CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Ruimtelijke Zaken 19 juni 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Aa-Brugstraat 19 – Veldstraat ongenummerd, Heeswijk-Dinther30.607 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot

56

waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In bijlage II van dit bestemmingsplan is de waterparagraaf weergegeven. In deze paragraaf de kernpunten en het beleid. Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie. 4.3.1

Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding;

57

4.3.2

Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) In bijlage IV is de volledige waterparagraaf opgenomen. In deze paragraaf is de samenvatting en essentie van de waterparagraaf opgenomen. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP zal op 22 december 2021 in werking treden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem.

Doel van RWP: - Voldoende water - Schoon water - Veilig water - Vitale bodem - Klimaatadaptatie Waterschap De missie van waterschap Aa en Maas in het waterbeheerplan 2022-2027: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” In 2050 heeft waterschap Aa en Maas een klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar watersysteem. Ook is het werkingsgebied van waterschap Aa en Maas voldoende beschermd tegen overstromingen vanuit de Maas én vanuit het regionale watersysteem. Door samenwerking heeft de Maas meer ruimte gekregen, de biodiversiteit versterkt, duurzame energieopwekking, mogelijkheden voor recreatie vergroot en cultuurhistorie behouden en versterkt. In 2022-2027 werkt waterschap Aa en Maas volop aan hun watersysteem. Enkele van de doelstellingen zijn: - zorgen voor een goed onderhouden systeem. Baggerachterstanden werken we weg zodat er voldoende ruimte aanwezig is om sloten en beken veilig te onderhouden; - stimuleren grondeigenaren om zoveel mogelijk water te laten wegzakken in de bodem naar het grondwater; - maatregelen nemen waarmee we water beter kunnen vasthouden. Voorbeelden zijn extra stuwtjes in de kleine sloten en beken op de Peelhorst, het maximaal

58

-

-

verhogen van waterpeilen in sloten en beken en een nieuwe ‘GGOR 2.0’-ronde (Gewenst Grond en Oppervlaktewater Regime het optimaliseren van de waterhuishouding in een gebied). Hierin maken we ook restrisico’s en verzekerbaarheid bespreekbaar; maatregelen nemen om te voldoen aan de normen voor wateroverlast; € 6 miljoen reserveren om, samen met andere partijen zoals gemeenten, inwoners extra te beschermen tegen wateroverlast. We zetten data, informatie en technologie in om meer inzicht te krijgen in het watersysteem en beter te kunnen sturen; In zetten op extra wateraanvoer; De Brabantse waterschappen voeren samen verbeteringen door in het beleid voor onttrekkingen uit grondwater; Samen met de provincie en de terrein beherende instanties zetten we ons in voor de realisatie van het natuurnetwerk Brabant;

Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient de initiatiefnemer hier invulling aan te geven: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater 3. Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering afvoer” 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 5. Water als kans 6. Meervoudig ruimtegebruik 7. Voorkomen van vervuiling 8. Waterschapsbelangen, waaronder: a. ruimteclaims voor waterberging b.

ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel c. aanwezigheid en ligging watersysteem d. aanwezigheid en ligging waterkeringen

59

e. aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims t.b.v. de afvalwaterketen in beheer van het waterschap. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dan zou hieraan in de toelichting, de voorschriften en de plankaart aandacht besteed moeten worden. 4.3.3

Verhardingsopgave De verhardingsopgave van het te ontwikkelen plan, welke wordt afgezet tegen het relevante beleid omtrent de waterbergingsopgave als gevolg van (de toename van) het verhard oppervlak, bepaalt de te compenseren waterberging en de mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Vanwege het van toepassing zijnde beleid en het gegeven dat er in de bestaande situatie geen sprake is van verharding aan Veldstraat ong. te Heeswijk-Dinther, is enkel de verhardingsopgave van de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. Aangezien er nog geen concreet plan ligt en de mogelijkheden vanuit het bestemmingsplan tot het toedelen van verharding vooralsnog onbekend is, is deze verhardingsopgave ingeschat en derhalve indicatief (zie Tabel 1). Tabel 1: Verhardingsopgave (fase 1) Type verharding m² huidige situatie Verhard* 0 m² Onverhard* 3.765 m² Totaal perceel 3.765 m²

m² beoogde situatie 942 m² 2.823 m² 3.765 m²

Toename/ afname + 942 m² - 942 m² 0 m²

* aangenomen verdeling bij de beoogde situatie is 25% verhard (woning/bijgebouwen/tuinverharding) en 75% onverhard (onverharde tuin) van b het totaal aan (woon)perceel

Uitgaande van voorgaande tabel en de daarin opgenomen verhardingsopgave neemt de totale verharding ten opzichte van de huidige situatie toe met circa 942 m². Gesteld kan worden dat er overeenkomstig de Keur geen waterwetvergunning benodigd is, mits er compenserende maatregelen met betrekking tot de opvang van hemelwater wordt gerealiseerd overeenkomstig de algemene regels van de Keur. 4.3.4

Maatgevend berging Op basis van het beleid geldt voor de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² dat geen vergunningsplicht geldt indien compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, dit in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit gevoeligheidsfactor x 0,06

(m³)

=

toename

verhard

oppervlak

(m²)

x

De toename van het verhard oppervlak bedraagt circa 942 m². Conform de Keurkaart beschermde gebieden is de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied vastgesteld op “1/2”. Dit resulteert in een maatgevende berging van circa 28,26 m³ (942 m² x 0,5 x 0,06). Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

60

-

-

de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

In het plangebied is voldoende ruimte om de waterberging een plek te geven.

4.4

Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). In het kader van de ruimtelijke procedure is een verkennend en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd welke beschreven zijn in rapportages die als bijlage (bijlage V) aan dit bestemmingsplan zijn opgenomen. De rapportage 3 die in bijlage Va is opgenomen beschrijft het bodemonderzoek uitgevoerd voor het plandeel Veldstraat ongenummerd te Heeswijk-Dinther. De rapportage die in bijlage Vb4 is opgenomen beschrijft het bodemonderzoek dat is uitgevoerd voor het plandeel Aa Brugstraat 19 te Heeswijk-Dinther. In deze paragraaf is per plandeel een samenvatting met conclusies en aanbeveling(en) opgenomen uit de rapportages opgenomen. Samenvatting plandeel Veldstraat ong.

te Heeswijk-Dinther Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging en in een later stadium mogelijk de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de geplande bestemmingsplan wijziging of omgevingsvergunning voor bouwen. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving activiteiten hebben plaatsgevonden waardoor de bodem verontreinigd kan zijn geraakt.

3

Verkennend bodemonderzoek Veldstraat ong. te Heeswijk-Dinther (2208/051/TW, versie 0), documentkenmerk: 2208/051/TW-02-01, versie 0, Tritium advies, Breda 9 december 2022 4 Verkennend- en nader bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in grond en puin Aa-Brugstraat 19 te Heeswijk-Dinther (2208/051/TW

61

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende: Zintuiglijk zijn in de grond geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt de boven- en ondergrond geen verontreinigingen zijn aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium en zink aangetoond. De aangetoonde lichte grondwaterverontreiniging is in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. Het aangetroffen gehalte is echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Conclusie en aanbeveling(en) plandeel Veldstraat ong. te Heeswijk-Dinther De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een later stadium. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. De adviezen zoals vermeld in het onderhavige rapport zijn gebaseerd op geldende wetgeving ten tijde van het opstellen deze rapportage.

Samenvatting plandeel Aa-Brugstraat 19 te Heeswijk-Dinther Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging. Doel van het onderzoek is meerledig namelijk; - het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging die een belemmering kan vormen voor de geplande bestemmingsplanwijziging; - het bepalen of de verdenking op een bodemverontreiniging met asbest terecht is en het doen van een uitspraak over het indicatieve asbestgehalte in de grond; - het bepalen of de verdenking op een verontreiniging met asbest terecht is en het doen van een uitspraak over het indicatieve asbestgehalte in de halfverharding; - het indicatief bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van de halfverharding. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende deellocaties onderscheiden: • deellocatie A1: toekomstig bouwblok; • deellocatie A2: opstal met asbest verdachte dakbedekking zonder regengoot ten zuiden van huidige woning (afwatering oostzijde); • deellocatie A2: opstal met asbest verdachte dakbedekking zonder regengoot ten zuiden van huidige woning (afwatering westzijde); • deellocatie A3: opstal met asbest verdachte dakbedekking ter plaatse van de weide; • deellocatie A4: volledige puinverharding. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende.

62

Deellocatie A1 toekomstig bouwblok (3.770 m²) Zintuiglijk zijn in de grond geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van het westelijke deel van de deellocatie licht verontreinigd met zink. De bovengrond van het overig deel van de deellocatie en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater blijkt licht verontreinigd met barium en nikkel. Een nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Deellocatie A2 opstal met asbest verdachte dakbedekking zonder regengoot ten zuiden van huidige woning (afwatering oostzijde). Zintuiglijk zijn in de grond geen waarnemingen die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt de bovengrond, traject 0,00 – 0,10 m-mv sterke verontreinigd te zijn met PCB. Hiertoe is een nader onderzoek uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt uit de horizontale en verticale inkadering dat de grond niet tot nauwelijks verontreinigd is met PCB. Hiermee is de sterke verontreiniging met PCB in de toplaag voldoende in beeld. De sterke verontreiniging is ter plaatse van de druppelzone aan de oostzijde, in het traject vanaf het maaiveld tot 0,10 m-mv aangetoond. De sterke verontreiniging is aangetoond over een oppervlakte van 12 m².

De totale sterke verontreiniging met PCB wordt geraamd op circa 9 m³. Gezien de aanlegdatum van de opstal (omstreeks 1983) bestaat er echter geen aanleiding om te veronderstellen dat de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Gezien de omvang van de sterke verontreiniging met PCB in de grond is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging (< 25 m³). Uit de analyseresultaten van het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van deze deellocatie is in eerste instantie asbest met een gehalte van 17 mg/kg d.s. aangetoond. Echter was sprake van verdachte vezels. Derhalve is een SEM-analyse uitgevoerd. Uit de analyseresultaten bleek een concentratie asbest met een gehalte van 5,4 mg/kg d.s. te zijn aangetoond. Het berekende gewogen gehalte asbest bedraagt derhalve 22,4 mg/kg d.s. De hoeveelheid verdachte vezels welke in eerste instantie als verdacht werden aangemerkt werd niet bevestigd in de SEM-analyse. Derhalve is geen sprake van een risico ten aanzien van verdachte vezels. Deellocatie A2 opstal met asbest verdachte dakbedekking zonder regengoot ten zuiden van huidige woning (afwatering oostzijde) Zintuiglijk zijn in de grond geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Op het maaiveld zijn ook geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt de bovengrond (traject 0,00 – 0,10 m-mv) licht verontreinigd met PCB.

Verder blijkt in de toplaag asbest met een concentratie van 3 mg/kg d.s. te zijn aangetoond. Deellocatie A3 opstal met asbest verdachte dakbedekking ter plaatse van de weide. Zintuiglijk zijn in de grond geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Op het maaiveld zijn ook geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond niet verontreinigd is met PCB. Verder blijkt in de toplaag zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest te zijn aangetoond. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een

63

indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Deellocatie A4 volledige puinverharding Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ter plaatse van AG02, traject 0,00 - 0,15 m-mv en AG03, traject 0,00 – 0,50 m-mv zijn bijmengingen met resp. sporen tot zwak puin zijn waargenomen. Daar dit de enige plek is waar bijmengingen met puin in de grond zijn waargenomen, is het aannemelijk dat deze door transportbewegingen van en naar de schuur (noordelijk gelegen ten opzichte van de inspectiegaten) in de bodem zijn gekomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat het materiaal indicatief voldoet aan de klasse “N-bouwstof”. Gesproken kan worden van een schone bouwstof. Uit de resultaten blijkt verder dat in het materiaal asbest met een concentratie van 9 mg/kg d.s. is aangetoond. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Omdat het aangetoonde gehalte kleiner is dan helft van de interventiewaarde, mag worden aangenomen dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Daarmee is de volledige puinlaag (meest verdachte laag) reeds onderzocht.

Een verkennend bodemonderzoek ten aanzien van de sporen tot zwak puin die in de grond zijn waargenomen wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie en aanbevelingen plandeel Aa-Brugstraat 19 te Heeswijk-Dinther De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van het onderzoeksbureau geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en mogelijk de afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Ten aanzien van de sterke verontreiniging met PCB in de toplaag ter plaatse van deellocatie “A2 opstal met asbest verdachte dakbedekking zonder regengoot ten zuiden van huidige woning (afwatering oostzijde)” wordt aanbevolen om een plan van aanpak in de dienen bij het bevoegd gezag. In het plan van aanpak wordt de afstemming tussen de betrokken vastgelegd. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. De adviezen zoals vermeld in het onderhavige rapport zijn gebaseerd op geldende wetgeving ten tijde van het opstellen deze rapportage.

Indien de omgevingswet in werking treedt dient mogelijk het advies te worden herzien. 4.5

(Ondergrondse) infrastructuur Zowel in de directe omgeving van het plandeel aan Aa-Brugstraat als in de omgeving van het plandeel Veldstraat, zijn geen buisleidingen, transportleidingen of hoogspanningsleidingen aanwezig. Vanuit dit aspect zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

64

4.6

Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking Bedrijven en Milieuzonering. Deze lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In deze lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Deze richtafstanden gelden tussen de grens van een bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Omgeving Veldstraat De omgeving van Veldstraat is te typeren als “rustig buitengebied”. Op circa 185 meter en 300 meter zijn agrarische bedrijven gelegen, daarnaast is op ongeveer 350 meter een beeldentuin gelegen. Voor de rest liggen er vooral woningen in de omgeving. Zeker aan de Veldstraat, waar alleen maar woningen aanwezig zijn.

Dat betekent dat de omgeving niet aangemerkt kan worden als gemengd gebied en de richtafstanden zoals aangegeven in de tabel behorende bij de VNG-lijst, (gebaseerd op “rustige woonwijk/rustig buitengebied”) gelden als uitgangspunt. Omgeving Aa-Brugstraat De omgeving van Aa-Brugstraat is niet intensief te noemen. Er zijn wel enkele functies aanwezig, maar die liggen redelijk verspreid uit elkaar. Tegenover het plangebied is op een afstand van circa 30 meter, een intensieve veehouderij gelegen. Aan het kanaal is een garagebedrijf gelegen (afstand is ongeveer 400 meter) en ten zuiden van de locatie ligt op circa 600 meter een proefboerderij van een mengvoederfabrikant (aangeduid als intensieve veehouderij). Voor het overige zijn uitsluitend woningen in de omgeving gelegen. De provinciale weg, N279, ligt op een afstand van circa 400 meter. Gezien de afstand van de N279 en de weinige diversiteit aan functies in de directe omgeving, wordt gesteld dat de omgeving getypeerd wordt als “Rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Dat betekent dat de richtafstanden zoals aangegeven in de tabel behorende bij de VNGlijst, (gebaseerd op “rustige woonwijk/rustig buitengebied”) gelden als uitgangspunt. Toets In deze alinea is aangegeven welke richtafstanden van toepassing zijn voor de bedrijven in de omgeving, per plandeel.

Tevens is aangegeven of de ontwikkeling leidt tot een belemmering van deze bestaande functie en of maatregelen noodzakelijk om ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen en tevens ervoor te zorgen dat de nieuwe situatie niet leidt tot een belemmering van de bestaande functies. Plandeel Veldstraat In tabel 1 zijn de relevante bedrijven in de directe omgeving opgenomen (adres), tevens is de functie opgenomen, de werkelijke afstand tot aan het plangebied én de

65

richtafstand vanuit het VNG. In de laatste kolom is aangegeven of voldaan wordt aan de grootste indicatief aan te houden afstand. Tabel 1: bedrijven- en milieuzonering, plandeel Veldstraat

adres

functie

Fokkershoek 29 Fokkershoek 18 Gouverneursweg 3a Gouverneursweg 1a

beeldentuin agrarisch bedrijf* Agrarisch bedrijf* Agrarisch bedrijf*

Afstand tot aan plangebied 350 meter 300 meter 300 meter 175 meter

Grootste richtafstand volgens VNG 10 meter5 50 meter 50 meter 50 meter

Wordt voldaan aan de richtafstand?

√ √ √ √

* grondgebonden veehouderij

Het plan aan Veldstraat zorgt niet voor een belemmering van omliggende functies. Omdat voldaan wordt aan de richtafstanden, wordt geconcludeerd dat de afstand dusdanig groot is dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van het plandeel Veldstraat. Plandeel Aa brugstraat Tabel 2: bedrijven- en milieuzonering, plandeel Aa-Brugstraat

adres

functie

Afstand tot aan plangebied

Aa-Brugstraat 4

Intensieve veehouderij* Autobedrijf Intensieve veehouderij agrarisch bedrijf**

Kanaaldijk-Noord 40 Kanaaldijk-Noord 4444a Droevendaal 2

Wordt voldaan aan de richtafstand?

30 meter

Grootste richtafstand volgens VNG 200 meter

390 meter 570 meter

30 meter 200 meter

√ √

530 meter

50 meter

√

X

* pluimvee, varkens, vleesstieren, vrouwelijk jongvee ** grondgebonden veehouderij

In tabel 3 zijn de indicatief aan te houden afstanden opgenomen die gelden voor bedrijven en inrichtingen per aspect (geur, stof, geluid, gevaar). Tabel 3: Indicatief aan te houden afstanden

functie Intensieve veehouderij** Autobedrijf agrarisch bedrijf**

Geur 200

stof 30

aspect geluid 50

Gevaar 0

Grootste afstand 200

10 100

10 30

30 30

10 0

30 100

* pluimvee, varkens, vleesstieren, vrouwelijk jongvee ** grondgebonden veehouderij

Voor het plandeel Aa-Brugstraat geldt dat deze situatie niet voldoet aan de richtafstand ten aanzien van het agrarisch bedrijf aan Aa-Brugstraat 4 te Heeswijk-Dinther. De rand van het bouwvlak van de betreffende locatie ligt op een afstand van 30 meter ten opzichte van de woning, terwijl de VNG aangeeft dat de indicatief aan te houden richtafstand 200 meter dient te zijn. Deze 200 meter is relevant voor het aspect ‘geur’, 5

SBI: 9101, 9102 Categorie Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.

66

voor het aspect geluid geldt een richtafstand van 50 meter, voor stof 30 meter en voor gevaar 0 meter. Er wordt geconcludeerd dat in ieder geval voor de aspecten stof en gevaar wordt voldaan aan de indicatieve richtafstand. Geluid In dit geval wordt er geen nieuwe woning mogelijk gemaakt, maar veranderd de status van de woning. Deze gaat van bedrijfswoning naar burgerwoning, maar er is nog steeds sprake van een bestaande woning. Omdat sprake is van een bestaande woning, is deze reeds relevant in de huidige situatie. Wanneer de locatie aan Aa-Burgstraat 4, een vergunning aanvraagt, is de huidige situatie in de huidige situatie al relevant voor de vergunningsaanvraag. Een woning (ongeacht of dit een bedrijfswoning is of niet), betreft een gevoelig object voor derden. Daardoor is geredeneerd dat de huidige situatie m.b.t. de afstand vanaf de woning in de bestaande situatie relevant is voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor Aa-Brugstraat 4. In feite wordt dat bevestigd door de locatie van de stallen aan Aa-Brugstraat 4, die op precies 50 meter afstand staan van de woning aan Aa-Brugstraat 19. Zodoende wordt voor het aspect ‘geluid’ ook voldaan aan de indicatieve richtafstanden. En kan worden gesteld dat de wijziging van de woning van bedrijfswoning naar burgerwoning niet leidt tot een belemmering van het bedrijf aan Aa-Brugstraat 4 voor wat betreft het aspect geluid.

Nuancering geur en conclusie bedrijven- en milieuzonering Voor geur is in de VNG-lijst een indicatief aan te houden afstand opgenomen die door de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is genuanceerd. In deze wet zijn afstanden juridisch geborgd en is aangegeven bij welke afstand sprake is van een belemmerende situatie. Omdat sprake is van wet- en regelgeving bij geurhinder en veehouderijen gaat die voor op de indicatief aan te houden afstanden, zoals opgenomen in de VNG-lijst. Ten aan zien van dit aspect is een aparte paragraaf opgenomen (paragraaf 4.8) waarin in wordt gegaan op het aspect geurhinder en veehouderijbedrijven. Ten aanzien van de andere aspecten die relevant zijn voor omliggend bedrijven, wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de indicatief aan te houden afstanden, waardoor onderzoek niet noodzakelijk is en gesteld kan worden dat de ontwikkeling niet leidt tot een belemmering van omliggende bedrijven en functies. Tevens wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van de aspecten geluid, stof en gevaar.

4.7

Geurhinder Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van (individuele) veehouderijen. De toetsing is belangrijk om te bepalen of de inrichting (bron van geur) voldoet aan de bestelde normen vanuit de Wgv en derhalve een vergunning kan krijgen voor een nieuwe situatie. De geurnormen zijn relevant ter plaatse van gevoelige objecten, zoals woningen, wanneer een nieuwe woning wordt gerealiseerd, kan het zijn dat deze een belemmering vormt voor omliggende agrarische bedrijven in het kader van geurhinder. Daarnaast is in de Wet ruimtelijke ordening aangegeven dat ter plaatse van een nieuwe ontwikkeling sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. In deze

67

paragraaf wordt daarom beschreven of sprake is van een belemmerende werking door de ontwikkeling en of er ter plaatse van de woningen, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. In deze paragraaf wordt per plandeel ingegaan op het aspect geurhinder en veehouderij. Plandeel Veldstraat Voor het plandeel Veldstraat is een aparte notitie gemaakt en als bijlage VI opgenomen in dit bestemmingsplan. In deze alinea is een samenvatting en conclusie opgenomen van deze notitie. In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gelegen, dit blijkt uit de inventarisatie van het vergunningenbestand vanuit KRD (Kernregistratie Dierenverblijven) en de bijbehorende kaart. In de directe omgeving (straal van 1.000 meter) zijn volgens het vergunningenbestand van de provincie Noord-Brabant de volgende actieve veehouderijen gelegen: Tabel: inventarisatie veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer, plandeel Veldstraat Adres

Gouverneursweg 1a Gouverneursweg 3a Fokkershoek 4 Kameren 2 Kameren 2a Kameren 4 Lariestraat 23 Lariestraat 32 Lariestraat 36 Muggenhoek 1 Muggenhoek 1a

Type veehouderij

Melkvee, dieren zonder geuremissie Melkvee, dieren zonder geuremissie Vleeskalveren, dieren met geuremissie Melkvee, dieren zonder geuremissie Paarden, dieren zonder geuremissie Melkvee/schapen/varkens, dieren met geuremissie Paarden, dieren zonder geuremissie Pluimvee, dieren met geuremissie Melkvee/varkens, dieren met geuremissie Paarden, dieren zonder geuremissie Paarden, dieren zonder geuremissie

Afstand van bouwperceel tot bouwperceel 180 meter 270 meter 310 meter 670 meter 470 meter 910 meter 470 meter 600 meter 600 meter 780 meter 780 meter

In de directe omgeving (straal van 1000 meter) zijn volgens het vergunningenbestand van de provincie voornamelijk veehouderijbedrijven gelegen met dieren zónder geuremissiefactor, allen op een afstand van minimaal 180 meter. De enkele veehouderijen met dieren mét geuremissiefactor zijn gelegen op een afstand van respectievelijk 310, 600 en 910 meter. Gesteld kan worden dat de veehouderijen met dieren zónder geuremissiefactor allen ruimschoots zijn gelegen buiten de wettelijk vastgestelde vaste afstand van tenminste 50 en 25 meter vanuit de Wvg. Gesteld kan worden dat de beoogde planontwikkeling aan plandeel Veldstraat geen onevenredige belemmeringen oplevert voor de bedrijfsvoering van deze veehouderijen. Volgens vaste jurisprudentie kan gesteld worden dat het voldoen aan de vaste afstanden tevens voldoende verzekert dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van deze veehouderijen. Met betrekking tot de dieren mét geuremissiefactor is het van belang dat de norm van 14 ouE ter plaatse van het plangebied niet zal worden overschreden, zodat deze

68

bedrijven niet onevenredig belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Hiervoor is gekeken naar de cumulatieve geurbelasting die ontstaat als gevolg van deze veehouderijen, dit vanuit de geurkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Deze is weergegeven in figuur 18.

Figuur 18 Uitsnede achtergrond belasting geur (maart 2022), ODZOB

Uit de kaart van de achtergrondbelasting geur vanuit de ODZOB blijkt dat ter plaatse van het plangebied een achtergrondbelasting van geur aanwezig is van 3 tot 7 ouE (peildatum maart 2022). Uit de zoneringen van deze kaart blijkt tevens dat de achtergrondbelasting in de eerste helft van deze bandbreedte uit zal komen. Daarnaast is te zien dat de veehouderij aan de Fokkershoek 1, welke niet meer als veehouderij actief is, invloed uitoefent op de achtergrondbelasting van geur in de omgeving. Aangezien deze veehouderij reeds is beëindigd en daarmee de achtergrondbelasting vanuit geur feitelijk gezien lager zal liggen dan is weergegeven op de kaart, kan gesteld worden dat de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting vanuit alle veehouderijen tezamen) ter plaatse van het plangebied circa 3 ouE zal bedragen. Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat de individuele geurbelasting als gevolg van de afzonderlijke veehouderijen nooit meer kan en zal bedragen dan 3 ouE. Hiermee is zeker gesteld dat de norm van 14 ouE vanuit de Wgv ter plaatse van het plangebied niet overschreden wordt. Hiermee zijn onevenredige belemmeringen voor de veehouderijen met dieren mét geuremissiefactor als gevolg van de planontwikkeling dan ook uit te sluiten.

Temeer doordat andere, bestaande geurgevoelige objecten in de bestaande windrichting binnen hetzelfde normgebied reeds dichter bij deze veehouderijen zijn gelegen en deze daarom maatgevend en meer belemmerend zijn. Voor wat betreft de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat als gevolg van de geurbelasting van veehouderijen met geuremissiefactor, kan gesteld worden dat de achtergrondbelasting van 3 OUe ruimschoots voldoet aan de toets waarde van 20 ouE vanuit de ‘Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’.

69

Plandeel Aa Brugstraat In de omgeving van het plangebied is een aantal veehouderijbedrijven gelegen, dit blijkt uit de inventarisatie van het vergunningenbestand vanuit KRD (Kernregistratie Dierenverblijven) en de bijbehorende kaart. In de directe omgeving (straal van 1.000 meter) zijn volgens het vergunningenbestand van de provincie Noord-Brabant de volgende actieve veehouderijen gelegen: Tabel: inventarisatie veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer plandeel Aa Brugstraat Adres

Aa Brugstraat 4

Droevendaal 2 Brouwersstraat 2a Kanaaldijk-Noord 44a Laverdonk 5a Dinthersedijk 12

Type veehouderij

Pluimvee, vleesvee, vleeskalveren, vrouwelijk jongvee, varkens, dieren met geuremissie Melkvee, dieren zonder geuremissie Melkvee, dieren zonder geuremissie Varkens, vleeskalveren, pluimvee, dieren met geuremissie Varkens, dieren met geuremissie Melkvee, dieren zonder geuremissie

Afstand van bouwperceel tot bouwperceel 30 meter

530 meter 500 meter 560 meter 960 meter 570 meter

Om een belemmerende werking uit te sluiten wordt algemeen een afstand van 50 meter aangehouden van rand bouwvlak tot rand bouwvlak. Dat wordt voor bijna alle veehouderijbedrijven gehaald, behalve voor het veehouderijbedrijf aan Aa Brugstraat 4. De 50 meter is leidend voor het veehouderijbedrijf. Dat betekent dat het veehouderijbedrijf aan Aa Brugstraat 4 in de huidige situatie reeds wordt belemmerd (een bedrijfswoning van derden is ook een geurgevoelig object). Dat betekent voor de het veehouderbedrijf aan Aa Brugstraat 4 een gedeelte van haar bouwvlak niet zou kunnen benutten voor de realisatie van bedrijfsbebouwing ten behoeve van de huisvesting van dieren (stallen). In de bouwregels van het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat bedrijfsgebouwen op minimaal 2 meter achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd dienen te worden. Dat betekent dat er in de huidige situatie geen stallen dichter bij de woning gerealiseerd kunnen worden. De buitengevel van de stallen bevinden zich op circa 50 meter afstand van de buitengevel van de woning. Daarmee wordt in ieder geval voldaan aan de aan te houden afstand en omdat sprake is van een bestaande situatie, wordt het bedrijf niet extra belemmerd door de omzetting naar burgerwoning. Bovendien is opgenomen in de wet dat voor voormalige bedrijfswoningen alleen de afstandseis geldt en niet de geuremissienorm.

Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een belemmerende werking. Daarnaast is het belangrijk om te weten of, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De kaart met daarop de achtergrondwaarde van de omgeving van de omgevingsdienst (zie figuur 19). Daarop is te zien dat de achtergrondwaarde als redelijk goed – matig wordt beoordeeld. De geuremissie van het huidige bedrijf aan Aa Brugstraat 19 is daar nog onderdeel van. Die komt te vervallen, waardoor de geursituatie alleen maar verbeterd.

70

Figuur 19 Uitsnede achtergrond belasting geur (maart 2022), ODZOB

Conclusie Zowel voor plandeel Veldstraat als plandeel Aa Brugstraat geldt dat er geen sprake is van een belemmering van omliggende veehouderijbedrijven én dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse. Het aspect geurhinder en veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.

4.8

Akoestiek Inleiding wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Inleiding industrielawaai Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun

71

akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.

andere

geluidsgevoelige

Samenvatting en conclusie wegverkeerslawaai Voor de nieuwe woningen aan Veldstraat is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarvan het rapport6 waarin het onderzoek staat beschreven is als bijlage VII is opgenomen. In deze paragraaf is uitsluitend de samenvatting en conclusie opgenomen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van de Veldstraat, Fokkershoek en Gouverneursweg. De geluidbelasting ten gevolge van de Veldstraat overschrijdt binnen het plangebied plaatselijk de voorkeursgrenswaarde. Binnen de Wgh wordt ernaar gestreefd om een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde te voorkomen. Derhalve wordt geadviseerd om de toekomstige woningen op een afstand van tenminste 7 meter ten opzichte van de wegas van de Veldstraat te situeren. Hiermee kan een procedure hogere grenswaarde worden voorkomen. Indien de beoogde locatie alsnog binnen voornoemde afstanden is gelegen, dient voor de woningen een procedure hogere waarde te worden aangevraagd. Bij een procedure dient te worden onderbouwd waarom de woningen op een geluidbelaste locatie dienen te worden gerealiseerd. Indien dit voldoende is onderbouwd en de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente.

Ondanks dat de exacte locatie en afmetingen van de woningen nog niet bekend zijn, wordt verwacht dat de woningen zullen beschikken over de geluidluwe noordgevel. Geadviseerd wordt om de tot de woningen behorende buitenruimten aan deze geluidluwe (noord)zijde van de woningen te realiseren. In het geval dat de toekomstige woningen binnen de voornoemde afstanden tot de Veldstraat worden gerealiseerd, is sprake van een procedure hogere waarde en is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) kan vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. In het geval dat bij situering van de toekomstige woningen de voornoemde afstanden tot de Veldstraat worden gerespecteerd is er geen sprake van een procedure hogere waarde en wordt een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

6

Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai Veldstraat te Heeswijk-Dinther (2208/018/FB-04, versie A), Tritium advies, Nuenen 13 juni 2023

72

Samenvatting en conclusie industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen sprake van een overschrijding van de normen voor industrielawaai. Er is geen sprake van de aanwezigheid van grote lawaaimakers in de omgeving van het plangebied.

4.9

Luchtkwaliteit Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Uitstoot van schadelijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma. Binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Bij realisatie van woningen is dit het geval bij realisatie van meer van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.

Blootstelling aan verontreiniging In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. - de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde. - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: - de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO 2 is 40 µg/m³. Met dit plan worden twee woningen toegevoegd binnen het plangebied (plandeel Veldstraat) in combinatie met de sloop en sanering van een agrarisch bedrijf aan Aa Brugstraat 19 (omzetten van bedrijfswoning naar burgerwoning). Daarmee valt dit plan onder het begrip ‘niet in betekenende mate’, waardoor de luchtkwaliteit niet verder hoeft

73

te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Er is geen sprake van substantiële verkeersaantrekkende werking door deze herbestemming. Het verkeer dat toeneemt door realisatie van de woning betreft overigens ook slechts personenautoverkeer. Acceptabel woon- en leefklimaat Naast de effecten op luchtkwaliteit is het relevant of ter plaatse een acceptabel woonen leefklimaat is voor de nieuwe functie(s). via het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, zijn zogenaamde concentratie- en depositiekaarten (GCN en GDN) raadpleegbaar. Daarop is te zien wat de concentratie en depositie is voor Fijn stof (PM10, en PM2,5) en Stikstofdioxide (NO2). NO2 In figuur 20 is de concentratie Stikstofdioxide inzichtelijk gemaakt en te zien dat er een waarde geldt van 11,46 µg/m3, terwijl de grenswaarden zijn gesteld op 40 µg/m3. Daarom kan gesteld worden dat voor het aspect NO 2, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Figuur 20 Uitsnede CGN en GDN kaarten Nederland, onderdeel NO2

PM10 In figuur 21 is de concentratie fijnstof (PM10) inzichtelijk gemaakt en te zien dat er een waarde geldt van 14,94 µg/m3, terwijl de grenswaarden zijn gesteld op 40 µg/m3. Daarom kan gesteld worden dat voor het aspect PM10, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

74

Figuur 21 Uitsnede CGN en GDN kaarten Nederland, onderdeel PM10

PM2,5 In figuur 22 is de concentratie fijnstof (PM2,5) inzichtelijk gemaakt en te zien dat er een waarde geldt van 8,482 µg/m3, terwijl de grenswaarden zijn gesteld op 25 µg/m3. Daarom kan gesteld worden dat voor het aspect PM 2,5, sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Figuur 22 Uitsnede CGN en GDN kaarten Nederland, onderdeel PM2,5

75

4.10

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Cultuurhistorie Plandeel Veldstraat Veldstraat is een uitloper van de bebouwde kom van Heeswijk-Dinther en loopt parallel aan de Gouverneursweg, de van oudsher, doorgaande weg van Heeswijk-Dinther naar ’s-Hertogenbosch en Lariestraat/Fokkershoek. Waar Lariestraat en Fokkershoek (via Kameren) Heeswijk-Dinther ontsloten richting Vinkel en Berlicum, is Veldstraat een ontsluitingsweg voor de agrarische percelen die in de omgeving zijn gelegen.

Veldstraat sluit later aan op Fokkerhoek/Kameren en is daardoor een ondergeschikte weg. De Gouverneursweg is op ene hoger gelegen deel gelegen die grenst aan het beekdal van de Aa. Richting het noorden (zandkant) bevinden zich van oudsher droge bossen en heide. De tussenliggende gronden zijn lager gelegen en van oudsher kleinschalig verkaveld met aangeplante kavelgrenzen. De Leigraaf liep meanderend door dit gebied. Het plandeel aan Veldstraat was op de overgang van de hoger gelegen del (Gouverneursweg/Veldstraat) naar het lagergelegen deel richting Fokkershoek. Tussen de Veldstraat en Fokkershoek waren in het verleden meer ontsluitingswegen/-paden gelegen, dan tegenwoordig het geval is. In de huidige situatie is de verkaveling veel

Figuur 23 Vergelijking historische situatie (1900) en huidige situatie (luchtfoto)

76

minder fijnmazig en zijn, waarschijnlijk door de ruilverkaveling, perceelsgrenzen verdwenen, net als een aantal ontsluitingsmogelijkheden. Met de nieuwe situatie wordt een deel van de historische verkaveling teruggebracht. De beplanting wordt hierop aangepast. Derhalve draagt het plan bij aan de cultuurhistorische waarde van het gebied. Plandeel Aa Brugstraat Heeswijk en Dinther zijn beide beekdalnederzettingen, akkerdorpen in het stroomgebied van de Aa. De kern van Dinther bestaat uit een straat met lintbebouwing, min of meer evenwijdig aan de beek. In het verlengde van de langgerekte structuur ligt in oostelijke richting het gehucht Beugt. Het bestaat uit een aantal boerderijen verspreid aan de weg en enkele boerderijen aan kleinere dwarswegen. Doordat de naoorlogse uitbreidingen van Dinther aan de noordzijde zijn gesitueerd, is de relatie tussen de nederzetting en het beekdal ten zuiden nog goed herkenbaar. Aa Brugstraat is een uitloper vanuit de kern Dinther richting het beekdal van de Aa. Het gebied tussen de Aa en de Zuid-Willemsvaart was een nat gebied (broek of beemdgronden met hier en daar een verhoging in het landschap (een donk). Laverdonk is hiervan een voorbeeld. Het broekgebied sluit in principe aan op het Wijbosch broek, maar is door de Zuid-Willemsvaart van elkaar gescheiden en heeft daardoor ook een andere historische ontwikkeling tot gevolg gehad.

De provinciale weg (N279) die parallel aan de Zuid-Willemsvaart loopt, verving de doorgaande weg die van Helmond via

Figuur 24 Vergelijking historische situatie (1900) met huidige situatie (luchtfoto)

Veghel naar ’s-Hertogenbosch loopt, waaraan de kernen Heeswijk-Dinther zich hebben ontwikkeld. Er is door het beekdal van de Aa een aantal doorsteken gemaakt om de kern Heeswijk-Dinther te verbinden met de N279. In het verleden was dat de Avensteinstraat die via Laverdonk de verbinding maakte. Aa Brugstraat was destijds een primaire ontsluitingsweg of -pad van de landbouwgronden die in het Aa-dal lagen. De Aa meanderde destijds ook veel meer en vormde de gemeentegrens. In 1963-1964 is de Aa rechtgetrokken en werd er een brug geplaatst om de gronden aan de overzijde

77

van de Aa te bereiken. Pas in 1988 zijn ter plekke (Aa Brugstraat 4 en Aa Brugstraat 19) agrarische bedrijven gevestigd. Waarschijnlijk was dat zelfs 1 bedrijf met aan beide kanten van de weg een bedrijfsdeel (Aa Brugstraat 19 had tot 1998 geen bedrijfswoning). Een deel van de oude arm van de Aa is nog aanwezig en zichtbaar in het veld. Door een groot deel van de gronden in te zetten voor landschappelijke, hydrologische en biodiversiteitsdoeleinden, worden een belangrijk deel van de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied versterkt. Het plan draagt bij aan de cultuurhistorische waarden van het gebied.

Figuur 25 Situatie 1963/1964 kanalisatie Aa

Archeologie In het geldende bestemmingsplan is het archeologische beleid van de gemeente Bernheze juridisch geborgd. In het kader van dat beleid is een studie uitgevoerd op basis van historische, geologische en geomorfologische kenmerken en de kans op archeologische vondsten bepaald. Afhankelijk van de uitkomsten van die studie op een locatie, is een dubbelbestemming aangebracht. Doormiddel van deze dubbelbestemming wordt beoogd om eventuele beschadigingen aan archeologische waarden te voorkomen. De dubbelbestemmingen gaan voor op de enkelbestemmingen, waardoor eerste bekeken dient te worden of de activiteiten die initiatiefnemers willen uitvoeren in een gebied, of op een locatie toegestaan zijn, vergunningplichtig zijn of verboden. Ten aanzien van archeologische waarden heeft dat vooral betrekking op activiteiten die in de grond gaan (graven). Afhankelijk van de kans op het aantreffen van archeologische vondsten is een gradatie aangebracht in bescherming ten opzichte van

78

activiteiten die schade kunnen toebrengen. Onderstaande zijn de archeologische dubbelbestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Per dubbelbestemming is aangegeven welke restricties er zijn m.b.t. graafwerkzaamheden. Dubbelbestemming Waarde – archeologie 1 Waarde – archeologie 2 Waarde – archeologie 3

onderzoeksplicht? graafwerkzaamheden > 100 m² en dieper dan 0,4 m7. graafwerkzaamheden > 250m² en dieper dan 0,4 m. graafwerkzaamheden > 2.500 m² en dieper dan 0,4 m.

Plandeel Veldstraat Voor plandeel Veldstraat is de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3’ opgenomen. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten is daardoor laag. In de beoogde situatie wordt 942 m² aan verharding toegevoegd 8 aan het plangebied (woningen, bijgebouwen, verharding). Deze oppervlakte blijft ruim onder de gestelde 2.500 m² die in het bestemmingsplan is opgenomen. Daardoor geldt dat er geen sprake is van een verbod of een vergunningsplicht. Het initiatief in dit plandeel heeft geen negatieve effecten op het aspect archeologie en kan doorgang vinden. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. Plandeel Aa Brugstraat Voor het plandeel aan Aa Brugstraat 19 geldt dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ en daardoor ook een stringenter beleid. Omdat voor een groot deel sprake is van natuurontwikkeling en in dat kader graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, is een onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage VIII toegevoegd aan dit plan. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie en het advies opgenomen. Ter informatie het onderzoek heeft plaatsgevonden op de kadastrale percelen 406, 758 en 759, terwijl het plangebied kleiner is. Echter zal het waterschap de gronden buiten het plangebied wel tot natuur ontwikkelen en daarvoor is deze informatie relevant.

Conclusie archeologisch onderzoek Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op de overgang van een dekzandrug in het noorden en het beekdal van de Aa in het zuiden ligt. Dergelijke locaties waren vanaf het Laat-Paleolithicum een aantrekkelijke vestigingslocatie, omdat de dekzandrug een hoge, droge vestigingsplaats bood nabij stromend water (de Aa). Er geldt daarom een hoge archeologische verwachting vanaf deze periode. Deze verwachting valt te verdelen over de verschillende landschappelijke zones waarin het plangebied zich bevindt. Op de dekzandrug kunnen nederzettingen, sporen van landgebruik en grafvelden voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum. Daarnaast geldt een hoge verwachting op militaire resten of belegeringskampementen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd vanwege de ligging tussen twee kastelen in. Hier hebben vanaf de 14e eeuw tot de 18e eeuw en met name tijdens de Tachtigjarige Oorlog (15681648) diverse belegeringen en gevechten plaatsgevonden.

7 8

Onder maaiveld Zie bijlage IV waterparagraaf

79

Voor het beekdal geldt een verwachting op constructies ten behoeve van infrastructuur, voorzieningen voor visvangst, plaatsen van rituele depositie en tijdelijke verblijfsplaatsen van jager-verzamelaars. Er geldt een specifieke verwachting op een visserij die tot kasteel Ter Borch heeft behoord. Deze visserij heeft vermoedelijk langs de zuidwestrand van het plangebied gestaan. Tijdens de 19e en 20e eeuw is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied tot aan de bouw van de huidige stallen en woningen vanaf de jaren 80 in de 20e eeuw. Uit deze periode worden daarom met name resten van landgebruik verwacht. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied in te delen is in een viertal geomorfologische zones. In het noordwesten van het plangebied bevindt zich een dekzandrug, waarvan de top van het dekzand intact is aangetroffen. Dit is te duiden aan de aanwezige bodemhorizonten in het dekzand. Ter plaatse van de bebouwing is de top van het dekzand grotendeels verstoord, doordat onder de stallen mestputten tot maximaal 185 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van de onbebouwde delen van de dekzandrug geldt op basis van bovenstaande resultaten een hoge archeologische verwachting op resten uit het Laat-Paleolithicum-Late Middeleeuwen.

Ter plaatse van de bebouwing zullen resten uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum niet meer aanwezig zijn, aangezien vindplaatsen uit deze periodes zich kenmerken door oppervlakkige vondstconcentraties. Wel kunnen er onder de bebouwing nog diepere grondsporen uit de periodes Neolithicum-Late Middeleeuwen voorkomen. In het centrale en zuidelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit beekafzettingen. Deze afzettingen zijn globaal te typeren als restgeulopvullingen en oeverwallen of overstromingsafzettingen, waarop circa een 1,0 m dikke laag verspoeld dekzand is afgezet. Van zuidwest naar noordoost is in het plangebied een restgeul aanwezig, te duiden aan het veen dat hier in de ondergrond aanwezig is. Ter plaatse van zowel de beekafzettingen als de restgeul en de voormalige loop van de Aa kunnen archeologische resten aangetroffen worden die verband houden met een beekdalcontext. Deze resten worden tot 100 cm -Mv in de beekafzettingen verwacht. Derhalve geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting. Ter plaatse van reeds gesaneerde agrarische schuur in het westen van het plangebied zullen bodemverstoringen tot circa 150 cm -Mv aanwezig zijn. Ter plaatse van het bouwvlak van deze schuur geldt derhalve een lage archeologische verwachting.

Hoewel in het noordoostelijke deel van het plangebied niet geboord kon worden, kan op basis van de hoogtekaart en de informatie van de overige boringen het gebied als beekdal worden geïnterpreteerd. Op basis van de hoogtekaart valt tevens de dekzandrug in het plangebied te begrenzen. In het noordoostelijke deel van het plangebied geldt derhalve dezelfde hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten in beekdalcontext. Advies Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. Deze is te specificeren per gebied.

80

Ter plaatse van de dekzandrug in het noordwesten van het plangebied is een hoge verwachting op resten vanaf het Paleolithicum vastgesteld. In het oosten en zuiden van het plangebied geldt tevens een hoge verwachting op archeologische resten, maar dan in beekdalcontext. Er geldt in het hele plangebied een lage verwachting op resten uit de Nieuwe Tijd. In het kader van het wijzigen van het bestemmingsplan adviseren wij de bestaande archeologische dubbelbestemming in het gehele plangebied te behouden. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied adviseren wij bij het slopen van de bestaande schuren geen vervolgonderzoek uit te voeren. De ondergrond is ter plaatse van deze schuren zodanig geroerd en vergraven dat eventuele archeologische resten verloren zullen zijn gegaan. Als in de toekomst binnen het aan te passen bouwvlak nieuwbouw gerealiseerd wordt, adviseren wij ter plaatse van de zones die buiten reeds bestaande bebouwingscontouren vallen, een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste uitgevoerd worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), doordat vindplaatsen op dekzandruggen zich voornamelijk kenmerken door grondsporen. Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat op voorhand van de werkzaamheden door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze) goedgekeurd moet zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=fdcfdcc5-8ee0-4380-be52-9a7a83d4f668