23065.5 - TOELICHTING ontwerpbestemmingsplan Boslaan-Zuid 13
Tekst van het document
De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Daarmee vormt het aspect lucht geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.4.5 Conclusie Het gemeentelijk beleid staat de uitvoerbaarheid van onderhavig plan niet in de weg.
43/128
44/128
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.2
Vormvrije m.e.r.beoordeling
4.2.1 Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning planmerplichtig, projectmerplichtig of merbeoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: y y y
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.rbeoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.2.2 Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat' (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft het in overeenstemming brengen van de feitelijke en juridischplanologische situatie van een bedrijf. Het maximaal bebouwd oppervlak (gebouwen en overkappingen) zal in de beoogde situatie 7.500 m² bedragen. Ter compensatie wordt een kwaliteitsverbeteringsplan in het bestemmingsplan verankerd en wordt 5.810 m² van de bedrijfsbestemming omgezet naar de bestemming 'Bos'. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarden.
45/128
Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.beoordeling' noodzakelijk is. In een dergelijke beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben waarin dit document in voorziet. Het plangebied is niet gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, dat blijkt ook uit de overige paragrafen in dit hoofdstuk. Het doorlopen van een volledige m.e.r.procedure is dan ook niet noodzakelijk.
4.3
Verkeer en parkeren
De planologische bouwmogelijkheden worden weliswaar verruimd, de bedrijfsbestemming zelf wordt verkleind. Er worden geen andere extra functies toegevoegd waardoor het aantal verkeersbewegingen niet toe of af zal nemen. Het planvoornemen heeft dan ook geen gevolgen voor de verkeersaantrekkende werking. Daarmee heeft de ontwikkeling geen invloed op de verkeersintensiteit of het aantal benodigde parkeerplaatsen. Bovendien biedt het terrein ook richting de toekomst voldoende ruimte om parkeergelegenheid op eigen terrein te faciliteren. De aspecten verkeer en parkeren leveren dan ook geen belemmering op voor deze bestemmingsplanwijziging. Nota Parkeernormen 2022 Het parkeerbeleid in de gemeente Best is vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2022. In de Nota worden op basis van de CROW richtlijnen parkeernormen voor verschillende functies in de gemeente Best gegeven. De normen variëren per functie maar ook per gebied. Er wordt een onderscheid gemaakt in parkeernormen voor Station, Centrum, Schil, Rest bebouwde kom en Buitengebied. Het plangebied is gelegen in het Buitengebied en valt onder functie 'Werken'. Binnen deze functie zijn een aantal categorieën te onderscheiden. Het bedrijf aan BoslaanZuid 13 valt binnen de categorie 'Arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijvigheid', dit betreft bedrijven die zowel relatief weinig werknemers als relatief weinig bezoekers trekken.
Voorbeelden zijn loodsen, opslag en transportbedrijven. De parkeernorm die voor deze categorie in het buitengebied geldt is dat per 100 m² bebouwd vloeroppervlak 0,8 parkeerplaats gerealiseerd moet worden. In de toekomstige situatie wordt 7.500 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan, dat komt neer op een norm van 60 parkeerplaatsen voor het plangebied. Er is binnen het plangebied op eigen terrein voldoende ruimte om op ieder moment in deze parkeerbehoefte te voorzien. Op dit moment zijn binnen het plangebied 45 parkeerplaatsen aanwezig. In de praktijk wordt dit parkeerterrein nooit volledig gebruikt (ook niet op piekmomenten). Daaruit blijkt dat de normatieve parkeerbehoefte te hoog is. Mocht in de toekomst blijken dat er meer parkeerplaatsen noodzakelijk zijn, kunnen op eigen terrein 15 parkeerplaatsen worden toegevoegd. Dit zal actief gemonitord worden. Het is in het belang van het bedrijf om te voorzien in voldoende maar niet teveel parkeerplaatsen. Het aanleggen van parkeerplaatsen waar geen behoefte aan is, is overigens ook in strijd met klimaatadaptatie aangezien het verhard oppervlak dan onnodig wordt uitgebreid. In dit bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe burgerwoning mogelijk ter plaatse van het bestaande parkeerterrein.
Ook is vastgelegd dat, zodra de nieuwbouw is gerealiseerd, de bebouwing ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning en het bestaande kantoorgebouw met winkel binnen een jaar gesloopt moet zijn. Daar waar de bebouwing gesloopt wordt, zullen parkeerplaatsen gerealiseerd worden om wederom op eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen te kunnen voorzien. Zie ook paragraaf 2.2.2. van deze toelichting.
46/128
4.3.1 Toetsing en conclusie Deze bestemmingsplanwijziging voorziet in het (grotendeels) in overeenstemming brengen van de juridischplanologische situatie met de feitelijke situatie en heeft daarmee geen extra verkeersgeneratie of parkeerbehoefte tot gevolg. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: y ter plaatse van de woningen een goed woon en leefmilieu kan worden gegarandeerd; y rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorieindeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.4.2 Toetsing en conclusie Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst of sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering gehinderd zullen worden. De richtlijnen hiervoor zijn opgenomen in de VNGbrochure Bedrijven en milieuzonering.
Het bedrijf Van der Vleuten kan worden vergeleken met een 3.1 bedrijf zoals een "Groothandel in hout en bouwmaterialen" óf, worstcase, als een 3.2 bouwbedrijf groter dan 2.000 m². De richtafstand tussen een dergelijk bedrijf en milieugevoelige bestemmingen zoals woningen, bedraagt 100 meter. De afstand tussen het bedrijfsperceel en de dichtstbijzijnde woning bedraagt ruim 200 meter. Er wordt dus voldaan aan de aan te houden afstanden. Verder zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen gevoelige functies aanwezig. De nieuw te realiseren bedrijfswoning wordt mogelijk beïnvloed door eventuele bedrijvigheid van andere bedrijven in de directe omgeving. Worstcase wordt in deze paragraaf uitgegaan van de ligging in een rustig woongebied. Op een afstand van minimaal 90 meter ten noordwesten van de beoogde bedrijfswoning is de scouting gelegen. Voor een scouting geldt een minimale richtafstand in een rustige woongebied van 30 meter. Aan deze aan te houden afstand wordt dus ruimschoots voldaan. Aanvullend onderzoek is niet aan de orde. Ook worden geen overschrijdingen verwacht van de richtwaarde van 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de grenswaarde van 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau op grond van het akoestisch onderzoek behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied 2021 Best voor de naastgelegen woning Boslaan Zuid 11a.
47/128
In dit onderzoek zijn ook geluidniveaus berekend ter plaatse van de huidige bedrijfswoning BoslaanZuid 13. In de maximale situatie is een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau berekend van ca. 35 dB(A) en een maximaal geluidniveau van 58 dB()A in de dag en avondperiode. De afstand van de grens van het scoutingterrrein tot de bestaande bedrijfswoning BoslaanZuid bedraagt ca. 130 meter en dit wordt 90 meter. Op basis van de kleinere afstand zal het geluid vanwege het scoutingterrein met ca. 3 dB toenemen (verandering in geoemetrische afstandsreductie). Op grond van de eerder berekende geluidniveaus zal het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet meer bedragen dan ca. 38 dB(A) en het maximale geluidniveau niet meer dan 61 dB()A in de dag en avondperiode. Hiermee wordt aan de geldend grenswaarden voldaan. Op een afstand van ruim 180 meter ten noordwesten van de beoogde bedrijfswoning is een bedrijf aanwezig. Dit bedrijf kent de bestemming 'Bedrijf 1' en de nadere aanduiding 'atelier'. Op basis van het geldende bestemmingsplan is hier dus uitsluitend een atelier toegestaan. Een atelier kent, op basis van de VNGpublicatie, een aan te houden richtafstand van 10 meter. Daar wordt ook (ruimschoot) aan voldaan. Op een afstand van minimaal 220 meter ten zuidoosten van de beoogde bedrijfswoning is een hondenoefenterrein aanwezig.
Volgens de VNGpublicatie geldt voor "Hondendressuuurterreinen" en aan te houden afstand van 50 meter. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan. Gezien het feit dat ruimschoots voldaan wordt aan de aan te houden richtafstanden conform de VNGbrochure wordt deze bestemmingsplanwijziging niet belemmerd door eventueel aanwezige gevoelige functies. Andere functies in de nabijheid worden ook niet in hun functioneren belemmerd aangezien aan de afstanden wordt voldaan. Tevens voldoet het huidige bedrijf aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Er is sprake van een Melding Activiteitenbesluit voor de huidige activiteiten, dit zal in de toekomstige situatie onveranderd zijn. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1 Archeologie Normstelling en beleid Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het nietzichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente Best heeft archeologisch beleid opgesteld. Bij dit archeologische beleid behoort onder andere een archeologische beleidskaart en een archeologische verwachtingen en waardenkaart, deze is integraal overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Best 2021'. Ter plaatse van het plangebied geldt voor een deel van het plangebied een middelhoge verwachting, navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Best met daarop aangegeven het plangebied.
48/128
Figuur 4.1 Archeologische beleidskaart gemeente Best (Bron: gemeente Best) In het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied Best' is dit vertaald als dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 5', deze dubbelbestemming is toegekend aan een gedeelte van het bedrijfsperceel. Dit betekent dat ter plaatse van de dubbelbestemming enkel bouwwerken mogen worden opgericht ten behoeve van de ter plaatse geldende bestemming en het een bouwplan betreft: y met een oppervlakte van maximaal 2.500 m², of; y met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,3 m ten opzichte van het maaiveld, of; y met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en een verstoringsdiepte van minder dan 0,5 m ten opzichte van het maaiveld, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'overige zone esdekken agrarisch', of; y dat betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, dan wel niet meer dan 2,5 m uit de bestaande fundering wordt gebouwd. Ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn bodemingrepen met een oppervlakte van 2.500 m² en dieper dan 30 centimeter onderzoeksplichtig. Het planvoornemen voorziet niet in dergelijke bodemingrepen. Er vindt geen bodemverstoring plaats aangezien er geen bouwwerkzaamheden zijn voorzien. Het planvoornemen voorziet
49/128
uitsluitend in het planologisch mogelijk maken van de bestaande situatie met bestaande bebouwing. De dubbelbestemming wordt in het op te stellen bestemmingsplan overgenomen om eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.5.2 Cultuurhistorie Normstelling en beleid Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Na raadpleging van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie NoordBrabant blijkt het plangebied niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele lijnen van redelijk hoge waarde, zoals de BoslaanZuid. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze lijnen, met onderhavig plan zal dan ook geen aanpassing danwel aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6
Geur
4.6.1 Normstelling en beleid De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: y Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? y Is ter plaatse van het plangebied een goed woon en leefklimaat gegarandeerd?
50/128
4.6.2 Toetsing Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Het bedrijf aan BoslaanZuid 13 kan worden gezien als geurgevoelige object. Voor dit geurgevoelige object dient te worden uitgegaan van een goed woon en leefklimaat. De beoogde bedrijfswoning betreft wel een geurgevoelig object. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Binnen een straal van 350 meter zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf betreft Sonseweg 16, gelegen op een afstand van circa 450 meter tot het plangebied. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de vaste afstand vanuit de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens zijn er in de omgeving van de veehouderij op kortere afstand al woningen gelegen en zijn bedrijfswoningen ook geurgevoelige objecten waarmee rekening gehouden moet worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de genoemde veehouderijen niet verder zullen worden beperkt door de beoogde ontwikkeling. Vanwege de grote afstand tot omliggende veehouderijbedrijven en de lage uitstoot ter plaatse kan geconcludeerd worden dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid (algemeen) De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Geluidshinder Normstelling en beleid De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L dayeveningnight). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor. Het huidige bedrijf voldoet aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Er is sprake van een Melding Activiteitenbesluit voor de huidige activiteiten, dit zal in de toekomstige situatie onveranderd zijn.
51/128
Toetsing Binnen dit bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om de bedrijfswoning, met de kantoren en winkel, te verplaatsen binnen de bestemming 'Bedrijf 1'. De locatie van de nieuwe bedrijfswoning, een geluidsgevoelig object, is op de verbeelding vastgelegd. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling het realiseren van een geluidsgevoelige functie en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30 km/hgebieden). Door middel van dit bestemmingsplan wordt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Dit betreft een geluidsgevoelog object op grond vand e Wet geluidhinder. De locatie van de nieuwe woning is vastgelegd op de verbeelding door middel van de aandudiing 'bedrijfswoning'. De betreffende locatie is gelegen binnen de geluidzone van de A2 en de Boslaan Zuid. In dat kader is akoestisch onderzoek uitgevoerd. In dat onderzoek is ook het luchtverkeerslawaai van vliegveld Eindhoven betroken. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting.
Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat: y ten gevolge van de A2 de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB wordt overschreden én ook de maximale ontheffingswaarde van Lden = 53 dB wordt op twee gevels overschreden; y maatregelen om de geluidbelasting te reduceren ten gevolge van de A2 niet mogelijk worden geacht om verkeerskundige, vervoerskundige en financiële redenen; y een hogere waarde van Lden = 53 dB dient te worden aangevraagd en dat ook dove gevels noodzakelijk zijn omdat maatregelen om de geluidbelasting te reduceren niet mogelijk of ongewenst zijn; y er voldaan kan worden aan het geluidbeleid en dat definitieve toetsing aan dit beleid bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het Bouwen dient plaats te vinden. Dit dient te worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan; y de uitvoering als dove gevel in het bestemmingsplan dient te worden geborgd met een voorwaardelijke verplichting; y de nieuwe woning ligt buiten de Kegeluidzone van het luchtvaartverkeer en daarmee gelden er geen aanvullende eisen voor de gevelgeluidwering; y er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woning worden bereikt.
Op basis van de resultaten van het akoestisch onderzoek is in artikel 3.4.3 een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het plan voorziet verder niet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Ook wordt niet voorzien in de uitbreiding van de bedrijfsbestemming. Het is dan ook niet noodzakelijk om voor andere onderdelen van dit bestemmingsplan een akoestisch onderzoek (spoor)wegverkeerslawaai of inrichtingslawaai uit te laten voeren. 4.7.3 Conclusie Het aspect geluid staat, rekeninghoudende met de voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van de nieuwe bedrijfswoning, de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
52/128
4.8
Externe veiligheid
4.8.1 Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: y Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; y Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 106 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 105 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 106 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 106 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 106 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het
53/128
groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
54/128
4.8.2
Toetsing
Figuur 4.2 Uitsnede professionele risicokaart met het plangebied paars gemarkeerd Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.2). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Op een afstand van circa 1,3 kilometer bevindt zich de spoorlijn Boxtel – Eindhoven welke deel uitmaakt van het Basisnet Spoor. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie B2 en bedraagt 995 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft niet berekend of verantwoord te worden voor het spoortraject Boxtel – Eindhoven. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 807 meter bevindt zich een DPOleiding. Uit het externe veiligheidsrapport van de omgevingsdienst ZuidoostBrabant 'Beoordeling risicobronnen ten behoeve van bestemmingsplan Buitengebied Best' blijkt dat door de buisleiding slechts K2vloeistoffen worden getransporteerd. Doordat er geen andere vloeistoffen worden vervoerd door de buisleiding, is het plaatsgebonden risicocontour op de leiding gelegen. Een belemmeringenstrook van 5 meter is daarmee voldoende om rekening mee te houden.
Het plangebied bevindt zich op voldoende afstand van de buisleiding.
55/128
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Over de A2 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het dichtstbijzijnde deel van het plangebied bevindt zich op circa 160 meter van de A2. De beoogde ontwikkeling bevindt zich daarmee in het invloedsgebied. Omdat de afstand tot de A2 kleiner is dan 200 meter, moet het groepsrisico berekend worden. Het gaat echter slechts om een gedeelte van het plangebied dat binnen de 200 ligt van de A2 en grotendeels uit overkappingen bestaat. Daarnaast wordt met het bestemmingsplan de feitelijke en juridischplanologische situatie in overeenstemming gebracht. Feitelijk vinden er geen nieuwe ontwikkelingen plaats. De omgevingsdienst ZuidoostBrabant heeft in 2018 het externe veiligheidsrapport 'Beoordeling risicobronnen ten behoeve van bestemmingsplan Buitengebied Best' opgesteld waarin ook de A2 is onderzocht en beoordeeld. Dit onderzoek biedt tevens een doorkijk naar 2040. Hieruit blijkt dat de weg geen plasbrandaandachtsgebied heeft en dat het plaatsgebonden risico 0 meter is. Het plasbrandaandachtsgebied en de PRcontour vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 x oriëntatiewaarde.
Omdat er daarnaast feitelijk geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt worden, kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Boslaan Zuid. Deze weg sluit aan op het overige wegennetwerk van Best. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid Het bestemmingsplan heeft als doel om de huidige situatie van het bedrijf vast te leggen. De aanwezigen zijn allen zelfredzaam. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het landelijke waarschuwings en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NLAlert en het gebruik van sociale media.
56/128
4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A2 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied bevindt zich echter slechts gedeeltelijk binnen de 200 meter van de A2 en dit gedeelte bestaat voornamelijk uit overkappingen. Daarnaast legt het bestemmingsplan de feitelijke situatie vast, er vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. Hierdoor zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Toets Veiligheidsregio De Veiligheidsregio BrabantZuidoost heeft het planvoornemen in het kader de Externe Veiligheid beoordeeld. Het volledige advies is opgenomen als Bijlage 4. Het plan voldoet aan de randvoorwaarden voor een standaardadvies. Initiatiefnemer zal uitvoering geven aan dit advies, het aspect externe veiligheid levert daarmee geen belemmeringen op voor het planvoornemen.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Normstelling en beleid Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2jaargemiddelde) en fijn stof (PM10jaaren daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: y een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. y een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)
57/128
4.9.2 Toetsing Op basis van de NSL Monitoringstool geldt ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 24,5 ug/m3 voor stikstofdioxide (NO2) en 19,50 ug/m3 voor fijn stof (PM10). De normen voor stikstofdioxide en fijn stof liggen op 200 respectievelijk 40 ug/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goede woon en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit. In de huidige situatie is op basis van het vigerende bestemmingsplan ter plaatse 1.750 m² aan bedrijfsbebouwing toegestaan, in de toekomstige situatie zal dit worden uitgebreid naar 7.500 m². Dat is een planologische toename van 5.750 m². Op basis van de CROW richtlijnen kan de verkeersgeneratie voor deze toename berekend worden. Voor arbeidsextensieve en bezoekersextensieve bedrijven zoals een loods, opslag of transportbedrijf geldt per 100 m² bebouwd vloeroppervlak een verkeersgeneratie tussen de 3,9 en 5,7. Dit komt neer op een totale verkeersgeneratie voor de toe te voegen oppervlakte bedrijfsbebouwing van 224 tot 328. Op basis van deze verkeersgeneratie kan gesteld worden dat niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit, de bijbehorende berekening is navolgend weergegeven.
Figuur 4.3: NIBMtool met situatie NIBM (NIBMtool 6 april 2021) Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De ontwikkeling betreft het in overeenstemming brengen van de juridischplanologische met de feitelijke situatie en heeft slechts een zeer beperkte uitbreiding van planologische bouwmogelijkheden tot gevolg (circa 350 m² ten opzichte van de huidige situatie). Een dergelijke ontwikkeling zal in geen geval 3% of meer van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide en fijnstof tot gevolg hebben. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. 4.9.3 Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
58/128
4.10 Kabels en leidingen 4.10.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.10.2 Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.11 Bodem 4.11.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.11.2 Toetsing en conclusie Het toetsen van de kwaliteit van de bodem is vanuit planologisch oogpunt niet noodzakelijk. Het plangebied kent in het geldende bestemmingsplan reeds de bestemming 'Bedrijf', dit zal met onderhavige bestemmingsplan niet wijzigen. Ook is binnen die bestemming reeds een bedrijfswonig toegestaan, conform de geldende regeling ongeacht waar binnen de bedrijfsbestemming. Om die reden is in het kader van de ruimtelijke procedure een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Bovendien is de nieuwe bedrijfswoning voorzien op de 1e verdieping van de nieuwbouw. Contact met de bodem wordt bij die nieuwe woonfunctie derhalve uitgesloten.
In dat kader is het ook niet noodzakelijk om door middel van een bodemonderzoek aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de woonfunctie. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal het wel noodzakelijk zijn om een bodemonderzoek uit te voeren. Gedeeltelijk wordt de bestemming 'Bedrijf' binnen het plangebied omgezet in de bestemming 'Bos'. Binnen die nieuwe bestemming zal de natuur de kans krijgen zich verder te ontwikkelen. De aanwezigheid van (kwetsbare) personen wordt hier niet voorzien. Mensen worden hier dan ook niet blootgesteld aan eventuele verontreinigingen. Op basis van kaartmateriaal (bron: topotijdreis) kan worden geconcludeerd dat de gronden ter plaatse altijd in gebruik zijn geweest als bos, er hebben hier geen bedrijfswerkzaamheden plaatsgevonden.
59/128
Figuur 4.4: topografische kaart plangebied 1950 (bron: Topotijdreis.nl)
60/128
Figuur 4.5:
topografische kaart plangebied 1985 (bron: Topotijdreis.nl)
Figuur 4.6:
topografische kaart plangebied 2021 (bron: Topotijdreis.nl)
61/128
Op basis van figuren 4.4 t/m 4.6 kan dus worden geconcludeerd dat de betreffende gronden altijd in gebruik zijn geweest als bos. Dit bestemmingsplan voorziet hier uitsluitend in een passende bestemming bij dit gebruik. Het is niet aannemelijk dat er sprake is van verontreinigingen ter plaatse waardoor de natuur zich hier niet goed zou kunnen ontwikkelen. Op basis van de beschikbare bodeminformatie van de gemeente Best en het gebruik van de gronden als bos, kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Er hoeft dan ook geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. De gronden die worden afgegraven ten behoeve van de wadi zullen ter plaatse worden verwerkt in de nieuwe taluds. Er is dus sprake van een gesloten grondbalans. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.12 Water 4.12.1 Beleid en normstelling Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen met een werkwijze volgens de Handreiking Watertoets. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing.
De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. Het gebied rondom het plangebied is wel aangewezen als beschermd gebied. In en om het plangebied zijn verder geen A of B watergangen aanwezig. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk gemaakt.
62/128
Figuur 4.7: Uitsnede kaart Keur waterschap de Dommel 2015 (bron: Waterschap de Dommel) Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik 2.
vasthouden / infiltreren 3. bergen en afvoeren
63/128
4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. afvoeren naar de riolering De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatieopgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m². Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatieopgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is.
Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken. Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m³/hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m³). Waterbeheerprogramma 20222027 waterschap de Dommel Vanaf 1 januari 2022 geldt het Waterbeheerprogramma 20222027 (WBP5). Hiermee wil waterschap De Dommel de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem. Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit.
In de komende planperiode, die loopt van 2022 tot en met 2027, starten we met de watertransitie. We zien de wateropgaven niet als een optimalisatieprobleem, maar gaan fundamenteel anders te werk. We ontwikkelen vanuit de huidige situatie (A) naar de gewenste situatie in 2050 (B) via de werkwijze die de gewenste situatie in 2050 (B) vraagt. Dat vraagt om een omslag in denken en handelen van zowel het waterschap, onze gebiedspartners als alle watergebruikers. Daarbij zullen drie principes inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie. De drie richtinggevende principes zijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt 2. Functies passen zich aan het bodem en watersysteem aan 3. Wat schoon is moet schoon blijven
64/128
Water en rioleringsplan 2016 2020 gemeente Best In het 'Water en rioleringsplan 20162020' wordt ingegaan op de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Zo zijn voor deze aspecten, alsmede voor het aspect oppervlakte, een aantal opgaven en speerpunten geformuleerd: Stedelijk afvalwater: y Inzameling van stedelijk afvalwater; y Transport van het stedelijk afvalwater; y Continueren huidige rioleringszorg. Hemelwater: y Inzameling van hemelwater; y Verwerken van ingezameld hemelwater y Inspelen op klimaatverandering. Grondwater: y Voorkomen van grondwateroverlast. Oppervlaktewater: y Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur; y Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Ten aanzien van de inzameling van stedelijk afvalwater is aangegeven dat alle percelen waar afvalwater vrij komt, aangesloten worden op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. Bij kleinschalige in/uitbreidingen kan daarbij aansluiting op het bestaande (gemengde) systeem acceptabel zijn. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. Voor wat betreft het hemelwater wordt ingezet op de trits ‘schoonhouden (voorkomen) – scheiden – zuiveren’.
Vertrekpunt daarbij is het principe dat stedelijk afval en hemelwater gescheiden worden ingezameld. Bij de zorgplicht voor grondwater is het met name van belang dat er geen wateroverlast zal optreden als gevolg van planologische wijzigingen. Vandaar dat onderhavige watertoets bij ruimtelijke procedures verplicht is gesteld. Hiermee worden de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en effecten van nieuwe ontwikkelingen vastgesteld en beoordeeld. Zodoende wordt onder andere voorkomen dat ‘natte’ gebieden bebouwd worden en/of dat onvoldoende ontwateringsmaatregelen worden getroffen. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. De ecologische ambities worden vooral op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
65/128
Waterwet In december 2009 is de nieuwe Waterwet van kracht geworden. Hierin zijn de watertaken van de gemeente opgenomen. Een gemeente is verplicht zorg te dragen voor de kwaliteit van het grondwater en afstromende hemelwater. In december 2009 is tevens het Nationaal Waterplan (NWP) door het kabinet vastgesteld. Het NWP beschrijft de maatregelen dien in de periode 20092015 genomen moeten worden om Nederland ook voor de toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden. Verder is hierin opgenomen hoe ook de kansen die water biedt te benutten. Nationaal Waterplan 2016 2021 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op 10 december 2015 het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan 20162021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 20092015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelf bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kader stellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met de vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 20092015 en opgenomen in dit nieuwe Nationaal Waterplan voor de periode 2016–2021; De afgelopen jaren zijn over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energie akkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (onder meer Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in dit Nationaal Waterplan.
De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van dit NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Provinciaal Milieu en Waterplan 20162021 Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu en Waterplan 2016 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het PMWP staat niet op zichzelf. Er is een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan waar er grote raakvlakken zijn
66/128
met het milieu en waterbeleid. Bijvoorbeeld met de Programmatische Aanpak Stikstof. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving. Beleid waterschap Het beleid van het waterschap is neergelegd in het Waterbeheerplan 20162021 van waterschap De Dommel. De bouw of uitbreiding van woningen en bedrijven resulteert vaak in een toename aan dak en erfverharding. Hemelwater dat op deze daken valt wordt meestal óf via het rioolstelsel óf via watergangen afgevoerd. Bij hevige regenval kan op verschillende plaatsen wateroverlast ontstaan doordat in korte tijd veel hemelwater tot afstroming komt. Bovendien zorgt de versnelde afvoer op de hoge zandgronden in Brabant ook nog eens voor verdrogingsproblemen, aangezien het water niet de tijd krijgt om het grondwater aan te vullen. Daarom vraagt het waterschap om voor het hemelwater onderstaande waterkwantiteitstrits toe te passen voor schoon hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak: 1. 2. 3. 4. 5.
Hergebruik; Vasthouden/infiltreren; Bergen; Afvoeren naar oppervlaktewater; Afvoeren naar een rioolstelsel.
In het bebouwd gebied streeft het waterschap naar een klimaatbestendige en waterrobuuste omgeving. Door klimaat en wateropgaven op te pakken, kan de stedelijke kwaliteit worden verbeterd en kunnen toekomstige maatschappelijke kosten worden vermeden. Bij nieuwe ontwikkelingen is het uitvoeren van een watertoets verplicht. Het Waterschap heeft de Handreiking Watertoets 2015 opgesteld, waarin is aangegeven welke onderdelen deel kunnen uitmaken van de waterparagraaf. Voor de verwerking van hemelwater hanteert het waterschap een voorkeursvolgorde: hergebruik – vasthouden/infiltreren bergen en afvoeren afvoeren naar oppervlaktewater afvoeren naar de riolering. De regels voor de waterhuishuishouding zijn opgenomen in de Keur 2015. De algemene regels en de hydrologische uitgangspunten zijn aangepast in de vierde partiële herziening (1 april 2021). Samen met de legger vormt de Keur het juridisch instrumentarium van het Waterschap. In de Keur zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot compensatiemaatregelen in het geval van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zijn in de Keur gebods en verbodsregelingen opgenomen die betrekking hebben op handelingen in en rond watergangen en waterkeringen die zijn opgenomen in de legger. Ook op grond van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant zijn een aantal waterhuishoudkundige waarden geborgd.
De doelstelling van het gebied is primair het waterbergend vermogen te behouden. Op grond van de Verordening ruimte gelden in het belang hiervan een aantal randvoorwaarden voor de inrichting en het gebruik van het gebied. Het waterschap vormt de toetsingsinstantie voor ontwikkelingen en werkzaamheden binnen dit gebied. Regels voor toename van verhard oppervlak In het geval van een toename van het verhard oppervlak moet worden voldaan aan de regels die het waterschap hieraan stelt. Op grond van artikel 3.6 van de Keur van het waterschap is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppeling van bestaand verhard oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
67/128
In de ‘Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015, partiële herziening 1 april 2021' is in artikel 15 een vrijstelling van dit verbod opgenomen: er is geen vergunning nodig als de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt, als minder dan 10.000 m2 bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld of als de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 en 10.000 m2 bedraagt en compenserende maatregelen zijn getroffen in de vorm van een bergings/infiltratievoorziening. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een vergunning benodigd en geldt de ‘Beleidsregel afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak’ (artikel 13 van de ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater Keur waterschap De Dommel 2015’). Omdat in de Keur en de daarbij behorende beleidsregels is voorzien in een uitputtende regeling, is een aanvullende regeling in de regels van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. 4.12.2 Toetsing Bij de geplande ontwikkeling binnen het plangebied wordt de waterhuishouding niet negatief beïnvloed. Dit bestemmingsplan voorziet in het overeenkomen van de juridischplanologische situatie met de feitelijke situatie en de vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning met kantoren en winkel op een locatie elders binnen de bedrijfsbestemming.
De oppervlakte van de bestaande bebouwing wordt middels dit bestemmingsplan slechts in kleine mate verruimd (circa 350 m²). Daar tegenover staat dat de overkappingen zijn meegenomen als bedrijfsbebouwing. In de bestaande situatie is sprake van een gemengd rioolstelsel waar afvalwater en hemelwater gezamenlijk worden afgevoerd. Een gedeelte van het hemelwater wordt in de bestaande situatie echter afgekoppeld in de bestaande sloten op het terrein. In de nieuwe situatie zal een wadi worden aangelegd in het gedeelte dat wordt bestemd als 'Bos'. De bestaande sloot aan de noordoostzijde zal ook worden uitgebreid met een wadi. Deze wadi's hebben een positief effect op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse aangezien de waterbuffercapaciteit aanzienlijk wordt vergroot. Dit is ook van toegevoegde waarde voor de klimaatadaptie binnen het perceel. Daarnaast wordt onderzocht of het realiseren van groene daken op de daarvoor (constructief) geschikte daken mogelijk is. Daarmee wordt water langer in het plangebied vastgehouden en ontstaat de mogelijkheid dat hemelwater geleidelijk in de bodem kan infiltreren in plaats van te worden afgevoerd door middel van het hemelwaterriool. Bij vervanging van daken worden deze voorzien van een groen dak.
In de toekomstige situatie wordt al het hemelwater afgekoppeld en afgevoerd via de reeds aanwezige en aan te leggen oppervlaktewaterlichamen zoals infiltratiesloten en wadi's. De capaciteit van deze waterlichamen is voldoende voor de opvang van extreme langdurige regenval. Het plangebied is conform de Keur gelegen binnen beschermde gebieden hetgeen betekent dat het belangrijk is om de grondwaterstand aan te vullen. De infiltratiesloten en de beoogde wadi's dragen daar nadrukkelijk aan bij. Via de waterlichamen kan het regenwater in de bodem infiltreren. De watercompensatie maakt onderdeel uit van het kwaliteitsverbeteringsplan die als bijlage 2 is opgenomen bij dit bestemmingsplan. Navolgend is uiteengezet hoe wordt omgegaan met de watercompensatie.