Motivering TAM-plan Liniedijk 1 Heeswijk-Dinther vastgesteld
Tekst van het document
Vervolgens kan aan de hand van het afsprakenkader beoordeeld worden waar de kwaliteitsverbetering minimaal aan moet voldoen. Afspraak toepassingsbereik: 1. de notitie Toepassingsbereik en met name de verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën is de basis voor het afsprakenkader over toepassingsbereik. 2. bij planmatige (stedelijke) ontwikkelingen is kwaliteitsverbetering altijd van toepassing; 3. bij niet-planmatige ontwikkelingen: tegenprestatie gerelateerd aan impact: cat. 1 geen impact: geen tegenprestatie cat. 2 beperkte impact: landschappelijke inpassing cat. 3 grote impact: berekende kwaliteitsverbetering van het landschap Onderhavige ontwikkeling valt, als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, onder categorie 2 en behoeft een landschappelijke inpassing. Daarom is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is als bijlage bij dit plan opgenomen. Ad 2. Ter zekerstelling van de landschappelijke inpassing is in de regels behorende bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee zeker gesteld is dat de kwaliteitsverbetering zal worden uitgevoerd. Ad 3. In dit geval is gekozen voor een kwaliteitsverbetering op basis van de landschappelijk inpassing.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
30
Ad 4. Er is geen sprake van een noodzakelijk financiële bijdrage. Doorwerking projectgebied Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkeling van de nevenactiviteit, zijnde de ontwikkeling van de kinderdagopvang bij een bestaand agrarisch bedrijf past binnen de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Er wordt voldaan een de artikelen die van toepassing zijn.
6.3
BELEID WATERSCHAP Beleid waterschap Aa en Maas Waterschap Aa en Maas heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘veilig, voldoende schoon water’ opgesteld. Het programma beschrijft wat Waterschap Aa en Maas in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. Het waterbeheer laat zich leiden door hun missie; ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten’. Daarnaast beschikt het Waterschap Aa en Maas over een waterschapsverordening, namelijk ‘Waterschapverordening waterschap Aa en Maas 2024’. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Onderstaand een uitsnede van de legger. Figuur 9 Uitsnede legger Liniedijk 1-1a (rood omcirkeld)
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
31
De ontwikkeling heeft, buiten het toevoegen van verharding, geen betrekking op de waterschapbelangen. Voor de verdere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 7.7.
6.4
GEMEENTELIJK BELEID
6.4.1
Omgevingsvisie Bernheze 2040 Op 7 maart 2024 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Bernheze 2024 vastgesteld. Dit is een actualisatie ten opzichte van de in 2010 vastgestelde Structuurvisie Bernheze. De structuurvisie is een richtinggevende visie voor de fysieke leefomgeving. Nieuwe initiatieven worden getoetst op basis van deze omgevingsvisie. De omgevingsvisie schetst de ambities voor de komende 20 jaar. Ambities en doelen die samen met de partners zijn bepaald. Met de omgevingsvisie wordt de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterkt. Er worden drie aanknopingspunten gehanteerd om slim met ruimte om te gaan: • • •
Kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen; Meervoudig ruimtegebruik, waar het kan; Voorkomen van afwenteling.
De omgevingsvisie vervangt de gemeentelijke structuurvisie en andere lange termijn visies op de fysieke leefomgeving van de gemeente, tenzij de omgevingsvisie niet of nauwelijks aandacht besteed aan een beleidsdomein. De omgevingsvisie beschrijft nog niet alle beleidsterreinen van de fysieke leefomgeving. Er wordt daarom 5 jaar de tijd genomen om alle visies te integreren. Dit betekent dat er in 2029 één visie voor de fysieke leefomgeving zal zijn. De omgevingsvisie is een dynamisch document en zal ook meebewegen met nieuwe en veranderende maatschappelijke opgaven. Dat kan ook aanleiding geven om met de partners tot een aangepaste omgevingsvisie te komen. De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden: •
•
•
De hooggelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. In een levendige schil rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en wordt de mogelijkheid geboden voor meer bos en andere natuur. De Dekzandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier worden kansen ontwikkeld voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke wateropvang (-infiltratie)), lokaal voedsel, et cetera. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw.
De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s; • • • • •
Gezonde leefomgeving Leefbare kernen Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit Vitale en duurzame landbouw en economie Kwaliteit landschap en erfgoed
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
32
Voor het thema vitale en duurzame landbouw en economie heeft de gemeente in haar beleid opgenomen dat zij ruimte biedt voor nieuwe verdienmodellen voor een vitale landbouwsector. Verbreding en vernieuwing wordt gefaciliteerd vanuit het ja, mits principe. De ruimte voor verbreding moet aansluiting bij aan maatschappelijke doelen. Daarnaast onderstreept de gemeente het belang van landbouweducatie voor onder andere inwoners van de gemeente om het begrip voor de landbouwsector en de kennis over de hoge kwaliteit van het voedsel te vergroten. Verder worden verdienmodellen rondom het versterken van de biodiversiteit en landschapselementen gestimuleerd door de gemeente. Ook wordt natuurinclusief boeren gestimuleerd. Doorwerking plangebied De ontwikkeling is gelegen in het Beekdallandschap. Het voorgenomen plan sluit aan bij de thema’s van de omgevingsvisie. De gemeente geeft ruimte voor agrarische ondernemers om hun bedrijfsvoering te verbreden., mits dit bijdraagt aan de maartschappelijke opgaven. De verbedring draagt bij aan een de maatschappelijke opgave om voldoende kinderdagopvang te hebben in de gemeente. Voldoende kinderdagopvang draagt het plan bij aan de leefbaarheid van de kernen, ouders kunnen hun kinderen in de omgeving naar de kinderdagopvang brengen.
Daarbij is een kinderdagopvang bij uitstek geschikt om kinderen op een jonge leeftijd in contact te brengen met de landbouwsector en hen kennis en begrip voor deze sector mee te geven. Ook de ouders komen zo meer in contact met de landbouwsector waardoor het begrip toe kan nemen. Dit sluit aan bij de wens van de gemeente om meer landbouweducatie te hebben in de gemeente. Ook past het bij het thema vitale en duurzame landbouw. Bovendien is de huidige agrarische bedrijfsvoering natuurinclusief. Een onder aspect dat de gemeente wil stimuleren. De verbreding maakt het bedrijf naar de toekomst toe economisch sterker, wat de stap naar natuurinclusief boeren mogelijk maakt. In het verlengde daarvan is er binnen natuurinclusief boeren ruimte voor biodiversiteit in de bedrijfsvoering. Er wordt gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing. Deze sluit goed aan bij de lokale flora en fauna, wat zorgt voor herstel van de biodiversiteit. Middels de landschappelijke inpassing wordt veel groen aangebracht op de locatie, hiermee wordt hittestress voorkomen. Het hemelwater dat valt op het verharde oppervlak infiltreert via een voorziening in de grond. Zo blijft het regenwater behouden op de locatie en wordt verdroging voorkomen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
33
7 7.1
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING
M.E.R. – BEOORDELING Op grond van wettelijke procedureregels dienen B&W een beoordelings-besluit te nemen dat voor dit plan geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld. In het besluit m.e.r. is opgenomen voor welke voorgenomen activiteit een m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht geldt om te toetsen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Verantwoording Hoewel het realiseren van woningen in beginsel onder onderdeel J (stedelijk ontwikkelingsproject), categorie J11 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit valt, wordt de realisatie van de kinderdagopvang niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Omgevingsbesluit. Het Omgevingsbesluit is daarom niet van toepassing en een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is niet nodig. Het plan kan doorgang vinden.
7.2
LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De toelichting bij een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaald dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie). Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen zoals
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
34
maatschappelijke functies, cultuur, leisure of recreatie. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die een nieuw of groter planologisch beslag op de ruimte leggen dan het geldende omgevingsplan toestaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten hebben. Het is niet relevant of het projectgebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Met dit plan wordt de realisatie van een kinderdagopvang mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling kan, bij een voldoende omvang, aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling. Echter, in dit geval is de oppervlakte van de kinderdagopvang minder dan 500 m2, te weten 435 m2. Daarmee is de omvang van de ontwikkeling dusdanig dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er kan worden gesteld dat de uitvoering van de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op dit project.
7.3
DUURZAAMHEID Het gebouw wordt gerealiseerd volgens de laatste BENG normen. Er wordt gekeken of het mogelijk is circulaire bouwmaterialen toe te passen. De kinderopvang maakt gebruik van elektriciteit welke wordt opgewekt door eigen zonnepanelen. Het hemelwater dat op het pand valt wordt op eigen terrein verwerkt. Ook is er aandacht voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing, die bijdraagt aan de soortenrijkdom in het gebied. Verder maakt de kinderdagopvang onderdeel uit van natuur inclusieve melkveehouderij. Dit is een duurzame bedrijfsvoering waarbij er veel aandacht is voor bodem-, water-, en natuurkwaliteit. Door de verbreding van de bedrijfsvoering wordt dit bedrijf economisch bestendiger.
7.4
GEZONDHEID Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. Voor de varkenshouderij aan de Justitieweg 2 te Heeswijk is gekeken of de ontwikkeling plaatsvindt binnen de richtafstand voor endotoxine. De voor deze veehouderij berekende afstand is 156 meter. De afstand tot de kinderdagopvang is ten minste 300 meter. Daarmee is er geen belemmering. Figuur 10 Afstand endotoxinen
log functie p1 60,0608184 p2 231,712643 p3 0,208009059 vleesvarkens constant vlssev PM10 afstand afst 100 50 45 150 50 69 300 119 111 450 139 135 600 162 152 800 181 170 1000 178 183 1400 190 203 PM10 invullen berekende (kg/jaar) afstand (m) 639 nvt. 156
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
35
De ontwikkeling vindt plaats binnen een veehouderij. Daarmee is de geur van de eigen veehouderij bepalend. De gemeente Bernheze heeft geoordeeld dat er een duidelijk link is tussen de veehouderij en de kinderdagopvang. Daarbij heeft zij geoordeeld dat de geur daarmee geen toetsingsaspect is. Hierbij is het wel van belang de ouders te informeren over de mogelijke gezondheidsrisico’s. Hierbij kan gedacht worden aan zoönosen, fijnstof en ammoniak, hoewel voor rundveemelkveehouderijen waar de dieren op een natuurinclusieve manier, met minder dieren per hectare, de risico’s op fijnstof/ammoniak veel lager zijn. Wat betreft zoönosen kan gesteld worden dat de risico’s beheersbaar zijn door de goede hygiëne- en beschermingsmaatregelen die getroffen worden. Echter is het informeren hierover van belang zodat de ouders zelf een afweging kunnen maken. Verder nemen de initiatiefnemers de adviezen van de GGD voor het voeren van een kinderdagopvang op een veehouderij ter harte. Met de ontwikkeling is geen sprake van een toename van de emissie van geur, fijnstof of ammoniak. In de omgeving van het plangebied komen geen bedrijven voor waar meerdere diersoorten worden gehouden. Ook liggen er binnen een straal van 100 meter geen pluimvee en varkenshouderij.
In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. Er liggen geen geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied. Binnen een straal van 1 kilometer is geen pluimveehouderij gelegen. De locatie ligt op meer dan 300 meter van veehouderijen. Hierbij de opmerkingen dat de gemeente Bernheze heeft aangegeven dat de eigen veehouderij niet meegenomen hoeft te worden in de toetsing. Verder is erop de locatie of binnen een straal van 250 meter geen sprake van mestverwerking. Tot slot is er geen ongerustheid over de gezondheid bij omwonenden bekend. Bij ruimtelijke besluiten zoals omgevingsplannen, moet altijd worden afgewogen of er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locatie’. Eén van de leidende is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. De aanvaarbaarheid van het woon- en leefklimaat wordt doorgaans beoordeeld aan de hand van normen. Bijvoorbeeld aan een maximaal hinderpercentage en bijbehorende geurbelasting van veehouderijen of aan grenswaarden voor de maximale concentratie fijn stof (PM10) in de buitenlucht.
Volksgezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Desondanks wordt geadviseerd om bij het uitbaten van kinderdagverblijf geadviseerd om rekening te houden met de brochure Agrarische kinderdagopvang van de GGD welke als bijlage bij deze toelichting.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
36
7.5
ENERGIETRANSITIE Het gebouw wordt volgens de laatste normen gerealiseerd en is daarmee naar aard al energiezuinig. Het pand wordt niet aangesloten op het gas. Er wordt gebruikt gemaakt van een warmtepomp om het gebouw te verwarmen. Voor de energievoorziening wordt zoveel als mogelijk gebruik gemaakt van de energie van de eigen zonnepanelen.
7.6
KLIMAATADAPTATIE Klimaatadaptatie houdt in dat de samenleving zich aanpast aan het veranderende klimaat en de schadelijke gevolgen ervan probeert te beperken. Het veranderde klimaat is al enige tijd zichtbaar door hittegolven, hoosbuien en droogte. Om schadelijke gevolgen van klimaatverandering zoveel mogelijk tegen te gaan, zijn bij ontwikkelingen klimaatadaptatiemaatregelen nodig. Met onderhavig project wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie. Op de locatie wordt gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing. De toename van groen op de locatie draagt positief ij aan de mate van hittestress. Er is in de huidige situatie geen sprake van water overlast. Door de toename van groen is het risico op wateroverlast bij piekbuien dan ook gering. Hemelwater wordt daarnaast opgevangen in een voorziening waarna het infiltreert in de bodem. Door de toename in groen wordt het gebied tevens minder gevoelig voor hittestress. Op basis van voorgaande kan gesteld wordt dat in voldoende mate ingespeeld wordt op klimaatadaptatie. Bij de bestaande veehouderij met akkerbouwtak vinden geen wijzigingen plaats.
7.7
WATER EN WATERSYSTEMEN Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeenterekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk is van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van uw waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod.
Aanleiding tot het opstellen van de waterparagraaf is het doorlopen van de watertoets ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling op onderhavige locatie. Het doel van de waterparagraaf is een toelichting te geven op de
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
37
waterhuishoudkundige aspecten van het project en de benodigde informatie aan te leveren met betrekking tot de toekomstige berging en afvoer van hemelwater. De waterbeheerder voor de projectlocatie is het waterschap Aa en Maas. Doorwerking projectgebied Bodem en grondwater De locatie is gelegen op veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21). De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) bedraagt tussen circa 40 cm – mv, de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) bedraagt rond de 125 cm -mv. Oppervlaktewater In en in de directe nabijheid van het projectgebied komt geen oppervlaktewater voor. Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of boringsvrije zone. Waterhuishouding De gemeente heeft aangeven dat het hemelwater geborgen moet worden op eigen perceel, waarbij gerekend moet worden met 70 mm per m2 verhard oppervlak. Voor de ontwikkeling wordt een zaksloot in de groenvoorziening aangelegd om het hemelwater vast te houden en te infiltreren. Dit betekent dat er in totaal 0,07 x 855 m2 = 59,85 m3 regenwater geborgen moet kunnen worden. Aan de noordzijde van de nieuw aan te leggen struweelhaag wordt een zaksloot aangelegd. De zaksloot heeft een talud van 1:1 en is 30 cm diep en heeft een breedte van 2,9 meter. De zaksloot bergt dus 0,88 m3 water per strekkende meter.
Over een lengte van circa 70 m is de maximale bergingscapaciteit dus groter dan 59,85 m3. Er is dus ruim voldoende opslagcapaciteit voor het hemelwater. Er wordt voldaan aan de beleidsregel van de gemeente Bernheze. Regenwater wordt dus losgekoppeld van het riool en in het gebied geïnfiltreerd middels de zaksloot.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
38
Figuur 11 Ligging zaksloot
Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via het riool. De verwachting is dat de ontwikkeling niet passend is op de huidige aansluiting. In overleg met de gemeente wordt, indien noodzakelijk, de aansluiting op de riolering aangepast. De kosten voor de aansluiting zijn voor de initiatiefnemer. Bij de bestaande veehouderij met akkerbouwtak vinden geen ontwikkeling plaats.
7.8
WEGEN, VERKEER EN PARKEREN Verkeer maakt onderdeel uit van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Naast de verkeersgeneratie moet aandacht besteed worden aan parkeren, auto en fiets, ov-bereikbaarheid. Verkeer Om te bepalen of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt afgeweken van de CROW-publicatie 744 daar het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger ligt dan deze kencijfers omdat de opvang zich richt op jonge kinderen. Voor het aantal verkeersbewegingen is de volgende inschatting gemaakt; o
De kinderen worden gebracht en gehaald, wat bij een aantal kindplaatsen van 64 in een worst-case scenario zorgt voor 256 bewegingen per dag. In de praktijk worden kinderen ook samengebracht, dit betreft bijvoorbeeld broertjes en zusjes.
o
Per 4 kinderen is er één personeelslid aanwezig. Dit resulteert in 32 bewegingen per dag voor het personeel.
o
Ook wordt er uitgegaan van 1 vrachtwagen per week voor de aan-/afvoer van diversen (afvoer luiers, afval, e.d.).
Concluderend is de verkeersaantrekkende werking per dag maximaal 289 bewegingen met een auto en (1) vrachtwagen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
39
Parkeren Daarnaast is van belang dat voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen. De parkeerkencijfers in CROW-publicatie 744 bestaan uit een minimum- en maximumwaarde. Voor de ontwikkeling is gekozen om de maximale waarde van de CROWbandbreedtes aan te houden. Uit de publicatie van CROW volgt dat er per 100m2 kinderdagverblijf in het buitengebied in weinig stedelijke omgeving een parkeernorm van tussen de 1,4 en 1,6 aangehouden dient te worden. Maximaal wordt dus 1,6 aangehouden. Het kinderdagverblijf heeft een oppervlakte van 4502 grondoppervlak en een bovenverdieping van circa 170m2 vloeroppervlak als bovenverdieping. Dit komt neer op een parkeerbehoefte van (450+170)/100x1,6 = 9,92 dus 10 parkeerplaatsen. Op de locatie is parkeerplaats voor 28 auto’s. Hiermee wordt ruimschoots voldaan in de parkeerbehoefte ter plaatse. Zie ook figuur 16. Figuur 12 Situatietekening parkeerplaatsen
Het aspect wegen, verkeer en parkeren, zal geen belemmering opleveren.
7.9
GROEN EN NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
40
of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. De effecten van het initiatief op de soorten en omgeving staan verder uitgewerkt in hoofdstuk 7.10.1 en 7.10.2 Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van het groen speelt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) een grote rol. De NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter) nationaal belang. Het doel van het NNNbeleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gronden gelegen binnen het NNN. Zoals ook aangegeven in onderstaande figuur. Figuur 13 Ligging locatie (rode cirkel) ten opzichte van Brabants Natuurnetwerk
De locatie is op een afstand van circa 180 meter gelegen van het Brabants Natuurnetwerk. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot versnippering of oppervlakteverlies van het groen.
7.10
MILIEU
7.10.1
Natuur – Soortenbescherming (flora en fauna) De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. Doorwerking projectgebied De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
41
Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. Doorwerking projectgebied Om uit te sluiten dat voorgenomen ontwikkeling schade toebrengt aan wettelijk beschermde planten- en diersoorten is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd voor de nieuwe ontwikkeling in het plangebied. Bij het bestaande landbouwbedrijf vinden geen wijzigingen plaats. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage. Hierna is de conclusie uit dit onderzoek weergegeven: Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1.
Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben deze soorten?
2.
Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding?
3.
Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?
Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloop- en kapwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Het aspect natuur vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
Het aspect natuur is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
42
7.10.2
Natuur – Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Omgevingswet. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden van belang. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden worden met een aanwijzingsbesluit vastgesteld (artikel 2.43 Omgevingswet). Deze aanwijzingsbesluiten moeten in acht worden genomen bij het vaststellen van omgevingsplannen. Gemeenten moeten rekening houden met de natuurlijke kenmerken van aangewezen Natura 2000-gebieden. Ook moeten de toebedeelde functies zoals opgenomen in het omgevingsplan beoordeeld worden op mogelijke nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, ed. Doorwerking projectgebied Gezien de afstand tot de omliggende natuurgebieden, welke ten minste 13,4 kilometer is (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek), zijn effecten op gebieden al grotendeels uit te sluiten (door bijvoorbeeld, geluid, licht of trillingen), behalve door stikstofemissie.
Om te kijken of er met het plan nadelige effecten zijn op de Natura 2000-gebieden door stikstofemissie, zijn met behulp van het rekenprogramma AERIUS-berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie van de referentiesituatie en van de gewenste situatie. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op Natura 2000-gebieden. Deze berekeningen zijn als bijlage bij dit plan gevoegd. De stikstofdepositie van de referentiesituatie is als maximale depositie vastgelegd in de regels behorende bij dit plan. Concluderend kan gesteld worden dat de toekomstige ontwikkeling niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in de omgeving.
7.10.3
Luchtkwaliteit Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijnstof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. Met name in aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden ten aanzien van PM10. De gemeente Bernheze ligt echter niet binnen een aandachtsgebied als hiervoor bedoeld. Ook is de gemeente geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Gemeente Bernheze toetst aan luchtkwaliteit en de representatieve blootstelling als het initiatief in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
43
NIBM-projecten De wet maakt namelijk onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit niet ‘in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM-situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Goed woon- en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid.
De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Doorwerking projectgebied Met de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen. Worst case betekent de ontwikkeling van het kinderdagverblijf een verkeerstoename van 289 verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen van de bestaande veehouderij met akkerbouwtak veranderen niet ten opzichte van de huidige situatie. In dit geval gaat het niet om een standaardgeval niet in betekende mate. Om te bepalen of het aantal verkeersbewegingen veroorzaakt door de kinderdagopvang daadwerkelijk aan te merken is als NIBM, is de NIBM-tool van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum Infomil gehanteerd. Voor dit plan is de versie 24-4-2024 gebruikt, met als rekenjaar 2025. De resultaten zijn weergegeven in navolgende afbeelding.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
44
Figuur 14
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023
NIBM-tool
Jaar van planrealisatie
2025
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
289
Aandeel vrachtverkeer
4,0%
NO2 in μg/m3
0,24
PM10 in μg/m3
0,03
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Zoals blijkt uit de NIBM-tool is het project aan te merken als Niet in Betekende Mate. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2025 de volgende waarden: • Fijnstof PM10 ca. 15,84 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) • Fijnstof PM2,5 ca. 8,789 µg/m3 (grenswaarde 25 µg/m3 jaargemiddelde) • Stikstofoxiden ca. 14,28 µg/m3 (grenswaarde 40 µg/m3 jaargemiddelde) Figuur 15 Uitsnede depositiekaart, PM10
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
45
Figuur 16 Uitsnede depositiekaart, PM2,5
Figuur 17 Uitsnede depositiekaart, NOx
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een acceptabel woon- en leefklimaat, voor de vestiging van het kinderdagverblijf. Aan de melkveehouderij met akkerbouwtak worden geen wijzigen doorgevoerd. Daarnaast geldt dat vanuit het Schone Lucht Akkoord gekeken moet worden of er bij de vestiging van gevoelige functies, waaronder een kinderdagopvang valt, gekeken moet worden of het wenselijk is dat een gevoelige functie zich op deze locatie kan vestigen. In het advies is opgenomen dat het wenselijk is om tenminste 250 meter aan te houden tussen een kinderdagopvang en een veehouderij. In dit geval wordt de kinderdagopvang op de locatie van een veehouderij gevestigd en wordt niet voldaan aan de 250 meter. De gemeente Bernheze heeft in dit geval de afweging gemaakt in dit geval de vestiging toe te staan. Er zitten ook voordelen aan een kinderdagverblijf op de veehouderij. In het kader van het aspect ‘Luchtkwaliteit’ zijn er dan ook geen belemmeringen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
46
7.10.4
Geluid door activiteiten Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
47
mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In een omgevingsplan is in de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). 7.10.5
Geluid Ten behoeve van de ontwikkeling van de kinderdagopvang is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de omliggende gevoelige objecten. De conclusie van dit onderzoek, uitgevoerd door G&O consult is als volgt: Bespreking resultaten In opdracht van de initiatiefnemer is door G&O Consult een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het kinderdagverblijf gelegen aan de Liniedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther. Aanleiding voor het onderzoek is de Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Op basis van de inventarisatie van de activiteiten bij de eigenaar is, zover noodzakelijk, een geluidsmodel opgezet waarbij het langtijdgemiddelde geluidsniveau, het maximaal geluidsniveau en de indirecte hinder is beoordeeld. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt in de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden ter hoogte van de omliggende geluidgevoelige bestemmingen. Voor wat betreft het maximaal geluidsniveau, hier wordt ter hoogte van de geluidgevoelige bestemmingen voldaan aan de grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. De toename van de indirecte hinder als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van de kinderopvang blijft ruimschoots binnen de maximaal toegestane toename van 1,5 dB. Conclusie Akoestisch zijn er geen belemmeringen aangaande geplande ontwikkelingen.
In de omgeving van de kinderopvang zijn geen bedrijven gelegen die het woon- en leefklimaat in de opvang negatief beïnvloeden. Bedrijven in de omgeving worden ook niet belemmerd door de komst van de kinderopvang. Verder is gekeken of de kinderdagopvang ingepast kan worden op de locatie vanuit het aspect wegverkeerslawaai. Uit de door G&O uitgevoerde berekening geldt dat gevelbelasting onder de 53dB is. De geluidwering binnen geluidgevoelige gebouwen is geregeld in artikel 4.102 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Dit artikel stelt dat de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een geluidwering van minimaal 20 dB moet hebben. Dit is vastgelegd in NEN 5077. Bij een geluidsbelasting kleiner of gelijk aan de standaardwaarde is 20 dB geluidwering voldoende. Dit zorgt in de geluidgevoelige gebouwen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 33 dB.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
48
Spoorlawaai De ontwikkeling bevindt zich op ruim 10 km van het dichtstbijzijnd gelegen spoor. Spoorlawaai is op deze afstand niet meer relevant. Het aspect geluid zal geen belemmering zijn voor de planvorming. 7.10.6
Geur De regels met betrekking tot geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het BKL. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat het toetsings- en beoordeling kader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Doorwerking projectgebied Op de locatie wordt een veehouderij uitgeoefend in de vorm van een melkveehouderij. Er komt door de ontwikkeling geen toename in geurbelasting. Er wordt wel een nieuw geurgevoelig object gecreëerd, echter is deze gelegen op voldoende afstand van 195 meter tot aan het meest dichtbij gelegen agrarische bedrijf, hier wordt geen vee gehouden, het betreft een akkerbouwbedrijf (Vorstenbosseweg 4a) en op ruim 300 meter gelegen van het meest dichtbijgelegen veehouderijbedrijf (Vorstenbosseweg 6), dit bedrijf is een gemengde veehouderij van melkrundvee en zeugen. Daardoor verandert er in zijn algemeenheid weinig met betrekking tot het woon- en leefklimaat. Voorgrondbelasting en vaste afstanden Onderhavige locatie is buiten de bebouwde kom gelegen. Aan een afstand van 50 meter ten opzichte van andere veehouderijen wordt voldaan.
Het dichtstbijzijnde bedrijf waaraan getoetst moet worden volgens het omgevingsplan gemeente Bernheze, betreft het bedrijf aan de Vorstenbosseweg 6, gelegen op een afstand van circa 300 meter gemeten van de buitenzijde van het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de inrichting tot de dichtstbij gelegen punt van het kinderdagverblijf. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Daarnaast is de voorgrondbelasting van omliggende veehouderijen op de woningen van belang. In de omgeving zijn enkele veehouderijen gelegen met vee. Namelijk een gemengde veehouderij van melkrundvee en zeugen op circa 300 meter te Vorstenbosseweg 6, een zeugenhouderij op circa 335 meter te Justitieweg 2, een vleesveehouderij op circa 660 meter te Heisewal 2A en een gemengde veehouderij op circa 350 meter te Vorstenbosseweg 1. De gemeente Bernheze is van mening dat de binding tussen de twee bedrijfsonderdelen (De Waaistap en de kinderopvang) evident en bewust is. Dat maakt dat het gepast is om voor geur het eigen melkveebedrijf niet mee te nemen in de beoordeling. Dit kan hetzelfde beoordeeld worden als bijvoorbeeld de bedrijfswoning bij het bedrijf. Het advies van de omgevingsdienst blijft staan maar als gemeente heeft de gemeente de afwegingsmogelijkheid in het kader van de ‘evenwichtige toedeling van functies aan de locaties’.
Kort gezegd hoeft het eigen bedrijf over ‘geur’ niet meegenomen worden in de beoordeling. Industriële geur In de omgeving zijn geen bedrijven gelegen welke industriële geur veroorzaken, waardoor dit geen probleem vormt voor de ontwikkeling.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
49
Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse is sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat. 7.10.7
Bedrijven en milieuzonering Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Doormiddel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygienisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven.
Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Doorwerking projectgebied De projectlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Bernheze. De omgeving is te kenmerken als ‘gemengd gebied’. Er is niet alleen sprake van een woonbestemming, er komen daarnaast verschillende andere functies voor. Omdat er sprake is van gemengd gebied, mag de richtafstand met 1 stap verlaagd worden. Voor het fokken en houden van rundvee dient een grootste afstand te worden aangehouden van 50 m voor geur. Voor geluid en stof geldt dat er in gemengd gebied een richtafstand is van 10 meter. Voor gevaar is de richtafstand 0 meter.
Er zijn woningen gelegen binnen deze richtafstand voor geur, geluid en stof. Echter, aan de melkveehouderij en de akkerbouwtak van het bedrijf qua bedrijfsvoering niets. Wel wordt het bouwvlak van vorm veranderd. Daarmee wordt de afstand tussen het bestaande bedrijf en de bestaande woning vergroot. Deze afstand neemt toe van 8 naar 21 meter. Dit door de vormverandering van het bouwvlak. Het kinderdagverblijf komt aan de andere zijde van het bouwvlak. Voor de kinderdagopvang geldt voor geluid een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Voor de overige aspecten geldt een richtafstand van 0 meter. De dichtstbij gelegen gevoelige object betreft de woning aan Liniedijk 3. Deze ligt op een afstand van 92 meter van het kinderdagverblijf. Hier wordt dus ruimschoots aan de richtafstand voldaan.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
50
Voor het aspect geluid geldt dat er, om aan te tonen dat voldaan wordt aan de normen, een onderzoek is uitgevoerd, voor de uitkomst van dit onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 7.10.5. De bedrijfswoning bij de melkveehouderij is reeds aanwezig en hier wijzigt niets aan. De melkveehouderij met akkerbouwtak is geen gevoelige functie. Met de kinderdagopvang wordt er een nieuw gevoelig object toegevoegd. Echter, in een straal van de 250 meter komt geen andere bedrijvigheid voor. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een melkveehouderij gelegen aan Vorstenbosseweg 6, waarvoor een richtafstand geldt van 100 meter. Daar wordt ruimschoots aan voldaan. Op grond van voorgaande kan geconcludeerd worden dat er op grond van bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor onderhavig plan. Er wordt voor de beoogde ontwikkeling voldaan aan de benodigde afstanden tot omliggende functies. 7.10.8
Externe veiligheid Omgevingsveiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s kunnen hun weerslag hebben op de omgeving. Het wettelijke kader voor omgevingsveiligheid bestaat onder meer uit instructieregels in afdeling 5.1.2 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). De risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art.
5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied wordt vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gemeenten moeten in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosie of gifwolken en
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
51
bepalen in hun omgevingsplan de benodigde beschermende maatregelen binnen zo’n aandachtsgebied. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De gemeente kan in een aandachtsgebied een deelgebied aanwijzen als voorschriftengebied. Dit betekent dat in een deelgebied in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied kan worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Doorwerking projectgebied Inventarisatie risicobronnen De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd (zie navolgende figuur). Figuur 18 Uitsnede risicokaart
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
52
Uit bovenstaande figuur blijkt, dat in de omgeving van het plangebied (rood omcirkeld) geen risicobronnen aanwezig zíjn, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van buisleidingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Basisnet gelden regels voor de veiligheid in de omgeving. De regels over de inrichting van de ruimte langs het Basisnet staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Omgevingsregeling. Voor de wegen, spoorwegen en binnenwateren die bij ministeriële regeling zijn aangewezen voor het brandaandachtsgebied, geldt en afstand van 30 meter, voor explosieaandachtsgebied geldt een afstand van 200 meter en voor gifwolkaandachtsgebied 300 meter. Op circa 2,5 kilometer afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnd gelegen basisnet-wegtraject (NL.IMEV.RWS.BasisnetElement_B87_005). Daarnaast is op circa 18,5 kilometer afstand van het plangebied de dichtstbijzijnde basisnetroute water (NL.IMEV.RWS.BasisnetElement_M_002). Het plangebied is niet binnen de afstand voor de aandachtsgebieden gelegen. Conclusie De planlocatíe ligt niet binnen de aandachtsgebieden voor transportroutes.
Daarnaast is de locatie niet in de risicocontour voor risicovolle inrichtingen gelegen. Er zijn derhalve geen belemmeringen ten aanzien van het aspect externe veiligheid voor het plan. 7.10.9
Spuitzones Ten aanzien van het aspect spuitzone geldt in de ruimtelijke ordening geen wettelijk toetsingskader. Aangezien er onzekerheden bestaan over de mogelijke gevolgen van chemische gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid, dient naar aanleiding van uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een (ABRvS) een ‘veilige zone’ te worden aangehouden tussen enerzijds agrarische percelen en anderzijds gevoelige objecten en functies om de mogelijke gezondheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Deze zone wordt ook wel de ‘spuitvrije zone’ genoemd. Deze spuitvrije zones fungeren als buffer om de negatieve effecten van drift, het onbedoeld verwaaien van chemische gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving, te beperken. Op basis van recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geldt in dit soort situaties dat een spuitvrije zone van 50 meter tussen agrarische percelen en gevoelige objecten en functies als ‘niet onredelijk’ wordt beoordeeld. Een kleinere afstand dan deze 50 meter is mogelijk, mits daaraan een motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op locatie toegesneden onderzoek, ook wel locatiespecifiek onderzoek naar spuitzonering genoemd. De nieuw op te richten kinderdagopvang is aan te merken als een voor drift van spuiten gevoelig object.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
53
De gronden rondom grenzend aan de kinderdagopvang zijn allen in eigendom van het agrarische bedrijf waarbij de kinderdagopvang geplaatst wordt. Dit zijn gronden welke natuur inclusief worden beheerd, er is kruidenrijk grasland op aanwezig. Door dit kruidenrijk mengsel is de kans op onkruidvorming zeer gering en de bestrijding ervan dus vrij zelden noodzakelijk. Er wordt daarom slechts zeer sporadisch gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. De eigenaar kan en wil rekening houden met de kinderopvang door uitsluitend te spuiten in de weekenden en buiten de openingstijden van de kinderopvang. De gronden aan de overkant van de weg zijn op dit moment niet in gebruik door het eigen bedrijf en worden dus niet per definitie natuurinclusief gebruikt. Hierop staan asperges. Echter is dit het laatste jaar dat hier asperges geteelt kunnen worden op deze grond omwille van gewasrotatie. Nog voor de kinderopvang opend wordt, komt ook dit perceel in eigen beheer en zal het permanent grasland worden. Op grasland wordt alleen pelksgewijs gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bovendien zal cliente deze middelen in de 50 meter zone rondom de kinderdagopvang uitsluitend toepassen als er geen kinderen aanwezig zijn (vroege ochtend, avond, weekend). Uiteraard moet uitgegaan worden van hetgeen maximaal planologisch haalbaar is.
Aangezien in de gemeente geen bepalingen zijn opgenomen voor het ‘scheuren’ van landbouwpercelen, bestaat de mogelijkheid in de toekomst deze percelen te gebruiken voor agrarische teelt. Ondernemer ziet echter de kinderopvang als een belangrijke inkomsten genererende tak van het bedrijf en wil dit daarom mogelijk maken en het voortbestaan waarborgen. Bovendien behoeft de bedrijfsvoering van de melkveehouderij voldoende grasland en is het daarom logisch dat alle, om de kinderopvang liggende gronden, als blijvend grasland worden gebruikt, ook voor het beweiden van de dieren. Gelet op de thans geldende strikte regels ten aanzien van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van gevoelige functies, wordt het niet aannemelijk geacht dat het betreffende perceel op korte termijn zal worden gebruikt voor fruit- of boomteelt met zijwaartse of opwaartse bespuitingen, dan wel voor (bloem)bollenteelt waarbij sprake is van intensieve neerwaartse bespuiting. Om die reden kan voor de onderhavige percelen worden uitgegaan van gras. Bij laaggewassen, zoals gras, vindt neerwaartse bespuiting plaats. Deze techniek houdt in dat het middel op korte afstand boven het gewas in neerwaartse richting (naar de grond toe) wordt toegediend.