CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23063.5 - TOELICHTING Oirschotseweg 102 en 100a Best

Raadsvergadering 30 oktober 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23063 - Vaststelling bestemmingsplan Oirschotseweg 102 en 100a Best21.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.3 Landschapsinvesteringsregeling 2019 In artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen ten aanzien van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit wil de provincie Noord-Brabant ontwikkelingsruimte bieden in het buitengebied mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Dit houdt in dat wanneer uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten koste van het buitengebied onontkoombaar is, die uitbreiding gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied. In de Verordening ruimte is deze roodmet-groen-koppeling vertaald in het principe van ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’. In 2013 zijn eerder afspraken tussen de provincie en de gemeente Best vastgelegd in de ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Best’ (hierna de LIR genoemd). In die regeling is aansluiting gezocht op de regeling zoals die voor de Kempengemeenten is opgesteld. De afgelopen jaren is praktijkervaring opgedaan met de regeling, waarbij naar voren is gekomen dat het beleid niet altijd eenduidig en makkelijk toepasbaar is. In de actualisatie van 2019 is dit hersteld.

Deze LIR is van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die op basis van het geldende bestemmingsplan niet rechtstreeks zijn toegestaan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking kan worden verleend.

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Met de omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere woning is sprake van een categorie 1 ontwikkeling volgens de LIR. Dit komt omdat de ontwikkeling een dusdanig geringe ruimtelijke invloed heeft, dat een substantiële extra kwaliteitsverbetering disproportioneel zou zijn. Voorwaarde is dat er sprake is van een afname van de bebouwing of verkleining van het bouwvlak. Het bouwvlak wordt met onderhavige bestemmingsplan verkleind en een deel van het bijgebouw wordt gesaneerd. Door de geringe invloed is geen extra kwaliteitsverbetering nodig. De ontwikkeling van de twee Ruimte voor Ruimte woningen zijn ontwikkelingen waarvoor artikel 3.9 niet van toepassing is. De aanleg van landschapselementen bestaat uit de aanplant van knip- en scheerhagen, struweelhagen, landschapsbomen, hoogstamfruitbomen in een boomweide en de aanleg van een weidepoel. De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied wordt daarmee versterkt. In paragraaf 3.2 is een inrichtingsschets opgenomen met daarop de landschappelijke inpassing indicatief uitgewerkt.

4.3.4 Woonvisie Op 6 maart 2017 is de ‘Woonvisie gemeente Best 2017’ vastgesteld. De visie is een doorkijk naar het wonen in Best over een jaar of vijf of zes jaar. Deze visie is tegelijk een belangrijke bouwsteen voor de omgevingsvisie. De ontwikkelingen in de woningmarkt zijn echter zo onvoorspelbaar gebleken dat dit om beleid vraagt dat meegroeit, zonder direct een koerswijziging van 180 graden te maken. De woonvisie is daarom richtinggevend en kan aangescherpt worden op het moment dat dit nodig is, bijvoorbeeld als de herijking van de regionale woningbouwprogrammering is vastgesteld en wordt uitgevoerd. De belangrijkste onderwerpen uit de visie zijn: -

Toename kwetsbare groepen;

-

Demografische ontwikkelingen;

-

Statushouders;

-

Woningen boven de liberaliseringsgrens;

-

Inbreiding en herstructurering;

-

Extramuralisering van de zorg;

-

Ligging in de Brainportregio;

-

Trots;

-

CO2 reductie;

-

Klimaatverandering;

-

Financiële consequenties.

Op basis van de belangrijkste onderwerpen wordt tweejaarlijks een uitvoeringsprogramma door de gemeente opgesteld waarin de activiteiten/projecten, prioriteiten, verantwoordelijke partijen en budgetten worden benoemd. Voor Ruimte voor Ruimtewoningen is een specifiek kopje opgenomen waarin staat: Sinds 2000 is de subsidieregeling Ruimte voor Ruimte van de provincie Noord-Brabant van kracht. Deze regeling heeft als doel om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. De woningen die worden gerealiseerd

in

kader

van

de

Ruimte-voor-Ruimteregeling

vallen

buiten

de

regionale

woningbouwafspraken.

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

De voorgestane realisatie van twee grondgebonden Ruimte voor Ruimte woningen past binnen de plancapaciteit van de gemeente Best. Er is geen sprake van strijdigheid met het woonbeleid. De voormalige bedrijfswoning wordt omgezet in een reguliere woning.

4.3.5 Beleid vrijkomende agrarische bebouwing In de Structuurvisie Buitengebied is de nieuwe koers voor ons buitengebied verwoord. In deze beleidsnotitie is een verdiepingsslag gemaakt voor het thema ‘vrijkomende agrarische bebouwing’. Het ontwikkelingsperspectief uit de Structuurvisie Buitengebied is hierbij nader uitgewerkt en concreet gemaakt. Dit beleid is geldend sinds 21 maart 2020. De beleidsnotitie is opgedeeld in vier deeldocumenten, welke afzonderlijk van elkaar te lezen en te gebruiken zijn. Deel A bevat achtergrondinformatie over vrijkomende agrarische bebouwing. Om beleid te kunnen formuleren is het goed eerst stil te staan bij de omvang van de hoeveelheid bebouwing die vrijkomt, om wat voor bebouwing het gaat en welke belemmeringen ervaren worden bij het herbestemmen van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. In deel B is onze nieuwe koers uiteengezet. Het bevat een beschrijving op hoofdlijnen hoe we invulling geven aan het faciliteren van hergebruik en het stimuleren van sloop. Deel C bevat een afwegingskader dat enerzijds voldoende flexibel is om mee te bewegen met de dynamiek in het buitengebied maar anderzijds voldoende houvast biedt aan het beoordelen van verzoeken. Tot slot is in deel D aandacht besteed aan de verankering van het nieuwe beleid in het bestemmingsplanen op wijze waarop invulling gegeven wordt aan handhaving en het behouden van regie.

De gemeente wil hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing faciliteren met aangepast ruimtelijk beleid en het stimuleren van sloop met beleidsmatige instrumenten. Met onderhavig initiatief wordt een deel van het voormalige bedrijfsgebouw gesloopt. Ter plaatse is sprake van weinig agrarische bebouwing. Er is sprake van een agrarisch bedrijf in de vorm van kleinschalige akkerbouw. De overtollige bebouwing wordt gesloopt. De voormalige bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning en de mantelzorgwoning wordt omgezet naar een woning aan de hand van de Ruimte voor Ruimteregeling. Daarnaast wordt een Ruimte voor Ruimte woning toegevoegd en wordt een forse verbetering van het landschap geborgd. Hiermee is sprake van een ontwikkeling op een vrijkomende agrarische locatie waar toegevoegde waarde wordt gecreëerd door verbetering van het woon- of leefklimaat, een bijdrage aan klimaatadaptatie door het toevoegen van watervoorzieningen en beplanting.

4.3.6 Bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ Ter plaatse van het plangebied is tevens het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ van toepassing. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 6 februari 2017. Middels dit bestemmingsplan is aan de gemeentelijke ‘Nota Parkeernomen’ een juridisch-planologische status gegeven. In paragraaf 3.4 is de parkeerbehoefte uitgewerkt. Tevens is in dit bestemmingsplan de geactualiseerde gemeentelijke archeologiekaart vertaald. In het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ opgenomen. In paragraaf 6.1 wordt ingegaan op het thema archeologie. In het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ kent de locatie geen aanvullende bestemmingen.

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

4.3.7 Duurzaamheid De gemeente Best heeft de ambitie om energieneutraal en afvalloos te worden. De eerdere doelstelling om dit in 2030 te bereiken is losgelaten. Er wordt nu aangesloten bij het regionale tempo. De regio (MRE) heeft uitgesproken als eerste van Nederland de status energieneutraal te willen bereiken. De gemeente zet hierbij stevig in op energietransitie met als doel een energie neutrale samenleving, onafhankelijk van fossiele brandstoffen. Dit is in lijn met nationale ontwikkelingen; eind 2016 presenteerde het ministerie van Economische Zaken de Energieagenda, waarin is opgenomen dat Nederland in 2050 een volledige duurzame energievoorziening heeft. Dat betekent (onder andere) aardgasloos wonen. Waar mogelijk spreekt de gemeente met initiatiefnemers energiebesparende maatregelen voor nieuwbouw af die verder gaan dan het huidige wettelijk vereiste minimum niveau. Afspraken daarover worden vastgelegd in verkoopovereenkomsten of anterieure overeenkomsten. Initiatiefnemers worden voorgelicht over de genoemde ontwikkelingen zodat zij daarin goede keuzes kunnen maken. Daar waar mogelijk wordt zongericht verkaveld of gebouwd. Dit betekent dat een woongebied zodanig wordt ingericht dat zoveel mogelijk passieve en actieve zonne-energie wordt benut. Dit kan passief bijvoorbeeld door opwarming door de zon van het gebouw of actief.

Voorbeelden van het actief benutten van zonne-energie zijn zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking en zonneboilers voor warmwater. Ook compact bouwen wordt nagestreefd. Hierbij wordt gekozen voor een bouwvorm, waarbij de verhouding tussen het gebruiksoppervlak (vloeroppervlak) en het verliesoppervlak (gevels en daken) zo gunstig mogelijk is en de transmissieverliezen klein zijn. De uiteindelijke keuzen voor energieneutraal bouwen en energiebesparende maatregelen zullen verder worden uitgewerkt in de bouwaanvraag.

4.3.7.1

Luchtkwaliteit

Uit de regionale rapportage luchtkwaliteit 2009 blijkt dat de luchtkwaliteit in Best langs de gemeentelijke wegen en de provinciale wegen binnen de luchtkwaliteitsnormen blijft. Wel is de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide op delen direct langs de rijkswegen hoger dan de plandrempel. Echter, het toetspunt van de luchtkwaliteitsnormen ligt op 10 meter van de rand van de weg. Zo dicht bij de Rijksweg komen geen mensen die langdurig aan deze concentraties worden blootgesteld. Met de beoogde herontwikkeling van het plangebied worden twee woningen toegevoegd. Dit zal geen negatief effecten hebben op de luchtkwaliteit binnen de gemeente Best en vormt derhalve geen bezwaar. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen eveneens te voldoen aan het in juli 2009 vastgestelde ‘Luchtkwaliteitsplan’ van de gemeente Best. In het Luchtkwaliteitsplan is aangegeven dat bij de toetsing van bouwaanvragen voor woningen gecontroleerd wordt of de ventilatievoorzieningen voldoen aan de daaraan gestelde normen. De gemeente Best houdt toezicht op de uitvoering, zodat deze overeenkomstig de bouwvergunning is. Bij de eindcontrole wordt extra aandacht besteed aan de ventilatievoorzieningen. De beoogde herontwikkeling voorziet in de één van vier woning, en de bestemmingswijziging van de voormalige bedrijfswoning en het bestemmen van een voormalige

Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

mantelzorgwoning als een reguliere woning. Deze bepaling zal van toepassing zijn in de fase van vergunningverlening. In aanvulling op het ‘Luchtkwaliteitsplan’ heeft de gemeente Best de ‘Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant’ opgesteld. Dit is een aanvulling op het ‘Besluit gevoelig bestemmingen’ en geeft invulling aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ voor het aspect luchtkwaliteit. Bepaald is dat per project aangegeven moet worden of het een al dan niet ‘in betekende mate’ project betreft. Op grond van de Wet milieubeheer en bijbehorende regelgeving is onderzoek naar luchtkwaliteit voor woningbouwlocaties niet noodzakelijk, wanneer er minder dan 1.500 woningen (bij ontsluiting over één weg) danwel 3.000 woningen (bij gelijkmatige ontsluiting over twee of meer wegen) gerealiseerd worden. Een initiatief voor minder dan 1.500 respectievelijk 3.000 woningen kan op grond van de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) zonder meer doorgang vinden. Ter plaatse van het plangebied worden wordt de bouw van een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.3.7.2

Geur

De gemeente Best streeft naar een redelijk goed tot goed leefklimaat voor de inwoners van Best met betrekking tot het aspect geur, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de veehouderijen. Op 16 juni 2008 heeft de gemeente Best een gemeentelijke geurverordening vastgesteld. Alle ruimtelijke plannen en aanvragen om omgevingsvergunningen (milieu) dienen te worden getoetst aan de geurverordening. In paragraaf 5.1 wordt het aspect geur nader toegelicht. 4.3.7.3

Externe veiligheid

Veilig wonen en het vestigen van risicovolle bedrijven of het vervoer van gevaarlijke stoffen gaan niet zomaar samen. Daarom is het ruimtelijk scheiden van dergelijke activiteiten noodzakelijk en wettelijk verplicht. De huidige beleidsvisie ‘Externe Veiligheid’ is op 2 november 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en is integraal met de relevante afdelingen samengesteld. Alle ruimtelijke plannen en aanvragen om omgevingsvergunningen (milieu) toetsen aan de beleidsvisie externe veiligheid. Het plangebied is volgens de beleidsvisie gelegen binnen het gemengde gebied. In dit gebied wordt de aanwezigheid van bepaalde risicobronnen als vanzelfsprekend gezien. Door historische ontwikkelingen heeft er een menging van verschillende activiteiten plaatsgevonden. Bestaande risicovolle activiteiten die hiermee samenhangen zijn toegestaan. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn alleen toegestaan voor zover expliciet aangegeven. Ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle infrastructuur zijn eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de normen en de verantwoordingsplicht. Het groepsrisico mag in het gemengde gebied niet toenemen. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich geen risicovolle infrastructuur of risicovolle objecten. Met de beoogde herontwikkeling neemt het groepsrisico ook niet toe.

Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde herontwikkeling geen bezwaar vormt in het kader van externe veiligheid. In paragraaf 5.8 wordt verder ingegaan op het aspect externe veiligheid. 4.3.7.4

Geluid

Per 1 januari 2007 is de ontheffingsprocedure gedecentraliseerd van de provincie naar de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best is bevoegd gezag en mag in de meeste gevallen zelf hogere waarde besluiten nemen. In het ontheffingenbeleid hogere waardenprocedure van de gemeente Best wordt stil gestaan bij de voorkeursgrenswaarden, maximale ontheffingswaarden en binnen niveau per bouwsoort. Het hogere waarde beleid gaat om de afweging waar meer geluid op een woning wordt toegestaan en de geluidbelasting op een gevel niet hoog mag

Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

zijn. Door ontheffingscriteria vast te stellen kan waar gewenst en waar nodig worden afgeweken van de voorkeursgrenswaarden tot de maximale ontheffingswaarde, zonder dat bij elke ontheffing een zeer uitgebreide motivering moet worden toegevoegd. Het aspect wegverkeerslawaai wordt in paragraaf 5.3 nader toegelicht. 4.3.7.5

Water

Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 – 2020’ opgesteld. In het ‘Water- en rioleringsplan 2016-2020’ is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -

Stedelijk afvalwater:

-

Hemelwater:

-

Grondwater:

-

Oppervlaktewater:

-

Organisatie en financiën:

In paragraaf 5.5 wordt het aspect hydrologisch neutraal ontwikkelen nader toegelicht, waarbij wordt ingegaan op de beoogde herontwikkeling binnen het plangebied. 4.3.7.6

Duurzaamheid

De gemeente Best heeft de ambitie om energieneutraal en afvalloos te worden. De eerdere doelstelling om dit in 2030 te bereiken is losgelaten. Er wordt nu aangesloten bij het regionale tempo. De regio (MRE) heeft uitgesproken als eerste van Nederland de status energieneutraal te willen bereiken. De gemeente zet hierbij stevig in op energietransitie met als doel een energie neutrale samenleving, onafhankelijk van fossiele brandstoffen. Dit is in lijn met nationale ontwikkelingen; eind 2016 presenteerde het ministerie van Economische Zaken de Energieagenda, waarin is opgenomen dat Nederland in 2050 een volledige duurzame energievoorziening heeft. Dat betekent (onder andere) aardgasloos wonen. De wettelijke verplichting om nieuwbouwwoningen aan te laten sluiten op het gasnet is per 1 juli 2018 vervallen. Waar mogelijk spreekt de gemeente met initiatiefnemers energiebesparende maatregelen voor nieuwbouw af die verder gaan dan het huidige wettelijk vereiste minimum niveau. Afspraken daarover worden vastgelegd in verkoopovereenkomsten of anterieure overeenkomsten. Initiatiefnemers worden voorgelicht over de genoemde ontwikkelingen zodat zij daarin goede keuzes kunnen maken. Daar waar mogelijk wordt zongericht verkaveld of gebouwd. Dit betekent dat een woongebied zodanig wordt ingericht dat zoveel mogelijk passieve en actieve zonne-energie wordt benut.

Dit kan passief bijvoorbeeld door opwarming door de zon van het gebouw of actief. Voorbeelden van het actief benutten van zonne-energie zijn zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking en zonneboilers voor warmwater. Ook compact bouwen wordt nagestreefd. Hierbij wordt gekozen voor een bouwvorm, waarbij de verhouding tussen het gebruiksoppervlak (vloeroppervlak) en het verliesoppervlak (gevels en daken) zo gunstig mogelijk is en de transmissieverliezen klein zijn.

Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

De beoogde ontwikkeling ziet toe op nieuwbouw van een woning, die aan de meest actuele duurzaamheidseisen gaat voldoen. De voormalige bedrijfs- en mantelzorgwoning worden omgezet in twee separate woonbestemmingen.

4.3.8 Archeologie Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Bij dit beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart, op deze kaart is het plangebied aangewezen als gelegen in een gebied met ‘Hoge verwachting’. De voor dit beleidsplan opgestelde archeologische beleidskaart vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’. Ten tijde van het verrichten van graafwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het feit dat de locatie is aangewezen als risicogebied voor explosieven. Het aspect archeologie wordt in paragraaf 6.1 nader toegelicht.

Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5. RELEVANTE MILIEUASPECTEN 5.1 Agrarische bedrijven 5.1.1 Inleiding De veehouderijen in de omgeving van het plangebied mogen geen belemmerende werking hebben op de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Tevens moet ter plaatse van geurgevoelige objecten een aanvaardbaar leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. De herontwikkeling mag ook geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wgv wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de Wgv consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. Een geurnorm beoogt namelijk mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder, bijvoorbeeld door zich in de directe nabijheid van een veehouderij te vestigen.

Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe (burger)woningen dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

In de omgeving van het plangebied zijn drie veehouderijbedrijven gelegen, te weten aan Sint Franciscusweg 11, Aarleseweg 4C en Aarleseweg 8. Hierna worden de vergunningen van de veehouderijbedrijven getoond. Navolgende figuren geven de actueel vergunde situatie weer. De veehouderij aan de Aarlesweg 4C is een paarden –en schapenhouderij. De paarden- en schapenhouderij is op een afstand van circa 230 meter gelegen tot het plangebied.

Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Diercategorie omschrijving

Aantal dieren

RAVRAV- Omschrijvin RAVRAVNH3 Fijnstof Geur code code g RAV versie versie emissie emissie emissie vergund actueel vergund actueel (kg/j) (g/j) (ouE/s)

schapen ouder 60 dan 1 jaar, inclusief lammeren tot 45 kg

B1

B1.100

andere 1996-2 huisvesting ssystemen

2021-2

42

0

468

volwassen paarden (3 jaar en ouder)

10

K1.2

K1.100

volwassen 1996-2 paarden (> 3 jr) in zomer niet op stal

2021-2

50

0

0

Vervallen

45

A5.2

A6.100

vleesst. en 1996-2 overig vleesvee van 6 tot 24 maanden

2021-2

238,5

7.650

1.602

Figuur 18: Actueel vergunde situatie Aarleseweg 4C (Bron: KRD-Igoview)

De veehouderij aan de Sint-Franciscusweg 11 is beschikt over paarden en koeien. De veehouderij is op een afstand van circa 440 meter gelegen tot het plangebied. Diercategorie Aantal omschrijving dieren

RAVRAV- Omschr RAVRAVBWL BWL NH3 Fijnstof Geur code code ijving versie versie addition addition emissie emissie emissie vergund actueel RAV vergund actueel ele code ele code (kg/j) (g/j) (ouE/s) 1 2

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A1.6

A1.100

andere 1999-1 huisvest ingssyst emen

2021-2

208

2.368

0

volwassen 18 paarden (3 jaar en ouder)

K1

K1.100

andere 1999-1 huisvest ingssyst emen

2021-2

90

0

0

vrouwelijk 21 jongvee tot 2 jaar

A3

A3.100

andere 1999-1 huisvest ingssyst emen

2021-2

92,4

798

0

16

Figuur 19: Actueel vergunde situatie Sint-Franciscusweg 11 (Bron: KRD-Igoview)

De veehouderij aan de Aarleseweg 8 is een bedrijf met paarden vleesvee en melkvee. Voor melkvee (koeien) en paarden geldt een vaste afstand van 50 meter. Voor het vleesvee (varkens) zijn geuremissies vastgesteld. De veehouderij is gelegen op een afstand van circa 480 meter.

Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Diercategorie omschrijving

Aantal dieren

RAVRAVcode code vergund actueel

16

A1.6

A1.100

andere 1999-1 huisvestingssystemen

2021-2

208

2.368

0

volwassen paarden (3 18 jaar en ouder)

K1

K1.100

andere 1999-1 huisvestingssystemen

2021-2

90

0

0

vrouwelijk jongvee tot 21 2 jaar

A3

A3.100

andere 1999-1 huisvestingssystemen

2021-2

92,4

798

0

vrouwelijk jongvee tot 24 2 jaar

A3

A3.100

2021-2

105,6

912

0

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

A1.5

A1.100

2021-2

208

2.368

0

dekberen, 7 maanden 3 en ouder

D2

D2.100

vrouw. jongvee tot 2 1996-2 jaar; andere huisvestingssystemen melk- en kalfk.> 1996-2 2jr.overige bedrijven; andere huisvestingssystem andere 1996-2 huisvestingssystemen

2021-2

16,5

540

56,1

vleesvarkens, 50 opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking

D3.2.1

D3.2.1/B gedeeltelijk WL roostervloer zonder 2001.23 stankafsluiters

1996-2

2021-2

225

7.650

1.150

kraamzeugen (incl. biggen tot spenen)

25

D1.2.9

2021-2

207,5

4.000

697,5

guste en dragende zeugen

75

D1.3.5

2021-2

315

13.125

1.402,5

biggenopfok (gespeende biggen)

250

D1.1.8

D1.2.100 overige bedrijven; 1996-2 andere huisvestingssystemen D1.3.101 overige bedrijven; 1996-2 andere huisvestingssystemen D1.1.100 overige bedrijven; 1996-2 andere huisvestingssystemen

2021-2

172,5

18.500

1.950

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

16

Omschrijving RAV

RAVRAVNH3 Fijnstof Geur versie versie emissie emissie emissie vergund actueel (kg/j) (g/j) (ouE/s)

Figuur 20: Actueel vergunde situatie Aarleseweg 8 (Bron: KRD-Igoview)

Op navolgende afbeelding wordt de omgeving van het plangebied afgebeeld op een kaart waarop de veehouderijen staan aangeven. Het plangebied is hierop aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Sint-Franciscusweg 11

Aarleseweg 8

Aarleseweg 4C

Plangebied

Figuur 21: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied (Bron: Odzob)

Voor melkveehouderijen zijn op grond van de Wet geurhinder en veehouderijen geen geuremissies vastgesteld. De afstand tussen een geurgevoelig object en een dergelijke veehouderij dient, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom gelegen is, minimaal 100 meter te bedragen en 50 meter wanneer de woning buiten de bebouwde kom is gelegen. De nieuwe woning wordt opgericht op een afstand van meer dan 100 meter tot het veehouderijbedrijf. Aan de vaste afstand wordt derhalve ruimschoots voldaan.

5.1.2 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt het woon- en leefklimaat op een locatie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de geurkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant (maart 2022), waarop de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt is. Het plangebied is hierop aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Figuur 22: Achtergrondbelasting en leefklimaat ter plaatse van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 0-3 ouE/m³. Sprake is daarmee van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. De beoogde herontwikkeling is derhalve in het kader van de achtergrondbelasting geen bezwaar.

5.1.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De herontwikkeling van het plangebied naar een woonbestemming mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. De omliggende veehouderijen worden echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van burgerwoningen die gelegen zijn tussen het plangebied en de betreffende veehouderijen. Herontwikkeling van het plangebied naar een woonbestemming belemmert de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven dan ook niet meer dan thans het geval is.

5.2 Gezondheid 5.2.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. In de nabijheid zijn geen intensieve veehouderijen gelegen en derhalve geen endotoxinecontouren. De meest dichtbij gelegen veehouderij heeft een uitstoot van ten hoogste 47 kg/j pm10 per jaar. Met een dermate lage uitstoot aan fijnstof wordt de minimale afstand op basis van de endotoxine op 0 meter berekend. De veehouderij ligt op een afstand van circa 480 meter, hierdoor is geen sprake van belemmering voor het milieuaspect endotoxine.

5.2.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer is er sprake van een vergroot risico. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

5.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen

via

drift.

Met

de

term

drift

wordt

de

hoeveelheid

gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In de nabijheid van het plangebied is agrarische grond gelegen waar bestrijdingsmiddelen mogen worden gebruikt tot normaal verbruik. Echter dient ter plaatse reeds rekening te worden gehouden met de aanliggende woningen. Het plangebied is aangrenzend aan twee woonbestemmingen, deze zijn ook beschermd voor het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen. In artikel 3.4.1 onder c is vastgelegd dat gewasbeschermingsmiddelen niet mogen worden gebruikt op 50 meter van gevoelige functies. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat ontstaan door gewasbeschermingsmiddelen. Het aspect ‘gezondheid’ is in het kader van de beoogde herontwikkeling dan ook geen bezwaar.

Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties:

-

via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek wordt is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Navolgend wordt de conclusie weergegeven: Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de toekomstige situatie aan de Oirschotseweg 102 en 100a te Best. Op deze locatie wenst opdrachtgever een woning te bestemmen in een bestaand bijgebouw en een nieuwe woning op te richten ten westen van de bedrijfswoning. Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Figuur 23: Conclusies Wet geluidhinder

Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval is dit niet aan de orde aangezien enkel de Oirschotseweg de voorkeursgrenswaarde overschrijdt.

Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Oirschotseweg, bedraagt 62 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘tamelijk slecht’ en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Tevens beschikt het bouwplan over een geluidluwe gevel/buitenruimte. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 24: Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel

Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Als bijlage van het bestemmingsplan is een formulier voor de ontheffingsaanvraag hogere waarde toegevoegd. Gemeentelijk geluidbeleid Voor onderhavige locatie dient tevens getoetst te worden aan “Ontheffingenbeleid hogere waarde procedure” van de gemeente Best. Conform dit beleid kan enkel een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofcriteria uit de Wgh en aan tenminste één van de subcriteria uit het gemeentelijk beleid, deze zijn navolgend weergegeven. Subcriteria voor weg- en railverkeerslawaai: Indien er sprake van nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom, die: - in een dorps- of stadsvernieuwingsplan worden opgenomen; - door situering of bouwvorm een doelmatige akoestische afschermende functie gaan vervullen voor andere woningen; - nodig zijn vanwege grond- of bedrijfsgebondenheid; - een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvullen; - bestaande bebouwing vervangen.

Als aanvullende eis wordt gesteld dat bij alle lawaaisoorten de woningen zullen beschikken over tenminste een geluidluwe gevel en dat bijvoorbeeld bij de indeling rekening wordt gehouden met de geluidbelaste zijde, zodat voldoende verzekerd is dat de verblijfsruimten en de tot de woning behorende buitenruimte niet worden gesitueerd aan de gevel waar de hoogste geluidbelasting optreedt (Bron: Aelmans ecologie geluid)

Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5.4 Bodem 5.4.1 Inleiding Als gevolg van de beoogde herontwikkeling, de bouw van één nieuwe woning, zal de bodem geroerd worden. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. De onderzoekslocatie betreft momenteel een agrarische locatie waar de bedrijfsactiviteiten reeds enkele jaren zijn gestaakt en onderhavige locatie planologisch als zijnde een woonlocatie dient te worden bestempeld. Hiertoe is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd, conform de Nederlandse Normen NEN-5725, NEN-5740 en NEN-5707. De doelstelling van dit verkennend bodem- en asbestonderzoek is om na te gaan of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie al dan niet verontreinigd is en vanuit milieukundig oogpunt geschikt is voor de geplande bestemmingsplanwijziging en aanvraag van een omgevingsvergunning. In het kader van dit onderzoek wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en/of grondwater) onderzocht.

5.4.2 Toets Door Aelmans Eco is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op 22 december 2022. Het onderzoek is hieronder geciteerd. Het volledige onderzoeksrapport is terug te vinden in de bijlage. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn een 17-tal boringen in combinatie met inspectiegaten systematisch over het te onderzoeken perceel verdeeld. Daarnaast zijn een 5-tal aanvullende boringen verricht nabij de voormalige opslag van olie in bovengrondse tanks c.q. smeermiddelen. Grond Uit de analyseresultaten van de grondmengmonsters 1 t/m 5 blijkt, dat zowel in de boven- als ondergrond geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Uit de resultaten van het aanvullend onderzoek op OCB (grondmengmonsters 1 en 3) blijkt, dat voornoemde stoffen c.q. parameters niet worden aangetroffen. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de boven- en ondergrond van het volledige perceel als klasse AW2000 grond worden bestempeld. Uit de resultaten van de bovengrond ter plaatse van de voormalige tanks en smeermiddelen, blijkt, dat in beide grondmengmonsters (6 en 7) geen verhoogde concentraties met minerale olie worden aangetroffen. Vorenstaande impliceert dat de alhier gebezigde opslag geen invloed heeft op de bodemkwaliteit alhier.

Grondwater Uit de resultaten van het grondwater zijn slechts marginale overschrijdingen met xylenen danwel naftaleen aangetroffen. Voornoemde marginale overschrijdingen zijn van dien aard dat dit niet te wijten zijn aan de alhier gebezigde opslag. Voornoemde stoffen worden veelvuldig in het ondiepe grondwater aangetroffen en vormen geen directe belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging. Asbest

Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond, hetgeen analytisch is bevestigd.

5.5 Waterhuishouding 5.5.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.

5.5.2 Relevant waterschapsbeleid 5.5.2.1

Keur 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Navolgend is een uitsnede van de Keurkaart 2015 weergegeven.

Figuur 25: Uitsnede Keurkaart 2015, met aanduiding plangebied (rode contour)

Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. 5.5.2.2

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: 

van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;

van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt over meerdere opgaven in een gebied;

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

5.5.2.3

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Met de beoogde herontwikkeling wordt naar verwachting 400 m² extra verhard oppervlak voorzien. Bij een toename vanaf 500 m² verhard oppervlak zijn de Algemene regels Waterschap De Dommel van toepassing en geldt een regenwaterbergingsplicht. De plannen onder 500 m² zijn vrijgesteld van compensatie.

5.5.3 Gemeentelijk beleid 5.5.3.1

Waterplan Best

In oktober 2005 heeft de gemeente Best samen met Waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en Brabant Water het ‘Waterplan Best, Op naar een veerkrachtig watersysteem’ opgesteld. Het waterplan omvat een visie voor Best tot 2020. Het Waterplan Best dient als input en toetsingskader voor de diverse lopende projecten en processen binnen het gemeentelijk grondgebied. De visie is onderverdeeld naar vier thema’s aan de hand waarvan de waterproblematiek beschreven en aangepakt kan worden. Deze waterthema’s zijn waterkwaliteit, verdrogingsbestrijding, wateroverlast en

Crijns Rentmeesters bv

50

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

waterbeleving. Met het thema wateroverlast wordt bedoeld dat er in 2020 een natuurlijk evenwicht bestaat tussen water en de gebruiksfunctie bebouwing. Door de grote oppervlakten verharding in de bebouwde omgeving, kan het regenwater niet meer op natuurlijke wijze in de grond infiltreren en/of afstromen naar beken. Piekafvoeren in inundaties buiten het stedelijk gebied zijn het gevolg. Binnen een veerkrachtig systeem dient water de ruimte te krijgen. Derhalve hanteert de gemeente Best het principe ‘Infiltreren - vasthouden – afvoeren’. 5.5.3.2

Water- en rioleringsplan 2016 - 2020

Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 – 2020’ opgesteld. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het verbreed gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft de reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. In het Water- en rioleringsplan is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -

-

Stedelijk afvalwater: o

Inzameling van stedelijk afvalwater;

o

Transport van het stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt;

o

Continueren huidige rioleringszorg.

Hemelwater: o

Inzameling van hemelwater;

o

Verwerken van ingezameld hemelwater;

o

Inspelen op klimaatverandering.

-

Grondwater:

-

Oppervlaktewater:

o

-

Voorkomen van grondwateroverlast.

o

Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur;

o

Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Organisatie en financiën: o

Doelmatige invulling watertaken;

o

Kostendekkende rioolheffing;

o

Toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken;

o

Samenwerken in de afvalwaterketen;

o

Communicatie naar inwoners en perceelseigenaren intensiveren.

Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op drukriolering. De lozing van hemelwater hierop is niet toegestaan. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden wordt ingezameld. Om de samenwerking met het waterschap verder te versterken gaat de gemeente Best de komende periode kijken in hoeverre de gemeente eigen hemelwaterbeleid kan koppelen aan de keur van het waterschap. Vooralsnog heeft de gemeente Best daartoe nog geen eigen beleid.

5.5.4 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied ligt tussen de 14 en 18 meter boven NAP. De bodem binnen het plangebied betreft een laarpodzolgrond (laarpodzolgronden, lemig fijn zand). Binnen het

Crijns Rentmeesters bv

51

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 20-80 cm-mv. Op navolgende figuur is dit inzichtelijk.

Figuur 26: GHG ter plaatse van het plangebied

5.5.5 Hemelwaterafvoer na ontwikkeling Voor de waterparagraaf dient rekening gehouden te worden met een berging voor een bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt + 10% (T=10+10%). Binnen het plangebied wordt rekening gehouden met een toename in verhard oppervlak van circa 400 m². Volgens de kaarten van AHN ligt het plangebied op een hoogte van circa 16 m boven NAP. De benodigde compensatie bedraagt dan derhalve totaal 24 m³ (400 m² * 0.06 mm). In de regels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor voldoende hemelwaterberging op eigen terrein. In veel gevallen wordt bij de bouw van woningen op grote kavels gekozen voor een infiltratietransportriool en een wadi. In de plaats daarvan of daarnaast kan gebruik worden gemaakt van andere maatregelen. Een mogelijkheid voor infiltreren van hemelwater is het opvangen in infiltratiekratten of grindkoffers. Daartoe zal alvorens wel het perceel opgehoogd te worden om te voorkomen dat de grondwaterspiegel te hoog staat. Nadere uitwerking dient te geschieden in het kader van een concrete aanvraag. Manieren van infiltreren zijn weergeven in navolgende figuur.

Crijns Rentmeesters bv

52

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Figuur 27: Voorbeelden van infiltratiemogelijkheden

Rondom het plangebied is sprake van meerdere zaksloten. Daarnaast wordt een poel gerealiseerd ten behoeve het opvangen van hemelwater. In de bestaande situatie is sprake van een bijgebouw van 180 m² en een van 77 m². Het bijgebouw van 180 m² wordt teruggesloopt naar 100 m². De hoofgebouwen zijn 101 m² en 144 m² groot in de huidige situatie. Daarnaast is er erfverharding aanwezig in de huidige situatie. De afwatering vindt plaats op de eigen gronden. Het hemelwaterafvoer van de huidige bebouwing zou in de toekomst ook kunnen worden afgewaterd op de aan te leggen poel. In het kader van meerwaardecreatie wordt onderhavige ontwikkeling zoals behorend gecombineerd met het aanleggen van infiltratievoorzieningen.

5.5.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Inleiding De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Belangrijk aspect in de Wet luchtkwaliteit is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag (in principe) niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van de projecten die wél ‘In Betekenende Mate’ (IBM) bijdragen. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ wordt aangegeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De bijlage geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen.

Crijns Rentmeesters bv

53

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Aangezien het plan slechts één nieuwe woonbestemming mogelijk maakt, (een voormalige mantelzorgwoning, een voormalige bedrijfswoning en één nieuwe woning) valt dit plan onder het begrip NIBM en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Daarnaast zijn de woningen niet aangemerkt als luchtgevoelige bestemming zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige Bestemmingen' en de 'Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen NoordBrabant'. Een

woning

toevoegen

zorgt

voor

een

verkeersaantrekkende

werking

van

circa

acht

vervoersbewegingen per dag in het buitengebied. De mantelzorgwoning en de bedrijfswoning zijn al in gebruik als woning. Het voornaamste doel van dit verkeer is woon- en werkverkeer. De NIBM-tool is gebruikt om een verkenning te maken. Uit deze gegevens blijkt dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2023

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

8

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,00

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 28: NIBM-rekentool voor de beoogde situatie uitgevoerd.

5.6.2 Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen in Best In juli 2014 is de ‘Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen in Best’ als beleidsregel ingevoerd. De handreiking is een aanvulling op het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Ook geeft hij invulling aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ uit de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij speelt zowel de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. De handreiking heeft als doel een betere leefomgeving te realiseren voor kwetsbare groepen. Daarom beperkt de handreiking nieuwvestiging van ‘lucht’-gevoelige objecten binnen 300 meter van een Rijksweg en binnen 50 meter van drukke provinciale en gemeentelijke wegen. Gevoelige objecten zijn scholen, kinderdagverblijven, verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen.

5.6.3 Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM 10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Crijns Rentmeesters bv

54

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10, NO2 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.

Figuur 29: Fijnstof PM10 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Figuur 30: Fijnstof PM2,5 (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Crijns Rentmeesters bv

55

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Figuur 31: Stikstofoxide (NO2) (bron: Atlas leefomgeving) ter plaatse van de omgeving van het plangebied

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM 10 van 16-18 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. De jaargemiddelde concentratie NO2 bedraagt 14-16 µg/m³.

5.6.4 Conclusie 5.6.4.1

Blootstelling

Het plangebied is gelegen aan de Oirschotseweg in Best. Deze straat kan worden bestempeld als een ‘drukke’ gemeenteweg. Aan deze straat zijn reeds gevoelige objecten gelegen. Op de luchtkaarten van Atlas Leefomgeving is af te lezen dat het plangebied onder de grenswaarde ligt. De locatie voldoet aan de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 5.6.4.2

Plan als bron

Het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie bedraagt circa 16 vervoersbewegingen per dag voor wonen en werken. Daarbij zijn de vervoersbeweging voor het akkerbouwbedrijf niet meegenomen. Na uitvoering van het plan wordt het aantal verkeersbewegingen maximaal 25 vervoersbewegingen per dag voor wonen en werken. Het akkerbouwbedrijf wordt opgeheven. Hierbij is uitgegaan van de kencijfers van CROW voor het aantal vervoersbewegingen zoals weergegeven in de publicatie 381. Dit betekent dat het aantal vervoersbewegingen toeneemt. Uit de NIBM-rekentool blijkt dat het plan minder dan 3% bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee heeft het plan geen relevante invloed op de luchtkwaliteit.

Crijns Rentmeesters bv

56

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5.7 Bedrijven en milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. De VNG-brochure geeft navolgende omschrijving voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Gezien de ligging van het plangebied aan een doorgaande weg in een bebouwingsconcentratie, ten noordwesten van de kern Best, kan de locatie getypeerd worden als gelegen binnen een gemengd gebied. Binnen een straal van 200 meter vanaf het plangebied is één bedrijf gelegen. Het betreft het horecabedrijf aan Oirschotseweg 108 op circa 22 meter vanaf het plangebied.

Het horecabedrijf betreft een bedrijf in milieucategorie 1. Het plangebied bevindt zich in een gemengd gebied, waar de afstandsnorm met één stap verlaagd mag worden. Voor het horecabedrijf geldt derhalve een afstand van 0 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.

Crijns Rentmeesters bv

57

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5.8 Externe veiligheid 5.8.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor, hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is in onderhavige situatie niet aan de orde, daar enkel wordt voorzien in het oprichten van enkele burgerwoningen. Er is enkel sprake van bewoning door huishoudens.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13314368/1