CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

22046.10 - Bijlage 8.4 - Plan Mer Deel B Onderbouwing

Raadsavond 5 september 2022, gemeente BestBij agendapunt: 22046 - Bestemmingsplan Buitengebied34.268 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

24

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies en bevordering ruimtelijke kwaliteit • Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit: door een evenwichtige toedeling van functies zorgen voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving. • Zorgvuldig ruimtegebruik: de toedeling van functies moet in beginsel plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied of bestaande bouwpercelen, behalve als er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en de uitbreiding op basis van de overige instructieregels aan gemeenten is toegestaan. • Toepassing van de lagenbenadering: dit omvat de effecten op: - de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; - de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen. - de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

• Meerwaardecreatie: een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: - de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; - de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Figuur 3 Ligging veehouderijen binnen specifieke gebieden IOV (bron: Provincie Noord-Brabant).

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

25

P186126.006

Aanduiding Beperking veehouderij Er zijn in de IOV uitzonderingsbepalingen op de maximale bouwblok omvang van 1,5 ha verwerkt opgenomen: voor knelgevallen en grondgebondenheid. De voormalige functie van extensiveringsgebied is behouden. Hiervoor is de aanduiding ‘Beperkingen veehouderij’ opgenomen. Alleen grondgebonden veehouderijen kunnen in de zone “Beperkingen veehouderij” uitbreiden (tot een bouwblok van maximaal 1,5 hectare). In Figuur 3 is te zien dat een groot deel van het grondgebied van Best aangeduid is als Beperking veehouderij. Alleen in het agrarisch gebied rondom de buurtschappen Aarle en De Vleut zijn nog ruimtelijke ontwikkelingen door niet-grondgebonden veehouderijen mogelijk. Kwaliteitsverbetering van het landschap Elke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet bijdragen aan de zorg voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard moeten gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit moet financieel, juridisch en feitelijke geborgd worden in het plan. De verbetering omvat onder andere een verplichte landschappelijke inpassing, wegnemen van verharding en sloop van bebouwing. Gebiedsnormen geur en fijn stof Vanuit de draagkracht van het gebied zijn provinciale normen voor geur en fijn stof op gebiedsniveau opgenomen.

Deze normen geven invulling aan de grenzen die vanuit gebiedsniveau aan individuele ontwikkelruimte gesteld worden en gemeente zijn verplicht deze gebiedsnormen toe te passen bij ruimtelijke procedures. De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. Zie verdere toelichting in paragraaf 2.5. Maatregelen op het gebied van geurhinder hebben over het algemeen ook een verlagend effect op emissie van fijn stof. Ook de regels die zijn opgenomen voor fijn stof beogen om op gebiedsniveau verdere overschrijdingen van de wettelijke norm tegen te gaan. De provincie heeft daarom een jaargemiddelde waarde van 31,2 microgram opgenomen in de verordening. Deze waarde komt volgens het RIVM overeen met de wettelijke norm van 35 keer overschrijding van de etmaalnorm van 50 microgram. Regels voor veehouderijen De IOV bevat rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen. De provincie werkt al geruime tijd aan de transitie naar een zorgvuldige veehouderij.

Uitbreiding van veehouderijen is alleen mogelijk als het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid. De vastgestelde denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd' is hiervoor de basis. Dit houdt in dat er alleen nog ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen, als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Om de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen is een nieuw instrument ontwikkeld, de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). In 2017 zijn aanvullende regels gesteld om de transitie te versnellen. Onder andere maatregelen om de uitstoot van ammoniak uit dierenverblijven versneld terug te dringen en het hiervoor beschreven ‘stalderen’. De IOV bevat verder uit voorzorg een tijdelijk verbod op ontwikkeling van geitenhouderijen in afwachting van vervolgonderzoek ten aanzien van een verhoogd risico op longontsteking (gezondheidseffecten).

26

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Regels voor mestbewerking Op een bouwperceel voor een veehouderij is alleen mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. Om hierover geen misverstand te laten bestaan, is dit expliciet in de IOV opgenomen. Op het perceel van veehouderijen is de mestbewerking van elders geproduceerde mest in beginsel niet mogelijk. Hierop zijn twee uitzonderingen: 1. voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton/jaar; 2. als nevenfunctie op een veehouderij in gemengd landelijk gebied onder de voorwaarde dat mest uit pijpleidingen wordt aangevoerd dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water en dat de ontwikkeling inpasbaar moet zijn in de omgeving. Deze uitzondering geldt niet voor veehouderijen gevestigd binnen de groenblauwe mantel. Onder dezelfde voorwaarden als onder voorgaand punt 2 is op basis van de IOV ook vestiging van een niet-agrarisch bedrijf voor mestbewerking in gemengd landelijk gebied mogelijk. Niet-agrarische ontwikkelingen In de IOV zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot een aantal niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied, bijvoorbeeld functiewijziging naar recreatie en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven.

De regels zijn erop gericht om een kader te geven voor de aard en omvang van de ontwikkelingen, waarbinnen de gemeente haar eigen ruimtelijke afweging kan maken. Algemeen uitgangspunt is dat gebruik dient te worden gemaakt van bestaande bebouwing en de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Stedelijke ontwikkelingen De provincie handhaaft het beleid dat is gericht op het bundelen van verstedelijking. Het grootste deel van de woningbouw, bedrijventerreinen, voorzieningen en infrastructuur moeten plaats vinden in het bestaand stedelijk gebied. Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden (in zoekgebieden voor verstedelijking) kan alleen plaatsvinden als inbreiding of herstructurering niet mogelijk is. In geval van dergelijke grootschalige ontwikkelingen zal een bestemmingsplanherziening noodzakelijk zijn. Ten aanzien van het plan: De omgevingsverordening bevat instructieregels en rechtstreeks werkende regels. Deze provinciale belangen zijn door vertaald in het bestemmingsplan. Bij de ruimtelijke ontwikkelingen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan is toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en wordt voldaan aan de regels in de IOV. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is door vertaald door het opnemen van gebiedsaanduidingen. Het bestemmingsplan biedt geen ruimte voor grootschalige stedelijke ontwikkelingen.

Regels voor veehouderijen en niet-agrarische ontwikkelingen zijn overeenkomstig de IOV opgenomen. Het bestemmingsplan staat alleen mestbewerking van ter plaatse geproduceerde mest toe. De uitzonderingen in de IOV zijn niet overgenomen in het bestemmingsplan. Alle in de planregeling opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden (gebruik en bouwen) dienen gepaard te gaan met een bepaalde kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die zijn opgenomen op basis van een eerder doorlopen planprocedure is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van kwaliteitsverbeterende verplichtingen opgenomen.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

27

P186126.006

2.3

Verordening natuurbescherming Noord-Brabant (IOV)

De regels van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en bevat regels voor de uitstoot van ammoniak uit dierenverblijven. Op basis van deze verordening moeten verouderde stallen versneld aangepast worden (ten opzichte van het landelijke beleid in het Besluit emissiearme huisvesting om stallen emissiearm te maken), zodat de ammoniakemissie uit stallen en daardoor de stikstofdepositie op de Brabantse natuurgebieden teruggedrongen worden. Hierbij wordt aangesloten op belangrijke en grote investeringsmomenten van een veehouderij en waarop de bedrijfsontwikkeling leidt tot de bouw van nieuwe stallen en/of het renoveren van bestaande stallen waarbij geïnvesteerd kan worden in het toepassen van emissie reducerende systemen. Voor rundvee wordt een stalsysteem als verouderd aangemerkt na 20 jaar en voor alle andere diercategorieën na 15 jaar.

De IOV bevat in bijlage 2 een lijst met streefreducties en maximale ammoniakemissiefactoren voor de jaren t/m 2023, 2024 en 2028, die van toepassing zijn op nieuwe of verouderde huisvestingssystemen die op grond van de verordening hieraan moeten worden getoetst. Deze streefreducties worden afgestemd op “beschikbaarheid” en “betaalbaarheid” van stalsystemen om fabrikanten en de veehouderijsector te stimuleren om nieuwe stalsystemen te gaan ontwikkelen die hieraan voldoen. De datum waarop aangepast moet worden kan voor met name melkrundvee, vleeskalveren en geiten nog verschuiven afhankelijk van de beschikbaarheid van geschikte systemen. Er zijn op dit moment veel ontwikkelingen gaande ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe, brongerichte emissiereducerende stalsystemen. Er is nog geen zekerheid dat de in ontwikkeling zijnde systemen zullen voldoen aan de door de provincie gestelde eisen én voor 2024 beschikbaar zijn voor bedrijven. Op 14 februari 2020 hebben Provinciale Staten een eerste regelwijziging van de IOV vastgesteld. Deze wijziging ging om wijziging van de datum waarop specifieke veehouderijen verouderde stalsystemen moeten aanpassen aan Brabantse emissie-eisen, in het kader van de (voormalige) Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. Op 7 juli 2020 is een tweede regelwijziging in ontwerp vastgesteld.

Deze wijziging verschuift onder andere de datum, waarop veehouderijen (die in juli 2017 voldeden aan het Beh) hun verouderde stalsystemen aangepast moeten hebben naar 1 januari 2024. De belangrijkste uitgangspunten op dit moment zijn:  Veehouderijen moeten vanaf 1 januari 2024 voldoen aan de IOV-eisen. Ze hebben zelf de keuze of ze gemiddeld op bedrijfsniveau willen voldoen of op dierplaatsniveau. Stallen die op dat moment nog niet verouderd zijn hoeven nog niet aangepast te worden, maar wel op het moment dat ze 20/15 jaar oud zijn. Indien gekozen wordt om op bedrijfsniveau te voldoen moet bij de volgende aanscherping (2028) weer op bedrijfsniveau voldaan worden.  Verouderde stallen (20/15 jaar oud) en nieuwe stallen moeten direct voldoen aan de dan geldende IOV-eisen.  Bedrijven die op 1 januari 2020 al moesten voldoen aan de eisen uit de IOV (bedrijven die op 1 juli 2017 niet voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting en/of bedrijven die deelnamen aan de Stoppersregeling in het kader van het Actieplan ammoniak en veehouderij en nu een doorstart maken) krijgen geen uitstel, maar moeten direct voldoen aan de IOV-eisen. Deze bedrijven mogen wel op bedrijfsniveau gaan voldoen in plaats van

28

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

op dierplaatsniveau. Indien gekozen wordt om op bedrijfsniveau te voldoen moet bij de volgende aanscherping (2024 en 2028) weer op bedrijfsniveau voldaan worden. In Tabel 4 staan de streefreducties en eisen (voor de meest relevante veehouderijtypen in Best). Tabel 4: Reductiepercentages ammoniakemissie per diercategorie (bron: IOV bijlage 2)

Diercategorie Melkrundvee - Beweiden - Opstallen Zoogkoeien Vleesrundvee 8 tot 24 mnd - <100 dieren - >100 dieren Varkens Vleeskalveren Legkippen

Vleeskuikens

Streefreductie ammoniakemissie

Eisen t/m 2023

Eisen vanaf 2024 -2028

Eisen vanaf 2028

40-55% 70% 0%

43% 46% 0%

51% 62% 0%

51% 70% 0%

0% 70% 85% 85% 85%

0% 0% 85% 50% K 90% S 78% V 85% 70%

0% 50% 85% 70% K 90% S 85% V 85% 82%

0% 70% 85% 85% K 90% S 85% V 85% 85%

85%

Ten aanzien van het plan: Een groot deel van de veehouderijen binnen het plangebied zullen voor 2024 één of meerdere stallen moeten aanpassen om te voldoen aan de IOV-eisen. De verwachting is dat een deel van deze bedrijven de veehouderij-activiteiten zal beëindigen (niet alle mogelijkheden die het VABbeleid biedt zijn overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021. Maatwerk VABontwikkelingen moeten via een buitenplanse procedure geregeld worden). De bedrijven die investeren in emissiearme stalsystemen zullen deze veelal gepaard laten gaan met een uitbreiding. Uitbreiden van dierenverblijven en agrarisch bouwvlak is binnen het bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 onder voorwaarden mogelijk. De mogelijkheden wordt vooral beperkt door de stikstofplanregeling.

2.4

Structuurvisie buitengebied gemeente Best

Het gemeentelijk ruimtelijke beleid voor het buitengebied is vastgelegd in de Structuurvisie buitengebied Vitaal vooruitzicht. Samen doen! , vastgesteld op 4 april 2016. De Structuurvisie geeft richting aan de door het gemeentebestuur gewenste ontwikkelingen in het buitengebied en bevat beleidskeuzes op basis van actuele ontwikkelingen in het landelijke gebied (zoals wonen en werken, veehouderij, milieu) en gaat specifiek in op onderwerpen als landschap, landbouw en recreatie.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

29

P186126.006

Figuur 4 Samenhang tussen structuurvisie, milieueffectrapportage en bestemmingsplan

In Figuur 5 is het plangebied van de Structuurvisie buitengebied weergegeven. Het stedelijk gebied (de bebouwde kom) en het gebied waar de structuurvisie ‘Groene Mantel met rode knopen’ geldt, maken er dus geen onderdeel vanuit.

Figuur 5 Structuurvisiekaart (bron: Structuurvisie Buitengebied, Best, 2016).

30

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Ten aanzien van het plan: De Structuurvisie geeft richting aan de door het gemeentebestuur gewenste ontwikkelingen in het buitengebied. De Structuurvisie is een beleidskader, maar legt de planologische mogelijkheden niet juridisch vast. Dat gebeurt via aparte plannen, bijvoorbeeld een postzegelbestemmingsplan of omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan. Maar deels ook in het bestemmingsplan Buitengebied. Een bestemmingsplan legt de huidige situatie en eventuele te voorziene veranderingen juridisch vast. Maar dat kan niet voor ontwikkelingen die nog onbekend of onvoldoende uitgewerkt zijn. Daarom is het bestemmingsplan Buitengebied in hoofdzaak conserverend van karakter: de bestaande functies en waarden zijn vastgelegd en binnen een bepaalde bandbreedte zijn er mogelijkheden voor veranderingen of uitbreidingen, alleen voor zover die passen binnen het beleid uit de Structuurvisie en de provinciale kaders en waarvoor geen aanvullend onderzoek nodig is.

2.5

Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021

Binnen het plangebied zijn verschillende bestemmingsplannen van kracht. Binnen het grootste deel van het plangebied is het onherroepelijke bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 2006 het geldende bestemmingsplan (vastgesteld 21 januari 2008 en in 2010 onherroepelijk geworden). Voor een deel van de gronden in het buitengebied gelden nog oudere bestemmingsplannen, onder andere doordat voor enkele onderdelen goedkeuring is onthouden door gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant en doordat enkele onderdelen zijn vernietigd door de Raad van State. Deze oudere bestemmingsplannen zijn tot op heden niet meer geactualiseerd. Ten aanzien van het plan: In het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied Best 2021’ worden de geldende bestemmingsplannen (bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 2006 en oudere geldende bestemmingsplannen) in het buitengebied geïntegreerd. Samen met de Structuurvisie buitengebied heeft de gemeente Best straks een geactualiseerd beleids- en toetsingskader om regie te voeren op ontwikkelingen in het buitengebied.

2.6

Wet geurhinder en veehouderij en gemeentelijke en provinciale geurnormen

Wet geurhinder een veehouderij Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Daarnaast heeft deze wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt. Voor veehouderijbedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste minimum afstand die in acht genomen dient te worden. Deze afstand bedraagt ten aanzien van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 50 meter.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

31

P186126.006

Voor veehouderijen met dieren waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld (intensieve veehouderij) wordt de norm niet uitgedrukt in een afstandsnorm, maar in een geurcontour, die een grillige vorm kan hebben. De geuremissiefactoren zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. Op 20 juli 2018 is de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) gewijzigd in verband met een onderzoek naar de effectiviteit van gecombineerde luchtwassystemen. Bepaalde typen luchtwassers verwijderen minder geur dan gedacht. De emissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers en één biologische luchtwasser zijn hierop verhoogd (o.b.v. 30% en 45% reductie i.p.v. 85% reductie). De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen “standaard waarden” voor de maximale geurbelasting zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Als veehouderijen een geurbelasting hebben die hoger is dan de geurnorm, hoeven ze niet aan de norm te voldoen.

Via de zogenaamde 50% regeling moet een uitbreiding van het aantal dieren wel gepaard gaan met een gedeeltelijke afname van de geurbelasting. Eerder opgebouwde rechten t.a.v. de maximale geurbelasting zijn in die regelgeving op deze wijze beschermd. Gemeenten kunnen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten door af te wijken van de wettelijke waarden. Omgekeerd vraagt een omgeving ook om bescherming tegen geurhinder. De gemeente Best heeft in 2008 een geurverordening met afwijkende geurnormen voor de voorgrondbelasting vastgesteld, maar heeft geen beleidsregel voor ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder met streef- en toetswaarden voor de achtergrondbelasting van alle veehouderijen samen. Sinds 2014 is dit wel provinciaal vastgelegd in de (voormalige) Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant (nu: IOV). Hiermee kan beoordeeld worden of er sprake is van een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ontwikkelingen van veehouderijen of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bedrijven om aan de geurnormen te gaan voldoen.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Best 2008 De Gemeente Gemert-Bakel heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om eigen normen vast te stellen. Op 8 juli 2008 heeft de gemeenteraad van Best een gemeentelijke geurverordening vastgesteld, waarin wordt afgeweken van de vaste wettelijke geurnormen en afstanden. Deze geurverordening is op 16 juli 2008 in werking getreden. De volgende afwijkende geurnormen (voorgrondbelasting) zijn opgenomen:  Invloedsgebied A (kern Best): 1 Ou;  Invloedsgebied B, C, D, E (plangebieden Aarle, Hokkelstraat, Dijkstraten en Overgang): 7 Ou.

32

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Figuur 6: Kaart bij Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Best 2008

De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt ten minste 50 meter indien het gevoelige object in de bebouwde kom van Best ligt. De Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening ziet niet toe op de achtergrondbelasting van geur (cumulatie van geur). Nieuwe geurverordening in voorbereiding Momenteel is een nieuwe geurverordening in voorbereiding welke volgens planning medio 2021 vastgesteld zal worden en in werking zal treden. Voor (delen van) het buitengebied zal een aanscherping van de geurnormen plaatsvinden. Aangezien het beleidskader voor geur wordt aangescherpt zullen de milieueffecten ten aanzien van geur gunstiger zijn dan beschreven in dit PlanMER.

Interim Omgevingsverordening (achtergrondbelasting geur) De Interim Omgevingsverordening bevat geurgebiedsnormen en stelt als voorwaarde bij ruimtelijke ontwikkelingen voor veehouderijen dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet meer dan 12% en het buitengebied niet meer dan 20% te bedragen, tenzij er – indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voorgenomen percentages – maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage compenseert. Deze gebiedsnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

33

P186126.006

Ten aanzien van het plan: Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ruimtelijke ontwikkelingen van veehouderijen en/of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bestaande bedrijven om aan de (gemeentelijke of provinciale) geurnormen te gaan voldoen. In het bestemmingsplan zijn bij de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen de provinciale geurgebiedsnormen voor de achtergrondbelasting overgenomen. In overbelaste situaties dient de afname in geurbelasting minimaal de eigen bijdrage aan de overbelasting te bedragen (de zogenaamde proportionele afname). In het milieuspoor moet een vergunning aanvraag voor een veehouderij voldoen aan de gemeentelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting. In overbelaste situaties kan 50% van de behaalde geurwinst gebruikt worden voor de uitbreiding. De gemeentelijke geurnorm van 1 OU voor de woonkern Best bepaalt voor een groot gedeelte van het buitengebied de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen. Een nieuwe geurverordening met aanscherping van de geurnormen voor (delen van) het buitengebied is in voorbereiding. De geurnormen zien toe op geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten.

Bij ontwikkelingen van veehouderijen kan de geuremissie uit de veehouderij toenemen, maar kan de geurbelasting op geurgevoelige objecten niet toenemen als er sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een overbelaste situatie kan door de ‘50-regel’ (voorgrondbelasting) en de proportionele afname (achtergrondbelasting) wel blijven bestaan, maar de geurbelasting moet wel dalen. Daar waar geen sprake is van een overbelaste situatie kan de geurbelasting toenemen, maar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is daarbij wel gegarandeerd. Voor andere functies dan veehouderij stellen de Wgv, de geurverordening en de IOV geen directe eisen ten aanzien van geur.

2.7

Wet natuurbescherming

In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. In deze paragraaf wordt ingegaan op de gebieden die in de Wet natuurbescherming worden beschermd, de Natura 2000-gebieden. De bescherming van ‘Beschermde Natuurmonumenten’, zoals deze in de Natuurbeschermingswet 1998 was opgenomen, is komen te vervallen. Een aparte beschermde status van beschermde natuurmonumenten is niet nodig vanwege de bescherming die andere instrumenten bieden, bijna alle beschermde natuurmonumenten liggen in Natuur Netwerk Nederland. Bij de besluitvorming rond plannen en projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000gebieden is het beschermingskader van toepassing dat de Wet natuurbescherming aan deze gebieden geeft. Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming bevat de procedures die moeten worden gevolgd bij besluitvorming over deze plannen en projecten.

34

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

De vaststelling van het bestemmingsplan door de Gemeenteraad van Best vindt plaats volgens de plantoetsing aan artikel 2.7 Wnb: “Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Daartoe maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een Voortoets/Passende Beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Een besluit wordt alleen genomen indien het bestuursorgaan zich op grond van de Voortoets/Passende Beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast”. Met name stikstof (voor veehouderijen met name bestaande uit ammoniak) heeft grote negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om grip te krijgen op de kritische depositieruimte kan een depositiegrens per veehouderijbedrijf worden vastgelegd. Dit kan gedaan worden door het vastleggen van de natuurbeschermingswetvergunning.

Wanneer een bedrijf niet beschikt over een vergunning of melding, dient de feitelijke situatie die vergund is met een milieuvergunning aan een (veehouderij)bedrijf vastgelegd te worden. Ten aanzien van het plan: Voor de plantoetsing een Voortoets/Passende Beoordeling uitgevoerd. Hierin is in kaart gebracht wat de effecten (kunnen) zijn van het bestemmingsplan op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en welke verzachtende (mitigerende) maatregelen eventueel genomen kunnen worden om deze natuurlijke kenmerken niet aan te tasten (ook wel significant negatieve gevolgen genoemd). In het bestemmingsplan is een stikstofregeling opgenomen, op basis waarvan een toename van de stikstof-/ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan. Deze regeling zorgt ervoor dat voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen (geen toename van de emissie van stikstof) passen, geen aparte procedures nodig zijn. Bijvoorbeeld als er wordt ontwikkeld in combinatie met het toepassen van technieken om de emissies extra te beperken. Voor ontwikkelingen die dit zogenaamde stikstofplafond overschrijden, is een aparte procedure noodzakelijk, zodat de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden nader beoordeeld kunnen worden. Op deze manier zijn negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

Interim Omgevingsverordening en Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming geeft invulling aan de afspraken tussen Rijk en provincies uit het Bestuursakkoord Natuur. De provincie heeft hierbij bevoegdheden gekregen. De invulling van deze bevoegdheden is voor onder ander de onderdelen gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming in de IOV opgenomen (voormalige Verordening natuurbescherming NoordBrabant). De verordening stelt (extra) technische eisen aan stallen, die qua emissiereductie verder gaan dan de vereisten uit Besluit Huisvesting. Nieuwe stallen worden getoetst aan de streefwaarden die in de bijlagen bij de verordening zijn genoemd en de toepassing van stallen/technieken met een ammoniakemissie per dier die ligt onder die streefwaarden. Veehouderijen met verouderde stalsystemen moeten vanaf 1 januari 2024 gemiddeld voldoen aan de vereisten uit de provinciale verordening. Vanaf 1 januari 2028 moeten alle verouderde stallen aangepast zijn. Een verouderd stalsysteem is een systeem dat niet voldoet aan de gestelde emissie-eisen en ouder is dan 15 of 20 jaar. De emissie-eisen zijn opgenomen in bijlage 2 bij de Interim omgevingsverordening. Deze bijlage bevat een lijst met emissiefactoren en reductiepercentages voor de emissie vanuit stallen, inclusief de mest die in de stal is opgeslagen.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

35

P186126.006

Voor varkensbedrijven zijn er technieken (emissiearme stallen, luchtwassers) beschikbaar en toepasbaar die leiden tot extra emissiereductie. Varkensbedrijven kunnen zo uitbreiden met het aantal dierplaatsen zonder dat er sprake hoeft te zijn van een toename van de ammoniakemissie. Voor met name melkveebedrijven zijn dergelijke technieken nu nog niet of slechts beperkt beschikbaar, waardoor er minder mogelijkheden zijn om via de inzet van techniek het aantal dierplaatsen uit te breiden zonder een toename van de ammoniakemissie. Voor pluimveebedrijven zijn er nog knelpunten met betrekking tot de toepasbaarheid/werking van luchtwassers.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat ook de regels van de ingetrokken Flora- en faunawet. Deze wet regelt de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten. Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. 2. Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.

36

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.

2.8

Natuur Netwerk Nederland en Wet ammoniak en veehouderij

Natuur Netwerk Nederland (NNN) en Natuur Netwerk Brabant (NNB) Om de natuur in Nederland tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, is het NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) begrensd en aangelegd als netwerk van bestaande en nieuwe natuur. Het wettelijke kader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van het NNN zijn de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) en Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Op basis van dit rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen. Het NNN wordt op provinciaal niveau uitgewerkt in provinciale structuurvisies ende provinciale omgevingsverordening en natuurbeheerplannen. Op het NNN / NNB is ook de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) van toepassing. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is het Brabantse deel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNB bestaat uit:  bestaande natuur- en bosgebieden;  gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen;  nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd.

De oude functie of bestemming is nog aanwezig;  ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door:  het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen);  voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname);  inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting);  realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

37

P186126.006

De instructieregels in de IOV bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij het opstellen van een bestemmingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om een activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving. Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant en waar nodig vertaald in de IOV. Zolang de natuurdoelen in een gebied nog niet zijn gerealiseerd, kunnen bestaande functies en gebruiksactiviteiten worden voortgezet. Bestaand planologisch gebruik wordt gerespecteerd. Ten aanzien van het plan: In het noorden van de gemeente Best liggen de Natte Natuurparels De Mortelen/Velderbosch en De Scheeken, onderdeel van de NNB. Deze gebieden zijn inclusief een beschermingszone, variërend van 300m tot 500m buiten het gebied, aangeduid als Attentiezone waterhuishouding.

Wet ammoniak en veehouderij Op 1 mei 2007 is de gewijzigde Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav is bedoeld ter bescherming van de zeer kwetsbare gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. Provinciale Staten wijzen deze zeer kwetsbare gebieden aan op basis van criteria die in de wet staan vermeld. De Wav bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Het bevoegd gezag moet die regels toepassen bij beslissingen over de verlening van milieuvergunningen voor veehouderijen. De wet geeft regels voor veehouderijen die in een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom zo’n kwetsbaar gebied liggen. Hoofdlijn hierbij is dat vestiging in deze zones niet mogelijk is en dat uitbreiding slechts mogelijk is binnen een bedrijfsemissieplafond. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen (art. 2, lid 2 Wav). Alle voor verzuring gevoelige gebieden, die in Beschermde Natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden liggen, moeten worden aangewezen als zeer kwetsbaar gebied, op voorwaarde dat ze binnen het NNN liggen. Provinciale Staten zijn hiertoe verplicht (art. 2, lid 3 Wav).

2.9

Wet plattelandswoningen

De Wet plattelandswoningen trad op 1 januari 2013 in werking. Op 1 maart 2014 is een aanpassing van het Activiteitenbesluit in werking getreden, die eenzelfde regeling geeft voor agrarische bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. De wet wijzigt de bescherming voor (voormalig) agrarische bedrijfswoningen en bevat een regeling voor veehouderijen die niet gestopt zijn, maar waarvan de woning qua gebruik wordt afgesplitst.

38

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Plattelandswoningen zijn uitsluitend mogelijk bij in werking zijnde agrarische bedrijven met een agrarische bestemming en het moet gaan om bestaande gevallen van voor 1 januari 2013. Als plattelandswoning is deze woning niet beschermd tegen de geur en geluidbelasting van het bedrijf waar de woning voorheen deel vanuit maakte. Er moet wel beoordeeld worden of ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toetsing aan de milieunormen ter bescherming van de hinder die de plattelandswoning kan ondervinden van andere omliggende veehouderijen blijft gelden. De Raad van State heeft bij uitspraak van 4 februari 2015 (201306630/5/R3) bepaald dat de luchtkwaliteitseisen ook gelden bij plattelandswoningen. Dit betekent dat er geen mogelijkheden zijn om flexibeler om te gaan met de luchtkwaliteitseisen bij plattelandswoningen. Als de wettelijke grenswaarden voor lucht niet worden gehaald, is de aanwijzing als plattelandswoning niet mogelijk. De gemeente moet dit beoordelen bij het bepalen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten aanzien van het plan: In het bestemmingsplan is een wijzigingsmogelijkheid opgenomen die het mogelijk maakt om een agrarische bedrijfswoning te laten gebruiken als burgerwoning door personen die geen functionele binding (meer) hebben met het binnen hetzelfde bestemmingsvlak gelegen agrarische bedrijf door toevoeging van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen-plattelandswoning’, onder navolgende randvoorwaarden:  De aanduiding lost een probleemsituatie op van strijdig gebruik van een voormalige 2e agrarische bedrijfswoning, dat is ontstaan voor 1 januari 2013;  Herbestemming tot de bestemming 'Wonen' is uitsluitend niet mogelijk vanwege de  milieusituatie van het bijbehorende eigen bedrijf;  Er wordt onderbouwd dat de situatie voldoet aan de wettelijke kaders, geur en geluid  uitgezonderd;  Er is sprake van een legale situatie, zowel voor de bedrijfswoning (bouw) als het agrarisch bedrijf;  Er is sprake van een bestaand agrarisch bedrijf,  De milieueffecten van de omliggende bedrijven mogen gelet op het woon- en leefklimaat, geen belemmering vormen voor een eventuele omzetting naar burgerwoning op een later moment.

2.10 Beleid vrijkomende agrarische gebouwen Op 20 maart 2020 is het Beleid vrijkomende agrarische bebouwing van de gemeente Best gepubliceerd. Bij vaststelling van de Nota van Uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied’ had de gemeenteraad geconstateerd dat er behoefte is aan een concreet kader voor het toetsen van initiatieven op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties en het college gevraagd beleid op te stellen voor vrijkomende agrarische bebouwing waarmee de randvoorwaarden voor functiewijzigingen of hergebruik van agrarisch vastgoed wordt gefaciliteerd. In de Structuurvisie Buitengebied is de nieuwe koers voor vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied van Best verwoord. Het ontwikkelingsperspectief uit de Structuurvisie Buitengebied is in het VAB-beleid nader uitgewerkt.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

39

P186126.006

Ten aanzien van het plan: Het bestemmingsplan voorziet alleen in het faciliteren van standaardontwikkelingen. Voor ontwikkelingen die een afweging op maat behoeven moet een buitenplanse procedure doorlopen worden. Enkele locaties zijn als bestaand gebruik voorzien van de aanduiding ‘vab’ op basis waarvan alleen de gestopte agrariër en/of partner en eventueel inwonende kinderen mogen blijven wonen in de bedrijfswoning. Deze aanduiding dient als ‘pauzeknop’ waarmee wordt sloop uitgesteld tot overgegaan wordt op een verkoop of op het perceel financiële middelen gegenereerd worden met bedrijvigheid. Bij verkoop van de woning of het starten van een nietagrarisch bedrijf ontstaat er een strijdigheid met het bestemmingsplan. De sloop van overtollige bebouwing (bij een woonbestemming) en/of verplichte kwaliteitsverbetering (bij bedrijvigheid) wordt gekoppeld aan de verplichte bestemmingswijziging.

2.11 Beleid huisvesting arbeidsmigranten De gemeente voert een terughoudend beleid met betrekking tot uitbreiding van de woonfunctie in het buitengebied. Dit geldt ook voor huisvesting van arbeidsmigranten. Voor de tijdelijke huisvesting is een gemeentelijke Beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten (dd. 17 december 2014) opgesteld. Hierin zijn beleidsregels opgenomen voor huisvesting van arbeidsmigranten in het buitengebied. In het bestemmingsplan wordt bij deze beleidsregels aangesloten. Ten aanzien van het plan: In afwijking van de geldende bestemmingsregeling is in dit bestemmingsplan geen mogelijkheid opgenomen voor het plaatsen van stacaravans of woonunits ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten. Realisering van permanente voorzieningen voor huisvesting van tijdelijke werknemers is binnenplans ook niet mogelijk. Er is ook geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor huisvesting van arbeidsmigranten in bestaande bedrijfsgebouwen en/of de bedrijfswoning. Alleen via een afzonderlijke planologische procedure kan huisvesting in specifieke omstandigheden onder voorwaarden worden toegestaan. Het is hiermee uitgesloten dat door het plan voor het milieu nadeligere gevolgen kunnen ontstaan.

40

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

3 Alternatieven en referentiesituatie 3.1

Inleiding

In het kader van de voorbereiding op het bestemmingsplan wil de gemeente inzicht krijgen in de effecten van de geboden ontwikkelruimte in het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om effecten op het milieu voor die onderdelen van het bestemmingsplan waarbij er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. In dit hoofdstuk ligt het zwaartepunt van de uitwerkingen bij de milieueffecten ten gevolge van de veehouderij. Verder worden de milieueffecten en aanzien van specifiek boomteelt nader uitgewerkt. Bij gebruik van gronden voor boomteelt ziet het afwegingskader toe op het voorkomen van aantasting van negatieve gevolgen voor de waterhuishouding (verdrogende effecten). De bestaande niet-agrarische bedrijven zijn positief bestemd en conform de huidige functie vastgelegd, maar uitbreiding van bebouwing wordt binnen dit bestemmingsplan niet toegestaan. Nieuwe niet-agrarische bedrijven zijn alleen zeer kleinschalig en onder strikte voorwaarden mogelijk. Ook de mogelijkheden voor omschakeling naar andere typen bedrijvigheid zijn ook beperkt. Beleid ten aanzien van Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) en duurzame energie initiatieven (oa. zonnepanelen en windmolens) zijn niet meegenomen in dit bestemmingsplan.

Gezien de bestemmingsplanregeling zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van het bestemmingsplan verwaarloosbaar en worden de effecten van niet-agrarische bedrijven en recreatie niet nader onderzocht in dit MER.

3.2

Alternatieven

In het kader van een m.e.r. (procedure) wordt als basisregel gehanteerd dat alles waarover een nieuw besluit kan worden genomen onderdeel is van het voornemen. Toegespitst op het MER, dat vooral ingaat op de milieueffecten van de veehouderij betekent dit dat het voornemen is opgebouwd uit de volgende onderdelen: 

De begrenzing van de bouwblokken op de verbeelding van het bestemmingsplan en de regels die zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Hoeveel planologische ruimte wordt er geboden voor uitbreiding van bebouwing zonder dat hiervoor een nieuwe planologische procedure hoeft te worden doorlopen?

Welke flexibiliteitsmogelijkheden biedt het plan? Welke besluiten kan het college nemen zonder dat hiervoor een nieuw besluit van de raad nodig is? Hierbij gaat het om de ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden van het college voor met name het wijzigen van functies, vormverandering en/of vergroten van de bouwblokken en wijzigen van diersoort. In dit MER zijn de wijzigingsbevoegdheden die opgenomen zijn in het (voor)ontwerp bestemmingsplan meegenomen in de milieubeoordeling.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

41

P186126.006

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (voorzien op 1 januari 2022) treedt er een nieuwe situatie op en hebben de wijzigingsbevoegdheden geen functie meer (overgangsregeling). Wel kan onder de Omgevingswet via een vergunningsstelsel flexibiliteit worden geboden en kan in het later op te stellen Omgevingsplan flexibiliteit worden ingebouwd. In deze m.e.r.-procedure is een trendmatig scenario (uitgaande van een trendmatige ontwikkeling van de veehouderij in Best) en een worstcase scenario (uitgaande van maximale groei van de veehouderij binnen de geboden planologische mogelijkheden) bepaald. Door bij de effectbepaling in het MER uit te gaan van een trendmatig scenario en een maximaal scenario is geprobeerd aan te sluiten bij de trend van de afgelopen jaren en onzekerheden in de autonome toekomstige ontwikkeling. De focus van het MER ligt op het in beeld brengen van mogelijke effecten indien maximaal gebruik wordt gemaakt van de planologische mogelijkheden en de beschikbare milieuruimte. Indien er vanwege economische ontwikkelingen sprake is van een krimp van de veestapel, zullen de voorspelde effecten op basis van het trendmatig groeiscenario en zeker het worstcase scenario niet of in mindere mate, optreden.

Scenario Trendmatige ontwikkeling (2020-2030):  groei van bestaande, grotere bedrijven, krimp/stoppen van bestaande, kleinere bedrijven; trendmatige groei economische omvang veehouderij;  binnen de grenzen van planologische mogelijkheden bestemmingsplan;  binnen de grenzen van de stikstofregeling in het bestemmingsplan;  binnen de grenzen van de milieuruimte ten aanzien van geurhinder (voorgrondnormen). Scenario Worstcase ontwikkeling:  maximale groei van bestaande bedrijven;  omschakeling van veehouderijbedrijven naar een ander type (intensieve) veehouderij, indien dat toegestaan wordt;  binnen grenzen van planologische mogelijkheden bestemmingsplan.  binnen de grenzen van de stikstofregeling in het bestemmingsplan;  binnen de grenzen van milieuruimte t.a.v. geurhinder (voorgrondnorm Wgv). De omvang en spreiding van de intensieve veehouderij wordt regionaal (provincie en gemeente) vooral gestuurd via de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, bestemmingsplan, de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet Natuurbescherming. Voor varkensbedrijven kunnen vooral normen op het gebied van geur en ammoniak sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Voor pluimveebedrijven kunnen vooral normen op het gebied van luchtkwaliteit (fijn stof, endotoxine) sturen in de ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is de Wet natuurbescherming van belang.

Hierbij gaat het om sturing op de effecten van de veehouderij (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing, geurbelasting, concentratie fijn stof, ammoniakemissie en stikstofdepositie) en niet om een directe sturing op dieraantallen.

42

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

De omvang, spreiding en uitvoering van melkveebedrijven wordt in mindere mate gestuurd door provincie en gemeenten. Voor deze bedrijven zijn vooral de Wet natuurbescherming, de provinciale staleisen in de Interim Omgevingsverordening en de ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen) van belang. Ook hierbij gaat het om een sturing op effecten (bebouwingsmogelijkheden, ruimtelijke inpassing) en niet om een directe sturing op dieraantallen.

3.2.1

Trendmatig scenario veehouderij

In Figuur 7 staat voor de periode 2000-2019 het aantal dieren en aantal bedrijven (rundvee, varkens en kippen) in Best volgens CBS-gegevens (landbouwtellingen). In Figuur 8 staat de ontwikkeling tussen 2000 en 2020 van de vergunde veestapel (melkrundvee en overig rundvee, varkens en pluimvee) in de gemeente Best én in het stalderingsgebied waarbinnen de gemeente Best valt, op basis van BVB-gegevens in 2000, 2010 en 2020. Uit de CBS-cijfers volgt de landelijke trend dat bij een gelijkblijvende of groeiende veestapel het aantal bedrijven gestaag afneemt. Minder bedrijven, maar de bedrijven worden groter (trend van schaalvergroting). Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de landelijke trend. Het aantal bedrijven komt in Best niet geheel overeen met het aantal veehouderijlocaties, aangezien binnen de gemeente Best grote varkens- en pluimveehouders aanwezig zijn met meerdere vestigingen / locaties in Best.

Figuur 7: Ontwikkeling veehouderij in Best 2000-2019 (Bron: CBS, 2020).

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

43

P186126.006

Figuur 8: Ontwikkeling vergunde veestapel (in Nge) in Best en stalderingsgebied van Best 2000-2020 (bron: BVB-gegevens)

Uit de BVB-gegevens volgt een lichte afname van de vergunde omvang van de totale veestapel in Best, zie Tabel 5. Op basis van de gegevens over de ontwikkeling in het verleden en beschikbare prognoses van de ontwikkeling van het aantal veehouderijen in Noord-Brabant (o.a. Connecting Agri&Food 2020 1) is er in het trendmatig scenario van uit gegaan dat er bij een ongeveer gelijkblijvende veestapel het aantal bedrijven gestaag afneemt. Tabel 5: Ontwikkeling aantal vergunde dierplaatsen (in Nge) in Best (Bron: BVB-gegevens)

Toe- of afname aantal vergunde dierplaatsen in Best (o.b.v. Nge’s) Type veehouderij Melk- en overig rundvee Vleeskalveren Varkens Kippen

Afgelopen 10 jaar 2020 t.o.v. 2010

Afgelopen 20 jaar 2020 t.o.v. 2000

- 28% + 62% +7% -5%

-26% +142% -13% -12%

1

‘Verwachte effecten van de voorgestelde aanpassing van de Interim Omgevingsverordening op structuur en omvang veehouderij in Noord-Brabant’, Connecting Agri & Food, 8 juli 2020

44

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Bij het trendmatig scenario is uitgegaan van de bestaande vergunde rechten en is vervolgens de ruimte op de bouwblokken benut om de bestaande veestapel uit te breiden, indien de bouwblokaanduidingen dat toestaan. Daarbij is aangesloten bij de trend van schaalvergroting in de intensieve veehouderij en melkveehouderij, door kleine bedrijven die nog niet voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting en de provinciale emissie-eisen in de IOV te laten stoppen en de grotere bedrijven te laten groeien. De bouwblokken mogen daarbij groeien tot maximaal 1,5 ha. Bij bouwblokken die nu al groter zijn dan 1,5 hectare wordt uitgegaan van de huidige afmetingen. Uitgangspunten in het trendmatig scenario zijn:  bouwblokken groeien hooguit naar 1,5 ha (tenzij nu al groter)  hooguit 300 Nge per hectare bouwblok (omvang standaard bedrijf zoals voor intensieve veehouderij en melkrundvee genoemd in “Alle vlees duurzaam” van de Commissie Van Doorn).

Stoppers:  bedrijven met minder dan 70 Nge iv stoppen met iv (6)  bedrijven met minder dan 100 Nge melkrundvee stoppen met mrv (3)  bedrijven met iv in zone beperking veehouderij die niet voldoen aan Besluit emissiearme huisvesting kolom A stoppen (2) Groeiers:  bedrijven met meer dan 100 Nge melkrundvee (8 mogelijke groeiers)  bedrijven met meer dan 100 Nge iv, voor zover niet gelegen in zone beperking veehouderij (14 mogelijke groeiers) Totaal wordt 173 Nge melkrundvee ingeleverd en 762 Nge iv. Dat is ongeveer 10% van de Nge van melkrundveegroeiers en 20% van de Nge van de iv-groeiers. Voor het scenario wordt uitgegaan van 10% groei bij individuele melkrundveebedrijven en 20% groei bij individuele iv bedrijven. Overige bedrijven (geen stoppers/groeiers) blijven, maar gaan wel voldoen aan de IOV-eisen voor de maximale ammoniakemissie voor bestaande stallen in 2020.

Invulling groeiers: Ammoniak:  NH3 trendmatig = NH3 emissie vergund na toepassing IOV eisen 2020 * 1,2 (dus maximaal 20% groei in veestapel)  Indien NH3 trendmatig > emissieplafond (huidig vergunde emissie) dan geldt NH3 trendmatig = huidig vergunde emissie Geur:  Ou trendmatig = Ou emissie vergund * 1,2 (dus maximaal 20% groei in veestapel)  indien Ou trendmatig > maximaal toegestane emissie op basis voorgrondgeurnormen dan wordt de geuremissie de maximaal toegestane emissie op basis voorgrondgeurnormen  indien huidige emissie > Ou trendmatig dan blijft huidige emissie staan Fijnstof:  PM10 trendmatig = PM10 emissie vergund * 1,2 (dus maximaal 20% groei in veestapel)

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

45

P186126.006

In dit scenario is sprake van krimp van de veestapel, aangezien niet alle ingeleverde Nge's van de stoppers weer herverdeeld worden vanwege de beperkingen in mogelijkheden van individuele bedrijven (emissieplafond, geurnormen, bouwblokgrootte). Het nertsenbedrijf is in alle scenario's als blijver meegenomen, evenals een bedrijf met functieaanduiding hondenkennel en kleindierhouderij en een met functieaanduiding kleinschalig agrarisch. Paardenbedrijven blijven, maar groeien niet. Veehouderijbedrijven kunnen dus groeien voor zover de ruimte op de bouwblokken dat toelaat en de specifieke aanduiding dat toestaat. Voor veehouderij (en paardenhouderij) geldt de aanvullende voorwaarde dat er geen toename in ammoniakemissie en stikstofdepositie mag plaatsvinden. Voor de intensieve veehouderij is naast stikstof nog de aanvullende voorwaarde dat er milieuruimte moet zijn ten aanzien van geurhinder. Hiervoor zijn de voorgrondnormen uit de “Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Best” gehanteerd. Bij met name pluimvee kan fijn stof ook nog voor een extra randvoorwaarde zorgen.

3.2.2 Worstcase scenario veehouderij Naast het trendmatige scenario is een worstcase scenario gemodelleerd en op effecten doorgerekend. Dit scenario gaat uit van maximale benutting van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zo kan een beeld verkregen worden van het verwachte effect van de ontwikkeling van de veehouderij, binnen de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Met toepassing van het worstcase scenario wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting de maximale effecten/mogelijkheden van het bestemmingsplan in beeld te brengen. In de worstcase scenario’s is uitgegaan van de bouwblokken op een bestemmingsvlak “Agrarisch – Agrarisch bedrijf” en de specifieke diersoort aanduidingen uit het concept ontwerp bestemmingsplan en de maximale mogelijkheden die er geboden worden voor het houden van de aangeduide diersoorten. Uitgangspunt daarbij is dat de bestaande bouwblokken mogen groeien tot maximaal 1,5 ha. Bij bouwblokken die nu al groter zijn dan 1,5 hectare wordt uitgegaan van de huidige afmetingen. Uitgangspunten worstcase scenario zijn: 

bouwblokken groeien naar 1,5 ha (tenzij nu al groter);

maximaal 300 Nge per hectare bouwblok.

pluimvee blijft pluimvee en groeit in leghennen.

Het worstcase scenario bestaat uit drie verschillende scenario’s: één worstcase voor ammoniak, één worstcase voor geurhinder (die weer bestaat uit twee varianten) en één voor fijn stof. Ammoniak worstcase:    

46

bedrijven niet in zone beperking veehouderij schakelen om naar vleeskalveren en voldoen aan IOV-eisen (maximale emissie per Nge); bedrijven in zone beperking veehouderij schakelen om naar melkrundvee; maximale emissie berekend op basis oppervlak bouwblok en ammoniakemissie per hectare; indien huidige emissie > maximale emissie dan blijft huidige emissie staan.

Plan-MER Bestemmingsplan Buitengebied Best 2021 – Deel B

P186126.006

Geur worstcase (zonder toepassing geurnormen):  bedrijven niet in zone beperking veehouderij schakelen om naar vleesvarkens en voldoen aan IOV (maximale emissie per Nge);  bedrijven in zone beperking veehouderij houden wat ze hebben;  maximale emissie berekend op basis oppervlak bouwblok en geuremissie per hectare;  indien huidige emissie > maximale emissie dan blijft huidige emissie staan. Geur worstcase (met toepassing geurnormen):  bedrijven niet in zone beperking veehouderij schakelen om naar vleesvarkens en voldoen aan IOV (maximale emissie per Nge);  bedrijven in zone beperking veehouderij houden wat ze hebben;  maximale emissie berekend op basis oppervlak bouwblok en geuremissie per hectare;  indien emissie > maximaal toegestane emissie op basis voorgrondgeurnormen dan wordt de geuremissie de maximaal toegestane emissie op basis voorgrondgeurnormen;  indien huidige emissie > maximale emissie dan blijft huidige emissie staan. Fijn stof worstcase:  bedrijven niet in zone beperking veehouderij schakelen om naar vleesvarken;  bedrijven in zone beperking veehouderij houden wat ze hebben schakelen om naar melkrundvee;  maximale emissie berekend op basis oppervlak bouwblok en fijnstofemissie per hectare;  indien huidige emissie > maximale emissie dan blijft huidige emissie staan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11749775/1