CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

24048.4 - NIEUWE VERSIE - TOELICHTING Bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16 (VERSIE 30-5-2024)

Raadsvergadering 10 juni 2024, gemeente BestBij agendapunt: 24048 - Vaststellen bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-1630.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Er wordt met dit bestemmingsplan geen nieuwe gevoelige bestemming conform het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk gemaakt. Daarnaast valt het project, onder de ondergrens van de categorie “niet in betekenende mate” bijdragend. De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. De toename van het aantal verkeersbewegingen is hierbij bepaald aan de hand van de maximaal representatieve bedrijfssituatie. Het totaal aantal voertuigbewegingen per dag (weekdag) bedraagt maximaal 120 bewegingen. Deze gegevens zijn ingevoerd in de NIBM-tool.

Op basis van de invoer van bovenstaande gegevens blijkt dat het extra verkeer in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit het uitgevoerde geur en gezondheidsonderzoek (zie ook Bijlage 9) dat met betrekking tot omliggende veehouderijen ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed (en daarmee aanvaardbaar) woon- en leefklimaat. Veehouderijen en andere bedrijven in de omgeving worden door de beoogde

54

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

gebiedsontwikkeling niet in hun belangen geschaad. Er is geen sprake van extra beperkingen voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling ten gevolge van de omgekeerde werking van het bestemmingsplan. Als een bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, kan toch een luchtkwaliteitsbeoordeling nodig zijn voor een goede ruimtelijke ordening. Daarbij staat dan de vraag centraal, of de nieuwe bestemmingen aanvaardbaar zijn bij de bestaande luchtkwaliteit (het woon- en leefklimaat). Hiertoe is bezien of in de actuele situatie sprake is van een woon- en leefklimaat waarbij op locatie wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Voor wat betreft het woon- en leefklimaat zijn de concentraties PM10, PM2,5 en NO2 van belang. Voor de actuele achtergrondconcentraties is de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geraadpleegd. Binnen het plangebied liggen de concentraties ver onder de wettelijke grenswaarden en benaderen de gezondheidskundige advieswaarden. Er is geen dreigende overschrijding van de grenswaarden, aangezien de heersende achtergrondconcentraties ver onder de grenswaarden liggen en bovendien de verwachte toekomstige achtergrondconcentraties lager liggen (dalende trend).

Ten aanzien van luchtkwaliteit is in de bestaande situatie ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat, aangezien de achtergrondconcentraties ver onder de wettelijke toetswaarden liggen en zelfs de gezondheidskundige WHO-advieswaarden benaderen. Ten aanzien van de beoogde planontwikkeling is gezien voorgaande geen sprake van significant nadelige milieueffecten ten aanzien van luchtkwaliteit.

Fijnstof-endotoxinen De nieuwe woonfuncties liggen niet binnen een individuele of cumulatieve endotoxinen risicocontour van een pluimveehouderij of varkenshouderij. Er is ten aanzien van fijnstof-endotoxinen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Dit is onderzocht en toegelicht in het onderzoek geur en gezondheid (Pouderoyen Tonnaer, rapportnummer P217945.015.R1/EVO, d.d. 12 juli 2023, Bijlage 9). In het betreffende onderzoek is tevens gemotiveerd dat een eventueel GGD advies geen nieuwe inzichten zal geven. Conform het stappenplan in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 adviseert de GGD om een GGD-advies op te vragen vanwege de aanwezigheid van de pluimveehouderij Aarleseweg 31 en Driehoekweg 20 binnen 1 km afstand van de nieuwe woonfuncties. Voor dit bestemmingsplan geldt dat er maar twee pluimveehouderijen aanwezig zijn binnen een straal van 1 km van de nieuwe woningen, waarvan de grootste pluimveehouderij (Driehoekweg 20) op ongeveer 650 meter afstand van de dichtstbij zijnde woonfunctie (= de huisvesting voor seizoenarbeiders) ligt, en dat in het gebied geen sterke concentratie van veehouderijen aan de orde is.

In voorliggend plan is het aantal extra woningen en het aantal extra blootgestelden dat mogelijk wordt gemaakt beperkt en daarbij liggen de nieuwe woonfuncties in een gemengd gebied met in de omgeving al meerdere voormalige bedrijfswoningen van gestopte veehouderijen. Er zijn geen andere aspecten op basis waarvan een GGD advies wordt geadviseerd. Op basis van voorgaande bevindingen wordt ingeschat dat een GGD-advies geen nieuwe inzichten voor de besluitvorming zal geven. Het bevoegd gezag heeft hierin beleidsvrijheid en kan een GGD-advies opvragen en meenemen in de afweging of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Geitenhouderijen Het is uit voorzorg niet gewenst om nieuwe woningen te realiseren binnen 2 km rond geitenhouderijen met meer dan 50 geiten, om gezondheidsrisico’s voor toekomstige bewoners te voorkomen. In de provincie Noord-Brabant geldt een verbod op uitbreiden van geitenstallen en omschakelen naar een geitenhouderij als een voorzorgmaatregel en is verwerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). De provincie

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

55

is voornemens dit moratorium te verlengen tot de deelonderzoeken van VGOIII afgerond zijn (eind 2024). Het doel van het geitenmoratorium is te voorkomen dat rond geitenhouderijen de gezondheidslast toeneemt en (nieuwe) knelpunten ontstaan. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van gezondheidsrisico’s ten gevolge van geitenhouderijen.

Gevolg planvoornemen Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Bedrijven- en milieuzonering

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

Toetsing Het plangebied is gelegen langs de gebiedsontsluitende weg Mosselaarweg. Tevens zijn in de directe omgeving van het plangebied woon-, verkeers-, bedrijfs- en agrarische bestemmingen gelegen. Hiermee is sprake van een ligging van het plangebied in gemengd gebied. Op basis van de ligging in gemengd gebied, mag conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden. Veroorzakende hinder Het bedrijfsgebouw ten noorden van de Mosselaarweg veroorzaakt mogelijk hinder op gevoelige objecten in

56

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

de omgeving. De met het planvoornemen te realiseren woningen betreffen geen hinderveroorzakende functies. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' worden bedrijfsgebouwen van akkerbouw en fruitteelt aangemerkt als categorie 2 bedrijf. Hiervoor geldt een richtafstand van maximaal 30 meter ten gevolge van het aspect geluid. Ten gevolge van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden tot 10 meter. De bedrijfswoning van het naastgelegen caravanopslag bedrijf op Mosselaarweg 18 is gelegen op 24 meter van het plangebied. Op de perceelsgrens voorziet het voornemen in realisering van een brede groenstrook van ca 10 meter, zie ook paragraaf 2.4 van de toelichting. Daarmee bedraagt de afstand van het agrarisch bouwvlak tot de bedrijfswoning op Mosselaarweg 18 ca 35 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Ten zuiden en oosten van het agrarisch bouwvlak zijn woonbestemmingen op een afstand van meer dan 60 meter gelegen. Hiermee wordt eveneens voldaan aan de richtafstand.

Spuitzvrije zones gewasbeschermingsmiddelen Hoewel in geen enkele wettelijke regeling in acht te nemen afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen enerzijds en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt anderzijds, dient op basis van het criterium goede ruimtelijke ordening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) wel te worden beoordeeld of het gebruik van die middelen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en gevoelige functies zoals woningen kan worden gehanteerd. Kortere afstanden zijn mogelijk, indien dat blijkt uit een locatiespecifiek onderzoek. Met de beoogde ontwikkeling wordt verplaatsing van de bestaande aardbeienteelt voorgestaan. Rondom de beoogde aardbeienteelt dient het agrarisch bedrijf op basis van het Activiteitenbesluit driftreducerende maatregelen te treffen. Ook is rondom de beoogde percelen de aanplant van hagen/groenstrook voorzien, wat driftreducerend fungeert. Bovendien wenst de initiatiefnemer in het kader van duurzaamheid zo min mogelijk gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen.

Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt conform de geldende gebruiksbepaling van het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2021' voor nieuwe fruitteelt een afstand van 50 m van bestemmingsvlakken van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies in acht genomen, betreffende de woningen op Mosselaarweg 14, 14a en 18.

Ontvangende hinder De ontvangende hinder geldt voor alle gevoelige objecten die met het planvoornemen gerealiseerd worden. Het -gebouw en bedrijfswoning ten noorden van de Mosselaarweg worden onder lid a getoetst aan ontvangende hinder. Onder lid b worden de woningen ten zuiden van de Mosselaarweg getoetst aan ontvangende hinder. Lid a 1.

Ten westen van het plangebied is op een afstand van circa 30 meter van het bedrijfsgebouw (en ca 60 meter van de bedrijfswoning van het verplaatste agarrisch bedrijf), dat door de huisvesting van seizoenarbeiders tevens een gevoelig object is, een bedrijfsbestemming met functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - caravanstalling/statische opslag' gelegen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor opslaggebouwen een richtafstand van 30 meter ten gevolge van het aspect geluid. Ten gevolge van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap verkleind

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

57

2.

3.

4.

worden tot 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten zuidwesten van het plangebied is op een afstand van circa 95 meter van het bedrijfsgebouw (en meer dan 160 meter van de bedrijfswoning) een opslagverhuurbedrijf gelegen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor opslaggebouwen en opslagverhuurbedrijven een richtafstand van 30 meter ten gevolge van het aspect geluid. Ten gevolge van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden tot 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten zuiden van het plangebied is op een afstand van circa 150 meter van het bedrijfsgebouw (en circa 130 meter van de bedrijfswoning) een pluimveehouderij gelegen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een pluimveehouderij een richtafstand van 200 meter ten gevolge van het aspect geur. Ten gevolge van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden tot 100 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan.

Tevens wordt in paragraaf 4.3 op basis van de resultaten uit het onderzoek geur en gezondheid (zie ook Bijlage 9) kan worden geconcludeerd dat ondanks de nabij gelegen pluimveehouderij ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en geur geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is er ook ten aanzien van de concentratie fijnstof (PM10) door veehouderijen sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Fijn stof vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Tenslotte ligt het plangebied ver buiten de endotoxine-risicocontouren van veehouderijen en kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen en het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Er zijn geen andere relevante objecten in de directe omgeving van het plangebied gelegen.

Lid b 1.

2.

58

Ten noordoosten van het plangebied is op de Mosselaarweg 10 een voormalige melkveehouderij gesitueerd, waar nu met een tijdelijke vergunning een kleinschalige houtzagerij is gevestigd. Juridisch-planologisch is de vestiging van een agrarische melk-/rundveehouderij nog mogelijk. Voor een melkveehouderij geldt conform de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een richtafstand van 100 meter ten gevolge van het aspect geur. Door de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden naar 50 meter. Op basis van Wet geurhinder en veehouderij geldt eveneens een minimaal te hanteren afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom. De meest dichtbijgelegen woning conform het planvoornemen (bestaande bedrijfswoning Mosselaarweg 5) is op een afstand van circa 66 meter van het agrarisch bouwvlak gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Ten aanzien van de momenteel tijdelijk vergunde houtzagerij kan worden opgemerkt dat op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' een houtzagerij een maximale richtafstand heeft van 100 meter ten gevolge van het aspect geluid. Deze richtafstand heeft betrekking op grootschalige houtzagerijen. De houtzagerij op locatie Mosselaarweg 10 is kleinschaliger van aard en betreft een kleinschalig houtzagerijbedrijf.

Door de ligging in gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden naar 50 meter. De meest dichtbijgelegen woning conform het planvoornemen (bestaande bedrijfswoning Mosselaarweg 5) is op een afstand van circa 66 meter van het bouwvlak van de kleinschalige houtzagerij gelegen. Tevens is de bedrijfswoning binnen het bestemmingsvlak aan de zijde van de bestaande bedrijfswoning van Mosselaarweg 5 gelegen. Hiermee is de werkelijke afstand tot de kleinschalige houtzagerij in werkelijkheid nog groter dan 66 meter. Met het planvoornemen wordt aan de richtafstand voldaan. Ten zuidwesten van het plangebied is op een afstand van circa 150 meter van de meest dichtbij gelegen woning een pluimveehouderij gelegen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een pluimveehouderij een richtafstand van 200 meter ten gevolge van het aspect geur. Ten gevolge van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap verkleind worden tot 100 meter. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan. Tevens wordt in paragraaf 4.3 op basis van de

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

3.

resultaten uit het onderzoek geur en gezondheid (zie ook Bijlage 9) kan worden geconcludeerd dat ondanks de nabij gelegen pluimveehouderij ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woonen leefklimaat en geur geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Fijn stof vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Tenslotte ligt het plangebied ver buiten de endotoxine-risicocontouren van veehouderijen en kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen en het aspect endotoxinen geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en omgekeerd ook niet voor de veehouderijen in de omgeving. Er zijn geen andere relevante objecten in de buurt van het plangebied gelegen.

Gevolg planvoornemen Gelet op bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's ter plaatse van het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico. De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare bestemmingen buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk.

Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. Toetsing Externe veiligheidsrisico's kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. Om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor de toekomstige gebruikers van het plangebied in kaart te brengen is allereerst de kaart 'Veilige omgeving' geraadpleegd, welke ter hoogte van het plangebied hieronder is weergegeven.

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

59

Uitsnede kaart 'Veilige leefomgeving' met ligging plangebied lichtblauw omlijnd Vervolgens is ter nadere inventarisatie van mogelijke externe veiligheidsaspecten een Quickscan externe veiligheid (Kragten, rapportnummer POU037, d.d. 21 december 2022 , Bijlage 10) uitgevoerd. In de quickscan zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. De resultaten hiervan worden hieronder weergegeven. Transport over het water Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormen geen belemmering voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Transport over de weg De rijksweg A58 (wegvak B141) ligt op een afstand van circa 3,2 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (GT4). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch scenario) moeten worden meegenomen. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De afstand van de planlocatie tot Rijksweg A2 bedraagt ca.

1600 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 880 meter. Deze risicobron is derhalve niet relevant.

Transport over het spoor Op circa 300 meter van het plangebied ligt het spoortraject “Boxtel Eindhoven” (route 12). Het plangebied ligt hiermee binnen het invloedsgebied (995 meter) van brandbare gassen (A), toxische vloeistoffen (B2) en toxische gassen (D3). Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen behoeven de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (BLEVE en toxisch scenario) uitsluitend te worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding, waardoor het transport van gevaarlijke stoffen door buisleiding geen belemmering vormt voor de planvorming. Een

60

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is.

Beperkte verantwoording groepsrisico Het groepsrisico neemt nagenoeg niet toe ten gevolge van de wijziging. Gelet op bovenstaande is, conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld, die als Bijlage 11 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is toegevoegd. Hieruit volgen geen belemmeringen voor het planvoornemen. Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a. b.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden voor het standaard advies. Het standaard advies kan daarom worden toegepast.

Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico's van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario's. Ook wordt verwezen naar NL-alert.

De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

61

Het plan zal voor wat betreft de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening aan de Veiligheidsregio worden voorgelegd. Zelfredzaamheid Aangenomen kan worden dat de personen in het plangebied kunnen worden beschouwd als zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Gevolg planvoornemen Gelet op bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 4.7.1 Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb).

Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Tevens geldt onder de Wet Natuurbescherming dat bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden moet worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Met het planvoornemen vindt de sloop van overtollige bebouwing binnen het plangebied plaats, ter plaatse van Mosselaarweg 7. Daarnaast vindt herbouw van een nieuwe bedrijfsloods plaats alsmede een nieuwe

62

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

bedrijfswoning en een nieuwe Ruimte voor ruimte 2-onder-1-kapwoning. Om aan te tonen dat hiermee geen beschermde soorten conform de Wnb mee in het geding komen, dient een ecologische inventarisatie te worden uitgevoerd. Hiertoe is door Aelmans B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd, die als Bijlage 8 aan deze toelichting is toegevoegd. Uit de quickscan blijkt dat de voorgenomen sloop, inclusief herbouw niet leidt tot strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden met betrekking tot het rooien van hagen dienen dan wel buiten het broedseizoen (15 maart 1 augustus) uitgevoerd te worden, indien dit niet mogelijk is dient een broedvogelcheck uitgevoerd te worden. Daarnaast dient men zich aan de zorgplicht te houden, aangezien er op de onderzoekslocatie algemene soorten voor kunnen komen. De dakconstructies van de te behouden woningen (Mosselaarweg 5 en Mosselaarweg 7) zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen en huismussen. Mochten in een later stadium werkzaamheden aan de dakconstructies zijn voorzien dient vooraf een nader soortspecifiek uitgevoerd te worden met betrekking tot vleermuizen en huismussen. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe bebouwing meer natuurwaarde bieden.

Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook door het aanleggen van een groene erfafscheiding bestaande uit inheemse struiken of bomen. Het voornemen heeft tevens tot doel om op het erf en de achterliggende gronden mitigerende maatregelen te treffen ten behoeve van versterking van het leefgebied voor twee steenuilkoppels in de omgeving. Vanwege de nieuwbouwplannen voor de Aarlesesche erven dienen de huidige territoria van deze steenuilkoppels te worden verplaatst. Op basis van een hiertoe opgesteld mitigatieplan wordt de omgeving van het plangebied in samenspraak met het IVN zo aangepast, zodat er meer geschikte ruimte komt voor de prooidieren van de steenuil, wat voornamelijk bestaat uit veldmuizen, kleine vogels, reptielen en amfibieën, nachtvlinder, kevers en regenwormen, zie ook Bijlage 14 van de toelichting. Hiertoe zullen onder meer de achterliggende agrarische gronden natuurlijke worden ingericht en worden nieuwe nestkasten opgehangen in en nabij het plangebied. 4.7.2 Gebiedsbescherming Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN).

Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, zodat er uitsluitend sprake is van externe werking. Gezien de aard van het planvoornemen (mogelijk maken van 2 woningen en verplaatsing van een bestaande aardbeienkwekerij) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (6,1 km tot Kampina & Oisterwijkse Vennen), 8,8 km (Kempenland-West) en 13,4 km (Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux), is geen sprake van verstoring door licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Externe effecten van mogelijke stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand echter niet uit te sluiten. Derhalve is een nadere beoordeling stikstofeffecten uitgevoerd, waarbij zowel naar de realisatie- (en sloop)fase als de toekomstige gebruiksfase is gekeken. Deze notitie is als Bijlage 16 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de notitie blijkt dat er met het voornemen geen stikstofeffect optreedt voor de omliggende Natura 2000 gebieden. Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Er is geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming.

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

63

NNB Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB), zodat er uitsluitend sprake is van een externe werking. Het dichtstbijzijnde NNB is gelegen op een afstand van circa 240 meter ten noorden van de agrarische gronden van het plangebied. Gezien de relatief kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de kernkwaliteiten van het NNB. 4.7.3 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect natuurbescherming geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Water

4.8.1 Inleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde, is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 4.8.2

Waterbeleid

4.8.2.1 Nationaal Waterplan 2022-2027 Het Nationaal Waterplan 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta: Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dat vraagt om maatregelen die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is geen beleidsterrein op zich, het is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Veel beleid en maatregelen in dit NWP dragen bij aan klimaatadaptatie. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.

Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio's en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Dit gebeurt in het Deltaprogramma Zoetwater en met de maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen,

64

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heeft in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. 4.8.2.2 Waterbeheerplan 2022-2027 Waterschap de Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling.

De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in haar hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; wat schoon is moet schoon blijven. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Om dit te bereiken gaat het waterschap: van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

4.8.2.3 Regionaalwater en bodemprogramma Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen.

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

65

Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden.

4.8.2.4 Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015', in 2019 na aanpassing inwerking getreden, bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. Voor een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m2 tot en met 10.000 m2 geldt de minimale compensatie conform de algemene rekenregel: benodigde compensatie (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m).

4.8.2.5 Gemeentelijk Rioleringsplan2019-2023 Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 (GRP) is op 24 maart 2020 in werking getreden. De gemeente beoogt met dit GRP het beleid voor de omgang met afval-, regen- en grondwater bestendig en duurzaam vorm te geven. Het GRP 2019-2023 bouwt voort op de GRP 2015-2018, waar een aantal nieuwe elementen in waren verwerkt. Vooruitstrevend was de omgang met de vervangingsvraag en de implementatie van risico gestuurd rioolbeheer. Hiermee kon het beheer van de riolering voor de burgers betaalbaar blijven terwijl de kwaliteit van het beheer op peil kon worden gehouden of zelfs kon worden verbeterd. Dat beleid wordt doorgezet. De gevolgen van de klimaatverandering en de benodigde vervangingsvraag van bepaalde rioolstelsels blijven van invloed op de watertaken van de gemeente. De urgentie en noodzaak nemen toe om, naast beheer- en onderhoudswerkzaamheden, op korte termijn ook meer maatregelen tot uitvoer te brengen die zich richten op renovatie en vernieuwing in de vorm van integrale (klimaat-) projecten. Dit zal kostenverhogend zijn ten opzicht van het voorgaande GRP en zal meer inspanningen vragen van de gemeentelijke organisatie, onze partners, huishoudens en bedrijven. Het wordt dus meer dan voorheen een opgave die gemeente en burger samen zullen moeten aangaan.

Gemeente Best heeft op het gebied van hemelwater de volgende ambities: Het gemeentelijk rioleringsstelsel dient klimaat en toekomstbestendig te zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de voorkeurstrits hemelwater, wordt voldoende ruimte voor water gereserveerd en worden zo goed als geen uitlogende materialen toegepast. Indien kosteneffectief te realiseren, hemelwater zo veel mogelijk vasthouden in het gebied waar het valt,

66

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

ook in bestaande situaties waar we dit nog niet of niet geheel doen. Het aandeel foutieve aansluitingen van hemelwater op het drukrioleringsstelsel wordt binnen de planperiode van het GRP teruggebracht. De voorkeurstrits hemelwater betreft de volgende voorkeursvolgorde van de afvoer van hemelwater: (Her-)gebruik van hemelwater; het hemelwater wordt opgevangen om binnen de ontwikkeling nuttig in te zetten waardoor het niet tot afvoer komt. Bergen en vertraagd afvoeren; na (hevige) regenval wordt water in het plangebied opgevangen en tijdelijk geborgen om vervolgens vertraagd te worden afgevoerd naar de openbare ruimte. Voorbeelden zijn: bergingsvijvers, wadi’s, groenvoorzieningen, groene daken, infiltratieriolering, etc. Rechtstreeks afvoeren naar oppervlaktewater; indien hemelwater niet kan worden geborgen wordt het afgevoerd naar gebieden met oppervlaktewater zoals vijvers, sloten en kanalen. Afvoeren naar het rioolstelsel; alleen als de eerste drie opties niet mogelijk zijn vindt afvoer plaats via de (vuilwater-)riolering. Voor nieuwbouw (herbouw) op percelen geldt (in lijn met de bouwverordening) dat het afvalwater en hemelwater gescheiden moet worden ingezameld en bij afvoer naar het gemeentelijk rioolstelsel, ter hoogte van de perceelgrens gescheiden moet worden aangeboden.

4.8.3 Huidige situatie plangebied Bodemopbouw en grondwater De gronden binnen het plangebied hebben een Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van grofweg tussen de 70 en 100 cm. De achterliggende agrarische gronden, met name aan de noordelijke en oostelijke plangrenzen hebben echter een GHG van slechts 30 - 40 cm onder maaiveld. De gronden binnen het plangebied hebben een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van grofweg tussen de 120 en 250 cm. Hierbij moet vermeldt worden dat het overgrote deel van de gronden een GLG heeft van 200 en 250 cm. De gemiddelde maaiveldhoogte van het plangebied bedraagt circa 12-14 meter. De gronden aan de noordzijde van de Mosselaarweg hebben gedeeltelijk de geomorfologische aanduiding 'Vlakte (dek)zand' en gedeeltelijk de aanduiding 'Dekzandrug'. De gronden ten zuiden van de Mosselaarweg hebben de geomorfologische aanduiding 'Dekzandrug'. Oppervlaktewater De oostkant van het plangebied grenst op verschillende plekken aan een A-watergang. A-wateren zijn de belangrijkste wateren met een afvoer van minimaal 30 liter per seconde of met een bijzondere functie. Bij de A-watergang is een beschermingszone A-water opgenomen. Dit is een aan het waterstaatswerk grenzende zone waar beperkingen gelden voor activiteiten ter bescherming van het onderhoud.

Voor onderhavige watergang geldt een beschermingszone van 2 meter voor regulier onderhoud, en een beschermingszone van 5 meter voor buitengewoon onderhoud. Met het planvoornemen wordt de beschermingszone in acht genomen. Mogelijk wordt een gedeelte van de westelijke watergangoever afgevlakt. Daarnaast wordt voorzien in de realisering van een brug. Voor beiden ingrepen is een afzonderlijke watervergunning vereist. Verdere afstemming hierover vindt plaats met het waterschap. Met het planvoornemen zijn geen overige ingrepen in een A-watergang voorzien. Tevens zijn er verschillende B-wateren grenzend aan het plangebied gelegen, waarvan één B-watergang daadwerkelijk binnen het plangebied gelegen is. B-wateren zijn de minder belangrijke wateren met een afvoer van tussen de 10 - 30 liter per seconde. Met het planvoornemen zijn vooralsnog geen ingrepen in een B-watergang voorzien.

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

67

Uitsnede Legger Waterschap de Dommel met ligging plangebied rood omlijnd

Hemelwater Op dit moment is het plangebied grotendeels onverhard. De gronden ten noorden van de Mosselaarweg zijn geheel onverhard. De gronden ten zuiden van de Mosselaarweg zijn deels verhard ten gevolge van de reeds aanwezige bebouwing in de vorm van woningen en bedrijfsbebouwing (ca. 2.000 m2 alsmede erfverharding (ca. 2.500 m2 ).

Afvalwater De bestaande bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen zijn aangesloten op het riool, waarmee het vuilwater wordt afgevoerd naar het hoofdgemaal.

Natuurwaarden Het noordwestelijk gedeelte van het plangebied is op basis van de Iov gelegen binnen de attentiezone waterhuishouding alsmede de groenblauwe mantel. Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone

68

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden.

4.8.4 Toekomstige situatie plangebied Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang. Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Voor plannen met een toename van verharding is compenserende waterberging nodig. Op basis van de Keur geldt dat voor een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m2 tot en met 10.000 m2 de minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). De gevoeligheidsfactor van het plangebied is te vinden in de kaart gevoeligheid piekafvoeren Bijlage 1 van de algemene regels van het waterschap. Deze betreft grotendeels 1/2. Voor de gronden direct ten oosten van Mosselaarweg 18 alsmede achterliggende gronden geldt een factor 1. Met het planvoornemen worden de agrarische bedrijven aan de Mosselaarweg 5 en 7 gesaneerd. De huidige bedrijfswoningen worden op beide locaties omgezet naar reguliere burgerwoningen, waar bij de Mosselaarweg 7 ook nog een woningsplitsing plaatsvindt. Tevens wordt op aanliggende percelen met de inzet van een Ruimte-voor-Ruimtetitel een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd.

De agrarische bedrijfsactiviteiten worden verplaatst naar verworven gronden ten noorden van de Mosselaarweg, waar tevens een bedrijfswoning en -gebouw gerealiseerd zal worden. Met het voornemen blijft de verhardingssituatie ter plaatse van Mosselaarweg 5 ongewijzigd. Het hemelwater wordt reeds afgekoppeld Een aanvullende waterbergingsvoorziening is niet noodzakelijk. Ter plaatse van Mosselaarweg 7 wordt in totaal circa 1.550 m2 aan voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt alsmede circa 2.250 m2 erfverharding verwijderd, waarbij één bijgebouw (ca 100 m2 ) toegevoegd zal worden. Hier is sprake van een verhardingsafname. Een aanvullende waterbergingsvoorziening is niet noodzakelijk. Ter plaatse van Mosselaarweg ong. tussen 5 en 7 wordt een RvR woning opgericht alsmede 2 bijgebouwen Dit leidt tot een verhardingstoename van ca 450 m2 . Ter plaatse dient derhalve te worden voorzien in een waterbergingsvoorziening van 450 X 1/2 x 0,06 = 14 m3 . Het perceel biedt voldoende ruimte voor realisering van een waterbergingsvoorziening. Ter plaatse van Mosselaarweg 16 wordt voorzien in realisering van circa 2.100 m2 bedrijfsbebouwing + (bedrijfs)woning + bijgebouw van ca 250 m2 alsmede ca 1.500 m2 nieuwe erfverharding. Ter plaatse dient derhalve te worden voorzien in een waterbergingsvoorziening van 3.850 X 0,06 = 231 m3 .

Ter vervanging van de huidige teeltondersteunende voorzieningen (aardbeienstellingen) ten zuiden van de Mosselaarweg worden op de nieuwe locatie ten noorden van de Mosselaarweg nieuwe voorzieningen opgericht met een totale omvang van ca 3 ha. Met de aardbeienteelt op stellage staan de aardbeienplanten in goten op ruim een meter boven de grond. De planten worden met een druppelsysteem voorzien van water. Gronden onder de stellingen zijn onverhard en worden ingezaaid met gras en een kruidenmengsel. Hier blijft de mogelijkheid voor infiltratie van het hemelwater in de agrarische gronden onveranderd aanwezig. In de regels is hiertoe nader gespecificeerd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – permanente tov' uitsluitend hoge teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter in de vorm van gootstellingen, regenkappen en/of hagelnetten zijn toegestaan en daarmee dus niet lage ondersteunende voorzieningen met een permanent karakter zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van permanent worteldoek

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

69

Elk afzonderlijke bouwlocatie moet hydrologisch neutraal worden ingericht zijn. Het schoon hemelwater in het plangebied zal bij alle woningen worden afgekoppeld van het riool en conform de bestaande situatie gedurende het grootste deel van het jaar vertraagd infiltreren in de bodem van de particuliere tuinen. Ieder afzonderlijk woonperceel biedt hiervoor ruimschoots de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid wordt geschikt genoeg geacht voor de benodigde infiltratie. Niet aannemelijk is dat er, ook in extreme situaties, overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. Bij realisering van de nieuwe RvR woning zal hiertoe worden gezorgd dat het bouwpeil aansluit bij de omgeving om wateroverlast te voorkomen. Ter plaatse van het bedrijfsgebouw aan de Mosselaarweg 16 zijn aanvullende voorzieningen noodzakelijk. Ter bepaling van de doorlatendheid van de bodem boven de grondwaterstand is voor de gronden ten noorden van de Mosselaarweg een infiltratieonderzoek uitgevoerd, die als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de gemiddelde k-waarde 0,87 m/dag bedraagt . Dit is vergelijkbaar met het gemiddelde voor zwak siltig fijn zand.

Al het hemelwater van het verhard oppervlakte ter plaatse van Mosselaarweg 16 zal op het eigen bedrijfsterrein geborgen, geïnfiltreerd en vertraagd afgevoerd worden. Veel van het hemelwater wordt opgevangen in een silo (met een opvangcapaciteit van 3.000 m3 ) op het erf (ten noordoosten van het nieuw op te richten bedrijfsgebouw). Dit betreft een bestaande watersilo, die momenteel op de bedrijfslocatie op Mosselaarweg 7 reeds in gebruik is. Het hierin opgevangen hemelwater zal vervolgens weer hergebruikt worden voor het bewateren van de gewassen. Naast de silo is er een aanvullend infiltratiesysteem noodzakelijk voor het overtollige regenwater. Door middel van een systeem van zaksloten, die met elkaar in verbinding staan (met een gezamenlijke lengte van 1.300 meter) wordt aanvullend aan de opvang van regenwater in de water silo ruimte geboden aan waterinfiltratie van 312 m3 . Hiertoe worden op de nieuwe bedrijfslocatie enkele nieuwe infiltratiegreppels / zaksloten aangelegd ( oa twee ten westen van de nieuw op te richten bedrijfsloods en één direct ten noorden van de nieuwe bedrijfslocatie) alsmede worden enkele bestaande infiltratiegreppels/ zaksloten op achterliggende agrarische gronden geherprofileerd, zodat aangelegd. Dit leidt in totaal in een systeem van zaksloten/infiltratiegreppels met lengte van ca 300 meter.

De zaksloten worden aangelegd boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van ca. 0,5m onder maaiveld in deze zone, waardoor regenwater ter plaatse van de sloten kan infiltreren. Hierdoor wordt nauwelijks tot geen regenwater vanaf Mosselaarweg 16 op het regionaal systeem geloosd. Tussen de watergangen van het waterschap (A- en B-watergangen) en de zaksloten van de initiatiefnemer wordt een overstort gemaakt. Ter borging van de realisering en instandhouding van de noodzakelijke waterbergingsvoorzieningen is in de juridische regeling een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarbij een verwijzing naar de situering en het dwarsprofiel van de zaksloten is toegevoegd. Zie onderstaande figuur, die ook als Bijlage 9 bij de regels is opgenomen, voor een overzicht van de situering van de zaksloten en overstorten alsmede het dwarsprofiel voor de dimensionering van de zaksloten.

70

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

Watersysteem, inclusief principe profiel zaksloot en flauwe natuurvriendelijke oever (Bron: Landschappelijke inpassing Mosselaarweg 16, Van Dooren Landschap)

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

71

Aanvullend wordt op achterliggende agrarische gronden aan de oostzijde, aansluitend aan de bestaande A-watergang, zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan een flauwe, natuurvriendelijke oever aangelegd, waarbij een nat-/draszone gerealiseerd, waarbij de bodem ter hoogte van de GHG komt te liggen (-0,3m beneden maaiveld). Het talud is 1:3. De bomen en het struweel naast de watergang zullen 5m uit de rand van de watergang worden geplaatst, zodat onderhoud met de kraan en kiepkar aan de watergang mogelijk blijft, zie bovenstaande figuur en bijlage van de regels voor het dwarsprofiel. Door/namens initiatiefnemer is tevens onderzoek gedaan naar de haalbaarheid voor aanvullende waterberging zowel op de eigen grond als op de aangrenzende gronden, met name in de noordoosthoek van het plangebied, waar sprake is van lager gelegen percelen en hogere grondwaterstanden. Inmiddels is gebleken dat zowel bij initiatiefnemer als bij de eigenaren van de aangrenzende gronden de intentie bestaat om te komen tot realisering van aanvullende waterberging op deze gronden. In deze fase zijn de plannen onvoldoende uitgewerkt om deze onderdeel te laten zijn van het inrichtingsplan voor het voorliggende bestemmingsplan. Verwachting is dat op korte termijn in afstemming met het waterschap alsnog tot uitvoering hiervan kan worden gekomen in een afzonderlijk traject.

Voor het afvalwater van de nieuwe bedrijfslocatie en woning zal een nieuwe aansluiting op het bestaande riool worden aangelegd. Het noordwestelijk deel van het plangebied is op basis van de Iov gelegen binnen de attentiezone waterhuishouding. Ter plaatse is geen bebouwing en verharding voorzien, uitsluitend voortzetting van het bestaande grondgebonden agrarisch gebruik. Een gedeelte van de gronden zal mogelijk in de toekomst worden benut voor realisering van ca. 2 ha permanente teeltondersteunende stellingen. Hiervoor is een binnenplanse omgevingsvergunning vereist, waarbij onder meer aangetoond dient te worden dat dit niet zal leiden tot negatieve effecten op de waterhuishouding en het nabij gelegen NNB. 4.8.5 Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft. De gemeente heeft vanuit haar archeologiebeleid voorwaarden opgesteld ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Deze zijn in het bestemmingsplan weergegeven als een dubbelbestemming Waarde-Archeologie met daaraan gekoppelde ondergrenzen onderzoeksplicht. In 2011 is de gemeentelijke archeologiekaart met bijbehorend rapport en bijlagen vastgesteld door de gemeenteraad. Deze kaart vormt samen met het archeologisch beleidsplan de grondslag voor het gemeentelijk archeologiebeleid. De archeologiekaart uit 2011 is in 2014 geactualiseerd, waarbij nieuwe archeologische vindplaatsen, uitgevoerde archeologische onderzoeken en bodemverstorende werkzaamheden (nieuwbouw, ontgrondingen e.d.) zijn geraadpleegd, geanalyseerd en verwerkt. Deze geactualiseerde archeologiekaart is vervolgens opgenomen in het paraplubestemmingsplan Parkeernormen en Archeologie, dat op 9 maart 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het hierin opgenomen beleid voor de gebieden met archeologische verwachtingswaarden is overeenkomstig in dit nieuwe plan opgenomen.

Toetsing Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2021' zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 5', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 3' op het plangebied van toepassing.

72

bestemmingsplan Mosselaarweg 5-7-16

Hiermee is het plangebied aangemerkt als een gebied met een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor de gronden van het plangebied geldt conform de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' dat voor ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 én dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld een archeologisch onderzoek vereist is. Hierbij wordt ook de te slopen bebouwing als verstoring gezien. Met het planvoornemen wordt alle overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarnaast worden een bedrijfsgebouw en enkele (bedrijfs)woningen gerealiseerd. Het oppervlak van de bodemingrepen is hiermee ruimschoots groter dan 500 m2 , en zal dieper zijn dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Hierom is voor voorliggend plan een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek (Bureau voor Archeologie, rapportnummer 2022111403, d.d. 20 januari 2023), dat als Bijlage 17 bij de regels van dit bestemmingsplan is gevoegd. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd, dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn uit de prehistorie tot en met de Nieuwe tijd die worden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden. Daarom wordt geadviseerd op locaties waar graafwerkzaamheden plaats zullen vinden een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14203441/2