Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ongenummerd te Heesch
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 24 van 56
In 2021 zijn de woonwensen en -behoeften van de inwoners gepeild middels presentaties en bijeenkomsten. De uitkomsten van dit specifieke onderzoek, alsmede het gebruik van diverse algemene onderzoeken (Woonwensenonderzoek 2019 Bernheze, Woonwensen onderzoek 2019 van de regio Noordoost Brabant en de regionale woningmarktmonitor 2020), zijn gebruikt voor het opstellen van de nieuwe woonvisie. Deze spitst zich toe op vijf thema’s: 1. -
Voldoende woningen bouwen, snel en voortvarend In de periode tot en met 2026 worden er 1.160 woningen toegevoegd. Er wordt in ieder kern gebouwd. Er wordt ingezet op woningbouw op inbreidings- en op uitbreidingslocaties. Meer regie op de woningbouwproductie. De keten van idee naar uitvoering waar mogelijk versnellen. Voorrang aan grotere woningbouwplannen.
2. -
De juiste woningen op de juiste plek Focus op betaalbaarheid. Meer woningen voor jongeren en senioren. Meer variatie in het woningaanbod. Maatwerk per kern. Openstaan voor experimenten in woonvormen en gronduitgiften. Meerdere, uiteenlopende doelgroepen in één woningbouwontwikkeling. Een bij de behoefte passend woningbouwprogramma. Steviger regie voeren op de programmering en realisatie (in aantal en kwalitatief). ‘’Out of the box” denken voor aanvullend instrumentarium. Committeren aan de taakstelling voor vergunninghouders. RvR-woningen anders insteken: clusteren in kernrandzone, een gevarieerder programma dat voldoet aan de woonvisie, dus: meer betaalbaar, woonzorg en alternatieve woonvormen.
3.
Toekomstbestendig en duurzaam Duurzame bestaande voorraad en nieuwbouw: Energieneutraal in 2050. Nieuwbouw BENG en gasloos. De hele woningvoorraad van het gas af in uiterlijk 2050. Op kortere termijn focus op no regret maatregelen. In 2030 heeft het woningbestand van iedere corporatie gemiddeld energielabel A en zijn alle sociale huurwoningen waar mogelijk voorzien van zonnepanelen.
-
4. -
Wonen en zorg: Alle inwoners leven in een veilige thuissituatie. Voldoende woonaanbod om mensen met en zonder zorgvraag zo lang mogelijk zelfstandig thuis te kunnen laten wonen. Samenwerking met betrokken partijen intensiveren.
5. -
Maatwerk voor onze kernen Voldoende en de juiste woningen bouwen in iedere kern. Werken aan een toekomstbestendige woonomgeving, fysiek en sociaal. Ontmoeten stimuleren. Samenwerken met Dorpsraden voortzetten.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 25 van 56
6.
Samenwerken aan uitvoering In de woonvisie zijn per dorp ook accenten gelegd. Voor Heesch zijn dit, per thema, de volgende accenten. 1. Uitgangspunt op basis van notitie ‘Bouwen voor de Toekomst’: vergroten voorraad woningen met 580 woningen. 2. Gevarieerd programma conform differentiatie woningbouwprogramma. 3. Nieuwbouw van circa 175 sociale huurwoningen. 4. Project opzetten met mix voor jongeren en ouderen. 5. In totaal is 20 tot 25% van de nieuwe woningen levensloopbestendig en/of bestaat uit nieuwe woonzorgconcepten. 6. Kleinschalige collectieve woonzorgvormen en hofjeswoningen nabij bestaande zorglocaties en voorzieningen, en in woonboerderijen. 7. Langer thuis wonen mogelijk maken. 8. Huiskamers in de wijken (geclusterd wonen of ruimtes maken dan wel aanwijzen voor ontmoeten).
Het planvoornemen is passend in het gemeentelijke woningbouwprogramma. Dat betekent dat er in kwantitatieve zin ruimte is voor de te realiseren woning. De woning die is beoogd betreft een vrijstaande woning. De woning wordt levensloopbestendig gerealiseerd (gehele woonprogramma op de begane grond), waardoor de woning geschikt is voor ouderen, een doelgroep waarvoor een grote behoefte is. Onderhavig planvoornemen vindt aansluiting bij de woonvisie 2022 – 2026. 3.3.4
Welstandsbeleid
In de gemeente Bernheze zijn veel gebieden welstandsvrij. Voor enkele locaties blijft welstandstoezicht wel van toepassing. Dit geldt voor cultuurhistorische waardevolle gebieden die het bijzondere karakter van Bernheze bepalen. Er zijn in deze nota 15 gebieden aangewezen waar welstandseisen gelden. De welstandseisen zijn samengebracht in drie gebiedstypen: • • •
het agrarisch cluster; het historisch dorpscentrum; de woningbouw uit de wederopbouwperiode.
Het plangebied ligt niet in één van deze welstandsgebieden. Dit betekent dat de welstandscommissie de omgevingsvergunning niet toetst.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 26 van 56
Hoofdstuk 4
Milieuhygiënische aspecten
4.1 Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen is het van belang dat sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Om die reden moet in een bestemmingsplan of ander ruimtelijk besluit in strijd met het vigerende bestemmingsplan aannemelijk worden gemaakt dat aan de milieuwetgeving kan worden voldaan. Het milieubeleid bestaat uit diverse wet- en regelgeving, waarvan een deel ruimtelijk relevant is. Deze milieunormen hebben een indirecte (zonering) en directe (sectorale wetgeving die opgenomen wordt in het bestemmingsplan), zoals de Wet Geluidshinder, Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen) werking. In dit hoofdstuk wordt hier nader op ingegaan. 4.2 Akoestiek Beleidskader De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan (alsook een ruimtelijke onderbouwing), indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.
Indien een nieuwe geluidbron mogelijk wordt gemaakt dient volgens de Wet geluidhinder in beeld gebracht te worden of en welke gevolgen dit heeft voor eventuele naastgelegen geluidgevoelige objecten. Consequenties Wegverkeerslawaai Met het planvoornemen wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Het plangebied ligt in geluidzones van geluidgezoneerde wegen en 30-km uur wegen. In dat kader is door Aelmans de geluidsbelasting ten gevolge van de omliggende wegen op de gevels van de woning berekend. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek is bijgevoegd als bijlage 1 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels1. Uit de cumulatieve berekening blijkt dat de noord- en oostgevel van de woning een geluidbelasting kennen van respectievelijk maximaal 55 en 54 dB. Hiervoor kan/hoeft geen ontheffing te worden verleend. Wel is het van belang dat het binnengeluidsniveau niet meer dan 33dB bedraagt. Met een karakteristieke gevelwering conform het bouwbesluit wordt al gauw 22 dB gereduceerd. Wat inhoudt dat het aannemelijk is dat ter plaatse sprake zal zijn van een binnengeluidsniveau van 33 dB. Wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Rail of luchtverkeerlawaai Er is geen onderzoek naar rail- en luchtverkeerslawaai uitgevoerd, omdat het plangebied niet is gelegen in de geluidszone van een spoorweg of aanvliegroute van een vliegveld. Onderzoek hiernaar is derhalve niet nodig. Industrielawaai In de omgeving van het planbied zijn geen functies gelegen die voor wat betreft geluidshinder een Het onderzoek is uitgevoerd voor het nieuwe geluidgevoelige object waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, maar ook voor een nieuw te realiseren appartementencomplex aan de Osseweg. Beide planvoornemens zijn van dezelfde initiatiefnemer, waarbij geldt dat het planvoornemen aan de Osseweg eerder vergund en gerealiseerd zal worden dan het planvoornemen aan de Maasstraat (onderhavig planvoornemen). Met die reden is het relevant dat in het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet uit wordt gegaan van een ‘lege situatie’ aan de Osseweg, maar dat het te nieuw te realiseren appartementencomplex onderdeel is van het onderzoek.
1
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 27 van 56
belemmering vormen voor het planvoornemen of andersom het planvoornemen vormt geen belemmering voor omliggende functies. Dit is gemotiveerd in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering van deze ruimtelijke onderbouwing. Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie Beleidskader Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) was geïmplementeerd in de Monumentenwet, tot deze wet op 1 juli 2016 vervangen werd door de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Een belangrijk doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ), omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen (alsook ruimtelijke onderbouwingen) rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode reeds een gebruikelijke praktijk.
Consequenties Volgens het vigerende bestemmingsplan (waarin de gemeentelijke archeologische beleidskaart is doorvertaald) geldt in het plangebied een dubbelbestemming in het kader van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het gaat om de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2. Dat betekent in onderhavige situatie dat een vergunning nodig is in geval bodemingrepen groter dan 250 m2 met een diepte van meer dan 0,4 meter plaatsvinden. Hieronder is een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter hoogte van het planvoornemen (blauwe cirkel) opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 28 van 56
Omdat meerdere ondergrenzen voor onderzoek van toepassing zijn wordt de meest beperkende voor het gehele plangebied gehanteerd. Onderzoek is – gezien een grotere oppervlakte dan 250 m2 dieper dan 0,4 meter geroerd gaat worden – nodig. Door KSP Archeologie is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 3) en kent de navolgende samenvatting: “Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het zuiden van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan het noorden een middelhoge archeologische verwachting (Figuur 2). Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek kan deze verwachting nader worden gespecificeerd per periode en naar beneden bijgesteld. Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Op basis van historisch kaartmateriaal liep van west naar oost centraal door het plangebied een dekzandrug met maaiveldhoogtes rond 10 m+NAP. De dekzandrug vormde een geschikte woon-akkergebied en zou voor de landbouwende samenlevingen uit de periode Neolithicum – _Volle Middeleeuwen (tot en met de 13e eeuw) een hoge verwachting gelden. Tegenwoordig ligt het plangebied met maaiveldhoogtes tussen 8,8 en 9,0 m +NAP echter op één van de laagste punten in het landschap.
Op basis van het beschikbare kaartmateriaal is de verwachting dat binnen het plangebied delfstofwinning (ontgrondingen) hebben plaatsgevonden, waarbij het potentiële archeologische is verdwenen. De archeologische onderzoeken die in dezelfde lager gelegen en/of ontgronde zone zijn uitgevoerd, bevestigen dat archeologische resten ontbreken en ontgrondingen hebben plaatsgevonden, maar het is niet altijd goed zichtbaar in de boringen. Bij diep omgewerkte gronden kenmerkt de bodemverstoring zich door een gevlekt uiterlijk en/of bepaalde insluitsels, maar bij ontgronde Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 29 van 56
gebieden is dat niet of in mindere mate het geval. Als het humeuze dek (de zwarte grond) en de Chorizont (het gele zand) netjes gescheiden zijn tijdens de ontgronding en vervolgens de zwarte grond netjes is teruggeplaatst kan het lijken op een intacte bodem. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. In geen van de boringen is een intact bodemprofiel waargenomen. De humeuze dekken met bijmengingen van geel zand waren wisselend van kleur en dikte (dikker dan 120, 150, 55, 100 en 90 cm) wat aansluit bij de vermoede ontgrondingen. Er worden geen archeologische resten meer verwacht. Daarom vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. KSP Archeologie adviseert dan ook geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.
De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Bernheze), die vervolgens een selectiebesluit neemt.” Archeologie vormt – mits het bevoegd gezag in kan stemmen met het selectieadvies en dit omzet in een selectiebesluit – geen belemmering voor het planvoornemen, omdat aannemelijk is gemaakt dat het planvoornemen geen archeologische waarden schaadt. Uiteraard geldt altijd een zorgplicht in geval toevalsvondsten worden gedaan. 4.3.2 Cultuurhistorie Beleidskader Volgens de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van kracht is geworden, dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met het aanwezige cultureel erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet (of het overgangsrecht totdat deze in werking is getreden) maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De gemeente Bernheze heeft een eigen Cultuurhistoriekaart die in 2014 is vastgesteld waaraan het planvoornemen zal worden getoetst in deze paragraaf. Consequenties Het gebied waarop deze ruimtelijke onderbouwing betrekking heeft is getoetst aan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Het plangebied is volgens de cultuurhistorische waardenkaart gelegen in de regio Peelrand. Zie de uitsnede van de kaart hieronder.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 30 van 56
Regio Peelrand De regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. De oostzijde van de Peelhorst wordt eveneens door een breuk begrensd. Het noordelijke gedeelte van de Peelhorst is een vlak gebied met plaatselijk dekzandruggen en bevat een gradiëntrijke overgang naar de regio Maaskant waar kwel aan de oppervlakte komt. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa.De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen. De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. Op verschillende plaatsen zijn in de beekdalen restanten van vloeisystemen aangetroffen.
De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Karakteristiek zijn de vele kloostercomplexen, kerken en processieparken. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. In deze randzone ontstonden nieuwe dorpen als Odiliapeel en Venhorst. Met het in cultuur nemen van deze 'woeste gronden' werd ook de waterhuishouding steeds verder gereguleerd. Bestaande beken werden rechtgetrokken en stroomopwaarts verlengd en er zijn tal van nieuwe waterlopen gegraven. Bij Mill ligt een deel van de Peel-Raamstelling, bestaande uit het Defensiekanaal, inundatieterreinen en diverse kazematten. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond, Deurne, Uden, Oss, Someren, Gemert en Heesch. Het oostelijk gedeelte van de Peelrand wordt gekenmerkt door kleine dorpen als Schaijk, Mill, Sint Anthonis en Overloon. De infrastructuur wordt hier bepaald door enkele regionale wegen.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 31 van 56
Cultuurhistorisch belang De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Essentiële aspecten In de regio ligt het volgende cultuurhistorische landschap van provinciaal belang: - Oud zandlandschap bij Stiphout; Dragende structuren in de regio zijn: - De oude zandontginningen met akkercomplexen, beemden, broekgebieden; - De jonge heideontginningen; - De Zuid-Willemsvaart en het dal van de Aa; - De Peel-Raamstelling met Defensiekanaal; - De kloosters Ontwikkelingsstrategie 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Peelrand in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor het cultuurhistorisch landschap: ”Oud zandlandschap bij Stiphout” (ook deels in gebiedspaspoort Kempen); 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a.
door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Peelhorst Oost” en “Dekzandeiland Asten-Deurne”; 4. Aandacht voor behoud en herstel van het voor Brabant unieke verschijnsel wijst. Dit kan door bij de inrichting en het beheer in het buitengebied rekening te houden met het aspect wijst en met de zichtbaarheid in het landschap. Het plangebied is gelegen in de regio Peelrand. Het planvoornemen tast de dragende structuren ervan niet aan, is niet gelegen in een cultuurhistorisch landschap van provinciaal belang en staat de ontwikkelingsstrategie voor de regio waarin het is gelegen niet in de weg. In het plangebied zelf liggen verder geen rijksmonumenten en komen geen bouwkundige punten, lijnen of vlakken van enige waarde voor. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014 van de gemeente Bernheze is zichtbaar dat het plangebied is gelegen ter hoogte van een oude akker (esdek). En dat het plangebied is gelegen aan een oud wegtracé met redelijk hoge waarde. Zie de uitsnede van de kaart hieronder, waarop de ligging van het plangebied met een rode cirkel is aangegeven, waarop het esdek met bruin is weergegeven en het oude wegtracé de gele lijn betreft.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 32 van 56
Met het planvoornemen wordt een vrijstaande woning met bijgebouw toegevoegd op een plek die nu nog in gebruik is voor agrarische doeleinden. Het planvoornemen wordt ontsloten op de Maasstraat (het oude wegtracé). Andere wijzigingen zijn niet aan de orde. Er is geen sprake van wijzigingen die zorgen voor aantasting van de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.4 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: • ter plaatse van de woning(en) een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Consequenties Het betreft hier de ontwikkeling van één milieugevoelig object. Op basis van de in de omgeving aanwezige functies zoals deze zijn opgenomen in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, is volgens de omgevingstypering van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering sprake van een gemengd gebied: direct naast woningen komen winkels, horeca en (kleine) bedrijven voor.
Daarnaast ligt het plangebied nabij een rijksweg (A59) en provinciale weg (N-weg Osseweg). In onderstaande tabel zijn de bedrijven opgenomen welke in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn en ook hetgeen er planologisch mag worden gevestigd. Hierbij zijn de richtafstanden en de werkelijke afstand vermeld. Adres en bedrijf
Osseweg 8 Heesch | Pannenkoeken-
SBIgevestigd bedrijf 556, 561
Afstand conform VNG-Brochure uitgaande van gemengd gebied
Werkelijke afstand
Pannenkoekenrestaurant Heesch: categorie 1. Richtafstand in gemengd gebied: 0 meter.
ca. 70 meter
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 33 van 56
restaurant Heesch en middelzware horeca (café, dansschool, bezorg- en afhaalrestaurant, shoarma/grillroom en naar aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven) Osseweg 5-7 Heesch | Bouwbedrijf Berghege en bedrijvigheid in categorie 1 en 2
Osseweg 3 Heesch | Hoppenbrouwers Techniek Heesch en bedrijvigheid in categorie 1 en 2
Planologisch toegelaten: middelzware horeca = categorie 2. Richtafstand in gemengd gebied 10 meter.
45, 41, 42, 43
Bouwbedrijf Berghege (bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m2): categorie 3.2 bedrijvigheid. Richtafstand in gemengd gebied 50 meter.
ca. 30 meter
Planologisch toegelaten: categorie 3.1. Richtafstand in gemengd gebied 30 meter. 45, 41, 42, 43
Hoppenbrouwers Techniek Heesch: categorie 3.1. Richtafstand in gemengd gebied 30 meter.
ca. 110 meter
Planologisch toegelaten: - detailhandel volumineus (geen categorie aan toegekend in de regels, beoordeeld als categorie 2: VNG-bedrijfstype ‘bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten’). Richtafstand in gemengd gebied 10 meter; - specifieke vorm van bedrijf – installatiebedrijf: categorie 3.1. Richtafstand in gemengd gebied: 30 meter.
Het nieuwe milieugevoelige in het plangebied ligt binnen de 50 meter contour van het bedrijf (Bouwbedrijf Berghege) dat aan Osseweg 5-7 gevestigd is. De afstand tussen het nieuwe milieugevoelige object en het bedrijf is 30 meter, terwijl de richtafstand die voor het bedrijf geldt 50 meter is. Echter zijn tussen het nieuwe milieugevoelige object en het bedrijf reeds andere milieugevoelige objecten gelegen welke voor het bedrijf maatgevend zijn. Omdat deze milieugevoelige objecten dichterbij zijn gelegen is het aannemelijk dat ter plaatse van het nieuwe milieugevoelige object sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en geldt dat het bedrijf aan Osseweg 5-7 door het planvoornemen niet in haar bedrijfsvoering belemmerd wordt. Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen, er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom vormt het planvoornemen ook geen belemmering voor omliggende bedrijvigheid. 4.5 Bodem Beleidskader Vastgelegd is dat in bestemmingsplannen (alsook ruimtelijke onderbouwingen) moet worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het betreffende gebied is. Voor het betrekken van
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 34 van 56
bodeminformatie bij het opstellen van bestemmingsplannen (alsook ruimtelijke onderbouwingen) zijn enkele vragen relevant: • is er bodemverontreiniging die de functiedoelen kan frustreren; • zijn er gezondheids- of ecologische risico's en gebruiksbeperkingen voor de beoogde functies; • wat zijn de mogelijkheden om er tijdig iets aan te doen in termen van resultaten, kosten en kostendragers. Consequenties Ter plaatse van de ontwikkeling is door Van Oort Bodemonderzoek een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hieruit blijkt de navolgende samenvatting en advies: “Kadastraal staat de locatie bekend als; gemeente Heesch, sectie A, nummer 6339. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 7.717 m2. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van grond en grondwater en te beoordelen of er met betrekking tot de bodemkwaliteit bezwaren zijn tegen een bestemming wonen en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van de NEN 5725 en NEN 5740. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de onderzoeksopzet voor een onverdachte locatie (ONV-NL en ONV-L). Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000.
De analyses (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam. Op een enkele boring ná zijn zintuiglijk tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen, bijmengingen of andere bijzonderheden waargenomen. De aangetroffen resten baksteen in de bovengrond zijn beoordeeld als niet-asbestverdacht. Met laboratoriumonderzoek is aangetoond dat de boven- en ondergrond niet verontreinigd zijn (Aw). Het grondwater is niet tot licht verontreinigd met zink (>Sw). De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een woonbestemming en latere nieuwbouw. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Bernheze. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. In dat kader wordt tevens opgemerkt dat vanaf 1 januari 2024 de Omgevingswet van toepassing is met een gewijzigd toetsingskader.” De gemeente Bernheze is bevoegd gezag, het onderzoeksbureau heeft slechts een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaalt dan ook of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Het bevoegd gezag heeft het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek beoordeeld en heeft hiermee ingestemd. Sprake is van een voor de toekomstige functie geschikte bodemkwaliteit. Bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Bodem vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.6
Externe veiligheid
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 35 van 56
Beleidskader Externe veiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor externe veiligheid bestaat onder meer uit: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Enerzijds gaat het over de risicobronnen (bedrijven of transportroutes). Anderzijds gaat het over de risico-ontvangers (omstanders die niets met de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen te maken hebben). Risico-ontvangers Wat betreft de risico-ontvangers maakt de wetgeving onderscheid in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn gebouwen, waarin (of waarbij) groepen van circa 50 personen of groter, gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven. Ook sommige gebouwen waarin/waarbij kleinere groepen verblijven, worden als kwetsbaar object gezien, wanneer die personen beperkt zelfredzaam zijn (zoals zieken, bejaarden of gehandicapten). Daarnaast wordt over een kwetsbaar object gesproken wanneer er meer dan 2 woningen per hectare zijn gesitueerd. Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen en bedrijven waarin/waarbij groepen van minder dan 50 personen gedurende langere aaneengesloten tijd verblijven.
In de landelijke wetgeving wordt meer gedetailleerd beschreven wat er onder kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten wordt verstaan. Belangrijk is hierbij dat de opsomming in de wetgeving niet limitatief is, zodat er in de verdere uitwerking van het beleid nog enige vrijheid rest. Risicobronnen Binnen de beleidskaders voor de drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.
Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 36 van 56
het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz.. Consequenties De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning. Een nieuwe woning is een kwetsbaar object (risico-ontvanger). Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van externe veiligheidsrisico’s, zie de uitsnede van de signaleringskaart externe veiligheid hieronder, waarop het plangebied met een rood vlak is aangeduid.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 37 van 56
Uit de signaleringskaart blijkt dat het plangebied is gelegen: - in de nabijheid van een opslagslagtank en vulpunt van een LPG-tankstation en nabij de Rijksweg A59 waarvan het plangebied ten zuiden ligt. Dit goed zichtbaar op onderstaande afbeelding waarop het plangebied met een rode stip is weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 38 van 56
Voor het LPG-tankstation en vulpunt moet het groepsrisico worden beschouwd en voor de Rijksweg A59 is een beperkte verantwoording van het groepsrisico nodig. Door Antea Group is hieraan via een rapportage invulling gegeven. De rapportage is als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd, hieronder wordt er nader op ingegaan: - op circa 2,8 kilometer van het spoortraject ’s-Hertogenbosch-Nijmegen (trajectcode 64.B1). Over dit traject worden onder andere gevaarlijke stoffen vervoerd uit de stofcategorie D42. D4 heeft een invloedsgebied van >4.000 meter3. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden tot het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit binnen het plangebied. De beperkte verantwoording van het groepsisico welke Antea Group heeft opgesteld (bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing) voor de A59 volstaat ook voor het spoortraject ’sHertogenbosch-Nijmegen (trajectcode 64.B1); - op circa 3 kilometer afstand van de snelweg A50 (wegvak B80, knooppunt Paalgraven-Zeeland). Over deze transprotweg worden onder andere gevaarlijke stoffen vervoerd uit de stofcategorie GT44. GT4 heeft een invloedsgebied van >4.000 meter5.
Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute ligt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario toxisch. De beperkte verantwoording van het groepsisico welke Antea Group heeft opgesteld (bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing) voor de A59 volstaat ook voor het snelweg A50 (wegvak B80, knooppunt Paalgraven-Zeeland). Hieronder is ingegaan op de conclusies van het onderzoek van Antea Group. Regeling Basisnet, bijlage II RIVM (2017), Handreiking risicoanalyse transport. P.19 tabel 4-2 4 Rijkswaterstaat (2019) Lijst wegvakken data tellingen & basisnet 2 3
5
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 39 van 56
“Risicobeschouwing LPG-tankstation Van Kessel Tankservice B.V. - Het plangebied ligt buiten PR 10-6-contouren van het LPG-tankstation. Het plaatsgebonden risico van het LPG-tankstation is geen belemmering van de ontwikkeling van het plangebied; - Het plangebied ligt niet binnen 60 meter van het vulpunt, waardoor binnen deze zone geen kwetsbaar object wordt gerealiseerd. In het plangebied, dat zich wel binnen 160 meter van het vulpunt bevindt, wordt geen zeer kwetsbaar object gerealiseerd. Er wordt voldaan aan deze punten van de circulaire LPG-tankstations; - De hoogte van het groepsrisico van het LPG-tankstation bevindt zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie beperkt toe, maar blijft onder de 10% van de oriëntatiewaarde; - Verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen verplicht. Rijksweg A59 - De weg heeft geen 10-6per jaar plaatsgebonden risicocontour. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; - De weg heeft een plasbrandaandachtsgebied. Het PAG reikt niet tot het plangebied; - Het groepsrisico van de weg ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico van de wegneemt beperkt toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, maar zal niet boven 0,1 keer de oriëntatiewaarde uitkomen; - Verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is voor het LPG-tankstation en de Rijksweg A59 verplicht. In deze rapportage is een aanzet gedaan voor de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag, de gemeente Bernheze, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Bernheze in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid advies uit te brengen.” De Veiligheidsregio Brabant Noord is conform artikel 9 van het Bevt om advies gevraagd. Hun advies is als volgt. “Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de A59 en een LPG-tank met vulpunt dient conform artikel 8 BEVT en artikel 13 BEVI het groepsrisico te worden verantwoord. Door adviesbureau Antea is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. In het onderzoek wordt ook ingegaan op de verantwoording over het groepsrisico. Wij hebben geen op- of aanmerkingen op het rapport.
Het onderzoek en deze reactie bieden voldoende informatie om invulling te geven aan de verantwoording in het kader van dit ruimtelijk besluit. Dit advies volstaat met een beschouwing over de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, omdat de scenario’s ook beschreven staan in het uitgevoerde onderzoek externe veiligheid. Beoordeling zelfredzaamheid Kijkend naar de aard- en ligging van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. Beoordeling bestrijdbaarheid
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 40 van 56
Bij het scenario toxische wolk probeert de brandweer de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk heeft dit echter weinig effect. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. LPG-tanks en de tankwagens die LPG aanleveren hebben isolerende bekleding. Dit betekent dat de tank afhankelijk van de vulgraad na ca. 75 minuten kan ontploffen. De brandweer heeft daarom over het algemeen voldoende tijd om de tank te kunnen koelen en het gebied te ontruimen. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als goed beoordeeld. Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing de afsluiter afbreekt van de tank. Hierdoor stroomt het brandbare gas uit en deze ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de tank leeg is. De hittestraling van de fakkel leidt niet tot het ontstaan van brand in het plangebied.” Het advies van de Veiligheidsregio leidt niet tot wijzigingen aan het planvoornemen of aanvullende maatregelen. Vanuit externe veiligheidswetgeving e.d.
kan geconcludeerd worden dat er geen wettelijke beperkingen zijn voor het planvoornemen, mits het bevoegd gezag in haar besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure de verantwoording van het groepsrisico betrekt en zij voorafgaand aan de besluitvorming de Veiligheidsregio Brabant-Noord in de gelegenheid stelt om conform artikel 7 en 8 van het Bevt advies uit te brengen. 4.7 Natuur Beleidskader De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt sindsdien de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. Dus zowel vogels in de tuin als op de Veluwe zijn beschermd. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt.
Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat er een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan een gebied. Voor dergelijke schadelijke activiteiten kan alleen een vergunning worden verleend als er geen alternatief is en als het gaat om een dwingende reden van groot openbaar belang. De kokkelvisserij in Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 41 van 56
de Waddenzee is nu bijvoorbeeld verboden. Er kon namelijk niet worden aangetoond dat er géén schade zou ontstaan aan de natuur, en er was geen van de andere redenen aanwezig om toch een vergunning te verlenen. De wet biedt geen bescherming aan andere natuurgebieden, maar vereist wel van provincies dat zij gebieden aanwijzen voor het natuurnetwerk Nederland en verleent hen de bevoegdheid om bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aan te wijzen. De Minister van Economische Zaken kan daarnaast op grond van de wet nationale parken aanwijzen die vooral een educatieve en communicatieve functie hebben. De voormalige beschermde natuurmonumenten zijn met bijbehorende doelen opgeheven met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming. Consequenties Soortenbescherming Door Brabant Eco is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 6) en kent de navolgende resultaten en advies: “Resultaten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er mogelijk beschermde fauna in het plangebied voor komen. De habitat van de mogelijk voorkomende soorten, met name marterachtigen, zal behouden blijven. Met de bouw van de woningen gaat geen leefgebied van beschermde soorten verloren.
Daardoor zijn er geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Het grasland is begroeid met Engels raaigras en enkele algemene kruidensoorten. Er is geen bebouwingaanwezig, noch zijn er bomen of struiken. Hierdoor is het plangebied volledig ongeschikt als nest-of verblijfplaats van gebouw bewonende beschermde dier soorten. Door het aanleggen van tuinen rondom en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. Wet natuurbescherming - De ingreep zal naar verwachting niet leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. - Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli).
Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. - In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2.000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. - In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 42 van 56
-
Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: - Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). - Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. - Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. - Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen. Voor de ontwikkeling van het plangebied raden wij de volgende natuurinclusieve maatregelen aan: - Bij de aanleg van groenstructuren in het plangebied worden bij voorkeur inheems (streekeigen) groen aangeplant. Groei en bloei van deze planten en de momenten waarop rupsen, bijen of vogels sterk van hun blad, nectar en stuifmeel afhankelijk zijn, zijn op elkaar afgestemd. Dit is een belangrijk verschil met uitheemse soorten, die vaak eerder en te vroeg uitlopen/bloeien.
De voorkeur gaat uit naar en bes- en nootdragende struiken zoals sporkehout (vuilboom), Gelderse roos, wilde kardinaalsmuts, lijsterbes, hondsroos, sleedoorn of hazelaar. Deze zijn ten gunste van foerageerfuncties voor vogels, maar ook kleine knaagdieren, insecten en insecteneters zoals vleermuizen zullen hiervan profiteren. Huismussen zullen schuilgelegenheid vinden in stekelige struiken zoals bijv. (groenblijvende) hulst of meidoorn. Lindebomen trekken tijdens hun relatief lange bloeitijd grote aantallen insecten aan, en dus ook eerdergenoemde insecteneters - Veel vleermuissoorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestgelegenheid, maar onze huizen en verdere bebouwing worden steeds dichter. Vleermuizen kunnen zelf geen nest bouwen, maar maken gebruik van al bestaande holtes, zoals spleten en spouwen. Ze verblijven op verschillende plekken, afhankelijk van de periode van het jaar en de functie (zoals winter-of kraamverblijfplaats). Door het plaatsen van inmetselstenen worden vleermuizen enorm geholpen bij het bieden van een Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 43 van 56
verblijfplaats. Naast het plaatsen van vleermuisvoorzieningen kunt u ook ruimtes in het gebouwvrijlaten voor vleermuizen. Denk hierbij aan open stootvoegen om de spouw toegankelijk te maken ruimte achter de gevelbetimmering te laten of ruimte maken in (dubbele) daklijsten De initiatiefnemer volgt het geformuleerde advies van de ecoloog op. Daardoor zal – voor wat betreft het aspect soorten - geen sprake zijn van een overtreding in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000 gebieden gelegen. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Om aan te tonen dat eveneens geen indirecte effecten aan de orde zijn is een onderzoek naar stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden ten gevolge van het planvoornemen verplicht. Berekend moet worden of het initiatief in zowel de gebruiks- als realisatiefase geen negatief effect (stikstofdepositie) heeft op Natura 2000-gebieden. Dat de gebruiksfase moet worden berekend is vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. Voor de realisatiefase (bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten om het planvoornemen te realiseren) is hierin een vrijstelling opgenomen.
Deze vrijstelling is op 2 november 2022 echter tenietgedaan via de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos (ECLI:NL:RVS:2022:3159). Sindsdien geldt de vrijstelling niet meer en moet ook voor de realisatiefase een berekening gemaakt worden. Voor zowel de realisatie- als gebruiksfase zijn voor deze ontwikkeling aeriusberekeningen uitgevoerd en een notitie van de invoergegevens opgesteld. De notitie en berekeningen zijn bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 2). De conclusie hiervan is als volgt: “Het plangebied ligt op circa 13,1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Rijntakken). Via de aeriuscalculator is berekend in hoeverre het initiatief voor wat betreft de gebruiks- en realisatiefase invloed heeft op dit Natura 2000-gebied en andere verder weg gelegen Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen volgt dat ten gevolge van de realisatiefase van het initiatief geen sprake is stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De aeriusberekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.” Geen effecten worden verwacht op beschermde gebieden of soorten.
Natuur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.8 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig die zijn beschermd en waarmee rekening moet worden gehouden. Aanbevolen wordt wel om voordat er grondwerkzaamheden plaats gaan vinden een KLIC-melding op te vragen bij de betrokken netwerk-/leidingbeheerders. 4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen, zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 44 van 56
projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het besluit NIBM is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Voor woningen wordt hierbij een ondergrens van 1500 woningen aangehouden voor locaties waarbij sprake is van één ontsluitingsweg. Grenswaarden luchtkwaliteit Voor de meest voorkomende stoffen zijn de luchtkwaliteitsnormen als volgt:
Gekeken naar de concentratie van deze stoffen met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)6 blijkt dat (ruim) voldaan wordt aan deze grenswaarden. Ter plaatse gelden de waarden zoals in de tabel hieronder weergegeven. Stof PM10 PM2,5 NO2
Waarde in ug/m3 15,94 9,03 10,83
Uitsneden van de kaarten ter hoogte van het plangebied zijn hieronder opgenomen. Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage 6
Bron: http://geodata.rivm.nl/gcn/
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 45 van 56
aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. Om aan te tonen dat in onderhavige situatie sprake is van een NIBM-project is de NIBM-tool ingevuld, welke hieronder is weergegeven.
. Uit de uitkomsten van de NIBM-tool blijkt dat geen sprake is van een bijdrage van het planvoornemen aan de luchtkwaliteit. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen, kantoren en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. In het plangebied worden geen ‘gevoelige bestemmingen’ mogelijk gemaakt. Bedrijven In de nabijheid van de locatie liggen geen industriële bedrijven die zorgen voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Veehouderijen die in de wijdere omgeving liggen worden in de paragraaf gezondheid van deze ruimtelijke onderbouwing beschouwd.
Conclusie Het planvoornemen heeft geen nadelige invloed op de luchtkwaliteit omdat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmerende factor. 4.10 Water Een belangrijk ordenend principe bij ruimtelijke plannen is het waterbeheer: de zorg voor veiligheid tegen overstromingen en voor voldoende en gezond oppervlaktewater. De gemeente dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 46 van 56
wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Aa en Maas, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren. Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Waterbeheerplan 2022-2027 In het waterbeheerplan 2022 – 2027 staan de doelen van waterschap Aa en Maas beschreven en hoe zij die doelstellingen gaan halen. De centrale missie van Waterschap Aa en Maas hierbij is als volgt: “Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten.” De doelen en maatregelen waar het waterschap voor staat en gaat, zijn onderverdeeld in drie programma’s: 1. Waterveiligheid Het programma Waterveiligheid draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. Hiervoor moeten de waterkeringen (dijken en kunstwerken) periodiek worden getoetst aan de veiligheidsnormen.
Daarnaast omvat het programma de zorgplicht voor de instandhouding van deze waterkeringen met alle activiteiten die daarbij horen, inclusief gegevens- en informatiemanagement en een goede afstemming tussen beheer en inrichting. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij wordt gelet op de kwantiteit (goede waterpeilen, waterconservering, en het omgaan met wateroverlast en droogte) en op de kwaliteit (chemisch en ecologisch). Het gaat daarbij niet alleen over het watersysteem zelf, maar ook over hoe er met het watersysteem en met de aanpak en manier van (samen)werken kan worden bijdragen aan bijvoorbeeld een vitaal platteland, gezondheid, goede biodiversiteit en aan mogelijkheden voor recreatie. 3. Schoon water In dit programma worden de doelen en activiteiten binnen de afvalwaterketen beschreven. Het zuiveren van afvalwater speelt hierin een centrale rol. Met goed gezuiverd afvalwater wordt immers een belangrijke bijdrage geleverd aan een gezond en natuurlijk watersysteem. Dit geldt voor het werkgebied van Waterschap Aa en Maas, maar ook voor de Maas, die een bron is voor de drinkwatervoorziening van West-Nederland.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) en kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de tussen de 500 m2 en 10.000 m2). Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de
Ruimtelijke onderbouwing Maasstraat ong. Heesch
Pagina 47 van 56
maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-eis, namelijk 60 mm waterberging per m2 verhard oppervlak. Voor plannen met een toename van het verharde oppervlak minder dan 500 m2 geldt geen compensatie-eis. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Digitale watertoets De watertoets moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Waterschap Aa en maas doet een eerste toets via www.dewatertoets.nl. Daar kan voor ieder plan een vragenlijst ingevuld worden op basis waarvan direct het waterbelang wordt aangegeven. Er zijn drie mogelijke uitkomsten: 1. geen waterbelang: Er is een functiewijziging zonder relevante wateraspecten; 2.