22046.10 - Bijlage 8.4 - Plan Mer Deel B Onderbouwing
Tekst van het document
Criterium Stikstofdepositie op beschermingsgebieden Wet natuurbescherming (Natura2000) Stikstofdepositie op Wav-gebieden en overige natuur Verdroging in beschermingsgebieden Wet natuurbescherming en NNB / Natte natuurparels Soortenbescherming Wet natuurbescherming
Trendmatig scenario +
Worstcase scenario --
+ 0
-0
-
--
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
Mitigerende en compenserende maatregelen Stimuleren van verdergaande emissiebeperkende maatregelen dan wettelijk vereist volgens het Besluit emissiearme huisvesting en de IPPC‐richtlijn voor grote bedrijven is een mogelijk extra mitigerende maatregel om de stikstofbelasting op natuurgebieden te verminderen. De provincie stelt reeds verdergaande eisen m.b.t. de toepassing van technieken om emissies van ammoniak uit dierenverblijven te verminderen. De gemeente kan ook een extra bijdrage leveren aan de implementatie van het beleid om emissies verdergaand te reduceren (niet alleen ammoniak maar ook geur, fijn stof en endotoxinen), o.a. door innovaties te stimuleren, het gebruik van emissiearme stalsystemen en andere technieken om emissies te voorkomen, te beperken en te stimuleren en, waar deze verplicht zijn, te controleren op een goede werking. Een actief gemeentelijk beleid gericht op het intrekken van onbenutte planologische mogelijkheden voor hergebruik van bestaande veehouderijen kan helpen om te voorkomen dat de afname van emissies wordt beperkt of wordt opgevuld door het benutten van vergunde maar nog niet benutte rechten. Verder zijn er nog verschillende mogelijkheden om effecten op de aanwezige beschermde soorten te beperken.
72
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Dit is echter afhankelijk van de aanwezige soorten, de exacte invulling van het bouwblok of de uitbreiding daarvan en de omgeving. Dergelijke maatregelen vereisen maatwerk en zijn van een ander abstractieniveau dan dit MER en het bestemmingsplan buitengebied. In een landelijke omgeving zijn dergelijke maatregelen vaak goed in te passen.
4.4.4 Leemten in kennis en informatie Er zijn geen leemten in kennis die de oordeel- en besluitvorming beïnvloeden. Er zijn wel volop ontwikkelingen en knelpunten omtrent stikstof, waarvan voorlopig nog niet bekend zal zijn of en hoe deze zullen worden geregeld en uitpakken. Aanpak stikstof De aanpak van de stikstofproblematiek door zowel de Rijksoverheid als de Provincie Noord-Brabant is volop in ontwikkeling en voorziet in een fors pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen en de natuur te versterken. Op 8 juni 2020 heeft het Adviescollege Stikstofproblematiek (Commissie Remkes) de eindrapportage “Niet alles kan overal” aan de Minister van LNV aangeboden met aanbevelingen voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek in Nederland. De structurele aanpak vraagt – naast generieke maatregelen – om gebiedspecifiek maatwerk. Het omzetten van de aanbevelingen in concreet beleid, wetgeving en effectieve maatregelen kost nog de nodige tijd. Momenteel is er volop discussie over de tijdelijke voermaatregel voor rundvee en is het nog onduidelijk of extern salderen van NH3 naar NOx toegestaan gaat worden, omdat de agrarische sector niet kan concurreren met de hoge prijs die oa. industrie en grote projectontwikkelaars betalen voor stikstofrechten en dit verdere verstedelijking van het platteland in de hand zal werken.
Ook bestaat de kans dat voor bepaalde veehouderijtypen de datum van aanpassen van verouderde stallen aan de IOV-eisen verschoven wordt als voorzien wordt dat op 1 januari 2024 nog geen praktijkrijpe en vergunbare stalsystemen beschikbaar zijn die voldoen aan de IOV-eisen. Verder heeft de Minister aangegeven de zogenaamde ‘PAS-meldingen’ te legaliseren. Onder het Programma Aanpak Stikstof was het mogelijk tot een drempelwaarde te volstaan met een melding. Daarmee waren de projecten ontheven van een vergunningplicht. Door de Raad van State uitspraak over het PAS zijn deze meldingen ‘illegaal’ geworden. Om deze te kunnen legaliseren nemen Rijk en provincies maatregelen op gebiedsniveau. De Mobilisation for the Environment (MOB) heeft al aangegeven tegen de legalisering in beroep te gaan. Wanneer en hoe de legalisering haar beslag krijgt, is dus onzeker. Dit zal op zijn vroegst in 2021 zijn, maar dat kan ook langer duren omdat hiervoor eerst stikstofruimte vrijgemaakt moet worden. Warme sanering varkenshouderij In heel Nederland hebben varkenshouders zich ingeschreven voor de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv). De provincie Noord-Brabant verwacht dat circa 200 bedrijven, met in totaal circa 460.000 varkens gebruik zullen maken van de regeling. Varkenshouders hebben eind juli 2020 een subsidiebeschikking ontvangen en hebben na ontvangst 8 weken bedenktijd.
Het is niet openbaar bekend of binnen het plangebied (of de omgeving) varkensbedrijven aanwezig zijn die een subsidiebeschikking hebben ontvangen en ook daadwerkelijk gebruik gaan maken van de saneringsregeling.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
73
P186126.006
4.5
Geur
4.5.1 Methodiek Op basis van het gemeentelijke vergunningenbestand is voor de alternatieven met een door Pouderoyen Tonnaer ontwikkelde GIS-applicatie (gecombineerd met het programma V-stacksgebied) berekend en in kaart gebracht welke achtergrondbelasting aan geur optreedt ten gevolge van de stalemissies in gemeente Best. Deze indicatieve achtergrondbelasting geeft samen met de milieukwaliteitscriteria in Tabel 14 een beeld van het leefklimaat in het plangebied. De volgende criteria zijn gehanteerd: Ontwikkeling woon- en leefklimaat aan de hand van de geurbelasting binnen de bebouwde kom (achtergrondbelasting). Ontwikkeling woon- en leefklimaat aan de hand van de geurbelasting in het buitengebied (achtergrondbelasting). Bij de beschrijving van de mogelijke ontwikkeling van de geurbelasting is de indeling in Tabel 14 gebruikt. Tabel 14: Milieukwaliteitscriteria voor geurhinder (Bron: Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij bijlage 6 en 7)
Achtergrondbelasting (Ou/m3) 0 - 3.0 3.1 - 7.4 7.5 - 13.1 13.2 - 20.0 20.1 - 28.3 28.4 - 38.5 38.6 - 50.7 > 50.7
Kans op geurhinder <5% 5 – 10% 10 – 15% 15 – 20% 20 – 25% 25% - 30% 30% - 35% > 35%
Beoordeling leefklimaat Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Voor het aspect geur wordt er gekeken naar de ontwikkelingen van de intensieve veehouderij. Deze levert namelijk een bijdrage aan geurhinder door middel van stalemissies. Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (melkrundvee en zoogkoeien, paarden en nertsen) geldt een minimum afstand tussen het dichtstbij gelegen emissiepunt van de veehouderij en een geurgevoelig object. Deze veehouderij typen zijn daarom niet meegenomen in de berekening van de achtergrondbelasting.
4.5.2
Referentiesituatie
In Figuur 18 is de huidige achtergrondbelasting van geur uit stallen van veehouderijen in Best en aangrenzende gemeenten weergegeven. Het betreft de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) in de referentiesituatie (de huidige, vergunde situatie met CBS correctie voor de veestapel).
74
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Figuur 18: Indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder in de huidige vergunde situatie met CBScorrectie veestapel (zie ook deel C, bijlage C-6)
Het aanpassen van verouderde stallen aan het Besluit emissiearme huisvesting en de IOV-eisen betekent niet altijd een lagere geuremissie. Er zijn verschillende stalsystemen die wel een lagere emissie voor ammoniak veroorzaken, maar die geen lagere geuremissie tot gevolg hebben. Het al dan niet voldoen aan ammoniakeisen heeft daarmee niet persé een effect op de geuremissie.
4.5.3 Effecten en effectbeoordeling De kaarten in Deel C, bijlage C-6 geven de achtergrondbelasting weer voor de huidige situatie en de scenario’s op basis van de modelmatige uitgangspunten. In paragraaf 4.4. staat toegelicht dat een stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 staat opgenomen en waarom deze noodzakelijk is. Een stikstofplafond zorgt ervoor dat de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen beperkt worden en dat emissiearme stalsystemen toegepast moeten worden om te kunnen uitbreiden. Deze beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen in het bestemmingsplan heeft indirect ook een beperkend effect op de geuremissie en geurbelasting. In het trendmatig scenario en het worstcase scenario ten aanzien van geur wordt geen rekening gehouden met het effect van het stikstofemissieplafond, zodat inzichtelijk wordt gemaakt wat de effecten voor geur zullen zijn als geen stikstofemissieplafond opgenomen wordt in het bestemmingsplan.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
75
P186126.006
Ontwikkeling geuremissie Uit Tabel 15 blijkt dat het trendmatig scenario (niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een lichte afname van de geuremissie, ondanks dat de veehouderij in dit scenario groeit. De afname ten opzichte van de referentiesituatie wordt veroorzaakt door toepassing van ammoniakemissie reducerende maatregelen in het kader van de IOV die tevens een geurreductie geven. Het worstcase scenario (wel en niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een forse toename van de geuremissie. Hierbij wordt latente ruimte maximaal opgevuld en in overbelaste situaties gebruik gemaakt van de zogenaamde 50%-regel in de Wet geurhinder en veehouderij (helft van de geurwinst mag gebruikt worden voor uitbreiding). Tabel 15: Geuremissies in het trendmatig en worstcase scenario t.o.v. de referentiesituatie.
Geur (OU/m3) en % t.o.v. hsv
Huidige situatie vergund (hsv)
Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb)
Huidige situatie vergund – met eisen IOV
1.026.496
821.196 (80%)
1.026.496 (100%)
Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie 821.196 (80%)
Trendmatig scenario
Worstcase Scenario -
Rekening houdend met geurnormen
Wel en niet rekening houdend met geurnormen
781.111 (76%)
Wel: 1.420 081 (138%) Niet: 4.976.383 (485%)
Ontwikkeling geurbelasting Uit Tabel 16 en Tabel 17 blijkt dat het trendmatig scenario (rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een lichte toename van de geurbelasting buiten de bebouwde kom. Deze toename wordt veroorzaakt door het opvullen van de latente ruimte in de vergunningen en ontwikkeling van intensieve veehouderijen binnen het bouwblok. Het worstcase scenario (wel en niet rekening houdend met voorgrondnormen uit de gemeentelijke geurverordening) ten opzichte van de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting + CBS-correctie veestapel) zorgt voor een wezenlijke toename van de geurbelasting binnen en buiten de bebouwde kom. Met toepassing van de gemeentelijke geurnormen is deze toename kleiner. Dit komt vooral door de lage geurnorm van 1,0 OU voor de bebouwde kom van Best.
76
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
In de effectbeoordeling van het trendmatig en worstcase scenario is geen rekening gehouden met een toets op de achtergrondbelasting bij ruimtelijke procedures. Indien niet alleen getoetst wordt op de voorgrondnormen maar ook op normen voor de maximale achtergrondbelasting, zal de ontwikkeling van de geurhinder in de scenario’s positiever zijn dan in de tabellen is weergegeven. Tabel 16: Achtergrondbelasting geur binnen de bebouwde kom naar classificatie woon- en leefmilieu (in absolute aantallen verblijfsobjecten uit het BAG, voor zover niet behorend bij (voormalige) veehouderij). Binnen bebouwde kom (woonkern Best)
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht Totaal Hinderwaarde Hinderpercentage*
Huidige situatie vergund
12.444 544 6 0 0 0 0 0 12.994 283 2%
Huidige situatie vergund – CBS correctie met autonome ontwikkeling
Trendmatig scenario
Worstcase Scenario -
Rekening houdend met geurnormen geurverordening
Rekening houdend met geurnormen geurverordening
12.750 244 0 0 0 0 0 0 12.994 234 2%
12.624 365 5 0 0 0 0 0 12.994 259 2%
11.405 1.571 18 0 0 0 0 0 12.994 343 3%
Worstcase Scenario
3.865 3.797 2.440 1.650 1.014 223 5 0 12.994 1.219 9%
* Berekend door per klasse te vermenigvuldigen met de kans op geurhinder en te sommeren.
Tabel 17: Achtergrondbelasting geur buiten de bebouwde kom naar classificatie woon- en leefmilieu (in absolute aantallen verblijfsobjecten uit het BAG, voor zover niet behorend bij (voormalige) veehouderij). Buiten bebouwde kom (buitengebied)
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht Totaal Hinderwaarde Hinderpercentage*
Huidige situatie vergund
80 269 78 10 1 1 2 0 441 317 8%
Huidige situatie vergund – CBS correctie met autonome ontwikkeling
Trendmatig scenario
Worstcase Scenario -
Rekening houdend met geurnormen geurverordening
Rekening houdend met geurnormen geurverordening
114 280 38 5 2 2 0 0 441 263 7%
90 271 64 12 1 1 2 0 441 292 8%
47 227 123 37 3 2 2 0 441 385 10%
Worstcase Scenario
29 8 2 72 82 63 74 111 441 1.339 27%
* Berekend door per klasse te vermenigvuldigen met de kans op geurhinder en te sommeren.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
77
P186126.006
Effectbeoordeling Geur Het trendmatig scenario is op het criterium effecten geur beoordeeld als neutraal binnen de bebouwde kom en licht negatief (0/-) buiten de bebouwde kom ten opzichte van de referentiesituatie. Hierbij wordt rekening gehouden met de geurnormen in de geurverordening. Het worstcase scenario scoort als rekening gehouden wordt de geurnormen in de geurverordening voor dit criterium negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Indien geen rekening gehouden wordt met de gemeentelijke geurnormen scoort het worstcase scenario zeer negatief (- -). Tabel 18: Totale effectscores geur
Criterium
Leefklimaat binnen de bebouwde kom Leefklimaat buiten de bebouwde kom
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
Met toepassing geurnormen geurverordening 0 0/-
Met toepassing geurnormen geurverordening -
Worstcase scenario
---
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
Mitigerende en compenserende maatregelen Actief intrekken latente ruimte De extra geurhinder t.o.v. de referentiesituatie wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de veronderstelde opvulling van de latente ruimte in de vergunningen. Het actief intrekken van niet‐ benutte (latente) ruimte (planologisch, milieu) kan het risico op ongewenste opvulling van die vergunningen beperken. Voor een deel wordt hier momenteel in voorzien door de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen (Regeling natuurbescherming Noord-Brabant) op basis waarvan latente ruimte niet ingezet mag worden voor saldering. Echter dit zijn provinciale beleidsregels die niet opgenomen kunnen worden in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 en die door de provincie aangepast kunnen worden. Strengere geurtoets (voorgrond- en achtergrond) De cumulatieve geurnormen die op basis van de IOV in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 worden opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen, zorgen voor een bescherming tegen een toename van de achtergrondbelasting van geur, die wel mogelijk zou zijn als er alleen een toetsing plaatsvindt op basis van de gemeentelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting. De gemeente kan de beschermende werking versterken door strengere cumulatieve geurnormen op te nemen dan de provinciale geurnormen voor de achtergrondbelasting.
Bijvoorbeeld door uit te gaan van de lagere GGD advieswaarden. Ook kan de gemeente een dergelijke strengere geurtoets niet alleen opnemen voor de ontwikkeling van veehouderijen, maar ook bij de ontwikkeling van andere functies, zoals wonen. Dit om een toename van de blootstelling aan te hoge geurbelasting te voorkomen of te beperken, bijvoorbeeld als ter plaatse van VAB-locaties geurgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd.
78
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
De ontwikkeling van geurhinder is het minst negatief wanneer in het bestemmingsplan buitengebied of in afzonderlijke ruimtelijke procedures wordt getoetst op de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling op grond van de gemeentelijke en provinciale geurnormen (individueel en cumulatief). Door in het bestemmingsplan bij uitbreiding van het bouwblok, uitbreiding van het oppervlakte dierenverblijven of wijzigen van veehouderijtype (maar ook bij buitenplanse procedures) de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling te toetsen aan de gemeentelijke geurnormen. En bij overbelasting (de eerder vergunde geurbelasting is hoger dan de geurnorm) te toetsen of die geurbelasting zo veel als mogelijk wordt terug gebracht. Dit om er toe bij te dragen dat piekbelastingen worden verminderd. De juridische mogelijkheden om dergelijke toetsen te kunnen meenemen in de afweging zijn het grootst bij aparte planologische procedures. De gemeente kan met een stringenter planologisch regime in het bestemmingsplan buitengebied haar juridische sturingsmogelijkheden vergroten. Ook kan de gemeente in gebieden met veel overlast en een sterke concentratie van veehouderijen, per locatie het aantal en type dieren te begrenzen / maximaliseren. Dit om nog sterker via het ruimtelijk instrumentarium te sturen op beperking van overlast en de afname van bestaande overlast bij ontwikkeling van veehouderijen.
Mogelijkheden Crisis- en herstelwet (Chw) en Schone Lucht Akkoord (SLA) In de gemeente Best is op gebiedsniveau geen sprake van een geurprobleem. Wel kan er sprake zijn van lokale, individuele situaties waar de geursituatie verbeterd kan worden, bijvoorbeeld de cluster van varkenshouderijen ten noorden van De Vleut. De Crisis- en herstelwet en het Schone Lucht Akkoord biedt de gemeente hiervoor een extra mogelijkheid. In de provincie Noord-Brabant komt experimenteerruimte voor overbelaste situaties vanwege veehouderij (o.b.v. voorstel 21e tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet). De gemeente kan dan maatregelen aan veehouderijen opleggen om de overbelasting naar de omgeving toe te beperken, zoals het voorschrijven van geur reducerende maatregelen als sprake is van onaanvaardbare geurhinder en de nadelige gevolgen van geuremissies verder kunnen worden beperkt vanwege ontwikkeling technische mogelijkheden. De gemeente krijgt bij onaanvaardbare geurhinder ook de mogelijkheid om vergunningvoorschriften te wijzigen en zelfs de vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken. Om te bepalen of sprake is van onaanvaardbare geurhinder moet rekening worden gehouden met lokaal geurbeleid, historie van klachten, de bestaande en de verwachte geurhinder van de veehouderij en de kosten en baten van de technische voorzieningen en gedragsregels in de veehouderij.
Verder komt er ruimte om te experimenteren met innovatieve technieken. De voorgestelde experimenteerruimte voorziet straks ook in de mogelijkheid om af te wijken van de geurregels in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. De gemeente kan afwijken van de zogeheten ‘50%-regeling’ voor geur, op basis waarvan veehouderijen in overbelaste situaties toch kunnen uitbreiden door de behaalde geurwinst, voor de helft weer te benutten voor de uitbreiding. De gemeente kan hiervan afwijken binnen een bandbreedte van 0% tot 50%. Deze experimenteerruimte is nog in ontwikkeling. De gemeente heeft echter nu al mogelijkheden om te anticiperen op de wet- en regelgeving onder de Omgevingswet. Zo heeft de gemeente onder de Omgevingswet meer beleidsvrijheid bij het bepalen van het beschermingsniveau van verschillende geurgevoelige objecten en kan de gemeente een omgevingswaarde vastleggen voor een bepaald gebied, onder andere voor geur.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
79
P186126.006
4.5.4
Leemten in kennis en informatie
Relatie geurbelasting en kans op hinder Er is onzekerheid over de relatie tussen de berekende geurbelasting en de kans op hinder. Deze onzekerheid heeft niet van direct invloed op de effectvergelijking van de scenario’s maar is wel van belang om de effecten van een hoge geurbelasting voor omwonenden te kunnen duiden. De beoordeling van geur is subjectief en individueel bepaald. Dat maakt het moeilijk om algemeen gedragen en wetenschappelijk onderbouwde geurnormen of een eenduidige relatie tussen geurbelasting en kans op hinder vast te stellen. Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid van de GGD Brabant/Zeeland (Bureau GMV) en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van Universiteit Utrecht onderzochten in 2014 de relatie tussen geurbelasting afkomstig van veehouderijen en de ervaren geurhinder bij ruim 13.000 respondenten op het platteland en in kleinere kernen van Noord-Brabant en Noord-Limburg. Het onderzoek werd uitgevoerd in het kader van de Academische Werkplaats Milieu & Gezondheid. Deze resultaten bevestigen volgens de GGD signalen dat er bij gegeven geurbelasting aanzienlijk meer geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wgv (Wet geurhinder veehouderij) te verwachten zou zijn. De relatie tussen geurbelasting en hinder blijkt bovendien afhankelijk te zijn van diersoort.
De GGD adviseert de resultaten mee te nemen in de (landelijke) evaluatie en actualisatie van de Geurhindersystematiek en roept ook gemeenten en provincies op de resultaten te gebruiken als opstap voor vernieuwd geurhinderbeleid. Het RIVM heeft een duidingsonderzoek uitgevoerd waarin de onderzoeksmethodiek en resultaten van het onderzoek van de GGD en Universiteit van Utrecht zijn vergeleken met het onderzoek dat door PRA is uitgevoerd in 2001. Het onderzoek van PRA is gebruikt in de handleiding bij de Wet geurhinder en veehouderij. Het RIVM geeft aan dat het GGD-IRAS het meest recente beeld geeft van de relatie tussen geurhinder en de blootstelling aan geur uit stallen van veehouderijen in NoordBrabant en Noord-Limburg. Het toepassen van de gevonden relatie voor specifieke locaties kent echter de nodige beperkingen. Bijvoorbeeld omdat persoonlijke en conceptuele factoren van belang zijn en er aan de gemodelleerde blootstelling (modelmatig bepaalde geurhinder) allerlei onzekerheden kleven. GGD-Nederland heeft in het kader van het uitgevoerd onderzoek uit 2014 (GGD en IRAS) en de landelijke evaluatie van de geurregelgeving een advies gegeven m.b.t. de maximale hoogte t.a.v. de achtergrondbelasting. Zij gaan daarbij uit van een maximale achtergrondbelasting van circa 5 Ou voor objecten binnen de bebouwde kom en 10 Ou voor objecten buiten de bebouwde kom.
In paragraaf 4.11 is een nadere beoordeling opgenomen op basis van de GGD-advieswaarden voor onder andere geurhinder. Rendementen gecombineerde luchtwassers Naar aanleiding van de evaluatie van de geurregelgeving door de bestuurlijke werkgroep Verdaas is onderzoek verricht naar de rendementen van gecombineerde luchtwassers. Naar aanleiding van die onderzoeksresultaten zijn de ingeschatte geurrendementen van deze luchtwassers verlaagd van 85% naar 30-45% geurreductie en zijn de geuremissiefactoren naar boven bijgesteld. De berekende geurbelasting is hierdoor veel hoger dan de geurbelasting waarvan ten tijde van de vergunningverlening is uitgegaan.
80
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
De Commissie Geurhinder en Veehouderij (Commissie Biesheuvel) heeft o.a. geadviseerd meer inzicht te bieden in de effectiviteit van luchtwassers en hierbij de geurproductie in de stal te betrekken. In opdracht van het ministerie voert de WUR een onderzoek uit naar de mogelijkheden om de rendementen van combiluchtwassers te verbeteren.
4.6
Fijn stof en endotoxinen
4.6.1 Methodiek Voor emissies van fijn stof zijn onderscheidend het type bedrijf en de verkeersbewegingen die daarbij een rol spelen. Daarom is luchtkwaliteit beoordeeld op de volgende criteria: Bedrijfsvoering: fijn stof (PM10). Verkeer: fijn stof (PM10). Voor wat betreft de invloed op fijn stof is in het buitengebied van Best de veehouderij relevant. In de scenario’s kan er een toename van de fijn stof emissies uit dierenverblijven ontstaan en door een toename van (vracht)verkeer, waardoor de fijnstof concentraties kunnen verhogen. In de achtergrondconcentraties zijn de bijdrages van de bestaande veehouderijen al inbegrepen. Nieuwe overschrijdingen van de wettelijke normen in de toekomst kunnen bij een adequate vergunningverlening in principe niet plaatsvinden, tenzij de normen worden bijgesteld op basis van nieuwe inzichten bijvoorbeeld de dosis-effectrelatie. Daarbij stelt de IOV bij uitbreiding van veehouderijen een norm voor de maximale fijn stof concentratie. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ (hierna: voorlopig toetsingskader endotoxinen) opgesteld.
In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Effecten ten aanzien van fijn stof - endotoxinen wordt beoordeeld op het volgende criterium: de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3
4.6.2
Referentiesituatie
De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in vrijwel het hele plangebied rond de 18 -19 µg/m3. Op drie locaties ligt de achtergrondconcentratie PM10 hoger (circa 20-22 µg/m3) ten gevolge van aanwezige pluimveehouderijen. De achtergrondconcentraties liggen in het hele plangebied ruim onder de Nederlandse grenswaarde van 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) ligt volgens de GCN in het hele plangebied tussen de 11-12 μg/m3 en ligt ruim onder de grenswaarde van 25 μg/m3. Zie Figuren 19 en 20.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
81
P186126.006
De jaargemiddelde achtergrondconcentraties van fijn stof (PM10) in het buitengebied van Best is dus nergens hoger dan de wettelijke norm van 40 μg/m3. Naast deze norm geldt nog dat de grenswaarde van 50 μg/m3 niet meer dan 35 keer per jaar wordt overschreden. Als richtwaarde voor de achtergrondconcentratie waarbij dit dreigt te gebeuren wordt in het algemeen een achtergrondconcentratie van 32 μg/m3 gehanteerd. De maximale concentratie ligt ook hier onder, zodat ook ten aanzien van de overschrijdingsdagen vanuit de achtergrondconcentratie de wettelijke normen niet overschrijden worden. Behalve waar sprake is van een hoge lokale bijdrage.
Figuur 19: Kaart huidige, vergunde achtergrondconcentraties PM10 (Deel C, bijlage C-7)
Figuur 20: Kaart bestaande achtergrondconcentraties PM10 en PM2,5 (Bron: GCN, jaar 2020)
In navolgend Figuur 21 is de indicatieve bijdrage aan de achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) van veehouderijen in de huidige vergunde situatie weergegeven. Binnen het plangebied is overwegend sprake van een lage bijdrage aan de achtergrondconcentratie door veehouderij (<1 µg/m3). Op deze kaart worden vijf veehouderijlocaties ‘zichtbaar’, waar sprake is van een verhoogde
82
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
achtergrondconcentratie fijn stof (pluimveebedrijven), maar ook hier is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden ter plaatse van omliggende woningen. De indicatieve fijn stof belasting door de veehouderijen ligt onder de 20 µg/m3.
Figuur 21: Kaart huidige, vergunde achtergrondconcentraties PM10 met CBS correctie (Deel C, bijlage C-7)
Fijnstof - endotoxinen Figuur 22 geeft de indicatieve individuele en cumulatieve risicocontouren (30 EU/m3) in de huidige vergunde situatie weer. Deze risico-contouren liggen rondom de pluimvee- en varkenshouderijen binnen het plangebied. Op enkele plaatsen overlappen de contouren elkaar en is sprake van een cumulatief effect. Ter plaatse van de veehouderijen aan de Kapelweg, het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg en de kleine cluster van veehouderijen aan de Vleutstraat/Hoefkesstraat liggen woningen van derden binnen de individuele en cumulatieve risico-contour. Bij toepassing van het endotoxinetoetsingskader betekent dat deze veehouderijbedrijven als ze gaan ontwikkelen uit voorzorg niet mogen toenemen in fijnstof emissie (stand-still). Hiermee wordt een toename van het blootstellingsrisico voorkomen.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
83
P186126.006
Figuur 22: Indicatieve fijnstof-endotoxine contouren in de huidige vergunde situatie (zie ook deel C, bijlage C-8)
4.6.3
Effecten en effectbeoordeling
Veehouderij In de bestemmingsplan wordt uitbreiding van bouwblokken voor veehouderijen en uitbreiding van dierenverblijven mogelijk gemaakt. De gemeente stuurt op het voorkomen en beperken van een te hoge blootstelling aan fijn stof door in het bestemmingsplan het type veehouderij vast te leggen (diersoorten) en omschakelingen naar diersoorten waarbij mogelijk sprake is van risico’s niet toe te staan. Het bestemmingsplan bevat geen mogelijkheden voor omschakeling naar pluimvee, geiten of nertsen. Omschakelen naar varkens en uitbreiding van dierenverblijven kan alleen via een wijzigingsbevoegdheid onder de voorwaarden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en een goede leefkwaliteit en daarbij dient aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de relevante (milieuhygiënische) wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid oa. op gebied van gezondheid en fijn stof. Dit geeft de gemeente ook meer mogelijkheden om nieuwe inzichten t.a.v. volksgezondheid en omwonenden te betrekken bij een nieuwe afweging. De Interim Omgevingsverordening stelde t.a.v.
bestemmingsplannen bij uitbreiding van het oppervlakte dierenverblijven een maximaal jaargemiddelde concentratie van 31,2 μg/m3 fijn stof in de buitenlucht, echter uit jurisprudentie volgt dat de provincie in de IOV geen regels omtrent de inhoud van bestemmingsplannen mag stellen die betrekking hebben op de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) in de Wet milieubeheer (ABRvS 201802281/3/R2 , ECLI:NL:RVS:2020:452, 12 februari 2020).
84
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
In tabel 19 is de ontwikkeling weergegeven van de fijn stof emissie voor de huidig situaties en de scenario’s op basis van de modelmatige uitgangspunten. Net als bij geur wordt in de scenario’s geen rekening gehouden met de effecten van het stikstofemissieplafond. Tabel 19: Fijn stof emissies in het trendmatig en worstcase scenario t.o.v. de referentiesituatie.
Huidige situatie vergund (hsv) Fijn Stof (kg PM10/jaar) en % t.o.v. hsv
26.318
Huidige situatie vergund met CBS correctie 21.055 (80%)
Huidige situatie vergund – met eisen IOV 26.318 (100%)
Huidige situatie vergund met eisen IOV en CBS correctie 21.055 (80%)
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
26.603 (101%)
82.611 (314%)
In Figuur 23 is de fijn stof belasting uit de veehouderij bij het trendmatig scenario weergegeven. Dit beeld wijkt weinig af van de huidige vergunde situatie. De landelijke fijnstof normen verhinderen over het algemeen niet een toename in achtergrondconcentratie fijn stof, tenzij er sprake is van woning of een andere gevoelig object op zeer korte afstand van stallen waar al sprake is van een hoge belasting door fijn stof. Dit wordt zichtbaar in het worstcase scenario. In het worstcase scenario is sprake van een aanzienlijk toename van de fijn stof concentratie. De fijn stof kaarten van de verschillende scenario’s zijn opgenomen in Deel C, bijlage C-7.
Figuur 23: Indicatieve cumulatieve milieubelasting fijn stof vanuit veehouderijen, trendmatig scenario (Deel C, bijlage C-7)
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
85
P186126.006
Figuur 24: Indicatieve cumulatieve milieubelasting fijn stof vanuit veehouderijen, worstcase scenario (Deel C, bijlage C-7)
In het worstcase scenario ontstaat door de toename van de fijn stof concentratie met name een verslechtering van het woon- en leefklimaat in het westen van het plangebied rondom en ten zuiden van Aarle. In dit deel van het plangebied zitten enkele pluimveehouderijen in elkaars nabijheid en zijn op relatief korte afstand meerdere woningen aanwezig. Als hier het voorlopig toetsingskader voor endotoxinen wordt toegepast zal de worstcase ontwikkeling van de fijn stof concentratie in het worstcase scenario een stuk minder negatief zijn, aangezien in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour liggen de fijn stof emissie niet mag toenemen. Afhankelijk van de ligging zijn er veehouderijen binnen het plangebied aanwezig die geen of weinig milieugebruiksruimte hebben ten aanzien van ammoniak en geur en bij uitbreidingsplannen emissie reducerende maatregelen moeten treffen. Bij varkenshouderijen worden voornamelijk luchtwassers toegepast en die reduceren ook fijnstof (het verwijderingsrendement is afhankelijk van het type luchtwasser). Nieuwe pluimveestallen moeten voldoen aan de maximale emissiewaarden van het Beh, bijvoorbeeld door nageschakelde technieken. Dit kan betekenen dat uitbreiding resulteert in een daling van de fijn stof emissies.
Dit is niet meegenomen in de scenario’s, omdat dit lastig te voorspellen is, maar kan dus voor een vermindering van de concentratie fijn stof zorgen of een beperking van een toename van de concentratie fijn stof uit stallen van veehouderijen.
86
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Fijn stof - endotoxinen De gemeente Best past in de praktijk het voorlopig toetsingskader endotoxinen toe, echter dit is geen landelijke wet- en regelgeving. Zonder toepassing van het voorlopig toetsingskader endotoxinen zijn de effecten voor endotoxinen gelijk aan de effecten voor de fijn stof emissies. Bij toepassing van het voorlopig toetsingskader endotoxinen mag in bestaande situaties waar woningen binnen de endotoxinen-risicocontour van één of meerdere veehouderijen liggen, de fijn stof emissie van de veehouderij niet toenemen. Ter plaatse van de veehouderijen aan de Kapelweg, het pluimveebedrijf aan de Aarleseweg en de kleine cluster van veehouderijen aan de Vleutstraat/Hoefkesstraat liggen woningen van derden binnen de individuele en cumulatieve risicocontour. Bij toepassing van het endotoxine-toetsingskader betekent dat deze veehouderijbedrijven als ze gaan ontwikkelen uit voorzorg niet mogen toenemen in fijnstof emissie (stand-still). Hiermee wordt ter plaatse een toename van het blootstellingsrisico voorkomen. Verder kan binnen het plangebied de fijn stof emissie toenemen zoals in Figuur 23 en Figuur 24 is weergegeven, maar op basis van het toetsingskader endotoxinen kan het blootstellingsrisico en het aantal blootgestelden aan endotoxinen niet toenemen.
Met toepassing van dit toetsingskader wordt andersom ook voorkomen dat nieuwe gevoelige functies op VAB-locaties (woningen of andere gevoelige functies) binnen endotoxine risicocontouren worden gerealiseerd en een toename van het aantal blootgestelden en daarmee blootstellingsrisico gaan endotoxinen voorkomen.
Verkeer Het bestemmingsplan biedt planologische uitbreiding voor een toename van het aantal dieren en kan daarmee ook leiden tot een toename van transportbewegingen in het buitengebied. Een toename aan transportbewegingen veroorzaakt ook een toename aan fijn stof emissies. De toename aan transportbewegingen en daarmee fijn stof emissies is bij het worstcase alternatief groter dan bij het trendmatig groeialternatief.
Effectbeoordeling fijn stof en fijn stof - endotoxinen Het trendmatig scenario is op het criterium bedrijfsvoering en verkeer (fijn stof) beoordeeld als licht negatief (0/-). Het worstcase scenario is voor het criterium bedrijfsvoering en verkeer beoordeeld als negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. Indien het voorlopig toetsingskader endotoxinen wordt toegepast wordt het worstcase scenario voor het criterium bedrijfsvoering minder negatief. Tabel 20: Totale effectscores fijn stof –endotoxinen
Criterium
Bedrijfsvoering – fijn stof en endotoxinen Verkeer – fijn stof
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
0/0/-
-
Trendmatig Worstcase scenario scenario met toepassing endotoxine toetsingskader 0/0/0/-
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
87
P186126.006
Mitigerende en compenserende maatregelen Voor beperking van fijn stof emissies uit de veehouderij bestaan de volgende mogelijkheden: Aanpak van de bron: voermaatregelen (gebruik coating tegen stofverspreiding) & huisvesting (strooisel, mest afdekken). Aanpak luchtkwaliteit in de stal: vernevelen (olie/water), elektrostatisch filter. Aanpak luchtkwaliteit bij de uitlaat: (combi-)wasser, watergordijn, filters, groensingels. Bij toepassing van een chemische of biologische luchtwasser kan de emissie van fijn stof met circa 60% worden gereduceerd. Bij toepassing van de gecombineerde luchtwasser bedraagt de reductie circa 80%. Andere maatregelen om een blootstelling tegen hoge concentraties fijn stof te voorkomen zijn bij nieuwe ontwikkelingen (nieuwe stallen, nieuwe woningen e.d.) voldoende afstand houden, ook als de (landelijke) normen niet worden overschreden. De gemeente kan toename van fijn stof emissies en extra blootstelling bij hogere concentraties fijn stof op locaties waar één of meerdere woningen binnen een individuele of cumulatieve endotoxinerisicocontour liggen voorkomen door toepassing van het voorlopig toetsingskader endotoxinen. Het voorkomen van oprichting van nieuwe pluimveehouderijen, door omschakeling naar pluimvee niet mogelijk te maken in het bestemmingsplan.
In het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 is omschakelen naar pluimvee, geiten en nertsen niet mogelijk.
4.6.4 Leemten in kennis en informatie De modelberekeningen (cumulatieve concentratie fijn stof door veehouderijen en de endotoxinen risico-contouren) zijn uitgevoerd op basis van standaard stalparameters. De uitvoering van stallen zoals de exacte ligging van emissiepunten en de wijze van de uitstroom van lucht uit de stallen, bepalen in sterke mate lokale concentraties. Het voldoen aan de grenswaarde van een uitbreiding wordt nader getoetst in het kader van de daarvoor benodigde vergunningaanvraag. Er zijn geen leemten die van invloed zijn op de oordeel- en besluitvorming.
4.7
Landschap
4.7.1 Methodiek De volgende criteria zijn gehanteerd: Beïnvloeding landschappelijke patronen, objecten en elementen.
4.7.2 Referentiesituatie Best maakt onderdeel uit van gebiedspaspoort Meierij, dat wordt gekenmerkt als ‘kleinschalig mozaïek aan de benedenloop van beken, rijk aan populieren’. De provincie wil het karakter van de Meierij als groen hart van Brabant versterken.
88
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Onder meer door mogelijkheden te bieden voor menging van functies in het buitengebied en verbreding van de landbouw, het versterken en verbinden van Het Groene Woud met andere natuurgebieden, in te zetten op een duurzame waterhuishouding en het versterken van de recreatieve structuur. De ontwikkeling van dorpen, steden en de intensieve landbouw (zoals veehouderij en boomteelt) vindt plaats in samenhang met het versterken van landschapselementen die bijdragen aan de biodiversiteit en het groene, kleinschalige karakter van de Meierij; zoals poelen, houtwallen, open graslanden, bomenlanen en onverharde wegen. In het noorden van het plangebied ligt Nationaal landschap Het Groene Woud. De afwisseling tussen waardevol natuur- en cultuurlandschap met hoge cultuurhistorische waarden is groot op kleine schaal. De verwevenheid tussen ecologische en landbouwbelangen is vanwege deze afwisseling aanzienlijk. Op basis van overeenkomsten in abiotische kenmerken, ontstaansgeschiedenis, karakteristiek en grondgebruik kan het buitengebied van Best worden onderverdeeld in grofweg drie landschappelijke eenheden:
Broekontginningslandschap in het noorden: Hier ligt het cultuurhistorisch landschap Groene Woud en liggen de Natte Natuurparels (onderdeel NNB) De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken. Het gebied wordt onder andere gekenmerkt door waardevolle kwel- en bosvegetaties (moerassige gronden en blauwgraslanden). Een kenmerkend cultuurhistorisch aspect is de zeer kleinschalige afwisseling van (broek)bosjes, houtsingels, bomenrijen (vooral populieren) en kleine graslandjes. Een aantal van de landschapselementen heeft historische waarde. Binnen De Mortelen en De Scheeken is een aantal historisch geografische lijnen aanwezig en er is sprake van een aantal historische groenstructuren. De indicatieve archeologische waarde is laag binnen nagenoeg het hele deelgebied.
Kampenlandschap in het midden: Dit landschapstype bestaat uit kleinschalige akkerlanden, omgeven door houtsingels en houtwallen. Als gevolg van schaalvergroting in de landbouw is deze verkaveling nog maar beperkt aanwezig. De buurtschappen De Vleut en Aarle zijn specifieke landschappelijke eenheden. De indicatieve archeologische waarde is middelhoog tot hoog in een groot deel van dit gebied.
Heidelandschap in het zuiden: Dit landschap is een heideontginnings- en heidebebossingslandschap. De Nieuwe Heide in het zuidoosten van de gemeente Best is van oorsprong een relatief hooggelegen heideterrein op stuifzandruggen. Het landschap is besloten van karakter door de aanwezige naaldhoutbossen. In de bosgebieden ligt een aantal nieuwe open heideterreinen met vennen. Geheel in het westen van de Nieuwe Heide ligt het Langven. De Aarlesche Heide wordt gekenmerkt door landduinen en is (half) open van karakter.
De in het gebied voorkomende elementen die landschappelijk waardevol zijn, zijn veelal als ‘Bos’ of ‘Natuur’ conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2006’ op de verbeelding opgenomen. Elementen, solitaire bomen en/of poelen die binnen een bouwvlak zijn gelegen worden tot de erfbeplanting gerekend en zijn niet specifiek opgenomen.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
89
P186126.006
Daarnaast zijn overige verspreid in het buitengebied gelegen waardevolle landschapselementen zoals houtwallen, laanbeplanting, bosschages en poelen conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2006’ op de verbeelding opgenomen als ‘Groen’ .
4.7.3
Effecten en effectbeoordeling
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen vanwege verstening/bouwmassa van invloed zijn op de landschappelijke patronen/objecten en elementen. In beide scenario’s is de invloed van de ontwikkelingsruimte voor met name de agrarische bedrijven op landschap zeer beperkt ten opzichte van de referentiesituatie, omdat ruimtelijke ontwikkelingen alleen mogelijk zijn wanneer voldaan wordt aan een breed scala aan landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen. Ruimtelijke kwaliteitsverbetering Van een aantal ruimtelijke ontwikkelingen is op basis van eerder doorlopen planologische procedures medewerking verleend, mits een goede landschappelijke inpassing werd gerealiseerd. Betreffende locaties zijn hiertoe op de verbeelding eveneens voorzien van de bestemming ‘Groen’. In de regels van het bestemmingsplan is voor deze locaties een juridische regeling opgenomen die voorziet in de instandhouding van de landschappelijke inpassing middels opgenomen voorwaardelijke verplichtingen. In de IOV is opgenomen dat ieder bestemmingsplan dat voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
Daarnaast dient te worden verantwoord hoe de vereiste kwaliteitsverbetering in het plan is gewaarborgd. Het achterliggende idee hierbij is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit Kwaliteitsverbetering Onder een kwaliteitsverbetering worden begrepen alle projecten die zijn gericht op een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van structuren of waarden op het vlak van natuur, water, landschap of cultuurhistorie. Bij kwaliteitsverbetering van het landschap kan in het bijzonder worden gedacht aan concrete tegenprestaties gericht op de verbetering van de volgende landschapsaspecten: bodem (aardkunde) en water, natuur- en landschapselementen, cultuurhistorische elementen incl. archeologie, recreatieve toegankelijkheid van het landschap, sloop en ontstening. Investeringen in het landschap betreffen nieuw te ontwikkelen structuren en elementen en/of het herstel van bestaande structuren en elementen. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones. Als het niet mogelijk is een fysieke kwaliteitsverbetering in de directe omgeving te realiseren, is fondsvorming een optie.
De bijdrage wordt dan gestort in het fonds dat ingezet wordt voor kwaliteitsverbetering in het buitengebied.
90
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
De gemeente onderschrijft het principe van het beleidsvoornemen dat ruimtelijke ontwikkelingen bij moeten dragen aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiertoe is door de gemeente een landschapsinvesteringsregeling opgesteld ‘Landschapsinvesteringsregeling gemeente Best’, die in onderhavig bestemmingsplan is door vertaald. In de regels wordt voor diverse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voor ruimtelijke ontwikkelingen een verwijzing opgenomen naar het LIR. In de regeling kunnen, rekening houdend met de impact op de omgeving, drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende kwaliteitsverbetering) worden onderscheiden: Categorie 1: ruimtelijke ontwikkelingen, die geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereisen. Dit betreft ontwikkelingen die geen wezenlijke ruimtelijke impact hebben, omdat de ontwikkeling in zichzelf reeds een kwaliteitsverbetering is danwel de ontwikkeling een dusdanig geringe ruimtelijke invloed heeft (veelal binnen bestaande bebouwing), dat een substantiële kwaliteitsverbetering disproportioneel zou zijn. Dit betreft onder meer aanleg van natuur- en landschapselementen en voorzieningen ten behoeve van extensieve recreatieve mogelijkheden en kleinschalige nevenactiviteiten binnen bestaande bebouwing, vergroting bijgebouwen tot 150 m2 en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.
Categorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en passend worden geacht in het landelijk gebied. Het ruimtelijk effect van de ontwikkeling blijft veelal beperkt tot het eigen erf en heeft slechts in een beperkt aantal gevallen een beperkt visueel-ruimtelijk effect heeft op de directe omgeving (het betreft toename van bebouwing binnen de reeds bestaande bestemmingsvlakken). Onder meer vormverandering van (agrarische) bestemmingsvlakken, ondergeschikte (buitenpandige) nevenactiviteiten en omschakeling naar een grondgebonden melkveehouderij, schapenhouderij of paardenhouderij. Voor deze ontwikkelingen bestaat de vereiste kwaliteitsverbetering uit een goede landschappelijke inpassing op eigen erf en/of direct aansluitend aan eigen erf. De exacte invulling van de landschappelijke inpassing dient nader te worden vastgelegd in een door de gemeente goedgekeurd landschappelijk inrichtingsplan, waaruit blijkt hoe en met welke elementen de landschappelijke inrichting wordt vormgegeven, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van inheemse soorten, zoals opgenomen in de Beplantingslijst bij de LIR.
Hierbij geldt de vereiste goede landschappelijke inpassing voor het gehele bouwvlak en bestemmingsvlak en niet alleen voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling of ingreep. Categorie 3: ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de basisinspanning voor kwaliteitsverbetering wordt genormeerd in euro’s (op basis van forfaitaire bedragen). Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen die wel ruimtelijk inpasbaar zijn, maar die een beduidende invloed kunnen hebben op de omgeving. Dit betreft in ieder geval vergrotingen van agrarische bouwvlakken, uitbreiding van niet-agrarische en recreatie bedrijven, omschakeling van een agrarisch bouwvlak of woonbestemming naar een nietagrarische bestemming en het realiseren van zonnevelden. De noodzakelijke basisinspanning wordt genormeerd, waarbij de investeringsverplichting bij voorkeur met een adequate landschappelijke inpassing wordt voldaan. In een aantal gevallen zal een aanvullende investering worden vereist. Voor de berekening hiervan wordt gebruik gemaakt van standaardbedragen per m2.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
91
P186126.006
De kwaliteitstoevoeging dient bij voorkeur op of in de nabijheid van het initiatief plaats te vinden en kan op meerdere manieren plaats vinden: landschappelijke inpassing, aanleg en herstel van natuuren landschapselementen, aanleg van recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie, sloop van niet cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en verwijderen van verharding, een fysieke bijdrage aan realisering van het Natuurnetwerk Brabant en maatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie. Niet elke ontwikkeling is bij voorbaat te vangen in één van bovenstaande categorieën. Initiatieven kunnen daarvoor te complex zijn, hebben door bijzondere omstandigheden minder financieel draagvlak of dragen op geheel andere wijze bij aan de kwaliteit van het landschap. Ook kan een project een zeer grote of juist vrijwel geen impact op de omgeving hebben. Dat maakt het noodzakelijk om de vrijheid te houden maatwerk te leveren.
Uitbreiding veehouderijen Uitbreiding van veehouderijen is in het bestemmingsplan onder voorwaarden mogelijk: Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan, waarbij de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' dient te bedragen. Kwaliteitswinst: vergroting van het bouwvlak en vormverandering dient gepaard te gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied. Zuinig ruimtegebruik: de inrichting van het bouwvlak bevordert een gunstige verhouding tussen bruto (bestemmings- of bouwvlak) en netto (bebouwing) ruimtebeslag. Staldering: Binnen een regio is de bouw of ingebruikname van een stal van een intensieve veehouderij uitsluitend toegestaan als er elders in dezelfde regio iets meer staloppervlak (110%) verdwijnt. Deze stalderingseis betekent concreet dat er voor elke nieuwe m2 stal elders 1,1 m2 moet worden afgebroken of gebruikt voor een andere bestemming.
Ontstening: bij initiatieven wordt eveneens bewerkstelligd, dat alle overtollige bebouwing wordt gesloopt met uitzondering van cultuurhistorische bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorisch waardevolle bebouwing'. Bebouwing: de bebouwing moet passend zijn bij de aard van de omgeving (hoogte, massa en architectonische kwaliteit). Parkeren dient op eigen erf plaats te vinden. Mestbewerking Het bestemmingsplan maakt het mogelijk dat op het bouwblok mestbewerking ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest plaatsvindt, zonder nadere toetsing aan landschapswaarden of een vereiste landschappelijke inpassing. Dit levert een verstening van het bouwblok op of leidt eerder tot behoefte aan uitbreiding van het bouwblok. Het ruimtelijk beeld van het bouwblok verandert, aangezien hiervoor bouwwerken zijn.
92
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Teeltondersteunende voorzieningen Tijdelijke voorzieningen zijn voorzieningen die op dezelfde locatie worden gebruikt zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 8 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen is: rechtstreeks toegestaan op gronden met bestemming Agrarisch en Agrarisch – Agrarisch bedrijf; indien sprake is van oprichting van voorzieningen hoger dan 1,5 m en groter dan 3 ha binnen de aanduidingen groenblauwe mantel, leefgebied struweelvogels, leefgebied kwetsbare soorten en cultuurhistorisch vlak, is dit alleen via een omgevingsvergunning toegestaan. niet toegestaan in het Natuurnetwerk Brabant. Het gebruikmaken van teeltondersteunende voorzieningen heeft effect op de ruimtelijk visuele kwaliteit van het landschap. Deze voorzieningen kunnen de openheid aantasten en een gevoel van landschappelijke verstoring teweegbrengen bij omwonenden of bezoekers aan het gebied. Met name de aanleg van hoge voorzieningen heeft nadelige effecten op de openheid van het landschap. Voor het landschapsbeeld heeft tijdelijk gebruik echter geen blijvend effect. Zodra het plastic is weggehaald is het oorspronkelijke beeld weer terug. Het gebruik vindt echter wel plaats in hetzelfde seizoen (voorjaar/zomer) als ook anderen (recreanten en inwoners) van het gebied ‘genieten’.
Door tijdelijke voorzieningen rechtstreeks toe te staan is het niet mogelijk een afweging te maken of er sprake is van een onaanvaardbare aantastingen van cultuurhistorische- en aardkundige waarden. De waarden van de groenblauwe mantel en het natuurnetwerk (NNB) zijn wel beschermd. Op agrarische percelen, die tevens een natuurwaarde hebben, kan tijdelijk gebruik wel een blijvende schade tot gevolg hebben. Het is mogelijk dat natuurwaarden direct worden aangetast en op den duur helemaal verdwijnen. Teeltondersteunende voorzieningen kunnen bijvoorbeeld barrières vormen voor kleine dieren en indien ze de bodem afsluiten worden veel dieren gehinderd bij het foerageren. Voor dieren die in de bodem leven en voor planten die ter plaatse groeien, raakt de bodem ongeschikt. Oprichting van teeltondersteunende kassen binnen een agrarisch bouwvlak wordt binnen de bestemming ‘Agrarisch’ bij recht toegestaan tot maximaal 5.000 m2. Binnen de groenblauwe mantel, Natuurnetwerk Brabant en de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ wordt de oprichting van teeltondersteunende kassen conform provinciale regels niet toegestaan.
Vanwege de relatief grote ruimtelijke uitstraling, de duurzaamheid van de voorzieningen en het ontbreken van een directe relatie met het grondgebruik zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen alleen toegestaan binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch-Agrarisch bedrijf’ en buiten het bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorziening’ (dit zijn de bestaande voorzieningen buiten het bestemmingsvlak). Uitbreiding is mogelijk (kassen uitgezonderd). Binnen de groenblauwe mantel bedraagt de maximaal toegestane omvang teeltondersteunende voorzieningen 3 ha. Door een differentiatievlak toe te kennen wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
93
P186126.006
Effectbeoordeling Het trendmatig groeiscenario is op het criterium beïnvloeding van specifieke landschappelijke patronen/objecten en elementen beoordeeld als negatief (-). Het worstcase scenario is voor dit criterium beoordeeld als zeer negatief (- -) ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 21: Totale effectscores landschap
Criterium
Trendmatig scenario
Beïnvloeding van specifieke landschappelijke patronen/objecten en elementen.
Worstcase scenario
-
--
Score:++ = zeer positief; + = positief; 0/+ = licht positief; 0 = neutraal; 0/- = licht negatief; -= negatief; - - = zeer negatief
Mitigerende en compenserende maatregelen Er worden geen aanvullende mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk geacht, anders dan nu al opgenomen in het bestemmingsplan Om negatieve effecten op het gebied van landschap te voorkomen kan de gemeente kiezen om in het bestemmingsplan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer rechtstreeks toe te staan, maar met een afwijking waarin voorwaarden worden gesteld omtrent het niet aantasten van waarden. Ook kunnen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in omvang gemaximaliseerd worden, eventueel gedifferentieerd naar gebiedswaarden. Door bij uitbreiding van permanente teeltondersteunende voorzieningen een differentiatievlak toe te kennen wordt geregeld dat ter plaatse geen gebouwen zijn toegestaan. 4.7.4 Leemten in kennis en informatie Er zijn geen leemten in kennis en informatie geconstateerd die van invloed zijn op de oordeels- en besluitvorming.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie
4.8.1 Methodiek De volgende criteria zijn gehanteerd: Beïnvloeding van cultuurhistorische patronen, objecten en elementen. Beïnvloeding van de aardkundige waarden. Beïnvloeding van de archeologische waarden. 4.8.2 Referentiesituatie Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. Door de provincie is een cultuurhistorisch vlak aangeduid binnen de gemeente Best. Het doel is het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische waarden te verzekeren. Dit cultuurhistorisch vlak is overgenomen in het bestemmingsplan en voorzien van een adequate beschermingsregeling.
94
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Binnen het plangebied liggen geen aardkundig waardevolle gebieden, maar wel cultuurhistorische waardevolle gebieden en elementen. Zie Figuur 25.
Figuur 25: Cultuurhistorische waarden (Kaartbank Brabant)
Cultuurhistorisch vlak Broekgebieden van Best De te beschermen waarden van het gebied betreffen onder meer: De plaatselijk kleinschalige percelering en de (restanten van ) elzensingels ; De Nieuwe Dijk/Broekdijk; De Ginkeldijk; De strookvormige percelering; De zandwegen. De betreffende percelen zijn voorzien van een gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch waardevol vlak’, waarmee de specifieke cultuurhistorische waarden van het aangeduide gebied beschermd worden. Wederopbouwgebied De Scheeken Wederopbouwgebied De Scheeken Direct ten oosten van de A2 bevindt zich daarnaast het gebied ‘De Scheeken’. Ruilverkavelingsgebied De Scheeken is in de Visie Erfgoed en Ruimte door het Rijk aangewezen. De Scheeken is een vroeg voorbeeld van een ruilverkaveling waarbij een landschapsplan werd opgesteld met veel aandacht voor de bestaande kwaliteiten van het gebied. Dit gebied is op basis van de volgende drie kenmerken aangewezen als gebied van nationaal belang: kleinschalig landschap met weiden, bos, akkerlanden en boomkwekerij; een door gevarieerde boomlinten verkamerd landschap; perifere zwermen van wederopbouw en oudere bebouwing. Kenmerkend voor het landschap is dat het is ingedeeld in ‘kamers’: percelen die zijn omkaderd met bomenrijen, singels of hagen.
Door de ruilverkaveling is de ontsluiting verbeterd, maar is geen afbreuk gedaan aan de karakteristieke, kleinschalige inrichting.