CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23063.5 - TOELICHTING Oirschotseweg 102 en 100a Best

Raadsvergadering 30 oktober 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23063 - Vaststelling bestemmingsplan Oirschotseweg 102 en 100a Best21.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.8.2 Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtsreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het plaatsgebonden risico wordt gebruikt bij de toetsing of een risicovolle activiteit op een bepaalde plek mag plaatsvinden en wat in de directe omgeving ervan gebouwd mag worden. Deze richtwaarden liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico in het invloedsgebied rondom de inrichting.

De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde richtwaarde voor het GR geldt hierbij als oriëntatiewaarde.

Crijns Rentmeesters bv

58

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

5.8.3 Bedrijven Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied met zwart is omcirkeld.

Figuur 32: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant

5.8.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen 5.8.4.1

Vervoer over het spoor

Op het grondgebied van de Gemeente Best bevindt zich een spoortracé op een afstand van circa 1.250 meter. Het plangebied bevindt zich op een dermate grote afstand tot de spoorlijn dat interactie normaalgesproken niet zal plaatsvinden. 5.8.4.2

Vervoer over de weg

Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de Gemeente Best zijn de rijksweg A58 en A2 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden.

Crijns Rentmeesters bv

59

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

De afstand van het plangebied tot Rijksweg A2 bedraagt circa 2.300 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 880 meter. Deze risicobron is derhalve niet relevant. De afstand van het plangebied tot Rijksweg A58 bedraagt circa 1.900 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 4000 meter. Deze risicobron is derhalve wel relevant. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet zal wijzigen kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, in subparagraaf 5.8.6. 5.8.4.3

Vervoer over het water

Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1.400 meter van het Wilhelminakanaal. Als er al een significant transport over dit kanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen.

5.8.5 Kabels en leidingen 5.8.5.1

Buisleidingen

De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een defensiebuisleiding, met een risicocontour van 0 meter, ten oosten van het plangebied. Met een afstand van 500 meter is het plangebied gelegen op dusdanig grote afstand dat deze leiding geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. 5.8.5.2

Hoogspanningslijnen

Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Zuidelijk van het plangebied ligt de hoogspanningslijn Tilburg Noord - Best op een afstand van circa 900 meter. Dit is een hoogspanningsleiding tussen de plaatsen Tilburg en Best. De bedrijfsspanning van de lijn bedraagt 150 kV. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de hoogspanningslijn.

5.8.6 Beperkte verantwoording groepsrisico Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt nagenoeg niet toe ten gevolge van de wijziging. Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op

b.

voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt

die weg, spoorweg of dat binnenwater, en kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet. 5.8.6.1

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt:

Crijns Rentmeesters bv

60

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

-

Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.

-

Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf.

-

Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.

Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio

-

Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen

in

de

omgeving

wordt

verwezen

naar

de

nationale

risicokaart

(www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Ook wordt verwezen naar NL-alert.

-

De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar.

-

De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.

5.8.6.2

Zelfredzaamheid

Het initiatief betreft de toevoeging van een nieuwe woning, en het omzetten van zowel een mantelzorgwoning als een bedrijfswoning naar een reguliere woonbestemming. Aangenomen kan worden dat de woningen betrokken wordt door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. 5.8.6.3

Aanvullend Advies Veiligheidsregio

Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is geen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd.

5.8.7 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.9 Besluit m.e.r. 5.9.1 Inleiding Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de

Crijns Rentmeesters bv

61

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling.

5.9.2 Toets initiatief De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één woning, en het planologisch aanpassen van twee bestaande woningen binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van […]woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling

heeft

uiteindelijk

geoordeeld

“dat

nu

de

voorziene

ontwikkeling

geen

stedelijk

ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m²’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

Crijns Rentmeesters bv

62

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

6. ARCHEOLOGIE, CULTUURHISTORIE EN NATUUR 6.1 Archeologie 6.1.1 Verdrag van Valletta In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

6.1.2 Wet op de archeologische monumentenzorg Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt opgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

6.1.3 Archeologiebeleid gemeente Best Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijks- en provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarbij het plangebied met een blauw contour is aangeduid.

Crijns Rentmeesters bv

63

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Figuur 33: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart

Het plangebied is aangeduid met een ‘hoge verwachting’. Op het bestemmingsplan is de locatie aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ (gebied met hoge archeologische verwachting). Wanneer een bouwplan meer dan 500 m² oppervlakte verstoort, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Onderhavig initiatief betreft een initiatief waarbij een bouwwerk van minder dan 500 m² wordt gerealiseerd. Naast het toevoegen van verharding wordt een poel toegevoegd en wordt verharding aangelegd. Ten tijde van grondverzetwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met eventuele archeologische waarden. PM

6.2 Cultuurhistorie Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 'sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De

Meierij

wordt

gekenmerkt

door

een

kleinschalig

mozaïek

van

oude

en

jonge

ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt

Crijns Rentmeesters bv

64

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan.

Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Met de realisatie van dit plan worden de beplantingen op de kavelgrenzen weer hersteld. Met onderhavige ontwikkeling wordt een hoop landschap teruggebracht naar de inheemse natuur. Daarbij wordt een weidepoel aangelegd. Met deze landschapselementen worden de historische structuren weer zichtbaar gemaakt.

6.3 Natuur 6.3.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

6.3.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de

Crijns Rentmeesters bv

65

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogelen Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelde sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof.

De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2022 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. PM Het dichtst bij het plangebied gelegen natuurgebied betreft: ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen’, gelegen op een afstand van circa 7.300 meter ten noordwesten van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van omliggende natuurgebieden, waarbij het plangebied met rood is aangeduid.

Met AERIUS Calculator is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Aerius berekening PM

Crijns Rentmeesters bv

66

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

6.3.3 Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van planten- en diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa milieutechniek b.v..

Daaruit volgen de volgende conclusies: Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel, kan worden uitgesloten dat de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden. Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (NNB en Natura 2000). De ruimtelijke ontwikkeling leidt niet tot een toename van de stikstofdepositie in het Natura2000 gebied. Om dit te bevestigen zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd. Voor de geplande ingreep moeten alle kerstbomen gerooid worden welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. De rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart – 1 augustus) uitgevoerd te worden. Vogels kunnen ook buiten deze periode broeden, men dient de rooiwerkzaamheden alleen uit te voeren wanneer er geen broedgevallen zijn in de te rooien bomen. Indicatief is deze kans het kleinste buiten 15 maart tot 1 augustus. De overige bomen worden gehandhaafd.

Op de onderzoekslocatie kunnen foeragerende vleermuizen voorkomen. Derhalve wordt geadviseerd om eventuele bouwlampen naar de onderzoekslocatie toe en naar beneden te richten. De bouwlampen dienen tijdens de schermer en nacht uren uitgeschakeld te zijn in de periode april t/m november. Aangezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kan de nieuwe woning meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen, maar ook aan het aanleggen van natuurlijke oevers voor het waterbassin op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie. Ook kunnen er meerdere takkenstapels worden aangelegd die door marterachtigen gebruikt kunnen worden als schuil- en verblijfplaats.

Crijns Rentmeesters bv

67

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

7. JURIDISCHE VORMGEVING 7.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

7.2 Toelichting op de analoge verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in

het

plangebied.

Daartoe

zijn

op

de

verbeelding

onder

meer

bestemmingsvlakken,

functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een kaartblad, getekend op een kadastraal ondergrond, schaal 1:1.000. De plangrens, de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn opgenomen met gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en bouwvlakken.

7.3 Algemene toelichting op de regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen);

-

De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen);

-

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Gebruiksregels;

-

Bouwregels.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd. Met betrekking tot de regels is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied.

Crijns Rentmeesters bv

68

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

7.4 Toelichting op de bestemmingen 7.4.1 Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: agrarische doeleinden, behoud herstel en ontwikkeling van de agrarische waarden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - cultuurhistorisch vlak’ voor behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing' voor het behoud, de herstel en de duurzame ontwikkeling van de landschappelijke inpassing, groenvoorzieningen, extensief recreatief medegebruik en een en ander bijbehorende voorzieningen waaronder perceelsontsluitingen.

7.4.2 Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen in een woning met de daarbij behorende bijgebouwen, aan huis verbonden beroepen, één en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, wegen en paden, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, erfontsluitingen, groenvoorzieningen (en landschapselementen), water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het gebruiken van de woonbestemming is toegestaan wanneer voldaan wordt aan de voorwaardelijke verplichtingen die zijn vastgesteld in de regels van het bestemmingsplan voor het slopen van overtollige bebouwing, het aanleggen van de landschappelijke inpassing, het aanleveren van een geluidrapport voor het binnenniveau en voor het aanleggen van de waterberging.

7.4.3 Waarde – Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

Crijns Rentmeesters bv

69

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

8. UITVOERBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid en Grexwet Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van onderhavig plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Best zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten voor de herontwikkeling verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal met de gemeente Best een anterieure overeenkomst voor de planontwikkeling sluiten. Tevens zal door de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente Best waarin is bepaald dat de initiatiefnemer de kosten voor rekening neemt.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het betreffende bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen kan een heroverweging op onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

Crijns Rentmeesters bv

70

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

9. PROCEDURE 9.1 Inleiding De bestemmingsplanprocedure conform de Wet ruimtelijke ordening wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wet ruimtelijke ordening zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: -

het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage;

-

gedurende deze periode kan een ieder schriftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad;

-

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast;

-

de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend

-

gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen; o

Gedeputeerde Staten hebben een zienswijzen ingediend en deze zienswijzen is niet of niet

o

De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het

volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan; ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten - wijzigingen aangebracht. Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend zijn gemaakt nadat zes weken zijn verstreken.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Conform artikel 3.1.1 Bro worden provincie NoordBrabant en Waterschap De Dommel in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Hiertoe zijn reacties ontvangen van zowel provincie en waterschap welke zijn verwerkt voor de totstandkoming van het bestemmingsplan.

9.3 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft het omgevingsdialoog gevoerd met omwonenden en direct belanghebbenden. Het verslag van het omgevingsdialoog is gedeeld met de gemeente Best. Uit het omgevingsdialoog zijn opmerkingen naar voren gekomen over de haag aan de zijkant van het perceel, het landschappelijk inpassingplan is hiertoe aangepast.

9.4 Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het ontwerpbestemmingsplan gepubliceerd en ter inzage gelegd.

Crijns Rentmeesters bv

71

Bestemmingsplan ‘Oirschotseweg 102 en 100a Best’

Crijns Rentmeesters bv

72

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13314368/1