22010.6 - Toelichting ontwerpbestemmigsplan Steegsche Velden-Noord
Tekst van het document
3.4
Milieueffectrapportage
In 2007 is het PlanMER Westelijke Stedelijke Regio SRE opgesteld. In dit PlanMER zijn acht strategische woonlocaties en vier strategische werklocaties beschreven. De locatie Aarle-Steegsche Velden, waarvan dit plangebied deel uitmaakt, is opgenomen in het PlanMER als één van de acht woonlocaties. De ontwikkeling is noodzakelijk om de regionale taakstelling voor woningbouw in de regio Eindhoven te behalen. In het PlanMER is opgenomen dat er maximaal 3.400 woningen worden gerealiseerd op de locatie Aarle-Steegsche Velden.
M.e.r.-plicht Op grond van het gewijzigde Besluit Milieu-effectrapportage 1994 (onderdeel C, activiteit 11.1) geldt voor de ontwikkeling van een woningbouwlocatie een wettelijke verplichting om de procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen zodra het te bouwen aantal woningen een drempelwaarde overstijgt. Deze m.e.r.-plicht geldt in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied van 2.000 woningen of meer buiten de bebouwde kom of op een aaneengesloten gebied van 4000 woningen of meer binnen de bebouwde kom. In het MER voor Best wordt uitgegaan van de bouw van 2.600 woningen buiten de bebouwde kom (Aarle-Steegsche Velden) en 750 woningen op een uitbreidingslocatie (Dijkstraten), waarmee de drempelwaarde wordt overschreden en de bouwopgave m.e.r.- plichtig is. Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu.
MER Aarle, Steegsche Velden en Dijkstraten Door Arcadis is in de periode september 2009-maart 2010 een Besluit-MER opgesteld voor de woningbouw in de deelgebieden Aarle, Steegsche Velden en Dijkstraten. Voor berekeningsresultaten van de verschillende onderdelen, uitgangspunten en conclusies wordt verwezen naar het rapport "Besluit-MER woningbouw Aarle, Hokkelstraat en Dijkstraten" van Arcadis. Er wordt in het MER verschil gemaakt tussen het plangebied en het studiegebied. Het plangebied is het gebied waar de woningbouwontwikkelingen inclusief groenzone zijn geprojecteerd. De effecten strekken zich vaak uit tot buiten het plangebied. Het gebied waarin effecten optreden wordt het studiegebied genoemd. Het studiegebied kan van aspect tot aspect in omvang verschillen. Het plangebied Aarle - Steegsche Velden en Dijkstraten ligt aansluitend aan de bestaande wijken van de kern Best (Salderes, Heivelden, Naastenbest en Centrum). Ruimtelijk kenmerkende structuurdragers in het plangebied zijn de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Eindhoven, de Rijksweg A2, de Ringweg en Oirschotseweg en het oude bebouwingslint 'Aarle'. Het ijkpunt voor het referentiekader is de huidige situatie in combinatie met de autonome ontwikkelingen tot 2020.
Autonome ontwikkelingen zijn die ontwikkelingen die in en om het plangebied toch plaatsvinden wanneer de voorgenomen activiteit (de ontwikkeling van de woningbouwlocatie Aarle Steegsche Velden en Dijkstraten) niet doorgaat. De referentiesituatie is aan de hand van de volgende thema's omschreven in het MER: bodem en water, ruimtegebruik, landschap, cultuurhistorie en archeologie, natuur, verkeer, milieuhygiëne, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid.
27
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
Voor de MER zijn destijds verschillende alternatieven ontwikkeld die zijn getoetst aan verschillende milieueffecten, waaruit een voorkeursalternatief is gekomen. In het Voorkeursalternatief (VKA) is de locatie Steegsche Velden opgenomen als onderdeel van de totale ontwikkeling. De locatie Steegsche Velden - Noord wordt ontwikkeld in fase 1.
MER Proces Het MER is door de gemeenteraad op 19 april 2010 vastgesteld en heeft in de periode van 28 april tot en met 9 juni 2010 ter visie gelegen. De Commissie voor de m.e.r. heeft op 21 juni 2010 een tussenoordeel gegeven over het MER, waarna een aanvulling op het Besluit-MER is geschreven: “Aanvulling MER Aarle, Hokkelstraat en Dijkstraten” van Arcadis, datum 19 augustus 2010. De Commissie voor de m.e.r. heeft op 14 september 2010 een toetsingsadvies uitgebracht over het MER inclusief de aanvulling (rapportnummer 2165-106, te vinden op de website www.commissiemer.nl). Zij is van oordeel dat in het MER en de aanvulling de essentiële informatie aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te kunnen geven bij de besluitvorming. Zij adviseert nog wel geluidsonderzoek uit te voeren voor de hogere waarden en het ontwerp van de geluidschermen, dit onderzoek is voor het voorliggende bestemmingsplan uitgevoerd Op verzoek van de Commissie voor de m.e.r. is in het kader van de aanvulling een aanvulling gemaakt op de fasering binnen de hoofdfasering, de zogenaamde interne fasering
3.5
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 3.1.6 lid 2. De ladder is een instrument dat beoogt een zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Dit is in het bijzonder van belang bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Omdat de ontwikkeling van een woongebied met 130 woningen in de termen van het Besluit Ruimtelijke Ordening een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, zal het plan (als onderdeel van het bestemmingsplan) getoetst moeten worden aan de de eisen van de "ladder voor stedelijke ontwikkeling". Dat houdt in dat de behoefte aan een dergelijke ontwikkeling moet worden onderbouwd en dat bovendien aangegeven moet worden waarom deze ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden. Ten behoeve van deze toetsing is door Companen de 'Laddertoets Steegsche Velden fase B' (4 november 2020) opgesteld (zie Bijlage 5). De toetsing aan de ladder levert de volgende conclusies op: Voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een behoefte? 1.
2.
3. 4.
5.
De gemeente Best heeft, zo geeft de provinciale prognose aan, in de komende 10 jaar nog een aanzienlijke behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad. De woningbouwontwikkeling in Best loopt duidelijk achter bij hetgeen volgens de provincie noodzakelijk is. Uit het nationale woningbehoefte-onderzoek WoON kan worden afgeleid dat meer dan de helft van de verhuisgeneigden in Best op zoek is naar een woonmilieu zoals dat in het plangebied wordt beoogd. De ontwikkeling van het plangebied is regionaal binnen het SGE afgestemd, zowel kwantitatief als kwalitatief. Kwalitatief past het plan uitstekend in de SGE-visie op de Noordrand van de regio met als steekwoorden: "groen en recreatief", "landschappelijke kwaliteit", "goede (auto)bereikbaarheid Midden-Brabant en Randstad" en "gericht op forensen". De geïnterviewde makelaars onderschrijven de behoefte aan het plan en het daarin gedachte woonmilieu.
Kan binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien? 1. Om in de eigen en regionale behoefte te voorzien, heeft de gemeente op de korte termijn een tekort
28
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
2.
3.
4.
aan harde plancapaciteit. Spoedige aanvulling is dus nodig. In het bestaande stedelijk gebied is onvoldoende ruimte voor de behoefte, terwijl bovendien het beoogde suburbane woonmilieu niet in het bestaande stedelijke woonmilieu kan worden gerealiseerd. Aan de toekomstige woningbehoefte van Best zal voor het overgrote deel op de locaties Steegsche Velden (inclusief planfase Noord) en Aarle tegemoet gekomen moeten worden. De ontwikkeling van Steegsche Velden - Noord zal in de tijd gelijk op gaan lopen met de 1e fase van Aarle (start 2020). Zonder planfase Noord krijgt het woongebied Steegsche Velden overigens stedenbouwkundig en functioneel geen adequate afronding.
Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van Steegsche Velden - Noord, past binnen de vereisten van de "Ladder voor duurzame verstedelijking".
3.6
Milieuaspecten
3.6.1
Bodemkwaliteit
Bodemkwaliteit PM (zie Bijlage 6).
PFAS In opdracht van de gemeente Best heeft Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een bodemonderzoek op PFAS uitgevoerd op drie locaties in de gemeente Best (zie Bijlage 7). Het veldwerk vond plaats in de periode 15 november t/m 6 december 2019. Het oppervlak van deelgebied Steegsche Velden bedraagt 5,4 ha. In het deelgebied zijn op 36 plaatsen boringen uitgevoerd op een diepte van 1,0 m-mv.
29
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
Deellocatie Steegsche Velden met boorpunten
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 1,0 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn met name in de bovengrond lokaal bijmengingen (baksteen) gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In een van de mengmonsters van deellocatie Steegsche Velden is in de ondergrond (50-100 cm-mv) een licht verhoogd gehalte aan PFAS aangetoond. Op de deellocatie is in twee van de grondmengmonsters (bovengrond en ondergrond) een licht verhoogde concentratie aangetoond. Op basis van het tijdelijk handelingskader PFAS kan de milieuhygiënische kwaliteit van de grond ter plaatse van deze grondmengmonsters indicatief als klasse "Wonen" beschouwd worden. In het overige deel van de deellocatie Steegsche Velden is geen verhoogd gehalte aan PFAS aangetoond. Op basis van het tijdelijk handelingskader PFAS kan de milieuhygiënische kwaliteit van de grond op deze delen van de onderzoekslocatie indicatief als klasse "AW2000" (bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde 2000) beschouwd worden. De hypothese "onverdacht" kan op basis van de resultaten formeel worden aanvaard.
Het aspect PFAS vormt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering cq. beperking voor de voorgenomen ontwikkeling van Steegsche Velden - Noord.
30
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
3.6.2
Geluidhinder
De voorgenomen woningbouwontwikkeling is in de Wet geluidhinder aan te merken als 'geluidgevoelig' en is geprojecteerd binnen de wettelijke geluidszone van de Rijksweg A2, Liempdseweg, Nieuwe Dijk en de Hokkelstraat. Het doel van het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie Bijlage 8) is het toetsen of er ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen voldaan wordt aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Indien er sprake is van overschrijding van de wettelijke voorkeursgrenswaarde worden geluidsmaatregelen onderzocht.
Geluidshinderrijksweg A2 De geluidbelasting van de A2 is berekend ter plaatse van drie bouwlagen, met een rekenhoogte van 1,5, 4,5 en 7,5 meter. Zonder aanvullende maatregelen bedraagt de geluidbelasting op de begane grond bij 15 woningen meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (50 dB zonder aftrek). De geluidsbelasting bedraagt op 1,5 m hoogte maximaal 52 dB exclusief aftrek artikel 110g. Indien rekening wordt gehouden met deze aftrek, dan bedraagt de geluidsbelasting maximaal 50 dB.
Onderliggende wegennet In het verkeersmodel BBMA is de Hokkelstraat opgenomen, maar de kleinere wegen met lagere intensiteiten zoals de Liempdseweg en de binnenplanse wegen zijn hierin niet opgenomen. In de toekomstige situatie komt er verkeer bij op de Hokkelstraat door de realisatie van de nieuwe woningen in het plangebied Steegsche Velden - Noord. Het verkeersmodel BBMA geeft een intensiteit van 1.158 motorvoertuigen in 2030 op de Hokkelstraat. De maximumsnelheid bedraagt 50 km/h. De intensiteit op de Liempdseweg is niet bekend maar kan niet hoger zijn dan het maximum van 1.158 motorvoertuigen op de Hokkelstraat. Bij dergelijke lage verkeersintensiteiten ligt de 48 dB-contour dicht bij de weg. Daarom is de 48 dB poldercontour voor de Hokkelstraat bepaald op de maatgevende hoogte van 5,0 m boven het plaatselijk maaiveld. Deze contour ligt op circa 13 m van de rand verharding. De nieuwe woningen van Steegsche Velden - Noord liggen op ruim 200 m van de Hokkelstraat. Dit betekent dat op voorhand duidelijk is dat de geluidsbelasting van de Hokkelstraat ter plaatse van de nieuwe woningen ruimschoots voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om deze reden is geen nader onderzoek naar de geluidsbelasting van de Hokkelstraat uitgevoerd. De nieuwe woningen van Steegsche Velden Noord liggen op ruim 20 m afstand van de Liempdseweg.
Omdat de intensiteit op de Liempdseweg lager is dan op de Hokkelstraat, is ook hier op voorhand duidelijk dat de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt ter plaatse van de nieuwe woningen.
Binnenplanse wegen (30 km/h) De binnenplanse verkeersstructuur bestaat uit klinkerwegen en wordt ingericht als 30 km/h zone. Volgens de Wet Geluidhinder hebben wegen met een maximum rijsnelheid van maximaal 30 km/h geen geluidszone en is er wettelijk gezien geen onderzoeksverplichting. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt echter dat de geluidsbelasting afkomstig van 30 km/uur wegen wel betrokken moeten worden in de afwegingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De totale verkeersproductie van de hele woonwijk Steegsche Velden - Noord bedraagt circa 1.000 motorvoertuigen/etmaal. De verwachting is dat geen enkele weg binnen het plan een hogere verkeersintensiteit heeft dan 400 motorvoertuigen/etmaal. Bij dergelijke lage verkeersintensiteiten mag verwacht worden dat de geluidsbelasting nergens de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt.
Maatregelen Omdat er sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met het huidige scherm langs de
31
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
A2 binnen het plangebied Steegsche Velden - Noord, is er nader akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid van aanvullende geluidmaatregelen voor het terugbrengen van de geluidsbelasting. Het huidige geluidscherm langs de A2 is niet ontworpen om de geluidbelasting ter plekke van het onderhavige gebied aan de noordzijde van Steegsche Velden te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (50 dB exclusief aftrek art. 110g Wgh). Om deze reden is het geluidscherm langs de A2 onvoldoende om bij de nieuwe woningen de geluidbelasting op alle bouwlagen tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. Aanvullende maatregelen zijn alleen mogelijk in de vorm van extra afschermende voorzieningen, omdat een bronmaatregel op de A2 reeds is getroffen met het aanleggen van het stillere wegdek tweelaags ZOAB. Als aanvullende maatregel wordt een afschermende voorziening langs de noordzijde van het plangebied geplaatst, haaks op de A2. De gekozen geluidmaatregel bestaat uit een 6 m hoge wal met een 2 m hoog scherm boven op de wal. De ligging van de 8 m hoge geluidmaatregel is weergegeven in de volgende afbeelding. In de berekeningen is ervan uitgegaan van een reflecterend scherm en een tophoekcorrectie van 2 dB.
Scherm op wal ■eluidwí
p a i»
Geluidwal (6 meter hoog) met topscherm (2 meter hoog, rode lijn) in het noorden van het plangebied Steegsche Velden - Noord
Door de plaatsing van de in totaal 8 meter hoge wal met scherm zoals weergegeven, wordt de geluidbelasting op de begane grond bij alle woningen in het plangebied teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ter plaatse van de 3de bouwlaag neemt de geluidsbelasting bij enkele woningen af met 1 dB. De geluidbelasting is bij de meeste woningen hoger dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale toegestane waarde van 53 dB (57 dB exclusief aftrek art. 110g Wgh) wordt niet overschreden. Dit betekent dat voor een groot deel van de woningen een hogere waarde moet worden vastgesteld.
Hogere waarden Voor het hogere waardenbeleid wordt hier volstaan met te verwijzen naar paragraaf 2.4.8. In de situatie met de 8 meter hoge geluidsmaatregel (6 meter geluidswal met topscherm van 2 meter) overschrijdt de geluidsbelasting van de A2 bij 103 nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor deze 103 woningen dient een hogere waarde te worden vastgesteld. De maximaal toegestane
32
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
waarde van 53 dB (inclusief aftrek artikel 110 g Wgh) wordt niet overschreden. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet worden aangetoond dat de norm van 33 dB voor het binnenniveau niet wordt overschreden. De hogere waarden dienen vastgesteld te worden door het bevoegd gezag van de gemeente Best. Hiervoor zal een hogere waarden procedure doorlopen moeten worden (de aanvraag is opgenomen in Bijlage 9). Bij het vaststellen van hogere waarden moet rekening worden gehouden met het hogere waarden beleid van de gemeente, waarin is opgenomen dat iedere woning een geluidluwe gevel moet hebben. Alle grondgebonden woningen hebben één gevel waarop de geluidsbelasting op de 1ste en 2de bouwlaag voldoet aan de voorkeurswaarde. Niet alle woningen hebben echter één gevel op de 3de bouwlaag, waarop de geluidsbelasting aan de voorkeurswaarde voldoet. Om aan het gemeentelijk geluidbeleid te kunnen voldoen, moet bij een aantal woningen de 3de bouwlaag aan één zijde doof worden uitgevoerd. In bijlage E zijn de betreffende woningen opgenomen en is aangegeven welke gevel doof moet worden uitgevoerd. Omdat alle woningen op de begane grond voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, beschikt elke woning over een geluidluwe buitenruimte. De twee gebouwen met 16 duplexwoningen bestaan uit één woning op de begane grond en één woning op de 2de bouwlaag inclusief kap.
Ook bij deze duplexwoningen op de 2de bouwlaag voldoet de geluidsbelasting op één gevel aan de voorkeurswaarde.
3.6.3
Geurhinder
In de directe omgeving van het plangebied Steegsche Velden is een intensieve veehouderij gelegen aan de Broekdijk 2a. De vraag is of de toekomstige bewoners niet zullen worden blootgesteld aan overmatige geurhinder. Tevens mag de veehouderij niet in de bedrijfsvoering worden belemmerd door het veranderen van de bestemming. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft hiertoe het rapport 'Plangebied Steegsche Velden (gemeente Best) Omgekeerde werking veehouderij' opgesteld (zie Bijlage 10).
Plangebied (gele pijl) en veehouderijg Broekdijk 2a (blauwe pijl)
Uit de in het onderzoeksrapport opgestelde beoordeling blijkt dat: 1. De belangen van de veehouderij aan de Broekdijk 2a niet worden geschaad bij ontwikkeling van het
33
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
plangebied. Er zijn dichter bij de veehouderij geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied die eerder beperkend zijn voor de ontwikkeling van de veehouderij dan de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten gelegen binnen het plangebied. 2. De voorgrondbelasting binnen het plangebied lager is dan 7 ouE/m3 en de achtergrondbelasting lager is dan 10 ouE/m3. Op grond hiervan is woningbouw vanwege het woon- en leefklimaat toelaatbaar binnen het gehele plangebied. Ook op het adres Hokkelstraat 33 is een intensieve veehouderij aanwezig. Omdat de geurcontour niet over het plangebied reikt, is hier geen onderzoek naar verricht.
Conclusie Uit de uitgevoerde toetsing blijkt dat het aspect geurhinder geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.6.4
Luchtkwaliteit
Het overkoepelende plan Steegsche Velden is, met de realisatie van ca. 1.800 woningen, opgenomen in het NSL. Het project Steegsche Velden - Noord omvat de realisatie van 130 woningen. Omdat het overkoepelend project is opgenomen in het NSL, dient getoetst te worden of de realisatie van Steegsche Velden - Noord 'In betekenende Mate (IBM)' bijdraagt aan de luchtkwaliteit in de omgeving.
Toetsingskader Luchtkwaliteitseisen Wet milieubeheer Bijlage 2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) geeft grenswaarden voor de concentraties in de buitenlucht van o.a. de stoffen stikstofdioxide (NO2), Fijn stof (PM10), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6), koolmonoxide (CO) en benzo(a)pyreen (BaP). Bestuursorganen dienen rekening te houden met deze grenswaarden bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en Fijn stof (PM10 en PM2.5), omdat de achtergrondconcentraties van deze stoffen het dichtst bij de grenswaarden liggen. Fijn stof en stikstofdioxide zullen dus in belangrijke mate bepalen of er rond planontwikkeling een luchtkwaliteitsprobleem is. Om die reden zal deze rapportage voornamelijk betrekking hebben op deze stoffen. Toetsingskader stikstofdioxide Voor stikstofdioxide geldt een grenswaarde van 40 pg/m3 als de jaargemiddelde concentratie en een uurgemiddelde concentratie van 200 pg/m3 die maximaal 18 keer per jaar mag worden overschreden. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor stikstofdioxide.
Toetsingseenheid
ļ
Maximale concentratie
Jaargemiddelde concentratie NO2
40 pg/m3
Uurgemiddelde concentratie NO2
200 pg/m3
I Opmerking overschrijding maximaal 18 keer per kalenderjaar toegestaan.
Toetsingskader Fijn stof Voor PM10 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 pg/m3. De 24-uurgemiddelde concentratie van 50 pg/m3 mag maximaal 35 dagen per jaar worden overschreden. Voor PM2|5 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 25 pg/m3. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de grenswaarden voor Fijn stof.
34
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
Toetsingseenheid
Į
Maximale concentratie
Jaargemiddelde concentratie PMio
40 pg/m3
24-uurgemiddelde concentratie PM10
50 pg/m3
Jaargemiddelde concentratie PM2 5
25 pg/m3
1 Opmerking
overschrijding maximaal 35 dagen per kalenderjaar toegestaan
Besluit niet in betekenende mate bijdragen Gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen van 30 oktober 2007 in werking getreden. Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht als het project maximaal 30Zo van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de heersende concentratie. Dit betekent dat voor zowel fijn stof als stikstofdioxide feítelijk een toename van 1,2 pg/m3 op de jaargemiddelde concentratie toelaatbaar wordt geacht (artikel 5.16, eerste lid, onder c van de Wet milieubeheer).
Nationaal samenwerkingsprogrammaluchtkwaliteit Op grond van art. 5.16 eerste lid, onder d, juncto tweede lid, onder e, van de Wet milieubeheer kan een Wegaanpassingsbesluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dat Wegaanpassingsbesluit betrekking heeft op een project dat is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van art. 5.12, eerste lid, of art. 5.13 eerste lid, vastgesteld programma. Dit programma betreft het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de rijksoverheid en de decentrale overheden samen om overal in Nederland tijdig (binnen de verkregen derogatietermijn) te voldoen aan de Europese grenswaarden voor PM10 en NO2. Het NSL bevat niet alleen de maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren, maar ook alle ruimtelijke plannen die de luchtkwaliteit kunnen verslechteren. Het NSL laat zien dat de effecten van de maatregelen voldoende groot zijn om de verslechtering van deze ruimtelijke plannen te compenseren.
Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant Op 16 januari 2009 is het Besluit Gevoelige Bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Dit Besluit is bedoeld voor de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor luchtvervuiling: kinderen, ouderen en zieken. Het besluit beschrijft op welke afstand van de weg een gevoelige bestemming moet komen in geval van hoge concentraties vervuilde stoffen in de lucht. Namelijk op 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter aan weerszijden van provinciale wegen. Omdat het Besluit niets regelt voor drukke binnenstedelijke wegen waar de lucht ook sterk vervuild kan zijn en omdat het Besluit zich bij provinciale wegen en in algemene zin beperkt tot grenswaarden in plaats van gezondheidseffecten in bredere zin, is de onderhavige Handreiking opgesteld (vastgesteld door het college van burgemeeser en wethouders van Best in juli 2014). Daarin wordt het Besluit uitgebreid met provinciale wegen in ruimere zin, en met drukke gemeentelijke wegen. Als gevoelige bestemmingen gelden gebouwen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis of verpleegtehuis. Hieronder vallen ook overige gebouwen die dezelfde functie hebben als hiervoor omschreven.
Het gaat dan om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de voorziene functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In deze handreiking worden -net als in het landelijke besluit- ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.
Toetsing
35
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
Bijdrage woningen In het Besluit Niet In Betekenende Mate Bijdragen, is vastgelegd dat een project Niet In Betekenende Mate Bijdraagt indien het maximaal 30Zo van de jaargemiddelde concentratie NO2 of PM10 bijdraagt. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 pg/m3 voor beide stoffen. Voor de realisatie van woningbouw zijn in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen aangegeven waarbinnen een project NIBM bijdraagt. Deze grenzen zijn vastgelegd op: » »
Netto toename van maximaal 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg, of; Netto toename van maximaal 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
In het woningbouwproject Steegsche Velden - Noord gaat het om realisatie van 130 woningen. Dit valt binnen de eerste grens van maximaal 1.500 woningen uit de Regeling NIBM. Derhalve draagt de realisatie van de 130 woningen binnen het project Steegsche Velden - Noord Niet In Betekenende Mate bij aan de luchtkwaliteit. Bijdrage verkeer Voor de volledigheid is op basis van de te verwachten verkeersbewegingen een check uitgevoerd om te toetsen of het project in werkelijkheid NIBM bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Wanneer de woonwijk gerealiseerd wordt, zal lokaal een toename optreden van verkeer. Dit verkeer zal voor een toename zorgen van luchtverontreinigende stoffen in de lucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), omdat deze stoffen het dichtst bij de vigerende grenswaarden liggen. Uit de berekening blijkt dat door onderliggende ontwikkeling een maximale bijdrage van 0,88 pg/m3 NO2 en een maximale toename van 0,18 pg/m3 PM10 is te verwachten. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de grens van 1,2 pg/mŕ® NO2 en PM10. Hierbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 1100 motorvoertuigen, waarvan 207o vrachtverkeer. De realisatie van het voorgenomen project draagt 'Niet in betekenende mate' bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
De berekening is weergegeven in onderstaand overzicht.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen [weekdaggemiddelde)
1100
Aandeel vrachtverkeer
2,0*
NO^ in pg/m1
0,88
PMļū in ļjg/rn^
0,18
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m1
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Conclusie Uit de toetsing van de te verwachten bijdrage van het project blijkt dat het project Niet in Betekenende Mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Derhalve vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt als bedoeld in de Handreiking luchtkwaliteit gevoelige bestemmingen Noord-Brabant, zodat verder niet aan deze handreiking behoeft te
36
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
worden getoetst.
3.6.5
Hindercontour
De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geeft richtafstanden aan tussen bedrijvigheid en gevoelige objecten. De publicatie geeft inzicht in de richtafstanden met betrekking tot geur, stof, geluid en gevaar voor verschillende bedrijfssoorten. Redelijkerwijs kan worden gesteld dat indien deze richtafstand wordt aangehouden er geen knelpunten tussen de verschillende functies optreden. Indien voldoende gemotiveerd is het mogelijk een kleinere afstand dan de richtafstand te hanteren. Nadere onderzoeken per bedrijf zijn daarvoor noodzakelijk. Bij deze motivering dient rekening gehouden te worden met de milieugebruiksruimte die een bedrijf mag gebruiken. Vanuit zijn vergunning heeft een bedrijf rechten verkregen ten aanzien van zijn milieugebruiksruimte. Deze rechten mogen niet zomaar worden geschonden. In het kader van de woningbouwontwikkeling in het plangebied Steegsche Velden - Noord is een agrarisch bedrijf aangekocht door de gemeente, daarmee zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd, waardoor er geen hindercontouren meer aanwezig zijn die invloed hebben op de voorgenomen ontwikkeling.
3.6.6
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Voorafgaand aan de uitvoering van nieuwe ruimtelijke plannen dient de omliggende projectomgeving getoetst te worden op externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op risico's die kunnen ontstaan voor mens en milieu bij het vervoer, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dit is in wet- en regelgeving voor externe veiligheid en ruimtelijke ordening opgenomen. Hieronder worden de relevante besluiten en definities genoemd. Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De volgende type bedrijven vallen onder de reikwijdte van het besluit: 1. 2. 3. 4. 5.
Lpg-tankstations Bedrijven waar meer dan 10.000 kilo (of liter) verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare en giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig is Grote ammoniakkoelinstallaties Spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen Bedrijven waarop het Besluit risico zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) van toepassing is
Activiteitenbesluit Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In het besluit en de bijbehorende regeling staan regels voor de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, aan moeten voldoen. Het gaat om circa 80-900Zo van de bedrijven in Nederland. In het besluit staan ook de aan te houden externe veiligheidsafstanden tot objecten. Deze externe veiligheidsafstanden gelden voor een beperkt aantal bedrijven. Het gaat onder meer om bedrijven met opslag van meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening en locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de bijbehorende Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.
37
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
Regeling basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling Basisnet staat een tabel met afstanden voor plaatsgebonden risico die gelden voor transportroutes van het Basisnet. Deze afstanden gelden per trajectdeel. Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Een plasbrandaandachtsgebied is een gebied waarbinnen kwetsbare objecten te maken kunnen krijgen met de effecten van een plasbrand. Deze plasbrand kan ontstaan door de ontsteking van uitgestroomde brandbare vloeistof uit een ketelschip of tankwagon. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden kunnen soms (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze moeten voldoen aan de extra eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze moet worden opgenomen in de toelichting bij het bestemmingsplan.
Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampbestrijding en hulpverlening en de zelfredzaamheid van de bevolking. Als binnen de 200 meter van een transportroute wordt gebouwd, moeten ook andere elementen meegenomen worden. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit. Dit kan buiten beschouwing worden gelaten als het groepsrisico niet meer dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt of met niet meer dan 100Zo toeneemt én de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.
Definitie plaatsgebondenrisico en groepsrisico De resultaten uit de kwantitatieve risicoanalyse (QRA) worden getoetst aan de volgende criteria: Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs de transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is geheel afhankelijk van de hoeveelheid vervoer en de aard van gevaarlijke stoffen en de ongevalsfrequentie. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 personen of meer in de omgeving van deze route in één keer (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar staat en op de horizontale as het aantal doden logaritmisch is weergegeven (zie afbeelding hieronder). Bij het aangeven van representatieve aantallen personen wordt gewerkt met zowel de kwetsbare als de minder kwetsbare bestemmingen. Het groepsrisico geeft aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met meer dan tien slachtoffers kan voordoen. Bij het bepalen van het GR wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde (de rode lijn in de afbeelding hieronder).
Dit is geen harde norm, maar geldt als richtwaarde.
38
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
IN tuive
vaņrbířld ľio s
jlļthiofiŗrļ Voorbeeld van een fN-curve voor een weg
Risicofactorenexterne veiligheid Na het raadplegen van de risicokaart en uitvoeren van een analyse van de omliggende omgeving rondom de projectlocatie, zijn de volgende risicobronnen geïdentificeerd die mogelijk invloed hebben op de externe veiligheid van het projectgebied: Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor Het plangebied ligt op minimaal 580 meter afstand van het spoor, waar o.a. gevaarlijke stoffen over getransporteerd worden. De afstand is dermate groot dat een risicoberekening voor het spoorvervoer in relatie tot het projectgebied niet noodzakelijk is. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied ligt op minimaal 30 meter afstand van de weg, waar o.a. gevaarlijke stoffen over getransporteerd worden. De externe veiligheidsrisico's dienen te worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transport en de bijbehorende regeling Basisnet. Er is voor deze route geen plaatsgebonden risico plafond (PR10-6 contour) aanwezig, alsook geen PAG (plasbrandaandachtsgebied). Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van het autosnelweg (binnen de 200 meter) is er een groepsrisicoberekening uitgevoerd met behulp van RBM II. RBM II is het voorgeschreven rekenpakket voor het berekenen van de omgevingsveiligheidsrisico's van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. In de nieuwe situatie blijft het groepsrisico gelijk.
De inrichting van het plangebied heeft dan ook geen invloed op het groepsrisico in het gebied. De berekende fN-curve is hieronder weergegeven.
39
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
-Jilfli *Bcfr1ïtlfni
fN-curve plangebied
In een fN-curve is het jaarlijks risico (verticale as) afgezet tegen het aantal slachtoffers (horizontale as). Ook is de oriëntatiewaarde in de grafieken aangegeven (stippellijn). Na ontwikkeling van het plangebied blijft het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Inrichtingen gevaarlijke stoffen Met behulp van de risicokaart zijn de potentieel gevaarlijke inrichtingen in de omgeving rondom het projectgebied in kaart gebracht. Na analyse blijkt dat er in de buurt een LPG-tankstation aanwezig is. Dit bedrijf ligt op een dermate grote afstand (minimaal 730 meter) dat er geen invloed wordt uitgeoefend op het plaatsgebonden risico en groepsrisico. Verder zijn in de omgeving geen risico verhogende objecten (windturbines, vliegvelden, zware industrie) geïdentificeerd.
Conclusie Ondanks dat met de ontwikkeling van het plangebied Steegsche Velden - Noord het groepsrisico niet stijgt, ligt het plan ligt nog steeds in een invloedsgebied van een risicobron (weg). Daarmee moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook gekeken worden in hoeverre mensen het gebied kunnen verlaten als er een incident met gevaarlijke stoffen op het spoor of water of bedrijf plaatsvindt. Men moet het gebied wel efficiënt kunnen verlaten. In het schetsplan zijn de volgende aspecten meegenomen: » » »
De mogelijkheden in het plangebied om door een goede ruimtelijke ordening de nadelige gevolgen van incidenten met bepaalde gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk te voorkomen. De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. De zelfredzaamheid van personen.
De risico's ten opzichte van het plangebied en de transportroute basisnet weg/spoor en inrichting gevaarlijke stoffen leggen geen beperking op de invulling van het plangebied. Het groepsrisico wordt niet beïnvloed en de geprojecteerde objecten binnen het gebied voldoen aan de richtlijn voor het groepsrisico.
40
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
3.7
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorischewaarde Het plangebied lag in de eerste helft van de negentiende eeuw in een groot, ongeveer oost-west georiënteerd akkergebied rondom o.a. Spoordonk, Oirschot, Aarle en Best. Ook het plangebied zelf was in deze periode grotendeels in gebruik als bouwland, dat bekend stond als Aartens Laag Eind, De Groote Straat en De Naasten Bestsche Steegjens. Langs de noordgrens van het plangebied bevond zich de De Nieuwen Dijk (de huidige Nieuwe Dijk). De zone langs De Nieuwen Dijk was grotendeels in gebruik als grasland. Het gebied ten noorden van De Nieuwen Dijk was nog grotendeels onontgonnen. Direct ten oosten van het plangebied bevindt zich de doorgaande Straatweg van 's-Hertogenbosch naar Leijlo (de huidige A2/E25). In de jaren zestig van de negentiende eeuw is ten westen van het plangebied de spoorlijn Boxtel-Best aangelegd. Bij de kruising van de spoorweg met de Nieuwe Dijk ontstond een klein cluster bebouwing. Ook bij de kruising van de Nieuwe Dijk en de Straatweg van 's-Hertogenbosch naar Leijlo was in de loop van de negentiende eeuw een gebouw verrezen. In de loop van de twintigste eeuw heeft de bebouwing zich uitgebreid. Zo onstond in de jaren '30 Café Buitenlust aan de Bosseweg.
r
•įi s Į?Įŕ; Çfaj. r' v j
./ľ V vŗ'r'
'jįfíůfcaÁj/
‘
,./ yíàįtft , V;'..v .....vvt
f
ŵ’.iľ
ŕiüti
Café Buitenlust inclusief speeltuin, Bosseweg 49 (Bron: www.beeldbankbest.nl)
41
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
In de jaren vijftig is in het oostelijke deel van het plangebied de Krimpweg aangelegd, waarlangs bij de kruising met de Nieuwe Dijk en de spoorbaan bebouwing is verrezen. In het laatste kwart van de twintigste eeuw is de Hokkelstraat aangelegd. De boerderijen in het gebied zijn (met name) in deze periode uitgebreid met grote loodsen/ stallen. Aan het einde van de twintigste eeuw is langs de oostgrens van het plangebied een afrit van de A2/E25 aangelegd. De nieuwbouwwijken van Best zijn tot de Ringweg aan de zuidzijde van het plangebied opgerukt. Hoewel de bebouwing langs de bestaande wegen in de loop van de twintigste eeuw wel sterk verdicht is en er ook langs enkele nieuwe wegen bebouwing is verrezen, is de oude structuur van het gebied grotendeels bewaard gebleven. Voor zover bekend hebben in het plangebied geen grote bodemverstorende activiteiten plaatsgevonden, zoals ontgrondingen. Wel heeft er in de jaren '70 een ruilverkaveling plaatsgevonden die de structuur van het gebied heeft gewijzigd. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied niet gekarteerd als een gebied met een bijzondere cultuurhistorische waarde. De Krimpweg, de Nieuwe Dijk en de spoorlijn Best-Boxtel zijn gekarteerd als historisch-geografische lijn van redelijk hoge waarde.
Archeologische waarde Het plangebied is getoetst aan het gemeentelijk archeologiebeleid en de reeds in het plangebied uitgevoerde archeologische onderzoeken. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Best is het plangebied aangeduid met vier verschillende verwachtingszones. Voor een groot deel van het plangebied geldt op basis van archeologisch booronderzoek geen verwachting meer. Voor het noordelijk deel en het centrale middendeel geldt grotendeels een lage archeologische verwachting (categorie 6), terwijl voor één perceel een hoge archeologische verwachting (categorie 4) geldt. Op basis van het archeologisch beleid van de gemeente Best zou voor het hele plangebied dan uit moeten worden gegaan van een hoge archeologische verwachting en de daarbij horende ondergrens voor archeologisch onderzoek: archeologisch onderzoek is hier vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 0,5 m onder maaiveld.
Archeologische verwachtingen
Categorie 3: Gebied met hoge verwachting (Historische linten)
Categorie 4: Gebied met hoge verwachting
Categorie 5: Gebied met middelhoge verwachting
Categroie 6: Gebied met lage verwachting
Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting
Uitsnede van de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Best met in het rood het plangebied
42
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
In het kader van de ontwikkeling van Steegsche Velden fase A (1) heeft echter al grootschalig archeologisch onderzoek plaatsgevonden zowel binnen (d.m.v. boringen) als buiten het plangebied (proefsleuven). Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden uit de steentijd tot Nieuwe tijd. In het plangebied worden hoge zwarte enkeerdgronden verwacht. In mei 2009 heeft voor het gebied Steegsche Velden-Oost een verkennend booronderzoek plaatsgevonden. Ook binnen het deelgebied Broekbeemd zijn boringen verricht. Ter plaatse van het plangebied bestaat de ondergrond deels uit verstoorde enkeerdgronden, waardoor aan het plangebied een lage archeologische verwachting is toegekend. Naar aanleiding van deze resultaten van het bureau- en booronderzoek, is vervolgonderzoek uitgevoerd in grote delen van het plangebied Aarle-Hokkelstraat, waaronder ook direct ten zuiden van het huidige plangebied. Dit vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven heeft in twee fasen plaats gevonden.
Legenda Waarnemingen
Onderzoeksmeldingen O
Booronderzoek
CD Proefsleuven To po
33940 37476
44713
0,1 Kilometers onderg
Esn Nederland. Ccmmlunity Mep Contributors
Overzicht van de uitgevoerde archeologische onderzoeken in het plangebied
Tijdens het eerste proefsleuvenonderzoek werden in totaal 111 sporen verspreid over het hele onderzoeksgebied aangetroffen, bestaande uit paalkuilen, kuilen, greppels en spitspoorbanen. De sporen dateren uit de IJzertijd en de Nieuwe tijd. Het vondstmateriaal bestond uit 16 fragmenten aardewerk daterend uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Nieuwe tijd. Daarnaast werden 4 stuks bouwmateriaal en een stuk natuursteen aangetroffen. Het merendeel van de sporen behoort tot perceleringen uit de nieuwe tijd. De aangetroffen sporen behoren waarschijnlijk tot één of twee huiserven uit de (late) IJzertijd. In 2010 vond ook nog direct ten zuidoosten van het gebied proefsleuvenonderzoek plaats. Bij dit onderzoek werden geen duidelijke bewoningssporen meer aangetroffen. Wel is duidelijk dat het gebied deel uitmaakt van een 'ingericht' landschap uit de late prehistorie - Romeinse tijd en de Nieuwe Tijd. De paalsporen geven aan dat bewoning in de directe omgeving zeker wel te verwachten is maar dat dit terrein eerder een andere functie heeft gehad. De sporen die uit de Nieuwe Tijd dateren,
43
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
betreffen voornamelijk perceelsgreppels. Zij komen overeen met de perceelsgrenzen van de kadastrale kaart van 1832. Deze sporen geven aan dat het gebied in de Nieuwe Tijd gediend heeft als weideland en/of akkerland.
Best-Aarle Hokkelstraat Sporenoverzicht deelgebied 4 op kadaster '1832'. Aard Spoor kuil
I
I greppel
| paaikuil
|
| sprtsporentbaan) |
middenstijl
I
I natuurlijke verstoring | natuurlijke ondergrond
recente verstoring
Overzicht van de aangetroffen bewoningssporen bij het eerste sleuvenonderzoek door BAAC in 2009 (nr. 37538 in voorgaande afbeelding)
De kans op het aantreffen van nederzettingen vanaf de late prehistorie is vooral groot op de iets hoger gelegen dekzandruggen, zo blijkt uit het gravende onderzoek. De net ten zuiden van het plangebied Steegsche Velden fase 2 aangelegde proefsleuven hebben vooral sporen van landgebruik opgeleverd en enkele bewoningssporen van huizen uit de IJzertijd die echter liggen op de hogere delen ten zuiden van het plangebied. Het plangebied Steegsche Velden fase 2 is echter lager gelegen waarbij is vastgesteld dat de bodem op basis van de verkennende boringen verstoord is. De kans op behoudenswaardige archeologie wordt in het voorliggende plangebied dan ook als laag ingeschat en daarom is het niet noodzakelijk om een archeologische dubbelbestemming op te nemen en kan afgezien worden van nader archeologisch onderzoek.
Conclusie In het kader van het bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord wordt verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Een groot deel van het gebied is op basis van reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken vrijgegeven. Verder is de trefkans op waardevolle archeologische vindplaatsen in die delen van het plangebied met een hoge tot lage archeologische verwachting klein, op basis van het direct ten zuiden uitgevoerde archeologische proefsleuvenonderzoek en de lage ligging in het landschap. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is hier dan ook niet nodig. Zie ook Bijlage 11.
44
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
3.8
Ecologie
3.8.1
Quickscan ecologie
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met natuurwetgeving. Derhalve is het belang om na te gaan of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een negatief effect heeft op beschermde natuurwaarden (zie Bijlage 12). De natuurwetgeving kan verdeeld worden in soorten- en gebiedsbescherming. De soortenbescherming wordt geregeld via de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Daarnaast valt onder deze wet ook de gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden en de houtopstanden. Gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland verloopt via het planologische spoor.
Plangebied Het plangebied ligt ten noorden van de kern Best. Aan de oostkant van het gebied loopt de A2. Binnen het plangebied ligt een stuk braakliggend terrein naast de boerderij langs de Nieuwe Dijk. Op deze plek ligt momenteel een zandhoop. Ten noorden van deze zandhoop ligt een klein afgezet grasland waar Shetlander pony's grazen. Hiernaast, aan de oostkant, ligt binnen het plangebied een aangelegd stuk populierenbos met een ondergroei van bramen en brandnetel. Aan de zuidkant van de Nieuwe Dijk liggen landbouwgronden met daartussen sterk verlande en drooggevallen slootjes. Langs de Liempdseweg ligt een stukje ruigte met struiken en kruidenrijk grasland. Zowel langs de Nieuwe Dijk als langs de Liempdseweg staat een bomenrij.
Gebiedsbescherming De ontwikkeling Steegsche Velden - Noord ligt niet binnen een beschermd gebied, Natura 2000 of Natuurnetwerk Brabant (NNB). Hoewel directe effecten als gevolg van aantasting daarmee direct zijn uitgesloten, zijn zogenaamde indirecte of 'externe effecten' mogelijk wel aan de orde. Natura 2000 gebieden Er liggen geen Natura 2000 gebieden binnen een straal van 3 km rond het plangebied, externe effecten op Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten. NNB-gebieden Binnen een straal van 250 m ligt een NNB-gebied van natuurtype vochtig bos met productie. Door of langs het gebied liggen echter geen infrastructuren waar gebruik van kan worden gemaakt tijdens de werkzaamheden. Door het plaatsen van een waterberging zal het gebied enigszins vernatten. De voorgenomen waterberging is van dusdanig kleine schaal dat er alleen lokaal invloed zal zijn op de hydrologie en geen invloed op het huidige natuurtype van het NNB-gebied. Effecten van de voorgenomen werkzaamheden op NNB-gebieden zijn derhalve uitgesloten.
Soortenbescherming Door de voorgenomen ingreep is mogelijk sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Op basis van de voorgenomen ingreep wordt ervan uitgegaan dat alle bestaande natuurwaarden en bebouwing binnen het plangebied verdwijnen gedurende de werkzaamheden. Uit de quickscan (zie bijlage Bijlage 12) is gebleken dat er binnen het plangebied geschikt leefgebied aanwezig is voor algemene broedvogels, vleermuizen en marterachtigen. «
Mogelijke effecten op de broedvogels bij werkzaamheden in het broedseizoen kunnen zijn dat mogelijk nesten van broedvogels verloren gaan. Dit leidt tot verstoring en vernieling van nesten en tot het vernielen van broedsels of legsels van vogels. Daarbij kunnen bij werkzaamheden in het
45
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
»
»
broedseizoen broedende vogels mogelijk verstoren. Als gevolg van de werkzaamheden ondervinden de vleermuizen mogelijk hinder doordat de vliegroutes worden verstoord. Echter volgens de voorgenomen ingreep worden op dezelfde locatie nieuwe vliegroutes aangelegd. Vliegroutes verdwijnen daardoor alleen tijdelijk. In de omgeving blijven er voldoende foerageergebieden waardoor de effect hierop zijn uitgesloten. Tenslotte kunnen de grondgebonden verblijfplaatsen van marterachtigen aangetast worden door de werkzaamheden.
Conclusie Ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden worden er mogelijk verbodsbepalingen overtreden voor jaarrond beschermde vogels, algemene broedvogels en vleermuizen. Om dit te voorkomen is het voor algemene broedvogels voldoende om de mitigerende maatregelen te hanteren door de werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden. De mitigerende maatregelen met betrekking tot het verstoren (tijdelijke aard) van de aanvliegroute van de vleermuizen is in de volgende fase aanvullend onderzoek nodig. Dit wordt gedaan om voor een eventuele ontheffing de aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen of uit te sluiten met soortgericht onderzoek. Voor de marterachtigen verdwijnt er tijdens de werkzaamheden mogelijk geschikt leefgebied. Echter volgens de voorgenomen ingreep is er mogelijkheid om nieuw leefgebied voor marters terug te brengen aan de noordkant van de Nieuwe Dijk, langs de waterberging. Tenslotte geldt naast deze soort specifieke maatregelen moet er ten alle tijden rekening worden gehouden met de zorgplicht.
3.8.2
Aeriusberekening
Bij elk bouwproject moet tegenwoordig een Aerius-berekening worden gevoegd. Op die wijze is namelijk inzichtelijk of het bouwproject geen nadelige (stikstof)gevolgen veroorzaakt op Natura 2000-gebieden. In Bijlage 13 is een memo inclusief de rekenresultaten van de AERIUS-Calculator opgenomen over de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling Steegsche Velden-Noord.
3.9
Watertoets
In deze waterparagraaf wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten van het betreffende plangebied. Voorafgaand is hiervoor en waterhuishoudkundig plan opgesteld (zie Bijlage 14). In Steegsche Velden - Noord zal het hemelwater worden afgevoerd middels een HWA-stelsel en het afvalwater middels een DWA-stelsel.
Geohydrologischesituatie Hoogte plangebied Het plan ligt tussen NAP+ 11,45m en NAP+ 13,70m, waarbij de hoogtes sterk variëren binnen het plan. De huidige hoogten in het plangebied zijn weergegeven in de afbeelding hieronder, op basis van de waarden uit de AHN2. Fase I, ontwikkeld na het invoegen van de AHN2, ligt qua wegpeil ten zuiden van het plan op NAP+ 13,87m en ten westen op NAP+ 13,65m.
46
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
-
. 1 s-
:
\
Hoogten in het plangebied in [m +NAP]
Bodemopbouw De bodemopbouw is gebaseerd op de gegevens van Dinoloket en weergegeven in de tabel hieronder. Op basis van de bodemopbouw wordt infiltratie in het plangebied mogelijk geacht.
Geohydrologische eenheid
Formatie naam
Omschrijving
Dikte
Deklaag
Formalie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot matig gref; zwak tot sterk siltig
Ca. 1m
Eerste scheidende laag
Formatie van Boxtel
Leem, zwak tot sterk zandig.
Ca. 1m
Eerste watervoerende pakket
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot matig grof, zwak tot sterk siltig
Ca. 21m
Leem, zwak tot sterk zandig.
Ca. 5m
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot matig grof zwak tot sterk siltig
Ca. 3m
Formatie van Sterksel
Zand, matig grof lot uiterst Ca. 67m grof zwak tot sterk grindig
Tweede scheidende laag Formatie van Boxtel
Tweede watervoerende pakket
Tabel :Bodemopbouw in het plangebied
Grondwater Om de geohydrologische situatie van het plangebied inzichtelijk te krijgen, is gebruik gemaakt van de peilbuisgegevens van 10 peilbuizen van het gemeentelijk grondwatermeetnet, ingemeten sinds 2008 (de pb-serie peilbuizen) en zes peilbuizen van Dinoloket (de B-serie peilbuizen), waarvan één in het plangebied is gelegen (B51B1752^). Op basis hiervan is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) bepaald. Deze is van belang voor de retentieopgave, omdat alleen bergende oppervlakken boven de GHG als retentie worden gezien. Tevens is de GHG benodigd om de bouwpeilen te kunnen
47
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
vaststellen. De GHG is weergegeven in de afbeelding hieronder. Hierin is te zien dat de regionale freatische grondwaterstroming hoofdzakelijk noordelijk gericht is. De GHG ligt in het plangebied in het zuiden op NAP + 12,50m en in het noorden op NAP+ 12,30m. Deze waarden zijn de gemiddelde waarden voor de gele en oranje zones en bepaald in ArcGIS.
B51B1679 1
IR0359J 1B035& 1
.101753 1
J3Ō1B1753-1 •BS1B1755 ļ
GHG in het plangebied in [m +NAP]
Waterhuishoudkundige situatie Het waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer van het gebied wordt gevoerd door Waterschap de Dommel. Het plangebied ligt ten westen van watergang DO 116 en ten noorden van watergang DO 117, zie de afbeelding hieronder.
48
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
I
Watergangen rondom het plangebied
Beleidskaderwater Voor het afkoppelen van hemelwater is op verschillende niveaus beleid van toepassing. Dit beleid heeft betrekking op het lozen en de waterkwaliteit van het afgekoppelde water. Europees beleid Op 22 december 2000 is de Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW is een Europese richtlijn, die bedoeld is om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater op goed niveau te krijgen en te houden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het nationale beleidskader en de strategische doelen en maatregelen voor het waterbeheer in Nederland. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het Rijk is opsteller van het Nationaal Waterplan 2009-2015. In het Bestuursakkoord Water (BAW, 2011) zijn het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven maatregelen voor een doelmatig waterbeheer overeengekomen. Samenwerking tussen overheden is geen vrijblijvende opgave. Brabant brede keur Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen is in de Keurregels van de Brabant Keur in artikel 3.6 (Verbod afvoer door verhard oppervlak) het verbod opgenomen zonder watervergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen.
In de Algemene regels van de Brabant Keur wordt onder hoofdstuk 15 (Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak) vrijstelling van deze vergunningplicht verleend voor zover: » » » «
Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of; De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.
49
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord
ŴARCADIS
(ontwerp)
De Rekenregel voor compensatie bedraagt: Benodigde compensatie (in m3) s toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). De voorziening voldoet aan de volgende eisen: a. b.
c.
De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.
Waterschap de Dommel Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. Deze zijn van belang als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer invulling te geven aan: 1. Geen versnelde afvoer van regenwater. 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater. 3. Hydrologisch neutraal ontwikkelen. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan moet hier aandacht aan besteed worden.
Bergingsopgave Conform waterschapsbeleid dient er uitgegaan te worden van een bergingseis van 60 mm voor de toename aan verhard oppervlak gelegen boven de GHG, tenzij het gebied minder gevoelig is voor afstroming. Uit de webviewer (zie afbeelding hieronder) van de Brabant Keur blijkt dat het gebied in een verminderd gevoelig gebied ligt, met gevoeligheidsfactor 0.5 (gele kleur). Op basis hiervan mag de bergingsopgave verlaagd worden naar 30mm. In overleg met de Gemeente Best en Waterschap de Dommel is echter afgestemd dat er vanuit robuustheid minimaal 30 en maximaal 60mm wordt gehanteerd. De afvoer van de hiervoor te ontwerpen voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn over het bruto afvoerend oppervlak.
Gevoeligheid voor afstroming van Steegsche Velden
Het totaal verhard oppervlak neemt toe met 18.646 m2. Om voor de afstroom hiervan te compenseren dient er minimaal 30mm per hectare geborgen te worden binnen het gebied. Dit komt neer op een
50
ŴARCADIS
bestemmingsplan Steegsche Velden - Noord (ontwerp)
bergingsopgave van 1.119 m3. In het hemelwaterstelsel, dat wordt leeggepompt, wordt 147 m3 geborgen. Hierdoor blijft er 972 m3 over. Dit resterende aandeel van de bergingsopgave wordt binnen het plangebied geborgen in een wadi, zie de afbeelding hieronder. Het totale bergingsoppervlak van deze voorziening bedraagt 3.964 m2. Exclusief taluds is een waterschijf van 0,25 meter voldoende om 60mm te bergen. Daarmee voldoet de voorziening met de huidige toename van 18.646 m2 ruim aan de opgave qua bergingscapaciteit.