CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23015.3 - Bijlage 1 - Toelichting Bestemmingsplan Trekzaag

Raadsvergadering 20 maart 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23015 - Vaststelling Bestemmingsplan Trekzaag25.789 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

29

mo

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat perso­ nen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg of het spoor is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aangezien sprake is van nieuwbouw wordt op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht geschonken aan de luchtdichtheid van de gebouwen. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met één handeling uitgeschakeld te wor­ den. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van be­ lang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet dood­ lopend zijn.

Op basis van het bestaande wegennet kan haaks op de bron gevlucht worden. Bij een plasbrand komen mensen die zich binnen de plas bevinden te overlijden. Personen die zich buiten de plas maar in de directe omgeving van de plas bevinden, zijn over het algemeen in staat te vluchten. Het advies dat aan personen wordt gegeven is de bouwwerken is ontvluchten aan een zijde die van de plasbrand af gericht is. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatre­ gelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van le­ vensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeen­ ten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Conclusie In bovenstaande verantwoording ten aanzien van de hoogte van het groepsrisico zijn elementen aan­ gedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.

De gemeente Best dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te win­ nen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico.

Hoofdstuk 4

30

mo

4.9 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeers­ bewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een ef­ fect heeft op het wegverkeer en parkeren.

Doorwerking plangebied Verkeer De verkeersgeneratie is berekend volgens de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de stedelijkheidsgraad, (voor Best geldt dat de gemeente ‘matig stedelijk’ is) en de ligging in ‘rest bebouwde kom’. Er is, worst-case, uitgegaan van de maximale normen. Op basis van bovenstaande gegevens geldt voor de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ een verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigen per etmaal per woning voor een gemiddelde weekdag. In totaal worden 25,8 verkeersbewegingen gegenereerd. Het omliggend wegennetwerk kan deze toename goed opvangen. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de Nota parkeernormen, vastge­ steld op 1 januari 2022. In het plan zijn 3 vrijstaande koopwoningen opgenomen waar een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning (rest bebouwde kom, 1,7 per woning plus 0,3 voor bezoe­ kers) voor geldt. Dit komt neer op een totale parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte beschikbaar om aan de minimale parkeereis te voldoen. Doorwerking plangebied Er ontstaan geen belemmeringen omtrent verkeer en parkeren ten aanzien van de beoogde ontwikke­ ling.

4.10 Cultuurhistorie ä Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt be­ staande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Ne­ derland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te ver­ wachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel be-

Hoofdstuk 4

31

mo

schermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het natio­ nale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.10.1 Cultuurhistorie Het plangebied ligt volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant in de regio ‘De Kempen’ en binnen het archeologisch landschap ‘Dommeldal Nuenen-Gestel’. De Kempen De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuur­ lijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitenge­ woon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aan­ wezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beekdallandschap van de Dommel ten zuiden van Eindhoven is aangewezen als Belvederegebied, en is dus één van de meest waardevolle cultuurhistorische landschappen van Nederland.

Dommeldal Nuenen-Gestel Dit landschap omvat het rivierdal van de Dommel tussen Sint-Michielsgestel en Nuenen, almede de hierin uitwaterende beken de Groote Beek bij Son, de Grote Waterloop bij Liempde en de Kleine Aa/Smalwater onder Boxtel. Langs beide zijden van de rivier- en beekdalen, op de overgang naar het hoger gelegen dekzandlandschap, ligt een aaneenschakeling van oude bouwland-complexen. Deze zijn ook tot Landschap 22 gerekend (één van de archeologisch rijkste landschappen van Noord—Bra­ bant) evenals de met oude bouwlanden bedekte dekzandrug tussen Best en Nijnsel en een vergelijk­ bare rug ten noorden van Sint-Oedenrode. Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast heeft het een re­ latief beperkte omvang. Hierdoor zal het geen negatieve invloed hebben op de cultuurhistorische waarden van De Kempen en het Dommeldal. 4.10.2 Archeologie Conform het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie ligt het zuidelijke deel en de oostelijke strook van het plangebied binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting)’. Op basis van deze dubbelbestemming dient een archeolo­ gisch onderzoek te worden uitgevoerd wanneer er grondwerkzaamheden plaatsvinden die meer dan 2.500 m2 grond roeren met een verstoringsdiepte van 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld.

Hoofdstuk 4

32

BİĪO

Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling overschrijdt bovenstaande onderzoeksgrenzen niet. Echter bevindt het plangebied zich voor een groot deel binnen vindplaats 6 (zone E) bij werkput 39 van het proefsleuvenonderzoek “Plangebied Dijkstraten” dat door BAAC in 2008 is uitgevoerd. Hiertoe heeft afstemming met de regioarcheoloog plaatsgevonden. Geconcludeerd is dat uit de opgraving van Diachron blijkt dat dit gebied sterk verstoord is. In 2019 is er ten westen nog aanvullend opgegraven waarbij een meerfasig middeleeuws erf is gevonden, maar de sporen lijken niet naar het plangebied te lopen en verder archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

4.11 Flora en fauna De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbe­ scherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebieds­ bescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit net­ werk behoren.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische be­ grenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruim­ telijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuur­ ontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met el­ kaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Hoofdstuk 4

33

mo

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internatio­ nale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: » soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); » soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); » andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ont­ heffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verbo­ den, bedoeld in de artikelen 3.1,3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Za­ ken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig ge­ bruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Voor het plangebied is een beknopt bureauonderzoek gedaan naar de natuurwaarden in en rondom het plangebied. De bevindingen worden hieronder besproken. Plangebied Het te bebouwen gebied bestaat volledig uit een braakliggend terrein Z bouwplaats, waar zand met gras en onkruid voorkomt.

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen of tegen Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina à Oisterwijkse Vennen’, bevindt zich op circa 8,1 kilometer afstand. Hierdoor zijn directe effecten bij voorbaat uitgesloten. Indirecte effecten als licht en geluid zijn gezien de afstand eveneens uitgesloten. Met betrekking tot stikstofdepositie is een toename op voorhand niet uit te slui­ ten. Een AERIUS-berekening dient hieromtrent duidelijkheid te bieden. Voor de uitkomsten van de AERIUS-berekening wordt verwezen naar paragraaf 4.13 ‘Stikstof. Het plangebied is ook niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt op circa 1,5 kilometer ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zul­ len de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Omdat er binnen het plangebied geen (onderdelen) van houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden niet van toepassing.

Hoofdstuk 4

34

mo

Soortbescherming Omdat het plangebied bestaat uit een eentonige zand- en grasmat en er geen opgaand groen aanwe­ zig is, zijn negatieve effecten op beschermde vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptie­ len, amfibieën, vissen, ongewervelden en vaatplanten op voorhand uitgesloten. Het is nooit volledig uitgesloten dat een individu van een (algemene) soort incidenteel binnen het plangebied aanwezig is. Hiervoor geldt de zorgplicht. Conclusie Met betrekking tot de Wet natuurbescherming kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescher­ ming in acht wordt genomen: » Middels een AERIUS-berekening dienen de effecten van de toename in stikstofuitstoot op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden beoordeeld te worden. In paragraaf 4.13 wordt verslag gedaan van de berekening naar stikstofdepositie; » In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

4.12 Water Het is verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente een wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. Het waterschap en de gemeente kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is op­ genomen. Beleidskader Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is het Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie NoordBrabant op 22 december 2021 inwerking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van be­ lang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, land­ bouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. In aansluiting is een Omgevingsvisie vastgesteld waarbij in de Interim Omgevingsverordening (IOV) al veel wijzigingen doorgevoerd zijn. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet en daarmee ook de Omgevingsverordening, zijn een aantal urgente onderwerpen

Hoofdstuk 4

35

mo

uit de Omgevingsverordening alvast verwerkt in de Interim omgevingsverordening. De definitieve ver­ ordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en open­ bare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 - 2027 staan beschreven in het waterbeheerplan ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, vol­ doende, schoon, natuurlijk en recreatief water. In het plan voor de komende jaren kiest het waterschap voor een aanzienlijke wijziging en aanscher­ ping van doelstellingen om de watertransitie mogelijk te maken. Dit heeft ook gevolgen voor gemeen­ telijke ruimtelijke plannen. Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een an­ dere manier gaan denken over omgaan met water.

Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil het waterschap een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen: een water­ huishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving, én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel móet veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daar­ bij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uit­ dagingen. Andere aanpak De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen.

De ambitie en de verandering zijn gericht op: » van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; » van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; » van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Hoofdstuk 4

36

mo

Samen in het gebied De Dommel wil samen met partners en andere watergebruikers werken aan concrete uitvoeringsplan­ nen, waarin samen gezocht wordt naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Het waterschap wil meer water vasthouden in het gebied, dit water benutten voor gebruik in droge periodes én voor de noodza­ kelijke aanvulling van het grondwater. Ook werkt De Dommel aan een betere waterkwaliteit in ons ge­ bied. Naast de wateropgaven ziet het waterschap kansen om opgaven in het gebied slim met elkaar te verbinden. Het waterschap hanteert principes voor de watertransitie. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: » Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. » Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. » Wat schoon is moet schoon blijven. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het wa­ terschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde ge­ bieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden.

Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande wa­ tersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen ne­ men, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uit­ gangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door herge­ bruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfil­ treerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als ver­ trekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld.

De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrek­ ken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werk­ zaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn.

Hoofdstuk 4

37

mo

De gemeente Best heeft een Water- en Rioleringsplan 2016-2020 opgesteld, waarin het beleid ten aanzien van vuil-, gronden hemelwater is vastgelegd. Het beleid heeft, onder andere, als doel om de gemeente klimaatbestendig in te richten, zodat in de toekomst de kans op wateroverlast wordt be­ perkt. Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld. De belangrijkste conclusies worden onder­ staand beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen. Waterhuishoudkundig systeem Voor de nieuwbouw van de woningen is voldoende ontwateringsdiepte benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied heeft een lagere ligging dan het centrum van Best. Het plangebied heeft een hoogteligging tussen de 14,6 m +NAP en de 14,8 m +NAP. De begrenzende straten liggen gemiddeld op circa 15,0 m +NAP. Watersystemen Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart van Nederland op een dekzandwelving. Naar verwachting heeft zich ter plaatsen een hoge zwarte enkeerdgrond gevormd met lemig fijn zand. Mogelijk is er oude gerijpte klei aanwezig in de ondiepe ondergrond.

Volgens de bodematlas van de Provincie Noord-Brabant wordt er binnen het plangebied een grondwatertrap VI verwacht. Dit betekend de GHG tussen 40 en 80 cm-mv en de GLG dieper dan 120 cmmv. Binnen en in de directe omgeving zijn geen grondwatermeetgegevens beschikbaar. Het grondwa­ ter is derhalve op circa 14 m +NAP te verwachten. Op basis van de beschikbare gegevens en de hoogteligging van het plangebied ten opzichte van de woonpercelen in de omgeving, wordt geadvi­ seerd om het plangebied op te hogen tot circa 15,2-15,3 m +NAP. Voor de toekomstige bouwpeilen is een hoogte van 20 cm boven de kruin van de nabijgelegen weg geadviseerd zodat het risico op in­ stroom in een pand tevens voorkomen wordt. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten. Oppervlaktewater Binnen of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig met een leggerstatus. Binnen het plangebied zijn is rondom een kleine greppels aanwezig (verhinderen toegang perceel). Deze grep­ pels zijn niet aangesloten op het oppervlaktewateren hebben geen belangrijke functie voor het water­ beheer ter plaatse of in de omgeving. Het planvoornemen heeft derhalve geen directe impact op het oppervlaktewatersysteem.

Hoofdstuk 4

38

mo

Afvalwater Het plangebied is momenteel onbebouwd en derhalve niet aangesloten. Rondom is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Door de bouw van de drie nieuwe woningen zal de vuilwaterstroom uit het plan­ gebied licht toenemen (circa 0,9 m3tà). Hiermee is in het verleden reeds rekening gehouden. Ter plaatse is reeds een woonbestemming aanwezig. Dit afvalwater kan derhalve zonder problemen wor­ den verwerkt in het gemeentelijk rioolstelsel. Voor de nieuwe aansluiting dient te zijner tijd bij de ge­ meente Best een aanvraag te worden ingediend. Hemelwater Momenteel is het plangebied onverhard. Door de realisatie van de woningen en de bijkomende ver­ harding zal het hemelwater versneld tot afstroom komen. Over het algemeen dient dit gecompenseerd te worden. Voor het gehele gebied Dijkstraten is in het verleden een onderbouwing opgesteld in relatie met het aanleggen van een gescheiden rioolstelsel en de benodigde hemelwatercompensatie voor de woongebieden. Op basis van de verwachte bodemopbouw, de ondiepe ligging van de leemlaag en reeds uitgevoerde infiltratiemetingen in de omgeving kan worden geconcludeerd dat het nauwelijks mogelijk zal zijn om (hemel)water te infiltreren. Geadviseerd wordt om geen hemelwater lokaal niet te verwerken middels een infiltratievoorziening. Ter plaatse is reeds een woonbestemming aanwezig.

Het toekomstig bouwvlak in het planvoornemen bedraagt circa 520 m2. In het vastgestelde bestemmingsplan is opgenomen dat circa 60 /o van het uitgeefbare terrein verhard mag worden en aangesloten worden op het gemeentelijk rioolstelsel. Indien dit percentage overschreden wordt of ter verdere verduurzaming van de planontwikkeling dient op ei­ gen terrein aanvullende hemelwaterberging ingepast te worden. Door hiermee rekening te houden, is ter plaatse geen belemmering aanwezig voor de voorgenomen nieuwbouw Conclusie Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten is er geen (grond)wateroverlast te ver­ wachten door de voorgenomen planontwikkeling.

4.13 Stikstof Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waar­ voor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met an­ dere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een

Hoofdstuk 4

39

mo

bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescher­ ming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het ne­ men van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om scha­ delijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Doorwerking plangebied Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden liggen op erg ruime afstand. Het gaat om bijvoor­ beeld: » Kampina & Oisterwijkse Vennen op circa 8 km; » Kempenland-West op circa 9,5 km; » Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux op circa 12,5 km; » Strabrechtse Heide & Beuven op circa 17 km. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect.

Vanwege de realisatie van de 3 woningen zijn eventuele effecten vanwege stikstof niet uit te sluiten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol Z ha Z jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten. 4.14 Trillingen Treinpassages kunnen resulteren in trillingshinder voor bewoners van gebouwen nabij een spoorlijn. Op basis van trillingmetingen en berekeningen van de trillingsoverdracht kan worden bepaald of het wenselijk is om beperkingsmaatregelen voor mogelijke trillingshinder te treffen. Het onderzoeksgebied voor trillingen als gevolg van spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. In Nederland bestaan er geen wettelijke normen voor het voorkomen van trillingshinder. In de praktijk wordt echter veelal gebruik gemaakt van de ‘Meet- en beoordelingsrichtlijn B: hinder voor personen in gebouwen’ van Stichting Bouwresearch (SBR). Deze richtlijn bevat een paragraaf die bepalingen be­ vat ten aanzien van trillingen als gevolg van spoorverkeer. Zo zijn er specifieke richten streefwaarden dag en avond

woning

Hoofdstuk 4

nadit

A,H

A, H

a3 H

AiH

A, M

a3 H

0,1

0,4

0,05

0,1

0,2

0,05

40

mo

opgenomen voor de beoordeling van trillinghinder. Onderstaande tabel toont de van toepassing zijnde streef- en grenswaarden conform de SBR B (nieuwe situaties, herhaald voorkomende trillingen). Indien uit onderzoek blijkt dat trillingsreducerende maatregelen nodig zijn, dan zijn er in principe drie mogelijkheden, te weten bij de bron, bij de overdacht en bij het gebouw. Maatregelen bij de bron en in het overdrachtsgebied zijn vaak zeer kostbaar en moeilijk realiseerbaar. Aan het gebouw zelf kunnen in bepaalde gevallen relatief eenvoudige maatregelen worden getroffen. Dit kan in de vorm van het inpakken van de fundatie of door toepassing van een trillingdempende isolatie in de fundatie, waarbij de bodemtrillingen worden geïsoleerd van de bovenliggende constructie. Doorwerking plangebied In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Peutz een onderzoek verricht inzakte te verwach­ ten trillingsniveaus vanwege railverkeer in geprojecteerde woningen van het nieuwbouwplan. Het ge­ hele onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgeno­ men.

Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in ge­ bouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van au­ gustus 2006 kunnen worden overschreden. Op basis van ervaring dient de situatie beoordeeld te wor­ den als kritisch maar technisch realiseerbaar oplosbaar. De exacte maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd. Middels deze maatregelen kan een acceptabel woonklimaat worden gewaarborgd. Om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen is in de regels een voorwaardelijke verplichting op­ genomen. Hierin wordt aangegeven dat het bouwen van woningen uitsluitend is toegestaan wanneer uit een berekening blijkt dat de streefwaarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) niet worden overschreden.

In afwijking hiervan In afwijking hiervan is het bouwen van woningen ook toegestaan op voorwaarde dat alle doelmatige en kosteneffectieve maatregelen om de trillingssterkte te verminderen worden getroffen en uit een dy­ namische berekening blijkt dat tenminste de streefwaarden voor Wonen in bestaande situatie, zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden.

Hoofdstuk 4

41

mo

5.

WIJZE VAN BESTEMMEN

5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, be­ palingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd die­ nen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de vigerende bestemmingsplannen in het plangebied, het Aan- en bijgebouwenbeleid 2008 en de algemene systematiek van de gemeente Best voor nieuw op te stellen bestemmingsplannen. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteenge­ zet. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen no­ dig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meer­ dere uitleg vatbaar zijn.

Hoofdstuk 5

42

mo

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uit­ leg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.2.2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen alle (enkel)bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestem­ mingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar be­ paalde functies eenvoudiger. De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Boven­ dien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de Bouwverordening en de voor dit gebied van toepassing zijnde welstandscriteria.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: » bestemmingsomschrijving; » bouwregels; » nadere eisen; » afwijken van de bouwregels; » specifieke gebruiksregels; » afwijken van de gebruiksregels; Daarnaast zijn in de bestemmingen soms nog de volgende elementen opgenomen: » omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaam­ heden; » omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; » wijzigingsbevoegdheid. 5.2.3 Beschrijving van de bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor. Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor het wonen in een woning en voor aan huis verbonden beroepen. Voor de aan huis verbonden beroepen zijn binnen de bestemming gebruiksre­ gels opgenomen. Bij de bestemming behorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, water, tui­ nen en erven zijn toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerea­ liseerd. Voor de voorgevelrooilijn mogen alleen kleine erkers, portieken, balkons of luifels worden ge­

Hoofdstuk 5

43

BİĪO

bouwd. Op de verbeelding is in het bouwvlak de maximale goot- en bouwhoogte aangeduid. De bouw­ vlakken mogen volledig worden bebouwd, met inachtneming van de minimale afstand tot de zijde­ lingse perceelsgrens die in de regels is opgenomen. Binnen het bouwvlak zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gereali­ seerd. Voor percelen kleiner dan 300 m2 mag in totaal per perceel 70 m2 bijgebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits de gronden achter de achtergevelrooilijn voor mimimaal 5007o onbe­ bouwd blijven. In de regels zijn voor aan- en uitbouwen en voor bijgebouwen de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. In de regels zijn voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximale maten opgenomen. Er is onder meer een regeling opgenomen voor carports en overkappingen. Deze mogen zowel binnen als buiten bouwvlak worden gebouwd, mits ze achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw staan. De maximale oppervlakte aan carports en overkappingen bedraagt 20 m2. Deze oppervlakte telt mee in de maxi­ male oppervlakte die voor bijgebouwen geldt.

Leiding - Riool Binnen het plangebied ligt voor een gedeelte een riooltransportleiding. Bouwen binnen de zone van de leiding is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de leiding en ten behoeve van de andere geldende bestemmingen, voor zover het vervangende nieuwbouw betreft. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen ten behoeve van andere geldende bestemmingen. Waarde - Archeologie 4 en 5 In het plangebied komen twee archeologische dubbelbestemmingen voor. Gebieden met een hoge archeologische verwachting (Categorie 4) In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen ar­ cheologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld. Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (Categorie 5) In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting.

Deze zones en ge­ bieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen be­ duidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2.500 m 2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.

Hoofdstuk 5

44

mo

6.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Best verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Best besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onder­ havig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Een woning zal gebouwd worden op grond in eigendom van de gemeente Best en een particuliere ei­ genaar. Een deel van deze grond wordt geruild, zodat het gehele perceel waarop gebouwd wordt ei­ gendom wordt van de initiatiefnemer. Twee woningen worden gebouwd op grond in eigendom van de gemeente Best. Deze grond wordt verkocht aan de projectontwikkelaar. De grondtransacties worden geregeld in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de projectontwikkelaar en een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

Verder wordt geregeld dat de kosten die gemoeid zijn met tegemoetkoming voor eventuele planschade door derden worden verhaald op de initiatiefnemer en de projectontwikkelaar.

6.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 6.2.1 Inleiding De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangege­ ven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke proce­ dure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). In het kader van de ontwikkeling van woningbouw in het gebied Dijkstraten, waar het plan Trekzaag deel van uitmaakt, heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. 6.2.2 Overleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voor­ bereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en

Hoofdstuk 6

45

mo

waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimte­ lijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van artikel 3.1.1. Bro is het concept ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de hierbij betrokken overlegpartners. Er is een reactie ontvangen van het Waterschap. Deze reactie is verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Voor de reactie van het Waterschap wordt verwezen naar de bijla­ gen. 6.2.3 Tervisielegging en zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Indien er zienswijzen worden ingediend worden deze samengevat, ge­ anonimiseerd en van een reactie voorzien in de Nota van zienswijzen. 6.2.4 Vaststelling De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaats vinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Na vaststelling wordt het plan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrecht­ spraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze periode on­ herroepelijk.

Hoofdstuk 6

46

mo

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Bijlage 2: Externe veiligheid Bijlage 3: Wateraspect en Reactie Waterschap Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Trilling onderzoek

T rekzaag

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 9

Hoofdstuk 2

Beste mmingsre ge ls

10

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 verwachting)

Wonen Leiding - Riool Waarde - Archeologie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting) Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische

10 13 14

Hoofdstuk 3

Algemene regels

20

Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

20 21 22 23 24 25

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

26

Artikel 13 Artikel 14

Overgangsrecht Slotregel

26 27

2

17

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Trekzaag met identificatienummer NL.IMRO.0753.bpTrekzaagong-ON01 van de gemeente Best. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Aan- en uitbouw

Een aan een hoofdgebouw gebouwd bijgebouw. 1.6

Aan huis verbonden beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend. 1.7

Aan huis verbonden bedrijf

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, gericht op consumentenverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang dusdanig is dat de activiteit in een woning en/of daarbij behorende andere gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.8

Achtergevel

Gevel aan de achterzijde van een gebouw, tegenover de voorgevel. 1.9

Achtergevelrooilijn

a. de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd;

4

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

b. indien er geen sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan. 1.10

Afhankelijke woonruimte

Een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.11

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12

Beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 1.13

Bestaand

Een bouwwerk dat op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan: « »

bestaat of in uitvoering is; mag worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag vóór dat tijdstip is ingediend.

1.14

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.15

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.16

Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk, met een dak. 1.17

Bijgebouw

Gebouw dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.18

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.19

Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

5

1.20

Bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.21

Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.22

Bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel. 1.23

Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.24

Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25

Carport

Een overkapping voor de overdekte stalling van motorvoertuigen. 1.26

Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.27

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28

Hoofdgebouw

Een gebouw, dat door zijn ligging, constructie en/of afmetingen gezien de bestemming als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken. 1.29

Huishouden

Een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen, zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree.

6

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

1.30

Kleinschalige bedrijvigheid

Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, waarvan de omvang in een woning met bijbehorende gebouwen past en de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate blijft behouden. Hieronder mede begrepen consumentenverzorging. 1.31

Overkapping

Elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand; 1.32 a. b. c.

Peil

voor een gebouw, gelegen op een afstand van maximaal 4 meter uit de wegkant: de hoogte van de kruin van de weg; voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; indien in, op of over het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil.

1.33

Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding. 1.34

Seksinrichting

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens wordt begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.35

Voorgevel

Gevel aan de voorzijde van een gebouw.

1.36

Voorgevellijn

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel (i.c. de meest gezichtsbepalende gevel) van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen. 1.37

Voorgevelrooilijn

De aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen. 1.38

Vrijstaand bijgebouw

Een van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

7

1.39

Vrijstaande woning

Woning waarbij sprake is van een hoofdgebouw dat vrij van de zijdelingse perceelsgrenzen staat. 1.40

Werk

Een werkzaamheid of constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.41

Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc. 1.42

Wonen

Het bewonen van een woning. 1.43

Woning

Een gebouw dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

8

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

De afstand tot de bestemmingsgrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de bestemmingsgrens. 2.2

De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens

De kortste afstand van het buitenwerkse gevelvlak van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsgrens. 2.3

De afstand tussen gebouwen

De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen. 2.4

De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

De breedte van bouwpercelen

De afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen. 2.6

De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7

De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.8

De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9

De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevelen kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt.

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.

wonen in een woning; aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven; bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals wegen, paden, parkeervoorzieningen, groen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.

d. e.

f.

hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer dan op de verbeelding is aangegeven; de volgende bebouwingstypologie dient te worden aangehouden: 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen gebouwd worden; hoofdgebouwen mogen worden gebouwd in de voorgevelrooilijn of niet meer dan 2 m daarachter; de voorgevelrooilijn mag uitsluitend worden overschreden met een erker, portiek, balkon of luifel, met inachtneming van de volgende regels: 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 6 m2; 2. de afstand tot de voorste perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2 m; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het bijbehorende hoofdgebouw; 4. de afmetingen van een luifel boven de toegang van een woning mag ten hoogste 1,5 m x 1 m bedragen; de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte (m)’.

3.2.2

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen gelden de volgende regels: a.

e. f.

aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'; aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd te worden; de gronden buiten het bouwvlak, die zijn gelegen achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mogen voor maximaal 50oZo worden bebouwd; de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak en aanduiding 'bijgebouwen', bedraagt per perceel niet meer dan voor: 1. percelen kleiner dan 300 m2: 70 m2; 2. percelen vanaf 300 m2: de onder 1 genoemde oppervlakte vermeerderd met 1007o van de overmaat, met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte aan aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 250 m2; de oppervlakte per bijgebouw mag niet meer bedragen dan 70 m2; bij vrijstaande hoofdgebouwen waar de diepte van het perceel 30 m of meer bedraagt, dient één

10

Bestemmingsplan "Trekzaag" (ontwerp)

b. c. d.

g. h. i. j.

k.

der zijstroken met een breedte van ten minste 3 m vrij van aan- en uitbouwen en bijgebouwen te blijven tot de lijn evenwijdig aan en op een afstand van 25 m achter de voorgevelrooilijn; de goothoogte van een aan- of uitbouw mag bij hoofdgebouwen met een goothoogte tot 6 m niet meer dan 3 m bedragen; De bouwhoogte van een aan- of uitbouw mag bij hoofdgebouwen met een goothoogte tot 6 m niet meer dan 5 m bedragen; de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer dan 3 m bedragen; de bouwhoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer dan 5 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- en uitbouw niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5 m.

3.2.3

Kleine hobbyruimten en zwembaden

Voor het bouwen van kleine hobbyruimten van lichte constructie en zwembaden gelden de volgende bepalingen: a. b. c.

de oppervlakte van kleine hobbyruimten van lichte constructie, zoals duivenhokken, volières, buitenrennen en kassen mag niet meer bedragen dan 10 m2; de bouwhoogte van kleine hobbyruimten van lichte constructie mag niet meer bedragen dan 5 m; ten behoeve van de bouw van een openluchtzwembad mag het in lid 3.2.2 onder c genoemde bebouwingspercentage worden verhoogd tot maximaal 7507o, met dien verstande dat de oppervlakte van het openluchtzwembad niet meer mag bedragen dan 100 m2.

3.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. b.

c.

d.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; carports en open overkappingen mogen worden gebouwd, mits aan de volgende eisen wordt voldaan: 1. de carports en overkappingen mogen uitsluitend achter de voorgevellijn van de woning worden gebouwd; 2. de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; 3. de oppervlakte mag niet meer dan 20 m2 bedragen; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12387039/1