Toelichting
Tekst van het document
In het kader van de toekomstige natuurontwikkelingen in zuiden en oosten van het plangebied adviseren wij een archeologische begeleiding (IVO-AB) te laten plaatsvinden op de locaties waar de ondergrond vergraven zal worden. Aangezien vindplaatsen in beekdalcontext puntlocaties of lijnstructuren betreffen, kunnen deze het beste opgespoord worden ter plaatse van de bodemverstoringen. Eventuele vondsten kunnen vanaf circa 35 cm -Mv aangetroffen worden. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Bernheze) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Aangezien het plandeel betrekking heeft op het bouwvlak, en er geen bebouwing wordt toegevoegd, of extra graafwerkzaamheden plaats gaan vinden, is een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling. 4.11
Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);
81
-
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen). Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in: 1. Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten; 2. Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Ook wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Gemeentelijke beleidskader De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid. Deze visie is in 2008 vastgesteld voor de gemeenten Lith, Maasdonk, Bernheze en Landerd. In deze visie wordt invulling gegeven aan de omgang met externe veiligheidsaspecten binnen
82
de gemeente Bernheze. De beleidsvisie bevat geen gebiedstypering of uitgangspunten die gehanteerd kunnen worden voor de verantwoording van het groepsrisico. Risicovolle inrichtingen plandeel Veldstraat In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Navolgende figuur 26 geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Daaronder is met een nummer aangegeven welke objecten in de omgeving van het plangebied aan Veldstraat zijn
Figuur 26 Uitsnede risicokaart
gelegen. 1 = Heeswijkseweg 5 Opslag propaan Plangebied buiten PR-contour, brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied Geen GR-contour van toepassing 2 = Sint Servatiusstraat 25 (tankstation) PR-contour 40 meter, plangebied is hierbuiten gelegen dus geen belemmering. Plangebied ligt ook buiten brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied. Betreft een Bevi-inrichting, dus sprake van een invloedsgebied. Plangebied op afstand van ruim 1,5 kilometer van inrichting. Dus volstaan met beperkte verantwoording van groepsrisico. 3 = Kameren 2a Opslag propaan
83
Plangebied buiten PR-contour, brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied Geen GR-contour van toepassing 4 = Lariestraat 25a Opslag propaan Plangebied buiten PR-contour, brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied Geen GR-contour van toepassing Overige inrichtingen zijn op een dusdanig grote afstand gelegen dat die geen belemmeringen opleveren ten opzichte van het plan. Risicovolle inrichtingen plandeel Aa brugstraat 19 In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Navolgende figuur 27 geeft een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Daaronder is met een nummer aangegeven welke objecten in de omgeving van het plangebied aan Aa brugstraat 19
Figuur 27 Uitsnede risicokaart
zijn gelegen. 1 = Heeswijkseweg 5 Opslag propaan Plangebied buiten PR-contour, brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied Geen GR-contour van toepassing 2 = Sint Servatiusstraat 25 (tankstation) PR-contour 40 meter, plangebied is hierbuiten gelegen dus geen belemmering. Plangebied ligt ook buiten brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied.
84
Betreft een Bevi-inrichting, dus sprake van een invloedsgebied. Plangebied op afstand van ruim 700 meter van inrichting. Dus volstaan met beperkte verantwoording van groepsrisico. 3 = Aa-Brugstraat 4 Opslag propaan Plangebied buiten PR-contour, brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied Geen GR-contour van toepassing 4 = Kanaaldijk Noord 44a (proefboerderij) Opslag propaan PR-contour 45 meter, plangebied is hierbuiten gelegen dus geen belemmering. Plangebied ligt ook buiten brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied. Betreft een Bevi-inrichting, dus sprake van een invloedsgebied. Plangebied op afstand van circa 650 meter van inrichting. Dus volstaan met beperkte verantwoording van groepsrisico. Overige inrichtingen zijn op een dusdanig grote afstand gelegen dat die geen belemmeringen opleveren ten opzichte van het plan. Buisleidingen Veldstraat Op een afstand van 1,8 kilometer ten noorden van het plangebied bevinden zich twee ondergrondse buisleidingen van Gasunie Transport Services B.V. (referentie NL.IMEV.GASU.BAGEO200404572 en NL.IMEV.GASU.BAGEO200403948). De leiding bevindt zich op dermate afstand dat deze geen belemmering oplevert voor deze herbestemming. Het plangebied is buiten de risicocontour en buiten het invloedsgebied van deze gasleiding gelegen. In figuur 28 zijn de leidingen (rood-blauw) weergegeven.
Buisleidingen Aa brugstraat 19 Op een afstand van 2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een ondergrondse buisleiding van Gasunie Transport Services B.V. (identificatie: NL.IMEV.GASU.GEO200405807). De leiding bevindt zich op dermate afstand dat deze geen belemmering oplevert voor deze herbestemming. Het plangebied is buiten de risicocontour en buiten het invloedsgebied van deze gasleiding gelegen. In figuur 28 zijn de leidingen (rood-blauw) weergegeven.
85
Figuur 28 Uitsnede risicokaart buisleidingen en wegtransport gevaarlijke stoffen
Transport van gevaarlijke stoffen Wegtransport De dichtst bij het plangebied gelegen weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de Rijksweg A50. Deze ligt op een afstand van 4,6 kilometer van het plangebied deel Veldstraat en op 2,4 kilometer van het plangebied deel Aa brugstraat. Over deze Rijksweg vindt transport van de gevaarlijke stof GT4 plaats. Bij transport met stoffen GT4 is sprak van een invloedsgebied van groter dan 4.000 meter. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied bij een calamiteit en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. In samenwerking met de Veiligheidsregio Brabant Noord is een standaard verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch opgesteld. Deze verantwoording is hierna toegevoegd. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in
86
korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden.
Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied goed te alarmeren is, goed te schuilen is en goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatieeisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies.
De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Luchtvaart, Spoorwegen, waterwegen en hoogspanningslijnen Er zijn vanuit luchtvaart geen belemmeringen herbestemming van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen waterwegen of spoorwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze aspecten hebben geen invloed op dit plan. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen hoogspanningslijnen aanwezig. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op circa 2 km afstand in zuidwestelijke richting
87
(Den Bosch noord - Eerde, lijncode FE222). Gezien de ruime afstand tot het plangebied vormt dit aspect geen belemmering. 4.12
Gezondheid In het kader van een goede ruimtelijk ordening is het belangrijk om in het kader van de ruimtelijke procedure inzicht te krijgen in gezondheidsrisico’s. Dit speelt vooral bij ontwikkelingen in het buitengebied, omdat die gebieden vaak een mengelmoes zijn van functies waar gezondheidsrisico’s een factor kunnen zijn. Denk hierbij aan zoönose, fijnstof en de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. In deze paragraaf gaan we in op het aspect gezondheid in relatie tot de ontwikkelingen en de omgeving waarin de ontwikkelingen gerealiseerd worden. In dit geval is dit aspect van toepassing voor de twee toe te voegen woningen aan Veldstraat. De woning aan Aa Brugstraat 19 is immers een bestaande woning en de situatie daar veranderd wat dat betreft niet. Endotoxinen Intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uitmaken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin is aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is echter nog niet afgerond.
Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. De gemeente Bernheze heeft geen gemeentelijk beleid vastgesteld ten aanzien van aanwezige endotoxine contouren binnen de gemeente. Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak hiervan en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen.
Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten worden geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico.
88
Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones (drift) in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
Toets van de ontwikkeling aan Handreiking aan endotoxinen en geitenbedrijven Stap 1 In stap 1 van de handreiking wordt getoetst aan endotoxine. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Varkenshouderijen Veldstraat In de omgeving van het plangebied Veldstraat zijn 2 bedrijven gelegen waar varkens worden gehouden. Het gaat om het veehouderijbedrijf aan Kameren 4 (afstand 910 meter) en Lariestraat 36 (afstand 600 meter). Het veehouderijbedrijf aan Kameren 4 is een gemengd bedrijf, waarvan de varkens een fijnstof uitstoot hebben van 25,5 kg/jaar. Daar hoort een endotoxinecontour bij van 0 meter. Het plangebied bevindt zich ruim (910 meter) buiten deze contour. Het veehouderijbedrijf aan Lariestraat 36 betreft eveneens een gemengd bedrijf, waarvan de varkens een fijnstof uitstoot hebben van 66 kilogram/jaar. Hiervoor geldt een endotoxinecontour van 20 meter. Het plangebied bevindt zich op ruime (600 meter) afstand van deze contour. Ter achtergrondinformatie, de endotoxinecontour voor varkens start vanaf een minimum uitstoot van 47 kg/jaar. Als de fijnstof uitstoot minder is dan 47 kg/jaar, berekend de module een negatieve contour. Tabel: inventarisatie veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer, plandeel Veldstraat Adres
Type veehouderij
Gouverneursweg 1a Gouverneursweg 3a Fokkershoek 4 Kameren 2 Kameren 2a Kameren 4 Lariestraat 23 Lariestraat 32 Lariestraat 36 Muggenhoek 1 Muggenhoek 1a
Melkvee Melkvee, Vleeskalveren Melkvee Paarden Melkvee/schapen/varkens Paarden Pluimvee Melkvee/varkens Paarden Paarden
Afstand van bouwperceel tot bouwperceel 200 meter 290 meter 310 meter 670 meter 470 meter 910 meter 470 meter 600 meter 600 meter 780 meter 780 meter
89
Pluimveehouderijen Veldstraat In de omgeving van het plangebied is op 600 meter één pluimveehouderij gelegen. Dit betreft het bedrijf gelegen aan Lariestraat 32. Het bedrijf heeft een fijnstof uitstoot van 309 kg per jaar, waardoor sprake is van een endotoxinen-contouren van 86 meter (voor leghennen) en 109 meter voor vleeskuikens (in dit geval is sprake van een opfokbedrijf van ouderdieren van vleeskuikens). Voor de specifieke groep/diercategorie is geen endotoxine contour te berekenen. Uitgaande van de worstcase variant (vleeskuikens), ligt de contour met een afstand van 109 meter rondom het bedrijf. Het plangebied is ruimschoots (600 meter) buiten deze afstanden gelegen. Stap 2 Toets aan toename van emissies. Dit is niet van toepassing omdat het plan geen uitbreiding van een veehouderij betreft. Stap 3 In stap 3 wordt getoetst aan geur. Bij 3b wordt voor geur getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden. Deze zijn maatgevend ten opzichte van stap 3a. Voor het buitengebied zijn deze waarden: - 5 oue/m3 voor de voorgrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden binnen het plangebied; - 10 oue/m3 voor de achtergrondbelasting. Deze norm wordt niet overschreden binnen het plangebied; - 100 meter voor de afstand tussen de rand van een bedrijf en de gevel van het geurgevoelige object. Er wordt voldaan aan de vaste afstand.
De door de gemeente Bernheze vastgestelde geurnormen worden niet overschreden. Op grond van het toetsingskader uit de beleidsregels van de gemeente Bernheze is er sprake van een goed acceptabel woon- en leefklimaat in het kader van geur. Er is geen reden om een advies aan te vragen bij GGD in het kader van het aspect geur. Stap 4 Er is één bedrijf in de omgeving waar bedrijfsmatig een combinatie van de volgende dieren worden gehouden: varkens en pluimvee; rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); kleine herkauwers onderling. Het gaat om het bedrijf aan Kameren 4, welke op een afstand van 910 meter is gelegen. De aan te houden afstand is minimaal 100 meter. Aan die afstand wordt voldaan. Er is in dit kader geen reden om advies aan te vragen bij GGD. Stap 5 In stap 5 wordt getoetst aan de afstand tot een geitenhouderij, een pluimveebedrijf of een overige veehouderij. Voor een geitenhouderij geldt een aan te houden afstand van twee kilometer. Voor een pluimveehouderij geldt een afstand van 1 kilometer. Voor een overige veehouderij geldt een afstand van 250 meter. Stap 5a Geitenhouderijen Binnen de gemeente Bernheze zijn diverse geitenhouderijen gelegen, deze bevinden zich echter niet binnen een afstand van twee kilometer tot het plangebied. Hieraan wordt voldaan. Er is in dit kader geen reden om advies aan te vragen bij GGD.
90
Stap 5b Pluimveehouderijen Binnen een afstand van één kilometer is één pluimveehouderijen (Lariestraat 32 op 600 meter afstand) gelegen. Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van één kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. De pluimveehouderij ligt op 600 meter ten noordoosten van het plangebied. De overheersende windrichting is zuidwestenwind, waardoor het effect van de betreffende pluimveehouderij minimaal is. de verwachting is dat dit niet leidt tot gezondheidseffecten. Er is in dit kader geen reden om advies aan te vragen bij GGD. Stap 5c Overige veehouderijen Er is één melkveehouderij aanwezig op 180 meter afstand, waarvan de stallen op 220 meter zijn gelegen. De melkveehouderij ligt ten zuidoosten van het plangebied, wat gunstig is ten aanzien van de overheersende windrichting (zuidwesten). Er wordt niet voldaan aan de afstand, maar desondanks is er geen reden om advies aan te vragen bij GGD. Conclusie Deze herbestemming ziet toe op realisatie van twee woningen binnen een bebouwingsconcentratie.
Weliswaar zijn er agrarische bedrijven waar dieren worden gehouden aanwezig in de omgeving, de afstand en de ligging van die bedrijven ten opzichte van de woningen in combinatie met de overwegende windichting is gunstig in het kader van gezondheid. Vanwege de afstand tot aan één pluimveebedrijf en één melkveebedrijf wordt geadviseerd om de initiatiefnemer op de hoogte te stellen van een beperkt verhoogd gezondheidsrisico Voor de initiatiefnemer is het belangrijk in ieder geval op de hoogte te zijn van dit gezondheidsrisico en dit risico te accepteren. Het belang van realisatie van de beoogde woning en de ligging van deze woning tot omliggende veebedrijven in de omgeving is afgewogen en als verantwoord beoordeeld. Stap 6 Er bevindt zich geen zelfstandige mestbewerking of verwerking plaats. Aan stap 6 wordt voldaan. Er is in dit kader geen reden om advies aan te vragen bij GGD. Stap 7 Er is er geen ongerustheid bij omwonenden over de volksgezondheid. Aan stap 7 wordt daarmee voldaan. Er is in dit kader geen reden om advies aan te vragen bij GGD. 4.13
Gewasbeschermingsmiddelen Ten behoeve van de teelt van agrarische gewassen, wordt afhankelijk van de teelt en de gewassen, gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen kan drift ontstaan en zodoende residuen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige plekken (tuinen, woningen, oppervlaktewater) terechtkomen. In het kader van gezondheid is het van belang om in
91
beeld te hebben of er kans op drift is rondom het plangebied aan Veldstraat en wat. dat betekent voor het plan. Jurisprudentie Uit jurisprudentie is gebleken dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt 9, in het algemeen niet onredelijk vindt. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 2002 10 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen werden bestemd (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’). Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%.
Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten welke al geruime tijd vanwege herbeoordelingen zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Deze afstand van 50 meter (c.q. een kortere afstand, gelet op voorgaande redenering) is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De betrokken afstand dient in principe te worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een speeltuin, een tuin bij een woning e.d.). Activiteitenbesluit milieubeheer Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie en/of met zogenaamde laag risico stoffen8 , alternatieve bestrijding van plagen), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden.
Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat biologische gewasbeschermingsmiddelen ook toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit 9 ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855 10 ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754
92
milieubeheer. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel 3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Activiteitenregeling - Rarim)11. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt ook het toepassen van een emissiescherm (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e ) of vanggewas (artikel 3.80a, lid 2, onder a) als alternatief gezien voor het aanhouden van een teeltvrije zone, zodat dit effectief als een driftbeperkende maatregel kan worden gezien.
Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient voor diverse laagblijvende teelten (neerwaarts spuiten) te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 1 meter overeenkomstig artikel 3.80, lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, mits een driftreductie wordt bereikt van 90%. Zou gekozen worden voor een standaard driftreductie van 75%, dan dient een teeltvrije zone van 1,50 meter te worden aangehouden. Deze afstand is geldend vanaf een watergang en dient te voorkomen dat residuen van gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater terecht zouden komen. Tot slot is het in het belang van de agrarische ondernemer om een zo hoog mogelijke driftreductie na te streven, zodat zo min mogelijk middel gebruikt hoeft te worden en de kosten laag blijven. Bouwbesluit In artikel 7.17, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is bepaald dat het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein zodanig is dat hinder, gezondheidsrisico’s en andere veiligheidsrisico’s dan brandveiligheidsrisico’s voor personen in voldoende mate worden beperkt.
In artikel 7.22 van het Bouwbesluit is bepaald dat het verboden is in, op of aan een bouwwerk of op een open terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor (i) op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid, (ii) overlast wordt of kan worden veroorzaakt, (iii) op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt (…). Ook dit zijn normen die in het leven geroepen zijn om risico’s uit te sluiten en hinder te voorkomen/beperken en als doel hebben om een goede woon- en leefsituatie veilig te 11
Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).
93
stellen. Deze zelfstandige normen leggen in grote mate beperkingen op voor de eigenaar van het perceel Het kan namelijk effect hebben op het bestaand recht op de bescherming van een acceptabel woon- en leefklimaat bij bestaande gevoelige objecten, elementen of gebieden waaronder bestaande tuinen. Wanneer de agrarische ondernemer/ eigenaar van een perceel gewasbeschermingsmiddelen wil toepassen op het perceel ten behoeve van een andere teelt dan bekend is in de huidige en/of historische situatie en bedrijfsvoering, dient deze ondernemer daarom rekening te houden met bestaande omgevingsaspecten. Situatie Momenteel wordt het plangebied, dat onderdeel is van een groter agrarisch perceel, gebruikt voor de teelt van snijmaïs (Basisregistratie Gewaspercelen (2021)). Het agrarische perceel is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Het plangebied grenst derhalve direct aan het agrarisch perceel. Ten oosten en ten noordwesten zijn bestaande woningen met bijbehorende tuinen gelegen. Vanuit het Bouwbesluit zou daar rekening mee gehouden moeten worden met de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De afstand van het plangebied en de akker bedraagt minder dan de vuistregel van 50 of 25 meter (bij 75% reductie). De gronden waarop de teelt plaatsvindt, zijn niet planologisch aangemerkt als spuitzone maar de bestemming sluit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ook niet uit.
In onderhavige situatie gaat het om gewassen die allen in het beginstadium m(als het nog kleine planten zijn) worden bespoten tegen onkruid. Aangezien het perceel in eigendom is van de initiatiefnemer, zal deze geen gewasbeschermingsmiddelen gebruiken op het moment dat, dit niet acceptabel is (driftreducerende maatregelen, windrichting en -snelheid) ten opzichte van mogelijke drift op de woonbestemming. Met name omdat de gewasbeschermingsmiddelen via neerwaartse methode worden toegepast bij snijmaïs. Driftreductie is op dat moment 90%. Hiermee kan redelijkerwijs worden gesteld dat ter plaatse van de nieuwe woningen geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonen leefklimaat zullen ontstaan en waardoor strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening ontstaat. Bovendien is met de landschappelijke inpassing (geborgd via voorwaardelijke verplichting) rekening gehouden met een afstand van 15 meter tussen het landbouwperceel en de tuinen doormiddel van een (paarden)weitje. De kans op drift en daardoor op gezondheidsrisico’s is daardoor nihil. Het aspect gewasbeschermingsmiddelen zorgt niet voor een belemmering voor het planvoornemen.
4.14
Hoogspanningslijnen In de omgeving van het plangebied zijn ook geen hoogspanningslijnen aanwezig. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op circa 2 km afstand in zuidwestelijke richting (Den Bosch noord - Eerde, lijncode FE222). Gezien de ruime afstand tot het plangebied vormt dit aspect geen belemmering.
94