Stand van de natuur in De Maashorst 2022
Tekst van het document
Op grond van de gegevens in het promotieonderzoek van J. A. Hendrikx, 1977 zijn de oud bossoorten en de kensoorten van de rijke bosgemeenschappen in kaart gebracht; de kaart met de potentieel natuurlijke vegetatie (PNV) vormde hierbij een goed hulpmiddel. In 2008 zijn de natuurverenigingen in de Maashorst gevraagd om de beginsituatie van het nieuwe provinciale Natuurgebied De Maashorst vast te leggen. In 2009 en 2010 zijn alle kilometervakken door groepjes floristen onderzocht. Mossen en korstmossen zijn door externe deskundigen in kaart gebracht.
25
In 2019 en 2020 is de Stichting Natuurorganisaties De Maashorst gevraagd SNLmonitoring uit te voeren voor de aangewezen landschappen; deze monitoring is uitgebreid naar de hele natuurkern en natuurschil zoals vastgelegd in het Inrichting- en beheerplan (IBeP). Op grond van deze floragegevens zijn verspreidingskaartjes gemaakt van een aantal soorten, die kenmerkend zijn voor de bosgemeenschappen en een indicatie geven van de spontane bosontwikkelingen in 1980, 2010 en 2020. Oud bos in de Maashorst Door de activiteiten van de mens zijn de natuurlijke bossen praktisch geheel verdwenen. Door beweiding met schapen veranderde grote delen van de Maashorst in heide. Met de mest, verzameld in de potstal, werden kleine oppervlakten bemest voor de productie van onder meer rogge, haver en vlas; later ook boekweit en aardappelen. Hier ontstonden de enkeerdgronden. De nog resterende bossen werden in de 11e-13e eeuw gekapt voor de uitverkoop van hout en maakten plaats voor stuifzanden. Slechts in de beekdalen, wijstgronden en andere natte terreinen groeit nog als oorspronkelijke populatie de zwarte els en de zachte berk. Alleen in de stuifduinen is de zomereik en de berk door de eeuwen heen blijven staan. Het belangrijkste refugium voor de zomereik vormden de hakhoutwallen rondom de nederzettingen en oude akkergronden.
Hier ontstonden ook de langgerekte landduinen (zoals de Bedafse en Slabroekse bergen). In de overgebleven houtwallen en langs akkercomplexen groeien kenmerkende soorten als salomonszegel, gewone eikvaren en dalkruid. In de nutsbosjes van de lokale boerenbevolking groeiden naast eik en berk nog zeeden en grove den. Spontane opslag van lijsterbes en sporkehout was niet erg verbreid. Op de Militaire kaart van de Maashorst uit 1838 staan de oudste bosaanplant en nutsbosjes weergegeven. Op de kaart van de Maashorst uit de Historische Atlas van Noord-Brabant 1895 is te zien, dat deze donker gekleurde bossen op de kaart uit 1838 verder zijn uitgebreid. Hier bevinden zich de oudste bosbodems. Omdat het productiebos betreft, zijn de opstanden geoogst en weer opnieuw aangeplant. Oud bossoorten komen daardoor minder voor. Vanaf 1900 raakte de heide buiten gebruik en werden er productiebossen aangeplant vanuit de dorpen. Deze aanplant vond nog plaats tot in de zestiger jaren. De betere gronden werden ook vanaf de dorpen en gehuchten op de horst met kunstmest ontgonnen tot akkers en weilanden. Oud bossoorten: Salomonszegel, dalkruid, gewone eikvaren, blauwe bosbes en lelietje-van-dalen en adelaarsvaren. Oud bos indicatoren dalkruid gewone eikvaren gewone salomonszegel blauwe bosbes lelietje-van-dalen adelaarsvaren Totaal groeiplaatsen:
1980 2 9 8 10 3 13 40%
2010 4 16 25 33 14 19 100%
2020 6 40 55 43 24 38 185%
250% 220%
200%
Ontwikkeling van het aantal groeiplaatsen van oud bossoorten sinds 1980
26
Militaire kaart van de Maashorst uit 1838, met bosjes en houtwallen met oud bosindicatoren
Kaart Historische Atlas van Noord-Brabant 1895 met uitbreiding van de oudste bossen
Verspreidingskaart van oud bosindicatoren 2010 (1.dalkruid; 2.gewone eikvaren; 3.lelietje-van-dalen; 4.gewone salomonszegel; 5.adelaarsvaren; 6.blauwe bosbes.) en 2020
27
Het aantal groeiplaatsen van 2010 is gesteld op 100%; hierdoor kan worden gezien, wat de ontwikkeling is van de tien jaar na de instelling van het natuurgebied de Maashorst. De aantallen groeiplaatsen uit 1980 betreffen de Maashorst zonder Herperduin, maar zijn wel indicatief voor de aanwezigheid van de soorten in de Maashorst s.s.
Dalkruid, salomonszegel en adelaarsvaren
Dalkruid met gewone eikvaren
Ook in de oudste aanplant vanaf 1920 hebben zich oud bossoorten weten te vestigen. Oud bossoorten groeien in onverstoorde bosbodems met een goed ontwikkelde morhumuslaag. Het biotoop is optimaal in bosranden op het noorden en de niet door zon beschenen zijde van houtwallen. “Oud bossoorten zijn afhankelijk van een sterk isostatisch milieu: gelijkmatige lichtomstandigheden, warmte en vochtigheid. Kenmerkend in dit verband is het feit, dat de eikvaren pas in juni zijn bladeren ontrolt; deze blijven verder de hele winter door groen en sterven pas af in het late voorjaar. Blijkbaar is de maand mei, wanneer het reeds warmer wordt, de zon hoger komt en vooral de eik nog geen blad draagt, de ongunstigste periode voor de eikvaren.” (citaat uit hoofdstuk: Lichtmetingen in verband met het voorkomen van varens. N. A. Ettema, 1980) Gewone eikvaren, gewone salomonszegel en adelaarsvaren zijn het meest toegenomen. Het aantal groeiplaatsen is in tien jaar tijd verdubbeld. De toename vindt vooral plaats in de aanplant na 1920. Salomonzegel en dalkruid hebben een wortelstok, die groeit in vochtige tot droge voedselarme beschaduwde bosbodems. Dalkruid wordt slechts 10 tot 20 cm hoog en is daardoor gevoelig voor overschaduwing door oprukkende grassen en bramen. Salomonszegel is veel groter en daardoor mogelijk succesvoller.
Oud bossoorten in Herperduin Oud bos indicatoren dalkruid gewone eikvaren gewone salomonszegel blauwe bosbes lelietje-van-dalen adelaarsvaren Totaal groeiplaatsen:
2010 0 0 2 2 6 6 100%
2020 0 12 0 9 3 10 212%
Tabel met oud bossoorten in Herperduin
28
Ofschoon er een behoorlijk oppervlak aan bos van 1838 in Herperduin is gelegen, komt hier tot nu toe geen dalkruid voor. Tot 2010 kwam hier ook geen gewone eikvaren voor, maar in 2020 is de eikvaren wel op 12 plaatsen gevonden. In de veel grotere Maashorst is de toename met 12 plaatsen van de eikvaren even groot. De afname van groeiplaatsen van salomonszegel en lelietje-van-dalen is opvallend. Het niet terug vinden van groeiplaatsen kan mogelijk te wijten aan toegenomen ondergroei van bramen etc. Over het geheel genomen kan gezegd worden, dat de toename van oud bossoorten in Herperduin iets groter is dan in de Maashorst zonder Herperduin (resp. 212% en 181%) Evaluatie Het voorkomen van goed ontwikkeld oud bos met meerdere kenmerkende soorten is zeer beperkt. Particuliere bosjes in de buurt van de oudste gehuchten aan de rand van de Maashorst zijn het rijkst. De oorzaak hiervan is de verstoring door houtoogst in de productiebossen, waardoor het gelijkmatige, isostatische milieu verdwijnt. Bijna alle oud bossoorten zoals dalkruid, adelaarsvaren, blauwe bosbes, lelietje-van-dalen en gewone salomonszegel horen vegetatiekundig gezien thuis in het Beuken-Eikenbos op arme bodem.
De spontane ontwikkeling van bosgemeenschappen Op de kaart van 1980 staan alle bospercelen weergegeven als naaldhout (˄) Op de kaart van 2021 is te zien, dat alle percelen als naaldhout (˄) en loofhout (ᴖ) (= gemengd bos) zijn aangeduid behalve de percelen in de rode cirkel.
Noordelijk deel van de Maashorst 1980
29
Noordelijk deel van de Maashorst 2021 met het laatste dennenbos
Het noordelijke deel van de Maashorst s. s. is niet het hoogste deel, maar door de ligging aan de noordrand van de horst is dit deel wel het droogst. Aan de noordrand liggen geen breuken, die het grondwater opstuwen; de diepe plassen van Hofmans zuigen veel grondwater weg, dat volledig afhankelijk is van aanvulling door regen. Herperduin ligt niet meer op de horst, maar op de overgang van de horst naar het Maasdal, waardoor de bodem en de hydrologie anders zijn. In 40 jaar tijd heeft de dennenaanplant zich spontaan ontwikkeld tot gemengd bos. Het gaat hierbij voornamelijk om soorten van het Berken-Eikenbos: zomereik, ruwe berk, wilde lijsterbes en sporkehout. Beschrijving van de bosgemeenschappen Kussentjesmos-Dennenbos De aanwezige soorten van het Kussentjesmos-Dennenbos: Grove den, dennenorchis, blauwe bosbes, zomereik, wilde lijsterbes, ruwe berk, sporkehout, Amerikaanse vogelkers, zachte berk, Amerikaanse eik, beuk, bochtige smele, pijpenstrootje, brede stekelvaren, smalle stekelvaren Indicatoren van het Kussentjesmos-Dennenbos grove den dennenorchis blauwe bosbes
1980 + +
2010 + +
2020 + + +
De laatste percelen met bijna uitsluitend grove den liggen rondom de Munse heide. Dit is het droogste deel van de Maashorst. Dit bos moet gerekend worden tot het KussentjesmosDennenbos. Deze bosgemeenschap heeft begeleiders van het Berken-Eikenbos, maar wel in een laag percentage. Het zal zich op de duur ook ontwikkelen tot deze bosgemeenschap. Door het lage grondwater spoelen mineralen sterk uit en zal de overgang naar een loofbosgemeenschap heel langzaam verlopen. Blauwe bosbes is een dwergstruik, die procentueel veel voorkomt in deze gemeenschap. In deze percelen zijn in 2020 589 exemplaren van de beschermde dennenorchis geïnventariseerd. Het biotoop van de dennenorchis is vochtige, voedselarme grond in naaldbossen. Toch houdt in deze droge omstandigheden de dikke strooisellaag voldoende 30
vocht vast voor de groei van de dennenorchis door de gesloten kronen van de grove den. Het maken van enkele structuurgaten in dezelfde percelen hebben het biotoop van de dennenorchis in deze gaten onomkeerbaar vernietigd. Het naam gevende kussentjesmos groeide in 1980 nog wel in de Maashorst, maar is met de zure regen daarna snel verdwenen. De dennenorchis is de enige aanwezige kensoort van de klasse van de naaldbossen. Het Korstmossen-Dennenbos, dat ook in de Maashorst bekend was (P. Ceelen, 1973), is verdwenen, doordat door de zure regen de korstmossen sterk achteruit zijn gegaan, waaronder het open rendiermos als differentiërende soort t.o.v. het Kussentjesmos-Dennenbos. Berken-Eikenbos De aanwezige soorten van Berken-Eikenbos: Wilde lijsterbes, tamme kastanje, ruwe berk, wintereik, zomereik, sporkehout, grove den, zachte berk, beuk, Am. Vogelkers, Am. Krentenboompje, blauw bosbes, rode bosbes, wilde kamperfoelie. Indicatoren van Eiken-Berkenbos blauwe bosbes rode bosbes tamme kastanje wilde kamperfoelie Gem. aantal groeiplaatsen: Percentage:
1980 10 2 1 8 5,3 22%
2010 33 7 24 33 24,3 100%
2020 43 5 136 110 73,5 303%
Omdat de soorten van het Eiken-Berkenbos praktisch overal voorkomen, zijn alleen de meest kenmerkende soorten genoteerd. De tamme kastanje, die op meerdere plaatsen is aangeplant als brandwerend loofhout langs brandgangen, werd in 2010 nog maar op 24 groeiplaatsen als zaailing gevonden, maar heeft in 10 jaar tijd een enorme uitbreiding bereikt tot 136 groeiplaatsen. Dit is deels toe te schrijven aan het ouder worden van de bosbodem. Omdat tamme kastanje behoort bij de Eiken- en beukenbossen op arme grond, zal de stikstofdepositie waarschijnlijk geen grote rol gespeeld hebben. Ook de wilde kamperfoelie laat een grote toename zien. Hij groeit in loofbossen en struweelranden op natte tot droge, matig zure tot voedselrijke grond. Stikstofdepositie zal wel aan de toename hebben bijgedragen. De blauwe en rode bosbes zijn typische bosplanten; ze hebben te lijden van het open maken van het bos. In de hete zomers laat de blauwe bosbes zijn blad vallen. De rode bosbes is groen blijvend en sterft in de open kapvlakte. Mede door de hogere temperaturen en de verdroging gaat de rode bosbes achteruit. De Amerikaanse vogelkers kwam in 1982 in de Maashorst voor en werd bestreden. In 2010 werd hij geteld in 42 kilometervakken; Bart Nijssen van Bosgroep Zuid was voorstander van het benutten van de Amerikaanse vogelkers door onder volgroeide bomen andere rijke bossoorten aan te planten.
Het bestrijden van de Amerikaanse vogelkers werd praktisch gestaakt en de soort komt in 2020 op 232 groeiplaatsen voor. De Amerikaanse vogelkers is in het begin van de vorige eeuw ingevoerd om de afbraak van eikenblad en dennennaalden te bevorderen. Beuken-Eikenbos op arme bodem De aanwezige soorten van Beuken-Eikenbos op arme bodem: Hazelaar, gewone vlier, ratelpopulier, gewone esdoorn, dalkruid, lelietje-van-dalen, gladde witbol, klimop, gewone salomonszegel, witte klaverzuring, grote muur, hulst, trosvlier, gewone vlier. 31
Indicatoren van Beuken-Eikenbos (arm) lelietje-van-dalen hazelaar hulst ratelpopulier gewone salomonszegel trosvlier Gem. aantal groeiplaatsen: Percentage:
1980 3 1 2 2 8 1 2,8 11%
2010 14 19 62 21 25 11 25,3 100%
2020 24 57 441 23 55 24 104 410%
Aanwezige kenmerkende soorten van het Beuken-Eikenbos op arme bodem
62 groeiplaatsen van hulst in 2011 en 441 groeiplaatsen van hulst in 2022 De toename van de soorten van het Beuken-Eikenbos op arme grond in de afgelopen tien jaar is opmerkelijk. Zoals bij de oud bossoorten, waartoe lelietje-van-dalen en salomonszegel ook behoren, is aangegeven, kan de toename vooral worden toegeschreven aan het ouder worden van de bosbodem en de ontwikkeling van de morhumuslaag. De grootste toename laat hulst zien. Dit is een uitgesproken schaduwsoort, die zich van twee exemplaren in 1980 heeft uitgebreid tot ruim 400 groeiplaatsen in 2020. Op oudere groeiplaatsen staan meerdere hulstbomen (bedekkingsgraad 3). De hulst rukt vanuit de randen op naar de natuurkern, waarbij de bosranden langs akkers een springplank vormen. De meest arme en droge bossen worden nog niet gekolonialiseerd. De toename in de laatste 10 jaar is exceptioneel (van 62 naar 441). Terwijl hulst ook de arme, droge percelen met pijpenstrootje en bochtige smele bezet, wordt de hazelaar vooral gevonden in bosaanplant op voormalige akkers en in 32
bosranden langs akkers met witbol en struisgras. De overige kenmerkende soorten laten een verdubbeling zien. De ratelpopulier groeit op droge tot matig vochtige, zwak zure tot kalkhoudende grond; verdroging en verzuring heeft de uitbreiding waarschijnlijk afgeremd. Beuken-Eikenbos op rijke bodem De aanwezige soorten van Beuken-Eikenbos op rijke bodem: gewone vogelkers, grote muur, geel nagelkruid, dagkoekoeksbloem, haagbeuk, zoete kers, winterlinde, mannetjesvaren, wilde kardinaalsmuts, eenstijlige meidoorn, es, aalbes, gewone vogelmelk, zwarte els, witte paardenkastanje, speenkruid, bosanemoon, Gelderse roos, gewone esdoorn, hondsroos, wijfjesvaren, robertskruid, ijle zegge, sleedoorn, gewoon speenkruid, rode kornoelje, taxus. Indicatoren van Beuken-Eikenbos (rijk) aalbes bosanemoon geel nagelkruid Gelderse roos gewone esdoorn gewone vlier mannetjesvaren robertskruid rode kornoelje taxus wilde kardinaalsmuts witte paardenkastanje zoete kers Gem. aantal groeiplaatsen: Percentage:
1980 0 1 0 3 1 6 2 0 0 0 0 0 2 1,2 10%
2010 2020 6 13 0 2 7 9 3 10 20 71 35 85 25 40 8 31 4 12 7 20 12 19 7 13 14 50 11,4 28,8 100% 253%
Aanwezige kenmerkende soorten van het Beuken-Eikenbos op rijke bodem Evenals de soorten van het Beuken-Eikenbos op arme bodem vertonen de soorten van deze bosgemeenschap procentueel ook een ruime verdubbeling. Het gemiddelde aantal groeiplaatsen is echter beduidend lager (28,8 tegen 104). De verspreiding is meer beperkt tot de randen van de Maashorst en langs akkergebieden. Op bosaanplant op voormalige akkers groeien meerdere kenmerkende soorten zoals mannetjesvaren, gewone vlier en robertskruid. De laatste twee soorten zijn kenmerkend voor stikstofdepositie. De gewone esdoorn breidt zich uit door windverspreiding van de gevleugelde zaden, die komen van bomen langs wegen of op particuliere grond. De opslag van esdoorns op deze rijke bosranden is overheersend en verdringt andere boomsoorten. Een enkele esdoorn in schralere bossen blijft langer solitair. Opvallend is ook de stijging van taxus, die evenals hulst verspreid wordt door bes etende vogels. Alle taxussen staan in bosranden grenzend aan landbouwgrond. Bekend is dat de Bosgroep vaak een taxus bij een aanplant poot om deze in de winter gemakkelijk terug te kunnen vinden. In de regel zijn deze exemplaren niet meegeteld. De toename van de groeiplaatsen van het Beuken-Eikenbos is een goede indicatie voor de ontwikkeling van de bosbodem en humuslaag.
33
Uitbreiding van de gewone esdoorn van 20 naar 71 groeiplaatsen langs bosranden.
Dennenorchis
Mannetjesvaren
34
Vogelkers-Essenbos (rijk nat) Aanwezige soorten van het Vogelkers-Essenbos: Gewone vogelkers, es, zoete kers, aalbes, zwarte bes, Grauwe wilg, Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, zwarte els, eenstijlige meidoorn, klimop, gewoon speenkruid, wijfjesvaren, grote muur, ijle zegge. Indicatoren van Vogelkers-Essenbos (rijk nat) gewone vogelmelk grote muur ijle zegge gewoon speenkruid gewone vogelkers wijfjesvaren Gelderse roos wilde kardinaalsmuts zwarte els Es Gem. aantal groeiplaatsen: Percentage:
1980 3 6 1 3 1 2 3 0 8 1 2,8 42%
2010 2020 1 2 6 18 1 2 5 4 14 25 6 8 3 10 12 19 14 14 6 10 6,8 11,2 100% 168%
Aanwezige kenmerkende soorten van het Vogelkers-Essenbos Het Vogelkers-Essenbos is gebonden aan natte grond. Het vormt de drogere variant van het Elzenbroek met veel gemeenschappelijke soorten. Beide gemeenschappen groeien aan de hoge kant van de breuken in de Maashorst. Het Vogelkers-Essenbos is door de ontwatering met ruilverkavelingsloten meestal slechts fragmentarisch aanwezig en beperkt tot enkele soorten. Grote muur komt regelmatig voor in bermen boven de breuken. Elzenzegge-Elzenbroek Aanwezige soorten van het Elzenzegge-Elzenbroek: Zwarte els, grauwe wilg, zachte berk, wilde lijsterbes, zomereik, sporkehout, Gelderse roos, hennegras, bitterzoet, gele lis, moeraswalstro, gewoon sterrenmos, smalle stekelvaren, grote brandnetel, gewone braam, hop, wilde kamperfoelie, ijle zegge, wijfjesvaren, bosanemoon, slanke sleutelbloem, adderwortel. Het Elzenzegge-Elzenbroek is beperkt tot het beekdal van de Palmenloop (Groote Wetering) aan de zuidkant van Koudenoord. In de winter behoort het grondwater in het maaiveld te staan. Indicatoren van het Elzenzegge-Elzenbroek zwarte els ijle zegge wijfjesvaren bosanemoon slanke sleutelbloem adderwortel Gem. aantal groeiplaatsen: Percentage:
1982 2010 2020 8 14 14 1 1 2 2 2 4 1 0 2 1 1 1 1 1 1 2,3 3,1 4 74% 100% 126%
Aanwezige kenmerkende soorten van het Elzenzegge-Elzenbroek 35
Omdat dit al vele jaren niet meer gebeurt, heeft de braam de hele bosbodem bedekt, waardoor kenmerkende soorten als ijle zegge, slanke sleutelbloem, grote muur, wijfjesvaren, adderwortel verdwenen zijn in het bos en nog slechts in uithoekjes of slootranden aan de buitenkant van het broekbos te vinden zijn. Ofschoon het zaad van de zwarte els door de wind verspreid wordt en kiemkrachtig is, vindt er geen uitbreiding plaats. De verdroging speelt hierbij een grote rol, maar de els heeft ook voedselrijke tot matig voedselarme bodem nodig. Afgeplagde bodems zijn voedselarm. De els komt nog algemeen voor langs sloten in agrarisch gebied. De slanke sleutelbloem, die in het verleden als kwelindicator op meerdere plaatsen voorkwam langs de breuken, staat nog op één plaats; ze groeit op voedselrijke en kalkhoudende grond. Het Elzenbroek vormt de natuurlijke vegetatie op de natte gronden met basenrijke kwel boven de breuken. Pollenonderzoek van Jan van Mourik heeft dat aangetoond.
Slanke sleutelbloem Uniek scala aan bosgemeenschappen De Maashorst heeft een unieke variatie aan bosgemeenschappen. Deze grote variatie is te danken aan de grote variatie in de bodem, die wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van breuken rondom en in de Maashorst. Aan de droge, voedselarme kant van het spectrum staat het Kussentjesmos-Dennenbos in de kern van de Maashorst. Op de droge horst krijgen de dennenplantages via het gemengde bos steeds meer het kenmerk van het Berken-Eikenbos en van het Beuken-Eikenbos op voedselarme grond. Aan de natte voedselrijke kant van het spectrum staat het Elzenzegge-Elzenbroek, dat aan de drogere randen geflankeerd wordt door het Vogelkers-Essenbos. Op de enkeerdgronden van de oude landbouwenclaves komt de gemeenschap van het Eiken-Haagbeukenbos tot ontwikkeling. Door de ligging van Herperduin op de overgang van horst naar Maasdal wordt de aanvoer van kwel niet zozeer door de breuken bepaald, maar meer door de afstroom van basenrijk grondwater van de horst. De meeste poelen zijn goed gebufferd. Omdat de bossen van Herperduin voornamelijk staan op dekzand, zijn de rijke bossoorten alleen te vinden in de 36
bosranden langs akkers en in het agrarische gebied Hongersteeg aan de zuidoost rand van Herperduin; door twee breuken van de Tegelenbreukzone komt daar basenrijke kwel in de wortelzone. Hier groeien elzen en mannetjesvarens. 3.3.2 Graslanden Graslanden vormen een wezenlijk bestanddeel van het natuurgebied. Het centrale hoge deel van de Maashorst is droog en voedselarm. Ofschoon de hoge randen langs de breuken een badkuip in het middengebied heeft doen ontstaan, is door de ruilverkavelingssloten het grondwaterpeil sterk gedaald en zijn de graslanden, aangelegd op vermeste landbouwgrond, door uitspoeling en verzuring verarmd. Door afplaggen zijn in de lagere delen vochtige vegetaties ontstaan, maar deze hebben zich veelal ontwikkeld tot berkenbos. In de beekdalen en op de natte gronden boven de breuken zijn de graslanden gebufferd en matig voedselrijk. Deze vegetaties behoren tot de volgende gemeenschappen: Klasse van de droge graslanden op zandgrond (14) Aanwezige kenmerkende soorten zijn: zandzegge, geel walstro, buntgras, zandhoornbloem, vroege haver, zilverhaver, zandblauwtje, gewoon struisgras, gewoon biggenkruid, hazenpootje, liggende klaver, klein vogelpootje, muurpeper en enkele ingezaaide tijmsoorten.
Klasse van de matig voedselrijke graslanden (16) Aanwezige kenmerkende soorten zijn: gewone hoornbloem, pinksterbloem, gestreepte witbol, veldlathyrus, scherpe boterbloem, veldzuring, rode klaver, beemdlangbloem, knoopkruid, vogelwikke, gewone margriet, glanshaver, kamgras Om de ontwikkeling van de graslanden te kunnen analyseren zijn de soortenaantallen en de groeiplaatsen van deze graslanden op een rijtje gezet. Het gebied bestond bij de aanleg in 1989 uit het huidige begrazingsgebied van wisenten en taurossen zonder de heide en graslanden van de Kanonsberg. Er heeft vanaf 1989 10 jaar lang een verschralingsbeheer met een schaapskudde plaats gevonden. Daarna hebben Schotse hooglanders het gebied begraasd samen met IJslandponies. Vanaf 2016 zijn wisenten, exmoorponies en taurossen ingezet om het gebied te verschralen en vorm te geven. Daarbij zijn ook de aangrenzende bossen opgenomen in de begrazing. Zie kaart. In het wisentgebied graast een kleine kudde wisenten samen met enkele taurossen en exmoors. In de overige gebieden grazen alleen tauros en exmoor. Taurosbegrazing Het aantal graslandsoorten in het taurosgebied neemt na de aanleg in 1989 geleidelijk in aantal toe en stabiliseert zich daarna. Het aantal groeiplaatsen stijgt na de aanleg sterk. Het gebied is in 2000 dicht gegroeid met voornamelijk gewoon struisgras en gestreepte witbol.
Soorten graslandplanten droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden soorten totaal Groeiplaatsen droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden groeiplaatsen totaal
1994 6 5 11 1994 11 31 42
2000 10 6 16 2000 71 56 127
2010 9 10 19 2010 17 22 39
2020 9 10 19 2020 17 22 39
De ontwikkeling van het aantal soorten en groeiplaatsen van graslandplanten
37
De begrazingsgebieden van de Maashorst Er zijn nog veel meststoffen in de zwarte teelaarde. Op plaatsen waar geplagd is, is de vegetatie open en hier en daar groeit zelfs struikheide en dopheide. In 2010 en 2020 handhaven de meeste soorten zich, ofschoon wel een dalende tendens aanwezig is in het aantal groeiplaatsen. Door verdroging blijkt de dichtheid van de vegetatie in 2020 enorm afgenomen en ontstaan er open plekken in de grasmat. 38
Wisentgebied Soorten graslandplanten droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden soorten totaal Groeiplaatsen droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden groeiplaatsen totaal
1994 4 7 11 1994 13 35 48
2000 10 8 18 2000 78 103 181
2010 8 9 17 2010 18 24 42
2020 10 5 16 2020 23 19 42
De ontwikkeling van het aantal soorten en groeiplaatsen van graslandplanten De ontwikkeling van de graslandflora in het wisentgebied verloopt op dezelfde manier als in het taurosgebied ondanks de verschillen in de samenstelling van de grote grazers met verschillend graasgedrag en de verdeling van bossen, heiden en grasland. Wisenten knabbelen (browsen) graag aan bomen en maken paden door de dichte opslag van berken, maar het effect is beperkt. De wisenten hebben meer voorkeur voor grassen. Dit blijkt ook uit het feit, dat de wisenten vaak te vinden zijn op het nieuw toegevoegde stuk grasland aan de Weversweg, waar nog veel eiwitrijk gras als Engels raaigras groeit. Herperduin Soorten graslandplanten droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden soorten totaal Groeiplaatsen droge graslanden op zandgrond matig voedselrijke graslanden groeiplaatsen totaal
2010 12 10 22 2010 45 51 96
2020 5 1 6 2020 5 4 9
De ontwikkeling van het aantal soorten en groeiplaatsen van graslandplanten Herperduin behoorde in 1994 en 2000 nog niet tot de Maashorst, waardoor gegevens ontbreken. De Rijsvennen zijn de belangrijkste graslanden in Herperduin. Na 1992 is de landbouwgrond in twee fases afgeplagd en ontstond er een heischraal grasland met meerdere gegraven poelen en plassen. In de bossen aan de noordkant ligt een lange grasstrook over de gasleiding en in Hongersteeg in het zuidoosten bevindt zich uit cultuur genomen grasland, dat nog soortenarm is. In 2010 is Herperduin geïnventariseerd met behulp van FLORON-streeplijsten, waarbij het hele kilometervak is onderzocht. Daardoor wijken de gegevens sterk af van 2020, waar de SNL-methode is toegepast binnen de grenzen van de natuurkern. In vergelijking met de graslanden van het wisentgebied en het taurosgebied is de graslandflora in Herperduin in 2020 erg soortenarm resp. 6 tegenover 16 en 19. Ook het aantal groeiplaatsen van de aanwezige soorten verschilt sterk resp. 6 tegenover 42 en 39. Door het afplaggen van de Rijsvennen zijn de meststoffen verwijderd; de klimaatomstandigheden zijn niet bevorderlijk voor de vestiging van nieuwe plantensoorten.
39
De belangrijkste factoren, die de graslandflora bepalen zijn de enorm toegenomen droogte, die al is ingezet bij het graven van ruilverkavelingssloten in 1989. Deze verdroging is na de drie droge zomers van 2018, 2019 en 2020 buitengewoon versterkt met langdurig droog vallende beken, poelen en vennen.
IJzerrijke kwel met kwelvlies
Moeraskartelblad
Beekdal van de Venloop De Venloop ligt in een solifluctiedal, dat gevormd is na de laatste ijstijd. Het wordt in de bovenloop doorsneden door de Hoevense breuk en de Mellebreuk; bij de Slabroekseweg passeert nog een derde breuk de Venloop. Boven de breuken komt bruin ijzerrijk kwelwater ofwel wijst in de Venloop. Boven de beide breuken heeft zich een doorstroommoeras gevormd, waarbij in de winter ijzerrijk kwelwater in het maaiveld staat, soms met een blauw gekleurd kwelvlies. In het beekdal van Slabroek komen soorten van Bauwgrasland en soorten van de Klasse van de kleine zeggen voor: Blauwgrasland(16Aa1) Aanwezige soorten van Blauwgrasland: kale jonker, biezenknoppen, veelbloemige veldbies, wilde bertram, lidrus, gewone engelwortel, gestreepte witbol, scherpe boterbloem, gewone brunel, pinksterbloem, veldzuring, vogelwikke, gewone hoornbloem, rode klaver, melkeppe, hennegras, gewone waternavel, tormentil, gewoon reukgras, moerasstruisgras, grote wederik, grote kattenstaart, moerasspirea, zwarte zegge, moeraswalstro, moerasrolklaver, poelruit, moerasviooltje, smalle weegbree, veldrus (31) Klasse van de kleine zeggen (9) Aanwezige soorten van de Kleine zeggen: zwarte zegge, zompzegge, moerasstruisgras, egelboterbloem, gewoon puntmos, moeraskartelblad, grote kattenstaart, moerasviooltje, gewimperd veenmos, sliertmos, sterzegge (11) Kenmerkende soorten uit het
Moerasspirea-verbond zoals moerasspirea, echte valeriaan, grote wederik, grote kattenstaart, poelruit en gele lis zijn ook als begeleidende soorten aanwezig in het Blauwgrasland. Door de constante aanvoer van gebufferd en ijzerrijk kwelwater is hier een soortenrijke wijstflora ontstaan, dat bestand is tegen verdroging en verzuring. Bovendien bindt het ijzer meststoffen, waardoor de groei van ruigtekruiden als bramen en brandnetels wordt tegengegaan. Het aantal soorten planten in de natte graslanden is in 1992, 2008 en 2020 praktisch hetzelfde gebleven resp. 38, 35 en 37. In de taurosbegrazing, het wisentgebied en Herperduin is het aantal soorten planten in 2020 resp. 19, 16 en 6. Zie bijlage Flora Venloop. 40
Sterzegge
Kruipend zenegroen
3.3.3 Heiden en heischraal grasland Inleiding De heiden van de Maashorst zijn in 1980 uitvoerig beschreven. Dit biedt de mogelijkheid om de ontwikkeling van de heidevelden over 40 jaar te evalueren. De meeste heidevelden zijn droog, maar in 1980 had bijna elk heideterrein een nat gedeelte zoals de heide van de Kanonsberg, Slabroek en het zuidoostelijk deel van de Schaijkse heide met de naam Brobbelbies. Ook de heide op Hooge Vorssel had een nat deel. Na de ruilverkaveling zijn al deze plekken sterk verdroogd. Deze stukken zijn nog te herkennen aan pijpenstrootje en soms trekrus en een enkel polletje dophei. Door afplaggen zijn de heide van Schaijk, een stuk heide op Udenoord, het ernaast gelegen zuidelijk deel van de begrazing bij de Grensweg, het noordelijk deel bij de Palmvense weg en de Snippenjacht in Herperduin weer begroeid met dopheide. Verder hebben de randen van het Groot ganzenven, het Klompven en het Munven nog een dopheide vegetatie.
De droge graslanden op zandgrond gaan op nog voedselarmere bodems over in heischraal grasland; ook op enkele paden langs heidevelden en in de randen ervan groeien soorten van deze gemeenschap: Klasse van de heischrale graslanden (19) Aanwezige soorten: borstelgras, tandjesgras, tormentil, liggend walstro, gewone veldbies, hondsviooltje, bochtige smele, pilzegge, struikhei, heidekartelblad, gevlekte orchis, klokjesgentiaan, dophei, pijpenstrootje, blauwe zegge, blauwe knoop, moerasstruisgras, zandzegge, duinriet, kruipwilg, gewone brunel en stijve ogentroost. Op de droogste en armste gronden groeit heide; deze pioniervegetatie ontwikkelt zich spontaan tot bos en is alleen in stand te houden door cultuurmaatregelen. Klasse van de droge heiden (20) Aanwezige soorten: stekelbrem, kruipbrem, klein warkruid, heideklauwtjesmos, open rendiermos, struikhei, fijn schapengras, pilzegge Op enkele arme, natte bodems staat natte heide; door verdroging komt deze gemeenschap alleen nog voor op afgeplagde natte delen. Klasse van de hoogveenbulten en natte heiden (11) Aanwezige soorten: gewone dophei, trekrus, bruine snavelbies, kleine zonnedauw, moeraswolfsklauw, kruipwilg
41
1: Schaijk nat; 2: Schaijk droog; 3. Munse hei; 4. Slabroek; 5: Kanonsberg; 6: Groot ganzenven nat; 7: Groot ganzenven droog; 8: Snippenjacht nat;
42
Heideflora Heideterreinen nat 3 vennen Schaijk Groot Ganzenven Herperduin Snippenjacht Herperduin
1980 2010 45 22 19 21
2020 19 19 17
Heideterreinen droog Heide Schaijk Munse heide heide Slabroek Kanonsberg Groot Ganzenven Herperduin
17 12 25 15 -
6 6 12 10 9
9 6 16 25 11
Aantal soorten van heideflora in de Maashorst (1980 tot 2020) De heidevelden in Herperduin zijn in 1980 niet geïnventariseerd. Meerdere velden moesten nog uit bos teruggevormd worden door de grove dennen te kappen. Het hoge aantal soorten rondom de drie vennen van Schaijk is grotendeels te danken aan werkzaamheden om de heide te verbeteren. De soorten van natte heidevelden hebben de verdroging en verzuring beter kunnen doorstaan en zijn daardoor gemiddeld talrijker. De soorten van de droge heiden zijn t.o.v. 1980 gehalveerd. Deze negatieve trend heeft zich tot 2020 voortgezet. De Kanonsberg in 2010 lijkt hierop de uitzondering met een toename tot 25 soorten, maar dat is te danken aan de grote grazers, die zaden van de graslanden in de uitwerpselen verspreiden over de Kanonsberg. Helaas is door uitspoeling en verdroging in 2020 hier niets van overgebleven. 3.3.4 Korstmossen in de Maashorst Tussen 2000-2011 zijn meerdere gebieden geïnventariseerd, die zijn samengevat in Korstmossen van de Maashorst. In de periode 2011-2020 vond een herinventarisatie plaats naar vele van de locaties uit het eerste onderzoek, daarnaast zijn er diverse andere locaties bezocht. Tijdens het 1e onderzoek (2000-2011) werden er 90 soorten geregistreerd. Het resultaat van deze herinventarisatie komt op 124 soorten.
Een verklaring voor dit tamelijk hoge aantal kan zijn de diverse aanvullende nieuwe locaties, DNA-onderzoek, waarbij nieuwe soorten onderscheiden worden en onderzoek aan parasitaire korstmossen. Korstmossen worden onderscheiden in terrestrische of bodem bewonende soorten; dit kunnen ook oude boomstronken en afgestorven kruiden zijn. Epifytische of planten bewonende soorten groeien vooral op levend schors van bomen, maar ook op groene bladeren en naalden. Sommige soorten zijn terrestrisch en epifytisch. Het meest opmerkelijke verschil met het 1e onderzoek is het voorkomen van een relatief hoog aantal terrestrische soorten. Op enkele plaatsen werden 17 soorten gevonden en nog diverse soorten groeiend op afgestorven blaadjes en stengels van kruidachtige planten. Cladonia cyathomorpha is een grondbewoner die werd gevonden op één locatie. Het is een zeer zeldzame soort in ons land en nog maar van één vindplaats bekend. Het archeologische grafheuvelterrein aan de Keltenweg leverde een belangrijke bijdrage met 17 soorten waaronder de zeldzame Leimonis lynceola (Kwartsoogje). De rode lijstsoort is hier gevonden op (slechts enkele) kleine kiezelsteentjes waarmee deze locatie is bezaaid. Er werd een opvallend grote populatie Peltigera rufescens (rode lijst kwetsbaar en zeldzaam in Brabant) aangetroffen in zeer goede conditie.
43
Catillaria flexuosa (nieuwe soort)
Usnea wasmuthii (zeer zeldzaam)
Het zuidelijke deel van het wisenten gebied met berken opslag werden 10 terrestrische soorten gevonden. Ook het geplagde perceel in dit gebied bij Weversweg, waar voorheen maar twee Cladonia soorten werden gevonden (nu 4) zijn er recent 12 soorten waargenomen. De essen (wegbomen), bij Menzel leverden een interessante bijdrage met een nieuwe Catillaria soort die onlangs ook bij Zijtaart is gevonden als nieuw voor de wetenschap. In totaal zijn van die bomen 17 soorten vermeld. Van deze Catillaria is zeer recent een formele beschrijving gemaakt (van den Boom & Alvarado 2021). Een van de meest opmerkelijke vondsten is die van het baardmos Usnea wasmuthii. In het algemeen komen Usnea soorten niet voor in gebieden met een hoge ammoniak depositie, maar hier gaat het om enkele relatief goed ontwikkelde exemplaren. De soort is zeer zeldzaam in onze provincie. Ze is kenmerkend voor kalkrijke duinen. De locatie in Herperduin ligt vlak boven een van de Tegelenbreuken, waar basische kwel omhoog komt. Korstmosparasieten Korstmosparasieten zijn korstmos bewonende schimmels. Het is een heel onopvallende zeer gespecialiseerde plantengroep, veelal ascomyceten (zakjeszwammen: sporen in een zakje). Deze leven exclusief op korstmossen. Een klein deel behoort tot de basidiomyceten (Steeltjeszwammen: sporen aan een steeltje).
Een heel groot deel van de parasieten leeft alleen maar op een gastheer die tot één soort behoort. In ons land zijn er zo’n 175 korstmosparasieten bekend. Vermoedelijk ligt het werkelijke aantal een heel stuk hoger. De meeste soorten zijn pas de laatste 40 jaar beschreven. In Nederland is er tot nu toe relatief weinig onderzoek naar gedaan. De laatste 15 jaar zijn er van Zuidoost Brabant 8 nieuwe soorten korstmosparasieten beschreven, vooral als resultaat van het inventarisatieonderzoek in Eindhoven en omgeving. Een daarvan is er in de Maashorst gevonden, Cladoniicola staurospora . Waren er in het vorige onderzoek 9 korstmosparasieten gevonden; nu er meer kennis voorhanden is en er daardoor meer aandacht aan is besteed, komt het aantal op 26.
44
LB: Corticifraga peltigerae; RB: Illosporiopsis christiansenii LO: Illosporium carneum; RO: Pronectria robergei RB groeit op Physcia ; de overige op Peltigera
Bodem bewonende korstmossen (terrestrisch) Korstmossen (terrestrisch) Heideterreinen nat 3 vennen Schaijk Groot Ganzenven Herperduin Snippenjacht Herperduin Totaal soorten: Heideterreinen droog Heide Schaijk Munse heide heide Slabroek Kanonsberg Groot Ganzenven Herperduin Totaal soorten:
1980 2010 0 0 0 1
2020 0 0 1
0
1
1
7 3 5 6 -
6 1 9 1 9 (16) 26
1 0 1 0 3
21
5
Het aantal soorten korstmossen in de Maashorst (1980 tot 2020) 45
In 1980 is er geen onderzoek gedaan naar de korstmossen in Herperduin. Ofschoon korstmossen geen wortels hebben en geen voeding opnemen uit de bodem, heeft de bodem wel invloed op het vestigingsklimaat van bodem bewonende korstmossen. Klimaatopwarming en het slechter wordende milieu beperken de overlevingskansen van vooral op de bodem levende korstmossen. Terrestrische korstmossen mijden vochtige bodems, maar de bruine veenkorst (Placynthiella icmalia) kan zoals zijn naam aangeeft, zelfs op turf leven. Het is de enige bodem bewonende korstmos in de Snippenjacht, een vochtig heideterrein in Herperduin. De meeste bodem bewonende soorten leven op zandgrond. De toename in 2010 is vooral ontstaan door onderzoek van meer locaties. Ofschoon planten bewonende of epifytische korstmossen ook beïnvloedt worden door klimaat en milieuomstandigheden vindt hier toch een toename plaats. Wanneer de soorten van Herperduin niet meegeteld worden, blijken de bodem bewonende soorten sinds 1980 een sterk negatieve trend te vertonen (21-16-5). Vooral in de periode 2010 tot 2020 vindt een dramatische achteruitgang waar te nemen. Dat blijkt niet alleen uit het aantal soorten, maar ook uit de vermelde dekkingsgraden. In 2010 kwam “o” (occidental/weinig voorkomend; 1 – 25%) nog regelmatig voor; in 2020 bleef het beperkt tot r (rare/enkele ex.; 1%). Korstmossen blijken goede milieu-indicatoren te zijn.
Klimaatverandering Opwarming door klimaatverandering speelt een rol bij de verandering van de korstmosflora in ons land. Vijf soorten die nu algemeen zijn in Nederland, Caloplaca obscurella, Favoparmelia soredians, Hyperphyscia adglutinata, Physcia clementei en Punctelia borreri, waren voor 1990 niet bekend of zeer zeldzaam in ons land. Ook in het onderzoeksgebied zijn deze nu algemeen. P. borreri populaties zijn vaak fraai ontwikkeld en sommige exemplaren kunnen een afmeting van zo’n 20 cm bereiken. Deze soorten komen (kwamen) vooral in Zuid Europa voor.
Hyperphyscia adglutinata (zeer algemeen)
46
Luchtkwaliteit Omdat korstmossen leven van de vochtige lucht, zijn de stoffen die zich daarin bevinden, bepalend voor de kwaliteit van leven voor deze plantengroep. Ze zijn dus volledig afhankelijk van de luchtkwaliteit. Door de zure regen, vooral vanaf de jaren vijftig tot de jaren negentig zijn vele soorten uit Nederland verdwenen. Bijna alle soorten korstmossen zijn hiervoor gevoelig; de schadelijke stof in de lucht was vnl. zwaveldioxide, een stof die oplost in het regenwater. Een behoorlijk aantal soorten verdween voorgoed uit ons land. Slechts één soort, Lecanora conizaeoides, vestigde zich juist in vervuilde gebieden en wordt toepasselijk ook zwavelvreter genoemd. Ze was toen zeer algemeen, maar staat nu op de rode lijst en is nu niet meer terug gevonden in de Maashorst. Ook Hypogymnia physodes, een zuurminnende soort en inmiddels een rode lijst soort is niet meer teruggevonden. Door ontzwaveling van de brandstof, het gebruik van filters in verkeer, industrie en landbouw en de mineralenboekhouding is er een zeker herstel ingetreden en komen diverse kwetsbare soorten korstmossen weer terug, maar soorten met een lage graad voor herkolonisatie komen niet gemakkelijk terug.
Stikstofdepositie In de jaren 1980 en 1990 kwam er een nieuw milieuprobleem: door de opkomst van de intensieve veehouderij en de grootschalige overschakeling op drijfmest nam de uitstoot van ammoniak in ons land enorm toe. Toename van luchtvervuiling door ammoniak heeft een duidelijk merkbare invloed op epifytische korstmossen en mogelijk ook op korstmosparasieten Dit leidde tot een sterke toename van stikstof minnende korstmossen.. De bekendste en meest opvallende soort in dit verband is Xanthoria parietina. Deze soort was voor 1980 tamelijk zeldzaam in ons (binnen)land. Het blijkt echter een ammoniakminnende (nitrofytische) soort die momenteel door het hele land zeer algemeen is en in het onderzoek gevonden is in 22 locaties, vaak dan ook in grote populaties. Andere nitrofytische soorten als Phaeophyscia orbicularis, Physcia adscendens en Physcia tenella worden vaak samen gevonden met X. parietina. Ondanks alle milieumaatregelen is in grote delen van Nederland de ammoniakdepositie nog steeds zeer hoog. Soorten als Candelariella reflexa, Phaeophyscia orbicularis, Physcia tenella, Xanthoria parietina floreren daardoor bij uitstek.
Physcia adscendens (nitrofyt, zeer algemeen)
Xanthoria parietina (nitrofyt, zeer algemeen)
Zure regen door stikstofdepositie Door chemische reacties zorgt de neergeslagen ammoniak voor een verzuring van het milieu. Er is dan ook een achteruitgang waargenomen van epifytenvegetaties op zure en neutrale schors. Soorten als Evernia prunastri, Hypogymnia physodes en Parmelia sulcata verkeren 47
vaak in een slechtere staat dan de populaties die in het eerdere onderzoek werden aangetroffen. H. physodes is niet meer gevonden en lijkt te zijn uitgestorven. Afname buffercapaciteit In een artikel over terrestrische korstmossen ( een onderzoek van Sparrius & Riksen 2019), over effecten van stuifzandbeheer, stond de belangrijke conclusie, dat dergelijke ingrepen in de toekomst alleen effect zullen hebben als ze samengaan met sterke afname van de stikstofdepositie. Daarom lijkt ook stikstofdepositie een grote rol te spelen op geplagde stukken. Door het afplaggen van de bouwvoor kan de buffercapaciteit van de bodem afnemen en kan er een toename van alluminiumionen ontstaan. Bij hogere planten wordt daardoor de kieming van zaden geremd. Dit is een van de oorzaken van de soortenarmoede van hogere planten in heidevelden. Korstmossen hebben geen wortels om voedingsstoffen op te nemen. Ze zijn volledig afhankelijk van de stoffen in de lucht en de regen. Een overdaad aan chemische stoffen in de bodem kan wel de celwanden aantasten. Inderdaad het gaat met epifyten duidelijk beter dan met grondsoorten. Rond Eindhoven is dat ook duidelijk het geval. De afgeplagde grond langs de Palmstraat was bij eerder onderzoek zeer soortenrijk; in 2020 werden veel soorten niet teruggevonden.
De beperkte buffercapaciteit van afgegraven grond in combinatie met zure regen en betreding door grote grazers zullen hieraan bijgedragen hebben. Betreding Afname van soorten wordt ook veroorzaakt door intensieve betreding en begrazing; in enkele heidevelden is het aantal soorten weer terug gelopen. Het soortenrijke veld langs de Palmvenseweg had in 2017 21 soorten. Enkele jaren later in 2020 bleek bijna de gehele korstmosvegetatie te zijn verdwenen. Slechts 4 soorten werden na een uitgebreid onderzoek (in slechte toestand) teruggevonden. Het archeologische terrein aan de Keltenweg, dat niet begraasd en weinig betreden wordt, heeft nog steeds opvallend veel soorten. Conclusie Tussen 2011 en 2020 is voor de 2e keer een inventarisatie gemaakt met als doel een overzicht te geven van het voorkomen van korstmossen en korstmosparasieten in het gebied De Maashorst, maar ook of er veranderingen kunnen worden geconstateerd in vergelijking met het vorige onderzoek in 2000-2011. Het aantal gevonden soorten is met bijna 40% toegenomen in dit 2e onderzoek, van 90 naar 124 soorten. Ondanks de constante luchtvervuiling is dit een gunstige ontwikkeling. De invloed van ammoniak kan niet noemenswaardig zijn afgenomen in het gebied, zodat de oorzaak van de stijging van het aantal soorten andere oorzaken moet hebben.
Landschapsstructuur kan een rol spelen; een effectief beleid kan voor verdunning van de ammoniakbelasting zorgen. Naarmate een landschap rijker is aan bomen blijken bij een gelijke ammoniakbelasting duidelijk minder stikstofminnende soorten (nitrofyten) voor te komen. Door het RIVM is aangetoond dat dit komt omdat de ingevangen NH3 over meer bomen verdeeld wordt, met als resultaat een lagere belasting per boom. Mogelijk is er ook al enig herstel in abiotische factoren opgetreden sinds het vorige onderzoek. Behalve dat korstmossen uiterst gevoelig zijn voor luchtverontreiniging speelt de kwaliteit van het substraat ook een grote rol. De schors van bijvoorbeeld de zomereik heeft in gebieden met veel intensieve veehouderij een pH van ongeveer 6.5 tegen normaal 4.0, dat verklaart de vaak enorme toename van de nitrofytische soorten zoals Phaeophyscia orbicularis en Xanthoria parietina. Het al dan niet massaal voorkomen van deze soorten is wel enigszins een graadmeter voor de neerslag van ammonium. Vrijwel alle epifytische korstmossen die in het onderzoeksgebied voorkomen hebben een weinig specifieke ecologie en komen vrijwel overal in Nederland voor. Slechts 6 soorten met 48
een hogere gevoeligheid kunnen worden aangemerkt als meest kritische soorten. Hiervan niet teruggevonden zijn: Lecanora horiza, Physcia aipolia, Piccolia ochrophora en nieuw gevonden: Physcia clementei en Usnea wasmuthii. Physcia stellaris is tijdens beide onderzoeken 1x gevonden. Al met al is de waargenomen vooruitgang van de korstmosflora met zijn parasieten een positieve ontwikkeling. De vondst van de recent nieuw beschreven Catillaria flexuosa is spectaculair te noemen.
-
-
Rode Lijst soorten (2012) Knotwilgmos Bryostigma muscigenum; zeldzaam in NL en bedreigde soort, maar vanwege de zeer kleine donkere apothecia gemakkelijk over het hoofd gezien. Gewoon schorsmos Hypogymnia physodes; gevoelige soort, vrij zeldzaam in NL in N. Brabant zeer zeldzaam. Ten tijde van de zure regen was dit een algemene soort in ons land. Er zijn hiervan geen nieuwe vondsten bekend en alleen bekend van een locatie in het eerdere onderzoek. Kwartsoogje Leimonis lynceola; zeer zeldzaam in NL, gevoelige soort, in NL. Komt vooral voor op kiezelstenen op de grond. Klein leermos Peltigera rufescens; vrij zeldz. in NL, kwetsbaar, zeldz.in N. Brabant. Gelobd sterschoteltje Trapelia glebulosa; vrij zeldzaam in NL, kwetsbaar, zeldzaam in N. Brabant. Duinbaardmos Usnea wasmuthii; zeer zeldzaam in NL, kwetsbaar, recent nog maar zelden gevonden.
49
3.3.5 Mossen van de Maashorst 2012 De mossen in de Maashorst zijn na 2012 niet opnieuw geïnventariseerd. Dit onderzoek vormt een goede basis voor een vervolgonderzoek. De mossenwerkgroep van de KNNV-afdeling Eindhoven heeft van januari 2011 tot en met januari 2012 twaalf vooraf geselecteerde kilometerhokken in het natuurgebied de Maashorst geïnventariseerd. Na eerdere inventarisaties van zeer mosrijke natuurgebieden als De Geelders, Wijboschbroek, Weerterbos en Kampina, waren de leden van de werkgroep benieuwd naar de mosflora in dit voornamelijk droge en zandige gebied met naaldbos en heide. De twaalf kilometerhokken zijn in totaal veertien keer bezocht. Het resultaat mag er zijn: totaal 150 soorten, waarvan 12 soorten die op de Rode Lijst vermeld staan. Het mosrijkste km-hok is km-hok 170-411, de Slabroeksche Bergen, met 96 soorten. Daarentegen is het in het centrale deel van het natuurgebied gelegen km-hok 170-413, tussen Palmvense en Brobbelbiesweg, het meest mosarm met niet meer dan 46 soorten. Gemiddeld betekent dit: 74 soorten.
Rode lijst mossen van de Maashorst 12 soorten en 4 soorten zeer zeldzaam Cololejeunea minutissima – Dwergwratjesmos Rode Lijstcategorie: GE - gevoelig, ‘zzz’ – zeer zeldzaam, in 1 km-hok aangetroffen; Metzgeria fruticulosa – Blauw boomvorkje Rode Lijstcategorie: GE – gevoelig, ‘zzz’, in 2 km-hokken aangetroffen; Porella platyphylla – Gewoon pelsmos Rode Lijstcategorie: BE - bedreigd, ‘zz’, in 4 km-hokken aangetroffen; Antitrichia curtipendula – Weerhaakmos Rode Lijstcategorie: BE – bedreigd, ‘zzz’, in 1 km-hok aangetroffen; Atrichum tenellum – Klein rimpelmos Rode Lijstcategorie: KW – kwetsbaar, ‘z’, in 2 km-hokken aangetroffen; Dicranum polysetum – Gerimpeld gaffeltandmos Rode Lijstcategorie: KW – kwetsbaar, ‘z’, in 3 km-hokken aangetroffen; Hylocomium splendens – Glanzend etagemos Rode Lijstcategorie: KW - kwetsbaar, ‘z’ in 2 km-hokken aangetroffen; Isothecium alopecuroides – Recht palmpjesmos Rode Lijstcategorie: KW - kwetsbaar, ‘zz’, in 1 km-hok aangetroffen; Leucodon sciuroides – Eekhoorntjesmos Rode Lijstcategorie: BE – bedreigd-, ‘zz’, in 1 km-hok aangetroffen; Neckera complanata – Glad kringmos Rode Lijstcategorie: BE – bedreigd, ‘zz’, in 1 km-hok aangetroffen; Orthotrichum patens – Ronde haarmuts Rode Lijstcategorie: GE – gevoelig, ‘zzz’, in 1 km-hok aangetroffen; Warnstorfia exannulata – geveerd sikkelmos Rode Lijstcategorie: KW – kwetsbaar, ‘z’, in 1 km-hok
aangetroffen; Zeer zeldzaam: Orthotrichum acuminatum – Gesloten haarmuts, ‘zzz’, in 1 km-hok aangetroffen; Pylaisia polyantha – Boommos, ‘zz’, in 3 km-hokken aangetroffen; Rhytidiadelphus triquetrus – Pluimstaartmos, ‘zz’, in 1 km-hok aangetroffen; Zygodon conoideus – Staafjesiepenmos, ‘zz’, in 8 km-hokken aangetroffen
50
3.3.6 Plantensoorten van de Rode lijst.
Klein warkruid
Klokjesgentiaan
Ronde zonnedauw
De lijsten van 1980, 2010 en 2020 zijn samengesteld op basis van Rode lijst 2012, beschermde soorten volgens Wet natuurbescherming 2015 en Habitatrichtlijnsoort volgens de Richtlijn Europese unie 1992. De gegevens zijn overgenomen uit: Heukels` Flora van Nederland 2020 Rode lijst, HR, beschermd Gevoelig Kwetsbaar Bedreigd Ernstig bedreigd Totaal Habitatrichtlijn (HR) Beschermd Adventief/ingezaaid
1935 1980 2010 2020 4 10 9 10 5 13 9 19 2 4 2 4 4 3 0 2 15 30 21 35 0 0 1 1 1 1 1 5 0 0 0 12
Rode lijstsoorten GE: gevoelig; KW: kwetsbaar; BE: bedreigd; EB: ernstig bedreigd. HR: Habitatrichtlijnsoort; besc. :beschermd; adv.: adventief/ingezaaid. Zie bijlage Rode lijst 2020 De toename van rode lijstsoorten van 21 in 2010 naar 35 soorten in 2020 is vooral te danken aan het inzaaien van zadenmengsels en toepassen van maaisel van kruidenrijk grasland bij de inrichting van nieuwe natuur en verschraalde bermen. 12 soorten worden daarom als adventief beschouwd. Van de twee soorten van de categorie Ernstig bedreigd, bolderik en weidevergeet-mij-nietje is de eerste een ingezaaide akkerplant. Weidevergeet-mij-nietje was al bekend van de Wijstgronden, maar is in 2020 ook gevonden in het beekdal van de Venloop. Van de vier soorten van de categorie Bedreigd zijn blonde zegge en verfbrem adventief; witte waterranonkel is uit een oude zaadbank gekiemd bij het opschonen van het Groot Ganzenven en twee laagtes in het wisentgebied. Rossig fonteinkruid is vermoedelijk door watervogels aangevoerd naar een gebufferde poel op de Snippenjacht. 51
Bij het afplaggen van de rijke bouwvoor zijn uit oude zaadbanken meerdere soorten teruggekomen zoals klokjesgentiaan, veelstengelige waterbies, bruine snavelbies, moeraswolfsklauw. Bleekgele hennepnetel, korensla, gevonden na de eerste plagproeven in 1993, zijn weer verdwenen. Dit zijn beide soorten van graanakkers. De oudste plantengegevens van de hoklijsten van Jansen in 1935 tot 1938 waren niet volledig, maar de 15 rode lijstsoorten van toen geven wel een beeld van de plantengemeenschappen op de graanakkers, heidevelden en in de moerassen. Soorten als bolderik, moerassmele, riempjes, rozenkransje, spits havikskruid, stijve ogentroost, wateraardbei, kleine tijm en witte snavelbies waren in 2010 uit de Maashorst verdwenen.
Akkerandoorn
Grondster
Rapunzelklokje
In 1980 waren er ondanks het ontginnen van de heide tot akkers en grasland en de aanplant van de productiebossen 30 soorten rode lijstplanten gevonden. Deze lijst bevat zeker een aantal planten, die door Jansen in 1935 niet opgemerkt zijn, terwijl ze kenmerkend zijn voor natte en droge heidevelden, moerasjes en akkertjes zoals akkerleeuwenbek, blauwe knoop, bleekgele hennepnetel, dwergviltkruid, borstelgras, klein warkruid, korensla, kruipbrem, overblijvende hardbloem, stinkende kamille en valse kamille. De ruilverkaveling moest 1980 nog afgerond worden en de verdroging ten gevolge van de diepe sloten begon zich daarna te voltrekken. 1 2 3 4 5 6 7 8
Akkerandoorn Akkerleeuwenbek Bergsteentijm Bleekgele hennepnetel Echte guldenroede Karwij Kleine tijm Korensla
KW KW GE KW KW BE BE BE
2010 1980 1980 1980 1980 2007 1980 1994
9 10 11 12 13 14 15 16
Oot Overblijvende hardbloem Riempjes Ronde zonnedauw Spits havikskruid Stijve steenraket Stinkende kamille Valse kamille
KW EB BE GE EB EB BE KW
1980 1980 1980 2010 1980 1980 1980 1980
Lijst verdwenen rode lijstsoorten met jaartal van laatste waarneming In 2010 zijn in de Maashorst 21 rode lijstsoorten geteld. Ondanks alle inspanningen met het beheer en begrazing is dit maar een matige afspiegeling van de rijkdom in 1980 (30). Zeker 52
als je bedenkt dat tot heden 62 verschillende soorten zijn gevonden, waarvan vele soorten zich niet hebben gehandhaafd. Rode lijstsoorten in Herperduin In Herperduin zijn in 2020 18 rode lijstsoorten aangetroffen, wat gezien de kleinere omvang dan de Maashorst (13 tegen over 33 vierkante kilometer) een behoorlijke score is. In 2010 waren er in Herperduin 12 ; dus een stijging van 50%. Voor een deel zijn deze rode lijstplanten soorten, die niet karakteristiek zijn voor de aanwezige vegetaties zoals bosaardbei; deze hoort thuis in rijke bossen, die er niet zijn in Herperduin. Kamgras is een plant van matig rijke begraasde weide en korenbloem hoort in graanakkers, twee biotopen, die in Herperduin ontbreken. Duits viltkruid groeit normaal op matig lemige of iets kalkrijke bodem. Deze bodem verwacht je niet in Herperduin, maar de groeiplaats bij het Groot Ganzenven ligt boven een van de Tegelenbreuken, waarlangs basisch kwelwater omhoog komt. De overige soorten zijn kenmerkend voor droge en natte heiden, heischraal grasland, beekdalgrasland, gebufferde vennen en bosranden. Rode lijstsoorten in het zuidelijke begrazingsgebied Zie kaart p. 20: Brobbelbies zonder de Slabroekse heide en wisentgebied zonder Koudenoord. In 1990 werd het begrazingsgebied ingericht. Er waren toen uiteraard geen rode lijst planten aanwezig op de voormalige agrarische gronden.
In 1993 zijn vier plagproeven uitgevoerd om te kijken of hierdoor de heide terug zou komen. Door de positieve resultaten zijn er in 1997 tot 1999 nog 20 hectare afgeplagd. In 2000 werden er in deze begrazing al een aantal van elf rode lijstsoorten gevonden, dat in 2007 is opgelopen tot 14 soorten. Deze soorten zijn opgedoken uit de aangesneden zaadbank tijdens het afplaggen. Door de herziening van de rode lijst in 2012 zijn er nog 4 soorten aanwezig: grondster, klokjesgentiaan, koningsvaren en witte waterranonkel. De andere soorten zijn afgevoerd van de landelijke rode lijst. Conclusie: De toename van planten van de rode lijst in 2020 is vooral het gevolg van ingrepen in de natuur zoals afplaggen van de vermeste zwarte grond, maar ook inzaaien van nieuw ingerichte natuur zoals aan de Hooistraat en inzaaien van verschraalde bermen. Een gevaar van het afplaggen van de zwarte teelaarde is een afname buffercapaciteit van de bodem. Bij de huidige stikstofdepositie en uitspoeling van mineralen met verzuring tot gevolg vindt er weer een afname van plantensoorten plaats. Dit proces is ook de oorzaak van de soortenarmoede van de heidevelden. Bij vochtige heide zoals rondom de drie vennen van Schaijk houden bijzondere soorten het langer vol. Toch verdwenen hier ook enkele zeldzaamheden zoals blauwe zegge en heidekartelblad.
Opvallend is, dat heidekartelblad in de Snippenjacht zich uitbreidt. Een mogelijke verklaring is de toestroom van gebufferd grondwater. De Snippenjacht ligt op de waterscheiding tussen een breuk van de Tegelenzone bij het Groot Ganzenven en de Mellebreuk bij Vorstengrafdonk. Dit grondwater komt niet van de breuken, maar mogelijk wel van de hoger gelegen Maashorst. Het leemgehalte van deze natte bodem zal ook een rol kunnen spelen. In de ondiepe vennen op de Snippenjacht groeien sinds enkele jaren oeverkruid, veelstengelige waterbies en pilvaren. Dit bevestigt, dat er een zekere buffering op de Snippenjacht aanwezig is.
53
Zeldzame soorten Zie bijlage zeldzame soorten Zeldzaamheidsklasse Vrij zeldzaam zeldzaam Zeer zeldzaam Totaal
28 28 19 75
adv. 7 12 7 26
Tabel met het overzicht van zeldzame soorten Naast de 62 soorten van de Rode lijst incl. beschermde soorten en Habitatrichtlijn soort zijn er ook 75 soorten, die als zeldzaam worden aangeduid. Op het totale aantal plantensoorten in de Maashorst van 616 soorten zijn 137 soorten (22%) kwetsbaar. 26 soorten hiervan moeten als adventief beschouwd worden. De vraag is, of deze adventieve soorten een geschikt milieu aantreffen, zodat ze zich kunnen handhaven. Een bedreiging voor al deze kwetsbare soorten vormen de stikstofdepositie en de enorme verdroging. Het effect van drie zeer warme en droge zomers valt niet af te leiden uit de resultaten van de inventarisaties van 2019 en 2020. 3.4
Aanbevelingen
3.4.1 Ecologisch verantwoorde bosstrategie: Jan van Mourik en Nico Ettema • •
Plant opvolgersoorten aan, die bij het gemengd bos (grove den met soorten van het Eiken-Berkenbos) nog ontbreken zoals tamme kastanje, wintereik en beuk. Plant grote maten aan met behulp van afbreekbaar folie; hierdoor hoeft er geen water gegeven worden en vindt er geen vraatschade plaats. Binnen enkele jaren worden al zaden geproduceerd. Enkele zaadbomen per perceel zijn voldoende, want de zaden worden verspreid door eksters, gaaien en eekhoorns; dus geen klumpen van 20 boompjes of meer met veel bodemverstoring.
Folie in plantgat
Grote maat winterlinde
54
Grote maat haagbeuk
•
• •
•
•
• • • • • • • •
• •
• •
Bes dragende soorten als wilde lijsterbes, sporkehout, Amerikaanse vogelkers, Amerikaans krentenboompje, maar ook hulst, sleedoorn, gewone vogelkers, meidoorn en taxus worden kosteloos verspreid door vogels, maar ook door vos, das en steenmarter; zaden en pitten kiemen, waar de bodem geschikt is. Plant rijke soorten (els, hazelaar, wilg, populier, winterlinde, haagbeuk, zoete kers, eenstijlige meidoorn, sleedoorn, gewone esdoorn, gewone vogelkers) vooral in vochtige delen als beekdalen en wijstgronden en op vrij gekomen agrarische gronden. Uit het pollenonderzoek van Jan van Mourik blijken rijke bossoorten alleen voor te komen in de bossen in de beekdalen en boven de breuken in de Maashorst’. Hier liggen moderpodsolen of bruine bosgronden, waarop ooit winterlinde en haagbeuk gegroeid hebben. Zie ook kaart oud bos 1834 en 1898 Koester de laatste percelen met bijna uitsluitend grove den bij de Munse heide. Hier staat het Kussentjesmos-Dennenbos. In deze percelen zijn in 2020 589 exemplaren van de beschermde dennenorchis geïnventariseerd. Het maken van enkele structuurgaten in dezelfde percelen hebben het biotoop van de dennenorchis in deze gaten onomkeerbaar vernietigd. De opslag van ruwe berk en grove den op afgeplagde bodems moet beschouwd worden als de herstelkracht van de natuur.
Door het afgraven van de bouwvoor en heidebodem kunnen alleen deze pioniersoorten groeien op deze humusloze, verzuurde grond. Respecteer dennen- en berkenbos als basistype in het middengebied. Amerikaanse vogelkers is een pionier van arme bossen en is in staat om de mineralen via het blad in de strooisellaag te brengen, waardoor het strooisel van den en eik beter wordt afgebroken (mineralenpomp). Onder volgroeide Amerikaanse vogelkers kunnen ontbrekende boomsoorten van de Eiken-Beukenbossen op voedselarme grond worden ingebracht zoals tamme kastanje, beuk, wintereik, mispel, hazelaar, ratelpopulier en gewone esdoorn. De vruchten van de Amerikaanse vogelkers is belangrijk bulkvoer voor vele vogels, maar ook voor das, steenmarter en vos Sluit houtoogst uit zowel in de kern als de schil. Geen nee tenzij, maar gewoon nee…. Geen voertuigen in het bos, die de strooisellaag verstoren. Kap geen bomen tenzij om veiligheidsredenen. Ringen om dood hout te bevorderen is overbodig. Bomensterfte zal onder de huidige klimaatomstandigheden sterk toenemen. Ringen kan zo nodig toegepast worden om jonge eiken in dichte opstanden meer groeiruimte te geven, maar veel jonge opstanden worden al open door eikensterfte. Het ringen van Amerikaanse eik werkt averechts, omdat hierdoor zaailingen van deze soort worden bevoordeeld.