CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24075.6 - Toelichting BP C'Park Bata

Raadsvergadering 16 september 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24075 - Vaststelling Chw-bestemmingsplan C'Park Bata27.417 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de bestaande planologische situatie is al rekening gehouden met de aanwezigheid van de woningen op het bedrijventerrein. De maximaal mogelijke milieucategorieën binnen het plangebied zijn gebaseerd op de aanwezigheid van die bedrijfswoningen. In de beoogde situatie is sprake van een afwaardering van de mogelijkheden, maar overlappen de richtafstanden nog altijd deze bedrijfswoningen. De beoordeling van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar ten aanzien van de bedrijfswoningen is als volgt: y Geur: in de feitelijk situatie is geen sprake van relevante geuremissies. Tussen de bedrijfswoningen en het plangebied bevinden zich bedrijfsgebouwen, welke ook geurgevoelig zijn en hetzelfde niveau van bescherming genieten. Omdat bij deze bedrijfsgebouwen al sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat vormen de verder weg gelegen bedrijfswoningen geen extra belemmering voor het plan. y Stof: in de feitelijke situatie is geen sprake van relevante stofemissies. Dit aspect betreft grof stof, bijvoorbeeld

60/143

y

y

door opslag van stuifgevoelig materiaal. Er zijn geen normen of grenswaarden voor grof stof. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn regels opgenomen ter voorkoming van stofhinder in de omgeving (buiten de eigen inrichtingsgrenzen). Vanwege deze regels zal ook in een toekomstige situatie sprake zijn van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat ten aanzien van stof. Geluid: in de beoogde situatie kan sprake zijn van relevante geluidemissies. Om deze reden worden de bedrijfswoningen op het bedrijventerrein meegenomen in het bovengenoemde nader akoestisch onderzoek (paragraaf 4.6.3) vanwege de beoogde functies op het C'Park Bata Best. Gevaar: in de beoogde situatie is geen sprake van inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), omdat deze worden uitgesloten in de planregels.

y Waarborgen in de planregels In de planregels is expliciet opgenomen dat geluidszoneringsplichtige inrichtingen, BEVI­inrichtingen en geluidsgevoelige functies binnen het plangebied niet zijn toegestaan. y Akoestisch onderzoek industrielawaai Er wordt een nader akoestisch onderzoek uitgevoerd vanwege de beoogde functies op het C'Park Bata Best ten aanzien van geluidgevoelige objecten in de omgeving en de geluidzone (zie paragraaf 4.6.3). Inwaartse zonering Bij inwaartse milieuzonering wordt uitgegaan van de milieugevoelige functies. In een zone rondom de milieugevoelige functies zijn bepaalde milieubelastende functies niet toelaatbaar. Objecten binnen het plangebied worden niet beschermd voor de aspecten stof (geen beoordelingslocatie lucht) en geluid (geen geluidgevoelige objecten mogelijk op geluidgezoneerd industrieterrein). Objecten op binnen het plangebied kunnen wel geurgevoelige objecten of (beperkt) kwetsbare objecten zijn. Mocht bij verdere planvorming het plangebied niet langer tot het geluidgezoneerd industrieterrein behoren, dan is nog altijd geen sprake van geluidgevoelige objecten, omdat geluidgevoelige functies (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven) in de planregels van het op te stellen bestemmingplan worden uitgesloten.

Volgens het vigerende bestemmingsplan ‘’ Bedrijventerreinen Best ­ 't Zand, Breeven en Heide’ is in de omgeving van het plangebied sprake van de bestemming ‘Bedrijventerrein – 3’ met verscheidene functieaanduidingen voor milieucategorieën en specifieke vormen van bedrijven. Deze functieaanduidingen zijn overgenomen op onderstaande figuur. Omdat voor het plangebied alleen de aspecten geur en gevaar van belang zijn, zijn alleen de inrichtingen met mogelijke geurbronnen en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) inzichtelijk gemaakt. De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op onderstaande figuur. Omwille van de duidelijkheid zijn alleen de met het plangebied overlappende richtafstanden weergegeven. Als om elk perceel een richtafstand wordt weergegeven is de afbeelding onleesbaar.

61/143

Richtafstanden in de omgeving van het plangebied aanwezige milieubelastende functies De adressen waar sprake is van overlapping worden hieronder toegelicht: y De Dieze 21, De Dieze 28: de maximaal planologische richtafstand overlapt met het plangebied, maar de richtafstand behorende bij de feitelijke activiteiten niet. Feitelijk is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Aangezien er tussen het plangebied en het bedrijf al bestaande geurgevoelige en (beperkt) kwetsbare objecten zijn gelegen, vormt het plan geen extra belemmering voor de maximale planologische mogelijkheden en is ook in een toekomstige situatie een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat gewaarborgd. y De Dieze 2, 18, 20, 24, 24A­H, 30, De Run 17, 21, 25, 27, 29: de maximaal planologische richtafstand overlapt met het plangebied, maar de richtafstand voor de aspecten geur en gevaar behorende bij de feitelijke activiteiten niet. Feitelijk is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Aangezien de gebouwen binnen het plangebied en in de directe omgeving van het bedrijf al bestaande geurgevoelige en (beperkt) kwetsbare objecten zijn, vormt het plan geen extra belemmering voor de maximale planologische mogelijkheden.

y De Dieze 26: de maximaal planologische richtafstand overlapt met het plangebied, de richtafstand voor de aspecten geur en gevaar behorende bij de feitelijke activiteiten (milieustraat) bedragen 10 meter. Feitelijk vindt geen opslag van enige stoffen, maar ook geen groen (de geurbron bij een milieustraat) of gevaar (gasflessen, etc) binnen 10 meter van bebouwing binnen het plangebied plaats. Er is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Het bevoegd gezag beslist of sprake is van een onevenredige belemmering voor de milieustraat. y Tongelreep 1: een deel van de bebouwing binnen het plangebied ligt binnen de richtafstand voor het aspect geur en het aspect gevaar vanwege het chemisch industriebedrijf aan Tongelreep 1. Voor het aspect geur is op basis van het milieudossier beoordeeld of daadwerkelijk sprake is van geurbronnen en of vervolgens sprake is van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat. Uit het milieudossier blijkt dat geen sprake is van relevante geurbronnen. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Omdat de

62/143

bebouwing binnen het plangebied sprake is van bestaande geurgevoelige objecten, wordt het chemisch industriebedrijf aan Tongelreep 1 niet in haar belangen geschaad. Voor het aspect gevaar kan worden beoordeeld dat het plangebied niet binnen de plaatsgebonden risicocontouren van de Bevi­inrichting aan Tongelreep 1 ligt. Uit gegevens van de Signaleringskaart EV blijkt dat geen sprake is van een relevant invloedsgebied voor wat betreft het groepsrisico door dit bedrijf. Echter ligt het plangebied wel binnen de veiligheidszone en het invloedsgebied van de aardgasleiding A­525­02 van Gasunie. Bij verder planvorming is nader onderzoek naar het aspect externe veiligheid nodig. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4 en wordt toegelicht in paragraaf 4.7. 4.4.3

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat de feitelijke en beoogde situatie van het C'park Bata inpasbaar zijn in de omgeving.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet­zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente Best heeft archeologisch beleid opgesteld. Bij dit archeologische beleid behoort onder andere een archeologische beleidskaart en een archeologische verwachtingen en waardenkaart. De archeologische waarden zijn via het paraplubestemmingsplan 'Parkeernormen en archeologie' planologisch verankerd. Voor het plangebied geldt geen archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is niet nodig. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5.2 Cultuurhistorie Normstelling en beleid Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Het plangebied is aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. De gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van het historische en ruimtelijk karakter. Het gebied is onderdeel van een beschermd dorpsgezicht, samen met het oude deel van Batadorp.

63/143

De gebouwen 11, 21 en 31 zijn aangewezen als Rijksmonument. Dit betreffen de voormalige schoenenfabriek en het daarbij behorende kantoor en de kousenfabriek aan het Europaplein 1. Het gehele “Industrieel complex Batadorp” is conform de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord­ Brabant aangewezen als Stedenbouw van historische waarde. Dit betreft alle huidige bebouwing die momenteel binnen het gebied staat en niet gerealiseerd gebouw 41. Het fabriekscomplex van Bata is van algemeen belang. Het geheel heeft cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een sociaal­economische ontwikkeling, namelijk de industrialisatie en internationalisering van Noord­Brabant in het Interbellum. Het is tevens van belang voor de typologische ontwikkeling van de hoogbouw voor de schoen­ en lederindustrie, onder invloed van de uitgangspunten van het Functionalisme. Het heeft architectuurhistorisch belang als karakteristiek en zeldzaam voorbeeld van het Functionalisme en als voorbeeld van fabrieksbouw met een sterk internationaal karakter. Het geheel heeft ensemblewaarden als functioneel onderdeel van de Companytown Batadorp, die voor Nederland als een zeer bijzondere stedenbouwkundige ontwikkeling aangemerkt dient te worden. Voor het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble en de drie rijksmonumenten daarin, is een duurzame vervolgfunctie noodzakelijk.

De behoefte aan ruimte voor gemengde functies is in feite al bewezen omdat de gebouwen inmiddels zijn verhuurd en in gebruik zijn genomen door de vervolgfuncties. In de planregels is bescherming van de cultuurhistorische waarden geborgd en zijn de gronden mede bestemd voor het behoud, het herstel en de versterking van het historische en ruimtelijk karakter. Het is verboden bouwwerken te slopen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geluid

4.6.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Vanwege de ligging nabij Vliegbasis Eindhoven is ten slotte ook luchtvaartlawaai relevant. 4.6.2 Wegverkeerslawaai Normstelling en beleid De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day­evening­night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

64/143

Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. Toetsing Het plan voorziet vooralsnog niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het is dan ook niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai of railverkeerslawaai uit te laten voeren. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai / railverkeerlawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.6.3 Industrielawaai Ten aanzien van industrieterreinen is in de Wgh bepaald dat wanneer met het vaststellen van een bestemmingsplan een industrieterrein in de zin van deze wet ontstaat (waar inrichtingen zijn gevestigd c.q. het bestemmingsplan toestaat dat deze zich hier kunnen vestigen die ‘in belangrijke geluidshinder kunnen veroorzaken’, de zogenaamde grote lawaaimakers), tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone vastgesteld dient te worden, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Dit gebeurt op basis van een akoestisch onderzoek. Het industrieterrein zelf maakt geen deel uit van de zone.

Buiten de geluidszone mag de geluidbelasting als gevolg van de bedrijven op het industrieterrein niet meer bedragen dan 50 dB(A). Binnen de geluidszone zijn woonbestemmingen en andere geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. Ook binnen de geluidszone geldt voor (nieuwe of uitbreiding van) woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen een wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). In bepaalde gevallen is de vaststelling van een hogere grenswaarde tot 55 dB(A) mogelijk. Bij vervangende nieuwbouw is een hogere waarde tot 60 dB(A) mogelijk. Op 6 juni 1991 is door Gedeputeerde Staten van Noord­Brabant een geluidszone vastgesteld rond het industrieterrein ‘Noord’ (inmiddels industrieterrein ’t Zand geheten). De bedrijventerreinen Breeven en Heide zijn niet gezoneerd conform de Wgh. In 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders echter besloten beleidsmatig een geluidszone vast te stellen. Het doel van de beleidsmatige vastgestelde geluidszone is om geluidsproducerende activiteiten op het bedrijventerrein ruimtelijk van elkaar te scheiden. De beleidsmatige geluidszone heeft een andere status dan de geluidszones conform de Wgh. Toetsing Het plangebied ligt buiten de contour van het gezoneerde industrieterrein van industrieterrein 't Zand.

Wel ligt het plangebied binnen de beleidsmatig vastgestelde zone van Breeven.

65/143

De als 'geluidzone – industrie' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand' op geluidsgevoelige objecten. Daarnaast geldt dat een op grond van de andere aangewezen bestemmingen toelaatbaar gebouw, of de uitbreiding daarvan, welke kan worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder, met uitzondering van bestaande geluidsgevoelige objecten, slechts mag worden gebouwd indien de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein 't Zand op de gevels van dit gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde. De toegestane categorie van bedrijvigheid is in het onderhavige bestemmingsplan verlaagd naar milieucategorie 3.2. Ter bescherming van de omgeving zijn de planregels uit het geldende bestemmingsplan overgenomen in dit bestemmingsplan met dien verstande dat in dit bestemmingsplan (ook) geen geluidgevoelige objecten worden toegestaan. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige activiteiten of nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk en leidt derhalve niet tot een beperking in de bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven op 't Zand en Breeven. Daarnaast moeten de bestaande bedrijven al voldoen aan de daarvoor geldende regels uit het Activiteitenbesluit.

Aanvullend is een nader akoestisch onderzoek (bijlage 7) uitgevoerd vanwege de beoogde functies op het C'Park Bata Best ten aanzien van geluidgevoelige objecten in de omgeving en de geluidzone. Vanwege bovenstaande argumenten, een verlaging van de toegestane milieucategorie en het uitsluiten van geluidsgevoelige objecten, wordt volstaan met de conclusies: In dit onderzoek zijn de geluidniveaus vanwege het plan C'Park Bata Best berekend. Uit de berekeningen blijkt dat er: y geen toename is van de geluidbelasting op de zonebewakingspunten ten opzichte van de huidige situatie die is opgenomen in het zonebewakingsmodel; y sprake is van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat; y voldaan kan worden aan de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conclusie Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Ten zuidwesten van het plangebied is vliegveld Eindhoven gelegen. In de nabijheid van het vliegveld Eindhoven gelden conform de Wet Luchtvaart en het Luchthavenbesluit geluidzones waarbinnen beperkingen gelden voor oprichting van geluidsgevoelige functies. De geluidbelaste gebieden worden uitgedrukt in Kosten­eenheden, of wel Ke­zones. De grens voor de maximaal toelaatbare geluidbelasting voor nieuwe geluidgevoelige objecten bedraagt in principe 35 Ke.

In de zone tussen 35 en 40 Ke is voor geluidgevoelige objecten de vaststelling van een hogere grenswaarde in beginsel mogelijk. Voor bestaande geluidgevoelige objecten (waaronder woningen) geldt in principe ook een grenswaarde van 40 Ke. Als

66/143

gevelmaatregelen zijn getroffen, zijn voor bestaande geluidgevoelige objecten hogere grenswaarden (tot 65 Ke) toegestaan. Toetsing Het plangebied ligt buiten de Ke­contour van vliegbasis Eindhoven. Bovendien voorziet het plan vooralsnog niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Conclusie Het aspect luchtvaartlawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: y Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; y Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10­6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet­ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is

67/143

onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10­5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10­6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10­6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10­6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 4.7.2 Toetsing Voor dit bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid opgesteld, opgenomen in bijlage 4. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Het plangebied bevindt zich nabij een kerosineleiding, een hogedruk aardgasleiding en de spoorlijn Boxtel­Eindhoven waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen.

68/143

Risicobronnen in de omgeving Kerosineleiding y Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. y Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en wijzigt niet door de planontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Aardgasleiding y Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. y Het groepsrisico is kleiner dan de oriëntatiewaarde en wijzigt niet door de planontwikkeling. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. y De belemmeringenstrook legt geen beperkingen op aan het plangebied. Spoorlijn Het plangebied ligt buiten de 200 m zone waarbinnen conform art. 8 van het Bevt verantwoording afgelegd dient te worden over de invloed op het groepsrisico. Wel dient het Bevt het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Beperkte verantwoording groepsrisico Uit de quickscan blijkt dat vanwege de kerisoneleiding en de gasleiding een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de

69/143

orde te komen, namelijk: a. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. b. De hoogte van het groepsrisico. c. De bestrijdbaarheid. d. De zelfredzaamheid. y

y y

y

In de huidige situatie worden alle gebouwen gebruikt voor productie. Voor de huidige situatie is op basis van de BAG uitgegaan van een totaal van 346 aanwezigen. In de toekomstige situatie worden gebouw 11, 12 en 42 gebruikt door Bata, de overige gebouwen worden verhuurd aan verschillende bedrijven. De gebouwen zelf wijzigen niet. Met gebruikmaking van de kengetallen in de Handleiding populatieservice wordt een aantal van in totaal 659 aanwezigen berekend. In de huidige en toekomstige situatie is het groepsrisico 0.325 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Een factor 0.325 betekent bijvoorbeeld dat het groepsrisico ongeveer 3 keer kleiner is dan de oriëntatiewaarde. Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Eindsestraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Dongen.

Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. In de toekomstige situatie wordt mogelijk een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd (de bebouwing is reeds toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan). De aanwezigen worden als zelfredzame personen beschouwd. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings­ en alarmeringssysteem (WAS).

Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL­Alert en het gebruik van sociale media.

Advies Veiligheidsregio PM

70/143

4.7.3 Conclusie Het plangebied bevindt zich nabij een kerosineleiding, een hogedruk aardgasleiding en de spoorlijn Boxtel­Eindhoven waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt niet in de contour van het plaatsgebonden risico van deze objecten. Voor de kerosineleiding en de gasleiding is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Normstelling en beleid

Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2­jaargemiddelde) en fijn stof (PM10­jaar­en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden twee situaties onderscheiden: y een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. y een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) 4.8.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verkeer van 1.711,67 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) in de omgeving, zie paragraaf 4.3.2.3. In de NIBM­tool (versie 23­04­2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Voor vrachtverkeer is 1% aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 1,03 µg/m³ en van fijnstof van 0,27 µg/m³ (onderstaande figuur). Beide toenames zijn onder 1,2 µg/m³. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

71/143

Resultaten NIBM­tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2022 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Bataweg, ten noorden van het plangebied. Uit de CIMLK­tool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 16,9 µg/m³ voor NO2, 18,1 µg/m³ voor PM10 en 10,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24­uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. 4.8.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon­ en leefklimaat.

4.9

Kabels en leidingen

4.9.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.9.2 Toetsing Binnen het plangebied zelf zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt een Defensie­brandstofleiding. Deze leiding heeft de dubbelbestemming 'Leiding ­ Brandstof'. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook deels over het plangebied. Binnen deze zone zijn geen nieuwe gebouwen toegestaan. Voor wat betreft de veiligheidszone van deze leiding wordt verwezen naar paragraaf 4.7.2.

72/143

Ter hoogte van de Parkweg en het verlengde daarvan, ligt een gasleiding. Deze leiding heeft de dubbelbestemming 'Leiding ­ Gas'. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook ligt buiten het plangebied. Voor wat betreft de veiligheidszone van deze leiding wordt verwezen naar paragraaf 4.7.2. Verder is op ruim 250 meter ten (noord)oosten van het plangebied een bovengrondse 150kv­hoogspanningsleiding aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied of de belemmeringenstrook van deze hoogspanningsverbinding. 4.9.3

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

4.10 Bodem 4.10.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.10.2 Toetsing Dit bestemmingsplan maakt geen bodemgevoelige functies en/of gebouwen mogelijk en er vinden geen bodemroerende werkzaamheden plaats. Een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Neittemin is een historisch bureauonderzoek bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8. Uit dit vooronderzoek blijkt dat er aanleiding is voor vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend bodemonderzoek. Het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek is als randvoorwaarde c.q. verplichting opgenomen bij het thema bouwen. 4.10.3 Conclusie Het aspect bodem staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan niet in de weg.

Bij nieuwbouw is op grond van wet­ en regelgeving een bodemonderzoek verplicht .

4.11 Water 4.11.1 Beleid en normstelling Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

73/143

Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen met een werkwijze volgens de Handreiking Watertoets. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. De ecologische ambities worden vooral op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Waterwet In december 2009 is de nieuwe Waterwet van kracht geworden. Hierin zijn de watertaken van de gemeente opgenomen. Een gemeente is verplicht zorg te dragen voor de kwaliteit van het grondwater en afstromende hemelwater. In december 2009 is tevens het Nationaal Waterplan (NWP) door het kabinet vastgesteld. Het NWP beschrijft de maatregelen dien in de periode 2009­2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor de toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden.

Verder is hierin opgenomen hoe ook de kansen die water biedt te benutten. Nationaal Waterplan 2022­2027 Op 18 maart 2022 is het Nationaal Waterplan (NWP) 2022­2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 2022­2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016­2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Hierin zijn maatregelen opgenomen om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden. Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie, en is bindend voor het Rijk. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat neemt in het Beheer­ en Ontwikkelplan voor Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer. Om deze strategische doelen te kunnen bereiken. Net NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen Regionaal water­ en bodem programma 2022­2027 Provincie Noord­Brabant Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 ­ 2027 vastgesteld. Het RWP staat voor het samen werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig water­ en bodemsysteem. Het RWP omvat de volledige water­ en vitale bodemopgave in Noord­Brabant voor de planperiode 2022­ 2027, met een doorkijk naar 2050.

Het vertrekpunt van het RWP is de Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant ­ Visie op de Brabantse leefomgeving'. De omgevingsvisie bevat de ambitie van de provincie en is het overkoepelend en leidend kader voor het RWP. In het RWP wordt voor het thema water en vitale bodem nadere uitwerking en invulling gegeven aan de Brabantse Omgevingsvisie

74/143

Beleid waterschap Het waterbeheerplan 2022­2027 van waterschap De Dommel maakt onderdeel uit van een groter geheel aan beleidsplannen. In Europa hanteren we de Europese regelgeving van de Kader Richtlijn Water (KRW). Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. Deze richtlijn vertaalt zich naar Nederland in beleidsplannen op drie niveaus: het Nationaal Water Programma op rijksniveau, de Regionale Water Programma's op provinciaal niveau en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Het programma focust zich vooral op: y Gebiedsgericht in plaats van beekdalgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. y Integraat in plaats van sectoraal: Overheden en gebiedspartners maken keuzes over meerdere opgaven in een gebied. y Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. De regels voor de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. De algemene regels en de hydrologische uitgangspunten zijn aangepast in de vierde partiële herziening (1 april 2021). Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap.

In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zijn in de Keur gebods­ en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen in de legger. Ook op grond van de Interim omgevingsverordening Noord­Brabant zijn een aantal waterhuishoudkundige waarden geborgd. De doelstelling van het gebied is primair het waterbergend vermogen te behouden. Op grond van de Verordening ruimte gelden in het belang hiervan een aantal randvoorwaarden voor de inrichting en het gebruik van het gebied. Het waterschap vormt de toetsingsinstantie voor ontwikkelingen en werkzaamheden binnen dit gebied. Regels voor toename van verhard oppervlak In het geval van een toename van het verhard oppervlak moet worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015, partiële herziening 1 april 2021' is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 en 10.000 m2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings­/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’).

75/143

Omdat in de Keur en de daarbij behorende beleidsregels is voorzien in een uitputtende regeling, is een aanvullende regeling in de regels van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Waterplan Best In het ‘Waterplan Best, ‘op naar een veerkrachtig watersysteem’ (2005) wordt een visie gegeven op het watersysteem van Best tot 2020. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema’s aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en aangepakt kan worden. Deze waterthema’s zijn waterkwaliteit, verdrogingsbestrijding, wateroverlast en waterbeleving. Voor onderhavig plangebied zijn met name de thema’s waterkwaliteit en wateroverlast van belang. Ten aanzien van waterkwaliteit staat het behouden en verkrijgen van schoon grondwater, schoon oppervlaktewater en schone waterbodems centraal. Dit kan worden bereikt met de trits ‘voorkomen ­ scheiden – zuiveren’. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er in 2020 een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving, kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg.

Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Derhalve wordt ten aanzien van wateroverlast de trits ‘Infiltreren ­ vasthouden – afvoeren’ gehanteerd. Water­ en rioleringsplan 2016 ­2020 In het 'Water­ en rioleringsplan 2016­2020' wordt ingegaan op de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Zo zijn voor deze aspecten, alsmede voor het aspect oppervlakte, een aantal opgaven en speerpunten geformuleerd: Stedelijk afvalwater: y Inzameling van stedelijk afvalwater; y Transport van het stedelijk afvalwater; y Continueren huidige rioleringszorg. Hemelwater: y Inzameling van hemelwater; y Verwerken van ingezameld hemelwater y Inspelen op klimaatverandering. Grondwater: y Voorkomen van grondwateroverlast. Oppervlaktewater: y Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur; y Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ten aanzien van de inzameling van stedelijk afvalwater is aangegeven dat alle percelen waar afvalwater vrij komt, aangesloten worden op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het

76/143

betreffende lozingsbesluit. Bij kleinschalige in­/uitbreidingen kan daarbij aansluiting op het bestaande (gemengde) systeem acceptabel zijn. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. Voor wat betreft het hemelwater wordt ingezet op de trits ‘schoonhouden (voorkomen) – scheiden – zuiveren’. Vertrekpunt daarbij is het principe dat stedelijk afval­ en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij de zorgplicht voor grondwater is het met name van belang dat er geen wateroverlast zal optreden als gevolg van planologische wijzigingen. Vandaar dat onderhavige watertoets bij ruimtelijke procedures verplicht is gesteld. Hiermee worden de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en effecten van nieuwe ontwikkelingen vastgesteld en beoordeeld. Zodoende wordt onder andere voorkomen dat ‘natte’ gebieden bebouwd worden en/of dat onvoldoende ontwateringsmaatregelen worden getroffen. 4.11.2 Toetsing Voor dit bestemmingsplan is een watertoets opgesteld, opgenomen in bijlage 5. Hierna wordt volstaan met een beknopte samenvatting. Direct ten noorden van de planlocatie aan de Betaweg ligt het Wilhelminakanaal. In onderstaande figuur is een uitsnede van de legger van Rijkswaterstaat weergegeven. Verder liggen er binnen of direct buiten het plangebied geen relevante waterlopen of andere oppervlaktewateren.

Uitsnede legger Rijkswaterstaat Planvoornemen De initiatiefnemer is voornemens het gebied te transformeren tot een gebied waar nieuwe duurzame economische functies en bedrijvigheid een kans krijgen. Bij de herontwikkeling van het gebied zal het cultuurhistorisch waardevolle complex behouden blijven. Sloop van de waardevolle gebouwen is, met uitzondering van gebouw 42 en de loadingdocks bij gebouw 42, niet aan de orde. Binnen de groenstrook nabij gebouw 31 rust nog een bouwtitel.

77/143

Hier zal te zijner tijd gebouw 41 worden gerealiseerd. De mogelijkheid voor de realisatie van gebouw 41 bestaat al in het huidige bestemmingsplan en past ook binnen de ruimtelijke structuur van C’park Bata. Het buitenterrein zal in beginsel niet veranderen. In de toekomst zal de buitenruimte minder verhard worden en is men voornemens deze te vergroenen. Verhard oppervlakte Het huidig verhard oppervlak is bij benadering bepaald aan de hand van de Opentopokaart van de Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK), de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), deBasisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en luchtfoto’s. Voor de bepaling van het verhard oppervlak in de toekomstige situatie is gebruik gemaakt van het visiedocument. Ten aanzien van het buitenterrein zal in beginsel niets veranderen. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak afnemen met circa 345 m². Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt, bij een gelijkblijvende invulling van de buitenruimte, circa 27.850 m². In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat overeenkomstig het visiedocument de buitneruimte verder vergroend wordt. Waterbergingsopgave Waterschap De Dommel stelt als eis dat de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m² bedraagt. Ten opzichte van de huidige situatie zal de transformatie van het plangebied dan ook resulteren in een afname van het verhard oppervlak. Er is daardoor geen watercompensatie benodigd. Hemelwater Uitgangspunt is dat de locatie waterneutraal zal worden ontwikkeld. In de beoogde nieuwe maar nog uit te werken situatie zal meer ruimte zijn voor groen. Daar waar extra waterbuffercapaciteit moet worden toegevoegd, zal gezocht worden naar geschikte mogelijkheden. Daarbij valt te denken aan bovengrondse voorzieningen zoals een wadi of ondergrondse voorzieningen zoals infiltratiekratten maar ook de directe omgeving van de nieuw aan te leggen parkeerplaatsen. Waterveiligheid Op basis van de gestandaardiseerde stresstest van de gemeente blijkt met name dat bij de gebouwen 11 en 21 een risico aanwezig is dat water tegen het pand kan komen te staan of zelf het pand in stroomt. Hier dient bij het toekomstig ontwerp van de buitenruimte rekening mee gehouden te worden door bijvoorbeeld lokaal aan de voorzijde van de panden te voorzien in extra groen en waterbergende voorzieningen.

78/143

Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk dient een verbetering nagestreefd te worden. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water­ en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden dient bij voorkeur geen gebruik gemaakt te worden van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw (S/U237 en S/U444). De emissies vanuit bouwmaterialen dienen zoveel als mogelijk te worden beperkt. Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding wordt het landelijke beleid gevolgd. Voor bestrijding op verhardingen zal gebruik, voor zover toegestaan, plaats vinden via de DOB­systematiek en wordt gezocht naar alternatieven zoals branden, heet water en/of borstelen. Riolering Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.

4.11.3 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Met name in het ontwerp van de buitenruimte is winst te behalen door te vergroenen. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en de uitvoering van het plan. Dit bestemmingsplan voorziet in artikel 9 van de planregels in voldoende waterberging bij toename van verharding van meer dan 500 m².

4.12 Ecologie 4.12.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier­ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier­ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

79/143

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura­2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura­2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000­gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000­netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord­Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

80/143

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten.

Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord­Brabant In de provincie Noord­Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.

Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. 4.12.2 Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000­gebied, Kemperland, bevindt zich op circa 10 kilometer afstand ten zuidenwesten van de onderzoekslocatie.

81/143

Ligging plangebied t.o.v. Natura2000­gebied Gezien de grote afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen ook verstoring, verandering van de waterhuishouding en vermesting/verzuring worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Voor de ontwikkeling zijn er geen sloop­ of realisatiewerkzaamheden nodig. De functies zijn in bestaande panden gelegen waardoor een berekening van de realisatiefase niet nodig is. Momenteel zijn de bestaande panden al volledig in gebruik. Met het plan worden daarom niet rechtstreeks nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Mochten in de toekomst nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, dan zullen hiervoor stikstofberekeningen bij de omgevingsvergunning toegevoegd worden. Uit de berekeningen zal moeten blijken dat er door de ontwikkeling geen sprake is van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op kwetsbare Natura 2000­gebieden. Tevens zal wordt er gestreefd naar een toekomstbestendige en duurzame werklocatie. Ook het verminderen van het gasverbruik door duurzame energie en meer elektrisch rijden hoort hierbij. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 40 meter ten noordenwesten van de onderzoekslocatie. In onderstaande figuur is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

82/143

Ligging plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland Gezien de afstand tussen het onbebouwde deel van onderzoekslocatie, waar in de beoogde toekomstige situatie werkzaamheden zijn voorzien, tot het dichtstbijzijnde deel van de Natuurnetwerk (circa 40 m) en gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht Soortenbescherming Het plan zou kunnen samengaan met effecten op beschermde planten­ en dieren. In dat kader is een quickscan uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde flora en fauna. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 . Uit de uitgevoerde quickscan blijkt dat voorafgaand aan werkzaamheden door aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid moet worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel). Een aanvullend ecologisch onderzoek naar vleermuizen is alleen nodig indien werkzaamheden aan de bebouwing of bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors zijn voorzien.

Gelet op de bebouwing en bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors op de onderzoekslocatie, de gebouwen grenzend aan de zuidkant van de onderzoekslocatie, de boom met holte grenzend aan de zuidwestkant van de onderzoekslocatie en de bomenrijen grenzend aan de noord­ en zuidwestkant van de onderzoekslocatie, zijn bij de bouwfase en gebruiksfase, overtredingen van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen en vliegroutes functioneel en duurzaam behouden blijven. Geadviseerd wordt geen additionele (bouw)verlichting toe te passen richting en trillingen nabij bovengenoemde bebouwing en bomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, dient een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige te worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen. Overtreding ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag en snoeiafval te verwijderen buiten het broedseizoen van vogels.

83/143

Voor beschermde soorten behorende tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieënsoorten. Bij het bouwrijp maken van het terrein wordt geadviseerd in één richting te werken. 4.12.3 Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in Natura 2000­gebied waardoor verstoring, verandering van de waterhuishouding en vermesting/verzuring uitgesloten kunnen worden. Met het plan worden niet rechtstreeks nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een berekening van de realisatie­ en gebruiksfase is derhalve niet nodig. Voor nieuwe ontwikkelingen zullen berekeningen uitgevoerd worden in de fase van de omgevingsvergunning. Hieruit zal moeten blijken dat er geen sprake is van stikstofdepositie. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie. Aangeraden wordt wel om, indien bomen gekapt worden of indien werkzaamheden dicht bij deze bomen plaatsvinden die de bomen kunnen beschadigen, hierover contact op te nemen met de gemeente Best.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14481678/1