Motivering TAM-plan Liniedijk 1 Heeswijk-Dinther vastgesteld
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
16-12-2025
Colofon Rapport: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther Rapportnummer: 5984OM103 Datum: 16-12-2025
Opdrachtnemer Geling Advies Burgemeester Wijtvlietlaan 1 5764 PD De Rips www.gelingadvies.nl
Contactpersoon Geling Advies S. de Crom Adviseur 0493 – 597 500 sdecrom@gelingadvies.nl
© DECEMBER 2025 GELING ADVIES
ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. G&O CONSULT VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
2
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING 1.1 ACHTERGROND 1.2 DOEL 1.3 PLANGEBIED
5 5 6 6
2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITAUTIE
7
3 VOORGENOMEN ONTWIKKELING 10 3.1 KORTE OMSCHRIJVING AANVRAAG 10 3.2 BEOOGD PROGRAMMA 10 3.3 BIJDRAGE VAN HET PLAN AAN DE MAATSCHAPPELIJKE AMBITIES EN DOELEN 13 4 VOORBEREIDING 14 4.1 VOOROVERLEG MET DE GEMEENTE (INTAKE - EN OMGEVINGSTAFEL)14 4.2 PARTICIPATIE OMGEVING 14 4.3 BINDEND ADVIESRECHT GEMEENTE 14 5 TOETSING AAN HET OMGEVINGSPLAN 5.1 HUIDIGE BOUW-EN GEBRUIKSMOGELIJKHEDEN 5.2 STRIJDIGHEDEN INITIATIEF IN RELATIE TOT OMGEVINGSPLAN
15 15 17
6 BELEID EN REGELGEVING 6.1 RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS 6.2 PROVINCIAAL BELEID EN PROVINCIALE REGELS 6.3 BELEID WATERSCHAP 6.4 GEMEENTELIJK BELEID
18 18 22 31 32
7 ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING 7.1 M.E.R. – BEOORDELING 7.2 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING 7.3 DUURZAAMHEID 7.4 GEZONDHEID 7.5 ENERGIETRANSITIE 7.6 KLIMAATADAPTATIE 7.7 WATER EN WATERSYSTEMEN 7.8 WEGEN, VERKEER EN PARKEREN 7.9 GROEN EN NATUUR 7.10 MILIEU 7.11 BODEMKWALITEIT 7.12 ARCHEOLOGIE 7.13 CULTUURHISTORIE 7.14 LANDSCHAP 7.15 STEDENBOUW 7.16 KABELS EN LEIDINGEN
34 34 34 35 35 37 37 37 39 40 41 55 58 59 60 60 61
8 JURIDISCHE OPZET
62
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
3
9 UITVOERBAARHEID 9.1 FINANCIËLE HAALBAARHEID 9.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 9.3 VOORSTEL VOOR HET OPNEMEN VAN HET INITIATIEF IN HET OMGEVINGSPLAN
64 64 65
10 BELANGENAFWEGINGEN EN CONCLUSIE
66
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
4
65
1 1.1
INLEIDING
ACHTERGROND Op de locatie Liniedijk 1-1a is sprake van een gemengd agrarisch bedrijf. De befrijfsvoering bestaat uit een natuur inclusieve melkveehouderij en een akkerbouwtak. Daarnaast is er in 2021 een tijdelijke vergunning voor 5 jaar verleend voor een kinderdag opvang. De kinderdagopvang biedt ruimte aan 30 kinderen. De kinderdagopvang draait inmiddels een aantal jaar en in de praktijk is gebleken dat er veel behoefte is aan een dergelijke opvang. Daarnaast zou het bedrijfstechnisch beter zijn om op te schalen en permanent vergund te krijgen, zodat de werkomstandigheden van het personeel verbeterd kunnen worden (meer zekerheid, flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden). De natuur inclusieve melkveehouderij met akkerbouw blijft hierbij ongewijzigd aanwezig. Met dit als achtergrond is het de wens om op de locatie een permanente kinderdagopvang voor 64 kinderen te realiseren. Dit naast de bestaande natuur inclusieve melkveehouderij met akkerbouwtak. Hiertoe is een principeverzoek bij uw gemeente ingediend, waarop een positief besluit (30 mei 2024) is gekomen vanuit de gemeente Bernheze. Onder voorwaarde kan medewerking aan de ontwikkeling verleend worden. Het project is strijdig met de bepalingen in het vigerende tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Bernheze.
Om onderhavig initiatief toch mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van de Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) Omgevingsplan via Imro. Voorliggende motivering maakt hiervan onderdeel uit. In onderhavige motivering wordt aangetoond dat het project passend is in de omgeving en voldoet aan alle wet- en regelgeving. Aangetoond dient te worden dat er sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Op 24 Juni 2021 heeft het college bekend gemaakt een positief principestandpunt in te nemen. In het principebesluit is uiteengezet dat is besloten om in principe medewerking te verlenen aan het voorgestelde initiatief.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
5
Figuur 1 Topografische kaart plangebied en omgeving
1.2
DOEL Voorliggende TAM-omgevingsplan heef tot doel het wijzigen van het bouwvlak zodat de realisatie van een permanente kinderdagopvang voor 64 kinderen naast de bestaande bedrijfsvoering mogelijk wordt.
1.3
PLANGEBIED Het plangebied zoals weergegeven in navolgend figuur omvat enkele percelen aan de liniedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummers 307, 311, 579 en 642. Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Heeswijk-Dinther ten oosten van Heeswijk-Dinther en ten noordwesten van Veghel. Figuur 2 Plangebied (rood omlijnd).
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
6
2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Aan de noordkant wordt het gebied begrensd door de grote en brede oost-west lopende dekzandrug tussen Oss en Waalwijk. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Vanouds waren de randen van de beekdalen en de dekzandruggen de meest geschikte plek voor bewoning. De beekdalen zelf en de uitgestrekte broekgebieden waren te nat om te wonen of om akkerbouw te bedrijven. Deze terreinen werden gebruikt als weide, hooiland of hakhout. Op de hogere delen van het bevonden zich vroeger uitgestrekte heidevelden, bossen en stuifzanden. Door overbeweiding ontstonden op enkele plekken stuifzanden (bijvoorbeeld de Loonse en Drunense duinen). Een en ander had tot gevolg dat het agrarische landschap over het algemeen heel kleinschalig was. De beekdalen waren heel besloten. De percelen waren er klein en vrijwel allemaal omgeven door opgaande beplanting.
De oude akkercomplexen waren wat grotere, open ruimten in deze besloten wereld. De heidevelden vormden hiermee een groot contrast: dit waren zeer grote, open gebieden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. In de Meierij zijn verschillende kastelen, abdijen en kloosters gebouwd. Enkele middeleeuwse kastelen zijn bewaard gebleven. Nog veel rijker is het gebied aan landgoederen, buitenplaatsen en statige villa's, vooral in de omgeving van 's-Hertogenbosch. Een voorbeeld van een oud landgoed is 't Veldersbosch bij Boxtel. De landgoederen en buitenplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw liggen vaak op vroegere heidevelden die hun functie voor de boeren verloren hadden door de komst van kunstmest. Tussen Boxtel en Vught liggen verschillende van deze jonge landgoederen en buitenplaatsen, zoals Dommeloord (ook wel Wilhelminapark genoemd), De Oude Hondsberg, Sparrenrijk, Beukenhorst, Halsche Barrier en De Eikenhorst. In de negentiende en twintigste eeuw zijn veel van de 'woeste gronden', de heidevelden en de broekgebieden, omgezet in landbouwgrond. Nieuwe boerderijen werden gebouwd op plaatsen die tot dan onbewoond waren geweest. In de jonge heideontginningen is een rationele verkaveling en ontwatering gerealiseerd. De
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
7
Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen, zoals Veghel en Schijndel. De grote stedelijke gebieden van '''s-Hertogenbosch, Eindhoven en Tilburg zijn met elkaar verbonden door een netwerk van snelwegen, provinciale wegen, kanalen en spoorlijnen. Door de achteruitgang van de populierenteelt en de introductie van het prikkeldraad, waardoor de perceelrandbegroeiing zijn functie als veekering verloor, is de kleinschaligheid van de beekdalen op veel plaatsen verloren gegaan. Dit proces werd versterkt door de uitvoering van ruilverkavelingen in de tweede helft van de twintigste eeuw. Hierdoor zijn de markante verschillen tussen de hoge zandgronden, de oude cultuurgebieden en de beekdalen voor een deel verloren gegaan. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van het gebied zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde.
Twee andere aspecten die het landschap van de Meierij kenmerken zijn de landgoederen en buitenplaatsen en de populierenteelt. Het plangebied aan de Liniedijk 1-1a te Heeswijk-Dinther is gelegen binnen de dekzandvlakten. De schaalvergroting binnen de agrarische sector van de afgelopen decennia is duidelijk zichtbaar in dit gebied. Er is sprake van enkele opgeschaalde agrarische bedrijven. In de loop der jaren is zichtbaar dat van oorsprong kleine agrarische erven zijn getransformeerd naar andere functies, zoals wonen of recreatie. Het buitengebied is in sommige delen omgevormd naar een gemengd gebied. Ten zuiden, westen en noorden, noordwesten en oosten van de planlocatie liggen agrarische bedrijven in de tuinbouw. Daarnaast wordt de planlocatie aan de noord, noordwestzijde veelal omgeven door verschillende woonfuncties en een bedrijfsfunctie, te weten: garage (Hommelsedijk 14). Aan de zuidzijde grenst de planlocatie direct aan een woonlocatie (Liniedijk 3). Figuur 3 Omgeving planlocatie.
In de huidige situatie is op de locatie een natuur inclusief melkveebedrijf met 250 melkkoeien en akkerbouw is gevestigd. Daarnaast is de tijdelijk vergunde kinderdagopvang voor 30 kinderen aanwezig. Er zijn enkele sleufsilo’s gelegen aan de oostzijde van het plangebied. Er is ook een tijdelijke agrarische kinderopvang verleend aan de noordwestelijke zijde van het plangebied.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
8
Figuur 4 Huidige situatie binnen het plangebied.
Op de voorgrond van het plangebied is een tuin aanwezig met hierin enkele bomen, hagen en beplanting gelegen. De tuin loopt rondom het woonhuis. De bestaande beplanting is in goede conditie en zal behouden worden. Het plangebied wordt ontsloten middels twee uitritten, waarbij één inrit toegang geeft tot de grote melkveestal en de andere inrit geeft toegang tot de kleinere melkveestal en het woonhuis. Rondom de (bedrijfs)bebouwing is het perceel verhard. De twee inritten staan met elkaar in verbinding. De overige delen van het plangebied zijn te kenschetsen als grasland of weiland.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
9
3 3.1
VOORGENOMEN ONTWIKKELING
KORTE OMSCHRIJVING AANVRAAG Het voornemen is om de tijdelijke agrarische kinderopvang permanent te maken en deze ook uit te breiden. In de tijdelijke vergunning is plaats opgenomen voor 30 kinderen, in het eerder goedgekeurde principeverzoek 48 maar door de snelgroeiende vraag naar deze vorm van kinderopvang, wordt het nu beoogd om plaats te maken voor 64 kinderen. Ook in het kader van het werven van personeel is het belangrijk om deze tijdelijke vergunning om te zetten naar een permanente vergunning zodat zekerheid geboden kan worden aan nieuw personeel. Voor de ouders is dit bovendien ook gewenst, zo kunnen de ouders garantie krijgen dat hun kinderen van 0 tot 4 jaar een plek kunnen hebben op de opvang en niet halverwege op zoek gegaan moet worden naar een andere opvang. De natuur inclusieve melkveehouderij met akkerbouw blijft ongewijzigd aanwezig.
3.2
BEOOGD PROGRAMMA Stedenbouwkundige inpassing Voor de gewenste ontwikkeling is nieuwe bebouwing noodzakelijk om de kinderdagopvang te kunnen huisvesten. Het gebouw moet een voldoende omvang krijgen om aan de wettelijke eisen ten aanzien van kinderdagopvang te voldoen. Daarnaast moet het ontwerp van de kinderdagopvang aansluiten bij de uitstraling van de rest van het erf. Op de navolgende figuur is de ligging en het ontwerp van het gebouw weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde bebouwing aansluit bij de reeds bestaande bebouwing op het perceel. De bestaande natuur inclusieve melkveehouderij met akkerbouwtak binnen het plangebied blijft ongewijzigd aanwezig. De bebouwing waarvoor wordt niet aangepast. De tijdelijke bebouwing ten behoeve van de vergunde tijdelijke kinderdagopvang komt na uitvoering van het plan te vervallen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
10
Figuur 5 Beoogde situatie plangebied
De aanwezige beplanting is omvangrijk, sluit goed aan bij de context en verkeert in goede conditie. De bestaande beplanting, bestaande uit veelal bomen, hagen en beplanting, aan de voorzijde van de bedrijfswoning, rondom de bedrijfswoning en aan de voorkant van de overige bedrijfsbebouwing. Het gedeelte waar gebouwd gaat worden is in de huidige situatie in gebruik als grasland. Van de huidig inpassing van het perceel worden de volgende elementen behouden: • • • •
Rij van 80m bosplantsoen, langs opvang en dierenweide. Enkele rij struweel (20m) in ontwikkeling ten noordoosten van plangebied. Volwassen struweel langs stal (10m lang met diverse soorten) Bestaande beukenhaag, 71m. Dit is een dichte beukenhaag langs de stal die laaggehouden wordt, circa 1.20m hoog en max 1m breed.
De fruitbomen welke in de huidige speelweide liggen worden verplaatst naar de nieuwe speelweide. De nieuwe elementen die met het inpassingsplan worden gerealiseerd: • Een brede struweelhaag van 3 tot 4 meter hoog en een breedte van 6 meter. De reeds aangeplante bomen en struiken zullen hierbinnen vallen en vormen 1 van de 3 rijen planten. Lengte voorste deel 1; 40meter, lengte achterste deel 2; 35 meter. In totaal komt er dus 40+40+35+35 = 150m extra struweel bij wat, driedubbel geplant, resulteert in 75m struweel van 6 m breed. Soorten zijn
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
11
sleedoorn, meidoorn, lijsterbes, gelderse roos, vuilboom, aangevuld met enkele berken en boswilgen, en grijze elzen. De boswilg en grijze els zijn soorten die betere aangepast zijn aan droge zandgronden dan hun reguliere ‘broertjes’, de schietwilg en de zwarte els. Dit zijn vooral inheemse, deels besdragende soorten die op verschillende tijden bloeien en daarmee voedsel en nestgelegenheid bieden aan vogels en ook insecten zullen aantrekken door het jaar heen. Komende langs de Liniedijk vanuit het noorden zal de nieuwe ontwikkeling zo verzacht worden door de nieuwe aanplant. • Erfbeplanting; inpassing van de parkeerplaats bestaande uit een vijftal eiken rondom de parkeerplaats die in lijn met de bestaande eiken langs de Liniedijk geplant zullen worden. • Beukenhaag, tussen de parkeerplaats en de dierenweide zal een nieuwe beukenhaag van 20m geplant worden. Deze beukenhaag wordt vergelijkbaar met de bestaande beukenhaag langs de stal, en sluit hier ook op aan. Hoogte circa 1.20 m. Figuur 6 Landschappelijke inpassing, haag wordt doorgetrokken zonder onderbreking.
Ontsluiting en parkeren Op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit conform de normen van de gemeente Bernheze. De parkeerplaatsen komen aan de voorzijde van het nieuwe gebouw voor de kinderdagopvang. Met de ontwikkeling wordt een bestaande inrit verwijderd. De ontsluiting van de locatie vindt plaats via de andere, bestaande inrit. Zie 7.8. voor een uitgebreidere onderbouwing.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
12
3.3
BIJDRAGE VAN HET PLAN AAN DE MAATSCHAPPELIJKE AMBITIES EN DOELEN Maatschappelijke doelen en ambities zijn gericht op het verbeteren van de leefbaarheid, duurzaamheid en sociale samenhang binnen de gemeenschap.
3.3.1
Gezonde leefomgeving De ontwikkeling laat aan de kinderen op het kinderdagverblijf zien hoe een agrarisch bedrijf werkt en waar hun voedsel vandaan komt. Dit kan bijdragen aan de keuze voor gezond voedsel. Bovendien is er voldoende ruimte voor de kinderen om buiten te spelen. Bovendien werkt het bedrijf natuur inclusief, waardoor er geen chemische gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast op het aangrenzende kruidenrijke grasland. Door de verbreding is het bedrijf toekomstbestendiger waardoor zij op deze wijze kan blijven produceren. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een gezondere leefomgeving.
3.3.2
Leefbare kernen Bij leefbare kernen hoort een voldoende kinderdagopvang. Als er geen kinderdagopvang in de omgeving aanwezig is, komt dit de leefbaarheid van de kernen, met name voor jonge gezinnen, niet ten goede. De ontwikkeling draagt bij aan het verkleinen van het tekort aan kinderdagopvangplekken in de gemeente Bernheze en HeeswijkDinter in het bijzonder.
3.3.3
Klimaatbestendig en biodiversiteit Bij de nieuwe bebouwing wordt het hemelwater afgekoppeld van het riool, het helemwater wordt op de locatie zelf verwerkt. Daarnaast komt er nieuwe landschappelijke inpassing die bij kan dragen aan de biodiversiteit. Verder werkt het bedrijf natuur inclusief. Op deze wijze werken draagt bij aan de biodiversiteit daar de wijze waarop geteeld wordt. Door de verbreding van de bedrijfsvoering wordt het bedrijf financieel toekomstbestendiger, waarmee zij ook naar de toekomst toe op deze wijze kan blijven produceren.
3.3.4
Vitale en duurzame landbouw & economie Met de verbreding van de bedrijfsvoering van het bestaande landbouwbedrijf op de locatie krijgt het bedrijf een toekomstbestendigere bedrijfsvoering. Zij wordt minder afhankelijk van alleen de landbouw. De bedrijfsvoering is reeds natuur inclusief en daarmee duurzaam. Ook wordt daarmee bijgedragen aan een vitale bodem.
3.3.5
Kwaliteit landschap & erfgoed Met de ontwikkeling wordt het bedrijfsperceel beter landschappelijk ingepast, wat de uitstraling van het perceel ten goede komt. Voor de ontwikkeling van het kinderdagverblijf is gekozen voor een bouwstijl die aansluit bij de bestaande bebouwing op het perceel. Daarmee ontstaat eenheid wat de kwaliteit van het landschap ten goede komt. Er is in het plangebied geen sprake van beschermd cultureel erfgoed, waar mee in het bijzonder rekening mee gehouden dient te worden.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
13
4 4.1
VOORBEREIDING
VOOROVERLEG MET DE GEMEENTE (INTAKE - EN OMGEVINGSTAFEL) Het resultaat van de intaketafel is dat het verzoek wenselijk is. Gezien de huidige maatschappelijke behoefte aan kinderopvang, is er geen reden om de tijdelijke status te handhaven. Om die reden is het voorliggend plan alsnog op de intaketafel beoordeeld, ditmaal als permanent, met een uitbreiding van het aantal opvangplaatsen en de bouw van een bedrijfsgebouw. Het plan is zorgvuldig opgesteld en speelt in op de visie zoals beschreven in de omgevingsvisie Bernheze. Er is immers sprake van een nieuw verdienmodel en verbreedt de agrarische bedrijfsvoering, wat essentieel is voor het behoud van een vitale landbouwsector. Het Beekdallandschap is bij uitstek geschikt voor deze ontwikkeling. Bovendien sluit het plan aan bij de maatschappelijke behoefte aan meer kinderopvangplaatsen.
4.2
PARTICIPATIE OMGEVING In het kader van de omgevingsparticipatie is een omgevingsdialoog gehouden met de omwonenden. Het verslag van deze dialoog is bijgevoegd als bijlage bij dit rapport. Waar mogelijk is rekening gehouden met de wensen van omwonende.
4.3
BINDEND ADVIESRECHT GEMEENTE De gemeenteraad heeft categorieën bepaald waarvoor zij een bindend adviesrecht heeft. De vestiging van een maatschappelijke functie buiten de bebouwde kom is een categorie ontwikkeling die valt onder het adviesrecht van de gemeente. Een TAM-omgevingsplan wordt altijd ter vaststelling aangeboden aan de raad. Daarmee wordt voldaan aan het adviesrecht.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
14
5
TOETSING AAN HET OMGEVINGSPLAN
5.1
HUIDIGE BOUW-EN GEBRUIKSMOGELIJKHEDEN
5.1.1
Bruidsschat Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt een aantal regels op rijksniveau. Deze regels verhuizen naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente, ofwel de ‘bruidsschat’.
5.1.2
Verordening Fysieke Leefomgeving (archeologie, geur en de afvoer van hemel- en grondwater De Gemeente Bernheze heeft een Archeologische beleidskaart. De ligging van het projectgebied en bijbehorende onderzoeken zijn te vinden in hoofdstuk 7.12 Archeologie. Op gebied van geur staan in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) artikel 3.1.3 vaste afstanden benoemd. De kinderdagopvang maakt onderdeel uit van een functionerende veehouderij is daarom niet geurgevoelig. Er hoeft uitsluitend getoetst te worden aan de vaste afstanden. De dichtstbijzijnde veehouderij van derden ligt op meer dan 100 meter van het projectgebied. In paragraaf 3.4 van de VLF staan de regels met betrekking tot afvoer hemelwater en grondwater. Het doel van deze regels is het tegengaan van de verdroging en het ontlasten van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallaties. Daartoe worden regels gesteld om de opvang van regenwater op eigen terrein te bevorderen en het lozen van hemel- en grondwater op de openbare riolering te voorkomen. Zo is het lozen van hemelwater op de riolering verboden, moet bij nieuwe verharding en/of bouwwerk een melding gedaan worden bij burgemeester en wethouders, mag het af te voeren hemelwater niet vervuild raken en mag grondwater niet afgevoerd worden op de riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening.
5.1.3
Bodemkwaliteitskaart en veiligheidscontouren Op het gebied van bodemkwaliteit ligt het projectgebied niet in het gebied met bodemverontreiniging of sanering. Dit is te zien op onderstaande figuur. Ten behoeve van de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd. Wat betreft veiligheidscontouren zijn er geen bijzonderheden die naar voren komen uit de kaarten van Atlas leefomgeving. Het plangebied valt onder de veiligheidsrisico Brabant-Noord, id 21.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
15
Figuur 7 Bodemkwaliteit in het projectgebied bron: Atlas leefomgeving
5.1.4
Ruimtelijke plannen Het projectgebied is in het vigerend tijdelijk deel Omgevingsplan van de gemeente Bernheze gelegen binnen het bestemmingsplan ‘’Buitengebied Bernheze 2012-1’’ vastgesteld 10-03-2016 en ‘’Buitengebied Bernheze’’ onherroepelijk 08-10-2014. De locatie heeft de bestemming ‘’Agrarisch – Landbouwontwikkelingsgebied’’ en ‘’Agrarisch’’. De locatie bevindt zich binnen de gebiedsaanduiding ‘groenblauwe mantel’’. Bovendien heeft de locatie ook de functieaanduiding ‘’agrarisch bedrijf’’ en maatvoering ‘’aantal bedrijfswoningen: 1’’. Navolgend is het projectgebied binnen het vigerend bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 8 Ligging projectgebied binnen vigerend bestemmingsplan
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
16
5.2
STRIJDIGHEDEN INITIATIEF IN RELATIE TOT OMGEVINGSPLAN
5.1.2
Bruidsschat Voorliggend plan is in strijd met Artikel 4.5.3. lid a en c. over ‘Strijdig gebruik’ en artikel 3.2.2. lid a over de bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf. Deze worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.
5.2.2
Verordening Fysieke Leefomgeving (archeologie, geur en de afvoer van hemel- en grondwater Uit de archeologische verwachtingskaart blijkt een geen archeologische verwachting op de locatie. Voor wat betreft geur zijn geen strijdigheden. Het initiatief maakt onderdeel uit van een bestaande veehouderij en ligt meer 100 meter van de dichtstbijzijnde veehouderij, het woon- en leefklimaat is zeer goed en het initiatief zelf produceert geen geur. Met betrekking tot afvoer van hemel- en grondwater vertoont het project geen tegenstrijdigheden. Het hemelwater wordt geïnfiltreerd. De toename aan bebouwing en verharding wordt overlegd en voldoende landschappelijk ingepast. Het volledige aspect water wordt nader toegelicht in hoofdstuk 7.7 water en watersystemen.
5.2.3
Bodemkwaliteitskaart en veiligheidscontouren De bodemkwaliteit blijft onveranderd. Het nieuwe gebouw voor de kinderdagopvang wordt conform de regels gebouwd van het Bbl gebouwd. Het bestaande agrarische bedrijf blijft ongewijzigd aanwezig.
5.2.4
Ruimtelijke plannen De ontwikkeling is in strijd met het vigerende tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Bernheze (voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’). In de doeleindenomschrijving zijn, naast de agrarische bedrijfsvoering, uitsluitend bestaande nevenactiviteiten toegestaan. Er is geen sprake van een bestaande nevenactiviteit. Ook is het niet mogelijk om met een omgevingsplanactiviteit de gewenste nevenactiviteit vergund te krijgen. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken, is wijziging van het omgevingsplan met een TAM-omgevingsplan noodzakelijk. Met onderhavige Goede Onderbouwing van de effecten op de Fysieke Leefomgeving (GOFLO) wordt aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
17
6
BELEID EN REGELGEVING
6.1
RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS
6.1.1
Omgevingswet De Omgevingswet is per 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingswet moet leiden tot meer ruimte voor duurzame ontwikkelingen, meer rekening houden met regionale verschillen, meer ruimte bieden voor maatwerkoplossingen en belanghebbenden vroegtijdig betrekken in de besluitvorming. Daarnaast is het doel van de Omgevingswet om de tientallen vormen van wet- en regelgeving onder het oude omgevingsrecht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), te bundelen in één wet die toeziet op het omgevingsrecht en daarmee te voorkomen dat initiatiefnemers rekening moeten houden met veel verschillende wetten met elk hun eigen procedures, planvormen en regels. Met de Omgevingswet en bijbehorende uitvoeringsregelgeving streeft de regering vier verbeterdoelen na: • • •
•
het vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken voor het bereiken van doelen voor de fysieke leefomgeving; het versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving.
De wet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Daarmee vormt de wet de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Om de Omgevingswet uit te voeren, hebben overheden de beschikking over 6 'kerninstrumenten': •
•
de omgevingsvisie: op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau kan een omgevingsvisie worden opgesteld; een samenhangend, strategisch plan dat rekening houdt met alle ontwikkelingen in de leefomgeving. het programma: maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
18
•
decentrale regels: Decentrale overheden hebben 1 regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld decentrale regels voor activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben. algemene rijksregels: dit zijn het Bkl, Bal, Bbl en de Omgevingsregeling. Deze ‘Algemene Maatregelen van Bestuur’ (AMvB’s) worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. de omgevingsvergunning: veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leefomgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf of dat mag. het projectbesluit. Het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap. Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied. Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking van het omgevingsplan. Het projectbesluit kan ook gelden als een omgevingsvergunning.
•
•
•
Doorwerking projectgebied In dit geval is ervoor gekozen de realisatie van de kinderdagopvang mogelijk te maken middels een TAM-omgevingsplan. De mogelijkheden voor het bestaande agrarische bedrijf blijven hierbij ongewijzigd. Dit TAM-omgevingsplan zal in het omgevingsplan van de gemeente worden geïntegreerd. 6.1.2
Omgevingsbesluit Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage. Concreet bevat het Omgevingsbesluit bepalingen over de volgende onderwerpen: • • • • • •
Bevoegdheden, handhaving en beheer Procedurele regels Projectprocedure Milieueffectrapportage Financiële bepalingen Digitale voorzieningen
Doorwerking projectgebied In dit geval gaat het om het toepassen van een wijziging van het omgevingsplan door middel van TAM-omgevingsplan. Hierdoor is de uitgebreide procedure van toepassing.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
19
6.1.3
Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn: •
•
•
•
•
•
Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsen; De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden.
We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Doorwerking projectgebied In deze ruimtelijke motivering zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het geding zijn. Wel draag de ontwikkeling bij aan het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied. De verbreding vindt plaats bij een bestaande natuur inclusieve veehouderij. Deze wordt met de verbreding economisch bestendiger en kan op deze wijze ook eenvoudiger natuur inclusief blijven werken. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 6.1.4
Instructieregels (AMvB’s) Navolgend wordt het project getoetst aan de instructieregels vastgelegd in de navolgende besluiten.
6.1.4.1
Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
20
nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Bkl is opgebouwd uit de volgende onderwerpen: • • • •
In de instructieregels staan onder andere de normen en regels die gelden voor omgevingsplannen, omgevingsverordeningen en waterschapsverordeningen. In de omgevingswaarden van het Rijk staan in het Bkl, zoals luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. Het Bkl bevat de regels voor het toetsen en verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning. En regels over monitoring en gegevensverzameling. Deze regels hebben betrekking op de onderdelen waterkwaliteit, externe veiligheid, luchtkwaliteit en het behoud van cultureel erfgoed.
Doorwerking projectgebied Het plan behelst het realiseren van een kinderdagopvang van een bestaand agrarisch bedrijf. De locatie is vanuit de mogelijke impact op de omgeving de meest geschikte locatie: er is voldoende ruimte, de ontsluiting is voldoende en het doel is om een agrarische kinderdagopvang te realiseren, wat uiteraard alleen mogelijk is bij een agrarisch bedrijf. 6.1.4.2
Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. De regels gelden voor bijvoorbeeld milieubelastende activiteiten, activiteiten in een beperkingengebied of activiteiten met gevolgen voor de natuur. Het Bal bevat algemene regels, meldingsplichten, vergunningplichten, maatwerkmogelijkheden en specifieke zorgplichten, om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen en cultureel erfgoed te beschermen. Wanneer het noodzakelijk is dat het bevoegd gezag een activiteit voorafgaand beoordeelt, voorschriften daarvoor opstelt en expliciet instemt met de uitvoering daarvan, is een omgevingsvergunning vereist. Doorgaans gaat het om complexere activiteiten met potentieel grote gevolgen. Doorwerking projectgebied Met de ontwikkeling wordt er een kinderdagopvang opgericht, bij een bestaand agrarisch bedrijf dat ongewijzigd aanwezig blijft. Indien noodzakelijk vanuit het BAL zal voor de kinderdagopvang de bestaande melding/vergunning worden aangepast bij het bevoegd gezag.
6.1.4.3
Besluit bouwwerken leefomgeving In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan rijksregels voor burgers en bedrijven. Het zijn allemaal regels die met bouwwerken te maken hebben. Ofwel het bouwen, in stand houden, gebruiken of slopen van bouwwerken. De regels gaan over onderwerpen als veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid. Het Bbl bevat: • • • • •
algemene regels; meldingsplichten; vergunningplichten; maatwerkmogelijkheden; specifieke zorgplichten.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
21
Doorwerking projectgebied In de beoogde situatie wordt een gebouw gerealiseerd voor de kinderdagopvang. De bestaande tijdelijke kinderdagopvang wordt van het perceel verwijderd. Voor het verwijderen zal een sloopmelding gedaan moeten worden, waarbij het mogelijk is dat het bouwwerken elders geplaatst wordt. Ook zal voor de bouw van het gebouw voor de kinderdagopvang een melding gedaan voor de (technische) bouwactiviteit waarbij getoetst wordt aan het Bbl. Voor het aanwezige agrarische bedrijf wordt er met het plan geen wijzigingen mogelijk gemaakt. 6.1.4
Conclusie Op het projectgebied als zodanig wordt in het Rijksbeleid niet specifiek ingegaan. Het rijksbeleid heeft geen specifieke gevolgen voor het projectgebied en biedt mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen. Geen van de nationale belangen wordt met onderhavig project aangetast of beïnvloed. Het initiatief als zodanig past binnen de uitgangspunten van het ruimtelijke beleid van de nationale overheid, de NOVI.
6.2
PROVINCIAAL BELEID EN PROVINCIALE REGELS
6.2.1
Omgevingsvisie Noord - Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie NoordBrabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: • •
Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet er in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?
De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
22
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.
Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgave geformuleerd: • • • •
Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.
Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Doorwerking projectgebied Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie een nevenactiviteit, in de vorm van een kinderdagopvang, bij een bestaand agrarisch bedrijf. De mogelijkheden voor het agrarische bedrijf blijven hierbij ongewijzigd. De Omgevingsvisie Noord-Brabant geeft hier geen concrete beleidslijnen voor. Gezien de grote behoefte aan kinderdagopvang, wordt de ontwikkeling derhalve passend geacht binnen het generiek beleid van de Omgevingsvisie Noord-Brabant. 6.2.2
Omgevingsverordening Noord Brabant Provinciaal gezien is het relevant dat de ontwikkeling passend is binnen de TAMomgevingsverordening Noord-Brabant.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
23
De TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant stelt in de basis dat er moet worden gelet op een veilige gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Hierbij wordt gelet op drie punten; een zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Centraal wordt gehouden dat een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag moet plaatsvinden en dat er geen splitsing is van bestaande bouwpercelen. Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik Ten eerste moet gekeken worden naar artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik. Vanuit dit artikel gelden de onderstaande regels: a. b. c.
d.
een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag; de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling; bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
Ten aanzien van de regels kan het volgende worden gesteld: Ad a en b. De ontwikkeling betreft een kinderdagopvang. De bestaande opstallen op de locatie zijn, mede gezien de eisen aan welke gesteld worden aan een kinderdagopvang, niet te realiseren binnen bestaand ruimtebeslag. Daarnaast blijft de huidige functie op het perceel (zijnde een natuur inclusieve melkveehouderij met akkerbouwtak) aanwezig. Er is geen ruimte of mogelijkheid om binnen het bestaand ruimtebeslag om de functie te realiseren. Daarbij moet worden opgemerkt dat wel binnen de grootte van het huidige bouwvlak wordt gebleven, uitsluitend de vorm van het bouwvlak veranderd. Ad c. het onderdeel stedelijke ontwikkeling is behandeld in paragraaf 7.2 voor de toetsing van dit aspect wordt naar deze paragraaf verwezen. Er is geen belemmering voor de voortgang van het project. Ad d. de inrichting van de functies is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is weinig loze ruimte. Het groen dat geplant gaat worden voor de landschappelijke inpassing dient ook voor de verbetering van de omgevingskwaliteit. Verder is het bij de kinderdagopvang gewenst om een voldoende grote en passend ingerichte buitenruimte te hebben. Deze buitenruimte moet binnen het bouwperceel gelegen zin. Er is geen sprake van de splitsing van een bouwperceel.
Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering Artikel 5.9 wordt door de provincie gesproken over de lagenbenadering. De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in de wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. Hierbij wordt gekeken naar 3 lagen: a.
De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
24
b.
c.
De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Ad a. Ten aanzien van de ondergrond kan gesteld worden dat de locatie niet is gelegen binnen specifiek provinciaal beschermde gebieden. De locatie is gelegen binnen een dekzandgebied, waarbij de bodem bestaat uit veldpodzolgronden. Er zijn op de locatie geen archeologische waarden. Er zijn ook geen belemmeringen in de vorm van kwel of de beperkingen voor de mogelijkheid om hemelwater te infiltreren in de bodem. Ad b. De locatie is in het verleden, in het kader van de huidige bedrijfsvoering, aangesloten op alle noodzakelijke infrastructuur (riolering, energie, enz.). Verder is de locatie niet gelegen in of grenzend aan het natuurnetwerk. Er is ook geen invloed op waterwegen. De locatie is goed bereikbaar per auto en fiets. Gezien de doelgroep, kinderdagopvang, is bereikbaarheid met het openbaar vervoer minder van belang. De meeste kinderen worden door hun ouders, met de auto of fiets, naar de locatie gebracht. Ad c. Op de locatie zijn geen specifieke landschappelijke of cultuurhistorische waarden aanwezig. De gronden worden nu gebruik voor de weidegang van het melkvee of de teelt van gewassen. Daarnaast wordt er landschappelijke inpassing aangebracht. Het toestaan van de nieuwe functie is passend in het gebied. Concluderend kan gesteld worden dat, omdat er gebruik wordt gemaakt van een bestaande bedrijfslocatie, de impact op de omgeving beperkt is.
Artikel 5.10 Meerwaardecreatie In artikel 5.10 van de verordening wordt gevraagd om bij ontwikkeling te kijken naar meerwaardecreatie. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologisch en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. b.
De mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en De bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Ad a. Met de ontwikkeling worden ten minste twee opgaves gecombineerd. Er is een grote behoefte aan extra kinderdagopvangplaatsen. Daarnaast heeft het bedrijf de behoefte om haar bedrijfsvoering te verbreden met activiteiten buiten de agrarische sector. Door de verbreding wordt het bedrijf een onderneming die economisch duurzaam wordt.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
25
Ad b. Met de ontwikkeling wordt een breder maatschappelijk probleem, te weten het oplossen van het tekort aan kinderdagopvang plaatsen opgelost. Dit tekort aan plaatsen is ook voor de gemeente de reden om mee te werken aan het initiatief. Verder wordt, om de ontwikkeling mogelijk te maken, een bouwvlak van een veehouderij vergroot. Hierbij moet getoetst worden aan artikel 5.63 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 5.63 Veehouderij in Landelijk gebied Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan op een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een veehouderij, als: a. is geborgd dat de veehouderij voldoende maatregelen treft en in stand houdt die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; b. de omvang van het bouwperceel ten hoogste 1,5 ha bedraagt; c. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; d. dieren alleen op de grond worden gehouden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; e. mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; f.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder of achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -als blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, en die ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; en g. de landschappelijke inpassing ten minste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat. Er kan het volgende gesteld worden over de voorwaarden: Ad a. De ontwikkeling ziet niet op een uitbreiding van de veehouderij te plaatsen. De ontwikkeling is uitsluitend bedoeld voor de verbreding van de bedrijfsvoering door een kinderdagopvang te gaan voeren. Verder is ter plaatse sprake van een natuur inclusieve veehouderij. Een dergelijke bedrijfsvoering is aan strenge eisen onderhevig. Hiermee is in voldoende mate verzekerd dat sprake is en blijft van een zorgvuldige veehouderij. Ad b. De omvang van het bouwperceel is in de huidige situatie is reeds groter dan de omvang van 1,5 hectare, met een omvang van circa 1,78 hectare. Met het plan vindt een vormverandering van het bouwvlak plaats, waarmee de omvang van het bouwperceel gelijk blijft aan het huidige bouwperceel van 1,78. Ad c.
De aanpassing van het bouwperceel ziet alleen toe op het toevoegen van de kinderdagopvang. Er zijn geen ontwikkelingen aan de veehouderij en de mogelijkheden voor de veehouderij blijven gelijk aan de huidige situatie. Of het toevoegen van de kinderdagopvang passend is in de omgeving wordt getoetst in hoofdstuk 7. Ad d. De dieren binnen het plangebied worden uitsluiten op de grond gehouden.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
26
Ad e. Als binnen het plangebied sprake is van mestbewerking, is dit uitsluitend ter plaatse geproduceerde mest. Ad f. De veehouderij ter plaatse betreft een melkveehouderij. Deze heeft geen invloed op de achtergrondbelasting geur. Ad g. Met dit plan wordt landschappelijk inpassing toegevoegd. De bestaande landschappelijke inpassing blijft aanwezig. Daarmee wordt voldaan aan de eis van tenminste 10% landschappelijk inpassing. Voor het toe te voegen groen wordt verwezen naar het als bijlage opgenomen landschappelijk inpassingsplan. Omdat er met de nevenactiviteit, zijnde de kinderdagopvang, sprake is van een nietagrarische activiteit met getoetst worden aan de regels zoals opgenomen in artikel 5.78. Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en c. dit geen betrekking heeft op: d. een kantoor met baliefunctie; e. het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en f. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan en tot welke omvang; b.
dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12; c. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten; d. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en e. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. Lid 3 Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
27
Lid 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving. Ten aanzien van deze regels kan het volgende gesteld worden: Ad 1a, Zoals de gemeente in haar reactie op het principeverzoek reeds heeft aangegeven past de ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting voor het gebied. Voor het thema vitale en duurzame landbouw en economie heeft de gemeente in haar beleid opgenomen dat zij ruimte biedt voor nieuwe verdienmodellen voor een vitale landbouwsector. Verbreding en vernieuwing wordt gefaciliteerd vanuit het ja, mits principe. De ruimte voor verbreding moet aansluiting bij aan maatschappelijke doelen. Daarnaast onderstreept de gemeente het belang van landbouweducatie voor onder andere inwoners van de gemeente om het begrip voor de landbouw-sector en de kennis over de hoge kwaliteit van het voedsel te vergroten. Verder worden verdienmodellen rondom het versterken van de biodiversiteit en land-schapselementen gestimuleerd door de gemeente. Ook wordt natuurinclusief boe-ren gestimuleerd. De ontwikkeling is gelegen in het Beekdallandschap.
Het voorgenomen plan sluit aan bij de thema’s van de omgevingsvisie. De gemeente geeft ruimte voor agrarische ondernemers om hun bedrijfsvoering te verbreden., mits dit bijdraagt aan de maartschappelijke opgaven. De verbedring draagt bij aan een de maatschappelijke opgave om voldoende kinderdagopvang te hebben in de gemeente. Voldoende kinder-dagopvang draagt het plan bij aan de leefbaarheid van de kernen, ouders kunnen hun kinderen in de omgeving naar de kinderdagopvang brengen. Daarbij is een kin-derdagopvang bij uitstek geschikt om kinderen op een jonge leeftijd in contact te brengen met de landbouwsector en hen kennis en begrip voor deze sector mee te geven. Ook de ouders komen zo meer in contact met de landbouwsector waardoor het begrip toe kan nemen. Dit sluit aan bij de wens van de gemeente om meer land-bouweducatie te hebben in de gemeente. Ook past het bij het thema vitale en duurzame landbouw. Bovendien is de huidige agrarische bedrijfsvoering natuurinclusief. Een onder aspect dat de gemeente wil stimuleren. De verbreding maakt het bedrijf naar de toekomst toe economisch sterker, wat de stap naar natuurinclusief boeren mogelijk maakt. In het verlengde daarvan is er binnen natuurinclusief boeren ruimte voor biodiversiteit in de bedrijfsvoering. Ad 1b. In dit geval is sprake van een nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf.
Buiten de reeds aanwezige, op dit moment tijdelijke, kinderdagopvang, is er geen bebouwing op de locatie die overtollig is. Alleen de huidige kinderdagopvang wordt gesloopt. Ad 1c. Het plan ziet niet op een ontwikkeling in een kantoor met baliefunctie, een nieuwe lawaaisport, of een toename van bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking. Ad 2a. In de regels van dit plan is vastgelegd dat op de locatie uitsluiting een kinderdagopvang voor ten hoogste 64 kinderen wordt toegestaan. De vormverandering van het bouwvlak is hierop afgesteld (inclusief buitenruimte).
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
28
Ad 2b. Zoals aangegeven door de gemeente geeft zij, mede in het beekdalgebied, ruimte aan agrarische bedrijven om zich te verbreden. Daarnaast is er een groot tekort aan kinderdagopvang plaatsen in de gemeente. Gezien de ontwikkeling in de maatschappelijk is het de verwachting de behoefte aan kinderdagopvangplaatsen de komende periode ook naar de toekomst toe groot blijft. Ad 2c. Met het toevoegen van de kinderdagopvang is geen sprake van een publieksaantrekkende functie. Ad 2d. Bij de nieuwe functie, de kinderdagopvang, is geen sprake van opslag van voorwerpen of materialen buiten. Ad 2e. Mocht de kinderdagopvang niet langer passend zijn op de locatie wordt gezocht naar een andere passende locatie. Ad 3a. Het betreft geen bedrijfsmatige activiteit. Het betreft het vestigen van een kinderdagopvang op de locatie. Deze voorwaarde is niet van toepassing. Ad 3b. Er is geen sprake van een detailhandelsvoorziening. Deze regeling is niet van toepassing. AD 3c. Het betreft een voorziening ten dienste van zorg. Echter, de omvang van de bebouwing blijft ruimschoots onder de oppervlakte van bebouwing van 1 hectare. Lid 4. Er is geen sprake van een bestaande nevenfunctie die uitbreidt. Tot slot dient bij een ontwikkeling in het landelijk gebied getoetst te worden aan artikel 5.11, kwaliteitsverbetering.
Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door: a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stadland; c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Liniedijk 1-1a, Heeswijk-Dinther
29
g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken. Ten aanzien van het voorgaande kan het volgende gesteld worden. Ad 1. In 2010 is de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Verordening ruimte (destijds art. 2.2, nu artikel 3.2) in werking getreden. In het RRO van januari 2013 is het afsprakenkader over de toepassing en uitwerking van deze regeling vastgesteld. De notitie toepassingsbereik vormt het basisdocument voor het afsprakenkader van de provincie met de gemeenten in de regio Noordoost. Deze notitie bevat de categorie-indeling voor de niet-planmatige ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied en de bijbehorende tegenprestatie. Voor planmatige ontwikkelingen in het buitengebied is art. 3.2. altijd van toepassing. Deze notitie geeft de minimale inspanning aan die we regionaal hebben afgesproken. Gemeenten hebben alle vrijheid om meer kwaliteitsverbetering te verlangen als ze dat nodig vinden op basis van beleids- of gebiedsambities. Het afsprakenkader is nadrukkelijk geen ruimtelijk afwegingskader. Gemeenten moeten zelf beoordelen of een ontwikkeling ruimtelijk gewenst is.