CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24052.5 - TOELICHTING bestemmingsplan Uitbreiding HS-station Best

Raadsvergadering 10 juni 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24052 - Vaststellen bestemmingsplan Uitbreiding HS-Station Best18.388 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Op basis van de berekende geluidniveaus wordt geconcludeerd dat bij de woningen sprake is van alleszins toelaatbare waarden en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

4.1.3 Luchtkwaliteit Vanaf 15 november 2007 is de wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit gewijzigd. Deze wetswijziging is sindsdien opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Deze wijziging wordt ook wel kortweg de Wet Luchtkwaliteit 2007 genoemd. In artikel 5.16 van de gewijzigde Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

•

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde (grenswaarde zoals vastgelegd in titel 5.2 en bijlage 2 Wet milieubeheer);

•

een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

een project draagt "niet in betekenende mate" bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, wat inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 1% verslechtert;

•

een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

In de Regeling NIBM (niet in betekende mate bijdragen) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat ontwikkelingen op dit gebied zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De uitbreiding van het hoogspanningsstation draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen of toename van relevante emissies vanuit het station. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het hoogspanningsstation toe blijft gelijk aan de huidige situatie. Deze verkeersbewegingen zijn hoofdzakelijk gerelateerd aan beheer en onderhoud van het station. Bij het hoogspanningsstation zelf is er geen sprake van emissies, omdat alles op het station geëlektrificeerd is. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het project.

Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant (2017) De Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant is een aanvulling op het landelijk Besluit Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). In het landelijk Besluit Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) staat wanneer gevoelige bestemmingen mogen worden gevestigd in de buurt van rijkswegen en provinciale wegen. Doel van deze wetgeving en beleid is om op het

gebied van luchtkwaliteit een gezonde leefkwaliteit voor iedereen te creëren. Centraal staat momenteel het tijdig halen van normen voor NO2 (stikstofdioxide), PM10 (fijnstof met een diameter tot 10 micrometer) en PM2,5 (fijnstof met een diameter tot 2,5 micrometer). Binnen de provincie Noord-Brabant vonden ze het landelijk beleid niet voldoende, hiervoor is de Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant opgesteld. In de handreiking kijkt ruimer naar provinciale wegen en naar drukke gemeentelijke wegen in vooralsnog 6 Brabantse steden (Best, Breda, Den Bosch, Eindhoven Helmond en Tilburg). Dit ligt in de lijn van de brief van Staatssecretaris waarin hij stelt dat de vestiging van gevoelige bestemmingen op lokaal niveau beoordeeld moet worden.

Deze handreiking ligt in lijn met een goede ruimtelijke ordening. In de Wet ruimtelijke ordening staat dat bij het huisvesten van een gevoelige bestemming gelet moet worden op blootstelling aan verhoogde concentraties luchtverontreinigende stoffen. Door conform handreiking onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit op de locatie voor een gevoelige bestemming, wordt invulling gegeven aan een goede ruimtelijke ordening.

In de handreiking wordt met gevoelige groepen aangesloten op het landelijke besluit. Onder gevoelige groepen vallen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigde stoffen, bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken. Als gevoelige bestemmingen gelden gebouwen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis of verpleegtehuis. Hieronder vallen ook overige gebouwen die dezelfde functie hebben als hiervoor omschreven. Het hoogspanningsstation (en de uitbreiding daarvan) valt niet onder gevoelige bestemmingen. Er is daarom geen sprake van een luchtgevoelige bestemming. De handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen is daarom niet aan de orde.

Conclusie De uitbreiding van het hoogspanningsstation draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen of toename van relevante emissies vanuit het station. Er is ook geen sprake van een luchtgevoelige bestemming bij (de uitbreiding van) het hoogspanningsstation. De toetsing aan de handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen is daarmee niet aan de orde. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het voornemen om het hoogspanningsstation uit te breiden.

4.1.4 Milieuzoneringen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies (zoals bijvoorbeeld woningen):

•

ter plaatse van deze gevoelige functies een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd;

•

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Een (buitenwettelijk) toetsingskader voor milieuzonering wordt geboden door de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlands Gemeenten. Op basis van deze uitgave kan worden bepaald in hoeverre de inrichtingen en bedrijven gelegen op het bedrijventerrein beperkend zijn voor het tot stand brengen van een goed woon- en leefmilieu in de omgeving van dit terrein. In deze uitgave zijn per (milieu)categorie bedrijvigheid richtafstanden genoemd welke kunnen worden aangehouden ten einde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken.

Analyse Het hoogspanningsstation valt binnen de bedrijfsactiviteit 'Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen 200 - 1000 MVA'. Volgens de VNG-lijst behoort deze bedrijfsactiviteit tot de milieucategorie 4.2. Voor deze categorie dient een afstand van 300 meter in acht te worden genomen voor het aspect geluid en 50 meter voor het aspect veiligheid. Andere aspecten zoals geur en stof zijn niet aan de orde.

De afstand van de dichtstbij gelegen gevoelig object (woning Ploegstraat 14) tot de inrichtingsgrens van het hoogspanningsstation bedraagt circa 80 meter. Hiermee wordt er voldoende afstand gehouden vanuit het aspect veiligheid. Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk. Vanuit het aspect geluid wordt niet voldaan aan de richtafstand van 300 meter bij een 'rustige woonwijk' of 200 meter voor omgevingstype 'gemengd gebied' tot een gevoelig object ('stap 1' uit de VNG richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering). Daarom is ook 'stap 2' uitgevoerd. In stap 2 worden de optredende geluidniveaus op de gevel van de woningen getoetst aan de grenswaarden die van toepassing zijn voor een 'gemengd gebied', te weten 50 dB(A) etmaalwaarde (i.e. 50 dB(A) in de dagperiode, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nacht). Voor het piekgeluid wordt getoetst aan 70 dB(A).

Uit de berekeningen (zie het akoestisch onderzoek (Bijlage 2) volgt dat de etmaalwaarde inclusief toeslag K1 ter plaatse van de meest nabij gesitueerde woning maximaal 47 dB(A) zal bedragen (vier transformatoren gelijktijdig in bedrijf en maximaal belast). De maximale geluidniveaus blijven beperkt tot circa 61 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de toepasselijke criteria op basis van de Wet geluidhinder en de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. Vastgesteld wordt dat aan de voorwaarde volgens 'stap 2' wordt voldaan waarmee wordt aangetoond dat sprake is van een uit akoestisch oogpunt planologisch inpasbare situatie.

Geluidszonering Hoogspanningsstation Best

Een wettelijk kader wordt gevormd door geluidszones op grond van de Wet geluidhinder en de afstandseisen op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling krijgt het hoogspanningsstation na uitbreiding een elektrisch vermogen van meer dan 200 MVA. Het 150 kV-station wordt daarmee milieuvergunningplichtig en bovendien dient er een geluidzone ex artikel 40 van de Wet geluidhinder te worden vastgesteld (zie ook paragraaf 4.1.2 Geluid). Het terrein van het hoogspanningsstation wordt daarom voorzien van een geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder. In het akoestisch onderzoek (Bijlage 2) is een voorstel voor de vast te stellen geluidzone gedaan. Dit advies is opgevolgd en middels voorliggend bestemmingsplan wordt de geluidszone planologisch vastgelegd.

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de toepasselijke criteria op basis van de Wet geluidhinder en de VNG-richtlijn 'Bedrijven en milieuzonering'. Er zijn geen belemmeringen vanuit milieuzoneringen voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation Best.

4.1.5 Externe veiligheid Bij Externe Veiligheid gaat het om de risico's voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd:

•

Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;

•

Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden.

Voor het plaatsgebonden risico PR zijn risicocontouren (10-6) vastgesteld waarbinnen kwetsbare of beperkt kwetsbare bebouwing niet is toegestaan. Deze contouren liggen:

•

rond inrichtingen waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;

•

langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of per buisleiding leiden tot knelpunten voor het plaatsgebonden risico indien er langs de transportassen een 10-6 contour ligt.

Analyse

Op basis van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling zich enkele kwetsbare objecten, namelijk een aantal 'andere objecten' en 'Tehuizen'. Deze liggen op het bedrijventerrein Kapelbeemd aan de overkant van de A2 in de gemeente Eindhoven. De voorgenomen ontwikkeling is echter geen categoriale inrichting vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In de nabije omgeving van het plangebied vinden zich nog een aantal bedrijven met risicovolle activiteiten te ploegstraat 17. Hier staat een gebouw van de Gasunie waarin verschillende gasleidingen samen komen. Deze activiteit heeft geen invloed op het hoogspanningsstation. Aan de overzijde van de Ploegstraat bij het hoogspanningsstation loopt ook een buisleiding van de Gasunie die gas transporteert. Hiervoor is ook een gebiedsaanduiding Veiligheidszone – leiding opgenomen in het Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021. De uitbreiding vindt plaats buiten de veiligheidszone, met uitzondering van het CDG. De voorgenomen ontwikkeling ligt daarmee op voldoende afstand van de gasleiding. Het CDG van TenneT ligt nabij de gasleiding. Hier zijn echter niet dagelijks personen werkzaam/aanwezig. Op het hoogspanningsstation zijn incidenteel werknemers aanwezig die beheer en onhoud uitvoeren aan het hoogspanningsstaion en/of bepaalde schakelingen uit moeten voeren. Met de uitbreiding zal deze (incidentele) aanwezigheid van werknemers gelijk blijven. Er is daarom ook geen sprake van een groepsrisico.

Met betrekkring tot de realisatie van de uitbreiding van het hoogspanningsstation en afgaande kabels zal mogelijk een deel van de Ploegstraat open liggen. Over de uitvoering en mogelijke maatregelen zal vooraf, bij de vergunningsaanvraag voor aanleg, afstemming plaatsvinden met Gasunie. In de nabij omgeving loop ook de spoorverbinding tussen Eindhoven en Den-Bosch die een PAGindicatie heeft. Ook voor de A2 geldt dat deze een PAG-indicatie heeft. Er is voldoende afstand tot deze gevaarlijke transporten. Ook het is het hoogspanningsstation geen gevoelig object.

Figuur 11: Uitsnede risicokaart met buisleidingen (rood gestreept), risicocontouren (zwart gestreept), risicovolle inrichtingen (rode punt) en kwetsbare objecten (groene figuren) in de nabijheid van het hoogspanningsstation.

Conclusie Het hoogspanningsstation met bijbehorende uitbreiding betreft geen gevaarlijke inrichting waarop het Bevi van toepassing is. Daarnaast is er geen risico voor de externe veiligheid, omdat het hoogspanningsstation en de voorgenomen uitbreiding (met uitzondering van het CDG gebouw) op voldoende afstand van de buisleiding liggen. Het CDG gebouw van TenneT ligt nabij de buisleiding. Incidenteel zijn hier medewerkers aanwezig voor beheer en onderhoud, dordat er niet dagelijks mensen aanwezig zijn is er geen sprake van een groepsricio.

Er zijn geen gevaarlijke inrichtingen of transportroutes aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.6 Magneetvelden Sinds 2005 geldt een voorzorgbeleid vanuit het rijk voor magnetische velden bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Het voorzorgbeleid is door het rijk in 2008 verduidelijkt. Bij brief van 21 april 2023 (kenmerk DGKE-DRE / 26746813) heeft het rijk het beleid uit 2005, inclusief de verduidelijking in 2008, herijkt. De brief van 21 april 2023 met het herijkte voorzorgbeleid vervangt het voorzorgbeleid uit 2005/2008.

Het herijkte voorzorgbeleid is van toepassing op alle netcomponenten (van TenneT en regionale netbeheerders), dus niet alleen op bovengrondse hoogspanningsverbindingen maar ook op ondergrondse kabelverbindingen en hoogspanningsstations van TenneT en Enexis. In het herijkte voorzorgbeleid adviseert de Minister van Klimaat en Energie (Economische Zaken en Klimaat) in samenspraak met de staatssecretaris van VWS en op aanbeveling van de Gezondheidsraad om de blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten (hoogspanningsverbindingen, -kabels en stations), waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Dit moet bereikt worden door het nemen van proportionele bronmaatregelen bij de aanleg van nieuwe netcomponenten of het wijzigen van bestaande netcomponenten, waardoor de magneetvelden van deze netcomponenten zo klein mogelijk worden gehouden danwel worden verminderd. Voor modulaire blokken geldt dat de 0,4 µT contour niet verder reikt dan circa 8 meter vanaf de buitenzijde van de gebouwen. Voor transformatoren geldt dat deze afstand circa 3 meter bedraagt. De magneetveldcontour van 0,4 µT ligt bij de voorgenomen uitbreiding binnen het plangebied. Binnen deze contour liggen geen gevoelige bestemmingen. De magneetveldcontour blijft hiermee binnen het huidige hoogspanningsstation terrein.

4.2 Archeologische waarden Voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door Arcadis (zie Bijlage 3).

Beleid Verwachtingen waardenkaart Gemeente Best beschikt over een archeologische verwachtingen en waardenkaart waaraan het archeologische beleid is gekoppeld. Het beleid op deze kaart en de locaties van de beleidszones komen overeen met het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2021'. Het plangebied ligt op het bestemmingsplan en de archeologische beleidskaart in beleidszones met categorie 4 (hoge verwachting) en categorie 5 (middelhoge verwachting). Categorie 4 kent de vrijstellingsgrens van kleiner dan 500 m2 en 30 cm diep of, in het geval van een esdek, 50 cm diep. Voor categorie 5 geldt de vrijstellingsgrens van kleiner dan 2500 m2 en 30 cm diep of 50 cm diep (esdek). Op de archeologische beleidskaart is ook nog categorie 6 aangegeven (25.000 m2 en 40 cm) en een zone als 'verstoringen' (Geen onderzoek nodig). Als zowel de diepte als de oppervlakte worden overschreden, is archeologisch vervolgonderzoek conform de KNA 4.1 verplicht.

Dubbelbestemming Archeologie Op het hoogspanningsstation is voor een gedeelte de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 gelegen. Het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 kent vier niveaus (2 t/m 5) aan archeologische waarden. Omdat de rijksbeschermde archeologische monumenten (categorie 1) zijn beschermd via de

Monumentenwet, is voor deze monumenten geen aanvullende beschermende regeling opgenomen. Bij de verschillende niveaus heeft waarde archeologie 2 de hoogste archeologische verwachtingswaarde en heeft archeologie 5 de laagste verwachtingswaarde.

•

Waarde-Archeologie 2 (cat. 2): onderzoeksverplichting voor oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 m;

•

Waarde-Archeologie 3 (cat. 3): onderzoeksverplichting voor oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 m;

•

Waarde-Archeologie 4 (cat. 4): onderzoeksverplichting voor oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,3 m;

•

Waarde-Archeologie 5 (cat. 5): onderzoeksverplichting voor oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,3 m;

De dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 zijn overgenomen uit geactualiseerde archeologiekaart uit 2014. Eerder waren de archeologische waarden uit geactualiseerde archeologiekaart (2014) planologisch geborgd door het paraplubestemmingsplan Parkeernormen en Archeologie, dat op 9 maart 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het hierin opgenomen beleid voor de gebieden met archeologische verwachtingswaarden is overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021.

Analyse Aardkundige situatie Het plangebied ligt in een dekzandlandschap. Het hoogspanningsstation ligt aan de zuidkant van een landduin die van west naar oost loopt. In de omgeving zijn de landduinen met bijbehorende vlakten en laagten meerdere complexen van dekzandwelvingen te vinden. Ten zuiden van het plangebied ligt een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss met daardoor een dalvormige laagte die richting het oosten gaat. De dalvormige laagte en de vlakte van ten dele verspoelde dekzanden leiden richting de Dommel. De aanwezigheid van deze landschapsvormen verklaren de hydrologische kenmerken van de bodem. Het plangebied bestaat deels uit gooreerdgronden en deels uit veldpodzolgronden. Het ontbreken van ijzerhuidjes in beide bodems is een teken dat de bodem zich binnen de invloedsfeer van wisselende grondwaterstanden heeft ontwikkeld. De huidige grondwatertrappen zijn VIII en I (noordoost bij de waterplas), oftewel zeer laag en zeer hoog.

Historische verstoringen De overgangen van hogere dekzanden en beekdalen waren al vanaf het laat Paleolithicum aantrekkelijk voor de mens. In de directe omgeving van het hoogspanningsstation zijn vindplaatsen van vuurstenen uit het Mesolithicum. Het plangebied lag tijdens de Romeinse Tijd binnen de grenzen van het Romeinse rijk. Het gebied was gedurende deze tijd op een vrij uitgebreide schaal bewoond en

dit levert tal van plaatsen met bewoningsresten op. Tijdens de Middeleeuwen begon men de hogere zandgronden intensiever te gebruiken voor de landbouw. Rond 1900, met de komst van kunstmest, werden heidevelden omgevormd tot landbouwgronden, maar de Bestsche Heide, waar het plangebied lag, bleef gespaart. Pas rond 1930 werd het plangebied gebruikt als akker, waarna tussen 1970 en 1990 het hoogspanningsstation is gebouwd. Op de Vergraven Gronden kaart is het plangebied grotendeels verstoord.

Archeologische verwachting In totaal zijn vier vindplaatsen bekend en drie eerder uitgevoerde onderzoeken in Archis aangetroffen. De vindplaatsen hebben vondsten uit het Mesolithicum en de Bronstijd. De uitgevoerde onderzoeken geven geen duidelijkheid over de intactheid van de bodem in het plangebied. De archeologische verwachting binnen deze onderzoeksgebieden was aanvankelijk paleolithicum t/m nieuwe tijd. Op basis hiervan heeft een van de onderzoeken een verkennende boring uitgevoerd in de buurt van het plangebied. Hierna was het advies vrijgave door een verstoorde bodem. In het plangebied zijn archeologische resten te verwachten uit de periode laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Voor het Paleolithicum – Mesolithicum en de Bronstijd geldt een hoge verwachting. Voor het Neolithicum – Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Voor de Nieuwe Tijd en WOII geldt een lage verwachting binnen het plangebied. Deze verwachting geldt enkel voor de zone die nog niet vergraven is.

Advies Gelet op de onderzoeksresultaten wordt voor het plangebied archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van verkennend booronderzoek ter plekke van de werkzaamheden om het gespecificeerde verwachtingsmodel te toetsen. Het verkennend booronderzoek ter plekke van de werkzaamheden wordt geadviseerd binnen de aangegeven zones in Figuur 12 (ca. 1,1 ha). Dit verkennend booronderzoek heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Daarnaast dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van een esdek (cultuurlaag) en de aanwezigheid van vondsten.

Figuur 12: Advieskaart van plangebied Best

Dit advies is voorgelegd aan het Bevoegd Gezag, in dit geval de gemeente Best. Het Bevoegd Gezag kan zich vinden in dit advies. Er zal een vervolgonderzoek voor archeologie worden uitgevoerd.

4.3 Ecologie 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 De toekomstige uitbreiding van het hoogspanningsstation ligt op afstand van Natura 2000-gebieden, waardoor er geen sprake is van ruimtebeslag op Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux ligt op circa 9,5 kilometer afstand van het hoogspanningsstation (zie Figuur 13). Ander nabij gelegen gebieden zijn Kampina & Oisterwijkse Vennen (op circa 11 kilometer) en Kempenland-West (op circa 10,5 kilometer) en Strabrechtse Heide & Beuven (op circa 14 kilometer).

Figuur 13: De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot een tijdelijke depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden door de bouwactiviteiten die plaatsvinden voor de uitbreiding. Hierdoor zijn negatieve efecten in de gebruiksfase niet uitgesloten. Aangezien in deze fase van het project het bouwmaterieel dat wordt ingezet nog niet duidelijk is, is er nog geen AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening zal samen met de aannemer worden gemaakt en worden ingediend bij de Omgevingsvergunning voor bouwen. Mocht uit de AERIUS-berekening blijken dat er sprake is van een stikstofdepositie, dan wordt elektrisch materieel ingezet om de ontwikkeling als nog mogelijk te maken. Op deze manier wordt geborgd dat er zich geen negatieve effecten op natuurwaarden voor kunnen doen.

Negatieve effecten in de gebruiksfase zijn op voorhand uitgesloten, omdat het initiatief geen uitstoot van stikstof tot gevolg heeft en niet zorgt voor een verkeersaantrekkende werking. Naast stikstofuitstoot dient ook gekeken te worden naar mogelijke negatieve effecten van ruimtebeslag, licht, geluid en trillingen als gevolg van de ontwikkeling. Omdat het plangebied niet binnen een Natura 2000gebied ligt, zijn direct negatieve effecten, door ruimtebeslag, op voorhand uitgesloten. Gezien de ruime afstand tot Natura 2000-gebied zijn effecten als gevolg van verstoring door geluid, trillingen en licht eveneens op voorhand uitgesloten.

Conclusie

Indien de beschreven redeneerlijk wordt toegepast zal uitbreiding van het hoogspanningsstation Best niet leiden tot een nieuwe toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Indien er uit de AERIUS-berekening stikstofdepositie wordt berekend op Natura 2000-gebieden zal er elektrisch materieel worden ingezet om de depositie te voorkomen.

Omdat er geen depositietoename als gevolg van het project plaatsvindt, in beide fasen, zijn negatieve gevolgen voor het Natura 2000-gebied uitgesloten en is het niet nodig om een ecologische toetsing uit te voeren. Dit betekent dat voor de realisatie van de uitbreiding hoogspanningsstation Best een vergunning volgens de Wet natuurbescherming niet nodig is.

Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het plangebied voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation maakt geen onderdeel uit van het NNB gebied. Wel ligt er nabij de voorgenomen uitbreiding een NNB gebied op het perceel van Enexis (zie ook paragraaf 3.2.2). De uitbreiding van het hoogspanningsstation heeft geen ruimtebeslag op het NNB gebied. De tijdelijke effecten die ontstaan door de geplande aanlegwerkzaamheden, geluid hebben geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB, omdat deze van tijdelijke aard zijn en het NNB gebied voldoende ruimte biedt om te vluchten.

Met de werkzaamheden zal geen verlichting worden gebruikt (er zal alleen overdag gewerkt worden) en er worden geen trillingen verwacht. Er zal overdacht met daglicht worden gewerkt. De instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken worden dan ook niet beperkt en tevens is geen sprake van een vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van het NNB.

Figuur 14: Het NNB gebied en attentiezone waterhuishouding buiten het plangebied voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation.

Conclusie Er is geen sprake van negatieve effecten op het NNB als gevolg van de voorgenomen ingreep. Verdere toetsing in het kader van het NNB en de bijbehorende beleidskaders is niet vereist.

4.3.2 Soortenbescherming Enexis is voornemens om het hoogspanningsstation in Best uit te breiden. Op het huidige terrein moet daarvoor een gedeelte van de bosschage worden gekapt. Arcadis is gevraagd hiervoor een Quickscan ecologie op te stellen om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Wnb in beeld te brengen (zie Bijlage 4).

Er is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar. In een kilometerhok rondom het projectgebied is onderzocht welke soorten zijn waargenomen. Daarnaast is door middel van www.verspreidingsatlas.nl onderzocht of het projectgebied binnen het verspreidingsgebied van beschermde soorten ligt. Het veldbezoek is uitgevoerd door een ecoloog van Arcadis op 14 juni 2022. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.

Resultaten In de buurt van de voorgenomen ontwikkeling komen verschillende beschermde diersoorten voor. Dit betreffen broedvogels zonder en met jaarrond beschermd nest, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën. De aanwezigheid van andere beschermde soorten is op basis van de quickscan (Bijlage 4) uitgesloten.

Tabel 6: Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden.

Binnen de provincie Noord-Brabant geldt een vrijstelling voor de binnen het projectgebied algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Deze zijn daarom niet verder meegenomen in het onderzoek. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht. Op basis van de quickscan kan de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet worden uitgesloten. Door het toepassen van mitigerende maatregelen kunnen effecten op (algemene) broedvogels en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden voorkomen (zie hieronder). Voor de kleine marterachtigen en vleermuizen dient aanvullend onderzoek uit te wijzen of de werkzaamheden een negatief effect hebben op de aanwezige verblijfplaatsen.

Maatregelen Door het toepassen van mitigerende maatregelen kunnen effecten op (algemene) broedvogels en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden voorkomen. Hieronder wordt per soort aangegeven welke maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen.

Door opvolging te geven aan deze maatregelen wordt ook een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming voorkomen. Voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden:

•

Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

•

Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

De Wnb kent een algemene zorgplicht (Artikel 1.11 Wnb). Dit betekent dat zorgvuldig met aanwezige beschermde en niet-beschermde soorten planten en dieren moet worden omgegaan.

•

Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden.

•

Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting uit. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet opgesloten tussen de werkzaamheden.

Conclusie Binnen het projectgebied zijn beschermde soorten aanwezig of zijn op basis van het veldonderzoek niet volledig uit te sluiten. Voor de kleine marterachtigen en vleermuizen dient aanvullend onderzoek uit te wijzen of de werkzaamheden een negatief effect hebben op de aanwezige verblijfplaatsen. Mitigerende maatregelen voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en - amfibieën dienen in acht te worden genomen om negatieve efefcten op die soorten te voorkomen. Indien tijdens de uitvoering rekening wordt gehouden met de genoemde mitigerende- en zorgplichtmaatregelen zijn er voor deze soorten geen vervolgstappen vanuit de Wnb noodzakelijk.

Aanvullend soortgerichtonderzoek Op basis van de resultaten uit de Quickscan van Arcadis (2023) is er een soortgericht vervolgonderzoek uitgevoerd door adviesbureau T&G Terrein en Groenvoorziening b.v. (juli 2023), zie Bijlage 5. Er is een soortgericht onderzoek kleine marterachtige en vleermuizen uitgevoerd. Het onderzoek naar marterachtige is uitgevoerd volgens de handreiking kleine marterachtige van de provincie Noord-Brabant. Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van cameravallen, sporenbuizen en een marterbox (mostela cameraval). Bij het plaatsen van de cameravallen, sporenbuizen en een

marterbox heeft T&G Terrein en Groenvoorziening b.v. laten weten dat er een grote tak van een nabij gelegen boom is geknakt, hierdoor is een gat/hol in de boom ontstaan. Voor de volledigheid wordt ook onderzocht of dit gat in de boom een mogelijke verblijfplaats van beschermde uilen is. Hieronder wordt per soort toegelicht wat de resultaten van het soortgericht onderzoek zijn.

Marterachtigen Voor het onderzoek zijn er 2 cameravallen, 1 Mostela cameravalkist en 2 sporenbuizen geplaatst om eventueel aanwezige marters te filmen of op te sporen. Ook is de omgeving geïnspecteerd tijdens de bezoeken op het voorkomen van marters door te zoeken naar sporen. Tijdens het onderzoek zijn er 158 bruikbare opnames gemaakt waaronder 98 opnames van een konijn, 26 bosmuizen waaronder 2 spitsmuizen, 9 van een merel, 12 van een vos, 4 van een egel, 5 van een kraai, een maal een roodborstje en eekhoorn en 2 keer een wesp. Gedurende de periode van 3 mei tot 27 juni 2023 hebben de cameravallen geen opnames gemaakt van marterachtigen. Op basis van het onderzoek kan de aanwezigheid van materachtigen in het plangebied worden uitgesloten. Er zijn geen sporen gevonden die kunnen duiden op de aanwezigheid van marterachtigen. Er zijn geen prooiresten, geen loopsporen en geen uitwerpselen gevonden. Daarnaast zijn er bij de opnames met de cameravallen geen marters waargenomen. Daarbij is er een vrij beperkt voedselaanbod in het gebied. Zodoende is het uitgesloten dat het plangebied een belangrijk onderdeel vormt van het leefgebied van marterachtigen. Daarmee leiden de voorgenomen werkzaamheden niet tot het verdwijnen van vaste voortplanting- rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen en vind er geen overtreding van de Wet natuurbescherming plaats.

Een ontheffing voor kleine marterachtigen en steenmarter is niet noodzakelijk.

Vleermuizen Omdat tijdens de uitgevoerde quickscan op 14 juni 2022 de te kappen bomen in het plangebied volledig in blad stonden, kon niet met zekerheid worden uitgesloten dat ergens een geschikte boomholte voor vleermuizen aanwezig was. Daarom is er op woensdag 12 april 2023 door de ecoloog van Brabant Eco een eerste oriënterend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke verblijfplaatsen in bomen van vleermuizen. Dit in een periode dat er geen bladeren aan de bomen aanwezig waren. Door de ecoloog is later tijdens drie bezoeken tussen 3 mei en 27 juni deze controle herhaald, waarbij op 3 mei weinig en later meer bladeren aan de bomen aanwezig waren. Er zijn tijdens de onderzoeken geen waarnemingen gedaan van mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen bomen. De schors is bij alle bomen goed aansluitend en zonder gaten. Bij twee ruwe berken zijn takken afgebroken waardoor er mogelijkheden zouden zijn voor een verblijfplaats maar bij nader en intensiever onderzoek bleken deze holtes te ondiep en te open te zijn om als verblijfplaats voor vleermuizen te dienen. Ook zijn er geen sporen van vleermuizen, zoals mestkeutels waargenomen tijdens de onderzoeken.

Het gebied met de te kappen bomen is wel geschikt als foerageergebied. In de directe omgeving, met name ten noordwesten en noordoosten zijn echter ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig in bebossing en boven weilanden. Ten noodoosten op ongeveer 100 meter ligt een waterplas. De te rooien bosschage is te kort om voor vleermuizen als vliegroute te dienen. De in de directe omgeving staande lijnvormige elementen zullen eerder gebruikt worden om langs te vliegen. Op basis van het onderzoek kan wordten uitgesloten dat het plangebied een essentiële functie als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen heeft. Na intensieve controle kan ook de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen bomen worden uitgesloten.

Overige soorten Tijdens de veldbezoeken is er naast de controle op vleermuisverblijfplaatsen en marterachtigen gelet op de aanwezigheid van kleine zoogdieren en nestindicatief gedrag van algemeen beschermde broedvogels welke mogelijk aanwezig zijn in en direct rond het plangebied. Er zijn diverse sporen van konijnen en daarnaast uitwerpselen van een vos waargenomen. Ook zijn er waarnemingen met de camera's van vossen, muizen, egels en konijnen. In het zuidwesten van het plangebied zijn molshopen waargenomen. Tijdens de onderzoeken zijn er diverse vogelsoorten waargenomen in en rond het plangebied: boomklever, groene specht, winterkoning, zwarte kraai, kauw, houtduif, koolmees, roodborstje, pimpelmees, roodborst, tjiftjaf, merel, witte kwikstaart en aalscholver. Er zijn in de te kappen bomen geen nesten van vogels waargenomen tijdens de veldbezoeken. Ook zijn er geen nesten van eekhoorns aanwezig in de te kappen bomen. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten gelden bovengenoemde mitigerende maatregelen.

Conclusie Op basis van uitgevoerd aanvullend soortgerichtonderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op marterachtigen en vleermuizen. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt geen overtreding van de Wet Natuurbescherming. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig.

4.3.3 Houtopstanden Om de uitbreiding van het hoogspanningsstation mogelijk te maken dient een gedeelte van de aanwezige bosschage gekapt te worden. Houtopstanden buiten de bebouwde kom van minimaal 1.000 m2 of 21 bomen per rij zijn beschermd onder de Wnb. Bij de nader uitwerking van de plannen in een Definitief Ontwerp (DO) van TenneT en Enexis moet blijken hoeveel vierkante meter gekapt dient te worden. Als bovenstaande waarden worden overschreden zal in dit geval een kapmelding bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Brabant, worden gedaan. Er geldt dan ook een herplantplicht. In het DO proberen TenneT en Enexis nog waar mogelijk bomen te sparen.

Conclusie Uit de nadere uitwerking (DO-fase) zal blijken of er een kapmelding gedaan moet worden bij de Provincie Brabant en er een herplantplicht geldt.

4.4 Water In het kader van voorliggende onderbouwing voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation is er een waterparagraaf geschreven. Het doel van deze waterparagraaf is om in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Er wordt met name ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en beschreven wordt welke maatregelen er worden getroffen.

4.4.1 Beleidskader water Europees beleid Op 22 december 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW is een Europese richtlijn, die bedoeld is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op goed niveau te krijgen en te houden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het nationale beleidskader en de strategische doelen en maatregelen voor het waterbeheer in Nederland. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Rijk is opsteller van het Nationaal Waterplan 2009-2015. In het Bestuursakkoord Water (BAW, 2011) zijn het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven maatregelen voor een doelmatig waterbeheer overeengekomen. Samenwerking tussen overheden is geen vrijblijvende opgave.

Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel beheert het water in Midden-Brabant. Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer

wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

In het waterbeheerprogramma worden drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie gehanteerd, namelijk:

•

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt

•

Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan

•

Wat schoon is moet schoon blijven

Het waterschap geeft aan dat we ons, nog meer dan voorheen, moeten aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen worden er geen oplossingen gevonden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe dit bereikt gaat worden.. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij:

•

van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.

•

van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied.

•

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

Voor voorgenomen ontwikkeling moet conform de Keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

4.4.2 Analyse Oppervlaktewater Rondom het hoogspanningsstation terrein is in de huidige situatie een sloot aanwezig (B-water). Deze staat in verbinding door een sloot die naast de toegangsweg van het hoogspanningsstation is gelegen. Deze watergang mondt uit op de watergang die naast de Ploegstraat loopt. Deze watergang, naast de Ploegstraat, is deels een A-watergang en wordt ook deels beschermd in de Keur. Er worden geen aanpassingen gedaan aan de watergang naast de toegangsweg van het hoogspanningsstation en de watergang naast de Ploegstraat. Voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation zal de watergang rondom het terrein verlegd moeten worden, omdat het hoogspanningsstation terrein uitgebreid moet worden. Rondom het uitgebreide hoogspanningsstation terrein zal de sloot worden teruggebracht. Binnen het plangebied voor de uitbreiding ligging verder geen andere (beschermde) watergangen.

Figuur 15: Wateren en watergangen uit de legger waterstaatswerken 2023 (Waterschap De Dommel)

Beschermde gebied Het plangebied ligt buiten gebieden die vanuit de keur worden beschermd. Nabij het plangebied ligt een Keurbeschermd gebied, dit gebied is gelijk aan het Natuurnetwerk Brabant (gebied). De ontwikkeling van het hoogspanningsstation vindt buiten het NNB en dus ook buiten het beschermingsgebied plaats. Er worden geen negatieve invloeden op dit gebied verwacht.

Figuur 16: Beschermde gebieden door de Keur, herziening 2023 (Waterschap De Dommel)

Bodem Het hoogspanningsstation terrein ligt op een hoogte van circa 18,5 meter +NAP. Hierbij is te zien dat het hoogspanningsstation terrein iets hoger ligt dan de omliggende gronden. De omliggende gronden, waarop ook de uitbreiding plaatsvindt, hebben een hoogte van circa 17 meter +NAP. Voor Enexis en TenneT is het belangrijk dat de gronden voor de uitbreiding op een gelijke hoogte liggen als et bestaande hoogspanningsstation. Voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation zal de grond worden opgehoogd tot en gelijke hoogte van het bestaande station. Dit betekent dat er een verhoging van 1 tot 1,5 meter nodig is.

Figuur 17: Hoogtes (in meters +NAP) van het plangebied (AHN)

De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een Gooreerdgronden, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De bodem is op de locatie opgebouwd uit zand en leem (Dinoloket). De eerste lagen vanaf maaiveld bestaan uit fijn zand. Vanaf ongeveer een meter onder maaiveldniveau gaat het fijn zijn over naar een zand midden categorie. Vanaf 2 meter diepte bestaat de bodem uit leem.

Figuur 18: Bodemopbouw op basis van boorprofiel van nabij gelegen locatie (Dinoloket)

Klimaat De gemeente heeft in 2022 een klimaatstresstest laten uitvoeren door Royal Haskoning DVH. Hieruit blijkt dat er geen wateroverlast in het plangebied ontstaat bij een extreme regenbui van 70 mm in één uur. Er wordt op de locatie geen wateroverlast verwacht. De realisatie van de uitbreiding van het hoogspanningsstation zal wel hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

Toename verharding en berging Het oppervlak van het huidige hoogspanningsstation (perceel) bedraagt 65.030 m 2, hiervan bestaat momenteel circa 7.200 m2 uit verharding (gebouwen of verharde ondergrond). De toename in verharding bedraagt circa 1.100 m2 zijnde de drie transformatoren met ieder een oppervlak van 156 m2 en drie modulaire gebouwen met ieder een oppervlak van circa 160 m 2. Ook wordt er aan bebouwing een CDG toegevoegd aan het hoogspanningsstation, dit gebouw heeft een oppervlak van 150 m2. Vanuit regels van het waterschap omtrent het afvoeren van hemelwater is vanaf 500 m² tot en met 10.000 m² de rekenregel van toepassing.

De rekenregel gaat als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Vanuit de Keur geldt voor het plangebied een gevoeligheidsfactor 1. Vanuit de rekenregel moet er 66 m3 aan compensatie worden gerealiseerd. Op het terrein zal bij het definitief ontwerp een wadi worden ingetekend en/of de watergangen rondom het station worden uitgebreid/verbreed, waardoor wordt voorzien in voldoende bergingscapaciteit. Dat er voldoende waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd, wordt geborgd met een voorwaardelijke verplichting in artikel 4 in de regels.

Gebouwen De gebouwen zullen voor het hemelwater niet worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater zal op het hoogspanningsstation terrein worden opgevangen. In het nadere ontwerp van het hoogspanningsstation zal een waterberging/wadi worden opgenomen. Op deze manier wordt ook voorkomen dat het water kan stromen naar aanliggende percelen.

Transformatoren De transformatoren worden afzonderlijk van elkaar in een betonnen bak van 10 x 12 x 1,5 m geplaatst, waardoor directe afstroom van hemelwater niet mogelijk is. De afvoer van deze bak is voorzien van een OBAS voorziening (zonder overstort) welke de afvoer van hemelwater bij extreme neerslag naar het gemeentelijk riool limiteert en er voor zorgt dat water wordt vastgehouden en vertraagd afgevoerd.

De aanleg van nieuw verhard oppervlak door de transformatoren leidt daardoor niet tot versnelde afvoer van hemelwater.

Figuur 19: Huidige situatie verhard oppervlak hoogspanningsstation.

(Afval)waterketen Bij het hoogspanningsstation wordt geen nieuwe riolering aangelegd. De transformatoren worden via een OBAS aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioolstelsel. De capaciteit van de OBAS dient afgestemd te worden met de gemeente om te bepalen of het gemengde stelsel de extra belasting aan kan.

Waterkwaliteit Er dient gebruik gemaakt te worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich

ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Conclusie Bij de uitbreiding van het hoogspanningsstation wordt er voldoende waterberging gerealiseerd door middel van opvangbakken bij de transformatoren en een toekomstige wadi voor de modulaire gebouwen. De realisatie van een waterberging wordt geborgd in artikel 4 in de regels. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.5 Verkeer De huidige functie van het hoogspanningsstation zal in het voorgenomen plan niet veranderen, het station wordt in bepaalde mate uitgebreid. Deze uitbreiding heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie, omdat het niet zal leiden tot een toename in verkeersdruk.

4.6 Landschap Door CB5 is in opdracht van Enexis een landschapsinvesteringsplan opgesteld (zie Bijlage 6) voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation in Best. Enexis wil graag dat de uitbreidingslocatie van het netstation landschappelijk wordt ingepast binnen de kaders van het nieuwe bestemmingsplan Uitbreiding HS-station Best. Het plangebied is gelegen aan twee bosgebieden die opgenomen zijn in het natuurbeheerplan. Deze gebieden worden aangeduid als N16.03 Droog bos met productie. Aan de andere zijde van de Ploegstraat is een gebied aangeduid als dynamisch moeras en kruiden- en faunarijk grasland. In het huidige bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf' met daarin een bouwvlak en een vlak met de bestemming 'Groen'. De bijbehorende oppervlaktes zijn:

•

Bestemming 'Bedrijf': 52.741 m²

•

Bouwvlak: 2.153 m²

•

Bestemming 'Groen' 3.252 m²

In de toekomstige situatie wordt het bouwvlak binnen de bestemming 'Bedrijf' vergroot om de ontwikkeling mogelijk te maken. De bijbehorende oppervlaktes zijn:

•

Bouwvlak: 12.576 m²

•

Bestemming 'Bedrijf': 52.741 m² (geen wijziging)

•

Bestemming 'Groen': 3.252 m² (geen wijziging)

Landschappelijke inpassing ontwerp

Door Enexis is een ontwerp opgesteld voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation, zie paragraaf 2.2. Hieronder wordt een nadere toelichting op de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van het hoogspanningsstation gegeven.

Figuur 20: Landschappelijke inpassing hoogspanningsstation

Het hoogspanningsstation Best is landschappelijk al groen ingepast door de bestaande houtopstanden rondom de locatie. Rekening houdend met het vergroten van het bouwvlak, zal compensatie met opgaande beplanting binnen de locatie niet mogelijk zijn. Dit levert namelijk knelpunten op met de toekomstige technische uitbreiding van installaties en ondergrondse kabels en leidingen. Daarom wordt voorgesteld, conform de Landschapsinvesteringsregeling Best 2019, een geldelijke compensatie in het gemeentelijk groenfonds te doen. Om de uitbreiding van het hoogspanningsstation mogelijk te maken dient een gedeelte van de aanwezige bosschage gekapt te worden op het terrein. Houtopstanden buiten de bebouwde kom van minimaal 1.000 m² of 21 bomen per rij zijn beschermd onder de Wet Natuurbescherming. Bij nadere uitwerking van de plannen in een Definitief Ontwerp (DO) van TenneT en Enexis moet een melding bij bevoegd gezag, de Provincie Noord-Brabant, worden gedaan omdat deze waarde wordt overschreden. Er geldt dan een herplantplicht.

Op de volgende wijze wordt invulling gegeven aan de herplantplicht vanuit de Boswet: Ten oosten van Ploegstraat 14 wordt de huidige paardenweide ingeplant met bos om het zicht van de bewoners op het hoogspanningsstation te beperken. In het verlengde van de huidige westelijke randbeplanting van het station wordt een struweelzone aangeplant tot aan de Ploegstraat. Voor de bereikbaarheid van de vakwerkmasten van TenneT wordt een 5.00 meter breed graspad vrijgehouden van beplanting met een aftakking van 10.00 meter breedte naar de eerste vakwerkmast aan de Ploegstraatzijde. De ontsluiting is nodig om de vakwerkmasten aan de Ploegstraat en aan de noordzijde van het station ten alle tijden te kunnen bereiken. Het bosgebied ten westen van de entreeweg van het hoogspanningsstation wordt versterkt door aanplant van bos in het hart van het perceel en een mantelzoomvegetatie (struweel overgaand in ruigtekruiden) aan de rand met het 380/150KV hoogspanningstracé. Aan de oostzijde van de entreeweg wordt de bestaande bosstructuur versterkt door aanplant van bos en een mantel-zoomvegetatie (struweel overgaand in ruigtekruiden). De plantkeuze voor de invulling van de bos- en struweelaanplant met inheems plantmateriaal is gebaseerd op de heide(ontginningen).

Figuur 21: Sortimentsvoorstel voor de invulling van de bos en struweelaanplant met inheems plantmateriaal inclusief plantafstanden

Beheer Struweel en Bos Het struweel wordt ecologisch beheerd. Dit houdt in dat het struweel niet tegelijk wordt afgezet, maar ieder jaar een gedeelte. Vanaf het vijfde jaar na aanplant, wordt ieder jaar een 1/3 afgezet. Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid. Op die manier ontbreekt het dieren niet aan voedsel, nestgelegenheid en schuilplekken. De afgezaagde takken worden op rillen gelegd. Een takkenril is namelijk een zeer waardevol element voor fauna om in te schuilen en de wintermaanden in door te brengen. Door middel van dunning wordt ruimte en licht gemaakt in het bos. 1e dunning vindt plaats na 15 jaar, daarna om de 10 jaar. Hiermee wordt ruimte gecreëerd voor de heesters en bomen om zo uit te groeien tot volwassen exemplaren.

Op basis van het huidige plan wordt voor de uitbreiding van het hoogspanningsstation in totaal 6.752 m² bos en 735 m² struweel gerooid. Binnen het plan is voor compensatie ruimte voor aanplant van 3.544 m2 nieuw bos en 2.844 m² nieuw struweel. Hiermee wordt nog niet in zijn geheel voldaan aan de herplantplicht vanuit de Boswet. Het resterende deel van de boscompensatie zal plaats gaan vinden binnen de gemeentegrenzen, de exacte locatie zal in de vervolgfase van het project afgewogen worden.

Investering groenfonds In het toekomstige situatie is er daarmee een wijziging van de oppervlakte van het bouwvlak binnen de bestemming 'Bedrijf'. Het bouwvlak wordt vergroot met een oppervlakte van 10.423 m² en komt daardoor in totaal uit op 12.576 m². Bij uitbreiding van een bestemmingsvlak of bouwvlak van een nietagrarisch bedrijf (niet zijnde recreatie, agrarisch-technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf, maatschappelijke voorziening of statische opslag geldt een standaard compensatiebedrag van € 5,/m². In het geval van dit plan moet er 10.423 m² gecompenseerd worden, wat op een totaalbedrag komt van €52.115,- (10.423 m² x € 5,-). Binnen de grenzen van het plan zijn geen mogelijkheden om het bedrag fysiek te investeren. Om die reden wordt het gehele bedrag, €52.115,-, geïnvesteerd in het gemeentelijk groenfonds. Dit wordt geborgd door het opstellen van een anterieure overeenkomst en/of het opnemen van een voorwaardelijke verplichting.

Hoofdstuk 5 Planopzet De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken.

•

Hoofdstuk 1 Inleidende regels bevat de inleidende regels en bevat 2 artikelen. Het eerste artikel geeft een omschrijving van enkele in de regels gehanteerde begrippen. Het tweede artikel geeft aan hoe ten aanzien van maten, oppervlakte en inhoud gemeten moet worden.

•

In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels worden de verschillende bestemmingen behandeld. Per bestemming wordt aangegeven welke doeleinden/functies zijn toegelaten op de gronden en wat en hoe er mag worden gebouwd.

•

In hoofdstuk 3 Algemene regels worden de algemene regels behandeld. Dit zijn onder meer de afwijkingsmogelijkheden en algemene bouwregels.

•

In hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels worden de overgangs- en slotregels aangegeven.

Onderstaand is een korte toelichting een korte artikelsgewijze toelichting op de artikelen opgenomen. Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in de regels. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'Wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

Artikel 4 Bedrijf - Nutsbedrijf De voor 'Bedrijf - Nutsbedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor een hoogspanningsstation met de bijbehorende voorzieningen. Onder voorzieningen worden onder meer begrepen ondergrondse leidingen.

Artikel 5 Bos De voor Bos aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van het bos.

Artikel 6 Groen De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van groenvoorzieningen en landschapselementen.

Artikel 7 Sport - Golfbaan De voor Sport - Golfbaan aangewezen gronden zijn bestemd voor een golfbaan in combinatie met een bosgebied, met de daarbij behorende voorzieningen.

Artikel 8 Tuin - Landschap De voor Tuin - Landschap aangewezen gronden zijn bestemd voor inrichting en onderhoud van een landschapstuin met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen en landschapselementen.

Artikel 9 Verkeer De voor verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met een functie voor verkeer en verblijf.

Artikel 10 Water De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: water en waterhuishoudkundige voorzieningen, het behoud, herstel of de ontwikkeling van landschappelijke waarden en kenmerken en natuurwaarden en recreatief medegebruik.

Artikel 11 Wonen De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen.

Artikel 12 Leiding - Gas De voor Leiding - Gas aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.

Artikel 13 Leiding - Hoogspanning De voor Leiding - Hoogspanning aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en instandhouding van een ondergrondse hoogspanningsverbinding met een maximum spanning van 150 kV.

Artikel 14 Leiding - Hoogspanningsverbinding De voor Leiding - Hoogspanningsverbinding aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een bovengrondse hoogspanningsverbindingen 150 KV en/of 380 kV

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14204565/1