Toelichting
Tekst van het document
Het initiatief draagt derhalve bij aan het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving (verhogen milieukwaliteit, verbetering waterveiligheid en zoetwatervoorzieningen, cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en natuurverbindingen). Derhalve wordt geconcludeerd dat het
32
initiatief bijdraagt aan de doelstellingen van de SVIR. Daarnaast wordt middels deze procedure uitvoering gegeven aan Nationaal belang 13. 3.2.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Het Rijk heeft de Nationale Omgevingsvisie opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Met de NOVI brengt het Rijk in beeld waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Kansen om de sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, vellige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving stevig te verankeren in de Nederlandse manier van leven en werken. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen: - Klimaat & Energie: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzame economie: duurzaam economisch groeipotentieel; - Stad & Regio: sterke en gezonde steden en regio’s; - Landelijk gebied: toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In dit geval is de prioriteit met betrekking tot Landelijk gebied, belangrijk.
In het landelijk gebied geldt een flinke en urgente opgave ten aanzien van het versterken van de natuur en het landschap en het behoud van de vitaliteit van onze landbouw. Met name vanwege de stikstofproblematiek geldt dit als een zware en urgente opgave. In het landelijk gebied spelen veel nationale belangen die ruimte vragen, zoals energie, klimaat, landbouw en wonen, waar het Rijk aan werkt met behoud van natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Het is van belang dat de landbouw - letterlijk en figuurlijk ruimte krijgt om de transitie naar kringlooplandbouw vorm te geven en deze omslag te realiseren. Naast het realiseren van meer natuurgebieden van een goede kwaliteit is de bedoeling dat de natuurlijke hulpbronnen, ons natuurlijk kapitaal, op een duurzame manier worden benut en dat andere gebruikers niet langer afwentelen op de natuur, maar een positieve bijdrage gaan leveren aan natuur en biodiversiteit. De verschillende ruimteclaims in het landelijk gebied vragen om een goede afweging van belangen. Door het landgebruik in het landelijk gebied beter in balans te brengen met natuurlijke systemen via onder andere kringlooplandbouw, blijft het Rijk werken aan de toekomstbestendige ontwikkeling van ruraal Nederland.
Dat draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor een economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Om aan dit afwegingsproces richting te geven worden drie afwegingsprincipes gehanteerd. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
33
Doorwerking plangebied Het voorgestane plan geeft op microniveau exact aan hoe die opgave vanuit het Rijk doorvertaald kan worden naar de praktijk. Het voorgestane plan draagt in zijn geheel en in alle facetten bij aan de opgave die het Rijk heeft gesteld ten aanzien van het Landelijk gebied. 3.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) vormen de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR zijn geformuleerd. Het Besluit en de Regeling bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. Doorwerking plangebied Ten aanzien van onderhavige plangebied geldt dat de ontwikkeling geen specifieke betrekking heeft op de nationale belangen die in het Barro of Rarro worden genoemd.
3.2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ van enig omvang mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor realisatie van woningen geldt, dat voor woningbouwlocaties er vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Daarnaast geldt een uitzondering voor Ruimte-voorRuimtewoningen of vergelijkbare toegepaste constructies.
34
Doorwerking plangebied In dit geval worden er twee woningen toegevoegd, waardoor geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De woningen worden gerealiseerd via een Ruimte-voorRuimteachtige constructie, wat betekent dat zij de financiering dragen van te bereiken kwaliteiten. Kwaliteiten die zelfs als Nationale doelstelling zijn opgenomen in de NOVI. De ontwikkeling is daarom in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Noord-Brabant De Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma's. Tot die zijn vastgesteld blijven bestaande beleidsplannen voor natuur, ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer en milieu en water van kracht. Daarmee wil Brabant op tijd klaar zijn voor de Omgevingswet wanneer deze in 2021 wordt ingevoerd. Brabant heeft in het kader daarvan haar basisopgave als volgt geformuleerd: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast heeft zij vier hoofdopgaven aan de basisopgave toegevoegd, namelijk: • Werken aan de Brabantse energietransitie • Werken aan een klimaatproof Brabant • Werken aan de slimme netwerkstad • Werken aan een concurrerende, duurzame economie Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat lange termijn doel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
De omgevingsvisie heeft met name een karakter als handboek voor handelen bij (ruimtelijke) opgaven in Noord-Brabant, waarbij het belang wordt gelegd door diep, rond en breed naar opgaven te kijken en daarnaar te handelen. Conclusie De omgevingsvisie gaat uit van de lagenbenadering om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Een robuuste en zorgvuldige samenhang tussen ontwikkeling en kwaliteiten, afhankelijk van de plek. Deze gedachtegang heeft centraal gestaan bij de totstandkoming van dit plan. Er is met zorgvuldigheid gekeken naar de te behalen kwaliteiten die behaald kunnen worden door deze te combineren met een woningbouwontwikkeling op een plek die daarvoor geschikt is. De ontwikkeling is daarom in overeenstemming met de Omgevingsvisie tot stand gekomen.
3.3.2
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld en vervangt daarmee de Interimstructuurvisie
35
2008. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn nu vertaald in de ‘Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 7 februari 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is een van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. In figuur 16 is te zien dat de locatie Aa-Burgstraat 19 is gelegen binnen een zone ‘groenblauwe mantel’en waterbergingsgebied’. De locatie veldstraat is gelegen binnen het ‘gemengd landelijk gebied’ en ‘zoekgebied verstedelijking’.
Groenblauwe mantel De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe structuur, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. Behoud en ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Niet alleen voor een goed waterbeheer (waaronder hoogwaterbescherming en waterberging) maar ook voor de ontwikkeling van de natuur. De structuur is de groenblauwe ruggengraat van het landschap; deze dooradert zowel het landelijk gebied als stedelijk gebied van Noord-Brabant. De groenblauwe structuur in het Brabantse landschap is wezenlijk voor de aantrekkelijkheid van zowel het stedelijke netwerk als het agrarische cultuurlandschap van Noord-Brabant. De structuur is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving in Noord-Brabant.
De (historische) landgoederen binnen de groenblauwe structuur vormen een bijzondere categorie vanwege de verweven doelstellingen voor natuur, cultuurhistorie, landbouw en recreatie. De beeindiging, sloop en sanering van het agrarisch bedrijf aan Aa-Brugstraat 19 in combinatie met natuurontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen van de provincie Noord-Brabant voor dit gebied.
36
Figuur 16 Uitsnede structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging
37
varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Verordening ruimte NoordBrabant. De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002. Daarnaast kan een gemeente vanwege gewijzigde inzichten verzoeken om tot wijziging van deze gebieden over te gaan. De aanduiding zoekgebied verstedelijking geeft aan dat het transformeren van buitengebied naar stedelijk gebied (wonen, werken, voorzieningen, stedelijk groen) afweegbaar is als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien. Deze plek is geschikt om onder voorwaarden tot ontwikkeling worden gebracht voor woningbouw. Het initiatief is derhalve in overeenstemming met de structuurvisie van de provincie Noord-Brabant. Conclusie De voorgestelde constructie om woningbouw op een plek toe te staan, die als planologisch aanvaardbaar kan worden beschouwd, en die als finacnieringsbron te laten fungerren voor de toevoeging van kwaliteit op een een andere plek, past uitstekend binnen het beleid van de structuurvisie.
De ontwikkeling draagt bij aan de doelen die de provincie in haar structuurvisie heeft gesteld. De ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met de structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant. 3.3.3
Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. De geconsolideerde versie is op 1 augustus 2023 gepubliceerd. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
38
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor het plangebied aan Aa-Brugstraat 19 zijn de volgende aanduidingen van toepassing: 1. Landelijk gebied; 2. Groenblauwe mantel; 3. Reservering waterberging; 4. Behoud en herstel van watersystemen; 5. Beperkingen veehouderij; 6. Verbod uitbreiding veehouderij; 7. Stalderingsgebied 8. Sanerings- en verplaatsingslocatie Het plan heeft betrekking op de beëindiging van een veehouderijbedrijf, waardoor direct invulling wordt gegeven aan de aanduidingen 5 t/m 8. Voorheen hebben hier varkens gezeten en daarvoor is deelgenomen aan een verplaatsingsregeling. De varkens zijn inderdaad verdwenen, maar de regeling had geen betrekking op vleesvee. De sloopsanering van het bedrijf en de realisatie van natuur door het waterschap past uitstekend binnen de kaartbeelden van de provincie. In de Verordening zijn voor specifieke ontwikkelingen regels opgenomen die hieronder zijn opgenomen en waaraan de ontwikkeling is getoetst. Voor het plangebied aan Veldstraat zijn de volgende aanduidingen van toepassing: 1. Landelijk gebied; 2. Gemengd landelijk gebied; 3. Verbod uitbreiding veehouderij; 4. Verstedelijking afweegbaar; 5. Attentiezone waterhuishouding; 6.
Beperking veehouderij; 7. Stalderingsgebied. De ontwikkeling heeft geen betrekking op een veehouderij, waardoor aanduiding 3, 6 en 7 niet relevant zijn voor deze ontwikkeling. Voor gemengd landelijk gebied zijn instructieregels opgenomen voor mogelijke ontwikkelingen, wanneer aan die voorwaarden kaan worden voldaan, kan de gemeente besluiten medewerking te verlenen aan een dergelijk initiatief en een procedure opstarten. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de bescherming of ontwikkeling van waarden, zoals bijvoorbeeld de waterhuishouding, maar in dit geval ook met verstedelijking. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten.
39
Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning (plandeel Aa-Brugstraat 19) en worden twee nieuwe woningen toegevoegd (plandeel Veldstraat). De ontwikkeling aan Veldstraat is niet in overeenstemming met artikel 3.68 van de Interim omgevingsverordening. Lid 2 is niet relevant voor dit plan. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a. dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b. in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Lid 2 van artikel 3.68 is niet relevant voor dit plan. Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. c.
de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning aan Aa-brugstraat 19 wordt gewijzigd naar burgerwoning. De woning wordt niet gesplitst in meerdere wooneenheden. De overtollige bebouwing wordt gesloopt, waardoor geconcludeerd wordt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Artikel 3.77 Ontwikkelingsrichting Lid 1 Voor de toepassing van de maatwerkbepalingen in deze afdeling geldt dat het bestemmingsplan een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 3.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
40
a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 3.2 Basis op orde, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en d. op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Lid 2 Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie NoordBrabant werkzaam is. Waterschap Aa en Maas heeft samen met: - gemeente Meierijstad; - gemeente Bernheze; - gemeente Laarbeek; - provincie Noord-Brabant; - Staatsbosbeheer; - Brabants landschap, en - Lokale heemkundekringen. Een project ontwikkeld om het beekdal van de Aa verder te ontwikkelen naar een beekdal dat klimaatbestendig is, waar functies op het gebied van water, natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie en landschap elkaar versterken.
Daarvoor worden de volgende acties uitgevoerd: - Gezamenlijk wordt er een visie ontwikkeld voor dit project, gericht op de opgaven en de omgeving (landelijk, agrarisch, dorps/stadskern). Daarbij wordt aangehaakt op de eerder opgestelde rapporten ‘De kracht van het Aa-dal’ en worden de plannen gebaseerd op het ‘Verhaal van de Aa’; - Het waterschap gaat de beek deels herinrichten. Dit houdt onder meer in dat de beek op sommige plekken weer mag kronkelen (meanderen). Ook wordt een aantal oevers flauwer, met een geleidelijke overgang van water naar land. Zo ontstaat meer dynamiek en een grotere diversiteit aan planten en dieren. - langs de beek legt het waterschap een ecologische verbindingszone (EVZ) aan. Dit is een strook natuur die natuurgebieden met elkaar verbindt. Planten en dieren krijgen zo meer leefruimte en kunnen zich veilig verplaatsen. In de EVZ’s planten we struiken en bomen voor verschillende doelsoorten die daar baat bij hebben. Ook leggen we poelen voor amfibieën aan; - het waterschap gaat vispassages maken bij enkele stuwen en gemalen, zodat vissen veilig langs deze barrières kunnen zwemmen; - Het waterschap blijft in gesprek met grondeigenaren langs de beken om te verkennen of er mogelijkheden zijn.
41
Het plandeel aan Aa Burgstraat 19 draagt bij aan de gezamenlijke doelstellingen van provincie, waterschap, gemeenten en andere partners met betrekking tot de beekdalontwikkeling. Het plandeel Veldstraat ligt in een hee ander gebied, een gebied waar versterking van de stedenbouwkundige structuur en de functie wonen uitstekend past. Het is een uitloper van de kern Heeswijk-Dinther, waard een beperkte en zorgvuldig tot stand gekomen verdichting met een aantal woningen uitstekend past. De historische ontwikkeling van het gebied bevestigd ook dat de vestiging van woningen, of andere gebruiksfuncties op de hoger gelegen delen een logische ontwikkeling is. Op die manier is ook de koppeling tussen de kwaliteitsverbetering ter plaatse van het plandeel Aa Brugstraat en de woningbouwontwikkeling aan Veldstraat een ontwikkeling die vanuit cultuurhistorisch, ecologisch, landschappelijke en hydrologisch oogpunt een hele logische is. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.77 van de interim omgevingsverordening.
Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert; b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd; c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woon- en leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77; e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt; f. de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. De nieuwe woningen aan Veldstraat worden gecombineerd met de kwaliteitsverbetering aan Aa-Brugstraat 19 te Heeswijk-Dinther.
De kwaliteitsverbetering past uitstekend bij de doelen die de provincie, het waterschap en de gemeente heeft gesteld in dat gebied. In hoofdstuk 2 is uitgebreid ingegaan op de analyse van het gebied, de structuren en de te bereiken kwaliteiten. Het beleid bevestigd deze analyse en daardoor wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden van de Interim Omgevingsverordening.
42
Lid 2 De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft: 1. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied; De woningen liggen in een bebouwingsconcentratie, welke tevens is aangeduid als zoekgebied voor verstedelijking. De invulling van deze plek met woningen is in overleg met de gemeente Bernheze uitgevoerd, waardoor sprake is van een aanvaardbare locatie in het landelijk gebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit, qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimtevoor-ruimtekavel; en In paragraaf 2.5.6 is dit verder uitgewerkt. Daaruit blijkt dat voldaan wordt aan deze voorwaarde. 3. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort; Met deze ontwikkeling is ook de Ruimte-voor-Ruimtemaatschappij betrokken voor het aanleveren van een Ruimte-voor-Ruimtetitel (in bijlage X is de bewijslast van de bouwtitel opgenomen) . Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b.
als de ontwikkeling mede tot doel heeft een milieubelastende activiteit te saneren, moeten alle daarvoor aanwezige rechten en toestemmingen, waaronder de verleende vergunningen, zijn ingetrokken; Alle rechten, toestemmingen en derhalve de verleende vergunningen worden voor de locatie Aa-Brugstraat 19 ingetrokken.
Lid 3 Er is sprake van een aanvaardbare locatie voor de ontwikkeling van een woning als: a. de locatie in een bebouwingsconcentratie ligt; b. of de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie. De woningen zijn gelegen op een aanvaardbare plek in een bebouwingsconcentratie. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Lid 4 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a.
43
Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimte kavel Lid 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling: a. door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit; b. op een aanvaardbare locatie plaatsvindt als bedoeld in Artikel 3.78 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit, derde Lid; en c. past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77. Voor 1 van de 2 kavels wordt een Ruimte-voor-Ruimtetitel aangekocht. De andere wordt in het kader van maatwerk voor omgevingskwaliteit gerealiseerd. Hiervoor gelden dezelfde ruimtelijke randvoorwaarden en wordt verwezen naar de beantwoording op de voorwaarden uit artikel 3.78. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Lid 2 Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing. Lid 3 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: d. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik, onder a; e. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap; en f. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied, eerste Lid, onder a.
3.3.4
Maatwerkbepaling omgevingskwaliteit Op 19 juli 2022 heeft de provincie Noord-Brabant de beleidsregel Maatwerkbepaling omgevingskwaliteit vastgesteld en gepubliceerd. Op 26 juli 2023 is deze aangepast en is de aangepaste versie vastgesteld en in werking getreden. Met deze beleidsregel geeft de provincie handvatten om op basis van omgevingskwaliteiten mogelijkheden te creëren voor de realisatie van woningen. De voorwaarden ten aanzien van de plek van de woningen zijn in de verordening vastgelegd. Daarnaast is aangegeven dat er sprake dient te zijn van kwaliteitsverbetering. Kwaliteitsverbetering is de onderlegger/het uitgangspunt om een woning te kunnen realiseren. In de verordening is aangegeven dat er mogelijkheden voor een woning ontstaan wanneer de kwaliteitsverbetering gelijk staat aan de waarde van een Ruimtevoor-Ruimtebouwtitel (€ 125.000,- per woning). In de beleidsregel is aangegeven om wat voor type woning het kan gaan, welke tegenprestatie per type woning wordt gevraagd en welke waardering wordt gegeven aan een kwaliteitsverbeterende maatregel. Voorbeelden van kwaliteitsverbeterende maatregel; zijn: - sloop van bebouwing, incl. afwaardering van de gronden; - sloop en sanering van verharding, incl. afwaardering van de gronden; - sloop en sanering van mestputten, incl. afwaardering van de gronden; - inrichting, beheer en onderhoud van natuur en landschap, incl.
afwaardering van de gronden;
44
-
asbestsanering; intrekken van ammoniakrechten (stikstofdepositie); behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden;
Voor sommige maatregelen is een waardering opgenomen (bijvoorbeeld de sloop en afwaardering van bebouwing) en voor sommige is dat niet het geval (bijvoorbeeld aanleg van natuur). In de beleidsregel is tenslotte opgenomen dat er een minimale vorm aan kwaliteitsverbetering dient te zijn. Bijvoorbeeld bij het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. In ruil daarvoor dient 250m² aan bebouwing te worden gesloopt. In paragraaf 2.5.6 is een berekening opgenomen waarin de kwaliteitsverbetering is uitgelegd en toegelicht. Daaruit blijkt dat de totale kwaliteitsverbetering een waardering heeft van € 370.621,-. In bijlage IIC is de rekenmodule van de provincie opgenomen. In die rekenmodulen zijn de actieve maatregelen en waardering van de actieve maatregelen inzichtelijk gemaakt. In bijlage IID zijn de passieve maatregelen en waardering daarvan inzichtelijk gemaakt. Het plan voorziet in de realisatie van 2 woningen aan Veldstraat, waardoor de tegenprestatie minimaal € 250.000,- dient te zijn. De actieve maatregelen vertegenwoordigen een waarde van bijna € 90.000,-. Het tekort kan en mag hij conform de provinciale regeling (zie artikel 7.16 van de Beleidsregel omgevingsrecht van de provincie Noord-Brabant) in financiële zin voldoen via het groenfonds van de gemeente.
De gemeente kan met dat geld fysieke maatregelen financieren, zodat de kwaliteitsverbetering ook in de gemeente Bernheze wordt uitgevoerd. Voor de andere woning heeft de initiatiefnemer een Ruimte-voor-Ruimtetitel aangekocht bij de Ontwikkelmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte (zie bijlage X). De ontwikkeling is daardoor in overeenstemming met beleidsregel Maatwerk voor omgevingskwaliteit.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Bernheze 2040 De omgevingsvisie is één van de instrumenten uit de Omgevingswet. Nieuwe initiatieven moeten bijdragen aan een verbetering van de omgevingskwaliteit. Hoe die verbetering er uit ziet staat in de omgevingsvisie. De gemeente bepaalt met de omgevingsvisie de wenselijkheid van nieuwe initiatieven, die niet mogelijk zijn volgens het omgevingsplan. De vraag die de gemeente zichzelf stelt is “Hoe zorgen we dat veranderingen in de omgeving bijdragen aan de ambities?” staat centraal in de Omgevingsvisie. De Omgevingswet beoogt niet alleen het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het wil ook ruimte maken voor ontwikkelingen. Dit betekent voor de gemeente en andere overheden een andere houding naar burgers en bedrijven met initiatieven. Het 'ja, mits'-principe, in plaats van het 'nee, tenzij'-principe. De ‘mits’ staat beschreven in de omgevingsvisie. Nieuwe ontwikkelingen willen we mogelijk maken, mits ze bijdragen aan de ambities in de omgevingsvisie. Dit doet de gemeente op basis van de vijf thema’s die zijn uitgewerkt in de Omgevingsvisie.
45
De vijf thema’s zijn: 1. Gezonde leefomgeving; 2. Leefbare kernen; 3. Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit; 4. Vitale en duurzame landbouw&economie; 5. Kwaliteit landschap en erfgoed; Onderstaand is aangegeven of en in welke zin dit project bijdraagt aan de vijf thema’s. Gezondere leefomgeving Ten aanzien van dit thema wordt ingezet op het verminderen van externe gezondheidsrisico’s door lucht, grond- en oppervlaktewater en bodem schoner te maken, minder geluids- en geuroverlast en de risico’s op zoönose klein te maken. Ook wil de gemeente inzetten op Groene Gezonde Structuren (GGS). Door te investeren in groen-blauwe omgeving wil de gemeente de gezondheid bevorderen door te bewegen, te sporten, te spelen, te ontspannen en/of te ontmoeten. Dat hoeft niet alleen binnen de groen-blauwe structuren, maar kan ook in buurt- of dorpshuizen, via coöperaties, samenwerkingsopzetten, verenigingen etc. tot slot zet de gemeente zich in om iedereen deel te laten nemen aan de maatschappij, waardoor inclusiviteit expliciet is vernoemd. Door het stoppen van het veehouderijbedrijf en de investeringen in het beekdal van de Aa (zowel passie als actief), draagt deze ontwikkeling bij aan de versterking van de groenblauwe structuur, aan de afnamen van zoönose, verbetering van luchtkwaliteit en afnamen van geur.
Het initiatief draagt derhalve bij aan een aantal componenten die belangrijk zijn voor het thema gezondere leefomgeving. Leefbare kernen Ten aanzien van dit thema wordt ingezet op: - de versterking van de identiteit van de kernen; - inzetten op innovatief, compact en betaalbaar wonen; - groen (natuurinclusief), klimaat adaptief en circulair maken van de kernen; - Vitale dorpscentra; - Meer prioriteit aan langzaam verkeer en ontmoedigen doorgaand verkeer; - aantrekkelijk wonnen en leven; - Duurzame kernen; - Veilige leefomgeving; - Ruimte aan inwonersinitiatieven. Ondanks dat het plangebied niet in de kern Heeswijk-Dinther is gelegen, draagt het toch bij aan een aantal componenten van dit thema. Door de sloop en sanering van het veehouderijbedrijf en de investering in het beekdal van de Aa (zowel passief als actief) wordt de identiteit van Heeswijk-Dinther versterkt en vergroot het ook de recreatieve mogelijkheden (ommetje), waardoor ook bijgedragen aan aantrekkelijk wonen en leven. Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit De gemeente zet ten aanzien van dit thema in op: - Water en bodem sturend;
46
-
Vasthouden van elke druppel water; Aangename plekken; Herstel biodiversiteit; Energie inpassen in het landschap; Bewustwording en gedrag.
Met het initiatief neemt de verharde oppervlakte af, waardoor water beter kan infiltreren. Ook worden door de passieve maatregelen een belangrijke bijdrage geleverd aan het verbeteren van het Aa-dal, wat ten goede komt aan de biodiversiteit, het vasthouden van water en de plek mooier gemaakt. Het plan draagt bij aan dit thema. Vitale en duurzame landbouw en economie De gemeente zet in op: - innovaties in voedsel- en grondstof-productie - Extensivering - Combineren van sterke landbouw met groenblauwe functies; - We beperken overlast en zoneren zorgvuldig; - Nieuwe verdienmodellen - Aandacht voor de menskant; - Duurzame en toekomstbestendige economie - Koesteren en stimuleren van lokale bedrijvigheid - Hernieuwbare energie en sterke elektriciteitsinfrastructuur Het initiatief heeft betrekking op de beëindiging van een veehouderij, over de toekomst op Aa-Brugstraat 19 is goed nagedacht, samen met de initiatiefnemer over een goed functioneren op deze plek. Een woonfunctie past uitstekend bij de plek, waardoor bijdrage wordt geleverd aan de menskant en de groenblauwe opgaven die op deze plek liggen. Het plan draagt bij aan dit thema.
Kwaliteit in landschap en erfgoed De gemeente zet in op: - beschermen en herstellen van cultuurhistorische elementen en structuren; - Toekomstige ontwikkelingen benutten de kenmerken van het landschap en het erfgoed; - Toegankelijk en beleefbaar erfgoed en landschap - Concrete projecten ondersteunen. Het plan draagt bij aan dit thema door verbetering van het Aa-dal. Dat betreffen niet alleen groenblauwe waarde, of biodiversiteit en landschap, maar benadrukt ook de cultuurhistorie, vanwege de betekenis van het Aa-dal voor de vorming van het landschap en de ontstaansgeschiedenis van Heeswijk-Dinther en omgeving. Onder andere door de verbinding Kilsdonkse Molen – kasteel Heeswijk. Het plan draagt bij aan dit thema. Conclusie Het plan draagt in grote mate bij aan een aantal thema’s. sommige (bijvoorbeeld biodiversiteit en klimaatadaptatie) meer dan aan andere (vitale landbouw en leefbare kernen), maar op elke thema heeft het plan in meer of mindere mate raakvlakken end
47
raagt het zodoende bij aan de ambities van de gemeente. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie Bernheze 2040.
3.4.2
Woonvisie 2022-2026 In samenwerking met onder andere woningcorporaties, huurdersorganisaties, dorpsraden, zorg- en welzijnsinstellingen heeft de gemeente Bernheze een woonvisie opgesteld. Deze is op 2 november 2021 door de gemeenteraad van Bernheze vastgesteld. Met deze woonvisie wordt ingezet op betaalbaarheid, waarbij de aandacht hoofdzakelijk wordt gericht op de doelgroepen senioren, jongeren en jonge gezinnen. In 2021 zijn de woonwensen en -behoeften van de inwoners gepeild middels presentaties en bijeenkomsten. De uitkomsten van dit specifieke onderzoek, alsmede het gebruik van diverse algemene onderzoeken (Woonwensenonderzoek 2019 Bernheze, Woonwensen onderzoek 2019 van de regio Noordoost Brabant en de regionale woningmarktmonitor 2020), zijn gebruikt voor het opstellen van de nieuwe woonvisie. Deze spitst zich toe op vijf thema’s: 1. Voldoende woningen bouwen, snel en voortvarend 2. De juiste woningen op de juiste plek 3. Toekomstbestendig en duurzaam 4. Maatwerk voor onze kernen 5. Samenwerken aan uitvoering In het kader van punt 2 is een passage opgenomen voor wonen in het buitengebied. De gemeente wenst een vitaal landbouwgebied. In het buitengebied is wonen ondergeschikt aan de landbouw. De gemeente ziet dat er steeds meer agrarische bedrijven stoppen.
De agrariër mag zich onder voorwaarden en in bepaalde gebieden woningen bouwen op dezelfde plek van de agrarische bedrijfsbebouwing die wordt gesloopt. Er is ruimte voor maatwerk. Ook ziet de gemeente dat na de bedrijfsbeëindiging de agrarische (voormalige) bedrijfswoning blijft staan. De basis is gelegen in het ruimte-voor-ruimtebeleid van de provincie. In dit geval wordt niet gebouwd op de plek waar het agrarisch bedrijf wordt beëindigd. De plek aan Veldstraat (plandeel Veldstraat) ligt veel beter en nieuwe woningen passen op die plek ook beter bij de ontwikkeling van dat gebied. met dit plan wordt maatwerk geleverd en ook vooral doelen bereikt met betrekking tot klimaat, natuur, landschap, hydrologie. Het plan is uitgewerkt aan de hand van de woonvisie.
3.4.3
Beleidsregel “Ruimte voor Ruimte gemeente Bernheze 2021”. Op 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad van Bernheze de beleidsregel ‘Ruimte-voorRuimte gemeente Bernheze 2021’ vastgesteld. Daarin is aangegeven dat in basis de kwaliteitsverbetering (sanering van een intensieve veehouderij) binnen de gemeentegrenzen van Bernheze dient plaats te vinden. Als dat niet lukt dient een Ruimte-voor-Ruimtetitel aangekocht te worden bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte-voor-Ruimte. De ontwikkellocatie dient te zijn gelegen binnen of aansluitend aan een bebouwingsconcentratie en dienen bij voorkeur planmatig te worden ontwikkeld. Hiervan kan worden afgeweken wanneer een plan de garantie biedt tot een maatschappelijk gewenste kwaliteitsverbetering waarop de bouwtitel tot stand komt.
48
Een fysieke bijdrage aan de realisatie en/of versterking van het NatuurNetwerk Brabant en ecologische verbindingszones (EVZ’s) is hierbij een pré en de mogelijkheden voor recreatieve voorzieningen dienen te worden afgewogen. De Ruimte-voor-Ruimteregeling bestaat sinds 1 januari 2023 niet meer, waardoor de juridische basis van deze beleidsregel weg is. Desondanks wordt met dit plan invulling gegeven aan de uitgangspunten van de beleidsregel, namelijk een substantiële bijdrage aan kwaliteit in de gemeente Bernheze waarbij meerdere maatschappelijke doelen zijn betrokken. Daardoor wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de beleidsregel Ruimte voor Ruimte gemeente Bernheze 2021”. 3.4.4
Gebiedsvisie “Bebouwingsconcentraties Bernheze”. Op 21 september 2021 is de definitieve versie van de gebiedsvisie ‘Bebouwingsconcentraties Bernheze’ gepubliceerd. De visie betreft een actualisatie van de visie van 2007. Het doel van deze visie is de kwaliteit van de bebouwingsconcentraties (kernrandzones, bebouwingslinten en bebouwingsclusters) beter in beeld te brengen en te laten leiden bij besluitvorming rondom de mogelijkheden voor nieuwe woningen. De visie geeft een nadere duiding en nuancering op de toepassing van Ruimte-voor-Ruimte (of sinds 1-1-2023 de beleidsregel maatwerk voor kwaliteitsverbetering). De visie geeft handvatten op welke vlakken ruimtelijke kwaliteit valt te behalen, wat ruimtelijke kwaliteit is en hoe de Ruimte-voor-Ruimteregeling, of opvolger/vergelijkbare regeling, daar een rol in kan spelen. Bij het toevoegen van ruimtelijke kwaliteit gaat het niet alleen om wat mooi of lelijk is, maar ook over logica en locatiespecifieke activiteiten passend bij de dynamiek van de plek. Ruimtelijke kwaliteit valt, kort gezegd, op te splitsen in drie kernwaarden met daaraan verbonden enkele concrete criteria: 1. Gebruikswaarde → doelmatigheid + functionele samenhang 2. Belevingswaarde → diversiteit + identiteit + schoonheid 3.
Toekomstwaarde → duurzaamheid + flexibiliteit + beheerbaarheid Met dit plandeel wordt conform de bovenstaande criteria kwaliteit toegevoegd aan het buitengebied, specifiek het beekdal van de Aa, van de gemeente Bernheze. De locatie van de woningen dient daarbij wel als ‘planologisch aanvaardbaar’ te worden beschouwd en dat betekent in ieder geval dat de plek binnen, of aansluitend aan een bebouwingsconcentratie moet zijn gelegen. Het plandeel aan Veldstraat ligt binnen de zonering van kernrandzone Heeswijk-Dinther. Voor de kernrandzone is in de visie aangegeven dat het dorp Heeswijk-Dinther langs de oude linten (in westelijke richting), of richting het noorden met behoud van eigenheid van de historische bebouwingslinten, kan worden uitgebreid. In de visiekaart is een aantal van dei verdichtingsplekken zelfs aangeduid. Ook het initiatief is opgenomen in deze visie als “reeds geplande afronding dorpsrand’. In figuur 17 is daarvan de uitsnede weergegeven. Het plan draagt in die zin bij aan de deze visie en voldoet aan de uitgangspunten.
49
Figuur 17 Uitsnede visiekaart Heeswijk-Dinther
3.4.5
Kwaliteitsverbetering Bernheze Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Bernheze besloten om het beleid van de provincie ten aanzien van kwaliteitsverbetering op Bernheze toe te passen en vast te stellen. Op 14 maart 2013 heeft de gemeenteraad een wijziging op dat beleid vastgesteld. In dat beleid is een categorisering van ontwikkelingen opgenomen. afhankelijk van de categorie (1, 2 of 3) zijn inspanningen nodig ten aanzien van landschappelijke kwaliteiten. Bij categorie 1 is geen extra inspanning nodig. Bij categorie 2 is een landschappelijke inpassing nodig en bij categorie 3 zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. De investering die noodzakelijk is, wordt berekend aan de hand van een excel-formulier waarin de waardering is opgenomen. 20% van de waardevermeerdering dient te worden geïnvesteerd in landschappelijke kwaliteiten. Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is aangemerkt als categorie 3 ontwikkeling. Voor deze ontwikkeling is alleen het agrarisch bouwvlak genomen als uitgangspunt en als tegenprestatie in ieder geval de 250m² sloop die de provincie ook voorschrijf. Het eigendom van de initiatiefnemer aan Aa brugstraat blijft voor een deel agrarisch (7.500 m²) en een deel voor de woonbestemming (3.500 m²). Het overige deel wordt ingezet voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing en bedraagt circa 2.000 m².
Conform de berekening (zie bijlage II) dient een investering plaats te vinden van
50
€5.680,-. Daaraan wordt voldaan. Het plan voldoet daarmee aan het beleid ten aanzien van kwaliteitsverbetering van de gemeente Bernheze. De sloop van 250 m² aan bebouwing, die de provincie hanteert, vertegenwoordigd een waarde van (250 m² *€42,=) €10.500,-. Terwijl volgens de kwaliteitsberekening van Bernheze, uitgegaan moet worden van sloopkosten van €25,-/m², waardoor de kwaliteitsverbetering een waarde vertegenwoordigd van €6.250,-. De ontwikkeling voldoet daarmee ruim aan de te investeren 20% benodigde kwaliteitsverbetering. Door nog eens een extra investering toe te passen van 2.000m² aan landschappelijke inpassing, wordt ruim voldaan aan de inspanning en kan die landschappelijke inspanning meegeteld worden bij de benodigde kwaliteitsverbetering van de provincie, waardoor de totale tegenprestatie op eigen terrein bijna uitkomt op een volwaardige bouwtitel. Deze bouwtitel wordt ingezet ter plaatse van het plandeel Veldstraat.
51
HOOFDSTUK
4 Omgevingsaspecten
4.1
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
4.1.1
M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden twee woningen gerealiseerd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en minder dan 2.000 woningen omvat, is geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. De realisatie van woningen kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft “slechts” de ontwikkeling van twee woningen. Als gevolg hiervan dient voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen en door het bevoegd gezag een besluit te worden genomen. In navolgende paragrafen wordt ingegaan op de effecten die deze ontwikkeling tot gevolg heeft en op basis daarvan kan bepaald worden of de ontwikkeling leidt tot significant negatieve effecten voor woon- en leefklimaat, waaronder op Natura2000 gebieden.
52
4.2
Flora en Fauna Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van de procedure heeft Tritium advies een onderzoek naar flora- en faunawaarden uitgevoerd. Het rapport2 dat het onderzoek beschrijft is als bijlage III toegevoegd aan dit plan. In deze paragraaf is de samenvatting en de conclusies uit dat rapport opgenomen.
4.2.1
Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Deelconclusie Natura2000 gebieden Vanwege de afstand tot het meest nabije Natura 2000-gebied en de aard van het planvoornemen van beide plangebieden valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden zijn door de afstand en de aard van de geplande werkzaamheden en nieuwe inrichting niet van toepassing en ook andere hinder die de wezenlijke waarden en kenmerken van Natura 2000-gebieden aantast is niet verwacht. In het kader van stikstofdepositie is een berekening uitgevoerd met de Aerius calculator om te kijken of het initiatief een effect heeft op Natura2000 gebieden. De rapporten met deze berekening zijn toegevoegd als bijlage IX aan dit bestemmingsplan.
In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling aan de Aa-Brugstraat19 en de Veldstraat ong. in Heeswijk- Dinther. Deelconclusie Natuurnetwerk Nederland De plandeelgebieden liggen buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van een natuurgebied door de geplande werkzaamheden moet dan in kaart gebracht worden, met uitzondering van verspreiding van stoffen via de lucht of het water. In dit geval is het plangebied aan de AA-Brugstraat 19 grenzend aan het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Gezien de aard van de werkzaamheden (sloop bebouwing en 2
Quickscan flora- en fauna Aa-Brugstraat 19 en Veldweg ong. te Heeswijk-Dinther, documentnummer 2208/018/fb-03, Tritium advies, Nuenen 1 juni 2023
53
aanplant) met korte en tijdelijke duur, op een locatie waar reeds activiteiten worden uitgevoerd, valt een negatief effect op dat natuurgebied tijdens de werkzaamheden niet te verwachten wanneer er overdag wordt gewerkt, rekening wordt gehouden met het broedseizoen en er wordt gehandeld volgens de algemene zorgplicht. In de nieuwe situatie zal er niet meer verstoring op het omliggende Natuurnetwerk Nederland ontstaan, en effectenanalyse om verstoring door bijvoorbeeld licht, geluid of trillingen in kaart te brengen is daarom niet noodzakelijk. Het plangebied aan de Veldstraat is wel verder van het Natuurnetwerk Nederland gelegen (>475 meter) met agrarische bedrijvigheid en woningen ertussen. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen op deze locatie (twee woonkavels), wordt hier geen negatief effect van het planvoornemen op het dichtstbijzijnde natuurgebied verwacht. Deelconclusie Houtopstanden De binnen dit planvoornemen te vellen houtopstand in het plangebied (locatie AaBrugstraat 19) is kleiner dan 1.000 m2 in oppervlakte en bestaat niet uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen bevat. Hierdoor bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming. Binnen plangebied 2 zijn geen houtopstanden gelegen die middels het plangebied verloren gaan.
Soms zijn er vanuit gemeentelijk beleid toch verplichtingen bij het kappen van bomen zoals een meldingsplicht, een vergunningsplicht en/of herplantplicht. Dergelijke informatie is op te vragen bij het omgevingsloket van de gemeente 4.2.2
Soortenbescherming Tijdens een bezoek aan het plangebied is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen, zowel visueel als auditief, en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Deelconclusie flora Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora. Deelconclusie vogels Naar alle waarschijnlijkheid benut een aantal vogelsoorten met jaarrond beschermd nest, het plangebied aan de AA-Brugstraat 19 als broed- en/of leefgebied. Daarom is verder onderzoek naar het voorkomen en broeden van deze soorten binnen dit plangebied noodzakelijk. Het betreft de steenuil, de kerkuil, de huismus en de gierzwaluw. Bij het plangebied aan Veldstraat worden geen beschermde nest-, rust- en verblijfplaatsen of leefgebied van jaarrond beschermde soorten verwacht. Nader onderzoek naar vogels is daarom op deze locatie niet noodzakelijk.
54
Wel benut een aantal algemeen voorkomende vogelsoorten het plangebied als foerageer- en broedgebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien deels als foerageergebied in gebruik blijven. Soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Dit geldt ook voor soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is bij ecologische zwaarwegende redenen. Er kunnen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied of in de nabije omgeving ervan. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van de algemeen voorkomende vogels, de vogelsoorten zonder jaarrond beschermde nesten en de soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is bij ecologische zwaarwegende redenen. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor deze vogels.
Deelconclusie grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied aan de AA-Brugstraat 19 zijn (potentiële) vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen en/of leefgebied vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Daarom is verder onderzoek naar deze soorten binnen dit plangebied noodzakelijk. Het betreft de steenmarter. Binnen het plangebied aan de Veldstraat zijn geen (potentiële) vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen of leefgebied van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie vastgesteld. Voor deze locatie is geen vervolgonderzoek ten aanzien van grondgebonden zoogdieren noodzakelijk. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor deze zoogdiersoorten. Deelconclusie vleermuizen Er zijn binnen het plangebied aan de AA-Brugstraat 19, locaties aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar deze soortgroep op deze locatie is daarom noodzakelijk. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied.
Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Deelconclusie amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied aan de AA-Brugstraat 19 zijn mogelijk vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen en/of leefgebied van soorten die zijn beschermd via de
55
Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Het betreft leefgebied van de kamsalamander. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk bij dit deel van het plangebied indien de bossingel met beplanting wordt aangelegd in het voortplantingsseizoen (februari – juni) en de infiltratiegreppel in de overwinteringsperiode (half oktober – januari) van de kamsalamander. Binnen plangebied aan Veldstraat worden geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen en/of leefgebied van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie verwacht. Aanvullend onderzoek naar beschermde amfibieën, reptielen en vissen is daarom op deze locatie niet van toepassing. Algemeen voorkomende soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker, zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten. Deelconclusie ongewervelden Er zijn geen negatieve effecten te verwachten van dit planvoornemen met betrekking tot ongewervelde fauna. Deelconclusie invasieve exoten Binnen het planvoornemen zijn er geen verplichtingen aangaande invasieve exoten. Conclusie In het flora en faunarapport is een aantal aanbevelingen opgenomen conclusies. In deze paragraaf de belangrijkste.
Voor een aantal soorten, waaronder vleermuizen, huismus, gierzwaluw, steenuil, steenmarter en kerkuil. Deze mogelijke verblijfplaats van deze soorten bevindt zich in gebouw nummer 4 in figuur 14. Aangezien deze onder het overgangsrecht komt te vallen, is geen sprake van verstoring van deze soorten en overtreding van de Natuurbeschermingswet. Desondanks zijn er al wel onderzoeken uitgezet om mogelijke maatregelen vast te stellen. Ten aanzien van de sloop van dit gebouw zal in de voorwaardelijke verplichting die verbonden is aan dit gebouw worden opgenomen dat maatregelen moeten worden genomen. Deze maatregelen zijn pas definitief bekend na afronding van het onderzoek. Ten aanzien van de Kamsalamander geldt dat wanneer de landschappelijke inpassing niet in het voortplantingsseizoen (februari – juni) plaatsvindt, effecten nagenoeg zij uit te sluiten en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Voor de aan te leggen infiltratiegreppel geldt dat wanneer deze niet in de overwinteringsperiode (half oktober – januari) wordt aangelegd, negatieve effecten nagenoeg uit te sluiten zijn en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Werkzaamheden dienen vooral overdag te worden uitgevoerd en niet te starten tijdens het broedseizoen (maart – juni). 4.3