CConstaterende datBest
Koppel je AI →
Document · PDF

21004.2 - Reacties en antwoorden Concept-RES MRE - overheden (1)

Raadsavond 8 februari 2021, gemeente BestBij agendapunt: 21004 - Themasessie Regionale Energie Strategie (RES)38.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

3.2 In het kader van de RES willen we inderdaad gebruik maken van de kennis en technologie die in de regio aanwezig is. Er is o.a. contact gelegd met Brainport Development er de TU/e (Differ en EIRES) over nieuwe technologie en de concrete kansen die er nu al zijn. Dit verbinden we met de opgaven die voortkomen uit de thema's binnen de RES. Het thema 'Onderwijs en arbeidsmarkt in relate tot de energiestrategie wordt meegenomen in het vervolg en er is inmiddels een startnottie over dit thema opgesteld en besproken met de stuurgroep.

Hoofdstuk 4 - Duurzame opwek 4.1 Wij onderschrijven als college van de gemeente Someren het regionale bod van 2,0 TWh voor de tot 2030 in de gehele regio te realiseren zon en wind-parken. Dit bod is de som van 0,7 TWh van projecten in de pijplijn (vooral zon op grote daken m SDE+ subsidie) 0,2 TWh grootschalig op daken van industrie en (agrarische) bedrijven, 0,5 TWh aan wind en zon in de Kempen en 0,6 TWh aan wind en zon in de rest van de MRE-regio.

Het vraagstuk van de beperkingen in de netcapaciteit staat inderdaad hoog op de agenda. Er worden bestuurlijke gespekken gevoerd om deze kweste ook landelijk goed onder de aandacht te brengen, omdat dit ook aanpassingen in de wetgeving vergt. Enexis is overigens goed aangehaakt in ons proces, zowel op ambtelijk als op bestuurlijk niveau.

4.2 De landschappen en intensiteit waarin grootschalige zonneparken in de gemeente Someren in de Concept RES MRE zijn opgeno vastgesteld.

n zijn geheel in lijn met het beleid 'Beleid zonneparken in het buitengebied 2017' dat u in december 2017 heeft

4.3 De zoekgebieden voor wind zijn de bij u bekende locaties Diepenhoek en bij de A67, ten westen van Lierop. 4.4 In de tweede evaluatie van het lokale beleid voor zonneparken, dat in juli 2020 ter vaststelling aan u wordt aangeboden, sluit goed aan op de Concept RES MRE. Omdat de uiteindelijke opgaven van de gemeente Someren om in 2050 energieneutraal te zijn vele malen groter is bieden we binnen het lokale beleid meer mogelijkheden (zoals VAB-locates). 4.5 In de planMER worden de milieueffecten van de verschillende zoekgebieden nader gewogen om tot een verdere verfijning van de zoekgebieden in de brede zin te komen. Dit heeft vooral impact op de mogelijkheden in (nieuwe) natuur en in beekdalen. 4.6 Uit de doorrekening van de zoekgebieden voor zonne- en windparken door netbeheerder ENXIS is gebleken dat in de MRE-regio het netwerkstaton in Hapert (in De Kempen) direct moet worden uitgebreid. Verder moeten 3 netwerkstations al vóór of in 2020 zijn uitgebreid en 8 netstations na 2025 worden uitgebreid en vóór 2030 2 nieuwe netstations (1 in De Kempen en 1 in De Peel) gebouwd worden om ons regionale bod van 2 TWh vóór 2030 aan te kunnen sluiten. Daarbovenop is ook uitbreiding van het hoogspanningsnet van Tennet nodig. Wij geven dan ook als harde voorwaarde naar het Rijk mee dat nu al volop moet worden ingezet op het uitbreiden van het elektriciteitsnet door Enexis en Tennet.

4.7 De netstatons Maarheeze en Helmond-Zuid, waar wij in Someren op aange-wezen zijn, behoren tot de netstations die vóór of uiterlijk in 2025 uitgebreid moeten zijn. Het is in ons voordeel dat u in juni 2020 de tweede evaluatie van het beleid voor zonneparken vaststelt. Daarmee lopen voorop de omliggende gemeenten, waardoor de noodzaak van uitbreiding in de vorm van concrete projecten vroeg op tafel komt. Die concrete vraag is noodzakelijk voordat ENEXIS en Tennet investeringsbeslissingen mogen nemen.

Reacties concept-RES Metropoolregio Eindhoven - overheden Datum

Afzender

reactie-zienswijze-kanttekening

Antwoord

AANVULLENDE REACTIE VAN HET COLLEGE VAN B&W N.A.V. DE BERICHTEN OVER DE TRANSPORTSCHAARSTE IN HET NETWERK VAN ENEXIS EN TENNET 4.11 De impact op het lokale 10 kV-net tussen netstation Helmond-Zuid en hart kern Someren (door ENEXIS op 6 juli 2020 in een ambtelijk overleg gepresenteerd, naar aanleiding van 1 opdracht voor het aansluiten van een zonnepark t/m 6 kVA in de Lungendonk) geven aanleiding om binnen de verdere uitwerking van grootschalige opwek richting RES MRE 1.0 (en zo nodig verder) veel meer nadruk te leggen op de netimpact van de verfijning van zoekgebieden naar ontwikkelgebieden (met behulp van de planMER). Spreiding van zonneparken, zoals onze gemeenteraad dit nu voorstaat, heeft zonder aanvullende maatregelen in het elektriciteitsnet, zoals bijv. 10 kV-hubs zo'n impact op zowel de kosten van het netwerk als de cmele als landschap-pelijke inrichting van de gemeente dat dit niet wenselijk is.

Zie het antwoord hierboven.

4.12 Het bericht van ENEXIS (8-7-2020) over de transportschaarste in de netwerken van zowel ENEXIS en TENNET zetten enerzijds aan tot het explicieter bij de uitwerking naar RES MRE 1.0 te kijken naar grote gecombineerde wind- en zonneparken, zo dit mogelijk bij bestaande uit te breiden netstations en nieuwe netstations, als het nog meer bij het Rijk bepleiten van het op zeer korte termijn mogelijk maken van de absoluut noodzakelijke uitbreidingen van de netwerken van ENEXIS en TENNET, uitbreiding van en nieuwbouw van netstations. Die tijdige uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk en wetgeving die daarvoor nodig is een harde voorwaarde om het bod van 2,0 TWh vóór 2030 gestand te kunnen doen. 4.13 Gelet op de projecten van grootschalige opwek (vooral zon) die in de pijplijn zitten, heeft de transportschaarste direct een grote impact op de tweede tranche zo leparken van 50 MW in Someren (vastgesteld op 2 juli 2020). Dit baart ons zorgen in het kader van de veel grotere opgaven die we met zijn allen in de MRE-regio hebben richting 2030.

4.14 Gelet op het landelijke bericht van Liander over de extra maatschappelijke kosten, die rechtstreeks verband houden met de verhouding tussen van zon en wind (80/20) als gemene deler van de RES-sen overall, moeten wij in de MRE-regio, bij de uitwerking richting RES MRE 1.0, nadrukkelijk sturen in de richting van een 50/50 verhouding van zon en wind. Waarschijnlijk is die verhouding per netstation wenselijk, dan wel noodzakelijk, om de maatschappelijke kosten in de hand te houden. De impact van de financiële draagkracht voor onze inwoners zal daarmee een veel grotere impact hebben op de noodzaak van realisatie van windparken in de gehele MRE-regio en de lokale keuze tussen zon- en wind, dan gemeenteraden tot nu toe hebben kunnen bevroeden. 4.15 Laten we in de MRE-regio, gelet op het beteugelen van de maatschappelijke kosten van het aansluiten van zonneparken op het elektriciteitsnet voor zolang dat niet wettelijk is geregeld, afspreken dat we in het lokale beleid opnemen dat zonneparken een aansluit ng met een capaciteit (in MVA) krijgen van maximaal 75 ä van het opgestelde piekvermogen van de opgestelde zonnepanelen (MWp). Daarnaast dagen wij allen inschrijvers bij tenders uit door op een nog lagere aansluitwaarde in te schrijven, door bij voorbeeld het toepassen van 24 uurs netbalancering met zogenaamde ‘buurtbatterijen'.

4.16 Laten we als Brainportregio, in gebieden waar veel ontwikkellocaties voor windparken liggen en op subregionaal niveau veel windturbines mogelijk zijn (zoals in De Kempen) het elektriciteitsnet voor het ontsluiten van die duurzame producte zo inrichten, dat we subregionaal voldoende schaalgrote creëren, om nu nog innovatieve technieken, voor effect ef benutten van overproductie op piekmomenten, technisch en economisch kunnen benutten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de opslag van overproductie in waterstof. Hoofdstuk5: Duurzame warmte 5.1 In potentie hebben we regiobreed ruim genoeg voldoende duurzame bronnen om in 2050 in volledig aardgasvrije warmtevoorziening voor de gehele regio te voorzien. Als gevolg van de beperkende factoren zoals ruimte, kosten, draagvlak en locatie is de daadwerkelijke toepassing van verschillende potent ële bronnen nog een grote uitdaging om dit in praktische zin daadwerkelijk voor elkaar te krijgen richting 2050. 5.2 We zullen veel verschillende bronnen, zoals groen gas (subregionaal opgewerkt uit lokale vergist ng) geothermie, zonthermie en collectieve of individuele WKO moete warmtebronnen leiden afhankelijk van welke bronnen (kunnen) worden ingezet tot een grotere of kleinere toename van de elektriciteitsvraag richting 2030 en 2050.

n om duurzaam in onze warmtevraag te vo

Wij onderschrijven uw punten.

1. De inzet van duurzame

5.3 De lokale invulling vindt plaats in de Transitievisie Warmte, die voor 31 december 2021 bij het Rijk ingediend moet zijn. Hierin hebben we een eerste stap gezet om duidelijk te krijgen welke nieuwere wijken met lage temperatuur vooruit kunnen en welke vooral oudere wijken ook na isolatiemaatregelen toch een midden- tot hoge temperatuur nodig hebben. Binnenkort zullen die eerste inzichten met u delen, zodat u keuzes kunt maken welke mogelijke bronnen per wijk we nader gaan onderzoeken. Hoofdstuk 6: Van strategie naar uitvoering 6.1 In de Omgevingsvisie en Omgevingsplannen is een verplichte Energieparagraaf opgenomer

arin de hoofdlijnen van de RES worden vastgelegd en daarmee geborgd in lokaal omgevingsbeleid.

6.2 De tweede evaluate van ons lokale beleid voor zonneparken is bewust naar juni/juli 2020 doorgeschoven voor behandeling in de gemeenteraad. Op die wijze konden wij waarborgen dat lokaal beleid niet strijdig is met zoekgebieden in de Concept RES MRE. Het lokale beleid geeft veel meer landschapstypen en daarnaast ook mogelijkheden voor kleinschaligere zonneparken op VAB-locaties aan. Dat is goed, aangezien de lokale opgave om in 2050 energieneutraal te zijn vele malen groter is dan hetgeen we met de Concept RES MRE tot 2030 gaan invullen. 6.3 Met de tweede evaluatie van ons lokale beleid voor zonneparken zetten we nu weer een stap om het tijdig voor 2025 kunnen afgeven van vergunningen voor zonneparken. Het in de markt zetten van een nieuwe tranche na een volgende evaluatie is wel noodzakelijk om voldoende grote stappen te zetten richt ng 2030 en 2050. Met het opstellen van lokaal beleid en de twee evalua-tes hebben als eerste gemeente voldaan aan de opdracht van het vertalen van de Concept RES MRE naar lokaal beleid. Dit heeft een groot exposure op de andere gemeenten. 6.4 Wij vinden het erg belangrijk om de mogelijkheden om als gem'

:ieel te participeren in wind- en zonneparken nader te onderzoeken op weg naar de RES 1.0.

6.5 Wij vinden het zeer belangrijk om zowel u als onze inwoners maximaal te betrekken bij de stappen die bij de uitwerking naar de RES MRE 1.0 en verdere uitwerking in beleid en uivoering worden gezet Daar spannen wij ons maximaal voor in. Raadsmotie: R6.1 Zorg voor een gelijkwaardige last voor het platteland en het stedelijk gebied. Het platteland hoeft niet de dupe te worden van de opgave van het stedelijk MRE gebied door onevenredig veel windturbines en zonnevelden toe te laten, zonder dat dit gecompenseerd wordt. R6.2 Binnen de MRE te bespreken wat de compensatiemaatregelen zijn voor gemeentes die een gedeeltelijke opgave voor het stedelijk gebied invullen. R6.3 Laat Gemeentes zelf de eigen opgave in MW's invullen met lokaal beleid. De eigen opgave aangevuld met een deel van het stedelijk gebied in MW's kan ook met eigen beleidsmatige keuzes worden behaald.

Wij onderschrijven uw punten. Naar aanleiding van uw raadsmotie: We zetten als eerste in op no-regret maatregelen en we geven randvoorwaarden aan richting Rijk en provincie die nodig zijn om dat mogelijk te maken. Ook innovatieve oplossingen worden meegenomen. Er wordt breed in kaart gebracht welke opt es voor opwek en opslag haalbaar zijn binnen de energiestrategie voor onze regio. In de afweging wordt rekening gehouden met o.a. potentie en systeem efficiëntie en wordt afstemming gezocht met andere partijen. In het planMER worden omgevings- en milieuaspecten onderzocht en de mogelijke (financiële) koppelingen met brede thema's die in de concept-RES naar voren zijn gekomen. Iedere gemeente is verantwoordelijk voor een deel van de opgave. Voor elke gemeente gelden dezelfde regels en verwachtingen. Alle gemeenten dragen naar vermogen bij aan de RES en de realisatie daarvan.

We bewaken de ruimtelijke kwaliteit door expliciet te streven naar: - maximale inzet op besparing, zuinig en meervoudig ruimtegebruik; - het benutten van de gebiedspecifieke meekoppelkansen; - waar mogelijk energievraag en -aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar te houden; - het hanteren van de ‘zonneladder' bij het bepalen van de locaties voor zonne-energie.De ambitie is om in de Metropoolregio Eindhoven een RES te maken die gezamenlijk gedragen is, die gebiedsgericht is en die energieprojecten verbindt aan andere ruimtelijke, infrastructurele of sociale opgaven. In het proces naar de RES 1.0, in de 2e helft van 2020 en in de 1e helft van 2021, gaan we concreter - regionaal en lokaal - in gesprek met partners, inwoners en belanghebbenden over locaties, projecten en actviteiten.

Reacties concept-RES Metropoolregio Eindhoven - overheden Datum

Afzender

reactie-zienswijze-kanttekening

Antwoord

Gemeente Eindhoven

1. Samen de energie ambitie realiseren Het college onderschrijft het belang det de regio gezamenlijk werkt een de energietransiūe. Veel structuren en netwerken overstjgen tenslotte de gemeentegrenze nwerking biedt kansen voor draagvlak, betaalbaarheid en ruimtelijke kwaliteit Ook de afstemming met de subregio Stedelijk Gebied Eindhoven vindt het college belangrijk. In Eindhoven zijn steeds meer partijen betrokken bij de energietransiūe. We werken intensief samen met energiecoöperaūes, we doen pilots met buurten om aardgasvrij te worden en we trekken in het Duurzaamheidspact same op met strategische partners. Het college ziet hun betrokkenheid (zoals genoemd onder 1c) als een belangrijke voorwaarde voor draagvlak. Waar maatschappelijke partners en bedrijfsleven nu al zijn betrokken, zal er in het vervolgtraject naar de RES 1.0 ook meer ruimte komen voor inwonerparticipaūe. Met de Warmtevisie2020 zijn we al op weg naar een Transitievisie Warmte en met pilots in een viertal wijken verkennen we de betekenis om van het aardgas af te gaan. De fracties in de raad zijn positief over de regionale samenwerking in energieambities en hopen dat deze blijft in de uivoering. Wat bronnen van duurzame energie betreft is Eindhoven afhankelijk van de regio, erkend wordt dat n constructieve houding in de regio nodig is. De strategie wordt door een aantal fracties nog weinig concreet bevonden.

Er wordt aandacht gevraagd voor haalbaarheid en draagbaarheid en gevraagd om een financiële doorvertaling in de definitieve RES.

Richting RES 1.0 zal inderdaad gewerkt worden aan een verdere concretisering. We streven naar maatschappelijk draagvlak en bewustzijn, onder andere door: - de opbrengsten, in bijvoorbeeld duurzame energie en/of geld, zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan de inwoners, bedrijven en instellingen in onze regio, hetzij aan de ontwikkeling van de regio; - te zorgen dat de energietransiūe voor iedereen haalbaar en betaalbaar is; - lokaal eigenaarschap van energieprojecten, waarbij we streven naar maximale lokale participatie. De komende periode richting RES 1.0 wordt dit verder uitgewerkt.

2. Onze aanpak voor de (concept) RES Het college staat achter de aanpak, de uitgangspunten en het afwegingskader zoals die in de Concept RES zijn beschreven. Dit afwegingskader maakt een integrale benadering van de energietransiūe mogelijk en maakt de energietransiūe onderdeel van de bredere ruimtelijk-economische ontwikkeling van onze regio. De raad acht draagvlak belangrijk, met name onder jongeren zoals JongRES. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de vraag hoe minder kapitaalkrachtigen kunnen profiteren.

Ook jongeren betrekken we actiever bij de energiestrategie. Zo zijn we op regionaal niveau in gesprek met Jong RES over hun betrokkenheid bij de energietransiūe. We hebben als regio de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. In de praktijk werken we toe naar minimaal 5CW lokaal eigendom, waarbij we het Klimaatakkoord volgen. Bij lokaal eigendom hoort ook dat de inwoners en bedrijven in de MRE-regio het eigen vermogen van het lokale aandeel bij elkaar (kunnen) brengen en er de mogelijkheid is voor iedereen om mee te kunnen doen (kleine parūcipaties). Dit zijn zaken die wij in de komende periode gaan onderzoeken en bespreken. Ook kijken we hoe gemeenten kunnen participeren in het lokale eigendom en hoe zij haar inwoners daarmee kunnen helpen in de energie- en/of warmtetransitie.

3. Besparing Energie die we besparen, hoeft ook niet opgewekt te worden. Het college onderschrijft dan ook het belang van energiebesparing. Daaronder valt ook kleinschalige energieopwekking als onderdeel van de energietransiūe. Het in 2020 vast te stellen Klimaatplan 2021-2025 beoogt het college te koppelen aan een maatschappelijke Klimaatbeweging en Klimaatdeals met belangrijke spelers. De voorgenomen maatregelen worden afgemeten aan hun Impact Inclusiviteit en Innovatiewaarde. Uitgangspunt is dat de energietransiūe betaalbaar is voor iedereen. Tegelijkertijd levert de transit e economische kansen voor de bedrijven in de regio. Met het programma Slim Verduurzamen Vastgoed geeft de gemeente als overheid het goede voorbeeld en ontstaat een vliegwiel dat ook anderen aanzet tot duurzame samenwerking. De raad ziet veel potentie voor besparing, maar ziet de uitwerking in de RES tegemoet Gewezen wordt op de kans om aan te sluiten bij het lokale bedrijfsleven en de kennisinstituties van Brainporū

n het kader van de RES willen we inderdaad gebruik maken van de kennis en technologie die in de regio aanwezig is. Er is o.a. contact gelegd met Brainport Development en de TU/e (Differ en EIRES) over nieuwe technologie en de concrete kansen die er nu al zyn. Dit verbinden we met de opgaven die voortkomen uit de thema's binnen de RES. Het thema 'Onderwijs en arbeidsmarkt in relate tot de energiestrategie wordt meegenomen in het vervolg en er is inmiddels een startnoūtie over dit thema opgesteld en besproken met de stuurgroep.

4. Duurzame opwek Het college onderschrijft het belang van maximaal behoud van ruimtelijke kwaliteit en de no-regret maatregelen die aansluiten bij de zonneladder: by voorkeur op (grootschalige) daken, dan in pauzelandschappen en pas als laatste in groene gebieden. De regio heeft in drie stappen veiligheidsmarges ingebouwd in het bod van 2TWh: 1. Intensiteit categorieën: Als eerste wordt er rekening gehouden met de intensiteit van de zoekgebieden die verschilt per categorie. Zo wordt maar een klein percentage van de totale oppervlakte van een categorie meegerekend als opwekmogelijkheden; 2. Haalbaarheid voor 2030: Vervolgens wordt er rekening gehouden met de haalbaarheid van de zoekgebieden voor 2030. Daardoor wordt een klein deel van potente van stap 1 meegenomen als potentie voor het bod; 3. Bod regio: Het bod van onze regio van 2TWh is significant lager dan de potentie die uit stap 2 komt Daarmee is er op verschillende manieren rekening gehouden met de opwekpotentie in de regio en heeft het college vertrouwen in het bod van 2TWh. Kanttekening: lokale visie is meer gedetailleerd De beleidsvisie Zonneparken en windmolens die tegelijk met de Concept RES besproken is met de raad en positief door de raad is onwangen, maakt duidelijk dat de zoekgebieden zoals weergegeven in de RES nog aan belangrijke criteria getoetst moeten worden.

Zo omvat het zoekgebied aan de zuidkant bij de A2/A67 de bebouwing van de High Tech Campus (veiligheid), het cultuurlandschap van het Dommeldal (erfgoedwaarde) en het recreatieve landschap van de Genneper Parken (gebruikswaarde). Wel ziet het college kansen in de directe omgeving van de snelweg. Wat betreft de zonneparken is er steun voor het (tijdens dezelfde vergadering behandelde) raadsvoorstel van het college om prioriteit te geven aan zonnepanelen op daken en - indien nodig - aanvullend langs infrastructuur. De raad ziet graag dat de potentie voor opwekking van wind- en zonne-energie rond bijvoorbeeld de A67 opgepakt wordt met de aangrenzende gemeenten, Provincie en Rijkswaterstaat.

Vervolgonderzoek en goed overleg met betrokkenen moet uitwijzen welke locaties het meest geschikt zijn Hiervoor doorlopen we een planMER-traject

5. Duurzame warmte De aandachtspunten die vanuit de raad worden meegegeven nemen we mee in de verdere uitwerking van de Regionale Structuur Warmte. Het college vindt het belangrijk dat ook voor de warmteopgave gemeentegrens overstijgende kansen worden onderzocht en overwogen. Er zijn in Eindhoven nu nog weinig alternaūeven voor aardgas: beperkte mogelijkheden voor biomassaverbranding, geen hoge-temperatuurwarmte uit de industrie of afvalverbranding en (nog) geen geothermie. Tegelijk maakt de Warmtevisie2020 al duidelijk dat er in een straal rondom het centrum kansrijke gebieden zijn voor warmtenetten. Om verzwaring van het elektriciteitsnet voorkomen, met de bijkomende maatschappelijke investeringen en druk op de openbare ruimte, is het belangrijk alle potentiële warmtebronnen mee te nemen. De verdere ontwikkeling van de RSW zal input leveren voor het proces van Warmtevisie tot Transiti evisi e Warmte. Daarover zal regelmatig tussentijds afgestemd worden. Kanttekening: samenhang RSW - TWV De Regionale Structuur Warmte (RSW, bijlage 9) biedt een goede eerste inventarisatie van de huidige situate en theoretische potentie in de regio. Het proces richt ng RES 1.0 zal meer inzicht bieden in de werkelijke kansen op regionale schaal. De parallelle ontwikkeling van de RSW en de Eindhovense Transi ti evisi e Warmte biedt kans voor kennisuitwisseling en versterking van draagvlak.

T och blijft de T ransiti evisie Warmte leidend voor onze gemeente, omdat hierin lokale kennis en koppelkansen meegenomer worden en we ons eigen proces met onze stakeholders en inwoners hebben. Kanttekening: biomassa In de (concept-)RSW is aangegeven dat er bij de 21 gemeenten niet eenduidig wordt gedacht over de toepassing van biomassa. In de Warmtevisie 2020 staat biomassa omschreven als een transitiebrandstof, nodig om op korte termijn te voldoen aan de warmtevraag. Uitgangspunt is geen nieuwe biomassacentrales, tenzij er vanuit de energievoorziening een aantoonbaar zwaarwegend belang is. Voor een warmtetransitie met Impact is het cruciaal dat biomassa op een verstandige en duurzame manier wordt toegepast. Er wordt aandacht gevraagd in de raad voor de landelijke studie HyWay 27, waarin onderzocht wordt of het nat onal e gasnet hergebruikt kan worden voor waterstof. Er is steun vanuit de raad voor onze ingezette lijn, waarin biomassa wordt gezien als transitiebrandstof en uitbreiding van of bouw van nieuwe biomassacentrales als onwenselijk wordt gezien. 6. Van strategie naar uitvoering Het college onderschrijft het belang van zowel regionaal als lokaal draagvlak voor de energietransiūe. In lijn met de principes van de Warmtevisie2020 (Impact, Iedereen doet mee, en Innovatie) hecht het college belang aan parūcipatie en lokaal eigenaarschap.

T ot slot onderschrijft het college het belang van afstemming met het Rijk, de Provincie en de andere regio's. De raad plaatst twijfels bij de ruimte om haar rol te vervullen in het proces bij het vaststellen van de RES 1.0. Er wordt een plan van aanpak verwacht vanuit de procesleiding hoe het democrat sche besluiWormingsproces naar de definiūeve RES wordt doorlopen waarin de posiūe van de raden alsmede de parūcipatie van de inwoners is geborgd.

Regionale activiteiten zijn in een ūjdlijn gezet Deze wordt afgestemd m ū gemeenten. Ook als het gaat om wanneer inwoners en raadslede ni in het regionale proces worden betrokken en wanneer er informatie vrijkomt voor het lokale gesprek m t de omgeving en het lokale besluiWormingsproces. Een gemeente kan daarbinnen haar eigen lokale afstemming en beslui^orming vormgeven. De komende periode worden raadsleden intensiever betrokken bij het RES-proces. In de vorm van informele vragenuurtjes via webinars en bijeenkomsten, zowel op regionaal niveau als aansluitend bij de lokale onūwikkelingen/discussies over lokaal beleid.

Reacties concept-RES Metropoolregio Eindhoven - overheden Datum

Afzender

reactie-zienswijze-kanttekening

Antwoord

De algemene conclusie is dat de uitwerking van de concept-RES nog niet concreet genoeg is. Enerzijds is helder verwoord voor welke opgaven we met elkaar staan. Anderzijds zijn de ideeën voor het oppakken van deze opgave nog weinig concreet uitgewerkt, zowel ten aanzien van de inhoud als hoe zo'n strategie uiteindelijk tot uivoering gaat komen. Het bod van 2 TWh is een redelijk ambitieus bod richting het Rijk met de opmerking dat het bod te wwenig concreet is, behalve dat 0,7 TWh in de pijplijn zit Daarnaast dient het echte doel niet uit het oog te worden verloren. Het getal van 2 TWh dient vooral te worden gebruikt om de omvang van de opgave te markeren en als stok achter de deur om te laten zien dat er echt beweging nodig is. Het echte doel is reductie van CO2 uitstoot zodanig dat de klimaatverandering en de gevolgen beperkt blijven. Het hanteren van getallen is goed, maar de regio moet vooral werk maken van anders denken, kansen creëren, gedrag aanpassen, investeren in nieuwe technologieën, etc. Binnen het bestaande op zoek gaan naar 2 TWh leidt niet tot de echte verandering die nodig is.

Het bod van 2 TWh is uitgangspunt voor de verdere concretisering richting RES 1.0. In het kader van de PlanMER gaan wij zorgvuldig naar de zoekgebieden voor grootschalige opwek kijken, die uit de eerste analyse naar voren zijn gekomen. Die gebieden zijn naar voren gekomen, rekening houdende met wetgeving die andere gebieden uitsluit. In het planMER worden omgevings- en milieuaspecten onderzocht en de mogelyke (financiële) koppelingen met brede thema's die in de concept-RES naar voren zijn gekomen. Dit vormt de basis voor verdere afwegingen en uitwerkingen. In het Samenwerkingsakkoord MRE is de volgende ambitie opgenomen: "De regio wil koploper zijn in de energietransitie, met als einddoel om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap zullen we uiterlijk in 2030 49% minder CO2 uitstoten dan in 1990." Met de RES geven we deels invulling aan deze ambitie. We zullen het verband tussen beide benoemen in de RES 1.0.

1. Samen de energie ambitie realiseren 2. Om tot keuzes te komen voor de opwek van duurzame elektriciteit, met aandacht voor de ruimtelijke opgaven en inpasbaarheid, staat zorgvuldigheid voorop. Daarom wordt 1.Het college beaamt dat de concept-RES een schets is van de eerste contohren van een regionale strategie voor besparing, grootschalige opwek van duurzame energie en warmte. De inhoud van de concept-RES zit nu op een hoog abstractieniveau en vanuit een PlanMER-procedure gevolgd. De PlanMER kent een formele procedure voor onderzoek en participatie. Hiermee ontstaat inderdaad spanning met de planning van het Rijk de concept-RES valt de opgave voor de gemeente Heeze-Leende niet af te leiden. De RES 1.0 beschrijft uitgebreider de doelstelling. Vanuit de RES 1.0 is op te maken wat de opgave gaat zijn voor de gemeente Heeze-Leende. voor de RES 1.0. De termijn voor de indiening van zienswijzen voor de pPlanMER eindigt volgens planning half april 2021 en ook het oordeel van de Commissie MER over de in onze regio doorlopen procedure volgt rond die tijd. Dat is ook het moment dat de RES 1.0 aan gemeenteraden moet worden aangeboden. We spannen ons maximaal in om de 2.Om de plannen m.b.t grootschalige opwek vóór 2030 te realieren dienen er voor 2025 de benodigde vergunningen voor wind- en zonprojecten te zijn verleend. De tijd dringt.

Het vaststellen van zoekgebieden dient bij voorkeur te gebeuren op basis van planning te halen. Gemeenteraden worden in december 2020 al geïnformeerd over de inhoud van de PlanMER, zodat de periode erna optimaal door gemeenten kan worden een advies vanuit een planMERtraject in RES 1.0. Het college twijfelt of het mogelijk is om een compleet planMERtraject te doorlopen tot aan vaststelling RES 1.0. Draagvlak van stakeholders is een belangrijk aspect in dit proces. Draagvlak maakt de kans benut om zich voor te bereiden op bespreking in de gemeenteraden in april 2021. Zodra we verder zijn in het proces en er meer van de inhoud van de PlanMER bekend is, groter dat de benodigde vergunningen tijdig zijn verleend. Een aantal zoekgebieden ligt binnen de gemeente Heeze-Leende. bepalen we wat we precies kunnen en willen aanleveren bij het Rijk. Voornamelijk binnen natuur. Natuur is belangrijk voor de gemeente Heeze-Leende. Het college stelt dat het voor de gemeente Heeze-Leende zeer moeilijk gaat worden om zoekgebieden vast te laten stellen waarvoor voldoende draagvlak is, maar spant zich hier wel voor in en stelt voor om ook andere opties (soorten opwekkingen en locaties, bijvoorbeeld langs bestaande infrastructuur) te bekijken en mee te nemen in RES 1.0. Ook voor de periode tot aan 2030. 3.

In het Samenwerkingsakkoord MRE is de volgende ambitie opgenomen: "De regio wil koploper zijn in de energietransitie, met als einddoel om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als tussenstap zullen we uiterlijk in 2030 4SW minder CO2 uitstoten dan in 1990." Met de RES geven we invulling aan deze ambitie. We zullen deze 3.In de titel van dit hoofdstuk staat 'Samen de energieambitte realiseren'. Eerder heeft de MRE- regio ook een ambitie op het vlak van energie uitgesproken, namelijk om de ei ìeutrale regio van Nederland te worden. Het opstellen en uivoeren koppeling in de RES 1.0 opnemen. van de RES helpt om deze ambitie te realiseren. In de concept-RES staat geen koppeling met deze opgave. 4. Met de MRE wordt hier bedoeld de 21 samenwerkende gemeenten (niet de ondersteuningsorganisatie). Maar de opgave is inderdaad niet alleen van de 21 germeenten, 4.In de tekst van de concept RES, maar ook tijdens overleggen wordt gezegd dat de RES of de opgave van de MRE is. Dit is niet correct De MRE is de partij die is aangezocht om de kar te trekken; de RES is van de 21 gemeenten, 2 waterschappen, de maar ook van provincie en de 2 waterschappen, dit moeten we blijven benadrukken. provincie Noord-Brabant en netbeheerder Enexis. Voor een passend gevoel van eigenaarschap is het wenselijk om dit helder voor ogen te hebben en te houden. 5.

De ambitie is om in de Metropoolregio Eindhoven een RES te maken die gezamenlijk gedragen is, die gebiedsgericht is en die energieprojecten verbindt aan andere 5.In het verlengde van voorgaand punt ligt de constatering dat de opgave sterk naar overheden wordt getrokken. De overheden hebben zondermeer een belangrijke rol binnen de opgave, maar dit is zo'n grote opgave dat het alleen kan slagen als inwoners ruimtelijke, infrastructurele of sociale opgaven. In de periode voorafgaand aan deze concept-RES zijn de diverse partijen op verschillende momenten geïnformeerd en en bedrijven zich net zo goed verantwoordelijk voelen, hun gedrag aanpassen en - waar zij kunnen - gaan investeren in energiebesparing, duurzaam opwekken en een andere warmtevoorziening. De RES spreekt over betrekken van stakeholders, maar de geconsulteerd/bevraagd over en meegenomen in de achtergrond, de opgave en het proces van de RES. In het proces naar de RES 1.0, in de 2e helft van 2020 en in de 1e helft concept RES geeft het beeld dat er nog te weinig op echte participatie is ingestoken. De oproep is om specifiek aandacht te geven aan welke ruimte overheden kunnen creëren voor veelbelovende initiatieven van (groepen) inwoners en bedrijven. van 2021, gaan we concreter - regionaal en lokaal - in gesprek met partners, inwoners en belanghebbenden over locaties, projecten en activiteiten.

Voor de verschillende 6.Een voorstel over het verdelingsvraagstuk over de verschillende subregio's/gemeenten. Door de keuze die is gemaakt om grootschalige opwek te gaan plannen waar het in de regio het beste kan/het meest logisch is (zie Q&A webinair 3 juni) kunnen er grote verschillen ontstaan tussen gemeenten in de regio. Voor het draagvlak bij gemeenten is dit een belangrijk onderwerp. 2. Onze aanpak voor de (concept)-RES 1.Het college onderschrijft de gekozen aanpak en de gestelde doelstelling 2.Het college is van mening dat het streven naar kwaliteitsverbetering (koppeling met andere opgaven) ze koppelkansen er mogelijk zijn op regionaal niveau.

nselijk is

verwacht dat in de RES 1.0 een verdere uitwerking komt te staan. De uitwerking moet inzicht geven welke (realistische)

6. Iedere gemeente is verantwoordelijk voor een deel van de opgave. Voor elke gemeente gelden dezelfde regels ei 'erwachŭngen. Alle gemr aan de RES en de realisatie daarvan. Op bestuurlijk niveau gaan de gemeenten hierover met elkaar in overleg.

■n dragen naar vermogen bij

In het kader van de RES willen we gebruik maken van de kennis en technologie die in de regio aanwezig is. Er is o.a. contact gelegd met Brainport Development en de TU/e (Differ en EIRES) over nieuwe technologie en de concrete kansen die er nu al zijn. Dit verbinden we met de opgaven die voortkomen uit de thema's binnen de RES. Het thema 'Onderwijs en arbeidsmarkt' in relatie tot de energiestrategie wordt meegenomen in het vervolg en er is inmiddels een startnotitte over dit thema opgesteld en besproken met de stuurgroep. Het thema innovatie zal expliciet een plek krijgen in de RES 1.0.

3.De concept-RES haalt aan dat de MRE de slimste regio is van de wereld. De concept- RES geeft aan dat er gebruikt moet worden gemaakt van alle kennis en innovatie die plaats vindt in de regio. De concept-RES beschrijft nog geen strategie om dit te realiseren. Het college pleit ervoor om in de RES 1.0 een apart hoofdstuk aan innovatie te wijden waarin staat hoe de beschikbare kennis en innovate kan helpen om de doelstelling van de RES-regio MRE te behalen. Het college merkt op dat de concept RES traditioneel is ingestoken qua technieken voor opwekking door wind en zon in de periode tot en met 2030. De bestaande technieken leveren weerstand op bij stakeholders. Het inzetten van nieuwe innovatie technieken en innovatief denken bij inpassing in het landschap kan deze weerstand wegnemen. Het is gewenst dat in de RES 1.0 nadrukkelijker de Brainportregio naar voren komt en dat er concrete koppelkansen en innovaties worden genoemd. Het college is voorstander om ook gebieden aan te wijzen waar het mogelijk is om innovatieve technieken en ideeën kunnen worden uitgetest. 3. Besparing 1.Het college onderschrijft het belang van besparing binnen de energietransitie. Besparen is stap 1 in de energietransitie. Kort gezegd alles wat wordt bespaard, hoeft niet te worden opgewekt.

2.Wat het energiebesparingsplan betreft worden vooral de opgaven beschreven en nog niet echt de aanpak van die opgaven. De goede intentie is er, maar feitelijk is er nog niet sprake van een 'concept. Duidt concreet aan welke relevante innovaties, ervaringen en inzichten er nu zijn. Dit geldt ook de thema's grootschalige opwek en warmte. Zet in op het ontwikkelen van effectieve technologie. De bestaande technologieën leveren maar beperkt rendement en zijn ongewenst

De besparingsaanpakken worden de komende periode uitgewerkt, afgestemd op de doelgroep, de stakeholders en het gebouw. Deze aanpak wordt uitgewerkt in energiebesparingsplannen per doelgroep: wonen, bedrijven en gemeentelijke/maatschappelijk vastgoed. Hierin wordt per doelgroep en soort gebouw in beeld gebracht welke besparingsaanpak (route, aanbod, communicatie) hier het beste bij aansluit en dus het grootste effect zal hebben. De aanpak wordt in het traject richt ng RES 1.0 vertaald in afspraken over samenwerking en ambities, met gemeenten en met stakeholders. De uivoering moet op lokaal niveau plaatsvinden. Landbouw is niet als aparte doelgroep gedefinieerd vanuit de werkgroep Besparing. Wel vindt overleg plaats met ZLT O om slimme koppeling verbindingen gelegd vanuit het MRE-thema T ransitie landelijk gebied, specifiek op het deelthema 'Versterken economische structuur'

3.Daarnaast is het belangrijk is om ook te focussen op de doelgroep waar de meeste besparing is te realiseren op een snelle manier.

te leggen. Ook worden

4.De agrarische ondernemers staan onder druk om hun sector te verduurzamen op verschillende gebieden (waaronder uitstoot van stikstof). Om deze reden adviseert het college de stuurgroep RES om de besparingsopgave voor de landbouw indien mogelijk, via andere lopende processen mee te nemen, zoals het proces transitie landelijk gebied of transitie veehouderijen (koppelkansen). 5.Het college steunt de aanpak om te komen tot energiebesparingsplannen in samenwerking met doelgroepen en stakeholders. Het college vraagt aandacht voor de vraag 'Hoe krijgen wij stakeholders (inwoners, bedrijven, ve zover dat zij aan de slag gaan met besparing?. Deze vraag is niet makkelijk te beantwoorden en verschilt per stakeholder en doelgroep.

gen, instellingen etc.)

4.Duurzame opwek 1.Het college betreurt de gekozen aanpak om te komen tot zoekgebieden door o.a. de technische potentie te bepalen door de wettelijke beperkingen in beeld te brengen. De opgave van de energietransitie is een nieuw soort en complexe opgave. Dit vraagt om een andere aanpak, namelijk een aanpak kijkend vanuit een ruimtelijk oogpunt. Hierdoor was het mogelijk geweest om te kijken waar ontwikkelingen met betrekking tot de energietransitie wenselijk zijn. Vervolgens had de stap kunnen worden gezet om te kijken wat er nodig is om de wettelijke beperkingen op te heffen om zo tot realisatie te kunnen komen. Daarbij wel in rekening houdend met het landschap (ruimtelijk aspect) zoals is gedaan in de concept-RES. De huidige regelgeving is opgesteld in een periode dat er geen sprake was van klimaatverandering en dus ook niet van een benodigde energietransitie. De energietransitie is hard nodig om te zorgen dat de biodiversiteit in stand blijft.

1. Er is inderdaad voor gekozen om de analyse vanuit de technische potentie te starten. In de komende periode gaan wij aan de hand van een PlanMER-procedure zorgvuldig naar de zoekgebieden voor grootschalige opwek kijken, die uit de eerste analyse naar voren zijn gekomen. In het planMER worden omgevings- en milieuaspecten onderzocht en de mogelijke (financiële) koppelingen met brede thema's die in de concept-RES naar voren zijn gekomen, zoals nieuwe economische dragers, klimaatadaptate, natuurontwikkeling en impact op de netinfrastructuur. Dit vormt de basis voor verdere afwegingen.

2.Realisatie van grootschalige opwek langs bestaande infrastructuur heeft de voorkeur, maar niet allemaal in en om Heeze-Leende. Met de twee mega windmolens bij Maarheeze en de Hightech Campus en de ideeën voor maatregelen rondom HeezeLeende, lijkt het de intentie om een relatief groot deel van de te beloven 2 TWH in en om Heeze-Leende op te wekken en zeker niet alleen langs infrastructuur.

2/3. Er zijn nog geen keuzes gemaakt. Zoals aangegeven volgen wij een zorgvuldige procedure om te bepalen welke zoekgebieden de voorkeur hebben.

3.Het college wil graag zien in RES 1.0 wat het bod concreet betekent per gemeente en meer specifiek voor de gemeente Heeze - Leende en de in onze gemeente aangewezen zoekgebieden. In het bepalen van de bouwstenen zijn al keuzes gemaakt die bepaalde mogelijkheden uitsluiten of juist tot een beeld van potentie leiden. Deze keuzes vallen binnen het ontwerpend onderzoek en komen minder expliciet naar voren in de concept-RES zelf. 4.Het college, zoals eerder aangegeven, twijfelt of de uitkomst van de planMER tijdig beschikbaar is voor het nemen van een besluit over de RES 1.0. Het standpunt van het college is dat zonder advies op basis van een planMER het voor gemeente HeezeLeende, vanwege de hoeveelheid aanwezige natuur binnen de gemeente Heeze-Leende, niet mogelijk is om definitieve zoekgebieden aan te wijzen. Dit betekent dat de kans groot is dat het niet mogelijk is om vergunningen te verlenen voor 2025 binnen de gemeente Heeze- Leende voor grootschalige opwekking van duurzame energie. De aanbeveling is om te kijken of dit proces kan worden versneld zonder het proces geweld aan te doen. Een mogelijkheid hierbij is om het onderzoek te beperken tot die zoekgebieden die op korte termijn (gericht op 2030) kansrijk zijn en waarbij binnen dezelfde termijn ook aansluitmogelijkheden zijn op de infrastructuur van Enexis.

4. Zie de reactie onder bovenstaand punt.

5.Het college is voorstander om grootschalige opwekking van duurzame energie door wind en zon langs bestaande infrastructuur te organiseren met dien verstande dat bestaande natuur langs infrastructuur wordt gerespecteerd. Hierbij dient te worden bepaald wat de kwaliteit van de natuur is langs bestaande infrastructuur. De bestaande infrastructuur heeft een impact op de aanliggende natuur bijvoorbeeld vanwege het continue aanwezige geluid bij snelwegen. Het is mogelijk dat een natuurgebied langs bestaande infrastructuur groen oogt maar niks bijdraagt aan het behoud van de biodiversiteit doordat bijvoorbeeld door het geluid er geen vogels broeiden. Het college is voorstander om de kwaliteit van bestaande natuur te verbeteren door langs 5. Uw voorkeur voor grootschalige opwek langs infrastructuur zal worden ingebracht bestaande infrastructuur grootschalige opwekking toe te staan en op andere locates de natuur te versterken door ontwikkeling van nieuwe natuur. Eventueel in combinate met opwek. Het college is van mening dat bestaande natuur door de aanwezigheid van projecten voor grootschalige opwek van duurzame energie langs bestaande infrastructuur wordt beschermd tegen bijvoorbeeld verbreding van de infrastructuur. Met het verplaatsten van projecten is veel geld gemoeid.

Reacties concept-RES Metropoolregio Eindhoven - overheden Datum

Afzender

reactie-zienswijze-kanttekening

Antwoord

6.De RES-regio MRE wil 2 TWh gaan opwekken. De 2 TWh is gebaseerd op wat er inmiddels is gerealiseerd en wat in de pijplijn zit. Als het gaat om realisatie op korte termijn wordt al snel gekeken naar regio de Kempen. Hier loopt een traject om grootschalige opwekking te realiseren. Bij navraag blijkt dat de Kempen van 0,5 tot ongeveer 1,5 TWh kan gaan realiseren. Het college pleit ervoor om te onderzoeken of er andere (innovatieve) mogelijkheden van opwekking zijn die bij kunnen drager het behalen van de doelstelling van 2.0 TWh om de kans te vergroten dat de doelstelling van 2 TWh wordt gehaald. 7.Het college wil graag zien in de RES 1.0 de verwachting dat eraan grootschalige opwek mogelijk is bij zon op dak A 15KwP) in de regio en specifiek per gemeente (lees de gemeente Heeze-Leende). 8.Het college wil graag zien in de RES 1.0 dat daadwerkelijk en concreet rekening is gehouden met de extra elektriciteitsvraag die te verwachten is de komende jaren (bovenop de huidige vraag). Dit als gevolg van het gebruik van elektriciteit voor het opwekken van warmte (o.a. warmtepompen) en het gebruik van elektrische auto's. 9.De doorrekening van Enexis laat zien dat de realisatie van de opwekking op korte termijn, tot 2030, wordt 'beperkt' door de huidige capaciteit van het netwerk.

Binnen de gemeente Heeze-Leende liggen een aantal zoekgebieden voor realisatie van grootschalige opwekking in het landschapsthema 'Energie voor natuur'. Het college verwacht dat de ontwikkeling van deze zoekgebieden op korte termijn niet realistisch is gezien de aanwezig capaciteit op het netwerk van Enexis.' 10.Het college adviseert de Stuurgroep RES om ook Tennet te gaan benaderen om te overleggen welke mogelijkheden Tennet kan bieden om de energietransitie binnen de RES- regio MRE te realiseren.

6. Innovatie krijgt volop aandacht (zie hierboven). Echter hebben wij de opdracht gekregen in ieder geval moeten inzetten op zon en wind.

it het Rijk om een bod te doen op basis van bewezen technieken, waardoor we

7. Het zoekgebied ‘no-regreť voor opwekking van energie uit zon op daken en restgronden wordt verder uitgewerkt: 8. Er is in de landelijke doelstelling van 35TWh rekening gehouden met een stijging in de energievraag. In de concept-RES is het elektriciteitsverbruik in de regio gebruikt als toets of het bod een naar verhouding reëel aandeel van de landelijke doelstelling van 35 TWh betreft. Indien in een verdere uitwerking ambities worden gekoppeld aan energieverbruik, dan zal rekening worden gehouden met een stijging in dit verbruik. By de verdere uitwerking van de thema's warmte en besparing wordt rekening gehouden met de invloed van besparingsmaatregelen op de warmtevraag en de invloed van warmte-oplossingen op de vraag naar elektriciteit. 9/10. Het probleem van de beperkte netcapaciteit heeft alle aandacht Bestuurlijk worden op regionaal, provinciaal en landeijk niveau hierover gesprekken gevoerd. Dit vergt ook aanpassingen in de wetgeving.

5. Duurzame Warmte Alle opties voor duurzame warmte worden meegenomen in een SWOT-analyse. Daarbij wordt aangegeven of deze een lokaal c.q. boven lokaal/regionaal karakter/ potentie Met betrekking tot de concept-RSW heeft het college de volgende opmerkingen: hebben. De resultaten daarvan dienen als input voor de scenario's en visie die op regionaal niveau worden opgesteld. 1. Het maatschappelijk draagvlak voor bio-energie is laag en de verbranding van biomassa is controversieel. Het college is voorstander om niet regionaal de afweging te maken maar lokaal. Uit het onlangs vastgestelde coalitieakkoord van Provincie NoordBrabant blijkt dat de Provincie Noord-Brabant ook geen voorstander is van de inzet van biomassa voor de opwekking van energie. 2. Het college heeft grote bezwaren met het punt dat de verdeling van groengas landelijk moet worden gedaan. Momenteel stelt het ministerie van EZK een Routekaart Groengas op waarin de verdeling wordt gemaakt, mogelijk op basis van oppervlakte en aantal inwoners in een regio. Het toewijzen welke regio en welke gemeente groengas mag gebruiken als warmtebron, is volgens gemeente Heeze-Leende geen (uitsluitend) landelijke bevoegdheid. De gemeente waar het biogas /groengas wordt geproduceerd zou hierin een grote stem moeten hebben en een recht om dit gas voor haar gebouwde omgeving te mogen gebruiken.

De belangrijkste reden voor dit standpunt is om draagvlak te krijgen bij haar inwoners voor de energietransitie. Een verbrandingsinstallatie en zelfs een biovergistingsinstallatte geeft zoals eerder gezegd controverse en de nodige overlast in een gemeente. Daar dient een juiste compensatie tegenover te staan en geeft het recht om deze warmtebron op logische plekken de eigen gemeente in te zetten, gezien ook de grote capaciteit van deze installaties. 3.Er is een online document (httpyAhk.maps.arcgis.comZapps^apSeries7index.html?app^98782fc28d2a4bOa8bcOf5d9a3db e407 (let op, 6" tabblad gaat over de MRE)) opgesteld vanuit de RES MRE over de inzet van biomassa. Dit document is Alle opties voor duurzame warmte worden meegenomen in de verdere uitwerking van de SWOT-analyse. Daarbij wordt aangegeven of deze een lokaal c.q. boven inhoudelijk van hoge kwaliteit en geeft inzicht in de verschillende termen die worden gebruikt bij het spreken over biomassa. Ook geeft dit stuk een betrouwbare weergave van de toepassing en de toekomst van biomassa in de MRE, naast de zeer lokaal/regionaal karakter/ potentie hebben. De resultaten daarvan dienen als input voor de scenario's en visie die op regionaal niveau worden opgesteld. De feedback wordt interessante aanbevelingen. Het college stelt dat dit online MRE-document als vervanger moet dienen van onderdeel D van bijlage 3 van de concept-RSW.

De concept-RSW haalt in het onderdeel over biomassa de verschillende begrippen door elkaar en het door de werkgroep warmte betrokken in deze verdere analyse. kaartmateriaal in de RSW maakt de onduidelijkheid zelfs groter. 4.Het college heeft geconstateerd dat de concept RSW zeker nog niet volledig is en sterker mag. Het college adviseert de RES werkgroep Warmte om naar de volgende punten aandacht g te kijken: -de SWOT-analyses van de verschillende warmtebronnen zijn niet allemaal even sterk en zeker nog niet compleet. Ook zijn de SWOT-analyses door wijzigingen (bijv. bij SWOT-analyse aquathermie en bij restwarmte) minder sterk geworden. De zwakten en bedreigingen zijn onnodig uit de tekst gehaald, bijvoorbeeld om bepaalde bronnen maatschappelijker geaccepteerd te maken. Dit maakt het stuk meer van politieke aard, dan de oorspronkelijke inventariserende functe van de RSW. Ook zijn de SWOTanalyses van houtkachels en hybrideketels zeer onvolledig. -De opslagmethode WKO (warmte-koudeopslag) wordt meermaals beschreven als een warmtebron, wat een dermate grote fout is dat de toepasbaarheid van de RSW als bron voor de lokale TVW's sterk verminderd wordt Het begrip WKO behelst slechts de opslag van warmte of koude, zodat het over de seizoenen heen kan worden gebruikt.

Ook haalt de beschrijving van WKO (op een andere plek in de RSW) ondiepe geothermie en lage temperatuur aardwarmte door elkaar. Op weer een andere plek in de RSW wordt WKO gezien als synoniem met een bodemwarmtepomp. Echter, sóms is de WKO aangesloten op een bodemwarmtepomp, soms op een andere warmtebron. Ook staat onder onderdeel G 'beknopte SWOT-analyse warmteketel'.Dit is wel heel vreemd, want de term warmteketel is niet in gebruik. Waarschijnlijk wordt een bodemwarmtepomp bedoeld. Echter, de RSW zal op het onderwerp all electric eveneens onderscheid moeten maken tussen een bodemwarmtepomp en een luchtwarmtepomp en deze verschillende technieken elk in een eigen SWOT-analyse moeten behandelen. Want er zit toch echt een groot verschil tussen. -Ook is in de figuur 13 van de RSW het nabijheidscriterium van thermische zonnevelden tot de kernen die de warmte gaan gebruiken niet afdoende meegenomen, waardoor een vertekend beeld ontstaat op de mogelijke opbrengst Dit nadeel is daarnaast niet afdoende opgenomen in de SWOT-analyse van zonthermievelden, terwijl het een belangrijke beperkende factor is. 6. Van strategie naar uitvoering Het college hecht veel waarde aan de borging in gemeentelijk beleid. De energietransitie is een bouwsteen voor de Omgevingsvisie. Het college gaat in gesprek met de gemeenteraad via het traject van de Omgevingsvisie.

Meer evenwicht laten zien in de verschillende onderdelen van de RES bij de verdere uitwerking richting RES 1.0. Dit to.v. de huidige (begrijpelijke) focus op grootschalige opwek via zon en wind. Hierbij dient te worden gedacht met name aan de onderwerpen energiebesparing, burgerparticipatie, betaalbaarheid en haalbaarheid voor burgers en ondernemers. Voor het college is het belangrijk dat de energietransitie voor de inwoners van Heeze-Leende betaalbaar blijft. Het betaalbaar blijven is één van de reden waarom eerder is aangegeven dat binnen de gemeente geproduceerd biogas beschikbaar moet zijn voor de inwoners van Heeze- Leende. Biogas biedt de mogelijkheid (als tussenstap) om op relatieve eenvoudige en goedkope manier de bestaande woningen binnen de gemeente van het aardgas af te koppelen zonder dat de inwoners grote kosten moe maken om de woningen te elektrificeren. Isoleren van woningen blijft noodzakelijk om de vraag naar biogas zo klein mogelijk te houden waardoor er meer biogas voor de rest van de regio beschikbaar komt. Voor de 2-jaarlijkse herijking van de RES is het wenselijk dat hierop geanticipeerd is bij het vaststellen van de definitieve RES. Wat zijn aandachtspunten die tot herijking kunnen leiden en hoe wordt hier de juiste aandacht voor georganiseerd

Wordt meegenome in het vervolgtraject

Reacties raadsfractie Bovenstaande react e van het college is mede opgesteld aan de hand van diverse reacties afkomstig van raadsfracties. De reacties zijn bijgevoegd. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste punten uit de ingediende reacties:

1) De ambitie is om in de Metropoolregio Eindhoven een RES te maken die gezamenlijk gedragen is, die gebiedsgericht is en die energieprojecten verbindt aan andere ruimtelijke, infrastructurele of sociale opgaven. In de periode voorafgaand aan deze concept-RES zijn de diverse partijen op verschillende momenten geïnformeerd en geconsulteerd/bevraagd over en meegenomen in de achtergrond, de opgave en het proces van de RES. In het proces naar de RES 1.0, in de 2e helft van 2020 en in de 1e helft van 2021, gaan we concreter - regionaal en lokaal - in gesprek met partners, inwoners en belanghebbenden over locaties, projecten en activiteiten. Voor de verschillende thema's. 2) De komende periode worden raadsleden intensiever betrokken bij het RES-proces. In de vorm van webinars, vragenuurtjes en inloopbijeenkomsten, zowel op regionaal niveau als aansluitend bij de lokale ontwikkelingen/discussies over lokaal beleid. 3) Dit onderschrijven wij; zie ook punt hierboven. 4) Dit onderschrijven wij. 5/6) We bewaken de ruimtelijke kwaliteit door expliciet te streven naar: - maximale inzet op besparing, zuinig en meervoudig ruimtegebruik; - het benutten van de gebiedspecifieke meekoppelkansen; - waar mogelijk energievraag en -aanbod zo dicht mogelijk bij elkaar te houden; - het hanteren van de ‘zonneladder' bij het bepalen van de locaties voor zonne-energie.

Bij de verdere uitwerking van de zoekgebieden, waaronder ook het zoekgebied ‘no-regreť voor opwekking van energie uit zon op daken en restgronden, wordt ook de toepassing van de zonneladder verder uitgewerkt. We nemen als voorwaarde mee naar het Rijk dat nu al volop moet worden ingezet op het uitbreiden van het elektriciteitsnet door Enexis en Tennet 7/8) Innovatie krijgt volop aandacht (zie ook hierboven). Echter hebben wij de opdracht gekregen vanuit het Rijk om een bod te doen op basis van bewezen technieken, waardoor we in ieder geval moeten inzetten op zon en wind. 9) De energiebesparingsplannen worden de komende periode verder uitgewerkt, samen met de betreffende doelgroepen (zie ook antwoord hierboven).

1) De definitieve RES, vooral de bijdrage van gemeente Heeze-Leende, dient via participatie tot stand komen; 2) De gemeenteraad adviseert het college om de gemeenteraad steeds in posit e te houden, zeker naarmate de contouren van de definitieve RES zich steeds concreter gaan aftekenen; 3) Uitgangspunt is en blijft dat de benodigde energietransite voor iedereen betaalbaar blijft; 4) Voor de gemeente Heeze-Leende geldt dat de aanpak rekening houdt met het behoud van de van de ruimtelijke kwaliteit; 5) Als het gaat om grootschalige opwek door zon volg de zonneladder zoals deze is opgenomen in het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid; 6) Het realiseren van zonneparken op landbouwgronden past niet binnen het heersende landschappelijk karakter binnen de gemeente Heeze-Leende; 7) De beschreven wens tot een goede 'landschappelijke inpassing' van windturbines zal nooit te realiseren zijn. Om deze reden moet vol worden ingezet op het ontwikkelen van betere technologieën; 8) Blijf zoeken naar alternatieve energiebronnen zoals groen gas en aardwarmte; 9) Zorg voor een concrete invulling van het energiebesparingsplan; 10) Voor wat betreft het vaststellen van de RES bestaan er zorgen over voldoende gemeentelijke betrokkenheid en vraagt de raad om een doorkijk te geven naar het vast te stellen gemeentelijk beleid.

Wij verzoeken u om deze reacties naast onze reactie mee te nemen in de nog op te stellen oplegnotitie / samenvatting.

Reacties concept-RES Metropoolregio Eindhoven - overheden Datum

Afzender

reactie-zienswijze-kanttekening

2020-09-03

Gemeente Son en Bre ugel

De concept reacte is opgebouwd uit 6 procesmatige en inhoudelijke thema's. De thema's zyn gebaseerd op de hoofdstukken uit de hoofdlijnennotitie van de concept RES en sta met een samenvatting (kader). Per theme is er ambtelijk een voorzet gemaakt voor de wensen en bedenkingen ven de gemeenteraad richting het college. De voorzet is bedoeld om het makkelijker te maken om met een eensluidende react e vanuit de raad te komen Cursief is de ambtelijke onderbouwing voor de gesuggereerde tekst.

Antwoord

op regionaal niveau

1. Samen de energie ambitie realiseren 1.1 De reactie is gericht aan het college met het verzoek hier rekening mee te houden bij de vaststelling van de concept RES. 1.2 Het college de reactie van de gemeenteraad mee neemt in de regio richting de RES 1.0. 1.3 Het college de reactie van de gemeenteraad mee neemt in het Duurzaamheidsbeleid 1.4 Dat lokale belanghebbenden moeten worden betrokken, maar belangrijker is dat geïnteresseerde belanghebbenden oog hebben voor het lokale en regionale belang. Toelichting: de gemeenteraad is nog onvoldoende betrokken in het proces, maar krijgt uiteindelijk de RES 1.0 ter vaststelling voorgelegd in het tweede kwartaal van 2021. Het college stelt de concept RES vast. De reactie van de gemeenteraad geeft een indicatie wat zij belangrijk vinden in het proces richting de RES 1.0. De reactie gaat verder dan enkel de regionale samenwerking. Het geeft ook richting het college aan wat belangrijk is om te realiseren binnen de eigen gemeente.

De komende periode worden raadsleden intensiever betrokken bij het RES-proces. In de vorm van webinars, vragenuurţies en inloopbijeenkomsten, als aansluitend bij de lokale ontwikkelingen/discussies over lokaal beleid.

2. Onze aanpak voor de concept RES 2.1 Voor het succes van de energietransitie moeten de opbrengsten lokaal worden geïnvesteerd. 2.2 De betaalbaarheid van de energietransitie blijft een aandachtspunt 2.3 De RES moet pilots ontwikkelen voor inwoners met een smalle beurs. Zodat we gezamenlijk voorkomen dat zij die het goed hebben er straks op vooruit gaan en inwoners die het nu al minder hebben straks slechter af zijn (Mattheuseffect). Toelichting: de leidende principes zijn ten opzichte van de startnotitie verder uitgewerkt. Er is meer aandacht gekomen voor de ruimtelijke kwaliteit het maatschappelijk draagvlak en de betaalbaarheid van de opgave. De werkgroep financiële participatie is gestart om te onderzoeken hoe de opbrengsten van de energietransitie lokaal kunnen worden ingezet om onder andere de betaalbaarheid te borgen. Waarbij het belangrijk is om oog te houden op de groep met onvoldoende middelen om de energietransitie zelfstandig te financieren.

We hebben als regio de ambit e om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. In de praktijk werken we toe naar minimaal 50^1 lokaal eigendom, waarbij we het Klimaatakkoord volgen. Bij lokaal eigendom hoort ook dat de inwoners en bedrijven in de MRE-regio het eigen vermogen van het lokale aandeel bij elkaar (kunnen) brengen en er de mogelijkheid is voor iedereen om mee te kunnen doen (kleine partcipaties). Dit zijn zaken die wij in de komende periode gaan onderzoeken en bespreken. Ook kijken we hoe gemeenten kunnen participeren in het lokale eigendom en hoe zij haar inwoners daarmee kunnen helpen in de energieen/of warmtetransi tie.

3. Besparing 3.1 Het is belangrijk voor het draagvlak dat de besparing ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. 3.2 Er moet een heldere afweging komen tussen activiteiten die regionaal en lokaal geborgd worden. 3.3 De besparingsopgave moet voor inwoners en bedrijven betaalbaar en financierbaar zijn. 3.4 Het college moet, onder andere samen met de OVE, een contnue aanpak voor Ekkersrijt ontwikkelen, waarbij oog is voor de benodigde besparing, het realiseren van zon op grootschalig dak en ruimte is voor innovatie. 3.5 Er in de bovengenoemde aanpak moet worden onderzocht op welke manier er strengere duurzaamheidseisen kunnen gelden bij nieuwbouw. Toelichting: de MRE geeft terecht aan dat besparing de basis is van de regionale opgave. De huidige aanpak is gebaseerd op het ontwikkelen van draagvlak bij (regionale) belanghebbenden. In de RES 1.0 moet er een besparingsaanpak komen per doelgroep. Tegelijkertijd zijn er al regionale projecten opgezet met wisselend succes (Groene Zone, Energieloket). Er moet geleerd worden van deze processen. Uiteindelijk moet de regionale strategie straks (gedeeltelijk) geborgd worden in het lokale beleid. Binnen de werkgroep besparing is er een subgroep die zich bezig is met het organiseren van bedrijventerreinenaanpakken. Op lokaal niveau is de intentie uitgesproken om te komen tot een masterplan Ekkersrijt.

Duurzaamheid zal onderdeel zijn van het masterplan. Tegelijkertijd zal er via de transitievisie warmte een apart traject gestart worden voor de warmteopgave op Ekkersrijt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9688189/1