CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Stand van de natuur in De Maashorst 2022

Commissie Maatschappelijke Zaken 12 september 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Opiniërende bespreking Ambities en keuzes Gebiedsvisie natuurgebied De Maashorst32.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Aanplant van schaduw verdragende soorten zoals beuk in percelen met Amerikaanse eik is een goed alternatief. Het aantal groeiplaatsen van de hulst is sinds 2010 gestegen van 62 naar 460 in 2020, waarbij op een groeiplaats van 50x50 m 1 tot meerdere exemplaren staan. Ook andere loofhoutsoorten hebben zich uitgebreid. Zie Hfdst. 3.3.1 Bossen, Spontane ontwikkeling van bosgemeenschappen. In tien jaar tijd is het aantal houtige gewassen van 95 soorten in 2010 toegenomen tot 131 soorten in 2020. Meewerken met de natuur is gratis en alle soorten bomen groeien op de juiste plek.

55

•

De Maashorst is een van de drie kerngebieden van het Unesco Geopark Peelhorst en Maasvallei i.o., een uniek Europees natuurgebied, dat door de uniforme maatregelen van de Bosgroep verwordt tot een eenheidsworst.

Bodemkundige Jan van Mourik heeft 25 jaar onderzoek gedaan in Maashorst en Wijstgronden; zijn motto is: biotiek volgt abiotiek Jan van Mourik is promotor van de nieuwe bosstrategie, die is verwoord in de “Verklaring van Groeneveld” 5 september 2019 Het motto van de natuurorganisaties is: Meewerken met de natuur Onze voorstellen worden landelijk gedeeld door vele organisaties zoals te lezen valt in: Een toekomst voor bossen en bomen, Een alternatieve bossenstrategie voor 2030 en later. Eef Arnolds januari, 2021 3.4.2 Vernattingsmaatregelen -

-

-

-

Anticiperen op klimaatverandering! Herstel van het natuurlijke watersysteem Het herstel van de waterhuishouding van voor de ruilverkaveling is de meest natuurlijke en beste methode om de verdroging te bestrijden. De sponswerking van de Maashorst functioneerde al eeuwen door de badkuip, die de Maashorst vormt. Deze inzijging van regenwater is noodzakelijk voor de kwel op de Wijstgronden. Er zijn voldoende grote laagtes aanwezig om het regenwater in de winter vast te houden. Sloten verondiepen en voorzien van een accoladeprofiel en stukken af te dammen met zanddammen tot in de randen van de Maashorst te stuwen, ook al loopt er daardoor tijdelijk land onder water. De bodems van sloten verhogen voorkomt, dat zijwaarts grondwater in de sloten terecht komt. 30 van de 78 poelen zijn gebufferd en hebben een natuurkwaliteit, die goed tot uitstekend is. 48 niet gebufferde poelen zijn zeer soortenarm en gevoelig voor blauwalg. Door de droogte worden de oevers van de poelen en vennen intensief bezocht door de grote grazers. De oevers met kwetsbare flora worden stuk gelopen. Door ophoping van meststoffen en lage buffercapaciteit neemt blauwalg enorm toe in de zomer. Ook voor de landbouw en recreatie is het herstel van het watersysteem voordelig. Het derde deel van het grondwater wordt gebruikt voor beregening, Zie inleiding.

Het is onbegrijpelijk, dat bij het verbod van beregening met oppervlaktewater beregening met grondwater zonder nadere beperking door mag gaan op hoge zandgronden.

3.4.3 Kritische kanttekeningen bij de voorgestelde Antiverdrogingsmaatrelen In het concept Inrichting- en Beheerplan voor de Maashorst (IBeP) 2022-2028 wordt als antiverdrogingsmaatregel voorgesteld om 50% van de grove dennen en ander naaldhout te kappen en de bossen meer open te maken. Het doel is de achteruitgang van de biodiversiteit door verzuring en verdroging tegen te gaan. Enkele argumenten tegen deze twee maatregelen:

56

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Om klimaatopwarming tegen te gaan moet CO2 in hout vastgelegd worden en niet gekapt worden. De grove den is een inheemse boomsoort, die met zijn penwortels uitermate bestand is tegen de droogte en verzuring en moet beschouwd worden als een toekomstboom voor de Maashorst in de huidige klimaatopwarming. Zelfs tijdens de droge zomers vertonen de dennen nog groei van 30 tot 50 cm. De sparrenbossen in de Maashorst zijn door de warme zomers al dood gegaan. De ecologische waarde van bestanden met douglasspar en grove den is groot voor horsten van roofvogels als havik en oehoe en de broedvogels van de kruisbekgroep, waartoe ook zwarte mees, kuifmees, (vuur)goudhaantje, keep en sijs behoren. Loofhout verdampt in de winter geen water, maar naaldhout heeft een dikke cuticula en huidmondjes, die afgesloten worden bij ongunstige omstandigheden. Daarbij komt, dat de temperatuur in de winter laag is en daardoor is de verdamping ook laag. Juist in de winter is er een neerslagoverschot en is de verdamping op de bodem onder de kale loofbomen het grootst en niet de verdamping onder dichte dennen. In bijna alle dennenpercelen hebben zich zomereik, ruwe berk, wilde lijsterbes, vuilboom, Amerikaanse vogelkers etc. gevestigd, zodat er al sprake is van gemengd bos. De Munse heide Ligt in het droogste deel van de Maashorst.

Hier staan de laatste percelen met bijna uitsluitend grove den, die behoren tot het Kussentjesmos-Dennenbos. In deze percelen zijn in 2020 589 exemplaren van de beschermde dennenorchis geïnventariseerd. Het biotoop van de dennenorchis is vochtige, voedselarme grond in naaldbossen. Ondanks de droogte houdt de dikke strooisellaag voldoende vocht vast voor de groei van de dennenorchis door de gesloten kronen van de grove den. Het maken van enkele structuurgaten in dezelfde percelen hebben het biotoop van de dennenorchis in deze gaten onomkeerbaar vernietigd. De Bosgroep Zuid Nederland heeft in het kader van bosrevitalisering structuurgaten gemaakt en heeft de gekapte grove dennen afgevoerd, terwijl al jarenlang bekend was, dat de bossen op de hoge zandgronden ernstig te lijden hebben onder uitspoeling van mineralen. Met het afvoeren van het hout zijn de mineralen in het hout ook verdwenen met het gevolg, dat de bodem nog verder verzuurt. Door de hoge stikstofdepositie en de lage grondwaterstand worden mineralen als kalk, kalium en magnesium uitgespoeld en verzuurt de bodem. Door de lage zuurgraad van de bodem sterven de bodemschimmels (Mycorrhiza), die de eiken van mineralen en water voorzien. De kronen van eiken worden open; langs de stam is vaak noodschot te zien en het percentage dode eiken neemt zienderogen toe. Zie ook de Inleiding.

De zomereik is de basisboomsoort van de hoge zandgronden. Als de eik sterft, is er sprake van een ecologische ramp, die we nog niet eerder hebben meegemaakt. Op de zomereik leven meer dan driehonderd soorten korstmossen, 110 soorten vlinders en vele andere soorten als galwespen, kevers, bladluizen etc. Deze vormen weer voedsel voor insecten etende vogels en vleermuizen. (W. Helmer Studiekring: de eik 11 Natuurwaarden van de eik) Het open maken van de bossen zoals in de antiverdrogingsmaatregelen wordt voorgesteld, zal de strooisellaag doen verdrogen. Dit zal de bosverjonging remmen en de brandgevaarlijkheid doen toenemen. De Bosgroep heeft overal structuurgaten gemaakt en daarin klumpen rijke bossoorten aangeplant zonder te kijken naar de aanwezige soorten planten als indicatie voor de geschiktheid van de bodem. Ondanks drie soorten minerale bemesting is de aanplant van rijke bossoorten in de structuurgaten in deze arme, droge bossen geen succesvolle maatregel gebleken.

57

4

Fauna van de Maashorst

Bij de fauna wordt onderscheid gemaakt tussen gewervelde dieren (vertebraten) en ongewervelde dieren (invertebraten). De gewervelde dieren zijn meer zichtbaar, maar minder soortenrijk dan de ongewervelde dieren. Samen met de flora omvatten ze de biodiversiteit in de Maashorst. De samenstelling wordt bepaald door het gevarieerde milieu van de Maashorst: hoge zandgronden met breuken, beekdalen, moerasjes, bossen, graslanden, akkers en heidevelden. Omgekeerd geven flora en fauna vorm aan deze landschappen. 4.1 Broedvogels van de Maashorst Vogels gaan ergens broeden, wanneer in de omgeving voedsel en nestgelegenheid aanwezig zijn. Variatie in structuur in de vorm van struiken, bomen en kruidenvegetatie biedt meer soorten een geschikt biotoop. Broedvogels zijn daardoor uitstekende indicatoren voor de kwaliteit van een natuurgebied. De broedvogels zijn door Sierdsema ingedeeld in ecologische vogelgroepen, die kenmerkend zijn voor bepaalde vegetaties of biotopen. Door de ecologische vogelgroepen van de broedvogelinventarisatie van 2010 te vergelijken met die van 2020/2021 kunnen conclusies getrokken worden over de resultaten van 10 jaar natuurbeheer, de kwaliteit van het milieu en de invloed van het warmer wordende klimaat.

Veeleisendheid (1995) Broedvogels stellen eisen aan hun leefomgeving, die kan variëren van weinig kritisch (1) zoals vink en pimpelmees, vrij kritisch (2) zoals geelgors, roodborsttapuit en boomklever, kritisch (3) zoals nachtzwaluw, grauwe klauwier en gele kwikstaart, zeer kritisch(4) zoals korhoen, kuifleeuwerik en kemphaan tot zeer kritisch, in Nederland uitgestorven soorten (5). Van deze uitgestorven soorten wordt de zwarte ooievaar regelmatig als zwerver in Nederland gezien. Kraanvogel en zeearend hebben sinds enkele jaren weer gebroed in Nederland en de middelste bonte specht heeft zelfs op één locatie in de Maashorst gebroed. Broedvogels van heide en stuifzand Tapuitgroep: open zandige plekken en zeer korte, schrale vegetatie (heide): 6 soorten Van de tapuitgroep zijn 4 van de 6 soorten aanwezig; het steenuiltje is de meest veeleisende soort (3), maar deze is vooral bekend van nestkasten in agrarisch gebied. Naast regenwormen en grote insecten staan vooral muizen op het menu. Ook van de tapuit (2) is maar één locatie bekend met broed indicerend gedrag. De heide op deze locatie is niet open, maar het aangrenzende grasland wel. De boomleeuwerik wordt vooral gezien in open, kale vegetatie met verspreid bomen. Het oppervlak aan stuifzand is beperkt tot de heide rond het Klompven en het Groot Ganzenven in Herperduin en tot de heide van Slabroek.

Op de afgegraven bodem van de Rijsvennen begint ook struikheide te groeien. Door de drie droge zomers is het grasland veel opener geworden, zodat soorten van de tapuitgroep toch redelijk vertegenwoordigd zijn. Wulpgroep: open heide, al dan niet grenzend aan cultuurland: 14 soorten Van de wulpgroep zijn 5 van de 14 soorten in 2010 aanwezig. de wulp heeft in 2020 niet meer gebroed. Het aantal aanwezige soorten broedvogels van de heide is tamelijk beperkt. De kwaliteit van de heide was in 2010 ook al slecht. Conclusie De kans, dat de soorten als kwartel, wulp en gele kwikstaart op de heide gebroed hebben, is klein. Geen van de getelde broedvogels is uniek voor de heide en komen ook in open grasland voor. Om de kwaliteit van de heide te bepalen, moet gekeken worden naar andere faunagroepen en de vegetatie. Het aantal territoria van de niet kritische soorten als veldleeuwerik en graspieper is toegenomen t.o.v. 2010, maar deze toename moet vooral toegeschreven worden aan het open

58

worden van de grasvegetatie door de droge en hete zomers. De struikheide is door deze zomers voor meer dan 50% afgestorven. Broedvogels van de akkers Kievitgroep: akkers: 9 soorten Van de Kievitgroep zijn 7 soorten aanwezig in 2010; het aantal territoria is na 2010 sterk afgenomen. De wulp en patrijs zijn verdwenen. Alleen het aantal territoria van de veldleeuwerik is meer dan verdubbeld. Dat laatste heeft naar alle waarschijnlijkheid niets te maken met de kwaliteit van de akkers, omdat die hoofdzakelijk monoculturen van mais bevatten. De kwartel is op een enkel geval na ook uit de Maashorst verdwenen. Kievit, wulp en scholekster hebben baat bij de combinatie van akker en grasland, maar de graslanden zijn sterk verdroogd en de regenwormen hebben de diepte opgezocht. De meest kritische soort is de gele kwikstaart (veeleisendheid 3), maar ook deze soort is vooral te vinden in waterrijk biotoop als beeklopen in combinatie met akkers. Conclusie Het aantal territoria is laag en de biotoopvoorkeur voor open en natte vegetatie staat door de droge zomers sterk onder druk. Broedvogels van de graslanden en grazige ruigtes Fazantgroep: ruigten, vochtig tot nat: 10 soorten Er waren slechts 4 van de 10 soorten in 2010 aanwezig in de Maashorst. Patrijs, fazant en wulp hebben in 2020 geen territorium toegewezen gekregen. De graspieper heeft voorkeur voor lage vegetaties met open plekken.

Door de droogte zijn de natte ruigtes sterk afgenomen. De graspieper profiteert juist van de droogte, doordat de grasmatten in de Maashorst open zijn geworden. Veldleeuwerikgroep: nat tot droog grasland: 8 soorten In 2010 waren 7 van de 8 soorten aanwezig; in 2020 zijn wulp en patrijs niet meer geteld. De kievit is uit de droge graslanden verdwenen, maar de territoria van veldleeuwerik en graspieper zijn in aantal toegenomen. Deze weinig kritische soorten hebben voorkeur voor lage vegetaties met open plekken. Conclusie Door de verdroging van de graslanden vindt er een verschuiving plaats in het voordeel van broedvogels van droge graslanden. Broedvogels van struiken, struwelen en heggen Roodborsttapuitgroep: lage struwelen en heggen en hoge ruigten: 5 soorten Door het verschijnen van de grauwe klauwier is het soorten aantal van 4 naar 5 toegenomen. Ook het aantal territoria van de andere 4 soorten is toegenomen. Grasmusgroep: struweel, opslag en zeer jong bos, bosranden met struiken: 12 soorten Negen van de twaalf soorten zijn aanwezig. De braamsluiper heeft in 2020 niet gebroed, maar de grauwe klauwier is erbij gekomen. De fitis en de kneu zijn de sterkste groeiers. Winterkoninggroep: jong bos, struiklaag in bossen: 10 soorten Terwijl in 2010 alle 10 soorten aanwezig waren, hebben fazant en zomertortel in 2020 niet gebroed. Droogte speelt bij de fazant een rol.

De zomertortel gaat ook landelijk achteruit. De territoria van de overige soorten zijn toegenomen of gelijk gebleven. Conclusie De broedvogels van struiken struwelen en heggen zijn goed vertegenwoordigd in de Maashorst. Door de begrazing wordt dit biotooptype niet benadeeld; in 2010 was er ook al begrazing met grote grazers. Het positieve resultaat is toen al grotendeels bereikt. Broedvogels van boomgroepen, open bos, bosranden en houtsingels Geelgorsgroep: open bos, bosranden, boomgroepen met kale zandige bodem: 11 soorten In 2010 en 2020 zijn 6 soorten geteld; de nachtzwaluw is een kritische soort, die flink is toegenomen. De groene specht is afgenomen, maar boomleeuwerik, boompieper, gekraagde 59

roodstaart en geelgors zijn flink toegenomen. De ontbrekende soorten zijn zeer kritisch (veeleisendheid 3 tot 5); de hop is in 2022 weer verschenen, maar nog niet tot broeden gekomen. Puttergroep: bomen en boomgroepen met struwelen, bosranden, (vrij) voedselrijk: 8 soorten In 2010 en 2020 zijn 4 soorten geteld, waarvan de putter sterk is toegenomen. De 4 ontbrekende soorten zijn vrij kritisch. Zwartkopgroep: jong bos, struiklaag in bossen: 6 soorten Alle zes vrij kritische soorten waren in 2010 aanwezig; in 2020 heeft de zomertortel niet gebroed. Conclusie Met 16 van de 25 mogelijke soorten in 2010 en 15 in 2020 vindt er een kleine afname plaats. Het aantal territoria neemt gemiddeld licht toe. Sinds 2010 heeft de Bosgroep talloze structuurgaten gemaakt in alle bossen van de Maashorst. De eerste waarnemingen leverde een toename van struik bewonende zangvogeltjes op zoals winterkoning en roodborst. Na enige jaren bleken vele van de structuurgaten weer dicht te groeien met grove den en ruwe berk. De vorming van mantel- en zoomvegetatie bleef beperkt tot hier en daar opslag van braam, maar in de droge bossen bleef dat zelfs achterwege. In de cijfers van de broedvogeltelling blijkt geen toename van de bosrandstruweelvogels ondanks de zeer grote toename van bosranden in de structuurgaten.

Bosrandstruweelvogels: bosranden en boomgroepen met struwelen: 34 soorten Wanneer de bosrandstruweelvogels als geheel beschouwd worden, zijn 19 van de 34 mogelijke soorten in 2010 en 2020 aanwezig in de Maashorst. Van de negen kritische tot zeer kritische soorten komen de nachtzwaluw en de grauwe klauwier voor. Ondanks de grote toename van bosranden is er geen toename van soorten vast te stellen. Broedvogels van de naaldbossen Kruisbekgroep; opgaand bos met naaldbomen: 9 soorten Vier van de negen soorten waren in 2010 aanwezig en door de toekenning van enkele territoria aan vuurgoudhaan en sijs in 2020 lijkt het goed te gaan met de soorten van de kruisbekgroep. Belangrijker is de toename van de territoria van goudhaan, kuifmees en zwarte mees. Broedgevallen van de kruisbek blijven moeilijk vast te stellen. Conclusie Bij het maken van structuurgaten zijn alle gekapte grove dennen afgevoerd; daarbij komt nog, dat in de drie droge zomers hele percelen met fijnspar dood gegaan zijn en dat ook de percelen met douglasspar achteruitgang vertonen. Toch is er een toename van de territoria van de kruisbekgroep met goudhaan, kuifmees en zwarte mees . Mogelijk speelt de opslag van grove den uit zaad in de structuurgaten hierbij een rol.

Broedvogels van de loofbossen Broedvogels van opgaand, gesloten bos Vinkgroep: opgaand bos: 5 soorten De 5 soorten van de vinkgroep zijn weinig kritisch en zijn in 2010 en 2020 aanwezig. De territoria zijn toegenomen, waarvan de vrij kritische ransuil wel zeldzaam blijft. Appelvinkgroep: opgaand bos met loofbomen: 7 soorten De 6 aanwezige soorten van de appelvinkgroep zijn vrij kritisch behalve de weinig kritische tjiftjaf. De houtsnip neemt af, maar de wielewaal neemt toe; de appelvink neemt zelfs sterk toe. De appelvink is in staat met zijn stevige bek kersenpitten te kraken. Hieruit kan afgeleid worden, dat het stoppen met de bestrijding van de Amerikaanse vogelkers positief uitpakt voor de appelvink. De zoete kers breidt zich wel uit van 14 groeiplaatsen in 2010 naar 50 in 2020, maar de Amerikaanse vogelkers werd in 2010 in alle kilometervakken gezien en komt nu op 232 groeiplaatsen voor. Grote bonte spechtgroep: oud opgaand bos, dood hout (holenbroeders): 9 soorten 60

In 2010 zijn 7 van de 9 soorten aanwezig. In 2020 zijn de territoria van 4 vrij kritische soorten toegenomen; de groene specht doet het minder goed en van de ringmus is nog een kleine populatie bekend. Kleine bonte spechtgroep: opgaand hout met loofbomen: 4 soorten De territoria van de 3 aanwezige soorten zijn toegenomen, waaronder die van de kritische kleine bonte specht en de vrij kritische grauwe vliegenvanger. Boomklevergroep: zwaar loofhout: 7 soorten In 2010 waren 4 vrij kritische soorten aanwezig en in 2022 kwam de zeer kritische middelste bonte specht erbij. Holenbroeders: oud bos, dode bomen: 19 soorten Holenbroeders zijn geheel afhankelijk van oud bos met dikke bomen. De ringmus is nog van één plaats bekend, maar de komst van oehoe en middelste bonte specht, beide nog slechts met één broedgeval, is spectaculair te noemen. De territoria van 3 soorten namen af sinds 2010, van 4 soorten bleven de territoria gelijk en van 9 soorten namen ze toe. Waar de kritische soorten vooral bij gebaat zijn, is rust in het bos. Het maken van stiltegebieden door een aantal paden af te sluiten met boomstammen is niet alleen goed voor wild als reeën en grote grazers, maar ook voor vogels. De houtoogst is gestopt in de Maashorst, maar van de oudste aanplant zijn na 2010 nog honderdjarige bomen gekapt.

Ringen van exoten als Amerikaanse eik levert staand dood hout op, waardoor het leefgebied van de holenbroeders versterkt wordt. Havikgroep: roofvogels van bossen: 5 soorten In 2010 waren 4 van de 5 soorten aanwezig en met de komst van de raaf is de havikgroep compleet. Er worden er soms in de nesten van de havik jongen gevonden, die geen veren ontwikkelen. Aanvankelijk werd gedacht aan kalkgebrek, maar het blijft een raadsel wat de oorzaak is. Mogelijke andere oorzaken zijn genetische achtergrond of effecten van gifstoffen in de leefomgeving.

Jonge kale haviken op het nest; de veerpennen groeien niet. Foto William van de Velden Torenvalkgroep: roofvogels van open gebied met bos: 5 soorten De twee aanwezige soorten, torenvalk en boomvalk handhaven zich in lage aantallen. De torenvalk jaagt op muizen en insecten. Door de aanleg van een graanstrook langs de Palmenweg namen de muizen toe en verscheen de torenvalk weer in de Maashorst. Door het verdrogen van de graslanden verhuizen de muizen als bosmuis en rosse woelmuis naar de ruigtes, struwelen en bosranden. De boomvalk jaagt op kleine vogels zoals zwaluwen en op insecten. Door het droogvallen van de poelen en vennen neemt het aantal grote libellen sterk af. Daardoor staat de aanwezigheid van de boomvalk onder druk. Loofboomgroep: bos met loofbomen: 17 soorten Met de komst van de middelste bonte specht is het aantal soorten van de loofboomgroep toegenomen van 13 in 2010 naar 14 van de 17 mogelijke soorten. Het aantal territoria van 3 soorten gaat achteruit, van 3 soorten blijft het gelijk en van 8 soorten nemen de territoria toe. 61

Dit zijn positieve ontwikkelingen, maar door de zure regen vindt er een ecologische ramp plaats in de droge bossen. De kronen van zomereiken, de basisboom van de hoge zandgronden, worden opener en de sterfte van de eiken neemt toe. Door de aanwezigheid van breuken vinden ook positieve ontwikkelingen plaats in de bossen met loofbomen. Het aantal soorten houtige gewassen neemt sterk toe van 95 soorten in 2010 naar 131 soorten in 2020. Meerdere soorten loofbomen zoals hulst , tamme kastanje en gewone esdoorn breiden zich vanuit de randen van de Maashorst en de beekdalen en in bosranden langs akkers uit naar de natuurkern. Terwijl alle productiebossen als grove dennen plantages zijn aangelegd, hebben al deze bospercelen zich spontaan ontwikkeld tot gemengd bos op enkele percelen na in de droge kern van de Maashorst. Vogels van oud bos: structuurrijk, oud bos: 26 soorten In 2010 waren 20 van de 26 mogelijke soorten van structuurrijk bos aanwezig en in 2020 22 soorten. De territoria zijn van 5 soorten achteruitgegaan, van 5 soorten gelijk gebleven en van 12 soorten toegenomen. Het oppervlak aan oud structuurrijk bos met loofhout in de Maashorst is zeer beperkt en bevindt zich aan de randen en in de beekdalen van de Maashorst.

Cultuurvolgers Houtduifgroep: opgaand bos nabij cultuurland: 6 soorten Door de aanwezigheid van boerderijen en woonhuizen in de natuurschil komen deze soorten hier voor. Alle zes soorten van de houtduifgroep waren in 2010 aanwezig, maar de ringmus is in 2020 nog één kleine populatie bekend. Het aantal territoria van holenduif, houtduif, grote lijster en spreeuw zijn in 2020 ongeveer gelijk gebleven, maar die van de kauw is afgenomen. Zwarte roodstaartgroep: erven, bebouwing in cultuurland: 13 soorten Alle mogelijke soorten van deze groep zijn in 2010 aanwezig met inbegrip van de ringmus. De territoria in 2020 zijn voor 9 soorten ongeveer gelijk gebleven; de steenuil profiteert van het nestkastenprogramma. De kauw en Turkse tortel gaan licht achteruit. Bij het geringe aantal kerkuilen is een broedgeval meer of minder moeilijk om daar conclusies aan te verbinden. De huiszwaluw handhaaft zich nog net met één locatie. 4.1.1 Broedvogels van de Rode Lijst 2016 Broedvogels van de rode lijst 2016 in de Maashorst 1 boerenzwaluw ge 16 oehoe 2 boomvalk kw 17 patrijs 3 gele kwikstaart ge 18 raaf 4 graspieper ge 19 ransuil 5 grauwe klauwier be 20 ringmus 6 grauwe vliegenvanger ge 21 spotvogel 7 grote lijster kw 22 steenuil 8 hop verd. 23 tapuit 9 huismus ge 24 torenvalk 10 huiszwaluw ge 25 veldleeuwerik 11 kerkuil kw 26 wielewaal 12 klapekster verd.

27 wulp 13 kneu ge 28 zomertortel 14 koekoek kw 29 zwarte mees 15 matkop ge

ge kw ge kw ge ge kw be kw ge kw kw kw ge

Ge: gevoelig; kw: kwetsbaar; be: bedreigd; verd.: verdwenen uit Nederland als broedvogel 62

Rode lijstsoorten zeggen iets van de bijzondere niches in de Maashorst, die deze soorten bezetten. De rode lijsten worden eens in de 10 jaar bijgewerkt. Zo’n 44% van de broedvogels staat op de lijst. Op de lijst van 2016 staan in totaal 87 vogelsoorten die in Nederland broeden of hebben gebroed. In de afgelopen 12 jaar verdwenen de klapekster, duinpieper en ortolaan als broedvogel uit Nederland. De wulp en de torenvalk namen verder af en verschenen voor het eerst op de lijst. Van de 87 soorten, die in 2016 op de lijst stonden zijn er in 2020 29 aanwezig in de Maashorst. Hop en klapekster hebben nog niet gebroed en van de koekoek is dit ook niet vastgesteld. Als broedvogel in de Maashorst na 2010 niet meer vastgesteld: patrijs, wulp, zomertortel en kruisbek, Als broedvogel verschenen in de periode na 2010: tapuit, grauwe klauwier, vuurgoudhaan, middelste bonte specht, oehoe en raaf. Conclusie De aanwezigheid van 29 rode lijstsoorten in de Maashorst, waarvan klapekster en hop nog niet gebroed hebben, geeft aan, dat er een behoorlijke variatie is aan biotopen met voldoende omvang. Er zijn vier soorten verdwenen en vier soorten erbij gekomen. Doordat de klimaatomstandigheden veranderen, vinden zuidelijke soorten als de hop in de Maashorst een geschikt leefgebied. De hop heeft open grasland nodig en grote insecten.

Door het open worden van de droge graslanden is het aantal sprinkhanen sterk toegenomen. Deze ontwikkeling is gunstig ook voor de andere nieuwkomers. Het verdwijnen van de andere vier soorten kan samenhangen met het verdwijnen van graanakkers zoals waarschijnlijk voor de zomertortel. Meer voor de hand liggend is de verzuring van de bodem en het gebrek aan kalk. De zomereik is gastheer van meer dan 300 soorten insecten en daar gaat het niet goed mee. De bossen in de Maashorst vertonen ook een spontane positieve ontwikkeling vanuit de randen van de Maashorst langs de breuken en in de beekdalen, waardoor de achteruitgang in de toekomst gestopt kan worden. Het herstel van de waterhuishouding staat hoog op het lijstje en op korte termijn moet hierin vordering gemaakt worden, maar het terugdringen van de stikstofdepositie zal nog wel enkele jaren vergen. 4.2 Zoogdieren Zoogdieren zijn behalve de gehouden grazers slechts zelden te zien in de natuur. Zelfs reeën houden zich overdag schuil. Haas en eekhoorn vormen hierop de uitzondering. Sporen vertellen het meest over hun aanwezigheid. Dit onderzoek maakt ruim dertig soorten zichtbaar of hoorbaar. De inventarisatie van zoogdieren in de Maashorst is sinds 2010 veranderd. Methoden Er is volgens gestandaardiseerde methodes gewerkt met meerdere soorten vallen en detectoren.

Heslinga inloopval/life trap

63

Bushnell cameraval

Petterson batdetector

Mostela

Elekon Batlogger M

Struikrover

Life traps De vallen worden op een aantal meters van elkaar geplaatst in het proefvlak; als lokaas wordt een geurende stof gebruikt zoals kaas en pindakaas. De vallen moeten twee maal per dag gecontroleerd worden, omdat muizen door stress snel sterven. Bushnell cameraval De val wordt boven de vegetatie bevestigd aan een boomstam of stok. Op bepaalde afstand, afhankelijk van de doelsoort wordt lokaas gesmeerd zoals pindakaas; marterachtigen worden gelokt met sardientjes in blik. Petterson batdetector D100 Vleermuizen worden waargenomen 30 minuten na zonsondergang bij rustig weer. Naast de Petterson batdetector zijn ook applicaties voor de mobiele telefoon gebruikt, waarmee ook geluiden opgenomen en geanalyseerd konden worden. Elekon Batlogger M Deze batdetector neemt continu signalen van vleermuizen op in combinatie met coördinaten; met analyse software kunnen de soorten per locatie vastgesteld worden. De Mostela en Struikrover werken beide met een cameraval in combinatie met lokstof. Door de kleine opening worden door de Mostela alleen kleine zoogdieren als muizen en wezels waargenomen. De Struikrover neemt ook grotere dieren als ree en vos waar. 64

Alle apparaten moeten goed in het veld gemaskeerd worden tegen diefstal. Onderzoek Het onderzoek naar kleine zoogdieren met life traps van 1992 en 1993 is in 2016 herhaald door studenten van Helicon in 5 verschillende biotopen. Vanaf 2010 tot 2016 zijn door Antoinette van Wilgen, Carlo Wijnen en Nico Ettema drie vleermuisroutes gelopen in de Maashorst. In 2019 is door Frank Bosman in zijn stage bij de Zoogdiervereniging onderzoek gedaan naar kleine zoogdieren in de Maashorst met behulp van Mostela en Struikrover. Carlo Wijnen heeft met 11 ‘losse' cameravallen jaarrond in de Maashorst waarnemingen gedaan. Vanaf 2016 heeft Carlo Wijnen met 3 Mostela’s en 3 Struikrovers verspreid over natuurgebied de Maashorst onderzoek gedaan aan kleine en grote zoogdieren. Vanaf 2021 wordt door Carlo Wijnen gewerkt met Elekon Batlogger M; er zijn vier fietsroutes uitgezet; er hoeft niet meer gestopt te worden voor invoeren van gegevens. Deze routes worden 3x per seizoen gedaan (seizoen is van april/mei tot september/oktober). De vastgelegde gegevens worden opgenomen in het landelijke NEM VTT onderzoek en zal bijdragen aan een accurater beeld van de vleermuispopulaties in Nederland. Resultaten Het life trap onderzoek in 2016 is uitgevoerd met 20 vallen in 5 verschillende terreintypen, zodat door een grote variatie in biotopen meer soorten gevangen konden worden.

De gewone bosmuis en de rosse woelmuis waren zeer algemeen. In het natte beekdal van de Venloop werd de aardmuis gevonden en rondom het boerenerf aan het Loo enkele huismuizen. In de life traps zijn in 2016 geen spitsmuizen gevangen. Braakballen In 1993 zijn bosspitsmuis dwergspitsmuis en huisspitsmuis gevonden In de braakballen van 2016 zaten wel de kaakjes van de huisspitsmuis. De braakballen van 1993 bevatten ook dwergmuis, woelrat en ondergrondse woelmuis. Deze laatste is zeldzaam en werd ook op de Wijstgronden gevangen. De woelratten of waterratten kwamen vrij algemeen voor in de Venloop, waar de holletjes net boven de waterlijn zijn te vinden. Life trap onderzoek Bosmuis Veldmuis rosse woelmuis aardmuis huismuis dwergmuis ondergrondse woelmuis woelrat bosspitsmuis dwergspitsmuis huisspitsmuis

1992 50 3 3

JNM en NJN 1993 braakbal 39 x x 7 x 3 x

Helicon 2016 braakbal 29 12 17 59 3 7 2

x x x 1 1 3

10

Batdetectoronderzoek 2010 tot 2016 Er zijn 3 routes gelopen: Groot ganzenven, Plassen van Hofmans en Slabroek met een rondje over de heide. 65

Batdetector Gewone Dwergvleermuis Ruige Dwergvleermuis Laatvlieger Watervleermuis Gewone Grootoorvleermuis

alg. zeldz. enkele zeldz. zeldz.

Overzicht van de waarnemingen van de 3 monitoringroutes 2010 tot 2016 Zoogdieronderzoek Frank Bosman In 2019 heeft Frank Bosman met de Mostela en Struikrover onderzoek gedaan naar “Habitats preferentie van kleine marterachtigen in de Maashorst en de bijbehorende waarnemingsmethoden”. Door Mostela en Struikrover binnen enkele meters van elkaar te plaatsen zou de voorkeur van kleine marters voor een van beide apparaten vastgesteld kunnen worden. De bunzing is op de negen onderzoekslocaties niet aangetroffen en de wezel bleek voorkeur te hebben voor de mostela. Wezeltjes jagen op muizen in holletjes en de opening van de Mostela nodigt dus uit. De grotere dieren als das, ree en kat zijn door de Struikrover vastgelegd. Om de aanwezigheid van de hermelijn te onderzoeken zijn in het beekdal van de Venloop en op de Wijstgronden ook beide apparaten uitgezet. De hermelijn heeft evenals de bunzing voorkeur voor natte biotopen. Op de Wijstgronden is in 2011 een hermelijn gespot. De hermelijn is bij dit onderzoek in 2019 niet meer waargenomen. Mostela en Struikrover wezel das bosspitsmuis huisspitsmuis dwergspitsmuis Spitsmuis spec. Bosmuis rosse woelmuis bruine rat ree kat/poes totaal aantal waarnemingen

7 2 19 3 1 30 2065 1143 7 1 1 3270

Resultaten van het onderzoek naar kleine marterachtigen met bijvangst Zoogdieronderzoek Carlo Wijnen Bij dit onderzoek van 2010 tot 2021 zijn 10 losse cameravallen, 3 Mostela`s en 3 Struikrovers gebruikt. In vergelijking met de resultaten van 2010 is de grote winst gelegen in de verspreidingsgegevens met eenduidige vastlegging in coördinaten. Het aantal waarnemingen geeft niet de grootte van de populatie weer, want de apparatuur staat langere tijd op dezelfde plaats, waardoor dubbeltellingen het aantal vergroot. Om populatiegrootte vast te stellen moeten dieren gevangen en gemerkt worden. Met het aantal terugvangsten kan de populatiegrootte geschat worden. De soortenlijst komt praktisch overeen met de lijst van 2010, maar in 2020 gaat het om eigen waarnemingen. Zwervers uit het verleden zijn niet opgenomen. 66

Laatvlieger met lange staart

Steenmarterdropping met rozenbottelpitjes

Het wilde zwijn is niet vermeld in 2010 en staat ook niet bij de waarnemingen van 2021. Er zijn wel twee zichtwaarnemingen. Chris van Roosmalen heeft op 24-3-2020 in Herperduin bij Kriekeput een kadaver van een wild zwijn gevonden en er is een waarneming van twee wilde zwijnen op 6-9-2021 nabij de telpost van de Vogelwacht, door Gijs Komen gedaan in het bosje noordelijk aan de Palmvenseweg. Insecteneters De drie spitsmuissoorten worden in lage aantallen gevonden; de dwergspitsmuis, die met 33 waarnemingen het meest gezien is, komt maar in drie kilometervakken rond Slabroek en de Venloop voor. De droogte maakt, dat regenwormen diep wegkruipen; in de verdroogde graslanden van de begrazing is dit bulkvoer verdwenen. Dat zelfde overkomt ook de mol; in de begrazing zijn geen molshopen meer te vinden; in 2010 waren er nog redelijke aantallen. Vleermuizen De zeven vleermuissoorten, die bij het onderzoek in Herperduin, Maashorst noord en zuid zijn gevonden door Huitema en Korsten in 2009 – 2010 zijn bij de diverse onderzoeken door Vleermuiswerkgroep Maashorst o.l.v. Carlo Wijnen ook weer waargenomen. Vleermuisreservaat Maashorst (voormalig MOB Heesch) door Carlo Wijnen Vanaf 2010 is de vleermuiswerkgroep betrokken bij de mitigatie van gewone dwergvleermuizen bij de omvorming van de oude militaire mobilisatiecomplexen in de regio.

Bij MOB Heesch zijn er medio 2010 zo’n 30 vleermuiskasten geplaatst om de gewone dwergvleermuizen een plek te garanderen die hun dagrustplaats zagen verdwijnen door de op handen staande sloop van het leeuwendeel van de gebouwen. Deze kasten worden sindsdien het hele jaar door iedere twee weken gecontroleerd op aanwezige dieren. De aantallen dieren die we per jaar waarnemen zijn van 171 dieren in 2011 naar 670 dieren in 2022 opgelopen.

67

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21

Grote grazers Exmoorpony Schotse Hooglander Wisent Tauros Ree Insecteneters Dwergspitsmuis Gewone Bosspitsmuis Huisspitsmuis West-Europese Egel Europese Mol Vleermuizen Watervleermuis Gewone Dwergvleermuis Gewone Grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse Vleermuis Ruige Dwergvleermuis Franjestaart Marterachtigen Das Bunzing Steenmarter Wezel

k.vak 8 1 4 9 23

n. w.n. 21 1 29 12 309

3 4 1 4 7

33 16 1 9 9

5 24 5 14 2 7 1

16 286 28 36 4 10 4

27 10 19 5

135 16 47 32

22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36

Knaagdieren Aardmuis Rosse Woelmuis Dwergmuis Veldmuis Gewone Bosmuis Huismuis Woelrat Bruine Rat Muskusrat Europese Haas Konijn Rode Eekhoorn Hondachtigen Vos Wolf of Hond Katachtigen Huiskat

k.vak 2 11 5 2 18 1 2 3 1 16 21 13

n. w.n. 4 193 14 4 379 2 10 3 1 81 73 45

18 8

175 11

13

59

Resultaten van zoogdieronderzoek in de Maashorst van 2010 tot 2021. k.vak: kilometervak, n. w. n.: aantal waarnemingen

68

2021-2022

2019-2020

2022

2020-2021

2018-2019

2017-2018

2021

2016-2017

2015-2016

2014-2015

2013-2014

2012-2013

2011-2012

2010-2011

2009-2010

Er is toen speciaal een gebouw gespaard en ingericht als vleermuiswinterverblijf voor vleermuizen die houden van droge overwinteringsplaatsen. Dit gebouw wordt ieder jaar eenmalig gecontroleerd 120 op winterslapende dieren. Ook op dit gebouw en bij de kantoren/werkplaats van Staatsbosbeheer, die hun intrek 90 namen in de overige gebouwen van het voormalig MOB, zijn grote kraamkoloniekasten geplaatst voor de 60 gewone dwergvleermuizen. Ook deze kraamkasten worden tegenwoordig jaarlijks gemonitord en de 30 kraamkolonie is in de afgelopen jaren van zo’n 100 uitvliegende dieren naar ca. 260 dieren gegroeid (2022). De 0 aantallen overwinterende dieren nemen exponentieel toe waarbij we kunnen spreken van een massawinterverblijfplaats voor gewone dwergvleermuizen en daardoor een speciale functie heeft voor de dieren uit de omliggende dorpen/steden. We zien met al deze monitoringsinspanning een duidelijke populatiegroei in het aantal gewone dwergvleermuizen in dit gedeelte van de Maashorst.

Totaal waargenomen dieren in kasten p/jr.

2016

349

2017

425

2018

360

2019

444

2020

392

2021

487

2022

670

525

350

175

0

2020

408

2019

2015

2018

390

2017

2014

700

2016

273

2015

2013

2014

224

2013

2012

2012

171

2011

2011

875

Vleermuiswinterverblijf Bluskelder Zeeland (voormalig MOB Zeeland)

69

Na de sluiting van MOB Zeeland in 2005 zijn alle magazijngebouwen gesloopt waarbij enkel de bluskelder is overgebleven. Die is in 2010 Gewone Gewone Totaal ingericht als vleermuiswinterverblijf. Verschillende Dwerggrootoorkeren is er door onverlaten geprobeerd om het vleermuis vleermuis object binnen te geraken waardoor in 2013 de 2009-2010 1 1 ruimte duurzaam is afgesloten voor mensen. In 2018 heeft Carlo Wijnen de toegang zo aangepast dat 2010-2011 2 2 deze tot nu toe hufterproof is gebleken en het object, 2011-2012 6 6 buiten de vleermuizen die er al die jaren wel 2012-2013 5 5 toegang tot hadden, ook weer van binnen gemonitord kan worden. Het winterverblijf wordt 2013-2014 6 1 7 inmiddels ook door zeer conservatieve 2014-2015 16 16 vleermuissoorten gebruikt. 2015-2016

14

4

18

2016-2017

18

3

21

Batlogger fietsrondes

Door verschillende omstandigheden zijn de batdetectorrondes na 2016 niet meer doorgezet. 2018-2019 35 2 37 Groot nadeel van ‘gewone’ batdetectoren is dat je 2019-2020 45 45 maar enkele vleermuissoorten ‘op de hand’ kan determineren. Met behulp van de in 2021 2020-2021 Covid19 restricties aangeschafte Batlogger M kan er nu beter 2021-2022 102 4 106 gemonitord worden op de verschillende soorten die 2022-2023 er in de Maashorst voorkomen. Na zonsondergang wordt deze logger met de fiets rondgereden en worden er automatisch opnames van vleermuizen met exacte GPS-locaties vastgelegd. Deze opnames worden thuis met een computer geanalyseerd en tot de juiste soort gedetermineerd. Ieder jaar worden de drie vastgelegde rondes driemaal in het seizoen gereden. Iedere keer met een andere 2017-2018

27

2

29

Vleermuiskasten Natuurbegraven Maashorst Met de plannen om landbouwgrond om te zetten naar natuurbegraafplaats Maashorst zijn er in 2015 diverse vleermuiskasten opgehangen ter compensatie van gerooide bomen en dus

Gewone grootoor

Franje staart

Water vleer muis

Vleer muis spec.

2009-2010

-

-

-

-

2010-2011

-

-

-

-

2011-2012

-

-

-

-

2018-2019

18

-

-

-

2019-2020

11

-

-

-

2020-2021

Covid19

2021-2022

23

3

-

1

2022-2023

22

4

3

-

35 30 25 20 15 10 5

2009-2010 2010-2011 2011-2012 2018-2019 2019-2020 2020-2021 2021-2022 2022-2023

0

70

Gewone grootoor Franjestaart Watervleermuis Vleermuis spec.

mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen. Sinds 2018 worden deze kasten jaarlijks op kraamkolonies van gewone grootoorvleermuizen gemonitord.

Natuurbegraven Maashorst Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kastnummer 1FF 1FF

1FF

3FN 3FN 3FN 3FN

3FN

3FN

1FF

1FF

3FN

1FF

3FN

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

Totaal

28-06-2018

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

0

0

1

26-08-2019

0

0

0

0

0

1

0

0

0

0

0

0

0

0

1

11-06-2020

0

0

0

0

15

0

0

0

0

10

0

0

0

0

25

24-06-2021

0

0

0

0

0

15

0

0

0

0

0

0

14

0

29

01-06-2022

25

0

0

0

0

0

15

0

0

0

0

0

0

0

40

Knaagdieren De woelrat of waterrat (Arvicola amphibius) komt op beide lijsten voor, maar de woelrat is een algemene verschijning langs de Venloop. Zijn aanwezigheid is het beste vast te stellen aan de gangen op de waterlijn. Het lange tijd droog vallen van watergangen zal zeker invloed hebben op de populatie. Herstel zal afhangen van de vernattingsmaatregelen.

Hol van de waterrat of woelrat met keuteltjes. Muizen: De rosse woelmuis is de meest algemene soort van graslanden, terwijl de gewone bosmuis in alle natuurterreinen te vinden is. Van de twee andere woelmuizen: aardmuis en veldmuis zijn maar weinig waarnemingen. De dwergmuis leeft in hoge grassen zoals langs de Venloop en in heidevelden. Door de verdroging is het gras in de begrazing open en laag geworden en is de dwergmuis uit de begrazing verdwenen op enkele ruige overhoekjes na. Ook de heidevelden worden door de droogte minder geschikt leefgebied. 71

Konijn en haas hebben nog een redelijke verspreiding met resp. 21 en 16 kilometervakken. De belangrijkste predator, de vos komt in 18 kilometervakken voor. Het stoppen van de jacht in de Maashorst heeft niet geleid tot een plaag. Marterachtigen De hermelijn is niet teruggekeerd in de Maashorst, maar de wezel en bunzing weten zich te handhaven. De steenmarter was in 2010 nog een zwerver, maar heeft zich spectaculair uitgebreid over de gehele Maashorst in 19 kilometervakken. Hij wordt als cultuurvolger veel in de omgeving van bebouwing waargenomen, waar zijn belangrijkste prooidier muizen veel voorkomen; uit de droppings is ook te zien, dat de steenmarter ook vruchten zoals de rozenbottel eet. De boommarter is nog niet vastgelegd, maar zal in de aankomende jaren zeker de Maashorst gaan bevolken gezien de opmars in aanliggende gebieden zoals het Hurkske in Erp, Staatsbossen van St. Anthonis en zelfs het centrum van Den Bosch. (Gevalideerde waarnemingen) De das in De Maashorst

door Annemarie van Diepenbeek

De das is een coryfee van de Maashorst en is eeuwenlang verbonden met het landschap met houtwallen, bossen en bouwlanden. Annemarie van Diepenbeek monitort de dassen jaarlijks in de Maashorst en is zoogdierspecialist. Carlo Wijnen heeft de digitale data geleverd. Zoals in overige delen van Nederland waar de das ooit voorkwam, was de dassenstand rond 1980 tot een kritiek niveau teruggelopen. Vooral door ruilverkavelingen, aanleg van wegen en stads- en dorpsuitbreidingen waren veel leefgebieden steeds ongeschikter geworden voor de das. In de Maashorst waren er in totaal circa 15-20 burchten, inclusief Herperduin. Vanaf begin jaren 90 tot 2010/15 werden de dassenburchten 1 of 2x per jaar geïnventariseerd door leden van de provinciale werkgroep van de Vereniging Das en Boom (later voortgezet als zelfstandige stichting Dassenwerkgroep Brabant). Naast de burchtbezoeken werden ook knelpunten in het gebied, zoals vernielde rasters langs wegen, gecontroleerd. Destijds was vrijwel elke burcht bewoond door grofweg een familie per burcht. Door tijdgebrek en te weinig vrijwilligers zijn de burchtcontroles tussen 2005 en 2015 minder structureel geweest; vanaf 2015 zijn die weer hervat, zij het soms met (gering) wisselende regelmaat.

Vanaf begin jaren 80 heeft Vereniging Das en Boom, op zowel wettelijk terrein als op gemeentelijk -, provinciaal- als op rijksniveau veel landelijke actiewerk verricht voor een betere bescherming van de das. De contacten met terreineigenaren van het professionele team van Vereniging Das en Boom en die van de vrijwilligers leidden ook in De Maashorst tot een toename van het aantal dassenburchten. Vooruitgang tot 2010/2015: naar 50 burchten (2/3 bewoond) Het aantal dassenburchten in De Maashorst is in deze periode gegroeid naar 45-50 burchten, excl. 7-8 burchten in het deel Herperduin. Over de jaren heen was daarvan grofweg 2/3 deel bewoond. Achteruitgang na 2015 In de Maashorst is de groei rond 2010 tot stilstand gekomen. Tussen 2010 en 2015 vond er een afname plaats, er kwamen steeds meer onbewoonde territoria. De stand in 2023 is dat de helft van de burchten niet of maar tijdelijk is belopen of slechts minimale activiteit vertoont1). Deze ontwikkeling liep ongeveer tegelijk met de inzet grote grazers (aanvankelijk Schotse Hooglanders, later wisenten, taurossen en exmoor pony’s) en daarmee de verruiging van eerder door vee begraasd weiland in de kern en in de randzones van de Maashorst. In ruiger terrein is het voor dassen moeilijker om aan regenwormen, hun hoofdvoedsel 2), te komen. Bij 72

het foerageren in ruig grasland veroorzaakt de beweging van de lange stengels trillingen in de bodem, wat regenwormen dieper de grond in doet vluchten, waarmee ze onbereikbaar worden voor de dassen. Deze moeten dan overstappen op alternatief voedsel, zoals keverlarven (engerlingen, emelten), die ze al wroetend proberen te vinden. Ook vonden er in deze jaren enkele burchtverstoringen en stroperijen plaats. Hierbij te denken aan een door landbouwers dichtgeschoven burcht, maar ook door vertrapping van grote grazers die op enkele verhoogde plekken hun rustplek maakten waar dassen ook juist hun burcht hadden. Tussen 2010 en 2015 zijn op een paar plaatsen doodgeschoten dassen aangetroffen (Kanonsberg/Hultje). Vanaf circa 2015 gaat het dus wat minder goed. Er heeft bosomvorming plaatsgevonden, er zijn landschapselementen (goede foerageerplekken voor dassen) verdwenen. Er is vooralsnog echter geen eenduidige oorzaak voor aan te wijzen wat belangrijkste reden is van achteruitgang is: mogelijk een combinatie van verruigd grasland met de verdroging die in De Maashorst evident een rol speelt. Ook verstoring speelt vermoedelijk een rol, maar in de Maashorst een minder ingrijpende. Zeker is dat de droge zomers van 2018, 2019, 2020 en 2022 ongunstig hebben uitgepakt voor dassen3).

Door de droogte moesten ze grotere afstanden afleggen om aan geschikt voedsel te komen (denk hierbij aan beregende weilanden/sportvelden), waarbij ze grotere risico’s liepen om als verkeersslachtoffer aan hun eind te komen4). Opvallend is dat in deze periode foeragerende dassen of sporen daarvan zijn waargenomen in tuinen van aan De Maashorst grenzende bebouwing (Hof van de Toekomst, tuin Klantstraat, sportpark Rondweg Uden). Ook de terugloop in amfibieën in het begrazingsgebied van de grote grazers betekent een vermindering van voedselaanbod voor dassen. 1 ) Het aantal dassenburchten in een gebied zegt niet meteen alles over de dassenstand: een dassenfamilie kan meerdere bewoonde en onbewoonde burchten in één territorium hebben, zeker in een suboptimaal leefgebied waarvan het grootste deel onbewoond is. Binnen een territorium kunnen nieuwe burchten worden gegraven zonder dat dit direct wil zeggen dat het aantal dassen toeneemt. Er zit dynamiek in de bezetting van burchten: soms zijn burchten een tijdlang (soms jarenlang) niet bezet, maar worden ze later opnieuw door dassen bewoond. Daarom zijn ook niet bewoonde burchten van belang, zij behoeven evengoed bescherming als wel bewoonde burchten.

Bij inventarisaties van de status van burchten in de Maashorst blijkt dat de laatste jaren er op een flink deel van de burchten aanmerkelijk minder activiteit is dan voorheen, wat duidt op bewoning van een klein aantal dassen. Hierbij te denken aan slechts enkele en matig belopen pijpen, weinig graafactiviteiten en weinig tekenen van aangesleept nestmateriaal. 2 ) Regenwormen vormen het stapelvoedsel van de das. Aan dierlijk voedsel eten dassen daarnaast ongewervelden zoals slakken en kevers. Ook graven ze wel eens een wespen- of muizennest uit, eten aas of verschalken ze een amfibie. Dit soort voedsel wordt al scharrelend vergaard, en niet actief door achtervolging zoals bij vossen of marters het geval is. Daarnaast eten dassen bosvruchten, zoals kersen van de Amerikaanse en inlandse vogelkers, bessen e.d. In de herfst eten ze graag maïs, in de fase van melkrijpe korrels. In boomgaarden zoeken ze wel eens naar valfruit. In de droge zomers van 2018, 2019, 2020 en 2022 manifesteerde zich het gebrek aan regenwormen in de Maashorst duidelijk door opvallend meer graaf- en wroetwerk van dassen naar –vooral– keverlarven. 3 )Vaak krijgen dassen maar om het jaar een worp, voedselschaarste speelt hierin een grote rol. Zeker in droge jaren (waarbij regenwormen moeilijk te vinden zijn) is de sterfte onder de jongen groot. Ook de volwassen dieren lijden daar sterk onder.

In de jaren 2018, 2019, 2020 en 2022 waren de dassen die als verkeersslachtoffer gevonden worden erg mager, vaak zelfs enkele kilo’s lichter dan normaliter. Dat geldt ook voor de als verkeersslachtoffer opgehaalde dassenvrouwtjes na de zoogperiode. Deze dassen zijn door medewerkers van de 73

dassenambulance (Dassenwerkgroep Brabant) systematisch gewogen en gemeten (bron: Nieuwsbrief 51_2019 Dassenwerkgroep Brabant; https://www.dassenwerkgroepbrabant.nl/bestanden/nieuwsbrief51_2019.pdf 4 )Dassen zijn in principe 's nachts actief. Ze verlaten hun burcht pas in de late avondschemering en keren in de vroege ochtenduren erin terug. In droge jaren moeten de dassen elke nacht grotere afstanden afleggen om voldoende voedsel te vinden. Dat leidt tot een verhoogd aantal verkeersslachtoffers. Ook zijn de zomernachten te kort om voldoende voedsel te vinden. Zo zijn er de laatste jaren meer dassen in de vroege avond en de vroege ochtend, dus bij daglicht, gezien dan normaliter het geval is. Ook voor jonge dassen is het in een droge periodes een zware opgave voldoende eten te vinden. Veghel, 16 januari 2023 Annemarie van Diepenbeek, Dassenwerkgroep Brabant. Wolf of hond Er zijn 11 waarnemingen in 8 kilometervakken met foto gedaan. Op basis van de foto`s kan niet met zekerheid de aanwezigheid van de wolf aangetoond worden. In alle gevallen betreft het een loslopende grote hondachtige. Er worden ook zichtmeldingen gedaan van grote hondachtigen en er zijn meldingen van door de wolf gedode schapen in Oost Brabant. Het valt niet uit te sluiten, dat de wolf door de Maashorst gelopen is, maar als leefgebied is de Maashorst te klein.

Het reeënbestand is door het jachtverbod redelijk groot en kan de wolf aantrekken. Ook worden er veel waarnemingen van (gedomesticeerde) loslopende honden gemaakt. Op diverse cameravalbeelden worden de huisdieren soms met en zonder baasje middenin een bosvak, buiten de paden, vastgelegd. 4.3

Amfibieën

De Maashorst is met negen soorten amfibieën een rijk natuurgebied te noemen. De amfibieën zijn de grootste en meest kenmerkende bewoners van de vennen, poelen en beken van de Maashorst. Chris van Roosmalen heeft in 2018 alle wateren (77) in de Maashorst onderzocht op het voorkomen van amfibieën, de waterkwaliteit voor vele parameters vastgesteld en in 34 wateren de macrofauna geïnventariseerd. In slechts 5 van de 77 wateren zijn geen amfibieën gevonden. De algemene soorten: kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker blijken ook in de Maashorst de meest talrijke te zijn. Deze soorten stellen de laagste eisen aan hun voortplantingswater. Ook het landbiotoop bepaalt het succes van de soorten. De zeldzame soorten stellen hogere eisen aan hun leefomgeving of zijn gevoeliger voor predatie. De kleinere soorten zoals de poelkikker worden door voedselconcurrenten zoals de bastaardkikker beperkt. Doordat alle beeklopen en veel poelen en vennen in Maashorst en Herperduin in 2018 en 2019 zijn droog gevallen, is de voortplanting van vooral de zeldzame soorten zoals kamsalamander, alpenwatersalamander, heikikker en poelkikker achteruitgegaan en is het aantal juveniele amfibieën sterk afgenomen.

Ofschoon Ganzenven in 2020 weer droog viel, hebben toch larven van kamsalamander en poelkikker de metamorfose voltooid en zijn in landfase gezien; dat is alleen mogelijk, wanneer er voldoende voeding aanwezig is. Dat is vooral het geval bij gebufferde vennen.

74

Ligging van de onderzochte poelen en vennen in de Maashorst

Amfibieën: Kamsalamander Kleine watersalamander Alpenwatersalamander Gewone pad Rugstreeppad Bruine kikker Heikikker Poelkikker Bastaardkikker

Amfibia: Tritrus cristatus Triturus vulgaris Ichthyosaura alpestris Bufo bufo Bufo calamita Rana temporaria Rana arvalis Rana lessonae Rana esculenta

16 61 30 66 47 55 10 10 39

De soorten amfibieën en het aantal wateren, waarin ze voorkomen De kamsalamander staat aan de top van de piramide; de soort is als eerste in het voorjaar in de poelen en het vrouwtje vreet zelfs volwassen kleine watersalamander als eiwitbron voor haar eitjes. De larven zijn een stuk groter wanneer de larven van de kleine watersalamander verschijnen. Na een dieet van kleine waterdiertjes als watervlooien worden andere larven door de kamsalamanderlarven gepredeerd. De rugstreeppad, die Europese bescherming geniet, is een pioniersoort, die in staat is zich in de korte tijd, dat de poelen nog water hebben, zich voort te planten en hij verdraagt de vraat en vertrapping van de oevers door grote grazers. De gewone pad en de rugstreeppad zijn giftig en worden daarom door reigers gemeden. Zij planten zich daardoor ook talrijk voort in water met weinig of geen waterplanten. De larven van de padden, maar ook van de kikkers leven van algen, die ze van de bodem of van waterplanten schrapen. Het zijn herbivoren, maar dode dieren worden ook opgegeten. De enige rover, die padden eet, is de bunzing; deze marterachtige vilt de huid met gifklieren en 75

eet de rest op. Ook de kamsalamander scheidt gif af; daardoor is ze minder kwetsbaar als deze soort al vroeg in het voorjaar de vennen, poelen en beken betrekt en de waterplanten nog weinig ontwikkeld zijn.

Kamsalamandervrouwtje, die een kleine watersalamander verslindt.

De door een bunzing gevilde huid van de gewone pad

Analyse poelen op basis van het voorkomen van amfibieën

Poelnr. 4 8 10 15 21 43 46 47 63 64 67 72

pH 5,4 – 8,3 5,8 – 8,2 3,4 – 5,7 6,9 – 9,1 7,5 5,2 – 7,9 4,5 – 6,2 4,6 – 6,8 6,3 – 7,0 5,7 – 8,6 4,2 – 5,7 6,5 – 7,6

EGV 244 110 29 63 94 23 53 43 67 63 41 87

n 8 8 6 6 6 8 8 7 8 7 7 7

kam 1 2

1 1 1 1 1

rugstreep heikikker poelkikker naam: 1 1 2 Klompven 1 1 1 Groot ganzenven 1 1 ven Snippenjacht 2 1 poel Rijsvennen 1 1 poel Rijsvennen 1 1 ven Schaijkse heide 1 1 ven Schaijkse heide 1 1 ven Schaijkse heide 2 1 poel begrazingsgebied 1 1 poel begrazingsgebied 2 2 moeras Karlingerweg 2 1 poel Venloop

Het voorkomen van HR-soorten in de 12 poelen met 6 tot 8 soorten (n) amfibieën 1 = zeldzaam (1 – 5); 2 = algemeen (6 – 50) De 12 vermelde poelen zijn poelen met zes tot acht amfibieën; deze soortenrijkste poelen zijn matig tot goed gebufferd. Voor zover de macrofauna van deze poelen is onderzocht behoren deze poelen ook tot de poelen met de meeste macrofaunasoorten en daarmee samenhangend ook de hoogste biotische index voor milieukwaliteit. Alle amfibieën vallen onder de wet Natuurbescherming; de kamsalamander, poelkikker, heikikker en rugstreeppad worden beschermd door de Europese Habitatrichtlijn en zijn in heel Europa beschermd. 76

Poelkikker man

Heikikkers in amplexus of paargreep

4.3.1 (Her)introductie boomkikker en knoflookpad Uit het onderzoek voor het overzichtsrapport: “Amfibieën van De Maashorst. Natuur- en Milieuverenigingen De Maashorst”, Ettema, 2012 was gebleken, dat in het nabije verleden boomkikkers in de Maashorst en Wijstgronden voorkwamen. Dit was de aanleiding om de mogelijkheden voor herintroductie te onderzoeken. Daartoe zijn door studenten van HAS Den Bosch een viertal veldonderzoeken uitgevoerd. • • •

•

Néomi Geurts, Bart van Griensven, Otmar Feddema. 2014. De herintroductie van de boomkikker in de Maashorst. HAS Den Bosch Bart van Griensven, Otmar Feddema en Néomi Geurts, 2014. Herintroductie van de boomkikker in de Maashorst. HAS Den Bosch. Fabian Helsloot, 2017. De Europese Boomkikker en de Knoflookpad terug in de Maashorst. Adviesrapport over de mogelijke herintroductie van de Hyla arborea en de introductie van Pelobates fuscus rond verschillende poelen in de Maashorst. HAS Den Bosch. Lindi Jasperse, Wolf van Eekelen, Cas Klaasenbos. 2018. Herintroductie knoflookpad en boomkikker. Amfibieën inventarisatie in de Rijsvennen. HAS Den Bosch

Ben Crombaghs van Adviesbureau Natuur Balans Limes Divergens Rapport Limes divergens heeft in 2019 alle voortplantingswateren in de Maashorst onderzocht op de geschiktheid voor boomkikker en knoflookpad. Uitgangspunt was hierbij ook de poelen en vennen uit het rapport van 2012. Hierbij is ook gekeken naar de geschiktheid van de poelen voor de introductie van de knoflookpad. De verspreiding van de knoflookpad in Brabant is door de verborgen leefwijze van de knoflookpad onvolledig. Uitgangspunt van SBB was vooral herintroductie; de verspreiding van knoflookpad over meerdere gebieden biedt meer kans voor het instand houden van de soort en het vergroten van de genenpoel door exemplaren uit verschillende gebieden te mengen.

77

Kaart van de Maashorst met de voortplantingswateren, die onderzocht zijn.

Boomkikker (B.Crombaghs)

Knoflookpad (B.Crombaghs)

Vooral door de verdroging in de Maashorst is de introductie van beide soorten uitgesteld, maar in het concept van het Inrichting- en beheerplan 2022-2026 is de introductie van beide soorten opgenomen. Prioriteit is herstel van het grondwaterepeil.

78

4.4

Reptielen

Inleiding De reptielen zijn de oudste bewoners van de heidevelden. Hun aanwezigheid wordt sterk bepaald door de kwaliteit van de heide. Een belangrijke factor hierbij is de variatie in structuur. In een open heideveld is te weinig schuilgelegenheid en zijn deze dieren een te gemakkelijke prooi voor roofvogels en kraaiachtigen. Het aanbod aan prooi speelt ook een belangrijke rol en deze bestaat vooral uit insecten en andere geleedpotigen. Methode Vanaf 1995 tot 2010 is er een monitoringroute gelopen op Udenoord nabij de Grensweg. Hierbij wordt op zicht gezocht naar reptielen. Op basis van de gegevens van monitoringroutes kan de landelijke trend worden berekend van de levendbarende hagedis. Ook kan hieruit direct afgeleid worden hoe de populatie in Udenoord zich ontwikkelt.

Jari Boerboom met golfplaatje 2017

Dode hazelworm op fietspad

Noah Thijssen augustus 2020

Ingegraven kistje 79

Vanaf 2009 zijn er meerdere onderzoeken door studenten van HAS Den Bosch uitgevoerd naar de levendbarende hagedis en de hazelworm. Hierbij zijn verschillende materialen voor de plaatjesmethode gebruikt: tapijttegels en golfplaatjes. In 2020 zijn door vrijwilliger Noah Thijsen 20 kistjes met hooi ingegraven en afgedekt met een tapijttegel. Deze methode met kistjes is ontleend aan monitoringonderzoek op de Meinweg door Ton Lenders. In 2019 zijn tijdens de monitoring voor SNL in het gehele natuurgebied de waarnemingen van levendbarende hagedissen ingevoerd in waarneming.nl. Hazelwormen in het natuurgebied De Maashorst De hazelworm leidt een verborgen leven. Het dier jaagt evenals de levendbarende hagedis tussen lage vegetatie naar kleine dieren als insecten in het bijzonder mieren, maar ook spinnen, pissebedden etc. en dat doet het vooral in de buurt van struiken om snel weg te kunnen kruipen. Als koudbloedig dier heeft het zonnewarmte nodig en alleen om te zonnen wordt een open plek opgezocht. Helaas worden daar ook fietspaden voor gebruikt, omdat deze warmte vasthouden. De verspreiding van de hazelworm is door deze verborgen leefwijze onduidelijk. In Brabant is dit nog meer het geval dan in andere provincies en dit komt waarschijnlijk door de geringe omvang en de geïsoleerde ligging van geschikte biotopen. De meeste heidevelden zijn omgevormd tot productiebossen.

Door bosrandomvorming, dunnen in productiebossen, die een gesloten structuur hebben en herstel van structuurrijke en kruidenrijke heidevelden kan het leefgebied weer uitgebreid worden. Hazelwormen aan de Grensweg In de jaren tachtig en negentig werd met enige regelmaat een volwassen hazelworm waargenomen op een moerassig terrein aan de Grensweg in de Maashorst. Annemarie van Diepenbeek heeft achterhaald waar deze hazelworm vandaan kwam. Het bleek een uitgezet exemplaar te zijn en dus geen exemplaar van een oorspronkelijke restpopulatie. Nico Ettema vernam in 2016 van een student van Helicon Den Bosch, die onderzoek deed naar kleine zoogdieren, dat haar vader een paartje hazelwormen uit Frankrijk had meegenomen. Hieruit zijn enkele jongen voortgekomen. Deze man heeft de hazelwormen losgelaten op het terrein aan de Grensweg. De hazelwormen worden al jaren niet meer gezien aan de Grensweg, maar in de zomer van 2015 werd een zonnende hazelworm gezien in een droge sloot langs de Slabroekseweg.

Hazelworm waargenomen door Jari Boerboom

80

Boomschijf als schuilplaats

Op de plek is door Maurice van Doorn een grote houten boomschijf neergelegd in de hoop, dat de hazelworm deze gaat gebruiken als schuilplek. Dit exemplaar kan een nakomeling zijn van de uitgezette dieren van de Grensweg. Sinds 2007 is door de waarneming van Wim van de Heuvel bekend, dat er een populatie hazelwormen leeft op de Reekse Heide. Het gebied grenst aan de oostzijde aan de Maashorst, hiervan gescheiden door een provinciale weg. Er is door RAVON in 2008 met behulp van de plaatjesmethode (225 stuks op 25 locaties) onderzoek gedaan naar de verspreiding. Er zijn in totaal twee exemplaren gevonden. In 2009 werd elders in de gemeente Zeeland een juveniele hazelworm gefotografeerd. Latere bezoeken aan dit terrein hebben geen waarneming opgeleverd (mondelinge mededeling J. v. d. Wijst). Hazelwormen in Herperduin In 2010 werd door een stagiaire van Helicon bij de Gemeente Oss voor het eerst een dode juveniele hazelworm gevonden op de Snippenjacht in Herperduin. (mond. mededeling Jari Boerboom). Dit is het eerste bewijs van voortplanting van de hazelworm in Herperduin. Eerdere waarnemingen van de hazelworm in Herperduin zijn niet bekend. Migratie vanuit de Reekse Heide is mogelijk, maar dat kan alleen via de Maashorst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=90210fca-6442-4098-b52d-aaf9d372f626