CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8 - Buitengebied Best 2021 vast te stellen toelichting

Raadsvergadering 26 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied36.356 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Een voor de realisering van het ruimtelijk beleid belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan buitengebied is het aanlegvergunningstelsel. Het doel van dit stelsel is het voorkomen dat bepaalde specifieke waarden die het gebied herbergt als gevolg van bepaalde activiteiten op onevenredige wijze worden geschaad. Dit speelt met name in die gebieden waar sprake is van verweving van functies, zoals in het 'Agrarisch met waarden –Landschap' en 'Agrarisch'. Voor het uitvoeren van bepaalde werken of werkzaamheden moet een vergunning worden afgeven door Burgemeester en Wethouders voordat met die werken of werkzaamheden kan worden begonnen. Bij het afgeven wordt getoetst aan de in het bestemmingsplan opgenomen criteria. Hierbij kan een ter zake deskundige worden gehoord. Uitgangspunt van het opgenomen stelsel vormt het eerdere vergunningstelsel dat is opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006'. Dit is zonodig aangepast aan de eisen, die worden gesteld door de IOV. Het stelsel van een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden wordt opgenomen ter bescherming van onder meer de volgende waarden: a.

46

ecologische en natuurwaarden;

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

b. c. d. e. f.

landschappelijke waarden; landschapselementen; archeologisch en aardkundige waardevolle gebieden; cultuurhistorisch waardevolle gebieden. waterhuishoudkundige situatie.

Afwegingskader Veel werken en werkzaamheden hebben tot doel een verbetering van de waterhuishouding, verkaveling en ontsluiting van agrarische gronden. De diverse landbouwsectoren stellen aan de basisinrichting deels verschillende eisen. Het landbouwkundig belang van deze werken en werkzaamheden is daarmee afhankelijk van het belang van verbetering van deze inrichtingsfactoren voor de specifieke landbouwsector. De volgende factoren spelen daarbij een rol: de grondgebondenheid van de productie (akkerbouw, tuinbouw); de gevoeligheid / hoogwaardigheid van de teelt (tuinbouw); de intensiteit van het grondgebruik door grondbewerking; de afstand tot bedrijfsgebouwen (voor akkerbouw is exploitatie van gronden op afstand veelal goed in te passen in een doelmatige bedrijfsvoering; melkveehouderij, vollegrondstuinbouw en fruitteelt vragen een directere relatie met de bedrijfsgebouwen). In hoeverre de werken en werkzaamheden schadelijk zijn voor de aanwezige waarden is afhankelijk van: de precieze locatie van de uit te voeren werken en werkzaamheden; de omvang, (diepte, oppervlakte); het tijdstip van de uitvoering; de wijze van uitvoering.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

47

Werkzaamheden (buiten bouwvlakken): a.

b. c. d. e. f. g. h. i.

4.3

aanleggen van oppervlakteverhardingen (afwegingskader: voorkomen van aantasting van landschapswaarden, is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling ten behoeve van vasthouden van water i.p.v. versneld afvoeren); afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; (afwegingskader: voorkomen van aantasting van archeologische waarden, natuur- en landschapswaarden); het graven en dempen van poelen, sloten en greppels; (afwegingskader: voorkomen van aantasting van grondwaterafhankelijke natuur EN waterberging); aanleggen drainage; (afwegingskader: voorkomen van aantasting van grondwaterafhankelijke natuur EN waterberging); beplanten van gronden met hoogopgaande beplanting / houtgewas; (afwegingskader: voorkomen van aantasting van de landschappelijk waardevolle openheid); vellen of rooien van houtgewas; (afwegingskader: voorkomen van aantasting bestaande waardevolle landschaps- en natuurwaarden); aanleg van (hoge) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen , met een omvang van > 3 ha (afwegingskader: voorkomen van aantasting van landschapswaarden); het wijzigen van de perceelsindeling, zoals door sloten, greppels en beplantingselementen is aangegeven; (afwegingskader: voorkomen van aantasting van een karakteristieke historische verkavelingsstructuur); gebruik van gronden voor boomteelt; (afwegingskader: voorkomen van negatieve gevolgen voor waterhuishouding nabij

gelegen natte natuurgebieden).

Regeling waterhuishoudkundige aspecten

Hydrologisch neutraal ontwikkelen In het “Nationaal bestuursakkoord water” is de verplichting opgenomen om hydrologisch neutraal te bouwen. Onderhavig bestemmingsplan is beheersmatig van aard en maakt geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk die een significante impact hebben op de waterhuishouding. Voor de in dit ontwerp meegenomen kleinschalige ontwikkelingen (zoals opgenomen in paragraaf 6.3 van deze toelichting) heeft een afzonderlijke watertoets plaatsgevonden. Voor de geboden ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat de uitgangssituatie van het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren. Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient te worden voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt. De gemeente streeft naar het vasthouden van gebiedseigen water door benutting van de natuurlijke bergingscapaciteit van bodem en oppervlaktewater. Transport van schoon hemelwater via de riolering moet worden vermeden. Uitgangspunt voor 'omgaan met afstromend hemelwater' is de voorkeursvolgorde; hergebruik – vasthouden – bergen - afvoeren. Het hemelwater dient zoveel mogelijk te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden verwerkt.

Het hemelwater dient zoveel mogelijk ter plaatse de bodem in te worden geleid, zonodig via hemelwater verwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Indien dit niet mogelijk is kan in overleg met het waterschap worden bekeken in hoeverre vertraagde afvoer naar het oppervlakte water mogelijk is. Indien een voornemen leidt tot een verhardingstoename van meer dan 500 m2 vindt in alle gevallen een toets plaats aan de eis dat er sprake moet zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen conform de Keur, beleidsregels en algemene regels van het betreffende waterschap, waarbij door het waterschap extra bergingscompensatie wordt verreist. Bij een verhardingstoename van minder dan 500 m2 geldt geen extra bergingscompensatie, maar dient het hemelwater wel worden afgekoppeld en op eigen terrein te worden verwerkt, conform de gemeentelijke randvoorwaarden.

48

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Het waterschap ziet teeltondersteunende voorzieningen met plastic ook als verhard oppervlak waarvan hemelwater mogelijk versneld tot afvoer kan komen. Bij dergelijke ontwikkeling is dan ook eveneens het principe van hydrologisch neutraal ontwikkeline van toepassing. Waterlopen In het buitengebied komen vele waterlopen voor. In dit bestemmingsplan zijn de hoofdwatergangen (zgn. A-watergangen volgens de legger watergangen van het waterschap) op de verbeelding opgenomen en tot 'Water' bestemd. Betreffende gronden mogen enkel in overeenstemming met hun functie gebruikt worden en zijn mede bestemd voor 'behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers. De bijbehorende beschermingszone (5 meter aan weerszijde van de waterloop) wordt reeds geregeld in de Keur en Legger, maar is volledigheidshalve ook verbaal in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Waterwingebied / Boringsvrije zone In het oosten van het plangebied bevindt zich een gedeelte van een waterwingebied, dat voor het overige gedeelte is gelegen binnen de gemeente Son en Breugel, waar zich ook het pompstation bevindt. Het gedeelte van het waterwingebied binnen het plangebied is op de verbeelding voorzien van de bestemming 'Natuur Waterwingebied'.

Hiervoor is conform het geldende bestemmingsplan alsmede de provinciale milieuverordening een specifieke beschermingsregeling opgenomen in het bestemmingsplan. Deze gronden zijn voorbehouden aan functies, die ten dienste staan van de openbare watervoorziening. Daarnaast is ook een natuur- of bosbestemming mogelijk. Rondom het waterwingebied is een boringsvrije zone ingesteld, die ook deels binnen onderhavig plangebied is gesitueerd. Deze zone is als zodanig conform de IOV op de verbeelding opgenomen 'overige zone – boringsvrije zone'. In de boringsvrije zones gaat het erom dat fysieke aantastingen van de bodem worden vermeden, met name om de beschermende kleilaag in de bodem heel te houden. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de ontwikkeling van bodemenergiesystemen bij de ontwikkeling van nieuwe functies. Rioolleidingen De in het plangebied aanwezige rioolwatertransportleidingen, alsmede de bijbehorende beschermingszone, zijn in het bestemmingsplan opgenomen middels een specifieke dubbelbestemming 'Leiding – Riool'. Deze beschermingszone, de zogeheten zakelijke rechtstrook, bedraagt voor leidingen tot 400 mm 5 meter aan weerszijden van het hart van de leiding, voor leidingen groter dan 800 mm bedraagt deze zone 15 meter. Binnen het plangebied betreft dit de leiding ten oosten van de Ringbaan/Wilg. Binnen deze aangeduide beschermingszone zijn de bouwmogelijkheden beperkt.

Waterbergingsgebieden Waterbergingsgebieden zijn noodzakelijk om eventuele wateroverlast uit regionale watersystemen (beken, waterlopen) tegen te gaan. Door wijziging van de gemeente- en plangrens bevinden zich geen provinciaal aangeduide waterbergingsgebieden binnen het plangebied.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

49

50

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Hoofdstuk 5 Bestemmingsregeling sociaal economisch gebruik 5.1

Bestemmingswijze bestaande agrarische bedrijven

5.1.1 Volwaardigheid agrarisch bedrijf (volwaardig of voormalig agrarisch bedrijf) In de afgelopen jaren hebben veel veranderingen plaatsgevonden bij agrarische bedrijven. Agrarische bedrijven zijn gegroeid, gestopt, verbreed of hebben andere wijzigingen doorgemaakt. Deze wijzigingen zijn niet allemaal planologisch zijn vastgelegd, waardoor er nu de nodige afwijkingen bestaan tussen de feitelijke situatie en de planologische situatie van diverse (voormalige) agrarische bedrijfslocaties in Best. Het is belangrijk dat in dit nieuwe bestemmingsplan de feitelijke situatie met de planologische situatie overeen komt. Tegelijkertijd is het belangrijk om hierbij in overweging te nemen welk type ontwikkeling op welke locatie wenselijk is. Niet overal is bijvoorbeeld een wijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonfunctie wenselijk. Datzelfde geldt voor het hergebruik van een nu kleinschalige locatie door een andere grote agrarische ondernemer. In dit bestemmingsplan is derhalve met betrekking tot volwaardigheid conform de Nota van Uitgangspunten een onderverdeling gehanteerd. 1.

2.

Volwaardige agrarische bedrijven: cf het geldend bestemmingsplan is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf als sprake is van > 35 Nge (dat is 0,5 fte). Deze bedrijven zijn voorzien van de geldende bestemming 'Agrarisch – agrarisch bedrijf'; Voormalige agrarische bedrijven: dit betreft bedrijfslocaties, die voorheen nog waren bestemd als 'agrarisch bedrijf', maar waar nu geen sprake meer is van bedrijfsmatige agrarische activiteiten. Wanneer herbestemming (nog) niet mogelijk is voor deze locaties is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – vrijkomende agrarische bebouwing' opgenomen. Hiermee wordt ter plaatse gebruik ten behoeve van burgerwoning toegestaan.

5.1.2 Wijze toekenning agrarische bestemmingsvlakken Conform het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' is voor de bestaande agrarische bedrijven het geldend bestemmingsvlak opgenomen. Voor de begrenzing van de agrarische bestemmingsvlakken is in beginsel uitgegaan van de huidig geldende begrenzing van de bestemmingsvlakken, zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' danwel conform een hiervoor reeds doorlopen planologische planprocedure (bestemmingsplan herziening danwel binnenplanse wijziging). Alle voorzieningen (sleufsilo's, mestsilo's, voortuinen, bestrating, mestzakken e.d.,) dienen in het bestemmingsvlak te zijn gesitueerd, met uitzondering van de verharde ontsluiting naar de openbare weg. Daar waar legale voorzieningen en/of gebouwen buiten het geldend bestemmingsvlak zijn gelegen heeft waar mogelijk vormverandering van het bestemmingsvlak plaats gevonden (bv.aan de voorzijde). Voor bestaande, legale voorzieningen buiten het toegekend bestemmingsvlak bij een omvang > 1,5 ha is een zogeheten differentiatievlak opgenomen met de nadere aanduiding 'overige zone – voorziening buiten bouwvlak'. Ter plaatse zijn de bestaande voorzieningen toegestaan, maar is oprichten van gebouwen niet mogelijk.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

51

5.1.3 Type agrarische bedrijf – onderscheid diersoorten Vanwege het verschil in de ontwikkelingsmogelijkheden en mogelijke omgevingseffecten (milieu-impact) van de diverse type agrarische bedrijven is conform de Nota van Uitgangspunten van ieder agrarisch bedrijf het bedrijfstype / diersoort op de verbeelding opgenomen. Met het nader aanduiden van het type agrarisch bedrijf kan door de gemeente meer regie worden gehouden op mogelijke effecten van deze bedrijven en eventuele milieu-impact. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch – agrarisch bedrijf' mag bij recht een vollegrondsteeltbedrijf,(zoals akkerbouw, boomteelt en tuinbouw) worden uitgeoefend. Dit betreft agrarische bedrijven, die zich richten op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering, die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt; Betreffende bedrijven zijn niet voorzien van een specifieke aanduiding op de verbeelding. Daarnaast is -al dan niet in combinatie met een vollegrondsteeltbedrijf- tevens een ander type agrarisch bedrijf als hoofd- danwel neventak toegestaan. Deze overige ter plaatse toegestane agrarische activiteiten zijn middels aanduidingen op de verbeelding opgenomen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt in: grondgebonden veehouderij bedrijven/bedrijfstak: veehouderij(tak) waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie; deze bedrijven/bedrijfstak zijn op basis van de recente bedrijfsvergunningsgegevens aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch – melk-/rundvee', ter plaatse zijn naast diersoorten behorend tot de melk-/rundveehouderij ook bij recht diersoorten toegestaan van andere vormen van een grondgebonden veehouderij; intensieve veehouderij-/hokdierbedrijven/bedrijfstak: agrarisch bedrijven met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering/-bedrijfstak die gericht is op het houden van dieren, zoals een stieren-, varkens-, vleeskalveren-, pluimvee-, nertsenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen; hierbij is middels een specifieke aanduiding op basis van de recente bedrijfsvergunningsgegevens nader onderscheid gemaakt in een varkenshouderij ('specifieke vorm van agrarisch – varkens'), vleeskalverenhouderij ('specifieke vorm van agrarisch – vleeskalveren'), stierenhouderij ('specifieke vorm van agrarisch – stierenij') en pluimveehouderij ('specifieke vorm van agrarisch – pluimvee').

paardenhouderijbedrijven: de bestaande paardenhouderij bedrijven binnen de gemeente betreffen gemengde bedrijven, die niet overwegend zijn gericht op het fokken van paarden, maar waar ook sprake is van het africhten van paarden, paardenhandel, transport, stallen en instructielessen. Dergelijke gebruiksgerichte bedrijven hebben veelal een andere ruimtelijke uitstraling en een grotere publieks- en verkeersaantrekkende werking dan een regulier agrarisch bedrijf. Deze bedrijven zijn conform de vereisten van de provinciale IOV voorzien van de bestemming 'Bedrijf – paardenhouderij', zie paragraaf 5.8. In het plangebied bevindt zich 1 bestaande manege, die is conform de wettelijke digitaliseringsvoorschriften voorzien van de bestemming 'Sport'. glastuinbouwbedrijven; binnen de gemeente bevindt zich 1 bestaand glastuinbouwbedrijf, met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvind. Dit betrijf is voorzien van een agrarische bedrijfsbestemming met de nadere aanduiding 'glastuinbouw'.

5.2

Ontwikkelingsmogelijkheden agrarische bedrijven

5.2.1 Nieuwvestiging Onder nieuwvestiging wordt verstaan vestiging op een locatie waar in het huidig geldende bestemmingsplan geen bestemmingsvlak/bouwvlak is gelegen. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is overeenkomstig de IOV niet toegestaan. Het is onder stringente voorwaarden wel mogelijk om met een afzonderlijke planprocedure in het kader van een verplaatsing nieuwvestiging van een (agrarisch) bedrijf toe te staan, mits sprake is van een groot openbaar belang, waarbij hervestiging niet mogelijk is. In voorkomend geval is een individuele afweging

52

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

noodzakelijk en zal een afzonderlijke planologische planprocedure gevolgd dienen te worden. 5.2.2 Omschakeling Bedrijf naar agrarisch Omschakeling van een niet-agrarisch bedrijf naar een vollegrondsteeltbedrijf kan op gronden die geheel of grotendeels worden omgeven door 'agrarisch gebied' en 'agrarisch gebied met landschapswaarden' onder voorwaarden via een wijzigingsbevoegdheid worden toegestaan. Wonen naar agrarisch Omschakeling van een burgerwoning naar een agrarisch bedrijf wordt binnen dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. In voorkomende gevallen dient hiervoor een afzonderlijke planologische procedure te worden doorlopen.

Wijziging agrarisch bedrijfstype / diersoort Voor omschakeling van het ene agrarische bedrijfstype naar het andere gelden navolgende regels: Omschakeling naar een vollegrondsteeltbedrijf is voor alle bestaande agrarische bedrijven rechtstreeks toegestaan; Omschakeling naar een andere diersoort bij een bestaande melk-/rundveehouderij of andere vorm van grondgebonden veehouderij(tak) naar een andere diersoort betreffende melk- of rundvee, danwel een andere diersoort behorend tot een grondgebonden veehouderij is eveneens rechtstreeks toegestaan; Omschakeling naar een andere diersoort (betreffende varkens, vleeskalveren of stieren) kan bij bestaande melk-/rundveehouderij of andere vorm van grondgebonden veehouderij(tak) kan via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (mits niet zijnde pluimvee, geiten of nertsen) onder diverse nadere randvoorwaarden (max. 1.5 ha, niet in agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden, landschappelijke inpassing) worden toegestaan; Omschakeling naar een andere diersoort (betreffende varkens, vleeskalveren of stieren) bij een bestaande pluimvee-, varkens-, vleeskalveren- of stierenhouderij) kan eveneens via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid (mits niet zijnde pluimvee, geiten of nertsen) onder diverse nadere randvoorwaarden (max.

1.5 ha, niet in agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden, landschappelijke inpassing) worden toegestaan; Omschakeling naar een overig agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij, paardenhouderij of glastuinbouwbedrijf (bv. champignonteeltbedrijf) kan voor alle bestaande agrarische bedrijven via een binnenplanse afwijking onder voorwaarden worden toegestaan (niet gelegen in 'agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden', positief advies AAB, een goed woon- en leefklimaat en een goede landschappelijke inpassing); Omschakeling van een bestaande veehouderij naar pluimvee, geiten of nertsen alsmede omschakeling van niet-veehouderijbedrijven naar een veehouderij wordt in dit plan niet toegestaan, gelet op de mogelijke milieu impact en gezondheidsrisico's voor omwonenden (waaronder emissie van geur, fijn stof en endotoxinen); in voorkomende gevallen dient een afzonderlijke buitenplanse planologische procedure te worden doorlopen; Omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf is conform de regels van de provinciale IOV in dit bestemmingsplan ook niet mogelijk. 5.2.3 Uitbreiding bebouwing Niet veehouderij bedrijven Bebouwingsuitbreiding binnen het agrarisch bestemmingsvlak is hier in beginsel rechtstreeks toegestaan. Veehouderijbedrijven Oprichting van voorzieningen en bedrijfsgebouwen, die geen uitbreiding van oppervlakte dierenverblijf

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

53

betreffen kunnen overeenkomstig de reguliere rechtstreekse bouwmogelijkheden binnen een agrarisch bestemmingsvlak opgericht, benut en gebruikt worden. Voor uitbreiding van het oppervlak van dierenverblijven binnen het agrarisch bestemmingsvlak voor alle veehouderijen geldt dat in het kader van een zorgvuldige veehouderij voldaan dient te worden aan de randvoorwaarden zoals opgenomen in de IOV, waaronder de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) en stalderingsregeling. Daarnaast dient als gevolg van de Wet natuurbescherming tevens te worden voldaan aan de stikstofgebruiksbepaling. Indien sprake is van een aangeduid 'kleinschalig agrarisch bedrijf' mag de bestaande bebouwde oppervlakte dierenverblijf slechts met maximaal 15% worden vergroot. Indien verdere uitbreiding is gewenst, zal dit buitenplans moeten plaatsvinden. Tenslotte geldt op basis van rechtstreeks werkende regels van de IOV dat uitbreiding van oppervlakte dierenverblijf voor een geitenhouderij is uitgesloten. Zorgvuldige veehouderij Om nadere sturing te kunnen geven aan de ontwikkelingen van de veehouderij geldt voor uitbreiding van het bestaande oppervlakte aan dierenverblijven (dd. maart 2017) (> 100 m2 ) dat dient te worden voldaan aan diverse randvoorwaarden conform de vereisten van de IOV om te kunnen voldoen aan een zorgvuldige veehouderij.

Dit betreft navolgende randvoorwaarden: Er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, dit betreft 7,25 punten conform de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, die in nadere regels van de IOV door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld. Er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling. De locatie is niet gelegen binnen de aanduiding 'beperking veehouderij; binnen deze aanduiding is iedere uitbreiding van bestaande bebouwing (peildatum 21 september 2013) van veehouderijen niet toegestaan, tenzij sprake is van een 'grondgebonden veehouderij', zoals opgenomen in nadere regels van de IOV. Een veehouderij is conform de BZV 2.2 grondgebonden wanneer het voldoet aan één van de volgende criteria: 1.

De veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE/ha, berekend over de grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie. 2. Tenminste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie. Een veehouder toont via de jaarlijkse gecombineerde opgave aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet. 3. Tenminste 95% van het ruwvoer (gras en mais), uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die blijkens de gecombineerde opgave bij het bedrijf in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 kilometer van de bedrijfslocatie. Daarbij is tenminste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig uit ruwvoer (gras en mais). Een veehouder toont via een jaarlijkse rapportage uit BEX aan dat de veehouderij aan dit criterium voldoet. 4. Indien in de veehouderij dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer. Bovenstaande randvoorwaarden mbt een zorgvuldige veehouderij zijn als extra voorwaarde aan de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van oppervlakte dierenverblijven toegevoegd. Stalderingsregeling

54

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Voor hokdierhouderijen (= een veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij) gelden cf de IOV aanvullende stalderingseisen. Staldering betekent dat een ondernemer die een dierenverblijf ( =gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daarbij behorende voorzieningen) wil oprichten danwel uitbreiden of die een bestaand gebouw als dierenverblijf in gebruik wil nemen binnen het bestaand bouwperceel, bewijs moet overleggen dat er elders 110% bestaand dierenverblijf is gesaneerd door sloop of herbestemming. Een bestaand dierenverblijf betreft een dierenverblijf dat uitgaande van de peildatum van 17 maart 2017 in de drie daaraan voorafgaande jaren legaal en onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van dieren. De regeling geldt in alle gevallen waarbij de oppervlakte dierenverblijf van de hokdierhouderij toeneemt, dus ook als een bestaande stal wordt vergroot qua oppervlakte of met een aanbouw. Omdat er voor nertsenhouderijen ook landelijke maatregelen gelden die de omvang sturen, geldt de stalderingsregeling niet voor nertsen. De stalderingsregeling is in dit bestemmingsplan als extra voorwaarde aan de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van oppervlakte dierenverblijven toegevoegd.

Ammoniakemissie/stikstofdepositie plafond De Wet natuurbescherming verplicht dat ontwikkelingen geen negatieve gevolgen mogen hebben op Natura 2000- gebieden. Met name stikstof (voor veehouderijen met name bestaande uit ammoniak) heeft grote negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor deze natuurgebieden een kritische depositiegrens vastgesteld met betrekking tot stikstofdepositie. Wanneer deze grens is bereikt, kan een ondernemer niet meer verder uitbreiden met stikstofgevoelige activiteiten. Om grip te krijgen op de kritische depositieruimte kan een depositiegrens per veehouderijbedrijf worden vastgelegd. Dit kan gedaan worden door het vastleggen van een natuurvergunning van een (veehouderij)bedrijf, onder de voorwaarde dat deze niet is verleend met gebruik making van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Wanneer een bedrijf niet beschikt over een bruikbare natuurvergunning , dient de feitelijke situatie die vergund is met een milieuvergunning aan een (veehouderij)bedrijf vastgelegd te worden. Op deze manier zijn negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten. In het bestemmingsplan is een gebruiksregeling opgenomen, waarmee een toename van de ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan.

Deze regeling zorgt ervoor dat voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen (geen toename van de emissie van stikstof), geen aparte procedures nodig zijn. Bijvoorbeeld als er wordt ontwikkeld in combinatie met het toepassen van technieken om de emissie van stikstof extra te beperken. Op basis van de (Wet stikstofreductie en natuurverbetering) en aanpassing van de rekenmethode is overigens geen sprake van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied indien sprake is van een toename van stikstofdepositie afgerond 0 mol/ha/jaar, te weten kleiner dan 0,005 mol/ha/jaar. Voor ontwikkelingen die het verbaal geregelde stikstofplafond wel overschrijden, is een aparte procedure noodzakelijk, waarin de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden nader beoordeeld kunnen worden. 5.2.4 Uitbreiding danwel vormverandering bestemmingsvlak Ten behoeve van een voorgenomen bedrijfsontwikkeling, waarbij vormverandering en/of vergroting van het bestaande agrarisch bestemmingsvlak noodzakelijk is, is in het bestemmingsplan eveneens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Voor de uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak gelden een aantal algemene randvoorwaarden, die gelden voor alle type bedrijven.

Dit betreft onder meer: dat de vergroting van het bouwvlak noodzakelijk dient te zijn uit oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering van een volwaardig agrarisch bedrijf. Hierover kan advies worden aangevraagd bij een agrarisch deskundige; Uitbreiding is alleen toegestaan als hiermee eventuele negatieve effecten op de omgeving kunnen worden

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

55

uitgesloten, waarbij: 1. de in het gebied aanwezige waarden niet mogen worden aangetast; 2. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van de in geding zijnde belangen van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.. Conform de provinciale verordening dient een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te worden gerealiseerd; de noodzakelijke landschappelijke inpassing mag onderdeel uitmaken van de kwaliteitsverbeteringsmaatregel. Er dient sprake te zijn van hydrologische neutraal bouwen; bij toename van bebouwing of verharding dient aangegeven te worden hoe met hemelwater wordt omgegaan. Daarnaast is de omvang van de uitbreidingsmogelijkheden mede afhankelijk van het agrarische bedrijfstype: 1. Overige agrarische bedrijven Uitbreiding is onder voorwaarden mogelijk tot een omvang van maximaal 1,5 ha; 2. Vollegrondsteeltbedrijven (inclusief boomteeltbedrijven) Uitbreiding is mogelijk tot een omvang van 2,0 ha; indien het bestaande bouwvlak reeds 2,0 ha bedraagt, mag dit bouwvlak worden vergroot met max. 20%. 3. Glastuinbouwbedrijven Uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven is in beginsel toegestaan tot 4,0 ha (met netto 3,0 ha glas). Dit geldt echter niet voor glastuinbouwbedrijven gelegen binnen de groenblauwe mantel. Dan wordt conform het provinciaal beleid geen verdere uitbreiding van het bestemmingsvlak toegestaan. 4.

Melk-/rundveehouderij bedrijven Uitbreiding en vormverandering van het agrarisch bestemmingsvlak ten behoeve van een melk-/rundveehouderij of overige grondgebonden veehouderij is mogelijk tot maximaal 1,5 ha; hierbij dient te worden voldaan aan de stikstofgebruiksbepalingen en gelden tevens de gestelde eisen voor een zorgvuldige veehouderij, cf de IOV. Deze aanvullende randvoorwaarden hebben betrekking op: Het treffen van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, conform de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij; De ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; Er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert.

De landschappelijke inpassing minimaal 10% van de omvang van het perceel bedraagt; Er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling; De locatie is niet gelegen binnen de aanduiding 'beperking veehouderij; binnen deze aanduiding is iedere uitbreiding van bestaande bebouwing (peildatum 21 september 2013) van veehouderijen niet toegestaan, tenzij sprake is van een veebezetting van niet meer dan 2.75 GVE/ha, voorzover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie, conform de definitie zoals opgenomen in de Nadere regels van de IOV. Via een specifieke wijzigingsbevoegdheid kan zo nodig (boven de 1,5 ha) opslag van ruwvoer buiten het bouwvlak worden toegestaan, middels toevoeging van een differentiatievlak ('overige zone – ruwvoerdervoorziening') tot maximaal 0,5 ha, mits dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, dit niet met een reguliere bouwvlakvergroting binnen het bouwvlak van maximaal 1,5 ha gerealiseerd kan worden en de omvang van het differentiatievlak met het bouwvlak gezamenlijk niet meer dan 2,0 ha bedraagt. In een aantal bijzondere situaties kan eveneens een verdere vergroting dan 1,5 ha worden toegestaan, op basis van de provinciale IOV: Indien de veehouderij blijvend beschikt over voldoende grond sprake voor een veebezetting van 2,0 GVE per hectare grond of minder;

56

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Indien sprake is van de sanering van een overbelaste situatie, waarbij er elders een veehouderij feitelijk en juridisch wordt opgeheven en er per saldo geen groei plaats vindt van het vergunde aantal dieren; Indien dit conform een deskundigen advies noodzakelijk is vanwege een vernieuwend bedrijfsconcept. Dit betreft evenwel uitzonderingssituaties. In voorkomende gevallen wordt een afzonderlijk planologische procedure vereist. 5. Hokdierbedrijven Uitbreiding en vormverandering van het agrarisch bestemmingsvlak van een hokdierbedrijf (varkenshouderij, stierenhouderij, vleeskalverenhouderij of pluimveehouderij) kan onder stringente randvoorwaarden worden toegestaan tot max. 1,5 ha. Bij de uitbreiding dienen de voorwaarden, zoals gelden bij uitbreiding van oppervlakte dierenverblijven in het kader van een zorgvuldige veehouderij, de stalderingsregeling en het stikstofdepositieplafond in acht te worden genomen.

6. Geitenhouderij en nertsenhouderij Op basis van landelijke en provinciale regelgeving is uitbreiding van oppervlakte aan dierenverblijven van een nertsenhouderij en geitenhouderij binnen dit bestemmingsplan niet toegestaan. 5.2.5 Teeltondersteunende voorzieningen Teeltondersteunende kassen Oprichting van teeltondersteunende kassen binnen een agrarisch bouwvlak wordt overeenkomstig het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' binnen de bestemming 'Agrarisch gebied' bij recht toegestaan tot maximaal 5.000 m2 binnen een agrarisch bestemmingsvlak; Binnen de aanduiding 'overige zone – groenblauwe mantel' en de aanduiding 'overige zone – natuurnetwerk brabant' en/of bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' wordt de oprichting van teeltondersteunende kassen conform de IOV niet toegestaan. Permanente teeltondersteunende voorzieningen Permanente voorzieningen zijn teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd gebruikt worden, dit betreft zowel hoge voorzieningen (bakken op stellingen en regenkappen) als lage voorzieningen (containervelden). Vanwege de relatief grote ruimtelijke uitstraling, de duurzaamheid van de voorziening en het ontbreken van een directe relatie met het grondgebruik dienen deze permanente voorzieningen conform het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' binnen het bestemmingsvlak te worden opgericht.

Als het bestemmingsvlak te klein is om de permanente voorzieningen te realiseren kan een vergroting van het bestemmingsvlak worden aangevraagd ten behoeve van realisering van deze permanente teeltondersteunende voorzieningen. Aanvullend kan in het bestemmingsplan via een binnenplanse afwijking (artikel 3.3.4 respectievelijk 5.3.4) ook realisering van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bestemmingsvlak worden toegestaan (bv ten behoeve van containervelden) tot maximaal 5 ha. Dit is echter niet mogelijk binnen het NNB. Voor gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel geldt een maximum van 3 ha. Reeds bestaande, vergunde voorzieningen buiten het bestemmingsvlak zijn aangegeven met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – permanente teeltondersteunende voorziening'. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen Tijdelijke voorzieningen betreffen voorzieningen die op dezelfde locatie worden gebruikt zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 8 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Aangezien de ruimtelijke impact van dergelijke voorzieningen minder groot wordt geacht is oprichting van deze voorzieningen buiten het agrarisch bestemmingsvlak: gronden binnen de bestemming 'Agrarisch' bij recht toegestaan. binnen de aanduidingen 'overige zone – groenblauwe mantel' alsmede de aanduiding 'overige zone –

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

57

cultuurhistorisch vlak' is oprichting van hoge (>1,5 meter) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van > 3 ha alleen toegestaan via een omgevingsvergunning; binnen de aanduiding 'overige zone – natuurnetwerk brabant' is ook oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten de bedrijfsbestemming niet toegestaan

5.3

Overige agrarische aspecten

5.3.1 Mestbewerking De bewerking van eigen mest op dezelfde bedrijfslocatie van het agrarische bedrijf binnen het agrarische bestemmingsvlak maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering en wordt dan ook rechtstreeks toegestaan. De bewerking van mest van andere agrarische bedrijven of van andere locaties van hetzelfde bedrijf is in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Dit kan op basis van de IOV uitsluitend onder stringente randvoorwaarden op specifieke locaties worden toegestaan. 5.3.2 Huisvesting arbeidsmigranten De gemeente voert een terughoudend beleid met betrekking tot uitbreiding van de woonfunctie in het buitengebied. Dit geldt in beginsel ook voor arbeidsmigranten. Voor de huisvesting van arbeidsmigranten is nieuw beleid in voorbereiding, dat afzonderlijk aan de raad voorgelegd zal worden en nadat het beleid is vastgesteld worden doorvertaald in een paraplubestemmingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Best. Vanwege deze actualisatie is in het bestemmingsplan geen regeling meer opgenomen.

5.3.3 Agrarische spuitvrije zones In de gebruiksregels van het bestemmingsplan is opgenomen dat binnen een afstand van 50 meter (conform de huidig gangbare normen met betrekking tot spuitvrije zones) tot de bestemmingsgrens van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies (wonen, bedrijf, maatschappelijk, recreatie en sport) het gebruik van gronden ten behoeve van boomteelt in beginsel niet is toegestaan. Via verlening van een omgevingsvergunning kan door het bevoegd gezag een kleinere aan te houden afstand tussen boom- en/of fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies worden toegestaan, mits deze afstanden door middel van locatie specifiek onderzoek zijn onderbouwd, bv door middel van driftreducerende maatregelen. 5.3.4 Paardenbak voor hobbymatig agrarisch gebruik Paardenbakken dienen in beginsel binnen het bestemmingsvlak te worden opgericht. Indien dit niet mogelijk is kunnen via een binnenplanse afwijking paardenbakken (uitsluitend ten behoeve van hobby-matig gebruik), onder voorwaarden (waaronder landschappelijke inpassing) ook aansluitend aan het bestemmingsvlak worden gerealiseerd, mits gelegen in de bestemming 'Agrarisch ' danwel 'Agrarisch met waarden – Landschapswaarden' . De omvang van de paardenbak mag maximaal 1.800 m2 bedragen.

De paardenbak dient op minimaal 50 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning te zijn gesitueerd (afstand tot aan de gevel). Het is verder niet toegestaan om ten behoeve van de paardenbakken buiten het bestemmingsvlak bouwwerken zoals lichtmasten, schuurtjes ed. op te richten. Bestaande hobbymatige paardenbakken grenzend aan een bestemmingsvlak zijn specifiek aangeduid.

58

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

5.4

Bedrijfswoning

5.4.1 Agrarische bedrijfswoningen De bestaande bedrijfswoningen zijn positief bestemd. Bedrijven waar (nog) geen bedrijfswoning aanwezig is zijn op de verbeelding voorzien van de aanduiding “geen bedrijfswoning toegestaan”. Via afwijking is conform het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006', de mogelijkheid opgenomen om alsnog een bedrijfswoning te kunnen bouwen, indien het een volwaardig bedrijf betreft en de noodzaak van een bedrijfswoning is gebleken. De inhoud van de agrarische bedrijfswoning mag conform het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' maximaal 750 m3 bedragen, tenzij de woning bij vaststelling van dit bestemmingsplan al een grotere omvang heeft. In dat geval geldt deze inhoud als maximale inhoud. Indien een bedrijfswoning onderdeel is van een bestaand woonboerderijpand, dan is verbouw en gebruik van de voormalige agrarische inpandige stalgedeelten ten behoeve van de bedrijfswoning toegestaan; bij eventuele herbouw hiervan mag de maximale inhoud van de nieuw te bouwen bedrijfswoning niet meer bedragen dan 750 m3 . 5.4.2 Afhankelijke woonruimte (mantelzorg) Om in de zorgbehoefte te voorzien is conform de geldende regeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' voorzien in een afwijkingsmogelijkheid om een tijdelijke zelfstandige woonruimte te kunnen gebruiken ten behoeve van mantelzorg.

De bijbehorende randvoorwaarden betreffen onder meer dat de afhankelijke woonruimte binnen de bestaande bebouwingsregeling wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m2 en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Bovendien dient de behoefte met een verklaring van een huisarts of andere medisch adviseur aangetoond te kunnen worden. Op basis van aangepaste landelijke wetgeving kunnen dergelijke voorzieningen onder voorwaarden ook vergunningsvrij worden gerealiseerd. Derhalve is een regeling binnen het bestemmingsplan niet doelmatig en dan ook niet opgenomen. 5.4.3 Meergeneratiewoning Conform vastgesteld gemeentelijk beleid kan via een afwijkingsmogelijkheid het gebruik van een deel van de bedrijfswoning tot maximaal 80 m2 ten behoeve van een tweede huishouden worden toegestaan. Randvoorwaarden betreffen onder meer dat er sprake is van wonen van meerdere generaties bij elkaar, uitsluitend in een familierelatie in de 1e lijn en een van de bewoners 60 jaar of ouder is. Voor gebruik van een deel van een ander gebouw gelden aanvullende randvoorwaarden onder meer met betrekking tot beperking van omliggende bedrijven, waarborging van een goed woon- en leefklimaat en een goede landschappelijke inpassing.

5.4.4 Tweede agrarische bedrijfswoning Conform het provinciaal beleid dient versteniging in het buitengebied zoveel mogelijk te worden voorkomen en is oprichting van een nieuwe tweede bedrijfswoning niet meer toegestaan. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2006' werd de oprichting van een tweede bedrijfswoning ook al niet toegestaan. Als gevolg van het nieuwe provinciale beleid is dit echter ook niet mogelijk via een aparte planprocedure. Woningen die in het geldende bestemmingsplan als tweede bedrijfswoning zijn aangeduid zijn als zodanig gehandhaafd. Betreffende locaties zijn specifiek op de verbeelding opgenomen, middels de bouwaanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

59

5.4.5 Plattelandswoning Sinds 2013 is specifieke wetgeving in werking getreden ten aanzien van de plattelandswoning,, die een oplossing kan bieden voor de afsplitsing van voormalige agrarische bedrijfswoningen van de bijbehorende bedrijfsgebouwen. Deze wetgeving gaat in op de problematiek dat nu geen burgerbewoning mag plaatsvinden in een voormalige agrarische bedrijfswoning, zonder dat het agrarische bedrijf waartoe de woning voorheen behoorde, daar negatieve effecten van ondervindt in de bedrijfsvoering. De oplossing van de problematiek rond de plattelandswoningen is voor een belangrijk deel gezocht in aanpassing van wet- en regelgeving op het terrein van milieu. Hierbij wordt geregeld dat voortaan alleen nog het planologische regime bepalend zal zijn voor de mate van bescherming tegen nadelige milieueffecten die aan een woning toekomt, en niet langer het – al dan niet met dat planologische regime strijdige – feitelijke gebruik. Deze regelgeving heeft alleen betrekking op afgesplitste bedrijfswoningen en het voormalig bedrijf waar deze woning toe behoorde. In andere gevallen blijft de huidige milieu wet- en regelgeving van kracht. Als gevolg van deze wet kan het college bij voormalige agrarische bedrijfswoningen besluiten om in afwijking van het bestemmingsplan burgerbewoning van agrarische bedrijfswoningen toe te laten.

De bedrijfswoning kan dan als plattelandswoning worden gebruikt. Als gevolg is deze woning niet beschermd tegen de milieubelasting van het bedrijf, waarvan de woning voorheen deel uitmaakte. De gemeente dient een afweging te maken of een plattelandswoning wenselijk is. Zij bepaalt of er ter plaatse van de woning nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het bestemmingsplan is een wijzigingsmogelijkheid opgenomen die het mogelijk maakt om in specifieke gevallen (bestaande, langdurige knelpuntsituaties) een agrarische bedrijfswoning te laten gebruiken als burgerwoning door personen die geen functionele binding (meer) hebben met het binnen hetzelfde bestemmingsvlak gelegen agrarische bedrijf door toevoeging van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen-plattelandswoning', onder navolgende randvoorwaarden: De aanduiding lost een probleemsituatie op van strijdig gebruik van een voormalige 2e agrarische bedrijfswoning, dat is ontstaan voor 1 januari 2013; herbestemming tot de bestemming 'Wonen' is uitsluitend niet mogelijk vanwege de milieusituatie van het bijbehorende eigen bedrijf; er wordt onderbouwd dat de situatie voldoet aan de wettelijke kaders, geur en geluid uitgezonderd; er is sprake van een legale situatie, zowel voor de bedrijfswoning (bouw) als het agrarisch bedrijf; er is sprake van een bestaand agrarisch bedrijf; er is sprake van een aanvaardbaar

woon- en leefklimaat voor de plattelandswoning; de milieueffecten van de omliggende bedrijven mogen gelet op het woon- en leefklimaat, geen belemmering vormen voor een eventuele omzetting naar burgerwoning op een later moment; de toekenning van de aanwijzing tot plattelandswoning mag niet leiden tot het oprichten van een nieuwe bedrijfswoning; nieuwe bedrijfsgebouwen en/of nieuwe emissiepunten zijn uitsluitend toegestaan op een afstand van minimaal 25 m van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning'; er wordt voldaan aan de meest recente Landschapsinvesteringsregelinging (LIR) van de gemeente Best.

5.5

Nevenactiviteiten

Nevenactiviteiten kunnen een bijdrage leveren aan de sociaal economische positie van de agrariërs, derhalve wordt de ontplooiing van dergelijke activiteiten in dit bestemmingsplan ook toegestaan. 5.5.1 Rechtstreeks toegestane activiteiten Een beperkt aantal agrarische nevenactiviteiten met geringe maatvoering is zonder meer ('bij recht') toegestaan. Dit betreft: 1.

ondergeschikte detailhandel tot 100 m2 verkoopvloeroppervlak;.

60

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Dit betreft het “aan huis” verkopen van streekgebonden producten en agrarisch gerelateerde producten als ondergeschikte nevenactiviteit van het agrarisch bedrijf. Deze activiteiten zijn uitsluitend toegestaan in bestaande bebouwing en mogen nadrukkelijk niet de vorm van volwaardige detailhandel aannemen. Dit betekent dat er geen bebouwing voor de verkoopactiviteiten mag worden opgericht en dat de verkoop geen hoofdinkomen mag betreffen. 2. aan huis verbonden beroep aan huis, voorzover opgenomen in de lijst zoals opgenomen in bijlage 4 van de regels, tot max. 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 100 m2 ; 3. inpandige statische opslag (binnen bestaande bebouwing) tot max 1.000 m2 ; 4. paarden pensionstalling tot maximaal 500 m2; 5. educatie: dit betreft educatie die betrekking heeft op de agrarische bedrijfsvoering, natuur, landschap of het buitenleven; educatie kan worden toegestaan tot maximaal 4 keer per jaar, mits geen sprake is van een geurgevoelig object (educatie dient hiervoor in meer dan 1 ruimte plaats te vinden) 6.

kleinschalig kamperen tot 15 kampeermiddelen (binnen het bestemmingsvlak), waaronder maximaal 1 trekkershut; waarbij de afstand tot de bedrijfswoning of tuin van derden minimaal 50 m dient te bedragen; De gezamenlijke vloeroppervlakte van bovenstaande nevenactiviteiten mag niet meer bedragen dan 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 500 m2 , uitgezonderd statische opslag en minicampings. 5.5.2 Via afwijking toegestane nevenactiviteiten Nevenactiviteiten met een mogelijk grotere ruimtelijke impact kunnen via afwijking worden toegestaan, waarmee een nadere toetsing aan mogelijke effecten op de omgeving plaats kan vinden. Dit betreft: 1.

2. 3. 4. 5.

kleinschalige bedrijvigheid tot max. 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 100 m2 ; ten behoeve van een kleinschalige bedrijfsactiviteit die is opgenomen in bijlage 5 van de regels; extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theetuin, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen, workshops en exposities; zorgvoorzieningen. ondersteunende horeca; niet-agrarisch / agrarisch verwante bedrijvigheid;

Als randvoorwaarden gelden hiervoor onder meer: de agrarische hoofdfunctie blijft op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume. Er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; in totaal (in geval van meerdere nevenactiviteiten) geldt een toegestane oppervlakte aan nevenactiviteiten van 50% van de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen met een maximum van 500 m2 , uitgezonderd statische opslag en kleinschalig kamperen. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; de nevenactiviteit mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van belangen van de omgeving, waaronder de bedrijfsbelangen van omliggende bedrijven; de verkeersaantrekkende werking dient afgestemd te zijn op de feitelijke ontsluitingssituatie; er dient te worden voldaan aan de randvoorwaarden uit de LIR.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

61

5.6

Hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen

Als gevolg van diverse ontwikkelingen in de landbouwsector komen veel agrarische bedrijfsgebouwen vrij. Beëindiging van het agrarisch gebruik kan leiden tot verloedering van (cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Indien hergebruik samen gaat met sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) bebouwing kan dit bijdragen aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Bovendien kan hergebruik een impuls leveren aan de versterking van de leefbaarheid op het platteland en kan het kapitaalvernietiging voorkomen. In het bestemmingsplan zijn conform het geldende plan regels opgenomen teneinde verschillende vormen van functieverandering te faciliteren. Dit betreft standaard mogelijkheden voor locaties, waar de bedrijfsmatige activiteiten recent of in de nabije toekomst worden beëindigd. Conform provinciaal beleid en de Nota van Uitgangspunten behoeft hergebruik ten behoeve van een bedrijfsfunctie niet meer beperkt te blijven tot locaties binnen een aangeduide bebouwingsconcentratie, maar is dit binnen de gehele gemeente toegestaan. Voor dit nieuwe bestemmingsplan buitengebied is op basis van de recent vastgestelde beleidsnotitie Vrijkomende agrarische bebouwing gezocht naar generieke bestemmingsregels voor functieverandering die op een groot deel van de locaties passend in de toegestane omvang.

Dit heeft zich vertaalt in diverse mogelijkheden voor hergebruik bij recht toe te staan en middels afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Ontwikkelingen die om maatwerk vragen worden buitenplans mogelijk gemaakt. Het stappenplan uit deel C van de beleidsnotitie vormt een hulpmiddel voor het maken van een afweging op maat van die verzoeken die de standaardmogelijkheden van het bestemmingsplan te boven gaan. De toekomstige inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat juridische opties bieden procedures te vereenvoudigen. Daarnaast komen er ook meer mogelijkheden voor het gebruik van andere type instrumenten zoals een 'meldingsplicht' of 'gelijkwaardigheidsregels'. Bovendien kan dan de bevoegdheid om functies te wijzigen of te veranderen door de gemeenteraad gedelegeerd worden aan het college. 5.6.1 Wonen Hergebruik voor de bestemming Wonen is in het hele buitengebied mogelijk.

Voorwaarden betreffen onder meer dat: agrarisch hergebruik redelijkerwijs niet meer mogelijk is; overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt tot 100 m2 , met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen; de woning geen onevenredige beperking oplevert voor de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven; er wordt voldaan aan de relevante milieuhygienische wet- en regelgeving; er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en er wordt voldaan aan de gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling en provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. 5.6.2 Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf of paardenhouderij Een voormalige agrarisch bedrijfslocatie kan ook worden hergebruikt door een agrarisch verwant of technisch hulpbedrijf of paardenhouderij. Hiervoor gelden onder meer navolgende voorwaarden: hergebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf is niet langer mogelijk; het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot en mag niet groter zijn dan 1,5 ha; voor locaties gelegen binnen de groenblauwe mantel geldt een absoluut maximum van 5.000 m2 ; overtollige bebouwing dient te worden gesloopt; er zijn ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – groenblauwe mantel' uitsluitend bedrijven in categorie 1 en 2 toegestaan;

62

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

buitenopslag is niet toegestaan; er dient een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats te vinden en er dient te worden voldaan aan de gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling .en provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. 5.6.3 Niet aan het buitengebied gebonden agrarisch bedrijf Ook de hervestiging van niet-agrarische bedrijven, waaronder ook opslag bedrijven kan in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen worden toegestaan onder navolgende randvoorwaarden: hergebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf is niet langer mogelijk; het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot en mag niet groter zijn dan 5.000 m2 ; overtollige bebouwing dient te worden gesloopt met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; buitenopslag is niet toegestaan; de milieu categorie van het bedrijf mag niet meer bedragen dan categorie 1 of 2; de beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; er dient een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats te vinden alsmede te worden voldaan aan de gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling en provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. . 5.6.4 Recreatie Daarnaast kan hervestiging van recreatieve bedrijven in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen worden toegestaan.

Hiervoor gelden onder meer navolgende voorwaarden: hergebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf is niet langer mogelijk; het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot; voor locaties gelegen geldt daarnaast een absoluut maximum van 1,5 ha; de overtollige bebouwing wordt gesloopt; de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; hergebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van belangen van de omgeving, waaronder de bedrijfsbelangen van omliggende bedrijven; er dient sprake te zijn van een goed woon-, leef- en verblijfsklimaat; er dient een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats te vinden alsmede te worden voldaan aan de gemeentelijke landschapsinvesteringsregeling en provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. 5.6.5 Maatschappelijkezorgvoorzieningen Tenslotte kan functieverandering plaatsvinden naar een bestemming ten behoeve van een maatschappelijke zorgvoorziening onder navolgende randvoorwaarden:

j.

hergebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf is niet langer mogelijk; het bestemmingsvlak mag niet worden vergroot en mag niet groter zijn dan 1,5 ha; overtollige bebouwing dient te worden gesloopt,; buitenopslag is niet toegestaan; de milieu categorie van het bedrijf mag niet meer bedragen dan categorie 1 of 2; de beoogde ontwikkeling mag niet leiden tot een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie; er dient een zorgvuldige landschappelijke inpassing plaats te vinden alsmede een kwaliteitsverbetering. in overeenstemming met de provinciale beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit. bij vestiging in de directe nabijheid van doorgaande wegen (300 meter van rijkswegen) en 50 meter van provinciale en drukke (> 10.000 MV per etmaal) gemeentelijke wegen dient een gezondheidskundig advies te worden ingewonnen bij de GGD; vanwege eventueel noodzakelijke maatregelen in het kader van luchtkwaliteit.

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

63

5.7

Wonen

5.7.1 Bestaande burgerwoningen Toekenning bestemmings- en bouwvlakken bestaande woningen In het vigerende bestemmingsplan was sprake van zogenaamde verbale bouwvlakken. Op de verbeelding was per woning een 'stip' opgenomen. Ter plaatse van de 'stip' was wonen als medebestemming toegestaan. Naast de agrarische gebiedsbestemming was ook de bestemming wonen toegestaan tot een maximum oppervlakte van 1.500 m² per ruimtelijke eenheid. In dit bestemmingsplan is conform de Nota van Uitgangspunten voor iedere woning een apart bestemmingsvlak opgenomen van waar mogelijk 1.500 m2 . De bestemmingsvlakken zijn bepaald op basis van luchtfoto's, waarbij alle bestaande/vergunde bebouwing binnen het bestemmingsvlak dient te worden opgenomen. Bestaande verhardingen zij hier zo mogelijk ook in opgenomen. De aangrenzende gronden, die in gebruik zijn als privé-tuin zijn bestemd als 'Tuin', indien sprake is van een ingerichte voortuin met bestaande inritten. Goed ingepaste achtertuinen zijn voorzien van de bestemming 'Tuin-Landschap'. Oprichting van bebouwing is hier niet toegestaan, ook niet vergunningsvrij. Op overige locaties waar nog geen goede landschappelijke inpassing is en verharding en bebouwing buiten de 1500 m² woonbestemming ligt, is de bestemming 'Agrarisch' teruggelegd.

Indien de omvang van de tuin > 3.500 m2 is voor de overige gronden de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke tuin ' opgenomen. Daarnaast mogen agrarische (onbebouwde) gronden binnen een contour van 50 m rondom en aansluitend aan het woon- en tuinbestemmingsvlak, hobbymatig gebruikt worden (stalling van paard, fruitboomgaard etc.). Ten behoeve van het kunnen bieden van enige flexibiliteit is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee het toegekende woonbestemmingsvlak onder voorwaarden van vorm kan worden gewijzigd, mits de totale omvang niet wordt uitgebreid.

Omvang burgerwoning Voor de toegestane omvang van bestaande burgerwoningen geldt, dat: De inhoudsmaat is verruimd naar 750 m3 conform de afspraken die zijn gemaakt in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO), waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in bedrijfs- of burgerwoning. Bestaande burgerwoningen mogen dus bij recht worden vergroot tot een maximum inhoud van 750 m3 (zonder ruimtelijke kwaliteitsverbeteringseisen); Verdere vergroting van de inhoud tot maximaal 1.000 m3 kan via afwijking worden toegestaan, mits dit gepaard gaat met sloop van overtollige bijgebouwen en/of voormalige bedrijfsgebouwen ((inhoudsvergroting van 50 m3 extra per sloop van 200 m2 aan bebouwing). In voorkomend geval kan deze sloop van overtollige bebouwing niet tevens worden benut voor vergroting van het toegestane oppervlakte aan bijgebouwen; Vergroting van de inhoud tot maximaal 1.000 m3 kan ook met een andere ruimtelijke kwaliteitsverbetering (dan sloop van overtollige bebouwing) worden toegestaan en/of verbetering van de cultuurhistorische kwaliteit en/of investering in duurzaamheid e.d..

Dit betreft echter altijd maatwerk en zal derhalve dan via een afzonderlijke buitenplanse procedure dienen te worden geregeld; Het vergroten van de inhoud van een woning boven de 1.000 m3 alleen buitenplans en onder strikte voorwaarden mogelijk is; Indien een woning deel uitmaakt van een bestaand woonboerderijpand mag het gehele bestaande woonboerderijpand worden benut voor de woonbestemming.

64

bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Herbouw burgerwoning Vervangende nieuwbouw van een burgerwoning in het buitengebied wordt in principe uitsluitend toegestaan op de plaats van bestaande fundamenten; via afwijking kan onder randvoorwaarden echter ook herbouw elders op het perceel worden toegestaan; indien sprake is van herbouw van een gesplitst woonboerderijpand gelden extra randvoorwaarden tbv het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden. 5.7.2 Omvang bijgebouwen De toegestane omvang van de bijgebouwen bij burgerwoningen is ten opzichte van de huidige regeling vergroot tot maximaal 100 m2 . Wanneer sprake is van meer dan 100 m2 aan oppervlakte legale bijgebouwen bij een woning, dan is dit oppervlak middels een bouwaanduiding vastgelegd. Via afwijking kan de toegestane oppervlakte van bijgebouwen worden vergroot tot maximaal 300 m2 , mits wordt voldaan aan enkele aanvullende randvoorwaarden (met betrekking tot sloop van overtollige bebouwing (uitbreiding met max. 50 % van de te slopen bebouwing (bijgebouwen / voormalige bedrijfsgebouwen)), landschappelijke inpassing, overige ruimtelijke kwaliteitsverbetering). In voorkomend geval kan deze sloop van overtollige bebouwing niet tevens worden benut voor vergroting van het toegestane inhoud van de woning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11755762/1