22046.10 - Bijlage 8.4 - Plan Mer Deel B Onderbouwing
Tekst van het document
Voor geurhinder zijn twee verschillende varianten op het worstcase scenario doorgerekend. In de eerste variant is geen rekening gehouden met de milieuruimte ten aanzien van geurhinder. In het tweede variant is hier wel rekening mee gehouden en is opgevuld tot de grens van wat op basis van de voorgrondnorm mogelijk is. Daarbij zijn voor deze worstcase analyse de voorgrondnormen uit de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Best 2008” gehanteerd. Per scenario is steeds gekozen voor een stal die voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting en de eisen van de provincie voor nieuwe stallen (IOV, emissie-eisen 2020), maar de hoogste emissie voor ammoniak, geur of fijnstof veroorzaakt. Vervolgens zijn alle bouwblokken (dus ook die waar nu geen vee op zit) uitgebreid tot de maximale omvang en gevuld met vee van de diersoort die toegestaan is volgens het bestemmingsplan. Er is niet gekeken naar de huidige diersoort of veebezetting op het bouwblok, enkel naar de maximale mogelijkheden (qua emissies). Alle bouwblokken of bouwblokdelen groeien naar de maximale omvang van 1,5 ha (tenzij deze nu al groter zijn), zijn opgevuld met vee op basis van de dieraantallen voor een standaard bedrijf zoals hiervoor genoemd.
De worstcase situatie is per aspect ‘maximaal’ ingevuld: voor het aspect geurhinder is voor opvulling van het bouwblok uitgegaan van vleesvarkens, voor ammoniak en fijnstof van leghennen.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
47
P186126.006
3.2.3
Trendmatig scenario boomteelt
In 2019 waren in Best de volgende overige agrarische bedrijven aanwezig (bron: CBS 2020): 26 akkerbouwbedrijven 16 tuinbouwbedrijven, open grond: o 9 boomkwekerijen (incl. vaste planten) o 7 tuinbouwbedrijven (groenten) 3 glastuinbouwbedrijven (boomkwekerij en/of vaste planten onder glas). Hiervan ligt slechts één bedrijf binnen het plangebied. Het aantal boomkwekerijen (incl. vaste planten), is toegenomen in de periode 2000-2006 en daarna weer afgenomen en is in 2019 terug op hetzelfde niveau als in 2000. Het oppervlakte boomkwekerijen is toegenomen in de periode 2000-2010, maar daarna weer afgenomen en stabiel gebleven in de periode 2010-2019. Ten opzichte van 2000 is in 2019 sprake van een afname van het oppervlakte tuinbouw op open grond (-20%). Alle groententeelt bedrijven in Best zijn volgens het CBS beëindigd en de tuinbouw op open grond betreft alleen nog boomteeltbedrijven (-39%). Het aantal glastuinbouwbedrijven is afgenomen in de periode 2000-2012 van 8 naar slechts 2 bedrijven en in 2019 is hier een derde bedrijf bijgekomen (alle drie boomkwekerijgewassen en/of vaste planten onder glas). Het oppervlakte glastuinbouw is verkleind in de periode 2000-2018 (-46%), maar is in 2019 meer dan verdubbeld door de komst van het derde bedrijf.
Ten opzichte van 2000 is in 2019 sprake van een toename van het oppervlakte boomkwekerijgewassen en/of vaste planten onder glas (+30%). De algehele trendmatige ontwikkeling laat zien dat ook bij de overige agrarische teeltbedrijven sprake is van schaalvergroting en dat het teeltoppervlak per bedrijf toe neemt. De boomteelt op open grond vormt hierop echter een uitzondering, aangezien in de gemeente Best zowel het aantal bedrijven als het teeltoppervlak de laatste jaren licht is afgenomen. Het gemiddeld oppervlak per bedrijf ligt in Best in 2019 iets onder het landelijk gemiddelde.
Figuur 9: Ontwikkeling aantal overige agrarische bedrijven in Best 2000-2019 (Bron: CBS, 2020).
48
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Figuur 10: Ontwikkeling oppervlakte (are) t.b.v. overige agrarische bedrijven in Best 2000-2019 (Bron: CBS, 2020).
Figuur 11: Ontwikkeling boomteelt open grond, Nederland (Bron: CBS-landbouwtelling, bewerking Wageningen Economic Research, Agrimatie)
Gezien de stabiele situatie t.a.v. boomteelt in de periode van 2010-2020 en het feit dat slechts één nieuw bedrijf zorgt voor een toename in oppervlakte glastuinbouw in 2019 kan het trendmatig scenario gelijk gesteld worden aan de referentiesituatie (Bestaande, legale situatie).
3.2.4 Worstcase scenario boomteelt In het bestemmingplan zijn de volgende mogelijkheden opgenomen: Bestemming Agrarisch Binnen deze bestemming is bij recht bomenteelt toegestaan. De vollegrond boomteelt vindt plaats buiten het bouwvlak en is niet afhankelijk van permanente teeltondersteunende voorzieningen of gekoppeld aan een bouwvlak.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
49
P186126.006
Permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen'. Binnen de bestemming Agrarisch-Agrarisch bedrijf zijn tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan. Binnen de aanduiding bouwvlak mag maximaal 5.000 m2 aan teeltondersteunende kassen opgericht worden (behalve binnen de groenblauwe mantel, Natuur Netwerk Brabant en op percelen die geheel of grotendeels worden omgeven door de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden). Bestemming Agrarisch met waarden Hier kunnen de bestaande, legale boomteeltbedrijven worden voortgezet. Deze zijn aangeduid als ’boomteelt’. Boomteelt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze aanduiding of na verlening van een omgevingsvergunning die alleen kan worden verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden. Permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’.
Uitbreiding van het bouwvlak (Agrarisch-Agrarisch bedrijf) is alleen mogelijk via een wijzigingsbevoegdheid: Binnen de bestemming Agrarisch tot een omvang van 2 ha, indien het bestaande bouwvlak reeds 2 ha bedraagt, mag dit bouwblok worden vergroot met max. 20%. Binnen de bestemming Agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden tot een omvang van 1,5 ha, indien het bestaande bouwvlak reeds 1,5 ha bedraagt, mag dit bouwblok worden vergroot met max. 15%. Een groter bouwvlak dan 1,5 ha resp. 2 ha is toegestaan als dit noodzakelijk is voor permanente teeltondersteunende voorzieningen (ter plaatse van de aanduiding groenblauwe mantel tot maximaal 3 ha). In een differentiatievlak kan geregeld worden dat geen gebouwen zijn toegestaan. Bouw en uitbreiding van kassen is niet toegestaan. Onder de voorwaarde dat de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving (oa. bodemkwaliteit, waterhuishouding en landschappelijke waarden) en dat wordt voldaan aan landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen (oa. landschappelijke inpassing en kwaliteitswinst o.b.v. de LIR). Worstcase scenario boomteelt Binnen de gebiedsbestemming Agrarisch kan omgeschakeld worden naar vollegronds boomteelt.
Ter plaatse van de bestemming Agrarisch-Agrarisch bedrijf kunnen tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen gerealiseerd worden en onder voorwaarden beperkt uitgebreid worden. Buiten de groenblauwe mantel, het NNB en percelen die worden omgeven door bestemming Agrarisch met waarden is oprichten van teeltondersteunende kassen binnen het bouwvlak mogelijk tot maximaal 5.000 m2. Nieuwvestiging van een boomteeltbedrijf (nieuw bouwblok) is nergens toegestaan. Uitbreiding van bestaande, legale boomteeltbedrijven t.b.v. teeltondersteunende voorzieningen wel, echter uitsluitend onder voorwaarden waarmee een goede leefomgeving en de landschappelijk en ruimtelijke kwaliteit behouden blijft.
50
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
3.3
Referentiesituatie voor de veehouderij
3.3.1 Inleiding De milieueffecten van de huidige situatie plus de autonome ontwikkeling vormen gezamenlijk de referentiesituatie voor het MER, waarmee de alternatieven vergeleken moeten worden. Met name voor bestemmingsplannen buitengebied is het soms lastig om te bepalen welke elementen nu behoren tot de referentiesituatie en welke tot het voornemen. Toegespitst op de milieueffecten van de veehouderij is de referentiesituatie opgebouwd uit: Bouwvlakken en vergunningen voor de veehouderijen, voor zover die feitelijk zijn ingevuld; Bouwvlakken en vergunningen die nog niet (volledig) zijn ingevuld, maar wel op korte termijn worden ingevuld; Ontwikkelingen in de veehouderij op basis van andere reeds genomen besluiten (de zogenaamde autonome ontwikkeling) worden toegepast: het Besluit emissiearme Huisvesting en de IOV die eisen stelt aan de stalsystemen (maximale emissies per dier). Het is lastig te bepalen welk deel van de vergunde ruimte (= milieuvergunningen dan wel melding plichtige bedrijven, hierna tezamen kortheidshalve aangeduid als vergunningen) dat nu nog niet is gerealiseerd, op korte termijn wel zal worden gerealiseerd. De vergunningen van veehouderijen worden systematisch door gemeenten en provincie geregistreerd; informatie over concrete initiatieven of plannen om te investeren (of juist niet) is slechts beperkt toegankelijk.
De aanpak die vaak wordt gehanteerd voor een MER voor een bestemmingsplan buitengebied is: Op basis van de geregistreerde vergunde rechten van de veehouderijen in het plangebied en omgeving wordt de (vergunde) milieubelasting in beeld gebracht. Dus de milieubelasting op basis van de vergunde stalsystemen en het vergunde aantal dieren (Huidige situatie vergund). Uitgaande van de emissie eisen (maximale ammoniak emissie per dierplaats) uit de Besluit emissiearme huisvesting en de Brabantse emissie eisen in de IOV (eisen voor bestaande stallen per 2020) wordt geschat hoe de milieubelasting zich zal ontwikkelen indien het nu vergunde aantal dieren is gehuisvest in stallen volgens de maximale emissiewaarden. Dus het huidig vergunde aantal dieren en de emissie per dierplaats voldoet aan de eisen uit het Beh en IOV. (Huidige situatie vergund + Besluit emissiearme huisvesting en IOV). Uitgaande van de CBS landbouwtellingen wordt een inschatting gemaakt van het verschil tussen het vergunde aantal dierplaatsen (milieuvergunningen) en de opgave van het daadwerkelijk aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is (CBS landbouwtellingen).
De milieubelasting op basis van de huidige vergunde situatie (Huidige situatie vergund) en op basis van Besluit huisvesting en de Brabantse emissie eisen in de IOV (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting en IOV) kan met dat verschil worden “gecorrigeerd” om ten behoeve van de effectvergelijking de alternatieven te kunnen vergelijken met de referentiesituatie (Huidige situatie vergund + Besluit huisvesting/IOV + CBS-correctie veestapel) en met een inschatting van de huidige milieubelasting (Huidige situatie + CBScorrectie veestapel). In de volgende paragrafen worden de verschillende referentiesituaties toegelicht.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
51
P186126.006
3.3.2 Huidige situatie vergund Met dit scenario wordt inzichtelijk wat de milieubelasting is van de aanwezige binnen de verleende vergunningen en meldingen. De basis voor dit scenario zijn de dieraantallen en stallen op basis van de verleende vergunningen en (milieu)meldingen. Hierbij wordt alleen uitgegaan van bestaande, planologisch legale veehouderij (= incl. enkele bedrijfsmatige paardenhouderijen, een enkel bedrijf met kleinvee en enkele zeer kleinschalige veehouderijen). Vergunningen voor veehouderij op woonbouwblokken (6) zijn niet meegenomen. Indien hier feitelijk dieren gehouden worden dan is dit hobbymatig. Locaties met een vergunning en een agrarische bestemming met de functieaanduiding VAB (3) zijn wel meegenomen, aangezien het planologisch nog steeds mogelijk is om hier dieren te houden. Om dezelfde reden is er ook een loonwerker met een vergunning voor het houden van dieren meegenomen (1).
3.3.3 Huidige situatie + CBS-correctie veestapel (= referentiesituatie Voortoets stikstof) Dit scenario beschrijft de huidige situatie zoals de veehouderijen momenteel feitelijk in bedrijf zijn. Voor dit scenario gebruiken we het percentuele verschil tussen de vergunde rechten en werkelijk aanwezige dieren. Dit wordt op planniveau beoordeeld, niet specifiek op bedrijfsniveau. Zoals ook de Commissie voor de m.e.r. in haar adviezen aangeeft, is de vergunde situatie voor veehouderij niet altijd in overeenstemming met het werkelijke aantal gehouden dieren. Daarom is inzichtelijk gemaakt hoe groot dit verschil ongeveer is binnen de gemeente Best. De vergelijking is gemaakt aan de hand van de jaarlijkse landbouwtellingen van het CBS (2019). Een verschil tussen vergund en werkelijk kan ontstaan door verschillen in wijze van registreren (locatie inrichting versus locatie eigenaar), functionele leegstand (afvoeren van slachtvee, schoonmaken van de stallen), het feit dat bedrijven in opbouw of afbouw zijn en daarom de vergunde ruimte nog niet volledig benutten, bedrijven gestopt zijn maar vergunningen nog niet zijn ingetrokken of omdat bedrijven structureel of vanwege marktomstandigheden hun vergunde ruimte niet benutten. Uit de CBS-cijfers (2019) volgt op provinciaal niveau dat binnen de veehouderij sprake is van een onderbezetting ten opzichte van de vergunde dierplaatsen.
Binnen de gemeente Best geven de CBSgegevens van de landbouwtelingen afwijkende cijfers, waardoor geoordeeld wordt dat deze niet geschikt zijn om te gebruiken voor de correctie van de veestapel. Zo geven CBS-cijfers voor de varkenshouderij in Best bijvoorbeeld aan dat het werkelijke aantal varkens groter is dan vergunde varkens. Omdat hiervoor een duidelijke verklaring ontbreekt is gekozen de afwijking tussen vergunde dieraantallen en werkelijke dieraantallen te baseren op provinciale CBS-cijfers. Dit geeft een realistischer beeld. Bij het gebruiken van de provinciale CBS-cijfers zijn wel de diercategorieën die niet in de gemeente Best aanwezig zijn buiten beschouwing gelaten. In Tabel 6, Tabel 7 en Tabel 8 is het verschil in de huidige (werkelijke) bezetting (CBS‐gegevens) versus de vergunde situatie weergegeven voor ammoniak, geur en fijn stof. Omdat de categorieindeling in het CBS en de RAV niet één op één overeenkomt zijn er enige correcties uitgevoerd. Wanneer rekening wordt gehouden met de functionele leegstand die al is verdisconteerd in de wettelijke emissiefactoren per dier (gemiddeld 5 tot 10% ) en bedrijven die in op- en afbouw zijn of al zijn gestopt, is de latente vergunde ruimte in Best op basis van deze vergelijking voor ammoniak circa 30%. Voor geur en fijn stof is dat circa 20%.
52
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Tabel 6 Verschil werkelijk gebruik en vergunde situatie ammoniak
Diercategorie
CBS 2019 aantal dieren
Vergund aantal dieren
Bezetting %
Vergund NH3
Indicatie NH3 emissie CBS correctie bezetting
Melk- en kalfkoeien >= 2 jr Vr. jongvee <= 2 jr Vleeskalveren Overig rundvee >= 2 jr Schapen Biggen Fokvarkens Vleesvarkens Ouderdieren leghennen Leghennen Ouderdieren vleeskuikens Vleeskuikens Edelpelsdieren Paarden en pony’s Totaal
210.274 133.547 251.186 11.727 69.843 2.076.910 528.218 2.644.573 373.478 8.502.916 2.663.551 15.233.626 450.275 16.518
394.348 327.161 380.039 80.739 80.829 2.301.533 585.346 3.713.237 2.909.415 9.562.172 3.879.665 21.422.024 573.595 64.773
53% 41% 66% 15% 86% 90% 90% 71% 13% 89% 69% 71% 79% 26%
4.681.365 1.439.507 1.362.451 377.976 56.660 473.751 1.172.971 4.645.753 165.376 693.189 1.088.849 714.096 147.292 267.052 17.286.288 bezetting correctie
2.496.195 587.606 900.509 54.899 48.959 427.514 1.058.493 3.308.712 21.229 616.401 747.540 507.808 115.625 68.102 10.959.592 63% 30%
Tabel 7 Verschil werkelijk gebruik en vergunde situatie geur
Diercategorie
CBS 2019 aantal dieren
Vergund aantal dieren
Bezetting %
Vergund OU
Indicatie OU emissie CBS correctie bezetting
Melk- en kalfkoeien >= 2 jr Vr. jongvee <= 2 jr Vleeskalveren Overig rundvee >= 2 jr Schapen Biggen Fokvarkens Vleesvarkens Ouderdieren leghennen Leghennen Ouderdieren vleeskuikens Vleeskuikens Edelpelsdieren Paarden en pony’s Totaal
210.274 133.547 251.186 11.727 69.843 2.076.910 528.218 2.644.573 373.478 8.502.916 2.663.551 15.233.626 450.275 16.518
394.348 327.161 380.039 80.739 80.829 2.301.533 585.346 3.713.237 2.909.415 9.562.172 3.879.665 21.422.024 573.595 64.773
53% 41% 66% 15% 86% 90% 90% 71% 13% 89% 69% 71% 79% 26%
0 0 13.186.423 0 630.485 12.420.357 9.400.079 62.470.888 522.217 3.243.948 2.644.123 6.959.995 0 0 111.478.515 bezetting correctie
0 0 8.715.539 0 544.792 11.208.168 8.482.660 44.491.861 67.036 2.884.597 1.815.300 4.949.390 0 0 83.159.344
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
75% 20%
53
P186126.006
Tabel 8 verschil werkelijk gebruik en vergunde situatie fijn stof
Diercategorie
CBS 2019 aantal dieren
Vergund aantal dieren
Bezetting %
Vergund PM10
Indicatie PM10 emissie CBS correctie bezetting
Melk- en kalfkoeien >= 2 jr Vr. jongvee <= 2 jr Vleeskalveren Overig rundvee >= 2 jr Schapen Biggen Fokvarkens Vleesvarkens Ouderdieren leghennen Leghennen Ouderdieren vleeskuikens Vleeskuikens Edelpelsdieren Paarden en pony’s Totaal
210.274 133.547 251.186 11.727 69.843 2.076.910 528.218 2.644.573 373.478 8.502.916 2.663.551 15.233.626 450.275 16.518
394.348 327.161 380.039 80.739 80.829 2.301.533 585.346 3.713.237 2.909.415 9.562.172 3.879.665 21.422.024 573.595 64.773
53% 41% 66% 15% 86% 90% 90% 71% 13% 89% 69% 71% 79% 26%
57.524.916 12.432.118 20.192.422 8.825.406 0 95.194.842 61.580.837 336.156.035 56.482.231 479.856.054 131.251.362 449.432.751 4.588.760 0 1.713.517.734 bezetting correctie
30.673.401 5.074.786 13.346.140 1.281.853 0 85.904.113 55.570.733 239.410.836 7.250.554 426.699.679 90.109.506 319.600.540 3.602.200 0 1.278.524.341 75% 20%
3.3.4
Huidige situatie + CBS-correctie veestapel + Besluit huisvesting en IOV 2020 (referentiesituatie MER).
De autonome ontwikkeling is in de basis de Huidige Situatie + CBS-correctie veestapel, waarbij er vanuit wordt gegaan dat voldaan wordt aan het Besluit emissiearme huisvesting en de IOV emissie eisen voor bestaande stallen zoals die nu gelden in 2020. De emissiereductie die op basis van de bestaande landelijke- en provinciale eisen per 1-1-2020 (Besluit emissiearme huisvesting en daaraan gekoppeld de IOV) bereikt zou moeten zijn, zeker in verband met het aflopen van de gedoogtermijn op 1-1-2020, is nog niet of slechts beperkt terug te vinden in de registratie van vergunningen en meldingen van veehouderijen in Noord-Brabant per maart 2020. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door het onvoldoende actualiseren van het BVB-bestand maar zeer waarschijnlijk is er ook sprake van een aanzienlijke achterstand in het feitelijk aanpassen van stallen. De vergunde ammoniakemissie is tot 2020 is echter wel gedaald, maar veel minder dan op grond van de huidige eisen (zowel het landelijke Besluit emissiearme huisvesting) en de provinciale eisen (sinds juli 2017), verwacht mocht worden.
54
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Voor het bepalen van de autonome ontwikkeling van de veehouderij wordt aangesloten bij de onderzoeken van Connecting Agri & Food en Pouderoyen Tonnaer van 2020 die uitgevoerd zijn ten behoeve van de tweede regelwijziging van de IOV in juli 2020 2. Het is namelijk niet per veehouderij te bepalen wanneer elke afzonderlijke stal precies gebouwd is en wanneer deze uiterlijk aangepast moet worden. Ook zijn de ondernemerskeuzen verschillend en kan voor met name melkrundvee en vleeskalveren de datum van aanscherping nog gewijzigd worden als blijkt dat nog geen geschikte stalsystemen beschikbaar zijn. Een deel van de veehouderijen zullen kiezen om eerst op bedrijfsniveau te gaan gaat voldoen aan de IOV-eisen en een deel zal kiezen om direct op stalniveau te voldoen. Stallen die t/m 2023 worden aangepast hebben vervolgens weer een periode van 20/15 jaar voordat deze stallen opnieuw aangepast moeten worden (mits op bedrijfsniveau voldaan wordt). Voor ammoniak is de (maximale) ammoniakemissie dus bereken o.b.v. de maximale emissiefactoren voor bestaande stallen in 2020 conform de eisen in het Beh en de IOV. Voor geur- en fijnstofemissies geldt dat er stalsystemen beschikbaar zijn die wel voldoen aan de ammoniakemissie eisen, maar geen reductie in geur- en/of fijn stofemissie tot gevolg hebben.
Voor geur en fijn stof is er daarom geen aparte referentie Huidige situatie vergund + CBS correctie veestapel + Besluit huisvesting en IOV opgenomen.
3.4
Referentiesituatie voor boomteelt
In 2019 waren volgens het CBS in de gemeente Best aanwezig: 16 open grond teeltbedrijven, waarvan 9 boomkwekerijen en/of vaste planten (een klein deel valt buiten het plangebied); 3 glastuinbouwbedrijven (boomkwekerij en/of vaste planten onder glas). Hiervan ligt slechts één bedrijf binnen het plangebied. In Figuur 12 is de referentiesituatie weergegeven. Dit is de bestaande, legale boomteelt en vaste plantenteelt. Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ (tevens groenblauwe mantel) zijn dit de in het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 opgenomen functieaanduidingen boomteelt. Dit is de bestaande, legale boomteelt en vaste plantenteelt binnen het plangebied. De boomteeltpercelen in het noorden van het plangebied liggen voor een deel binnen Verder zijn binnen de bestemming ‘Agrarisch’ de bestaande locaties open grond boomteelt en vaste planten toegevoegd op basis van de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP). Er is voor zover bekend bij de gemeente Best geen sprake van autonome ontwikkelingen.
2
‘Verwachte effecten van de voorgestelde aanpassing van de Interim Omgevingsverordening op structuur en omvang van de veehouderij in Noord-Brabant’, Connecting Agri & Food, 8 juli 2020 en ‘Effecten voorgenomen wijziging staleisen op de uitstoot en neerslag van stikstof uit de veehouderij’, Pouderoyen Tonnaer, 9 juli 2020.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
55
P186126.006
Figuur 12: Bestaande boomteelt en vaste planten in Best (VOBP Buitengebied Best 2021 en BRP)
3.5
Toegepaste modellen
De berekeningen van de stikstofdeposities zijn uitgevoerd met het modelprogramma OPS-pro 4.5.2 (dit is het rekenmodel dat ook in Aerius Calculator gebruikt wordt). Output is een grid met een 100*100m resolutie, waarmee de depositiekaarten gemaakt zijn. De belasting op Natura 2000gebieden en overige voor verzuring gevoelige natuurgebieden is berekend door het grid te confronteren met de Natura 2000-gebieden in GIS. Hierbij is per gebied de gemiddelde, maximale en minimale depositie berekend en beschreven in het MER. De toe- en afname van ‘stikstof’emissies NH3 en NOx/NO2) is in OPS vertaald naar stikstofdepositiekaarten. De geurberekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma VSTACKS-gebied, aangevuld met een GIS-module ontwikkeld door Pouderoyen Tonnaer. Deze module is ontwikkeld om met minder handmatige handelingen de geurbelasting en de uitbreidingsruimte voor wat betreft geur voor een groter plangebied te berekenen. In de modelberekeningen is uitgegaan van default V-Stacks parameters en een vaste ruwheid, zoals aangegeven op de kaarten in het MER. Per alternatief is de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder berekend op een en 25*25m grid voor kaartpresentaties en op de voor geurhinder gevoelige objecten.
56
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
De fijnstofberekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma ISL3A versie 2020, aangevuld met een GIS-module ontwikkeld door Pouderoyen Tonnaer. Deze module is ontwikkeld om met minder handmatige handelingen de cumulatieve fijnstofbelasting van veehouderijen in een groter plangebied te berekenen. In de modelberekeningen is uitgegaan van default parameters en een vaste ruwheid, zoals aangegeven op de kaarten in het MER. Per alternatief is de cumulatieve fijnstofbelasting berekend op een en 25*25m grid voor kaartpresentaties en op verblijfsobjecten.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
57
P186126.006
4 Milieubeoordeling 4.1
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de alternatieven op de verschillende milieuaspecten. De effecten zijn getoetst op basis van verschillende criteria. De basis voor deze effectbeschrijving is het voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 en de beleidskeuzen die door de gemeenteraad zijn vastgelegd, zoals beschreven in Hoofdstuk 1. In hoofdstuk 1 is ook het plan- en studiegebied en de planhorizon beschreven.
4.2
Beoordelingsschaal
De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan leiden tot effecten voor het milieu. Dit zijn overigens niet altijd negatieve effecten maar ook positieve effecten kunnen optreden. In het MER zijn de effecten van de onderzochte scenario’s op verschillende aspecten in beeld gebracht en vergeleken met de referentiesituatie. Per aspect worden één of meer criteria gebruikt voor de effectbeoordeling. De effecten worden kwalitatief beoordeeld met de zevenpuntsbeoordelingsschaal zoals weergegeven in Tabel 9 Tabel 9: Tabel effectscores
Score ++ + 0/+ 0 0/--
4.3
Omschrijving Zeer positief ten opzichte van de referentiesituatie Positief ten opzichte van de referentiesituatie Licht positief ten opzichte van de referentiesituatie Neutraal Licht negatief ten opzichte van de referentiesituatie Negatief ten opzichte van de referentiesituatie Zeer negatief ten opzichte van de referentiesituatie
Relevante milieuaspecten
De ontwikkeling van de veehouderij kenmerkt zich door een aantal prominente gevolgen voor de leefomgeving en het milieu, die in het MER aan de orde zullen komen. Het betreft, min of meer in afnemende volgorde van impact: Natuur (stikstof) Geur Fijn stof Landschap, cultuurhistorie en archeologie Geluid Verkeer Water en bodem Gezondheid
58
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Bij de ontwikkeling van boomteelt ziet het afwegingskader toe op het voorkomen van aantasting van landschappelijk waardevolle openheid en/of negatieve gevolgen voor de waterhuishouding (verdrogende effecten).
4.4
Natuur
4.4.1 Methodiek De volgende criteria worden gehanteerd: Stikstofdepositie op beschermingsgebieden Wnb. Stikstofdepositie op Wav-gebieden en overige NNB. Verdroging in beschermingsgebieden Wnb en NNB. Soortenbescherming Wnb. Voor wat betreft stikstofdepositie op beschermingsgebieden Wet natuurbescherming (Natura2000) en op Wav-gebieden en overig NNB is de ontwikkeling van de veehouderij van belang. Voor wat betreft verdroging in beschermingsgebieden Wnb en NNB is de ontwikkeling van de boomteelt (incl. vaste planten) van belang Er liggen geen Natura2000 gebieden binnen het plangebied, wel Wav-gebieden en NNB. Aangezien op het niveau van dit MER de detailinformatie over soorten niet voorhanden is, is er op hoofdlijnen getoetst aan de effecten op soorten door invloed van de veehouderij. Natura 2000 Bij de effectbeschrijving op de Natura 2000-gebieden zijn de kritische depositiewaarden (KDW) van de habitattypen gebruikt als norm. De KDW is gedefinieerd als de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (Van Dobben & Van Hinsberg, 2009). Vrijwel alle habitattypen die gevoelig zijn voor een te hoge stikstofbelasting zijn in de huidige situatie al overbelast.
Voor de effecten op Natura 2000-gebieden wordt er gekeken of er toe- of afnames van stikstofdepositie zijn te verwachten. Verder wordt beoordeeld of de kwaliteit van verdrogingsgevoelige habitattypen significant kunnen worden aangetast door effecten op de waterhuishouding ten gevolge van boomteelt. Natuurnetwerk Brabant (NNB) en de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) Voor de effecten op NNB-gebieden wordt gekeken of er toe- of afnames van stikstofdepositie zijn te verwachten in de voor stikstof gevoelige delen van het NNB, die begrensd zijn als voor zeer gevoelig in het kader van de Wav. Daarnaast wordt gekeken of er toe- of afnames van stikstofdepositie zijn te verwachten in overige delen van het NNB, die niet zijn aangewezen als Wav-gebied of Natura 2000gebied. De stikstofeffect beoordeling wordt vooral bepaald door de effecten op Wav-gebieden. De effecten op overige NNB-gebieden worden wel meegenomen maar tellen minder zwaar mee in de totale effectbeoordeling. Verder wordt beoordeeld of de kwaliteit van verdrogingsgevoelige natuur in de NNB significant kan worden aangetast door effecten op de waterhuishouding ten gevolge van boomteelt.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
59
P186126.006
Wet natuurbescherming - soortenbescherming Bij concrete initiatieven dienen de aanwezige soorten van de betreffende planlocatie te worden geïnventariseerd en effecten van de ingreep te worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Bij toetsing aan de Wet natuurbescherming wordt doorgaans gekeken naar overtreding van verbodsbepalingen en de hieruit volgende ontheffingsplicht. Bij een bestemmingsplan zal hiervan geen sprake zijn. In dit geval wordt bepaald of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt redelijkerwijs uitvoerbaar zijn.
4.4.2
Referentiesituatie
Beschermingsgebieden Wet natuurbescherming (Natura2000) Binnen de gemeente Best zelf zijn geen Natura2000 gebieden aanwezig. Het Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op ongeveer 5 km afstand. Overige Natura2000 gebieden liggen op 10 km en meer, zie Figuur 13. In alle Natura2000 gebieden die zijn weergegeven op de kaart zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig en worden de kritische depositiewaarden overschreden. Gezien de afstanden kunnen in Natura2000 gebieden alleen effecten door stikstofdepositie plaatsvinden. Overige effecten voor Natura 2000 gebieden zijn uitgesloten en hoeven dan ook niet nader onderzocht te worden. Dus geen Passende beoordeling voor ‘overige effecten’ nodig.
Figuur 13: Natura 2000 gebieden in de omgeving van Best
60
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstofdepositie. Dit is schadelijk voor de natuur. Herstelmaatregelen moeten er voor zorgen dat de instandhoudingsdoelen voor de Natura 2000-gebieden worden gerealiseerd. Een toename van stikstofdepositie is niet toegestaan op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000 gebieden als het niet zeker is dat de toename in stikstofdepositie geen nadelige gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Dit belemmert de vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom hebben het Rijk en de provincies het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden en op 29 mei 2019 onverbindend verklaard door de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:NL:RVS:2019:1604, Raad van State, 29 mei 2019). De stikstofuitspraak legde bouwprojecten en het verlenen van vergunningen stil. Het kabinet kwam daarop in november 2019 met korte termijn maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen. Zodat de vergunningverlening weer op gang kon komen. Het is een meertrapsraket: enkele maatregelen zijn ingevoerd, zoals het verlagen van de maximumsnelheid op snelwegen. Een aantal maatregelen is verder uitgewerkt, zoals de subsidieregeling voor stalaanpassingen. En er komt een aantal nieuwe maatregelen bij.
Bij minstens de helft van de stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden, moet de stikstofdepositie in 2030 onder de kritische depositiewaarden (KDW) liggen. De benodigde uitstootdaling komt voor de helft van maatregelen die het kabinet al heeft genomen. Circa 10% neemt het Klimaatakkoord voor zijn rekening. Aanvullende maatregelen moeten zorgen voor de andere 40%. Naast de maatregelen voor het verminderen van stikstofuitstoot aan de bron, zet het kabinet ook in op natuurbehoud en -herstel. (bron: RIVM)
Wet ammoniak en veehouderij (Wav) en Natuurnetwerk Brabant (NNB In Figuur 14 zijn de Wav-gebieden en de 250 meter zones rondom de Wav-gebieden in en rondom het plangebied weergegeven. Alleen de ‘voor verzuring gevoelige’ gebieden die liggen in de Natuurnetwerk (NNB) kunnen als zeer kwetsbaar worden aangewezen, volgens de criteria zoals die in de wet (Wav) zijn opgenomen. Overige NNB is niet voor verzuring gevoelig en dus niet gevoelig voor stikstofdepositie.
Figuur 14: NNB en Wav gebieden in de omgeving van Best (bron rechts: Kaartbank Brabant)
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
61
P186126.006
De belangrijkste en meest waardevolle grondwaterafhankelijke natuurgebieden in Noord-Brabant zijn gelegen in voorheen zogenoemde “natte natuurparels”: hydrologisch gevoelige gebieden die vanwege specifieke omstandigheden van bodem en water hoge natuurwaarden vertegenwoordigen. De natte natuurparels liggen binnen de NNB en zijn veelal ook aangeduid als Natura 2000-gebied. Grote delen van deze gebieden zijn gevoelig voor veranderingen in de waterhuishouding. In het noorden van de gemeente Best liggen de Natte Natuurparels De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken, onderdeel van de NNB. Zie Figuur 15. Deze gebieden zijn inclusief een beschermingszone, variërend van 300m tot 500m buiten het gebied, aangeduid als Attentiezone waterhuishouding. In het zuidelijk deel van de gemeente Best ligt van west naar oost provinciaal NNB dat ook is aangeduid als attentiezone waterhuishouding.
Figuur 15: Natte natuurparel, NNB en attentiezone waterhuishouding (bron: Kaartbank Brabant, juli 2020)
Soorten in het plangebied Algemeen voorkomende soorten zijn te verwachten in het plangebied, maar voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het leefgebied van zwaarder beschermde soorten (Tabel 2
en 3 Wet natuurbescherming) die kunnen voorkomen in het plangebied is grofweg onder te verdelen in: Natuurgebieden / Natuur netwerk Brabant; Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden; Agrarisch gebied.
62
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
4.4.3
Effecten en effectbeoordeling
Effecten stikstofdepositie door ammoniakemissie In tabel 10 en 11 is de ontwikkeling weergegeven van de ammoniakemissie en stikstofdepositie voor de huidig situaties en de scenario’s op basis van de modelmatige uitgangspunten. Bij het trendmatig en worstcase scenario wordt geen rekening gehouden met de stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan. Tabel 10: Ammoniakemissies in het trendmatig en worstcase scenario t.o.v. de referentiesituatie.
Huidige situatie vergund (hsv)
Ammoniak (kg NH3/jaar) en % t.o.v. hsv
134.011
Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb) 93.811 (70%)
Huidige situatie vergund – met eisen IOV
78.624 (59%)
Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie 55.041 (41%)
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
73.876 (55%)
243.871 (182%)
Tabel 11: Maximale stikstofdepositie voor het trendmatig en worstcase scenario t.o.v. de referentie situatie.
Natura2000 en overige natuurgebieden
Kampina & Oisterwijkse vennen Kempenland-West Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Strabrechtse Heide & Beuven
Huidige situatie vergund
Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb)
Huidige situatie vergund – met eisen IOV
Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
8,0
5,5
4,7
3,1
4,4
15,2
3,9 2,8
2,6 1,8
2,2 1,4
1,4 0,8
2,1 1,3
7,9 5,5
1,7
1,0
0,8
0,2
0,7
3,2
2,3
1,5
1,1
0,6
1,0
4,7
1,4
1,0
0,5
0,2
0,4
3,0
Wav en overige NNB (< 1 km)
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
63
P186126.006
Natura2000 en overige natuurgebieden
Wav-gebied Overige NNB
Huidige situatie vergund
126 206
Huidige situatie vergund met CBS correctie veestapel (Ref Wnb) 88 144
Huidige situatie vergund – met eisen IOV 73 107
Huidige situatie vergund met eisen IOV en met CBS correctie 51 75
Trendmatig scenario
Worstcase scenario
66 86
191 247
Voor een toetsing aan de randvoorwaarden van de Wet natuurbescherming is de vergelijking met de waarden voor Huidige Situatie – CBS correctie het belangrijkste, als een zo goed mogelijke benadering van de huidige feitelijke, legale situatie (de vergelijkingsbasis voor de Wet Natuurbescherming). Uit voorgaande Tabel 10 en 11 blijkt dat het trendmatig scenario resulteert in een afname van de ammoniakemissie en stikstofdepositie. Deze afname is het gevolg van de IOV-eisen. Het worstcase scenario gaat ten opzichte van de huidige situatie + CBS correctie gepaard met een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden (ook op overige natuurgebieden die niet beschermd worden door de Wet natuurbescherming). Een toename kan vanwege de gevoeligheid van de beschermde gebieden en de bestaande overbelaste situatie leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van die gebieden. Gelet op het feit dat in alle Natura2000 gebieden habitattypen voorkomen die gevoelig zijn voor een te hoge stikstofbelasting en in alle Natura2000 gebieden de Kritische Depositie Waarde wordt overschreden, is niet uit te sluiten dat een toename van de stikstofdepositie niet kan leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van die gebieden.
Een maximale benutting van de geboden planologische mogelijkheden (intensivering op bestaande bouwblokken, uitbreiding van bouwblokken, zoals beschreven in het MER) kan dus in theorie leiden tot een sterke toename van de emissie en depositie van stikstof (vooral in de vorm van ammoniak) op de beschermde Natura2000-gebieden (en ook op Wav-gebieden en overige NNB). Het bestemmingsplan past dan zonder een aanvullende regeling niet binnen de kaders van de Wet Natuurbescherming. In het bestemmingsplan wordt daarom een stikstofemissieplafond opgenomen. Stikstofemissie/plantoets artikel 207 Wet natuurbescherming Het bestemmingsplan maakt het voor veehouderijen mogelijk om hun veestapel uit te breiden en/of te wijzigen onder meer door de benutting van de nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden. Evenwel geldt bij deze gebruiksmogelijkheden dat de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan bestaande ammoniakemissie op bedrijfsniveau niet mag toenemen. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat een toename van ammoniakemissie kan leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Door die toename zijn significante effecten op voor stikstofgevoelige habitattypen en -soorten niet zonder meer uit te sluiten vanwege de veelal hoge achtergronddepositie binnen Natura 2000-gebieden.
Om het bestemmingsplan in overeenstemming met artikel 2.7 Wet natuurbescherming te kunnen vaststellen is daarom gekozen voor het opnemen van een stikstofemissieplafond (stikstof = NH3en NOx- emissie en stikstofdepositie) in de gebruiksregels. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een dergelijke aanpak nadrukkelijk geaccordeerd in onder meer AbRvS 6
64
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1411 (bestemmingsplannen “Delfzijl – Buitengebied Zuid” en “Delfzijl – Buitengebied Noord”). Door deze gebruiksregel is op bedrijfsniveau verzekerd dat een wijziging of uitbreiding van de veestapel niet zal leiden tot een mogelijk significant effect op enig Natura 2000-gebied vanwege stikstofdepositie. Uitgangspunt van de ammoniakemissieplafondregeling is dat er geen sprake mag zijn van een toename van ammoniakemissie en/of NOx-emissie ten opzichte van de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan feitelijk bestaande situatie. Laatstgenoemde situatie is blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak in beginsel de referentiesituatie in het kader van de habitattoets zoals vereist in artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Uitzondering daarop is gerechtvaardigd voor zover voor een bepaald gebruik ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan reeds een onherroepelijke vergunning op grond van artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998/ 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming. Wanneer door de exploitant/drijver van bijvoorbeeld een veehouderij een omgevingsvergunning bouwen wordt aangevraagd, zal uit de aanvraag moeten blijken dat de realisatie en het beoogde gebruik niet in strijd komt met de stikstofplafondregeling.
Voor in rechte onaantastbaar geworden omgevingsvergunningen voor het bouwen (kan ook een voormalige bouwvergunning zijn waarvan het bouwwerk nog niet is verwezenlijkt), zal de stikstofplafondregeling geen effect hebben voor zover in de omgevingsvergunning (dan wel de bijbehorende aanvraag) het beoogde gebruik van het bouwwerk uitdrukkelijk is aangeduid en overeenkomstig dat gebruik wordt gehandeld. Met AERIUS kunnen berekeningen worden uitgevoerd tot 0,005 mol/ha/jr en hoger. Zodra een bijdrage wordt berekend van 0,005 (of hoger) leidt dit tot een uitkomst van 0,01; als de bijdrage lager is, is de uitkomst 0,00. Een uitkomst van kleiner dan 0,00 betekent dus niet (per se) dat rekenkundig gezien geen enkele toename is. Wel wordt aangenomen dat bij een toename in stikstofdepositie die kleiner is dan 0,005 mol/ha/jr significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Volgens de Rijksoverheid is een afronding op twee decimalen “voldoende precies om de ecologische effecten van stikstof te kunnen beoordelen, omdat kleinere bijdrages niet kunnen leiden tot een piek in de belasting van stikstof”. Kwaliteitsverlagingen die kleiner zijn dan de eenheden waarin de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied is uitgedrukt, worden volgens de ‘Leidraad bepaling significante effecten’ beschouwd als niet meetbaar.
Dit uitgangspunt zien we terug in de door de rijksoverheid gepubliceerde beslisboom ‘Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’. In Deel C, bijlage C-4 is voor elke veehouderij op basis van het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 en de gegevens over de vergunde / gemelde dierplaatsen en stalsystemen (het zogenaamde BVB-bestand) het volgende in beeld gebracht: Het type veehouderij; De economische omvang van de veehouderij(tak); Het oppervlak van het bouwblok en de aanduiding van het bouwblok; De relatie tussen de economische omvang van de veehouderij(tak) en het oppervlak van het bouwblok (gemiddelde economische omvang per hectare); De vergunde ammoniakemissie op basis van het aantal dierplaatsen en de stalsystemen; De ammoniakemissie zoals die zou zijn bij dezelfde veebezetting van dat bedrijf, maar met toepassing van stalsystemen met de laagste ammoniakemissie (stand techniek en van factoren in de zogenaamde Regeling ammoniak en veehouderij ten tijde van publicatie van het ontwerp bestemmingsplan);
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
65
P186126.006
De theoretische emissieruimte (verschil vergund en minimale emissie), absoluut en als percentage van de vergunde emissie; Wel of niet gelegen in de zone beperkingen veehouderijen (in deze zone zijn er geen planologische uitbreidingsmogelijkheden voor niet-grondgebonden veehouderijen).
De emissieruimte per veehouderijbedrijf geeft een beeld van de mogelijkheden die veehouderijen hebben om met toepassing van de emissie reducerende technieken uit te breiden met het aantal dieren zonder een toename van de vergunde ammoniakemissie. Gemiddeld is die emissieruimte (uitgedrukt als percentage van de vergunde ammoniakemissie) circa 47%. Dit betekent dat het aantal dieren bij toepassing van de nu vergunbare stalsystemen met de laagste emissie van ammoniak in theorie kan verdubbelen zonder een toename van de nu vergunde ammoniakemissies uit stallen van veehouderijen in Best. Er zijn wel verschillen tussen veehouderijen onderling. Vooral voor varkens en pluimvee is de emissieruimte groot (gemiddeld meer dan 75%). Voor de kalverenbedrijven ligt het percentage gemiddeld rond de 63%. Voor melkrundvee- en overig rundvee (incl. gemengde bedrijven) ligt het percentage emissieruimte met circa 37% een stuk lager. Voor deze veehouderijen zijn er ook bij een stikstofplafondregeling in theorie mogelijkheden voor verdere ontwikkeling binnen het eerder vergunde emissieplafond (ammoniak). 43 van de 58 veehouderijen in Best hebben een emissieruimte groter dan nul. Daarvan zijn er 38 met een emissieruimte van 30% of meer (30% is voor ammoniak het gemiddelde verschil tussen de vergunde dierplaatsen en de werkelijk aanwezige dierplaatsen op basis van de CBS-landbouwtellingen).
Minimaal 66% van de veehouderijen hebben (theoretisch) mogelijkheden om uit te breiden zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met een toename van de ammoniakemissie. Als een verandering van het type dieren wordt meegenomen in de analyse of als er nieuwe stalsystemen beschikbaar komen met extra emissiereductie, neemt dit percentage toe. Voor paarden, schapen en nertsen is de emissieruimte 0%. Voor deze type dierplaatsen zijn geen emissie reducerende technieken beschikbaar om uit te breiden binnen het eigen emissieplafond. Milieugebruiksruimte ammoniak en NOx De milieugebruiksruimte ten aanzien van ammoniak is de uitbreidingsruimte die veehouderijen hebben zonder dat er sprake is van een significante toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. In Figuur 16 is de milieugebruiksruimte op een aantal willekeurige locaties binnen het plangebied Best weergegeven, uitgedrukt in een toename van de ammoniakemissie tot het bereiken van de depositiedrempel < 0,005 mol N/ha/jaar (= geen significante toename van de stikstofdepositie). Het Natura2000 gebied Kampina &Oisterwijkse Vennen ligt op ca. 5 km afstand en is bepalend voor de milieugebruiksruimte binnen het plangebied. Deze is aanzienlijk kleiner aan de westzijde van het plangebied dan aan de oostzijde.
66
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Figuur 16: Indicatieve emissieruimte bij grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar, uitgedrukt in NH3 emissie in kg/jaar (Zie ook deel C, bijlage C-5).
Om mogelijke effecten te duiden is in Tabel 12 voor een aantal diersoorten weergegeven wat 100 kg ammoniakemissieruimte in dieraantallen betekent. In deze tabel is dit weergegeven op basis van: de emissie bij toepassing van traditionele stalsystemen; de emissie indien voldaan wordt aan de landelijke emissie eisen voor bestaande stallen (Besluit emissiearme huisvesting, kolom a); de emissie indien voldaan wordt aan de eisen voor nieuwe stallen uit de provinciale omgevingsverordening; de emissie indien uitgegaan wordt van de laagst mogelijke emissie (op basis van in de Regeling Ammoniak en Veehouderij vermelde systemen). Tabel 12: Aantal dieren die samen een emissie van 100 kg NH3/jaar veroorzaken bij verschillende emissie-eisen (bronnen: Besluit emissiearme huisvesting, provinciale omgevingsverordening, Rav) Aantal dieren per 100 kg emissie, per type stal Diercategorie
Traditionele stallen
Melk- en kalfkoeien Vleesvarkens Fokzeugen Gespeende biggen Leghennen (niet-batterij) Vleeskuikens Vleeskalveren Paarden
8 33 12 - 24 145 317 1.250 29 20
Landelijke eisen Beh bestaande stallen 8 63 35 - 38 476 800 2.222 29 20
Provinciale eisen voor nieuwe stallen 14 222 77 - 159 1.000 3.125 5.556 56 20
Minimale emissies vergunbaar (Rav) 20 667 238 - 476 3.333 4.000 25.000 556 20
De uitbreidingsruimte binnen het plangebied is met circa 19 tot 50 kg NH3 zeer beperkt, omdat de stikstofdepositie niet significant mag toenemen op de Natura2000 gebieden (<0,005 mol N/ha/jaar). Dit betekent bij toepassing van een stalsysteem met de laagst mogelijk emissie (ongeacht of dit een stalsysteem of techniek betreft die in de praktijk daadwerkelijk wordt toegepast) een maximale uitbreidingsruimte voor bijvoorbeeld 4 tot 10 melkkoeien, 106 tot 278 vleeskalveren of 126 tot 333 vleesvarkens.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
67
P186126.006
Uitbreiding van een veehouderij kan dus beperkt gepaard gaan met een uitbreiding in ammoniakemissie zonder dat de stikstofdepositie toeneemt op de Natura2000 gebieden. Voor veehouderijen die nog verouderde stallen moeten aanpassen aan de IOV-eisen zal het mogelijk zijn binnen het huidige emissieplafond een uitbreiding in dieren te realiseren, door inzet van emissiearme(re) stallen voor de bestaande veestapel (intern salderen). Uitbreiden zal waarschijnlijk gepaard gaan met investeringen in emissiearme stalsystemen die gedaan moeten worden op basis van wettelijke verplichtingen (Beh en IOV). Veehouders kunnen intern of extern salderen om te zorgen dat per saldo geen toename in stikstofdepositie ontstaat. Ook bij extern salderen zal per saldo de stikstofdepositie op de Natura2000 gebieden niet toenemen en ontstaan geen significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden. Bij toepassing van externe saldering gelden daarbij strenge regels, waaronder 30% afroming en wegvallen van latente ruimte. Dit betekent dat externe saldering altijd zal resulteren in verlaging van de stikstofdepositie.
De milieugebruiksruimte ten aanzien van stikstofoxiden (NOx) is de uitbreidingsruimte voor met name voertuigen, mobiele werktuigen en stookinstallaties (NOx komt vrij bij verbrandingsprocessen van fossiele brandstoffen), zonder dat er sprake is van een significante toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. In Figuur 17 is de milieugebruiksruimte voor NOx op een aantal willekeurige locaties binnen het plangebied Best weergegeven, uitgedrukt in een toename van de ammoniakemissie tot het bereiken van de depositiedrempel < 0,005 mol N/ha/jaar (= geen significante toename van de stikstofdepositie). Het Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen is voor het grootste deel van het plangebied bepalend voor de milieugebruiksruimte. Deze is aanzienlijk kleiner aan de westzijde van het plangebied dan aan de oostzijde. Aan de zuidzijde van het plangebied is het Natura2000 gebied Kempenland-West bepalend voor de milieugebruiksruimte.
Figuur 17: Indicatieve emissieruimte bij grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar, uitgedrukt in NOx emissie in kg/jaar (Zie ook deel C, bijlage C-5).
68
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor de veehouderij Voor varkens, pluimvee, vleeskalveren en (melk)rundveehouderijen zijn er ook bij een stikstofplafondregeling in theorie mogelijkheden voor verdere ontwikkeling binnen het eerder vergunde emissieplafond (ammoniak). Minimaal 66% van de veehouderijen hebben (theoretisch) mogelijkheden om uit te breiden zonder dat dit gepaard hoeft te gaan met een toename van de ammoniakemissie. Als een verandering van het type dieren wordt meegenomen in de analyse of als er nieuwe stalsystemen beschikbaar komen met extra emissiereductie, neemt dit percentage toe. De emissieruimte leidt niet tot een knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Paarden- en schapenhouderijen hebben bij uitbreiding van het aantal dieren relatief weinig ontwikkelingsruimte nodig (25 kg NH3/jaar komt overeen met 5 paarden of 21 schapen). Een dergelijke “claim” is voor het verreweg het grootste deel van het buitengebied lager dan de maximale emissie van ammoniak bij een grenswaarde van 0,005 mol/ha/jaar. Voor paarden- en schapenhouderijen vormt het gebrek aan eigen emissieruimte geen knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan (stikstofplafondregeling). De enige nertsenhouderij binnen het plangebied is op basis van landelijke regels verboden vanaf 1 januari 2024. Ook geldt voor dit bedrijf een uitbreidingsverbod.
Binnen het aanwezige stikstofplafond kan dit bedrijf wel omschakelen naar een andere diersoort of naar niet-veehouderij activiteiten, daarbij wel rekening houden met de beperkingen vanwege de ligging in de zone Beperking veehouderij en de korte afstand tot de bebouwde kom van Best (lage geurnorm). Dit leidt niet tot een knelpunt m.b.t. de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan buitengebied. Het stikstofemissieplafond voor NOx voor het gebruik van bouwwerken en gronden en vormt ook geen knelpunt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Effecten verdroging beschermingsgebieden Wnb en NNB door boomteelt Om te voorkomen dat de huidige hydrologische situatie van hydrologisch kwetsbare natuurgebieden (voorheen natte natuurparels genoemd) verder verslechtert wordt er een beschermingsbeleid gevoerd. Het beleid in deze gebieden is gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur in de natte natuurparels en een externe bescherming tegen ingrepen die een ongewenste beïnvloeding van deze natuurwaarden kunnen hebben. Er is een hydrologisch standstill van toepassing in deze gebieden en in de beschermingszone er omheen. Er mogen in het gebied of in de omgeving geen activiteiten plaatsvinden die een verslechtering van de hydrologische situatie in de natte natuurparel tot gevolg hebben. Dit wordt geregeld via de provinciale Verordening Water, Waterschapskeur en bestemmingsplannen. Conform het bepaalde in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 voor betreffende gronden de aanduiding ‘Overige zone – attentiegebied natuur netwerk brabant’ opgenomen en voorzien van een omgevingsvergunningplicht. Dit betreft werkzaamheden en ingrepen, die mogelijk van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding, zoals grondverzet, aanleg van nieuwe drainage en de aanleg van verharde oppervlakten. Agrarische bouwvlakken worden uitgezonderd van deze omgevingsvergunningplicht.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
69
P186126.006
Binnen de natuurgebieden en de bufferzones (beschermingsgebieden c.q. attentiegebieden) worden alleen vergunningen voor extra onttrekkingen verleend indien de onttrekking geen negatief hydrologisch effect op verdrogingsgevoelige natuur heeft, dan wel indien deze negatieve effecten door compenserende maatregelen worden voorkomen. Enkele bestaande boomteeltbedrijven liggen binnen de attentiezone waterhuishouding rondom De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken. Nieuwe of grootschalige onttrekkingen (vanaf 10 m3/uur) in deze beschermingszones zijn op grond van de provinciale omgevingsverordening uitgesloten. Kleinschalige onttrekkingen niet, daarvoor geldt een meldingsplicht. Op basis van de gewasfactoren, percentage van de referentiegewasverdamping van Makkink (KNMI/Hooghart en Lablans, bewerkt in het grondwaterzakboekje van Bram Bot, 2011), ligt de gewasverdamping van een boomgaard in het groeiseizoen circa 35% (mei, augustus, september) tot 60% (juni/juli) hoger dan grasland. Buiten het groeiseizoen is dit verschil circa 10%. Hieronder is een voorbeeldberekening opgenomen van de watervraag voor teelt onder glas. De watervraag voor teelt onder glas is groter dan die voor boomteelt. 1120 millimeter/jaar verbruik – 750 millimeter/jaar neerslag = 370 millimeter per jaar grondwater verbruik 370 millimeter/jaar * 10 ha = 4 tot 5 m3/uur
Met bovenstaande onttrekkingen is een maximaal aangenomen onttrekkingsdebiet van 10 m3/u, 1½ tot 2 maal zo veel als nodig. Kleinschalige onttrekkingen (tot 10 m3/uur) hebben een beperkte afstand (welke aanzienlijk kleiner is dan de beschermingszone van 300-500 meter), waarover een verlagend effect optreed. Eventuele onderlinge beïnvloeding is niet of nauwelijks te verwachten waar de percelen / eigendommen onderling op grotere afstanden zijn gelegen. Door de attentiezones waterhuishouding rondom de ‘natte natuurparels’ en NNB vast te leggen in het bestemmingsplan met de gebiedsaanduiding ‘Attentiegebied natuur netwerk brabant’ en in deze zones via gebruiksregels extra/grotere grondwater onttrekkingen niet toe te staan, worden significant negatieve effecten voor hydrologisch kwetsbare natuurgebieden door verdroging met zekerheid uitgesloten. Binnen de attentiezones is er geen sprake van verdrogingseffecten. De gemeente kan via een ontheffing van de gebruiksregels toestemming geven, indien er door de initiatiefnemer wordt onderbouwd dat er geen effecten zullen optreden. Boomteelt en teelt van vaste planten is bij recht en zonder beperkingen toegestaan op percelen binnen de bestemming Agrarisch en kan leiden tot een toename van de watervraag (extra vraag om beregening en daarmee kans op meer grondwateronttrekkingen).
De bestemming Agrarisch ligt buiten de groenblauwe mantel en daardoor buiten het ‘Attentiegebied natuur netwerk brabant’ / attentiezone waterhuishouding. Binnen de bestemming Agrarisch met natuur- en landschapswaarden ligt ‘Attentiegebied natuur netwerk brabant’ / attentiezone waterhuishouding. Binnen deze beschermingszones krijgen bestaande boomteeltpercelen de aanduiding ‘boomteelt’ en zonder deze aanduiding is (nieuwe) boomteelt alleen toegestaan via een omgevingsvergunning. De mogelijkheden voor nieuwe boomteeltpercelen zullen hierdoor niet leiden tot verdrogingseffecten in hydrologisch kwetsbare natuurgebieden binnen de NNB en Natura2000.
70
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
P186126.006
Effecten beschermde soorten Wet Natuurbescherming Natuurgebieden / Natuur Netwerk Brabant Effecten op soorten die vooral voorkomen in de natuurgebieden worden voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels in deze gebieden (bestemming Bos en Natuur). Agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden Binnen de bestemming Agrarisch met Waarden – Natuur en landschapswaarden, Gebiedsaanduidingen Overige zone – leefgebied struweelvogels en Overige zone – leefgebied kwetsbare soorten gelden ook beperkende bouw- en gebruiksregels. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn in dit gebied alleen mogelijk als ze een positief effect hebben op de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden en/of op het bodem- en watersysteem in het gebied. Bij struweelvogels gaat het om vogelsoorten die als overeenkomst hebben dat ze leven in kleinschalige, besloten of halfopen landschappen. Voorbeelden zijn geelgors, winterkoning, roodborst, zwartkop en heggenmus. Bij kwetsbare soorten gaat het om zeldzame planten of dieren die hoge eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving. Het gaat hier onder meer om weidevogels, ganzen en zwanen, amfibieën en reptielen, dagvlinders en bijzondere planten. Agrarisch gebied Bescherming van het leefgebied van soorten die tevens voorkomen in overige delen van het agrarisch gebied is in de bestemmingsplanregels niet vastgelegd.
Dit is ook niet noodzakelijk. Ontwikkelingsmogelijkheden die effect kunnen hebben op deze soorten zijn vooral beperkt tot agrarische bouwblokken. Lokaal kunnen de volgende typen werkzaamheden effect hebben op beschermde soorten: bouw- en sloopwerkzaamheden, het kappen van beplanting of het kleinschalig aanpassen van ontwatering. Bij uitvoering kan sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Hierdoor kan het nodig zijn mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen, of indien dit niet afdoende is, compenserende maatregelen te treffen en te voldoen aan de daaruit volgende ontheffingsplicht. Het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van de negatieve effecten geldt als voorwaarde voor het voorkomen van een ontheffingsplicht of het verkrijgen van een ontheffing als dit nodig is. Voor alle beschermde soorten bestaan er in de praktijk (ruime) mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren door een passende locatiekeuze, inrichting en uitvoeringstijdstip. Zo nodig kunnen aanvullend ook andere mitigerende (verzachtende) maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broedgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd.
Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol dient te worden ontwikkeld, waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling.
Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B
71
P186126.006
In het kader van de Wet natuurbescherming zijn voor de soortenbescherming vooral de kap van bomen, de aanpassing van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing zaken die mogelijk leiden tot effecten. Hoe groter de aanpassing, hoe groter de kans dat beschermde soorten hier hinder van ondervinden. Bij het worstcase scenario kan het grootste effect ontstaan door uitbreidingen binnen bestaand bouwblokken en uitbreidingen van bouwblokken.
Effectbeoordeling Natuur Het trendmatig scenario is op het criterium effecten stikstof beoordeeld als licht positief (+) ten opzichte van de referentiesituatie. En het worstcase scenario scoort voor dit criterium negatief (--) ten opzichte van de referentiesituatie. Het trendmatig scenario is op het criterium effecten verdroging beoordeeld als neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. En het worstcase scenario scoort voor dit criterium ook neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Het trendmatig scenario is op het criterium effecten op soorten beoordeeld als licht negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie. En het worstcase alternatief scoort voor dit criterium zeer negatief (--) ten opzichte van de referentiesituatie. Tabel 13: Totale effectscores natuur