelrijke bermen, bosranden en halfopen landschappen waar veel overgangen tussen open en gesloten vegetatie aanwezig zijn. Beheer: structuurrijk bermbeheer met aandacht voor bloeiende en waardplanten is van groot belang voor het voortbestaan van deze soort.
Bermen: paraplusoorten De putter (Carduelis carduelis) is een kleurrijke zangvogel met een rood gezichtsmasker en gele vleugelstrepen, die vaak in kleine groepjes foeragerend in bermen en tuinen wordt gezien. Voedsel: vooral zaden van distel, teunisbloem, zonnebloem, paardenbloem, els en lariks; in het voorjaar en de zomer ook kleine insecten, de jongen krijgen vaak enkel insecten. Habitat: compacte nesten in bomen of struiken (lager dan 10 meter van de grond), goed verborgen tussen de takken. Beheer: bloemrijke bermen en graslanden met veel zaaddragende planten, gecombineerd met extensief en gefaseerd maaibeheer, bieden de beste omstandigheden voor deze soort. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de putter zijn ook gunstig voor akkervogels (vink en kneu), insecten (wilde bijen en dagvlinders) en kleine zoogdieren (dwergmuis).
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
De grote roetbij (Panurgus banksianus) is een compacte bij met zwartbruine beharing. De bijen ‘rollen’ zich vaak in het stuifmeel van gele composieten, waardoor het gehele lichaam bedekt is met stuifmeelpollen. De bij leeft vaak in groepen. Voedsel: nectar en stuifmeel van composieten, met in Nederland een voorkeur voor grotere Havikskruiden. Habitat: maakt nesten op onbegroeide plekken op vooral droge zandgronden, langs heidevelden en bosranden. Beheer: korte, grazige schraallanden, heideterreinen en bermen op zand- en lössgronden met aanwezigheid van composieten bieden de beste omstandigheden voor deze soort, gecombineerd met gefaseerd of extensief maaibeheer. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de grote roetbij zijn ook gunstig voor vlinders (kleine parelmoervlinder, icarusblauwtje), andere solitaire en grondnestelende bijen, zandloopkevers, sprinkhanen en zeldzame planten (muizenoortje).
Het icarusblauwtje (Polyommatus icarus) is een algemene vlinder, mannetjes en vrouwtjes zijn beide blauw van kleur. De rupsen zijn helder groen. Voedsel: de rupsen eten bladeren van waardplanten, dit zijn voornamelijk rolklaver, rupsklaver, hopklaver en kroonkruid. De vlinders drinken nectar uit allerlei bloemen. Ze zijn niet kieskeurig, maar geven de voorkeur aan bloemen die rijk zijn aan nectar én goed bereikbaar zijn met hun roltong, zoals gewone margriet, knoopkruid, duizendblad, akkerdistel, Jacobskruiskruid, klaversoorten en paardenbloem. Habitat: komt voor op kruidenrijke vegetatie zoals akkerranden, dijken, graslanden, in parken en wegbermen. Belangrijk is de aanwezigheid van de waardplanten. Beheer: het is belangrijk dat waardplanten aanwezig zijn, hiervoor dient niet te intensief en gefaseerd gemaaid te worden. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende nectar aanwezig is. Paraplusoort: het icarusblauwtje is een goede paraplusoort, omdat een breed scala aan soorten ook afhankelijk is van dezelfde bloemrijke, extensief beheerde graslanden. Zoals andere dagvlinders (bruin blauwtje, hooibeestje, oranjetipje), bijensoorten (gewone sachembij, rosse metselbij), sprinkhanen en kevers.
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
79
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bebouwde kom - parken Parken: ambassadeursoort De staartmees (Aegithalos caudatus) is een klein, rond vogeltje met een kenmerkende lange staart, dat buiten het broedgebied altijd in groepjes leeft en zich vaak laat horen met hoge roepjes. Voedsel: voornamelijk insecten die worden gezocht in struikgewas en boomkruinen. In de wintermaanden ook zaden van verschillende bomen. Habitat: bosranden, parken en tuinen waar voldoende dicht struikgewas aanwezig is; ze bouwen hun opvallende, bolvormige nesten van mos en korstmos. Beheer: behoud van structuurrijke beplanting en verbindingen tussen groenstroken helpt deze sociale soort in stand te houden.
Parken: paraplusoorten De egel (Erinaceus europaeus) is een zoogdier met stekels dat voorkomt in tuinen, parken en groene woonwijken, waar hij vooral ’s nachts op zoek gaat naar voedsel. Voedsel: vooral slakken, wormen, insecten en ander klein ongewerveld voedsel. Habitat: gevarieerde gebieden met voldoende dekking, zoals heggen, rommelhoekjes, takkenrillen en bladstrooisel. De egel overwintert in bladhopen, compost of dichte begroeiing. Beheer: behoud van schuilplekken, het verbinden van groenstructuren en het vermijden van barrières zoals muren en schuttingen. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de egel zijn ook gunstig voor kleine zoogdieren (dwergmuis en bosmuis), amfibieën (gewone pad en bruine kikker), insecten (loopkevers en nachtvlinders) en tuinvogels (roodborst en winterkoning).
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
De eekhoorn (Sciurus vulgaris) is een lenig knaagdier met een lange pluimstaart dat in parken en bossen in bomen voorkomt. Voedsel: noten, zaden, bessen en boomvruchten zoals eikels en dennenkegels. Habitat: boomrijke omgevingen; ze bouwen hun nesten hoog in de bomen, waarbij ze afhankelijk zijn van een goed verbonden groenstructuur. Open, onbegroeide terreinen worden zelden overgestoken. Beheer: het versterken van boomstructuren en het behouden van groene verbindingen draagt bij aan een leefgebied waarin eekhoorns zich kunnen handhaven. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de eekhoorn zijn ook gunstig voor boomlevende zoogdieren (boommarter en rosse woelmuis), vogels (grote bonte specht en boomklever), insecten (boktorren en vliegende herten) en vleermuizen (rosse vleermuis en watervleermuis).
De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) is een kleine bruingrijs en zwart met witte zangvogel. Het is een trekvogel die in de lente in Nederland aanwezig is en in de herfst naar Zuid-Europa of Afrika vertrekt. Voedsel: vooral vliegende insecten zoals vliegen, motten, muggen en libellen. De bonte vliegenvanger eet ook spinnen en andere kleine ongewervelden. Habitat: heeft een voorkeur voor bosranden, maar komt ook voor in halfopen en gemengde bossen, parken en tuinen. Een structuurrijke vegetatie is van belang. Nesten worden gemaakt in holtes in bomen. Beheer: het behouden en versterken van boom- en bosstructuren. Ook het behouden en versterken van bloemrijke bermen en graslanden is van belang, zodat er voldoende voedsel is. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de bonte vliegenvanger zijn ook gunstig voor andere vogels (spechten, boomklever, zwarte mees en glanskop), kleine zoogdieren (bosmuis), reptielen, amfibieën en vleermuizen.
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
80
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Bebouwde kom - woonwijken Woonwijken – gebouwgebonden en tuingerelateerde stadssoorten Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de variatie in ecologische omstandigheden die in woonwijken voorkomen, zijn de paraplusoorten gebouwgebonden of tuingerelateerde stadssoorten. Deze benadering maakt het mogelijk om maatregelen aan de gebouwde omgeving met maatregelen in het particuliere en openbare groen effectief te combineren. Woonwijken: ambassadeursoort De egel (Erinaceus europaeus) is zoogdier met stekels dat voorkomt in tuinen, parken en groene woonwijken, waar hij vooral ’s nachts op zoek gaat naar voedsel. Voedsel: vooral slakken, wormen, insecten en andere kleine ongewervelde dieren. Habitat: gevarieerde gebieden met voldoende dekking, zoals heggen, rommelhoekjes, takkenrillen en bladstrooisel. De egel overwintert in bladhopen, compost of dichte begroeiing. Beheer: behoud van schuilplekken, het verbinden van groenstructuren en het vermijden van barrières zoals muren en schuttingen. Woonwijken: paraplusoorten De huismus (Passer domesticus) is een bruingrijze vogel die in groepjes leeft en veel voorkomt in oudere woonwijken van vóór 1950 en gevarieerde begroeiing. Voedsel: zaden en granen, maar in de broedtijd ook insecten voor de jongen.
Habitat: broeden in groepen onder dakpannen, dakranden en in nissen van gebouwen; zijn voor de voedselvoorziening sterk afhankelijk van dichte struiken, hagen en bloemrijke tuinen binnen ongeveer honderd meter van de nestplaats. Beheer: behoud van nestgelegenheid in gebouwen en het stimuleren van bloemrijke tuinen en struikengroepen. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de huismus zijn ook gunstig voor gebouwbewonende vogels (gierzwaluw en spreeuw), insecten (bladluizen en kevers), struikvogels (heggenmus en zwartkop) en vleermuizen (gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis).
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
De atalanta (Vanessa atalanta) is een opvallende dagvlinder, herkenbaar aan haar zwarte vleugels met rode banden en witte vlekken, die in tuinen, parken en bermen veel wordt gezien; het is een mobiele soort die meerdere generaties per jaar kent en in warme jaren zelfs overwintert. Voedsel: de vlinders gebruiken onder andere vlinderstruik, distels en klimop als nectarbron, terwijl de rupsen afhankelijk zijn van brandnetels als waardplant. In het najaar worden ook rottend fruit en sapstromen van planten benut als voedselbron. Habitat: tuinen en groenstroken met ruige vegetatie. Beheer: behoud van brandnetelplekken en bloeiende planten, aangevuld met ecologisch maaibeheer. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de atalanta zijn ook gunstig voor andere dagvlinders (distelvlinder, klein koolwitje en grote vos), zweefvliegen, bijen en andere insecten.
De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) is een slanke amfibie die in het voorjaar een oranje buik met donkere vlekken heeft. Voedsel: kleine waterdiertjes zoals watervlooien, insectenlarven en wormpjes. Habitat: in het voorjaar in visvrije vijvers, poelen en sloten met vegetatierijke oevers; de rest van het jaar op het land, vaak onder stenen of hout. Beheer: aanleg en behoud van visvrije, natuurlijke poelen met ecologische oevers. Ook aanleg van ondiepe, seizoensgebonden poelen, bijvoorbeeld als retentievoorziening. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de kleine watersalamander zijn ook gunstig voor andere amfibieën (zoals de gewone pad, bruine kikker en grote watersalamander), insecten (waterkevers, libellen en muggenlarven) en watervogels (bijv. eenden, meerkoet en waterral).
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
81
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
De zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) is een zangvogel met een roestrode staart en donkere bovenzijde, die goed gedijt in stenige, open omgevingen. Voedsel: voornamelijk insecten en hun larven, die de vogel op de grond zoekt. Habitat: open structuren met weinige vegetatie; broedt in gaten en spleten van gebouwen en gebruikt schuttingen, palen of gevelranden als zangpost. Beheer: behoud van open plekken met insectenaanbod en mogelijk maken van nestgelegenheid in gebouwen. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de zwarte roodstaart zijn gunstig voor andere stadsvogels (gierzwaluw) en gebouwbewonende vleermuizen.
Bebouwde kom - bedrijventerreinen Bedrijventerreinen: ambassadeursoort De paardenbloem (Taraxacum officinale) is een bekende, veel voorkomende, gele bloem uit de composietenfamilie. Waardplant: de paardenbloem is een van de eerste en meest langdurige planten in het voorjaar. Het stuifmeel en de nectar zijn belangrijke voedselbronnen voor bijen (zandbij, maskerbij), vlinders (oranjetipje, dagpauwoog), nachtvlinders (gamma-uil, bonte brandnetelmot, sommige spanners). De zaden zijn voedsel voor vogels (putter, vink) en het blad voor kleine zoogdieren (konijn, haas). Habitat: in vochtig-natte voedselrijke graslanden, bermen en gazons; soms ook op drogere zandige bodems. Beheer: extensief maaien en open plekken toelaten in de bermen.
Bedrijventerreinen: paraplusoorten Het bruin blauwtje (Aricia agestis) is een kleine dagvlinder die vaak laag boven de grond rondfladdert in bloemrijke vegetaties. De soort is te herkennen aan bruine vleugels en oranje vlekjes langs de rand en een fijn blauwe zweem bij jonge exemplaren. Voedsel: knoopkruid en biggenkruid als nectarbronnen; de rupsen zijn afhankelijk van waardplanten zoals reigersbek en ooievaarsbek. Habitat: stelt relatief hoge eisen aan de kwaliteit van het leefgebied, zoals een open structuur, voldoende voedselplanten en beperkte verstoring; komt voor in schrale, zonnige graslanden, bermen en heideterreinen met een lage, gevarieerde vegetatie. Beheer: kleinschalig en gefaseerd maaien met behoud van bloeirijke delen en waardplanten voor rupsen. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor het bruin blauwtje zijn gunstig voor dagvlinders (icarusblauwtje en oranje zandoogje), bijen (wilde bijen en hommels), sprinkhanen (krasser en veldkrekel) en planten van schrale graslanden (knoopkruid en reigersbek).
1. Inleiding
2. Huidige situatie
3. Vertrekpunt
4. Groenbeleidsplan
De gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) is een van de kleinste vleermuizen van Europa. Hij jaagt in de schemering op insecten in snelle vluchten. Voedsel: vliegende insecten zoals muggen. Habitat: zeer kleine openingen in gebouwen, zoals kieren achter gevelbetimmering, dakranden of dilatatievoegen. Groene structuren zoals hagen, bomenrijen en watergangen worden gebruikt als vliegroutes. Beheer: behoud van donkere, groene corridors en het vermijden van fel kunstlicht. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de gewone dwergvleermuis zijn gunstig voor andere gebouw bewonende vleermuizen (ruige dwergvleermuis), vogels (gierzwaluw en huismus), amfibieën en egels.
5. Biodiversiteitsplan
6. Participatie
7. Financiën
Bijlagen
82
Groenbeleids- en biodiversiteitsplan gemeente Best | 2026 - 2036
Buitengebied - broekontginningslandschap Broekontginningslandschap: ambassadeursoort De echte koekoeksbloem (Silene flos-cuculi) is een roze-paars bloeiende plant met diep ingesneden kroonbladen, die van mei tot augustus in vochtige graslanden, moerassige en venige vegetaties, en langs sloten bloeit. Voedselplant: de plant bloeit van mei tot en met augustus en soms nog september; de nectar trekt allerlei insecten, waaronder bijen en vlinders. Habitat: groeit in moerassige vegetaties en natte graslanden met een hoge grondwaterstand. Beheer: extensief maaibeheer en behoud van natte milieus zijn essentieel voor het behoud van deze karakteristieke plant.
Broekontginningslandschap: paraplusoorten De vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is een felrode kever die onder schors van afgestorven bomen leeft en daardoor vaak verborgen blijft. Voedsel: de larven ontwikkelen zich in dood hout en leven van de larven van andere kleine houtbewonend diertjes. De volwassen kevers nemen nauwelijks voedsel op, hooguit wat van de sappen uit het rottende hout. Habitat: de soort is sterk gebonden aan vochtige bossen met recent afgestorven bomen, ze hebben een sterke voorkeur voor populieren. Beheer: een ‘nulbeheer’ of minimaal ingrijpen in delen van het bos draagt bij aan het ontstaan van dood hout, wat niet alleen de vermiljoenkever helpt, maar ook spechten aantrekt. Spechtenholen vormen op hun beurt weer schuilplaatsen voor tal van andere soorten, zoals vleermuizen, holenbroeders, vlinders en wilde bijen. Paraplusoort: het leefgebied en de beheermaatregelen voor de vermiljoenkever zijn gunstig voor holenbroedende vogels (spechten en boomklever), vleermuizen (gewone dwergvleermuis en laatvlieger), insecten (zweefvliegen en wilde bijen) en andere houtafhankelijke kevers en vliegen (boktorren en vliegende herten).