Stand van de natuur in De Maashorst 2022
Tekst van het document
Op 28 september 2014 is door Henk Strijbosch, oud docent van de universiteit Nijmegen, gespecialiseerd in reptielen en lid van RAVON, een jong mannetje (subadult) in Herperduin gevonden. Op 16 maart 2015 zijn weer door Henk onder een plank twee jonge hazelworm aangetroffen.
Eerste waarneming van volwassen mannetje hazelworm op 28 september 2014
Twee juveniele hazelwormen in hun schuilplaats op 23 september 2016
In het voorjaar van 2016 zijn door Jari Boerboom en Nico Ettema een tiental tapijttegels uitgelegd in de omgeving van de vondsten, nadat met Henk Strijbosch het gebied onderzocht was op geschikte plekken. In de zomer van 2016 zijn ten noorden van het bekende leefgebied, op de Achterste Heide, twee hazelwormen op een fietspad doodgereden. Op 5 september bij een controleronde is door Jari Boerboom in de nabijheid van de route een zonnende hazelworm aangetroffen. Op 23 september 2016 werden door Henk Strijbosch onder dezelfde plank twee jonge hazelwormen gevonden. Omdat de tapijttegels geen resultaat opleverden, zijn in januari 2017 tien golfplaatjes van 60 x 60 cm uitgelegd. In de loop van het seizoen zijn er enkele golfplaatjes verdwenen of verlegd. Bij controles in 2017 zijn ook hieronder geen hazelwormen gevonden; wel lag onder het golfplaatje op de Snippenjacht een levendbarende hagedis. In 2020 zijn bij het gebruik van 81
ingegraven kistjes ook geen hazelwormen gevonden; wel werden er enkele jonge rugstreeppadden aangetroffen. Het onderzoek aan hazelwormen is voortgezet door studenten van de HAS Den Bosch. Levendbarende hagedissen Vanaf het begin van het onderzoek aan levendbarende hagedissen was de heide de favoriete biotoop van dit reptiel. Voor 2010 werden ook op een verlaten akker op de Brobbelbies met een open structuur regelmatig zonnende hagedissen gezien. Bij het lopen van de monitorroutes werden de dieren ook herhaaldelijk op heidepaadjes aangetroffen. Op de verspreidingskaart van 2010 is te zien, dat alle waarnemingen plaatsvonden op heidevelden en een corridor tussen de Kanonsberg en het ecoduct over de provinciale weg. Deze is aangelegd door het kappen van grove dennen met ondergroei van struikheide. Ook in de blauwe kilometervakken, waar de levendbarende hagedis is verschenen, gaat het om kleine stukken heide omgeven door productiebos. In de rode kilometervakken, waar de hagedis verdwenen is, is het dicht groeien van zonplekjes door opslag van den en berk de oorzaak.
Dode heidestruiken op de Munse heide juni 2020 Op de verspreidingskaart van 2020 valt een grote verandering te constateren. De grote droge heidevelden zijn verlaten door de levendbarende hagedis door het dood gaan van de heidestruiken. Op heidevelden met dopheide zoals de Schaijkse vennen, Snippenjacht, natte heide bij het Groot Ganzenven en Munven zijn nog geschikte biotopen voor de levendbarende hagedis. Ook op de nog jonge kruidenrijke graslanden van de Brobbelbies leven hagedissen. De droge graslanden van de taurosbegrazing en de wisentbegrazing zijn te kaal geworden en geven geen beschutting meer aan hagedissen.
82
Kaart met verspreiding van levendbarende hagedissen in 2010
83
Kaart met de verspreiding van levendbarende hagedis in het natuurgebied De Maashorst 2019
84
Levendbarende hagedis zonnend
Prooi van klapekster maart 2016
De achteruitgang van de flora op de heidevelden was al vastgesteld in 2010. Hierdoor verdwenen insecten als dagvlinders en wilde bijen. De sprinkhanen op de heide zijn door de verdroging ook sterk achteruitgegaan., maar zijn veel talrijker geworden in de graslanden. Het knopsprietje, een klein sprinkhaantje, bleek in 2019 nog wel te vinden op de heide Bijzondere waarnemingen In het voorjaar van 2016 had de klapekster een voorraad van levendbarende hagedissen opgespietst; hagedissen gaan al vroeg in het voorjaar in de zon liggen om op te warmen en daar heeft een ervaren klapekster gebruik van gemaakt en ruim tien exemplaren gevangen. Dit fenomeen zal voorlopig niet meer worden waargenomen, omdat de levendbarende hagedissen geen geschikt leefgebied op de heide hebben.
Groene hagedis in de Maashorst
Zandhagedissen (Vliegbeeld)
Af en toe wordt er melding gemaakt van de zandhagedis in de Maashorst en omgeving. De zandhagedis komt in Noord-Brabant niet voor. Bij de inventarisatie in 2019 werd ook een groenige hagedis gevonden. Het mannetje van de zandhagedis is fel groen, maar niet op zijn rug. Het vrouwtje lijkt meer op de levendbarende hagedis, maar de bloktekening met witte vlekjes is opvallend. De zandhagedissen zijn ook te herkennen aan het dikkere kopje. De groenige hagedis is dus een kleurvariatie van de overwegend bruin gekleurde levendbarende hagedis. Een andere bijzondere waarneming is de roodwangschildpad. De kleine moerasschilpadjes uit de dierenwinkel worden groot en worden dan soms los gelaten in het wild. Deze 85
lettersierschildpad (Trachemys scripta) omvat drie ondersoorten: de roodwangschildpad, de geelwangschildpad en de geelbuikschildpad. Het zijn exoten uit Mexico, die zich hier niet kunnen voortplanten. Ze vormen een bedreiging voor de inheemse flora en fauna en kunnen erg oud worden.
Roodwangschildpad
86
4.5
Insecten en andere ongewervelden
4.5.1 Sprinkhanen Inleiding Sprinkhanen en krekels zijn bewoners van droge en natte graslanden, heiden, heiden met stuifzand, struwelen en bomen. De kleinste soorten zijn ongeveer 1cm groot zoals de doorntjes, terwijl de grote groene sabelsprinkhaan met legboor zeven cm haalt. In een biotoop met een beetje variatie leven gewoonlijk drie tot vier soorten. In graslanden van de intensieve landbouw leven er geen. Douwe Schut van Ecologisch adviesbureau Natuurbalans-Limes Divergens heeft in 2009 in opdracht van de Provincie onderzoek gedaan naar de prioritaire soorten, die bij voorkeur beschermd moeten worden. Dit zijn in de Maashorst de blauwvleugelsprinkhaan en de veldkrekel. Dit laatste onderzoek is door Ettema in 2010 herhaald en uitgebreid naar alle soorten. Dit onderzoek vormde een onderdeel van het vastleggen van de 0-situatie van het natuurgebied De Maashorst. Om het effect van 10 jaar natuurbeheer in de Maashorst op de sprinkhanenfauna te achterhalen, is het onderzoek van sprinkhanen en krekels in 2019 herhaald. Methode In 2019 zijn in het kader van Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SNL) voor Bosgroep Zuid Nederland alle terreinen, die zij beheert, gemonitord. In vlakken van 100 m zijn de soorten en de aantallen per soort genoteerd. Buiten de SNL-terreinen zijn de sprinkhanen ook gemonitord volgens de zelfde methode.
Bij de inventarisatie van 2010 zijn alleen de soorten en de vindplaatsen genoteerd. De monitoring werd uitgevoerd op zicht en met behulp van de batdetector. Steekproefsgewijs is er ook geklopt, waarbij de dieren in een omgekeerde paraplu werden opgevangen. Alle soorten zijn gefotografeerd. Resultaten In 2010 zijn 21 soorten geteld, waarvan de huiskrekel gezien is in een gebouw. Het zuidelijk spitskopje, dat goed kan vliegen is in 2010 voor het eerst in de Maashorst waargenomen. De soort wordt regelmatig in huizen en tuinen gezien, maar blijft in de Maashorst een zeldzame waarneming. In 2020 zijn 23 soorten waargenomen. Ofschoon de Maashorst veel uitgebreider dan in 2010 is onderzocht door de SNL monitoring, heeft dit niet bijgedragen aan de toename. Natuurliefhebbers, die met herkenningssoftware soorten op naam kunnen brengen, leveren wel een bijdrage. (Citizen science) Naar de Huiskrekel, die zich bij de bebouwing ophoudt, is niet gezocht. Er zijn 3 nieuwe soorten bijgekomen: Moerassprinkhaan, Bramensprinkhaan en Boomkrekel. De Moerassprinkhaan is in Brabant aan een opmars bezig in vochtige graslanden en beekoevers; door de aanleg van natuuroevers langs beken ontstaan er goede verbindingszones tussen natuurgebieden. Een jaar na de aanleg van natuuroevers langs de Venloop in 2017 werd de moerassprinkhaan gezien in de oevervegetatie.
Vandaar heeft hij zich verspreid naar andere vochtige terreinen. In 2020 is de Moerassprinkhaan ook gevonden in het droog gevallen Groot Ganzenven. De Bramensprinkhaan is al in 2016 gevonden in een bramenstruweel bij de Plassen van Hofmans. Hij wordt daar sporadisch en niet ieder jaar gevonden. De Boomkrekel is een zuidelijke soort, die profiteert van het warmer wordende klimaat en sinds 2004 in Nederland wordt gehoord. Tot nu toe is er een eenmalige waarneming in september 2021 door Gijs Koomen bij de telpost Brobbelbies noord.
87
Soorten Ratelaar Zuidelijk Spitskopje Krasser Knopsprietje Bruine Sprinkhaan Snortikker Zwart Wekkertje Heidesabelsprinkhaan Struiksprinkhaan Gewoon doorntje Zeggedoorntje Kustsprinkhaan Grote Groene Sabelsprinkhaan Moerassprinkhaan Blauwvleugelsprinkhaan Gewoon Spitskopje Veldkrekel Sikkelsprinkhaan Bramensprinkhaan Zanddoorntje Boomsprinkhaan Boomkrekel Zuidelijke Boomsprinkhaan Huiskrekel Tot. Srt. 23 in 2020
2012 n. gebieden 12 1 15 9 9 7 1 2 3 9 4 5 6
2022 n 100m 663 299 409 294 229 320 20 20 111 35 16 29 47
2022 n ex. 19372 5584 4680 4775 4695 2167 580 443 426 414 146 145 100
0 2 7 8 4 0 1 1 0 2 1 Tot. Srt. 21
19 18 15 15 19 1 2 1 1 1 0 2950
93 77 61 40 39 9 6 1 1 1 0 43705
Overzicht van de soorten en aantallen per soort Analyse van de resultaten Zeer algemene soorten
Ratelaar Zuidelijk Spitskopje Krasser Knopsprietje Bruine Sprinkhaan Snortikker
2012 n. gebieden 12 1 15 9 9 7
2022 n. 100m 663 299 409 294 229 320
2022 n. ex. 19372 5584 4680 4775 4695 2167
De eerste zes soorten zijn zeer algemeen en komen in bijna alle terreintypen voor: Ratelaar, Zuidelijk spitskopje, Krasser, Knopsprietje, Bruine sprinkhaan en Snortikker. Wel hebben deze soorten grotere voorkeur voor bepaalde biotopen. De grootste aantallen worden 88
gevonden in schrale graslanden met een gevarieerde structuur: afwisseling van hoge en lage grassen en biezen en kale grond. Kale grond warmt beter op en wordt gebruikt om eitjes in te graven met de legboor. Het zuidelijke spitskopje profiteert van de klimaatopwarming en was in 2010 nog maar sporadisch aanwezig. Ze kwam in dezelfde vochtige biotopen voor als het Gewoon spitskopje, maar ook in drogere terreinen. In 2020 lijkt het Zuidelijk spitskopje het Gewoon spitskopje verdrongen te hebben: 5584 tegen 61 exemplaren. Het Gewoon spitskopje verblijft uitsluitend in vochtige tot natte pitrusvelden en graslanden.
Vrouwtje Grote groene sabelsprinkhaan, ei leggend tussen de warme straatstenen
Parende zuidelijke boomsprinkhanen
Algemene soorten
Zwart Wekkertje Heidesabelsprinkhaan Struiksprinkhaan Gewoon doorntje Zeggedoorntje Kustsprinkhaan Grote Groene Sabelsprinkhaan Moerassprinkhaan
2012 n. gebieden 1 2 3 9 4 5 6
2022 n. 100m 20 20 111 35 16 29 47
2022 n. ex. 580 443 426 414 146 145 100
0
19
93
De tweede groep is algemeen: Zwart wekkertje, Heidesabelsprinkhaan, Gewoon doorntje, Zeggedoorntje en Moerassprinkhaan. Ze komen in grotere aantallen voor in vochtige terreinen zoals vochtige heide, moeras en beek begeleidende grasvegetaties. Moerassprinkhaan stond in 2004 als kwetsbaar op de rode lijst, maar dat is niet meer van toepassing. De Kustsprinkhaan is een echte graslandsoort met een kenmerkende witte streep op de zijkant. De doorntjes zijn uitsluitend te vinden op de oevers van vennen. Bij verstoring springen doorntjes regelmatig het water in; het zijn uitstekende zwemmers, die bovendien blijven drijven. De Grote groene sabelsprinkhaan en de Struiksprinkhaan zijn beide struik bewonende soorten, ofschoon de nimfen van de Grote groene sabelsprinkhaan jagen op insecten in hoge grasvegetaties. 89
Zeldzame soorten in de Maashorst
Blauwvleugelsprinkhaan Gewoon Spitskopje Veldkrekel Sikkelsprinkhaan
2012 n. gebieden 2 7 8 4
2022 n. 100m 18 15 15 19
2022 n. ex. 77 61 40 39
De Blauwvleugelsprinkhaan en de Veldkrekel zijn prioritaire soorten in Brabant; ze hebben het laatste decennium geprofiteerd van de opwarming van het klimaat. Doordat de grasvegetatie door de droogte opener werd, hebben beide soorten hun biotoop uitgebreid naar de droge graslanden in de begrazing. Opvallend is, dat de Veldkrekel niet in Herperduin voorkomt en ondanks de twee ecoducten de oversteek niet heeft gemaakt, terwijl er een groot aantal nimfen jaarlijks wordt waargenomen nabij het zuidelijke ecoduct. Het Gewoon spitskopje is sterk achteruitgegaan in verspreiding. Haar plaats is ingenomen door het Zuidelijke spitskopje. De Sikkelsprinkhaan was zeer zeldzaam (r.l. gevoelig), maar is algemener geworden, ook in de Maashorst. Ze is van de rode lijst geschrapt. Ook de Blauwvleugelsprinkhaan (was r.l. kwetsbaar) is afgevoerd. De Veldkrekel is van r.l. bedreigd naar kwetsbaar gegaan. Zeer “zeldzame” soorten in de Maashorst
Bramensprinkhaan Zanddoorntje Boomsprinkhaan Boomkrekel Zuidelijke Boomsprinkhaan
2012 n. gebieden 0 1 1 0 2
2022 n. 100m 1 2 1 1 1
2022 n. ex. 9 6 1 1 1
De Bramensprinkhaan en het Zanddoorntje zijn de echt zeldzame soorten in de Maashorst; de eerste is slechts bekend van één locatie. In Nederland is hij vrij zeldzaam. Het Zanddoorntje komt langs enkele vennen voor in zeer lage aantallen. Bovendien is ze moeilijk te onderscheiden van het Zeggedoorntje. Landelijk komt het zanddoorntje algemeen voor. De Boomsprinkhaan en de Zuidelijke boomsprinkhaan zijn redelijk algemene soorten, maar hebben een verborgen leefwijze in bomen en struiken en maken geen opvallende geluiden. De zuidelijke boomsprinkhaan komt algemener voor in stedelijke omgeving en dringt dan regelmatig huizen binnen. De Struiksprinkhaan en de Grote groene sprinkhaan, die in het zelfde biotoop verblijven, zijn goed hoorbaar en herkenbaar. De Boomkrekel is een landelijk zeldzame soort, die door zijn verborgen leefwijze in bomen, vooral met de batdetctor op te sporen is. De Huiskrekel is in 2012 wel gevonden in de Maashorst. Hij houdt zich op bij stallen. Ook een vondst in 2020 in Herperduin was bij een stal. Hij wordt als plaagsoort bestreden.
90
Samenvatting In 2012 waren de Veldkrekel, Blauwvleugelsprinkhaan en Sikkelsprinkhaan prioritaire soorten, die bij voorkeur beschermd moeten worden. Alle drie soorten zijn in aantal toegenomen. Dit is maar gedeeltelijk toe te wijzen aan het beheer. Door de droogte ten gevolge van de klimaatopwarming zijn de droge graslanden opener geworden en daardoor meer geschikt voor de leefwijze van sprinkhanen en krekels. Van de vier soorten, die in 2012 als kansrijk werden beschouwd om de Maashorst kunnen bereiken (Boskrekel, Greppelsprinkhaan, Bramensprinkhaan en Moerassprinkhaan) hebben de laatste twee dit ook gedaan.
Greppelsprinkhaan
Boskrekel
De Greppelsprinkhaan is niet zeldzaam in Brabant en zal langs de zelfde weg als de Moerassprinkhaan naar de Maashorst kunnen komen. De boskrekel is in de jaren negentig al op de Kanonsberg gezien. Er zit een populatie aan de rand van de Maashorst op de Reekse heide. Voor alle biotopen als droge en natte heide, droge en natte graslanden en bossen en bosranden geldt, dat variatie in structuur het belangrijkste is. In monotone vegetaties neemt de soortenrijkdom af. Extensieve begrazing levert veel structuurvariatie op zoals kaal gevreten plekken, vegetatie, die blijft overstaan, afwisseling van schrale en door mest verrijkte plekken etc. Door geschikte bosomvorming en het herstel van de natuurlijke waterstand zal de variatie in het milieu toenemen samen met de biodiversiteit. Soortenrijkdom van gebieden In waarneming.nl worden data gerangschikt naar gebieden op basis van streeknamen. Deze gebieden hebben vaak een overwegend identieke vegetatie. Toch hebben deze gebieden zoals heide meestal ook bosranden, stuifzand of een deel grasland. Hierdoor zie je in de soortenverdeling tussen de gebieden geen groot onderscheid. Wanneer naar de aantallen per soort wordt gekeken, zijn de verschillen duidelijker. De doorntjes worden alleen in randen van vennen gevonden en de kustsprinkhaan uitsluitend in graslanden.
Algemene soorten zoals ratelaar, krasser en snortikker komen bij voorkeur voor in graslanden, maar ook in heidevelden. Omgekeerd hebben veldkrekel en blauwvleugelsprinkhaan de droge graslanden gekoloniseerd, nadat daar meer open grond ontstaan was door de droge zomers van 2018, 2019 en 2020. Boom bewonende sprinkhanen worden regelmatig in graslanden geteld, omdat daar houtsingels staan. Herperduin heeft de grootste soortenrijkdom, omdat dit verreweg het grootste gebied is met alle biotooptypen.
91
Heide Schaijkse heide Munse heide Slabroekse heide Kanonsberg halfopen landschap Herperduin Arboretum Ecoduct Landerd Zevenbergen Loo Menzel
13 11 9 10 16 9 9 9 10 6
Grasland Begrazing Landerd Brobbelbies Landerd Grensweg Beekdal Venloop Slabroek Hongersteeg Schaijk Palmven Bossen Schaijkse bossen Slabroekse bossen
11 10 12 11 13 8 6 6 8
Overzicht van de aantallen soorten per gebied Conclusie: Tien jaar natuurbeheer heeft geen grote verandering in soortensamenstelling van de sprinkhanenpopulatie veroorzaakt. De aantallen zijn uiteraard wel sterk veranderd. In de intensieve graslanden en maisakkers, voordat deze deel uitmaakten van de begrazing in de Maashorst, kwamen sprinkhanen niet voor. Vooral de extensieve graslanden zijn het optimale biotoop voor grote aantallen sprinkhanen. Door de enorme aantallen vormen de sprinkhanen het ideale voedsel voor meerdere soorten predatoren. De tijgerspin is gespecialiseerd in veldsprinkhanen en het broedsucces van de Grauwe klauwier is afhankelijk van de beschikbaarheid van grote insecten zoals mestkevers, hommels en sprinkhanen. Er zijn ook weinig vogels, die geen sprinkhanen lusten. De Levendbarende hagedis wordt regelmatig in graslanden gezien, waar ze vanuit braamstruwelen jaagt op insecten zoals de veldsprinkhaan. De sprinkhanen vormen een belangrijke schakel in de kringloop van de natuur en vormen een belangrijke voedselbron voor andere soorten. Van de 6 zeer algemene soorten in de Maashorst zijn ruim 40.000 exemplaren geteld. Sprinkhanen kunnen ook beschouwd worden als een indicator voor een gezond milieu. Het ontbreken van sprinkhanen in de intensieve landbouwgebieden maakt duidelijk, dat de monoculturen een bedreiging vormen voor de biodiversiteit.
Kruidenrijke akkerranden en struwelen langs de weilanden vormen stapstenen en ecologische verbindingszones, die een bijdrage leveren aan herstel van de biodiversiteit in het agrarische landschap.
92
4.5.2 Libellen van de Maashorst Inleiding Libellen zijn indicatoren voor natte milieus zoals dagvlinders voor droge milieus. Het zijn insecteneters en zijn gevoelig voor waterkwaliteit. Ze hebben evenals dagvlinders variatie in structuur nodig: waterplanten om in te jagen als larve, oevervegetatie om uit de larvenhuid te kruipen en eitjes af te zetten, lage vegetatie of dood hout om te zonnen en bomen en struiken om in te schuilen bij slecht weer. De libellen bestaan uit twee groepen: Juffers (Zygoptera) en de Echte libellen (Anisoptera). De Juffers kunnen hun vleugels samenvouwen over het achterlichaam, terwijl de libellen direct na het uitsluipen deze vaardigheid verliezen. De libellen en waterjuffers zijn de belangrijkste indicatorsoort voor de Biotische Index na de steenvliegen, kokerjuffers en haften. Naast algemene soorten, die in iedere stadsvijver voorkomen, zijn een aantal gebonden aan bepaalde biotopen zoals de witsnuiten, die leven in voedselarme en zure vennen met veenmos. Methode Van 2003 tot 2010 zijn 5 monitoringroutes volgens gestandaardiseerde methode gemonitord. De routes rond de 5 vennen geven niet een gebiedsdekkend beeld. Om een beter beeld van de verspreiding van de soorten te krijgen moeten periodiek de overige vennen ook meerdere keren in het vliegseizoen bezocht worden. Daarom zijn nog 7 poelen in Maashorst (4) en Herperduin (3) geïnventariseerd.
In 2019 zijn 22 poelen volgens de richtlijnen voor SNL monitoring onderzocht door Bogi Vleeshouwer. De libellen en waterjuffers worden volgens een standaardmethode voor weer, soortenlijst en telling per 50 meter op een traject rond de poelen genoteerd. Tijdens de gebiedsdekkende inventarisatie van sprinkhanen en dagvlinders zijn ook de libellen in graslanden en langs bosranden opgenomen.
Gaffelwaterjuffer (John Hermans)
Zuidelijke Glazenmaker (Isidro Rendon)
Daarnaast zijn om de biodiversiteit in de Maashorst te bepalen alle wateren in de Maashorst meerdere keren bezocht met aandacht voor bijzondere soorten en hun biotopen. Op waarneming.nl is ook gekeken naar losse vermeldingen in de Maashorst voornamelijk door leden van Vogelwacht Uden. 93
Resultaten 5 Monitoringroutes in de Maashorst 2003-2010 (database Vlinderstichting) azuurwaterjuffer bandheidelibel blauwe glazenmaker bloedrode heidelibel bruine glazenmaker bruine winterjuffer bruinrode heidelibel geelvlekheidelibel gevlekte witsnuit gewone oeverlibel gewone pantserjuffer grote keizerlibel grote roodoogjuffer houtpantserjuffer kleine roodoogjuffer koraaljuffer lantaarntje
za zz a za va zz a z zz a a a z a z z a
noordse witsnuitlibel paardenbijter platbuik smaragdlibel steenrode heidelibel tangpansterjuffer tengere grasjuffer tengere pantserjuffer venwitsnuit viervlek vuurjuffer vuurlibel watersnuffel weidebeekjuffer zwarte heidelibel zwervende pantserjuffer
z va va vz vz a z a vz za a zz va z vz vz
32 soorten waterjuffers en libellen en de mate van voorkomen op de monitoringroutes Samen met de Vlinderstichting zijn 5 monitoringroutes uitgezet: poel in Udenoord, poel bij de Grensweg en rond de 3 vennen van Schaijk. Op de monitoringroutes zijn door Nico Ettema tot 2010 32 soorten waargenomen.
Noordse witsnuit
Gevlekte witsnuit
Hiervan zijn er elf zeldzaam tot zeer zeldzaam voor de Maashorst: bandheidelibel, geelvlekheidelibel, gevlekte witsnuitlibel, noordse witsnuitlibel, vuurlibel, weidebeekjuffer, bruine winterjuffer, grote roodoogjuffer, kleine roodoogjuffer, koraaljuffer, tengere grasjuffer. Door de aanleg van een meander in de Grote Wetering is er één nieuwe soort buiten de routes bijgekomen. Hier is een vegetatie van hoge moerasplanten ontstaan, waarin de glassnijder voorkomt. 94
Monitoring 2019
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
24 Echte libellen bandheidelibel beekoeverlibel blauwe glazenmaker bloedrode heidelibel bruine glazenmaker bruinrode heidelibel gevlekte witsnuit gewone oeverlibel glassnijder grote keizerlibel noordse witsnuit paardenbijter platbuik smaragdlibel steenrode heidelibel venwitsnuit viervlek vroege glazenmaker vuurlibel zuidelijke glazenmaker zuidelijke heidelibel zuidelijke keizerlibel zwarte heidelibel zwervende heidelibel
1 1 4 16 2 16 1 25 5 19 1 9 15 11 5 7 16 1 2 2 1 4 10 5
19 Waterjuffers azuurwaterjuffer blauwe breedscheenjuffer bruine winterjuffer gaffelwaterjuffer gewone pantserjuffer houtpantserjuffer kanaaljuffer kleine roodoogjuffer koraaljuffer lantaarntje tangpantserjuffer tengere grasjuffer tengere pantserjuffer variabele waterjuffer vuurjuffer watersnuffel weidebeekjuffer zwervende pantserjuffer zuidelijke glazenmaker
24 2 5 2 13 14 1 9 7 16 8 6 13 1 11 23 1 5 3
zadellibel bruine korenbout
n.g. n.g.
De soorten libellen en het aantal wateren, waarbij ze gezien zijn. n.g.: niet gevalideerd Met 43 soorten zijn de libellen de meest diverse groep van de macrofauna. Zadellibel en bruine korenbout zijn losse waarnemingen, die niet gevalideerd zijn. De biotopen zijn ook zeer gevarieerd van zuur en voedselarm tot basisch en voedselrijk; dit onderstreept de bijzondere natuur van de Maashorst met zijn breuken, beekdalen en wijstgronden, eeuwenoude akkercomplexen en heidevelden. Het aantal poelen in de Maashorst is na 2010 toegenomen tot 76. Dit heeft geleidt tot een toename van het aantal soorten van 33 naar 43. Belangrijk hierbij is de groei van oever- en waterplanten rondom de vennen en poelen en langs de oevers van de beeklopen. Twee soorten zijn na 2010 niet meer gezien: grote roodoogjuffer en de geelvlekheidelibel. Zeldzaamheid De algemene soorten waterjuffers hebben weinig specifieke milieueisen zoals gewone pantserjuffer, houtpantserjuffer, lantaarntje, watersnuffel, azuurwaterjuffer en vuurjuffer. De vuurjuffer is een voorjaarssoort, die in juni opgevolgd wordt door de gelijkende koraaljuffer. De kleine roodoogjuffer is alleen te vinden in water met drijvende waterplanten. De tengere pantserjuffer was 10 jaar geleden een zeldzame soort, maar is nu veel algemener. De tengere 95
grasjuffer gedraagt zich als een pioniersoort op jonge terreinen. De kanaaljuffer is de jongste nieuwkomer en breidt zich uit. Van andere nieuwkomers moet dat nog blijken zoals de gaffelwaterjuffer en de zuidelijke glazenmaker. Waarnemingen in het open veld zoals bij de telpost van de vogelwacht zijn gewoonlijk zwervers. Wanneer deze zwervers gaan patrouilleren boven voortplantingswater, kunnen het blijvers worden. Beek begeleidende soorten zijn tamelijk zeldzaam in de Maashorst, omdat hun biotoop weinig voorkomt. Een aantal soorten libellen en waterjuffers hebben voorkeur voor stromend water en worden maar zelden bij vennen en poelen gezien. De blauwe breedscheenjuffer is algemeen langs de Leijgraaf, maar verschijnt sinds kort ook langs de Munsche wetering en de Palmenloop. In de Venloop kwamen de weidebeekjuffer en de bandheidelibel voor en na de herinrichting werd de beekoeverlibel parend gezien; alle drie zijn typische beeksoorten, die tot nu alleen hier voorkomen. De beekoeverlibel is samen met de bronlibel de doelsoort voor de herinrichting van de beken in de Maashorst. De glassnijder vliegt graag tussen hoge vegetatie van riet en lisdodde langs de beken. Deze planten breiden zich uit langs de nieuw gegraven poelen in voormalige agrarische gronden; dit verklaart de toename van de glassnijder. Droogte
Groot Ganzenven met wandelpad door het midden in 2022 en in betere tijden Libellen en waterjuffers hebben zeer te lijden van de droogte. In 2018 werden alle drie soorten witsnuiten nog waargenomen in het moeras aan de Karlingerweg. Na drie droge zomers is het afwachten, of deze zeldzame soorten de Maashorst nog weten te bereiken. In 2018 zijn na het droog vallen van het Groot ganzenven slecht 5 soorten libellen geteld, terwijl in normale jaren meer dan twintig soorten libellen kunnen worden waargenomen. (Stefan van Schaik, 2017. Libellen van het Ganzenven) De grote libellen hebben een larvenfase, die vaak twee jaren kan duren. Droog vallen maakt deze ontwikkeling onmogelijk. Alleen door hervestiging vanuit niet droog gevallen wateren kan de libellenstand weer herstellen. Er zijn geen onderzoeken, die dat onderbouwen, maar deze droogte is dan ook nog niet eerder voorgekomen. De kleine waterjuffers kunnen de kortere beschikbaarheid van water in de droogvallende poelen beter overleven. Verschillende soorten, waaronder de pantserjuffers zetten hun eitjes af in de stengels van biezen rondom de poel. In het voorjaar komen de larfjes uit en vallen in het water.
96
Door de klimaatveranderingen neemt het aantal zuidelijke soorten in de Maashorst wel toe. Zuidelijke soorten, die al enkele jaren aanwezig zijn, zijn vuurlibel en zwervende heidelibel. Meer recente nieuwkomers zijn de gaffelwaterjuffer, zuidelijke heidelibel, zuidelijke glazenmaker en de zuidelijke keizerlibel. Doordat de waterkwaliteit verbeterd is, zijn meerdere libellen van de rode lijst afgevoerd kunnen worden. Rode lijst soorten 2020 en Prioritaire soorten
1 2 3 4 5 6 7 8
Libellen bandheidelibel beekoeverlibel bruine winterjuffer gevlekte witsnuit glassnijder tengere pantserjuffer venwitsnuit vroege glazenmaker
2004 2015 GE X KW X BE X BE KW KW X KW X KW KW KW X
Soorten van de rode lijst in de Maashorst: KW = kwetsbaar, BE = bedreigd X = afgevoerd van de rode lijst
Vroege glazenmaker
Zwervende heidelibel
Op basis van de rode lijst voor libellen zijn door de provincie een aantal libellen aangewezen als prioritaire soorten, die bij voorkeur beschermd moeten worden. Hiervan kwamen voor 2010 tengere pantserjuffer, bruine winterjuffer, glassnijder, venwitsnuit, gevlekte witsnuit en bandheidelibel regelmatig tot sporadisch voor in de Maashorst. In 2019 zijn daar de beekoeverlibel en de vroege glazenmaker bijgekomen. De gewone bronlibel en Kempense heidelibel zijn kansrijke soorten, wanneer verdere vernatting gerealiseerd wordt.
97
4.5.3 Dagvlinders in de Maashorst Inleiding Dagvlinders zijn belangrijke milieu-indicatoren. Naast soorten die slechts gebonden zijn aan wijdverbreide plantensoorten en daarbij ook nog sterke vliegers zijn zoals de Schoenlappers (brandnetel), Witjes (kruisbloemigen) en Zandoogjes (grassen), zijn er specialisten, die sterk afhankelijk zijn van waard- en nectarplanten in de bijzondere plantengemeenschappen zoals heischrale graslanden, droge en natte heide. Daarbij komt nog dat de structuur van de vegetatie in de vorm van microklimaat (zon en vocht) en beschutting tegen wind voor veel soorten een voorwaarde zijn. Door verzuring, vermesting en verdroging, het verkleinde areaal aan biotopen en het verdwijnen van het traditionele beheer van heide en graslanden zijn de geschikte gebieden voor dagvlinders sterk achteruitgegaan. Dit weerspiegelt zich in de achteruitgang van de soorten landelijk en lokaal. Methode In 1984 zijn er 10 monitoringroutes gelopen in uiteenlopende terreinen in de Maashorst. Deze werden uitgevoerd volgens gestandaardiseerde werkwijze als onderdeel van de landelijke vlinderinventarisatie. In 2008 zijn 4 vlinderroutes van 1984 op dezelfde wijze opnieuw gelopen om de veranderingen vast te kunnen stellen na 24 jaar. In 2009 en 2010 zijn monitoringroutes in Herperduin en Maashorst gelopen om de beginsituatie van het nieuwe natuurgebied De Maashorst vast te stellen.
Bij de inventarisatie zijn de soorten en de vindplaatsen genoteerd op kaarten van de kilometervakken. In 2019 zijn in het kader van Subsidieverordening Natuur- en landschapsbeheer (SNL) voor Bosgroep Zuid Nederland alle terreinen, die zij beheert, gemonitord. In vlakken van 100 m zijn de soorten en de aantallen per soort ingevoerd in waarneming.nl. Buiten de SNL-terreinen zijn de dagvlinders ook gemonitord volgens de zelfde methode. Het doel hiervan was de vlinderstand na tien jaar natuurbeheer vast te stellen.
Landkaartje (voorjaar)
Oranje zandoogje
Bruin zandoogje
Resultaten 1984 In de Maashorst zijn de dagvlinders in 1984 uitgebreid onderzocht in 11 proefvlakken (p.v.`s) en vijf terreinen, die niet systematisch zijn bezocht. In 1984 zijn 28 soorten geteld en zes soorten buiten de proefvlakken. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een 98
biologiestudie aan de Landbouwuniversiteit Wageningen en sloot aan bij het Landelijk dagvlinderproject met het doel een Dagvlinderatlas van Nederland op te stellen. Aanleiding hiertoe was de constatering, dat de vlinderstand achteruit ging en er geen landelijk overzicht was. De Maashorst werd door dit onderzoek met 34 soorten bekend als een van de meest vlinderrijke gebieden in Nederland. De effecten van de zure regen waren nog niet bekend en het begrazingsgebied bestond nog niet. Dit gebied omvatte vooral maïsakkers en intensief gemaaide graslanden. De dagvlinders werden vooral gevonden in droge en natte heidevelden, natte beekdalgraslanden van Slabroek en de Grote wetering en verlaten akkers (droge graslanden met opslag) en voormalige steenfabriek Schaijk. 2008 In 2008 zijn 4 monitoringroutes van 1984 op dezelfde wijze geteld. In de onderstaande tabel staan de gegevens per monitoringroute naast elkaar. Er waren in 1984 meerdere proefvlakken met meer dan 20 soorten dagvlinders. Dagvlinders Totaal ex. Totaal soorten
Munsche heide 1984 2008 28 7 7 4
Steenbakkerij 1984 2008 410 119 25 11
Beekdal Slab. 1984 2008 782 37 24 8
Grensweg 1984 2008 43 61 15 11
Tabel met resultaten van 4 monitoringroutes in 1984 en 2008 Op de gegevens van de Munsche heide is goed af te lezen, dat het verdwijnen van kruiden uit het biotoop en de toenemende vergrassing deze minder geschikt maakt voor dagvlinders. Alleen enkele algemene soorten, die goed kunnen vliegen, blijven over op de heide. Het droge kruidenrijke terrein van de steenbakkerij en de natte kruidenrijke graslanden van het beekdal van de Venloop bij Slabroek waren in 1984 zeer soortenrijk en talrijk. Het aantal soorten in beide terreinen is dramatisch gedaald; vooral in de drogere graslanden in het beekdal zijn de kruiden verdwenen en daarmee de dagvlinders.
Boomblauwtje
Bruine eikenpage
Eikenpage man
Op de monitoringroute aan de Grensweg zijn de aantallen dagvlinders in 2008 wel toegenomen; in 1989 is daar het begrazingsgebied ingericht en kwam door het toepassen van extensieve begrazing meer kruiden in het grasland en nam tevens de structuurvariatie toe. 99
Ondanks de omvorming tot natuur namen ook hier het aantal soorten af van 15 tot 11. Door dit onderzoek wordt duidelijk, dat in 24 jaar zowel het aantal soorten als exemplaren sterk afgenomen is. De Grensweg toont aan, dat natuurherstel de achteruitgang remt, maar dat er meer gebeuren moet. Argusvlinder, Bruine eikenpage, Geelsprietdikkopje, Heideblauwtje, Heivlinder, Kleine vos, en Kommavlinder. 2010 en 2020 2010 argusvlinder atalanta bont zandoogje boomblauwtje bruin blauwtje bruin zandoogje citroenvlinder dagpauwoog distelvlinder eikenpage gehakkelde aurelia gele luzernevlinder groentje grote vos groot dikkopje groot koolwitje hooibeestje icarusblauwtje klein geaderd witje klein koolwitje kleine parelmoervlinder kleine vuurvlinder koninginnenpage landkaartje oranje luzernevlinder oranje zandoogje oranjetipje zwartsprietdikkopje 22 soorten
2020 1 11 10 11 10 271 4 27 69 4 4 0 0 0 40 3 48 16 107 61 0 69 0 2 0 14 29 8
argusvlinder atalanta bont zandoogje boomblauwtje bruin blauwtje bruin zandoogje citroenvlinder dagpauwoog distelvlinder eikenpage gehakkelde aurelia gele luzernevlinder groentje grote vos groot dikkopje groot koolwitje hooibeestje icarusblauwtje klein geaderd witje klein koolwitje kleine parelmoervlinder kleine vuurvlinder koninginnenpage landkaartje oranje luzernevlinder oranje zandoogje oranjetipje zwartsprietdikkopje 26 soorten
0 30 17 9 142 131 8 10 148 12 2 1 3 2 4 4 307 97 23 62 53 122 5 3 2 18 11 6
De soorten dagvlinders en aantallen in 2010 en 2019 bij de monitoring in de Maashorst Argusvlinder, bruine eikenpage, geelsprietdikkopje, groentje, heivlinder, kleine vos en kommavlinder, die in 1980 geteld zijn, zijn in 2010 niet meer waargenomen. De kleine vos 100