CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

23015.3 - Bijlage 1 - Toelichting Bestemmingsplan Trekzaag

Raadsvergadering 20 maart 2023, gemeente BestBij agendapunt: 23015 - Vaststelling Bestemmingsplan Trekzaag25.789 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Trekzaag te Best Gemeente Best Ontwerp

B^O Ruimte I om in te leven

Archiefexemplaar van BL23-01627

- Bijlage 1, bestemmingsplan Trekzaag toelichting en regels

Bestemmingsplan Trekzaag te Best Gemeente Best Ontwerp

Rapportnummer:

P04499

IMRO-nummer:

NL.IMRO.0753.bpTrekzaagong-ON01

Datum:

14 oktober 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Best

Projectteam BRO:

CVe, LvK, TAu

Concept:

13 september 2022

Ontwerp:

14 oktober 2022

Vastgesteld:

--

Trefwoorden:

Nieuwbouw, grondgebonden woningen

Bron foto kaft:

BRO, Abstract 1

Beknopte inhoud:

--

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

B^O Ruimte

om in te leven

Toelichting

Inhoudsgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

3 3 3 5 7

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling

8 8 8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

9 9

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame ontwikkeling 3.2 Provinciaal beleid

9 10 10 11

3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.3 Interim omgevingsverordening 3.3 Gemeentelijk beleid

11 12 13 14

3.3.1 Structuurvisie Best 2030 3.3.2 Woonvisie Best 3.3.3 Luchtkwaliteitsbeleid Best 3.3.4 Beleidsplan energie- en materiaaltransitie 2012-2015

14 16 16 18

4. MILIEUASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Bodem 4.3 Akoestiek 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Geurhinder 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 M.e.r.-beoordeling 4.8 Externe veiligheid 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Cultuurhistorie & Archeologie

Inhoudsopgave

20 20 20 20 21 23 23 24 25 31 31

1

BÜO

4.10.1 Cultuurhistorie 4.10.2 Archeologie 4.11 Flora en fauna 4.12 Water 4.13 Stikstof

32 32 33 35 39

5. WIJZE VAN BESTEMMEN 5.1 Algemeen 5.2 Systematiek

42 42 42

5.2.1 Inleidende regels 5.2.2 Bestemmingsregels 5.2.3 Beschrijving van de bestemmingen

42 43 43

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID EN MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID45 6.1 Economische uitvoerbaarheid 45 6.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid 45 6.2.1 Inleiding 6.2.2 Overleg 6.2.3 Tervisielegging en zienswijzen 6.2.4 Vaststelling

45 45 46 46

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Bijlage 2: Externe veiligheid Bijlage 3: Wateraspect en Reactie Waterschap Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Trilling onderzoek

Inhoudsopgave

2

mo

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding De gemeente is voornemens om het bestemmingsplan voor de kadastrale percelen Best, sectie E, nummers 5986 (ged.), 6207, 6206 en 6215 (ged.) te wijzigen ten behoeve van het realiseren van drie grondgebonden woningen. De bovengenoemde percelen zijn gelegen aan de Trekzaag en liggen momenteel braak. Het plange­ bied ligt binnen het bestemmingsplan ‘Dijkstraten’. Op basis van dit bestemmingsplan is het noordelijk deel van het plangebied bestemd met ‘Woongebied - 5’ en het zuidelijke deel met ‘Wonen’. Functio­ neel gezien zijn de woningen dan ook reeds toegestaan, echter ligt er over het zuidelijke deel geen bouwvlak waardoor het bouwen van een woning niet is toegestaan. Om het voorgenomen plan te realiseren, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet in de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Hierin wordt aan­ getoond dat het initiatief in lijn is met de vigerende beleidskaders en geen negatieve impact heeft op de omgeving en vice versa.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen op een braakliggend terrein, gelegen aan de Trekzaag (ongenummerd) in Best. Kadastraal staat het perceel bekend als gemeente Best, sectie E, nummers 5986, 6207, 6206 en 6215 (ged.). Het plangebied ligt centraal in Best, op circa 200 meter ten noordoosten van het sta­ tion van Best. Tevens is het plangebied nabij de spoorlijn Boxtel-Eindhoven gelegen. Het plangebied wordt van deze spoorlijn gescheiden door de Trekzaag. In de omgeving van het plangebied zijn voor­ namelijk woningen te vinden. Op figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven en in figuur 1.2 is de (globale) begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte ligging volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

3

mo

Best

Figuur 1.1: (Globale) ligging plangebied

E 6215

E 6206

E 6207 E 5819

E 5985

E 5986

E 5984 E 5983

Figuur 1.2: (Globale) begrenzing plangebied

Hoofdstuk 1

4

mo

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied zijn de bestemmingsplannen ‘Dijkstraten’ (vastgesteld op 29 septem­ ber 2011) en ‘Parkeernormen en archeologie’ (vastgesteld op 6 februari 2017) de geldende juridischplanologische kaders. In figuur 3.1 zijn uitsneden afgebeeld van het bestemmingsplan ‘Dijkstraten’.

5Ĵ2G,

T 4-

4 A+ 4 4 '5S63

4 4 EJJS l4 4 4 4 4 4 4\4 4 4 Sv 4

4 4 \4 4 4 4 4 4

4 4 4 4 A4 4 44444444444 4 4 4 4 +Ē225+ 4 4 4„ -A + 4 +V T 4 44444444 +X+ *

4 4\ 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 .4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4\4 4 4\4 4 4 4\4 4 44444 4\ 444 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4\4 4\4 4 4 4 4444444444 4 4 4

trikelbsstemiT rrg woongebied- ŵ

FnkŕibĒS^mminţļ wonm

GebledbāânduiHJiiļc

,?l Jİ.Iİ.H ‘II n - l!' MIMI -V

geluidzone spoor

wniikiilľï - .ai i hmlnyn

Ĺīí'l.'iľd'nMĩiI.llìïJiľrį;

ísiJUWiì.ndiiiiliriļ-;

geluidzone weg

ijgnMīiHvm

íīc,birdr.nr-inrfuìrfin?

gjĵJJ ii lil ieu2Uľp“ - ye uidbyLvoeiliyL rùfKlÌĽ iMtgesfcrten

^ Sd.iľíK.Miiľ.unJiiw .çeiďrneiiļKe woongebieden

Figuur 1.1: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Dijkstraten’

Hoofdstuk 1

5

mo

Bestemmingsplan ‘Dijkstraten’ Binnen het bestemmingsplan ‘Dijkstraten’ heeft het noordelijke deel van het plangebied de enkelbestemming ‘Woongebied - 5’. Binnen deze bestemming mag per bouwperceel één woning worden ge­ realiseerd. Binnen het plangebied mogen enkel twee-aaneen, aaneengebouwde, of vrijstaande wonin­ gen gebouwd worden. Tevens gelden de volgende gebiedsaanduidingen binnen het plangebied: » Geluidzone - spoor » Geluidzone - weg » Milieuzone - geluidsgevoelige functie uitgesloten » Gezamenlijke woongebieden De gebiedsaanduidingen ‘geluidzone - spoor’, ‘geluidzone - weg’ en ‘milieuzone - geluidsgevoelige functie uitgesloten’ hebben betrekking op geluid afkomstig van het spoor en de weg. Om aan te tonen dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zijn toegelicht in paragraaf 4.3 ‘Akoestiek’. Ter plaatse van de aanduiding ‘gezamenlijke woongebieden’ geldt dat het totaal aantal woningen niet minder mag bedragen dan 600 en niet meer dan 790. Tevens mag het aandeel sociale huur- en koop­ woningen niet minder bedragen dan 320Zo van het maximaal aantal woningen.

Bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie’ Binnen het bestemmingsplan ‘Parkeernormen en archeologie zijn de gronden (deels) bestemd met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwach­ ting)’. De hiervoor aangewezen gronden zijn, naast de hier voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Binnen dit gebied zijn bouwwerken met een bouwplan tot een oppervlakte van 2.500 m2 en waarbij de bodem niet dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld wordt verstoord, onderzoeksvrij. Afwijking Voorgenomen plan voorziet in 3 grondgebonden woningen. Op basis van de bestemming ‘Wonen’ die over het zuidelijke deel van het plangebied is gelegen is het bouwen van een woning echter niet toe­ gestaan aangezien er geen bouwvlak over de gronden ligt. Derhalve is een herziening van het be­ stemmingsplan ‘Dijkstraten’ gewenst. Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, regels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de ver­ beelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven.

In de toelichting worden onder andere de keuzes die in het be­ stemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook beschreven wat het vigerende beleid inhoudt en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

Hoofdstuk 1

6

mo

1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk diende als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwik­ kelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vi­ gerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

7

mo

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Trekzaag (ongenummerd) in Best. Het plangebied is gelegen aan de rand van een nieuwe woonwijk die met het bestemmingsplan ‘Dijkstraten’ mogelijk is gemaakt. De woonwijk is gelegen in het gebied dat globaal begrenst wordt door de Ringweg, de Oirschotseweg en de spoorlijn Boxtel-Eindhoven. De locatie ligt in de nabijheid van het centrum van Best en heeft goede ontsluitingsmogelijkheden; met name vanwege de nabije ligging van het station enerzijds en de Ring­ weg anderzijds. De woonbebouwing in de wijk wordt getypeerd door aaneengebouwde of vrijstaande panden met één of twee bouwlagen en kap. Momenteel grenst het plangebied ten noorden, westen en zuiden aan woonbebouwing. Ten oosten grenst het plangebied aan de Trekzaag, met daaraan grenzend de spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een braakliggend perceel. Een impressie van het perceel is afgebeeld in figuur 2.1.

j' *1

Figuur 2.1 Impressie huidige situatie plangebied (bron: Google Streetview)

2.2 Voorgestane ontwikkeling Met onderhavige ontwikkeling wordt beoogd 3 vrijstaande woningen binnen het plangebied te realise­ ren. De woningen zullen qua volume en karakter passen bij de in de omgeving van het plangebied aanwezige bebouwing. Op de verbeelding en in de regels is opgenomen dat de goothoogte maximaal 4 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 10 meter. De bebouwing zal dus uit één bouw­ laag met kap bestaan. Tevens wordt binnen het plangebied voorzien in parkeerplaatsen en groenvoor­ zieningen.

Hoofdstuk 2

8

mo

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwer­ kingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevings­ wet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te verval­ len. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leef­ omgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en com­ plexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereik­ baarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.

Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aan­ pak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: » ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; » duurzaam economisch groeipotentieel; » sterke en gezonde steden en regio’s; » toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleids­ keuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en op­ gaven: 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3) afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

9

mo

Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van nationale belangen waarmee in het bestemmings­ plan rekening moet worden gehouden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestem­ mingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mo­ gelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmings­ plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met een van de nationale belangen. Onderhavige ontwikkeling is dus in overeenstemming met het Barro.

3.1.3 Ladder voor duurzame ontwikkeling Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstede­ lijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvul­ dige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De lad­ der is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzienin­ gen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder terugge­ bracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stede­ lijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Hoofdstuk 3

10

BİĪO

Doorwerking plangebied Met onderhavig planvoornemen wordt de ontwikkeling van 3 vrijstaande woningen mogelijk gemaakt binnen een plangebied waarbinnen de bouw van 2 woningen reeds toegestaan is. Op basis van gel­ dende jurisprudentie geldt dat in het geval van woningbouwlocaties sprake is van een stedelijke ont­ wikkeling vanaf 12 woningen. Het plan voorziet met de (planologische) toevoeging van 2 woningen dan ook niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor de voorge­ stane ontwikkeling en daarmee voldoet het bestemmingsplan aan de ladder.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze actualisa­ tie van de visie van 2010 geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Sa­ men vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier structuren zijn: 1. de groenblauwe structuur; 2. de infrastructuur; 3. het landelijk gebied; 4. de stedelijke structuur. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stedelijke structuur en behoort tot het ‘Stedelijk concentra­ tiegebied’. De stedelijke concentratiegebieden zijn aangewezen aangezien de provincie Noord-Brabant het belangrijk vindt dat er in Noord-Brabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied.

De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructure­ ring en het beheer van het bestaand stedelijk gebied. Rond de steden is de schaal van de verstedelijkingsopgave van een andere orde, dan in de gebieden aan de randen van Brabant. Door de verstede­ lijking te concentreren zijn er meer mogelijkheden om een hoog voorzieningenniveau in stand te hou­ den en verder te ontwikkelen. Dat gebeurt rond goed ontsloten gebieden, zoals in dynamische stads­ centra en op knooppunten van infrastructuur.

Hoofdstuk 3

11

mo

Doorwerking plangebied Het plangebied is conform de structuurvisie gelegen binnen het stedelijk concentratiegebied. De con­ centratie van verstedelijking vindt plaats in het zogenaamde 'kralensnoer' van steden (met omliggende kleinere kernen) op de overgang van zand naar klei (van Bergen op Zoom tot aan Oss) en rond de steden op het zand (Eindhoven - Helmond, Tilburg en Uden - Veghel). Hier wordt de bovenlokale groei van de verstedelijking opgevangen. Met onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in een inbreidingsplan in het stedelijk concentratiege­ bied. Het bestaand stedelijk gebied wordt hiermee geïntensiveerd en de gewenste verstelijking wordt op deze wijze verder uitgewerkt. De ontwikkeling is in lijn met de structuurvisie. 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de voorheen geldende structuurvisie. Met de omgevingsvisie formu­ leert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provin­ cie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van pro­ gramma’s.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikke­ ling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvul­ dig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma’s) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikke­ ling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omge­ vingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen be­ lemmering vormen voor de ontwikkeling zelf.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

Hoofdstuk 3

12

BİĪO

3.2.3 Interim omgevingsverordening Van 24 mei 2019 tot en met 20 juni 2019 heeft het ontwerp van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegen. De definitieve versie van de Interim omgevingsverordening is op 4 november 2019 gepubliceerd en is op 5 november 2019 in werking getreden. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrek­ king tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruim­ telijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het sys­ teem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Io zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Binnen een hoofdstuk is een verdeling gemaakt naar relevante beleidsthema’s waarbij per hoofdstuk zoveel mogelijk eenzelfde volgorde is gekozen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is met name hoofdstuk 3 van belang.

Hierin zijn namelijk de instructieregels opgenomen die gemeen­ ten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke or­ dening. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen paragraaf 3.1.2 van de Interim om­ gevingsverordening. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. Doorwerking plangebied In dit geval is het projectgebied, conform de kaart met daaraan gekoppeld de instructieregels voor ge­ meenten uit hoofdstuk 3 van de Interim omgevingsverordening, gelegen in het stedelijk gebied en bin­ nen concentratiegebied. Hierna wordt achtereenvolgens aan de relevante artikelen van de Io getoetst. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzie­ ningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwer­ ken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b.

bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebie­ den; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

Hoofdstuk 3

13

BİĪO

d. e. f.

houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Het plangebied bevindt zich in bestaand stedelijk gebied, waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtege­ bruik. Tevens wordt in hoofdstuk 4 toegelicht dat er ter plaatse sprake is van een goede omgevings­ kwaliteit. Ook wordt er in de verdere planuitwerking rekening gehouden met de mogelijkheden de wo­ ningen duurzaam te bouwen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Best 2040: dorp van formaat De Omgevingsvisie Best 2040 is in januari 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de omgevingsvisie wordt een beeld van de gemeente Best in 2040 geschetst en worden de trends en ontwikkelin­ gen die op de gemeente afkomen beschreven. Daaruit zijn drie integrale kernopgaven geformuleerd: » Ruimte voor comfortabel wonen; » Versterken van de groene leefomgeving; » Bouwen aan een vitale en schone economie. Het plangebied ligt in de zone 'Gezonde, duurzame en inclusieve wijken', kernopgave 'Ruimte voor comfortabel wonen' (Bron: Omgevingsvisie Best 2040)

Hoofdstuk 3

14

mo

Oat»*

urtratMM iwcMti

500**

Figuur 3.1 Ruimtelijke vertaling van de kernopgave: 'Ruimte voor comfortabel wonen' (Bron: Omgevingsvisie Best 2040).

De ambities voor 2040 die van toepassing zijn op het planvoornemen zijn: » Best ontwikkelt zich verder als comfortabele woongemeente, met een diversiteit aan woningen en woningmilieus; » De woningvoorraad en fysieke leefomgeving zijn duurzaam, aangepast aan het veranderende kli­ maat dragen positief bij aan de energietransitie en circulaire economie. Best zet in op herontwikkeling en transformatie van bestaand stedelijk gebied en het buitengebied.

Hoofdstuk 3

15

mo

Doorwerking plangebied Er is een grote vraag naar woningen in Best. Het planvoornemen voorziet in de mogelijk tot het reali­ seren van drie woningen binnen bestaand woongebied. Het is een goed voorbeeld van inbreiding waarbij de onbebouwde zorgvuldig wordt gebruikt. Bij het opstellen van het bouwplan zal rekening worden gehouden met de karakteristieken van de omgeving van het plangebied zodat de woning qua maat en schaal past in de omgeving. 3.3.2 Woonvisie Best Op 6 maart 2017 heeft de gemeente Best haar woonvisie ‘Wonen met visie’ vastgesteld. Deze visie is een doorkijk naar het wonen in Best voor de komende jaren. Tevens is het een belangrijke bouwsteen voor de omgevingsvisie. De gemeente heeft gesteld dat de woningvoorziening in lijn moet zijn met de­ mografische ontwikkeling en de marktvraag en dat deze afgestemd dient te zijn met de regio. Tevens dient er ook een evenwichtige verdeling te zijn van de verdeling huur en koop. Hierbij wordt speciale aandacht gevraagd voor wonen en zorg, woningen voor drie generaties, levensloopbestendige wonin­ gen, flexibiliteit van de woningen, betaalbaarheid voor lage inkomens en woningen voor de middenhuurgroep. Ook zal de woningvoorraad uitgebreid gaan worden. Er wordt bovendien gesteld dat er een grote behoefte is aan huurwoningen. Doorwerking plangebied Voorgenomen plan voorziet in de realisatie van drie koopwoningen.

Op basis van de woonvisie kan gesteld worden dat er vraag is naar dergelijke woningen, waardoor er sprake is van het voldoen aan een kwalitatieve behoefte. Er bestaat ook een kwantitatieve behoefte binnen de gemeente, waaraan met onderhavig plan ook bijgedragen wordt. Daarmee is het planvoornemen in lijn met de ‘Woonvisie Best’. 3.3.3 Luchtkwaliteitsbeleid Best Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zal afgewogen moeten worden of het aanvaard­ baar is om een project op een bepaalde locatie te realiseren. Daarbij spelen zowel de mate van bloot­ stelling als de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen een rol. Omdat de gemeente veel waarde hecht aan de gezondheid van de burgers, worden ruimtelijke plannen uitdrukkelijk getoetst aan de goede ruimtelijke ordening en dit komt dan ook tot uitdrukking in het gemeentelijke luchtkwaliteitsbe­ leid. Het luchtkwaliteitsbeleid van de gemeente Best is onder meer gestoeld op het landelijke Besluit Ge­ voelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en verankerd in de beleidsnota’s: » Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant (18 maart 2014); » Uitvoeringsprogramma Lucht 2015-2020 (vastgesteld door B&W d.d. 15 september 2015).

De Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen is bedoeld voor de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor luchtvervuiling: kinderen, ouderen en zieken en geeft aan op

Hoofdstuk 3

16

BİĪO

welke afstand van de weg een gevoelige bestemming moet komen in geval van hoge concentraties vervuilde stoffen in de lucht. In de handreiking is geformuleerd dat binnen een afstand van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg geen nieuwe gevoelige be­ stemmingen in de eerstelijnsbebouwing worden geprojecteerd. Dit is een aanvulling op het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) van 2009 in die zin dat deze randvoorwaarde geldt, los van de vraag of sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden. Voor drukke gemeentelijke wegen (circa 10.000 motorvoertuigen/etmaal of meer) is in de handreiking opgenomen dat binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg, geen nieuwe ge­ voelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing mogen worden geprojecteerd. Ook dit is een aan­ vulling op het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en geldt eveneens los van de vraag of sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden. In het ‘Uitvoeringsprogramma Lucht 2015-2020’ geeft de gemeente - als vervolg op het Inventarisatierapport Luchtkwaliteit 2008 en Luchtkwaliteitsplan 2009 - verder invulling aan haar beleidsdoelstellin­ gen. Daarnaast geeft het invulling aan het beleidsakkoord 2014-2018 en het Milieubeleidsplan dat de raad heeft vastgesteld.

Het uitvoeringsprogramma geeft een actueel beeld van regelgeving, beleid en getroffen maatregelen en geeft daarnaast een overzicht van de maatregelen voor de komende 5 jaar met een positieve bijdrage op de luchtkwaliteit en een gunstig effect op de gezondheid. Met het uit­ voeringsprogramma wil de gemeente bereiken dat: » De concentratie (ultra)fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) onder de wittelijke norm blijft; » Luchtkwaliteit structureel wordt meegenomen in de besluitvorming omtrent ruimtelijke en infra­ structurele ontwikkelingen ten aanzien van wonen en werken; » Kwetsbare groepen niet worden gehuisvest op nieuwe locaties waar sprake is van hogere concen­ traties luchtverontreinigende stoffen (i.c. drukke (snel)wegen); » Door communicatie, voorlichting, acties en maatregelen de bijdrage van inwoners, bedrijven en gemeente aan een verbetering van de luchtkwaliteit toeneemt. Doorwerking plangebied Het huidige beleid vormt geen belemmering voor het plan omdat het plan uitsluitend in woningen voor­ ziet en daarmee niet voorziet in luchtgevoelige bestemmingen. Naast de specifieke regels voor luchtkwaliteit geldt er voor ruimtelijke planvorming ook een algemeen juridisch kader voor het afwegen van ruimtelijke aspecten, aangeduid als ‘goede ruimtelijke ordening’. Het aspect luchtkwaliteit wordt verder verantwoord in paragraaf 4.4 ‘Luchtkwaliteit’.

Hoofdstuk 3

17

mo

3.3.4 Beleidsplan energie- en materiaaltransitie 2012-2015 Dit beleidsplan beschrijft de kaders en ambities van de gemeente ten aanzien van duurzaamheid. De gemeente Best sluit aan bij de regionale ambitie om energieneutraal en afvalloos te worden. De ge­ meente richt zich hierbij op het jaar 2030. Er wordt gestreefd naar energieneutraliteit, dat wil zeggen dat er sprake is van een hogere ambitie dan de afspraak die door de VNG met het Rijk is gemaakt. De ambitie bestaat uit energiebesparing en duurzame opwekking: » 400Zo energiebesparing in 2030 ten opzichte van 2010; » 1000Zo van het energieverbruik in 2030 duurzaam opwekken. In het beleidsplan worden de volgende speerpunten genoemd: 1. Duurzaamheid in meerjarenonderhoudsplannen van gemeentelijke gebouwen; 2. Duurzame warmte uit biomassa voor de wijk Dijkstraten; 3. Prijsvraag energienulwoningen door lokale partijen; 4. Energiebesparing Openbare Verlichting; 5. Duurzame revitalisering bedrijventerreinen; 6. Infrastructuur elektrisch vervoer. Als concrete maatregelen om de doelstellingen te bewerkstelligen kunnen worden genoemd de rand­ voorwaarden voor woningbouw: A) voor nieuwbouw: » Realiseren van een Energie Prestatie op Locatie-score (EPL-score) van 7,0 of hoger bij woning­ bouwprojecten met meer dan 200 woningen. Een EPL-score wordt uitgedrukt in een cijfer van 1 tot 10.

Bij een score van 10 is een wijk energie-neutraal; » Berekenen van de milieubelasting van nieuwe gebouwen middels het instrument ‘GPR Gebouw’. Nieuwe woningen dienen op alle thema’s een score van GPR 7 te behalen. » 100Zo EPC (Energie Prestatie Coëfficiënt) verscherping bij nieuwe woningen. B) Voor bestaande bouw: » 20Zo jaarlijkse energiebesparing in de bestaande bouw; » Duurzaam beheer en renovatie van erfgoed. Duurzaam gebruik van erfgoed wordt gestimuleerd. Door middel van het toepassen van onderzoeks­ methoden om hergebruik en herbestemming van leegstaande historische gebouwen te bevorderen wordt de intrinsieke waarde en de economische waarde van de gebouwen vergroot. Om tijdig tege­ moet te komen aan de doelstellingen die vanuit duurzaam bouwen aan de prestaties van bestaande gebouwen gesteld worden, zal de gemeente bij de herbestemming van historische gebouwen en com­ plexen, een zogenaamde DuMo-toets (Duurzame monumentenzorg) uitvoeren. De gemeente Best gaat eigenaren van historische gebouwen op verschillende manieren stimuleren om met gebruik van slimme toepassingen deze gebouwen energievriendelijker te maken. Ook ten aanzien van verkeer en vervoer heeft de gemeente zich een aantal doelstellingen gesteld: » Stimuleren openbaar vervoer en fietsverkeer; » Faciliteren duurzame verkeersinfrastructuur; » Besparing en/of verduurzaming brandstoffen met 107o per jaar.

Hoofdstuk 3

18

BİĪO

Naast de verantwoordelijkheid voor keuzes in de eigen organisatie en maatregelen op het gebied van woningbouw en verkeer en vervoer is de gemeente beheerder van de Openbare Ruimte. Duurzaam beheer en onderhoud is belangrijk voor een goede kwaliteit van de openbare ruimte en schept moge­ lijkheden voor zowel energie- als materiaaltransitie. Een kenmerkend onderdeel van de openbare ruimte is het openbaar groen. Bij het onderhoud en beheer van parken, plantsoenen en bomen komt jaarlijks een grote hoeveelheid hout-, snoei- en bladafval vrij. Een deel hiervan is bijzonder geschikt voor energieopwekking en wordt daar momenteel ook voor gebruikt. Ook andere afvalstromen worden zo duurzaam mogelijk verwerkt. Als randvoorwaarden voor de openbare ruimte kunnen worden ge­ noemd: » 400Zo opwekking en/of inkoop duurzame energie; » 7507o duurzaam inkopen; 1000Zo vanaf 2015; » Duurzaam beheer openbare ruimte; » Toepassing energiezuinige Openbare Verlichting; » Duurzame toepassing groenstromen. Doorwerking plangebied De woningen zullen in ieder geval conform de geldende juridische kaders worden gebouwd. Zo zullen de woningen voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In het kader van het planverloop worden de mogelijkheden voor het verhogen van de energieprestatie van de wonin­ gen bekeken.

Hoofdstuk 3

19

mo

4.

MILIEUASPECTEN

4.1

Inleiding

Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente, milieuaspecten als ge­ luid, bodem en hinder van bedrijven, archeologie en economische haalbaarheid. Ook onderhavig plan is getoetst voor wat betreft de uitvoerbaarheid ervan op bovengenoemde aspecten. In dit hoofdstuk is aangegeven wat de resultaten zijn van de toets aan de milieuhygiënische aspecten.

4.2 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodem­ kwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhy­ giënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig veront­ reinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebrui­ kers of het milieu. Doorwerking plangebied Het plangebied is reeds bestemd voor de functie wonen. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dan ook reeds geschikt voor deze functie en vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.3 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zo­ als woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: » wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; » wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de spoorlijn Boxtel-Best. Hierom is door Kragten een akoestisch onderzoek verkeerslawaai uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de relevante 30 km/uur wegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. In dit onderzoek is de geluidsbelasting getoetst aan het stelsel van

Hoofdstuk 4

20

mo

voorkeurswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. De belangrijkste conclusies zijn onderstaand beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlagen. Spoorweglawaai De geluidbelasting vanwege de spoorlijn Boxtel-Best bedraagt hoogstens 67 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor de spoorlijn wordt hiermee niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde wordt wel gerespecteerd. Maatregelen om de geluidbelasting te verminderen zijn onderzocht, maar stuiten op overwegende bezwaren. Het besluit voor het opleggen van hogere waarden vanwege railverkeerslawaai is bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd. Na het ne­ men van een hogere waarden besluit legt de Wet geluidhinder verder geen restricties op aan de reali­ satie van het plan ten aanzien van het aspect spoorweglawaai. Goede ruimtelijke ordening Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de onderzochte wegen Hoofdstraat/Oirschotseweg, de Trekzaag en de Spoorlaan wordt gerespecteerd. De Wet geluidhinder wordt hiermee geaccepteerd en daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde ongecorrigeerde geluidbelasting door het wegverker (inclusief 30 km/uur-wegen) bedraagt maximaal 66 dB. Doorwerking plangebied Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect ‘akoestiek’.

4.4 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Een nieuw initiatief is niet relevant als aanneme­ lijk kan worden gemaakt dat de luchtkwaliteit “niet in betekenende mate” aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. Toetsingskader In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouw­ locaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Ook dient bij de realisatie van woningen gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in de huidige situa­ tie. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer.

De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide

Hoofdstuk 4

21

mo

en stikstofoxiden, fijnstof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grens­ waarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighe­ denwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 ijg/m3

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 jg/irP

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 jg/irP

Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Toetsing voor het aspect lucht­ kwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk. Er kan op voorhand worden geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Om deze reden zijn de achtergrondwaarden (m.b.t. de luchtkwaliteit) ter plaatse van het plangebied onderzocht middels de NSL-monitoringstool. De navolgende tabel laat de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meet­ punten zien. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden hier ruim onder de norm liggen. Hier­ door kan worden gezegd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefkli­ maat met betrekking tot de luchtkwaliteit. ID

NO2 ug/m3

PM10 ug/m3

PM10 overschrijdingsdagen

PM2.5

27996

19.6

19.3

7.1

12.0

27994

19.5

19.3

7.1

12.0

27995

19.6

19.3

7.1

12.0

27754

20.6

19.3

7.1

11.9

Norm

40

40

35

25

Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de luchtkwaliteit en vice versa. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Hoofdstuk 4

22

mo

4.5 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuver­ gunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wet geurhinder en veehouderij de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderij­ bedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt alleen de ont­ wikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wet geurhinder en veehouderij vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening, is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweele­ dig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van vee­ houderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied zijn er geen veehouderijen die een negatieve invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat wat betreft het aspect geur. Vice versa zijn er ook geen veehouderijen die in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de beoogde woningen. Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.6 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspec­ ten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden ge­ hanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Wanneer aan de afstanden worden voldaan is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten.

Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ruimtelijke ordening) en daardoor speci­ fieke afstanden. Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven

Hoofdstuk 4

23

mo

en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf bui­ ten beschouwing gelaten behandeld in paragraaf 4.6. Twee omgevingstypen De toelaatbaarheid van milieubelastende functies die volgens de VNG worden gehanteerd zijn afhankelijk van het type gebied. Er bestaan twee type gebieden, te weten: 1. een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied) of; 2. een gebied met functiemenging. Binnen de gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Di­ rect naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voor­ beelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkel­ centra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid en gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich aan de rand van een woonwijk, maar ligt tegen het centrum van Best aan. Er bevinden zich in de nabijheid van het plangebied dan ook diverse bestemmingen. Op het noordoostelijke perceel direct gelegen naast het plangebied is zakelijke dienstverlening toege­ staan. Zakelijke dienstverlening (kantoren) heeft een milieucategorie 1.

Binnen een gemengd gebied geldt dat deze functie direct naast gevoelige functies gesitueerd kan zijn. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 55 meter, bevinden zich een aantal ge­ mengde bestemmingen. Momenteel bevindt zich hier detailhandel en horeca (een restaurant, brocante en een kledingwinkel). Voor deze functies geldt een milieucategorie 1, met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.7 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffect­ rapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoor­ deeld of een m.e.r.-procedure nodig is.

Hoofdstuk 4

24

mo

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: » belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzake­ lijk; » belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrappor­ tage worden opgesteld. Het voorziet in 3 grondgebonden woningen. Op basis van de bestemming ‘Wonen’ die over het zuide­ lijke deel van het plangebied is gelegen is het bouwen van een woning echter niet toegestaan aange­ zien er geen bouwvlak over de gronden ligt. Er is geen sprake van een activiteit op basis van het Be­ sluit m.e.r, omdat het vigerende bestemmingplan wonen reeds toestaat.

4.8 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het ge­ bruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water, spoor en door buisleidingen. Productie en bijvoorbeeld vervoer van gevaarlijke stoffen leggen beperkingen op aan de directe omge­ ving en dus de ruimtelijke ontwikkeling. Zo zijn tussen bijvoorbeeld LPG-tankstations en woningen veiligheidsafstanden nodig. Om de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk benutten, is het noodzakelijk het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid goed af te stemmen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt in twee normeringen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de mil­ joen (10-6). Dat betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een gevaarlijke fabriek maximaal maar ééns per 1 miljoen jaar mag overlijden door een ongeluk in die fabriek. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk.

Het groepsrisico (GR) legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtof­ fers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. Verande­ ringen boven of onder deze waarde moeten worden verantwoord. Hierbij kan aandacht worden be­ steed aan de veiligheid van de risicovolle situatie, de gevolgen voor de omgeving, de hulpverlening en de zelfredzaamheid van omwonenden. Risicobronnen Mogelijke risicobronnen waarbij in ruimtelijke besluitvorming rekening moet worden gehouden zijn: » transport van gevaarlijke stoffen (per spoor, weg, water, buisleidingen);

Hoofdstuk 4

25

mo

»

bedrijvigheid (inrichtingen die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtin­ gen (Bevi)).

Doorwerking plangebied Er is door Kragten een quickscan externe veiligheid uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelich­ ting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele quickscan wordt verwezen naar de bijlagen. In het kader van het onderzoek naar het planvoornemen dienen de externe veiligheidsrisico’s ten ge­ volge van activiteiten in de direct omgeving te worden geïnventariseerd. Onderstaand wordt ingegaan op de eventuele risico’s van transportassen, buisleidingen en inrichtingen. Transport over waterwegen De planlocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over wegen Voor het plangebied is enkel de rijksweg A58 relevant. Deze weg is opgenomen in Basisnet. Gelet op de ruimtelijke scheiding is plaatsgebonden risico en het PAG van deze weg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plan op meer dan 200 meter van deze rijksweg is gelegen, hoeft de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico niet te worden berekend. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze weg.

Hierdoor dienen de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor Op een afstand van 30 meter vanaf de beoogde rooilijn van de woningen binnen het plangebied be­ vindt zich de spoorlijn Boxtel - Eindhoven (route 12). Deze spoorlijn is opgenomen in het Basisnet Spoor. Gelet op de ruimtelijke scheiding is het plaatsgebonden risico en het PAG geen aandachtspunt voor het plan. Aangezien het plangebied is gelegen binnen een afstand van 200 meter van het spoor is het groepsrisico middels een RBM II-berekening kwantitatief bepaald. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over het spoor (BLEVE, toxisch en plasbrandscenario) worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico. Bepaling hoogte groepsrisico spoor Voor de spoorlijn Boxtel - Eindhoven (route 12) is sprake van een PR 10-6-contour van 1 meter en een PAG. Gezien de afstand van de beoogde rooilijn binnen het plangebied tot de spoorlijn (30 meter) vor­ men deze aspecten geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 4

26

mo

Naast het plaatsgebonden risico is de hoogte van het groepsrisico een aandachtspunt bij de planvor­ ming. Als gevolg van de planontwikkeling vindt een marginale verhoging van de personendichtheid plaats. Het groepsrisico neemt niet toe door planrealisatie en bedraagt minder dan de oriëntatiewaarde. De voorgenomen planontwikkeling is niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding waardoor transport van gevaar­ lijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidin­ gen vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan het invloeds­ gebied tot over het plangebied reikt. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Verantwoording hoogte groepsrisico De verantwoording van het groepsrisico heeft betrekking op de beschreven relevante risicobronnen. Bevt - Water-, weg- en spoorwegtransport In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groeps­ risico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht.

In een beperkte ver­ antwoording worden de volgende aspecten beschouwd: a) mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; b) ) zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. Ad a) Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met een toxisch scenario. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en de weg, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met de volgende scenario’s. BLEVE-scenario Een BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.

Hoofdstuk 4

27

mo

Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen of -wagon met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Een toxische plas zal vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plange­ bied drijven. Plasbrandscenario Een plasbrand kan ontstaan als gevolg van het instantaan falen van een tank(wagon) op de route ver­ voer gevaarlijke stoffen. Bij het instantaan falen van een tank met zeer brandbare vloeistoffen zal een plas met zeer brandbare vloeistoffen ontstaan die bij ontsteking tot een plasbrand leidt. De ontwikke­ ling van dit scenario zal vrij snel plaatsvinden waardoor vluchten niet altijd mogelijk is. Slachtoffers zul­ len vooral vallen onder de mensen in de plas of in de directe omgeving van de plas. Daarnaast be­ staat er de kans op brandoverslag naar gebouwen die in de directe omgeving van het incident zijn ge­ legen.

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereik­ baarheid” van Brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevin­ den.

Hoofdstuk 4

28

mo

Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of -wagon meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagon of -container tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aan­ wezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. In geval van een plasbrand zal de inzet van de brandweer vooral gericht zijn op blussen van de plas­ brand en eventuele secundaire branden.

Ad b) Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Het plan betreft de realisatie van 3 woningen, die niet specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Het uitgangspunt is dat de aanwezige personen zich bij een eventuele dreigende si­ tuatie zelfstandig (of met hulp van overige aanwezigen) in veiligheid kunnen brengen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezi­ gen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de spoorweg af te richten. Op die ma­ nier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing binnen het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12387039/1