23016.5 - Toelichting Bestemmingsplan St. Franciscusweg 1A
Tekst van het document
Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. ” Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
28
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Inleiding
Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).
4.3.2
Uitstoot van schadelijke stoffen
4.3.2.1
Rijksbeleid
De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 30Zo grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto (vervanging van bestaande woningen geldt als bijdrage neutraal). Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen. Aangezien het plan slechts één nieuwe woonbestemming mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip NIBM en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. 4.3.2.2
Gemeentelijk beleid
Ruimtelijke ontwikkelingen dienen eveneens te voldoen aan het in juli 2009 vastgestelde ‘Luchtkwaliteitsplan’ van de gemeente Best. In het Luchtkwaliteitsplan is aangegeven dat bij de toetsing van bouwaanvragen voor woningen gecontroleerd wordt of de ventilatievoorzieningen voldoen aan de daaraan gestelde normen. De gemeente Best houdt toezicht op de uitvoering, zodat deze overeenkomstig de bouwvergunning is. Bij de eindcontrole wordt extra aandacht besteed aan de ventilatievoorzieningen. Met de bouwaanvraag van de beoogde woning zal rekening gehouden worden met de huidige normen voor ventilatievoorzieningen waarbij een goed binnenmilieu kan worden gegarandeerd. In aanvulling op het ‘Luchtkwaliteitsplan’ heeft de gemeente Best de ‘Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant’ opgesteld. Dit is een aanvulling op het Besluit gevoelig bestemmingen en geeft invulling aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ voor het aspect luchtkwaliteit. Bepaald is dat per project aangegeven moet worden of het een al dan niet ‘in betekende mate’ project betreft. Op grond van de Wet milieubeheer en bijbehorende regelgeving is onderzoek Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
naar luchtkwaliteit voor woningbouwlocaties niet noodzakelijk, wanneer er minder dan 1.500 woningen (bij ontsluiting over één weg) dan wel 3.000 woningen (bij gelijkmatige ontsluiting over twee of meer wegen) gerealiseerd worden. Een initiatief voor minder dan 1.500 respectievelijk 3.000 woningen kan op grond van de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) zonder meer doorgang vinden. Ter plaatse van het besluitgebied wordt slechts één nieuwe woning beoogd. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij geeft de handreiking beperkingen voor de vestiging van nieuwe luchtgevoelige objecten, zijnde scholen, kinderdagverblijven, verzorging-, verpleeg- en bejaardentehuizen in de nabijheid van drukke (snel)wegen. Binnen 300 meter van een snelweg en 50 meter van een drukke gemeentelijke/provinciale weg mogen daarmee geen nieuwe luchtgevoelige objecten worden ontwikkeld. De handreiking geeft echter geen invulling aan de oprichting van woningen binnen deze zones. Woningen worden hiermee namelijk niet gezien als ‘luchtgevoelig object’. De handreiking streeft voor de toekomst een betere leefomgeving na voor kwetsbare groepen. De beoogde woning aan wordt niet aangemerkt als luchtgevoelig object, waarmee de beoogde herontwikkeling geen extra aandacht behoeft voor wat betreft de handreiking.
Luchtkwaliteit is voor de beoogde ontwikkeling geen belemmering.
4.3.3
Blootstelling aan verontreiniging
4.3.3.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide. 4.3.3.2
Fijnstof
In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 gg/m3. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 gg^. De concentratie fijn stof mag
-
maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 gg^.
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een jaargemiddelde concentratie PM10 van 19-20 gg^ (bron: Atlas leefomgeving). De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 gg^. De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 gg/m3 is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.3.3.3
Stikstofdioxide
De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 pg/m3. Ter plaatse van de projectlocatie is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 21-22 pg^ (bron: Atlas leefomgeving). Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.4
Agrarische bedrijven
4.4.1
Inleiding
4.4.1.1
Wet geurhinder en veehouderij
Bij besluitvorming omtrent de (her)ontwikkeling van de projectlocatie dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).
-
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De wet geeft onder andere normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Gemeenten mogen, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken (artikel 6 van de wet). 4.4.1.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aspect milieu van een veehouderij wordt getoetst aan in de wet vastgelegde standaardwaarden voor maximale voorgrondbelasting of aan de wettelijk vastgelegde standaardwaarden voor vaste afstanden dan wel aan de waarden welke vastgelegd zijn in een gemeentelijke verordening. Ten opzichte van dieren van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (rundvee en paarden) dienen vaste afstanden aangehouden te worden. 4.4.1.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. 4.4.1.4
Bedrijven in de omgeving van het plangebied
In de omgeving van het plangebied is binnen een straal van 350 meter één veehouderijbedrijf gelegen, te weten aan Sint Franciscusweg 11. Navolgende figuur geeft de actueel vergunde situatie weer van deze veehouderij. 5684 LZ, Sint Franciscusweg 11, BEST, BEST Beschikkingsdatum: 15-03-1999 RAV-tabe versie: Tabe 1999-1
NB: orderstaande emissies zijn vertaald naar de meest recente emissiewaarden Stalgroepen
.
Omschrijving
2e RAV code
3e RAV code
Emissie punt
, ' ,
, Aantal dieren
e""ĩ MVE
NGE tot (Ou/s)
(kg/ir)
melk- en ka fkoeien ouder dan 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar volwassen paarden (3 jaar en ouder)
Figuur 12: Actueel vergunde situatie Sint-Franciscusweg 11 (Bron: Web BVB-Brabant)
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
Op de locatie zijn alleen maar dieren vergund waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. Voor veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden wettelijk vastgestelde afstanden tussen veehouderij en geurgevoelig object. De ligging van het geurgevoelig object is hierbij bepalend. De minimumafstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden, waarvan de geuremissiefactor niet bekend is, en een geurgevoelig object (artikel 4, eerste lid van de Wgv) bedraagt binnen de bebouwde kom 100 meter en buiten de bebouwde kom 50 meter. De afstand wordt gemeten vanaf de buitenzijde van een geurgevoelig object tot het punt van de begrenzing van het dierenverblijf dat het dichtst is gelegen bij het desbetreffende geurgevoelig object. De beoogde woning is binnen de bebouwde kom gelegen. Er dient derhalve rekening gehouden te worden met een vaste afstand van 100 meter. Het veehouderijbedrijf bevindt zich buiten deze afstand tot de beoogde woning.
4.4.2
Woon- en leefklimaat
4.4.2.1
Inleiding
Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In de handreiking ‘Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7’ is navolgende tabel opgenomen, welke de relatie tussen de geurbelasting en het leefklimaat weergeeft. Voorgrondbelasting
Achtergrondbelasting
s 1
Geurgehinderden (“/o)
s3
Leefklimaat
<5
Zeer goed
C M
O
C M
LO
LO
C O
O
C O
C O
cn
Zeer slecht
o
LO
38 -50
Extreem slecht
C O C M
19 - 24 ă 25
ă 50
co cn
O
14 - 18
1
10 - 13
C M
O
Slecht
1
Tamelijk slecht
C M
C O
Matig
O
7-9
C M
Redelijk goed
C O C O
Goed
10 - 15
C O C M
5 - 10
7 - 13
O
3-7
4-6
C M
1,5 - 3
Figuur 13: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7
Navolgend worden de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt. 4.4.2.2
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen met een significantie geuremissie. Op de veehouderij in de omgeving van het plangebied worden alleen maar dieren vergund waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.4.2.3
Achtergrondbelasting
De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de geurkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (2019), waarop de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied inzichtelijk gemaakt is. Het plangebied is hierop aangeduid. Legenda Achtergrondbelasting geur Kwaliteit leefomgeving (geurbelasting
ouE7m3)
ī| zeer goed 0-3 | goed 3-7 | redelijk goed 7-13 | matig 13-20 | tamelijk slecht 20-28 |ĵ slecht 28-35
[lļ zeer slecht 35-50 | extreem slecht 50-^
Figuur 14: Achtergrondbelasting en leefklimaat ter plaatse van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een achtergrondbelasting van 0-3 ouE/m3. Sprake is daarmee van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. 4.4.2.4
Conclusie
De achtergrondbelasting is in onderhavige situatie bepalend voor het woon- en leefklimaat. Ter plaatse van het plangebied is op basis van de achtergrondbelasting sprake van een ‘zeer goed’ woon en leefklimaat.
4.4.3 De
Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven
herontwikkeling
van
het plangebied
naar een woonbestemming
mag
de toekomstige
ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet belemmeren. De omliggende veehouderijen worden echter al belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door de aanwezigheid van burgerwoningen die gelegen zijn tussen het plangebied en de betreffende veehouderijen. Herontwikkeling van het plangebied naar een woonbestemming belemmert de ontwikkelingsmogelijk heden van omliggende bedrijven dan ook niet meer dan thans het geval is.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als gelegen in ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden. Aan de overzijde van het plangebied is een bedrijfsbestemming gelegen. Binnen deze bestemming zijn slechts bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan.
Ten opzichte van dergelijke bedrijvigheid dient in een gemengd gebied een afstand van 10 meter te worden aangehouden. De afstand tussen de grens van deze bedrijfsbestemming en het bouwvlak van de beoogde woning bedraagt meer dan 10 meter. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.6
Besluit m.e.r.
4.6.1
Inleiding
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, een toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Wanneer dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling.
4.6.2
Toets initiatief
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van één woning binnen het plangebied. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1) overwogen “dat het antwoord op de vraag of sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.” Daarbij heeft de Afdeling afgewogen dat “hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en de omvang, niet [kan] worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door onder andere de realisatie van twee eengezinswoningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel.” De Afdeling heeft uiteindelijk geoordeeld “dat nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling behoefde te worden uitgevoerd.” Bovenstaande leidt ertoe dat de beoogde ontwikkeling niet valt aan te merken als ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m2’. Omdat de beoogde ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit m.e.r., is het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Inleiding
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende subparagrafen nader toegelicht.
4.7.2
Risico’s
Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10-6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico
Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1o0o letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 10 van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is in onderhavige situatie niet aan de orde, daar enkel wordt voorzien in de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er is enkel sprake van bewoning door één huishouden.
4.7.3
Beleidskader
4.7.3.1
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 4.7.3.2
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.7.3.3
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.
4.7.4
Beoordeling plangebied
4.7.4.1
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Navolgende figuur geeft een uitsnede weer van de risicokaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het plangebied met zwart is omcirkeld.
SéWwm
Spocrc»»
HĮfefUPi
ĴŕrtlKļrr!radurp \
I
.
Figuur 15: Uitsnede risicokaart provincie Noord-Brabant
4.7.4.2
4.7.4.2.1
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Vervoer over het spoor
Op het grondgebied van de gemeente Best bevindt zich een spoortracé op een afstand van circa 985 meter. Het invloedsgebied van het spoor bedraagt 995 meter. Het plangebied is daarmee net binnen het invloedsgebied gelegen. Deze risicobron is derhalve relevant. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet of nauwelijks zal wijzigen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze beperkte verantwoording van het groepsrisico is uitgewerkt in subparagraaf 4.7.5.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.7.4.2.2
Vervoer over de weg
Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Binnen de gemeente Best zijn de rijksweg A58 en A2 aangewezen als wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen mag plaatsvinden. De afstand van het plangebied tot Rijksweg A2 bedraagt circa 2.000 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 880 meter. Deze risicobron is derhalve niet relevant. De afstand van het plangebied tot Rijksweg A58 bedraagt circa 2.100 meter. Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt 4000 meter. Deze risicobron is derhalve wel relevant. Gezien de grote afstand en het feit dat de hoogte van het groepsrisico niet of nauwelijks zal wijzigen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze beperkte verantwoording van het groepsrisico is uitgewerkt in subparagraaf 4.7.5. 4.7.4.2.3
Vervoer over het water
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1.500 meter van het Wilhelminakanaal. Als er al een significant transport over dit kanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de r isico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is het plangebied buiten het invloedsgebied van het kanaal gelegen. 4.7.4.3
4.7.4.3.1
Kabels en leidingen
Buisleidingen
De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding betreft een defensiebuisleiding, op een afstand van 260 meter ten oosten van het plangebied. Deze leiding kent een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter en een invloedsgebied van 30 meter. Met een afstand van 260 meter is het plangebied gelegen op dusdanig grote afstand dat deze leiding geen belemmering vormt voor de beoogde herontwikkeling. 4.7.4.3.2
Hoogspanningslijnen
Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Zuidelijk van het plangebied ligt de hoogspanningslijn Tilburg Noord - Best op een afstand van circa 1.100 meter. Dit is een hoogspanningsleiding tussen de plaatsen Tilburg en Best. De bedrijfsspanning van de lijn bedraagt 150 kV. Het plangebied buiten het invloedsgebied van de hoogspanningslijn.
4.7.5
Beperkte verantwoording groepsrisico
4.7.5.1
Inleiding
Conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan in het kader van de beoogde ontwikkeling worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het groepsrisico neemt niet toe ten gevolge van de wijziging. Volgens artikel 9 van het Bevt moet in onderhavige situatie bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Dit houdt in dat moet worden ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
b.
voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg een ramp voordoet.
4.7.5.2
Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost
De Veiligheidsregio heeft een standaard advisering opgesteld voor algemene situaties. De ontwikkeling voldoet aan de randvoorwaarden, zodat het standaard advies kan worden toegepast. Het standaard advies van de Veiligheidsregio luidt als volgt: -
Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van de risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.
-
Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de VRBZO toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De beleidsregels staan op https://www.vrbzo.nl/wp-content/uploads/2018/04/170307-
-
beleidsregelsbereikbaarheid-en-bluswatervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf. Nieuw op te richten gebouwen moeten aan het Bouwbesluit 2012 voldoen. In dit besluit is geregeld dat gebouwen uitgevoerd moeten worden met een mechanische ventilatie die uitgezet kan worden. Aanvullend op deze regelgeving adviseren wij om de aanzuigopeningen van deze ventilatie bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron te realiseren.
Reactie op het standaard advies van de Veiligheidsregio Op de gemeentelijke website is informatie te vinden betreffende het aspect veiligheid. Voor risicobronnen in de omgeving wordt verwezen naar de nationale risicokaart (www.risicokaart.nl), waarin is aangegeven hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Ook wordt verwezen naar -
NL-alert. Er wordt één extra woning mogelijk gemaakt binnen het plangebied. De beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening zullen worden toegepast. De bereikbaarheid van de locatie is goed. De locatie is vanuit twee verschillende kanten/wegen goed bereikbaar. Daarom
-
kan worden aangenomen dat de bluswatervoorziening toereikend is. De mogelijkheid tot het uitschakelen van mechanische ventilatie is geregeld in artikel 3.31 van het Bouwbesluit 2012.
4.7.5.3
Zelfredzaamheid
Het betreft de toevoeging van een burgerwoning. Aangenomen kan worden dat de woning betrokken wordt door zelfredzame personen. Deze personen kunnen vluchten van de bron af. 4.7.5.4
Aanvullend Advies Veiligheidsregio
Gezien de ontwikkeling is gebruik gemaakt van het standaard advies van de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost. Er is geen aanvullend advies bij de VRBZO gevraagd.
4.7.6
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.8
Archeologie, cultuurhistorie en aardkundige waarden
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1
Inleiding
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet betreft één integrale wet die betrekking heeft op archeologie (op het land en onder water), museale objecten, musea en monumenten. Het uitgangspunt van de Erfgoedwet is een zorgvuldige omgang met cultureel erfgoed. Voor wat betreft de archeologie staat hierin het verdrag van Malta (Valetta) en de uitwerking hiervan in de voormalige Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) centraal. Met de invoering van de Wamz in 2007 hebben gemeenten veel meer bevoegdheden gekregen inzake beheer en behoud van archeologische (rijks)monumenten en overige archeologische (verwachtings)waarden, deze bevoegdheden zijn in de Erfgoedwet behouden. Om een goede uitvoering te geven aan deze bevoegdheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden hebben de meeste gemeenten archeologiebeleid ontwikkeld. 4.8.1.2
Archeologiebeleid gemeente Best
Naar aanleiding van de Wamz, welke gemeenten beleidsruimte biedt om binnen de kaders van rijks en provinciaal beleid naar eigen behoefte financieel en beleidsmatig invulling te geven aan de archeologische monumentenzorg op gemeentelijk grondgebied, is het ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg, gemeente Best’ opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het ontwikkelen en concretiseren van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid. Onderdeel van het beleidsplan is de ‘Archeologische verwachtingen en waardenkaart’. Navolgend is een uitsnede van deze kaart weergegeven, waarbij het plangebied met een zwarte cirkel is aangeduid. Legenda 16689
m fimììwn'lHiĮiftiti ImiJ iji'i111:141: i iŕ--* 11 h | h ' i
ļ ŨrKJ-PTMtÇITC-ilrļJHíi udntrad iļn
HaVU-Dťjiii buil
Himp- wrrAwJrtni;
WriĩWt'ľJī' ví-nťnrht-nrjLoge uefwachřnĮj
Ifent nvn lorreen
VūŕEKnnftOn
rt'uriűţk crascliŭmu • ■i.iiuiìhl \
fóilu
ĩvJih:"ifcHįB^íJì «liiVdñvil iĵhIihiL
Figuur 16: Uitsnede Archeologische verwachtingen en waardenkaart
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
Het plangebied is aangeduid als een locatie in een ‘historische kern’. Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is nader onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m2 en dieper gaan dan 0,3 m mv. In het verleden is ter plaatse van het plangebied en de omgeving daarvan een bureau- en booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek en een beperkte opgraving uitgevoerd in opdracht van de gemeente Best in verband met een nieuwbouwontwikkeling. Het betreffen navolgende onderzoeken: -
Definitief archeologisch onderzoek in plangebied ‘de Zessprong’ te Best (deellocatie 1), gemeente Best, auteurs S. Weip-König à A.F. Loonen (Becker à Van de Graaf), maart 2011.
-
Inventariserend veldonderzoek in plangebied ‘Zessprong’ te Best, gemeente Best, auteurs W.S. van de Graaf à A.F. Loonen (Becker à Van de Graaf), december 2009.
-
Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Zessprong, Best, Gemeente Best, auteur A. Wilbers (Becker à Van de Graaf-rapport 20889), Katwijk 2007.
Uit deze onderzoeken blijkt dat een groot gedeelte van het plangebied als verstoord kan worden beschouwd en daarmee vrijgegeven terrein is. Het resterende gedeelte van het plangebied, waar de mogelijkheid bestaat eventueel een bijgebouw op te richten, is destijds nader onderzocht door middel van proefsleuven en kijkgaten. Dit onderzoek heeft de hoge archeologische verwachting bevestigd. Derhalve is destijds aanbevolen dat daar waar bodemingrepen dieper dan 30 cm gepland zijn en behoud van de waarden op de plek zelf niet mogelijk is, de aanwezige archeologische waarden opgegraven dienen te worden. In het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ is voor de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. Deze dubbelbestemming zal behouden blijven, waarmee zeker is gesteld dat ook in de toekomst eventuele archeologische waarden behouden blijven. Ook is in de regels van onderhavig bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat, alvorens bodemingrepen dieper dan 30 cm uit te voeren, de aanwezige archeologische waarden veiliggesteld dienen te worden.
4.8.2
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt op basis van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart in de regio ‘Meierij’. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 'sHertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting. De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa's, vooral in de omgeving van 's-Hertogenbosch.
Een voorbeeld van een oud landgoed is 't Veldersbosch bij Boxtel. De landgoederen en buitenplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. Tussen Boxtel en Vught liggen verschillende van deze jonge landgoederen en buitenplaatsen, zoals Dommeloord (ook wel Wilhelminapark genoemd), De Oude Hondsberg, Sparrenrijk, Beukenhorst, Halsche Barrier en De Eikenhorst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van 'sHertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen.
Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Er zijn geen cultuurhistorische waarden die door de beoogde herontwikkeling worden aangetast. Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.8.3
Aardkundige waarden
Om onvervangbare gebieden te behouden vanwege de ecologische en cultuurhistorische betekenis heeft de provincie Noord-Brabant de ‘Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ opgesteld. Het plangebied is op deze kaart niet aangeduid als gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Er zijn dan ook geen aardkundige waarden die door de beoogde ontwikkeling worden aangetast.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.9
Natuur
4.9.1
Inleiding
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).
4.9.2
Gebiedsbescherming
De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te wetende Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS)
regelde sinds 2015 de ruimte voor economische
ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden. Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Met AERIUS Calculator 2019 wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden die het gevolg is van een ontwikkeling berekend. Het dichtst bij het plangebied gelegen natuurgebied betreft ‘De Mortelen’, gelegen op een afstand van circa 2.300 meter ten noorden van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van omliggende natuurgebieden, waarbij het plangebied met rood is aangeduid.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
li
H -'.‘‘Hľr-li ~
.Miiltl Ui'U lí UUUihlīklìLULlitlU Eihlud úri iihiii.l ïîľl .'.dliľīļ'blú
rJĩiu.ť
ŕ
sřùtam
u W:tu.r Ncí-.vŕ' î- ürabjľTi
ůĽCtúĩiïtňr ,,,,:ibiniirc!:r:ri
.■íJ iKjtaic
Figuur 17: Ligging plangebied ten opzichte van omliggende natuurgebieden
Met AERIUS Calculator 2019 is de consequentie hiervan op Natura 2000 gebieden in beeld gebracht. Navolgende figuur laat zien dat met de beoogde herontwikkeling geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. .o-— r
CALCULATOR o
Ý
^
Röuirūr.en
HriTip til
rt-
OinirwthM Uïiirar
Upmi
0.-Ľ lil
ūnijhv
Figuur 18: Uitsnede Aerius Calculator *1. Sloop bestaande bijgebouw *2. Bouw nieuwe vrijstaande woning
Het toevoegen van een extra bouwvlak binnen de bestaande woonbestemming heeft geen negatieve gevolgen op omliggende natuurgebieden.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.9.3
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ter plaatse van het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan flora en fauna, d.d. 30 november 2019, met rapportnummer 2019BE-07276, is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Navolgend is het advies zoals verwoord in de quickscan weergegeven: “Advies
-
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het verstoren van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
-
De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van de overige beschermde soorten omdat het plangebied geschikt blijft als leefgebied. Een ontheffing
-
Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Omdat de locatie in gebruik kan zijn als foerageergebied voor vleermuizen wordt
-
geadviseerd om de werkzaamheden overdag uit te voeren. De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen
-
uitgevoerd mogen worden. In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli.
-
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij,
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. -
Bij de toekomstige inrichting van het plangebied kan rekening worden gehouden met het stimuleren van natuurwaarden. Bij nieuwe beplanting is het gebruik van inlandse, vrucht- en bloemdragende soorten aan te bevelen. Gebruik van inlandse soorten is vooral voor insecten en daarmee voor vleermuizen, maar ook voor vogels, geschikt.
-
De directe omgeving is potentieel geschikt als leefgebied voor verschillende vogelsoorten. Diverse soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broedgelegenheid. Met geringe inspanningen kan de nieuwbouw mogelijkheden bieden voor de vestiging van verschillende soorten. Door het plaatsen van nestkasten of speciale dakpannen kan een positieve impuls gegeven worden aan de lokale populaties. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken.(www.checklistgroenbouwen. nl).
-
De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren
-
de kans te geven om te vluchten Er worden geen bomen gekapt die vallen onder houtopstanden. Een nadere toetsing
-
houtopstanden wordt niet noodzakelijk geacht. Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden
-
met een ter zake deskundige. De ingreep zal geen direct effect hebben op het natuurnetwerk Nederland. Een nadere toetsing aan effecten op natuurgebieden is daarom niet aan de orde. ”
Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.10
Waterhuishouding
4.10.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
4.10.2 Relevant waterschapsbeleid 4.10.2.1 Keur 2015
Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, (gemalen, stuwen).
watergangen
(sloten,
beken
en rivieren) en
bijbehorende
kunstwerken
Navolgend is een uitsnede van de Keurkaart 2015 weergegeven.
pVľlťīíhaxírenî
A wtŕcrív O^sfiiaisn 0ri:rhisr-Kİï3^iiadĩfi fewr
■■ŭ-“dg:bŭ: .'aras-’u -‘ . d riL D jd*'lis;is;lsd ì ů
rtirwi iHiHįt-ii iiįp;-«Hį: U rr.1:e: w :l:d N:l. ro iio: 0 3:p:rtd ľ-o:d:g:b o: -m
Figuur 19: Uitsnede Keurkaart 2015, met aanduiding plangebied
Het plangebied is op de kaart behorende bij de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.10.2.2 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen
De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. 2.
hergebruik vasthouden / infiltreren
3. 4.
bergen en afvoeren afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m2 tot en met 10.000 m2. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken.
Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3Zhectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
Met de beoogde herontwikkeling wordt circa 150 m2 extra verhard oppervlak voorzien. Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt dan ook geen compensatie vereist.
4.10.3 Gemeentelijk beleid 4.10.3.1 Water- en rioleringsplan 2016 - 2020
Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente best heeft het ‘Water- en rioleringsplan 2016 - 2020’ opgesteld. Door diverse wijzigingen in wet- en regelgeving is de situatie ontstaan dat het verbreed gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan grotendeels overlappen wat betreft de reikwijdte, visie en uitvoeringsprogramma. In het Water- en rioleringsplan is een aantal opgaven en speerpunten per aspect weergegeven: -
Stedelijk afvalwater: o Inzameling van stedelijk afvalwater; o o
-
Transport van het stedelijk afvalwater naar een geschikt lozingspunt; Continueren huidige rioleringszorg.
Hemelwater: o Inzameling van hemelwater; o o
Verwerken van ingezameld hemelwater; Inspelen op klimaatverandering.
-
Grondwater: o Voorkomen van grondwateroverlast.
-
Oppervlaktewater: o Waterlopen en waterpartijen als drager voor recreatie en natuur; Mede invulling geven aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Organisatie en financiën: o
-
o o
Doelmatige invulling watertaken; Kostendekkende rioolheffing;
o
Toereikende personele capaciteit gemeentelijke watertaken; Samenwerken in de afvalwaterketen;
o
Communicatie naar inwoners en perceelseigenaren intensiveren.
o
Alle percelen waar afvalwater vrij komt zijn aangesloten op (druk)riolering. Nieuwe lozers van afvalwater dienen te voldoen aan de regels uit het betreffende lozingsbesluit. De aanlegkosten van een aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager/initiatiefnemer. In het buitengebied wordt nieuwbouw aangesloten op drukriolering. De lozing van hemelwater hierop is niet toegestaan. Vertrekpunt is het principe dat stedelijk afval- en hemelwater gescheiden wordt ingezameld. Om de samenwerking met het waterschap verder te versterken gaat de gemeente Best de komende periode kijken in hoeverre de gemeente eigen hemelwaterbeleid kan koppelen aan de keur van het waterschap. Vooralsnog heeft de gemeente Best daartoe nog geen eigen beleid.
4.10.4 Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 15,8 meter boven NAP. De bodem binnen het plangebied betreft een laarpodzolgrond (laarpodzolgronden, lemig fijn zand). Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De GHG ter plaatse van het plangebied is gelegen tussen 40-60 cm-mv, de GLG is gelegen tussen 140-160 cm-mv. Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.10.5 Hemelwaterafvoer na ontwikkeling Het verhard oppervlak ter plaatse van het plangebied zal met de beoogde herontwikkeling met circa 150 m2 toenemen. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Om overlast op eigen terrein te voorkomen, kan op vrijwillige basis een infiltratievoorziening worden aangelegd. Dit dient dan te worden gerealiseerd boven de hoogste grondwaterstand en mag derhalve een diepte kennen van maximaal 40 centimeter beneden maaiveld.
4.10.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
4.11
Gezondheid
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Op basis van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0 versie mei 2018 opgesteld door het ondersteuningsteam BPO speerpunt veehouderij kan worden afgewogen of een advies van de GGD nodig is voor het plan. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Het aspect ‘gezondheid’ is in het kader van de beoogde herontwikkeling dan ook geen bezwaar.
Vast te stellen
Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘St. Franciscusweg naast 1A Best' - Toelichting
5.