Motivering - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v, Loosbroeksestraat 4 Heesch
Tekst van het document
27
b. De woning wordt op een passende locatie binnen een bebouwingsconcentratie gerealiseerd en maakt het buurtje van het begin van Loosbroeksestraat af. Waardoor het een afronding van de bebouwingsconcentratie betreft. c. Het realiseren van ruimte voor ruimte woningen past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, namelijk de ‘Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze’. Tevens zijn er in het verleden al meerdere ruimte voor ruimte woningen zijn gerealiseerd.
5.3
Regionaal beleid
Bij de motivering dient aandacht te worden gevestigd op het beleid van de regio op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. Het verzoek staat in lijn met het gemeentelijk en provinciaal beleid, dat is vastgelegd in documenten zoals de Omgevingsvisie 2040 en de Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties Bernheze 2021 en de Omgevingsverordening Brabant. Door deze visie en beleidsstukken te volgen, vervult de gemeente haar rol om enkel plannen toe te staan die bijdragen aan de (maatschappelijke) doelstellingen van de Omgevingswet.
5.4
Waterschapsbeleid
De waterschapsverordening van het waterschap bevat samen met het omgevingsplan van de gemeente de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. De waterschapsverordening en het omgevingsplan moeten dus goed op elkaar aansluiten. De regels moeten elkaar aanvullen. Wetgeving en beleid De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De omgevingswet stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt de waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Het beleid van de gemeente Bernheze is vastgelegd in de Verordening Leefomgeving Bernheze 2021 en sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. De gemeente zelf heeft een Gemeentelijk Rioleringsplan en het Gemeentelijk Waterplan opgesteld. In het Gemeentelijk Rioleringsplan zijn doelstellingen en maatregelen in de waterketen opgenomen, waartoe de gemeente wettelijk verplicht is.
In het waterplan worden extra, niet wettelijk verplichte maatregelen opgenomen, die nodig zijn om de gewenste inrichting en functioneren van water te kunnen bereiken. De hoofddoelstelling van het waterplan is “Het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord’. Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Waterbeheerplan Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar.
Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.
28
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: • schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; • de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen; • de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; • de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. ‘ Waterschap Aa en Maas is verantwoordelijk voor het waterbeheer in haar beheersgebied. Het gaat om het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringszorg, waterzuivering, grondwaterbeheer en waterbodembeheer. De regels zijn vastgelegd in de Keur (met Algemene- en Beleidsregels) in de vorm van een aantal gebods- en verbodsbepalingen.
Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Sinds 1 maart 2015 hanteert waterschap Aa en Maas onderstaande (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn opgenomen in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm. De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn: Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater; Voorkomen van vervuiling van water; Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt: 1. Hergebruik 2. Infiltratie/bergen 3.
Afvoer Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang, zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruik functies. Dit betekent dat: 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie; 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; 4. De (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied; 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
5.5
Gemeentelijk beleid
Bij de motivering dient aandacht te worden gevestigd op het beleid van de gemeente op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. 5.5.1
Omgevingsvisie Bernheze 2040
De omgevingsvisie Bernheze2040, vastgesteld in maart 2024, beschrijft de belangrijkste punten van
29
het gewenste beleid voor een langere periode. Met deze omgevingsvisie wil de gemeente de kwaliteit van de leefomgeving behouden en versterken. Daarvoor worden de volgende aanknopingspunten gehanteerd om slim met de ruimte om te gaan; de kenmerken en identiteit van het gebied centraal stellen, meervoudig ruimtegebruik, waar het kan en voorkomen van afwenteling. De kern van de omgevingsvisie bestaat uit de uitwerking in vijf strategische thema’s. In deze uitwerking worden de opgaven vertaald naar ambities en doelen. De vijf thema’s zijn: - Gezonde leefomgeving. Een gezonde leefomgeving bevordert de fysieke, sociale en mentale gezondheid van inwoners en nodigt uit tot activiteit voor jong en oud; - Leefbare kernen. Passende woningen, duurzame mobiliteit, veiligheid, voldoende voorzieningen en een levendige gemeenschap; - Klimaatbestendig en (herstel) biodiversiteit. Schoner water, herstel biodiversiteit, minder wateroverlast, droogte en hittestress; - Vitale en duurzame landbouw & economie. Gezondheid als randvoorwaarde, meer kringlooplandbouw, schone energie en circulaire economie; - Kwaliteit landschap & erfgoed. Versterken cultuurhistorie, beschermen en behouden landschappelijke waarden, kwaliteit openbare ruimte. Bernheze heeft een gevarieerd landschap en inspirerend erfgoed. Er zijn in hoofdlijnen drie landschappen.
Elk landschapstype kent zijn eigen karakter en bijzondere kwaliteiten. De projectlocatie is gelegen in het gebied ‘Dekzandgronden’. De landbouw is een belangrijke economische en maatschappelijke drager in Bernheze. Daarbij zien we dat het huidige intensieve landbouwsysteem op onderdelen toe is aan een transitie. We hebben, naast de voordelen, oog voor de nadelige gevolgen van de intensieve landbouw en hebben daarnaast ook te maken met veranderde omstandigheden door klimaatverandering. Het is een actuele maatschappelijke wens dat er ook een landbouw, die op een andere wijze met oog voor de omgeving en het welzijn van mens en dier, ontstaat. Met de omgevingsvisie bieden we nieuwe en aangepaste beleidsinstrumenten om grootschalige leegstand tegen te gaan en om ontwikkelende, veranderde en stoppende ondernemers perspectief te bieden. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herbestemming van een voormalige agrarische locatie. De herontwikkeling ziet naast het gebruik van één van de voormalige schuren ten behoeve van statische opslag ook toe op sloop van bebouwing en de ontwikkeling van twee bouwkavels voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning. De beoogde ontwikkeling is een voorbeeld van de transitie van agrarische bedrijvigheid in een gebied met overwegend woningen en draagt bij aan de gezondheid, biodiversiteit, luchtkwaliteit en een gezonde bodem en water.
Alle thema’s voor een gezonde leefomgeving, vitale en duurzame landbouw en economie en leefbare kernen. Het hemelwater wordt opgevangen en geborgen op locatie. Ook wordt het plangebied landschappelijke ingepast waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden van het gebied. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteit van het landschap en een klimaatbestendige toekomst. Onderhavige ontwikkeling is passend in het gestelde beleid in de omgevingsvisie Bernheze 2040. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities uit de omgevingsvisie en daarom kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling passend is binnen het beleid van de gemeente en daarmee een wenselijk initiatief is. 5.5.2
Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering
De uitgangspunten vanuit de provinciale verordening ten aanzien van de kwaliteitsverbetering zijn onder andere door de gemeente Bernheze doorvertaald in een raadsbesluit Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering (d.d. 14 maart 2013) en zijn van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking wordt verleend. Niet alle ontwikkelingen hebben een even grote negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien is een onderscheid te maken tussen ontwikkelingen die echt thuishoren in het buitengebied en ontwikkelingen die dat minder
30
doen, zoals wonen of niet-agrarische bedrijfsfuncties. De impact wordt onder meer bepaald door: •
de omvang van de ontwikkeling (of daarvoor een vergroting van het bestemmingsvlak of bouwvlak nodig is); • in hoeverre er sprake van nieuw ruimtebeslag of het gebruik maken van bestaande bebouwing; • de aard van de locatie en de omgeving; • de aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving,(verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); • een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; • de 'gewenstheid' van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens. Er zijn drie verschillende categorieën die de basis vormen voor de nadere uitwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap (conform artikel 5.11 OV). •
Categorie 1: voor ontwikkelingen die geen of een verwaarloosbare impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik geldt geen landschappelijke tegenprestatie. • huidige gebruik op de omgeving is een landschappelijke inpassing vereist. • Categorie 3: grote impact, landschappelijke inpassing 'plus', passend bij een goede ruimtelijke ordening en in verhouding staand tot de waardeontwikkeling. Voorliggend plan valt voor het toevoegen van woningen onder categorie 1 en het omzetten naar bedrijfsfunctie valt onder categorie 3. Omdat het geen planmatige stedelijke ontwikkeling betreft wordt de bijdrage landschappelijke kwaliteitsverbetering bepaald op grond van de berekende 'bestemmingswinst'. In paragraaf 5.2.2 is onderbouwd op welke wijze deze investering bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het landschap in het buitengebied. Tevens is het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd als bijlage van de planregels, waarmee het plan landschappelijk wordt ingepast en daarnaast de berekende kwaliteitsverbetering aantoonbaar wordt gerealiseerd. Met een voorwaardelijke verplichting in de planregels van dit omgevingsplan en de borging in de anterieure overeenkomst zijn de aanleg- en instandhouding van de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering (en de bijdrage in het groenfonds van de gemeente) geborgd.
5.5.3 Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze De gemeente heeft in het najaar van 2021 een nieuwe visie op bebouwingsconcentraties binnen de gemeente Bernheze opgesteld. De druk op het buitengebied neemt overal toe maar de meeste druk vindt plaats in de bebouwingsconcentraties in het buitengebied en direct rondom de kernen. Met name Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen zijn hier in het verleden al veelvuldig toegestaan en de aanvragen hiervoor komen nog steeds binnen. Hierdoor dreigt het gebied rondom de kernen en in de bebouwingsclusters en -linten steeds verder te verdichten. Dit gaat ten koste van de kwaliteit van de bebouwingsconcentraties. De eerdere visies voor de kernrandzones dateren uit 2007 en vertonen steeds meer tekortkomingen als actueel toetsingskader voor dergelijke verzoeken. Het geeft geen goed beeld meer van de huidige situatie en de ruimtelijke uitgangspunten zijn op veel punten te algemeen. Bovendien ontbreekt een visie van de bebouwingsclusters en -linten in het buitengebied. In combinatie met een steeds kritischere houding van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot ontwikkelingen in het buitengebied, leidt dit tot de noodzaak voor een geactualiseerde visie op dit deel van het buitengebied.
Een eenduidige visie voor alle bebouwingsconcentraties moet voor zowel de gemeente als burgers duidelijk maken wat het wensbeeld is waarop gestuurd kan worden. Onderhavig plan is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Munnekens-Vinkel’, ten zuidwesten van Heesch. Dit is een bijzonder buurtschap waarbij de grenzen lastig te trekken zijn. Via lintbebouwing langs de Vinkelsestraat kom je vanuit Heesch in Munnekens-Vinkel. Aan de noordzijde wordt de dichtheid van de bebouwing verhoogd nabij de buurtschap. Hierdoor is aan deze kant de grens goed te trekken. Ruimtelijk en functioneel gezien horen de Loosbroeksestraat en de Vosbergstraat (beide tot en met de eerste bocht) ook bij het buurtschap. Het gebied rondom de Loosbroeksestraat en Vosbergstraat bestaat uit korte linten met centraal gelegen een klein open veld. Ten zuiden van de Loosbroeksestraat loopt de Grote Wetering, een gegraven waterloop met een belangrijke waterhuishoudkundige functie voor dit deel van het buitengebied. De verschillende functies in dit lint zorgen er ook
31
voor dat het af en toe knelt. De toevoeging van grootschalige (agrarische) bedrijfsbebouwing op veel plekken is het zicht op het landschap vanaf het lint ontnomen. De variatie aan functies vraagt om een zorgvuldige afstemming en derhalve ook om het maken van keuzes. De karakteristiek en het beeld van de lintbebouwing dient behouden te blijven. Open ruimten zijn waardevol en behoudenswaardig. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoende ruimte bieden zodat de relatie met het agrarische landschap en de Grote Wetering beleefbaar blijft. Onderhavige ontwikkeling past binnen de kaders die gesteld worden in de visie. Het erf wordt ten opzichte van de huidige situatie ingeperkt en één woning wordt op het bestaande erf geplaatst. Hierdoor blijft het starre landschapsvenster gehandhaafd. Het flexibele landschapsvenster wordt iets verkleind, echter er blijft een open ruimte naast de woning van de buren behouden. Onder voorwaarden wil de gemeente meewerken om dit flexibele landschapsvenster te verkleinen, zodat een open ruimte/doorkijk van circa 25 meter behouden blijft. Verder is de gemeente van mening dat hiermee het buurtje in de Loosbroeksestraat wordt afgerond. Verdere bebouwing is niet wenselijk. Aangezien alle overige open gronden in het bezit zijn van de initiatiefnemers kan hiermee worden vastgelegd dat verdere bebouwing/woningen niet gerealiseerd kunnen worden.
Fragment ‘Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties Bernheze’ – Munnekens-Vinkel
5.5.4 Beeldkwaliteitsplan ‘nieuwe woningen buitengebied’ De gemeente Bernheze heeft een beeldkwaliteitsplan voor nieuwe woningen in het buitengebied opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan dient ter inspiratie voor woongebouwen in het buitengebied. Dit beeldkwaliteitsplan laat zien hoe nieuwe woningen in het buitengebied van de gemeente Bernheze gebouwd worden. In het bestemmingsplan geeft de gemeente aan waar gebouwd mag worden en hoe hoog. In het beeldkwaliteitsplan wordt de vormgeving omschreven. Het belangrijkste uitgangspunt voor nieuwbouw in het buitengebied is dat de agrarische en landelijke sfeer behouden blijft. De inpassing van nieuwe woningen is binnen de kwaliteiten van het landschap mogelijk en levert, indien zorgvuldig toegepast, een kwaliteitswinst op. Onderhavig plan ligt in het buitengebied van Bernheze, een fraai en groen buitengebied wat potentieel biedt aan verschillende functies. Het buitengebied bezit onder meer grote woonkwaliteit. Planologisch zijn woningen in het buitengebied niet gewenst maar voor de Ruimte voor Ruimte woningen wordt een uitzondering gemaakt. Deze nieuwe woningen worden aan de randen van dorpen of in bebouwingsclusters gebouwd. Om het landschap een evenwichtige opbouw te laten behouden worden
32
regels gesteld aan de nieuwe woningen. Het streven is om de Ruimte voor Ruimte woning landschappelijk en architectonisch in te passen. Het gebied is open en gesloten, rood en groen, veehouderij en (akkerbouw)bedrijf, woning en boerderij volgen elkaar als een lappendeken op. De verschillende functies zijn vaak in één beeld te vangen. Er zijn ook verschillen in landschapstype te vinden. De dynamiek die dit oplevert is het kenmerk van het buitengebied in Bernheze. De verschillende ruimtelijke eenheden en functies zijn opgehangen aan het wegenpatroon. Dit wegenpatroon loopt soms slingerend met vele vertakkingen door het landschap. De inpassingen van bebouwing is binnen de kwaliteiten van het landschap mogelijk. Er dienen hier wel enkele ontwerpuitgangspunten gehanteerd te worden. Woningen bestaan uit een lage goot met grote kap. De perceelsgrenzen moeten groen zijn. Ondanks de verschillende landschapstypen zijn woningen altijd groen ingepakt. Dit levert de groene bebouwingsclusters en kernranden op. De bebouwingen spelen zo een rol in het groen afbakenen van de groene kamers. Verder hebben de woningen een landelijke uitstraling met vaak een agrarische achtergrond. Woningen worden gebouwd met natuurlijke materialen als baksteen, hout, pannen en riet.
Omdat de Ruimte voor Ruimte woningen op grote percelen staan en een grote inhoudsmaat hebben en in een groene omgeving staan zijn er twee woningtypes mogelijk; dit zijn boerderijen en landhuizen. De inpassing van de beoogde Ruimte voor Ruimte woning is binnen de kwaliteiten van het landschap mogelijk. Voor de beoogde Ruimte voor Ruimte woningen is nog geen ontwerp voorhanden. De algemene en gebiedsgerichte ontwerprichtlijnen bieden voldoende kaders om te komen tot een passend bouwplan. Hieraan wordt getoetst bij de aanvraag om omgevingsvergunning. 5.5.5 Omgevingsplan gemeente Bernheze Binnen het Omgevingsplan gemeente Bernheze (voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’) kan worden afgeweken van de bouwregels voor het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten onder enkele voorwaarden; a. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieu hygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is, hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast en er geen sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand. Binnen onderhavige ontwikkeling wordt de huidige bedrijfswoning opnieuw opgericht voor de bedrijfsbebouwing. Waardoor de bedrijfswoning behouden blijft voor de bedrijfsfunctie en de posities van alle nieuwe woningen passend komen te liggen in de bebouwingsconcentratie.
De stedenbouwkundige heeft in zijn beoordeling aangegeven dat het passend is om drie woningen in te passen binnen dit plan, gezien het feit dat één woning op het bestaande erf (voor de bedrijfs-bebouwing) wordt gepositioneerd. Waarbij de doorkijken intact blijven conform de gebiedsvisie, genoemd in paragraaf 5.5.3. Kortom het oprichten van de vervangende nieuwbouw is vanuit stedenbouwkundig oogpunt gewenst. In hoofdstuk 6 zijn de aspecten vanuit de fysieke leefomgeving getoetst, waarmee geconcludeerd kan worden dat de nieuwe locatie vanuit milieu hygiënisch oogpunt toelaatbaar is. Verder wordt de verkeersveiligheid niet aangetast en is er geen sprake van een cultuurhistorisch waardevol pand. Geconcludeerd kan worden dat het oprichten van vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten gewenst/toelaatbaar is, aangezien aan alle voorwaarden wordt voldaan uit artikel 3.4.1 lid g van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’. Voor de overige activiteiten zijn geen binnenplanse bevoegdheden opgenomen om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Vandaar dat is gekozen om de ontwikkeling mogelijk te maken door het Omgevingsplan te wijzigen. 5.5.6 Beleidsnotitie Buitenkansen Gemeente Bernheze heeft een waardevol en groot buitengebied. Een buitengebied dat voor grote uitdagingen staat.
De gemeente wil richting geven aan de transitie van de landbouw en het buitengebied. Door middel van een programmatische aanpak innoveert de gemeente met projecten, worden netwerken verbonden en wordt kennis beschikbaar gesteld voor agrarische ondernemers. Dit tot doel
33
om te komen tot een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. Het is een overtuiging van de gemeente Bernheze dat de agrarische sector een positieve bijdrage kan leveren aan de ambities die zijn geformuleerd in de Omgevingsvisie. De Omgevingswet geeft meer ruimte om op gemeentelijk niveau ‘eigen’ afwegingen te maken over welke ontwikkelingen acceptabel en verantwoord zijn. De gemeente wil op zoek gaan naar een goede invulling van een locatie waarbij een kwaliteitsverbetering wordt behaald. Deze benadering staat centraal in het kansenbeleid voor het buitengebied. De notitie is een inspiratiebron, maar geeft ook de bandbreedte aan van de mogelijkheden en onmogelijkheden. Vanuit het kansenbeleid van de gemeente Bernheze valt onderhavige planlocatie binnen ‘Het agrarische hart’. Daarbij moet aangegeven worden dat het aan de rand hiervan ligt, de planlocatie kan meer gekenmerkt worden als kernrandzone. Dit aangezien het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Munnnekens-Vinkel’, op basis van de Gebiedsvisie Bebouwingsconcentraties Bernheze uit 2021, waarbij de variatie aan functies vraag om een zorgvuldige afstemming. Binnen deze bebouwingsconcentratie is het omzetten van een intensieve veehouderij naar een kleinschaligere bedrijfsvorm passend, door het slopen van overtollige bebouwing, verkleinen van het bouwvlak en inleveren van milieurechten.
Hierdoor wordt de open ruimten groter, de blijvende bebouwing landschappelijk ingepast en wordt het agrarische landschap en de Grote Wetering beleefbaar. Vanuit het kansenbeleid van de gemeente Bernheze is binnen dit gebied 1.000m2 bedrijfsbebouwing (statische opslag/hoveniers) een passende ontwikkeling. Deze ontwikkeling is als groen aangevinkt en sluit ook aan bij bestaande mogelijkheden in het omgevingsplan. In het kansenbeleid wordt de mogelijkheid gegeven de bedrijfsbebouwing (statische opslag/hoveniers) uit te breiden tot maximaal 1.500m2, mits hiervoor extra kwaliteitsverbetering tegenover staat. Dat kan in de vorm van saneren van extra verharding/ bebouwing, verkleinen van het bouwvlak, landschapselementen en/of andere opties vergelijkbaar met het kader van maat omgevingskwaliteit van de provincie. De reden hiervoor is dat dit in het kansenbeleid is aangevinkt als oranje, wat wil zeggen dat onder voorwaarden hieraan medewerking verleend kan worden. Buiten dat het hier gaat om het stapelen van een bedrijfsfunctie en een woonfunctie. Vandaar dat de gemeente vraagt om een extra kwaliteitsverbetering. De gevraagde fysieke tegenprestatie bestaat uit maatregelen die vergelijkbaar zijn gesteld in het kader van maatwerk omgevingskwaliteit van de provincie Noord-Brabant (paragraaf 7.1 van de beleidsregel Omgevingsrecht NB).
De berekening hiervan is hieronder in een overzicht weergegeven.
Geleverde fysieke tegenprestatie Asbesthoudende daken
1.836 m2
€2
€3.672
Asbest verspreid in gebouw
1 post
€ 340
€340
Zand t.b.v. mestputten
600 m2
€5
€3.000
Totaal geleverd
€7.012
Zoals in bovenstaand overzicht is af te lezen bedraagt de totale inzet €7.012 aan fysieke maatregelen voor het versterken van de omgevingskwaliteit. In overleg met de gemeente is bepaald dat hiermee voldoende kwaliteitsverbetering wordt geleverd om de verruimde mogelijkheden die het buitenkansenbeleid biedt toe te passen. Waardoor extra wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van de woningen en de omgeving.
34
Hoofdstuk 6 6.1
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING
Kwaliteit leefomgeving
Art. 2.25 en 2.26 van de Omgevingswet bepalen dat een omgevingsplan moet voldoen aan Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). 6.1.1
Veiligheid
6.1.1.1 Externe veiligheid In paragraaf 5.1.2. van het Bkl gaat het om instructieregels over externe veiligheid. In een omgevingsplan wordt voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van: • het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; • de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en • de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Het gaat o.a. om instructieregels over: • • • •
de beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en de beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties waarvoor de regels gelden de risicovolle activiteiten waarvoor de regels gelden het plaatsgebonden risico (tot waar gelden de afstanden; rekenregels) het groepsrisico (begrenzing van de aandachtsgebieden).
Planspecifiek Er is een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief/uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De nationale risicokaart is geraadpleegd, zie onderstaande afbeelding.
Fragment risicokaart (plangebied is blauw omcirkeld)
De planlocatie is niet gelegen binnen de risicocontouren en effectgebieden van inrichtingen, waarbinnen gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen en/of gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of die anderszins een veiligheidsrisico vormen voor de omgeving (o.a. windturbines). Ook is de planlocatie niet gelegen binnen aandachtsgebieden voor brand, explosie of gifwolk. Te treffen maatregelen en conclusie Het initiatief voldoet aan de instructieregels uit deze paragraaf. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 6.1.1.2 Niet-gesprongen Conventionele Explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden.
35
Planspecifiek Het plangebied (zie onderstaand fragment) is onverdacht van ontplofbare oorlogsresten uit WOII op basis van de ruimingskaart die is gebaseerd op meldingen van de Explosieve Opruimingsdienst Defensie. Dat wil zeggen dat de kans dat tijdens grondwerkzaamheden binnen het plangebied explosieven of munitie wordt gevonden zeer klein is. Het is niet nodig om hier onderzoek naar te doen. Echter kan het voorkomen dat bij toeval toch iets wordt gevonden wat er uit ziet als een explosief of munitie. In dat geval geldt het protocol toevalsvondsten: stop de werkzaamheden, iedereen verlaat lopend het werkterrein (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en bel de politie op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Teamleider Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat.
Fragment BeoBom Ruimingskaart (planlocatie is zwart omcirkeld) Conclusie Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse voor deze locatie noodzakelijk. 6.1.2
Beschermen van de waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl)
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.
36
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn 26 Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en) met een minimale capaciteit van 20 mm per m2 bouwwerk / verhard oppervlak.
Een watertoets is vereist bij toepassing van een wadi, infilratiekratten of groen dak. Planspecifiek Na het invullen van de digitale watertoets is naar voren gekomen dat voor onderhavig plan vrijstelling geldt voor de compensatieplicht vanuit het Waterschap Aa en Maas. De verhardingstoename blijft namelijk onder de maximale hoeveelheid van 500m2 (zie onderstaande tabel). Verder heeft het waterschap aangegeven dat de betreffende locatie niet is gesitueerd in een beschermd gebied Keur. De digitale watertoets is als bijlage toegevoegd. Conform het gemeentelijk beleid, vastgelegd in het ‘Programma Water en Riolering’, is het verboden om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 20mm (per m2 verhard oppervlak) te kunnen verwerken bij ontwikkelingen waarbij nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht (daken en terreinverharding) onder de 500m2. Toepassing van groen, bijvoorbeeld sedum, op platte daken wordt niet gerekend als verhard oppervlak. In de huidige situatie wordt zowel het hemelwater van de bedrijfswoning als van de bedrijfsbebouwing op eigen terrein geïnfiltreerd door middel van een reeds aangelegde infiltratiekoffer. Bestaande situatie Bedrijfswoning
Nieuwe situatie
Eenheid
Buiten beschouwing, is momenteel al afgekoppeld
Bedrijfsbebouwing
2.636
1.500
m2
Bedrijfsverharding
1.363
1.871
m2
Nieuwe woningen
-
400
m2
Verharding nieuwe woningen
-
228
m2
3.999
3.999
m2
TOTAAL Toename verharding
0
m2
De keuze voor de manier van opvang en/of infiltratie wordt bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning gemaakt. De infiltratievoorziening moet zodanig berekend worden dat deze ruim voldoende is om de regenbuien op te kunnen vangen en te infiltreren. Een infiltratievoorziening bevindt zich boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand. De k-waarde van de infiltratiesnelheid wordt afgeleid van het bodemtype. De bodemsamenstelling van het terrein bestaat globaal uit matig grof zand, derhalve is uitgegaan van een theoretische k-waarde van 1,0 m/dag. Indien een bovengrondse voorziening (zaksloot of vijver) wordt gerealiseerd mag maximaal een k-waarde van 0,3 m/dag worden gehanteerd.
37
Nieuwe situatie
Eenheid
Bestaande woning
Buiten beschouwing
Bedrijfsbebouwing
1.500
m2
Bedrijfsverharding
1.871
m2
Nieuwe woningen (50% van perceel)
1061,5
m2
4.432,5
m2
TOTAAL Eis gemeente
20
mm/m2
Bergingsopgave
88,7
m3
Binnen dit plan wordt het hemelwater middels een wadi op eigen terrein geïnfiltreerd. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag van de (potentiële) voorziening is een berekening opgesteld. De bergingsopgave bedraagt 88,7m3 (4.432,5m2 x 20mm). Indien alleen een wadi wordt aangelegd met een minimale lengte van 100m1, 3m1 breed, een diepte van 0,7 meter en een talud van 1:5 kan circa 105m3 geborgen worden. Deze voorziening is ruimer gedimensioneerd om te voorkomen dat de voorziening overstroomt en overlast kan veroorzaken. De bovengrondse voorziening heeft geen overstort op de watergang en op het gemeentelijke stelsel. In werkelijkheid zal voor de bestaande bedrijfsbebouwing de huidige grindkoffers worden gebruikt en worden nieuwe grindkoffers aangelegd voor de nieuwe bedrijfsbebouwing. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet definitief worden aangetoond hoe de waterberging gerealiseerd gaat worden op eigen terrein. Afvalwater In het plangebied worden twee nieuwe woningen gerealiseerd, waarvoor een nieuwe rioolaansluiting aangelegd dient te worden. Grondwater De grondwaterstand is ingeschat op een diepte van 1,5 tot 2,2 m-mv. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bedraagt 61 cm-mv (bron: BRO-loket voor de ondergrond), welke maatgevend is voor de bodem van de wadi. Er wordt geen kelder aangelegd, waardoor er ook geen bronbemaling nodig is.
Hitte De klimaatatlas op klimaatmonitor.net is te zien waar het heet is op een extreem warme dag, zie onderstaande linker afbeelding. Aan de straatzijde van onderhavig plan zijn meerdere grote bomen aanwezig en tevens is aan de zuidzijde weinig verharding aanwezig. De bestaande bomen blijven behouden en er worden meerdere bomen toegevoegd (zie landschappelijke inpassing). Deze bomen zorgen voor verkoeling door verdamping en schaduwvorming, waardoor hittestress wordt voorkomen binnen dit plan.
Fragment hitte
Fragment wateroverlast (bron: klimaatmonitor)
38
Wateroverlastvrij bestemmen Bij de locatiekeuze voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gezocht naar een plek die ‘hoog en droog’ genoeg is. De planlocatie is ‘hoog en droog genoeg’ om aan het Nationaal Bestuursakkoord Water te voldoen. Binnen het plangebied is geen sprake van wateroverlast bij hevige regenval, zie bovenstaande overzichtskaart. Daarnaast ligt het plan gedeeltelijk in de ‘reservering waterberging’ op grond van de provinciale omgevingsverordening. Deze reservering betreft een ruimtelijke reservering om wateroverlast vanuit het watersysteem van de Grote Wetering (oppervlaktewater) op te kunnen vangen in de toekomst, gezien de klimaatverandering. De nieuwe woningen liggen buiten deze reservering. De nieuwe bebouwing ligt deels binnen deze reservering, maar is kleiner dan de bestaande bebouwing. Het waterschap heeft hiertegen geen bezwaar. De hoogteligging van het perceel is water hoger dan de omgeving. Het ligt in de rede dat die omgeving eerder (dan het perceel) zal worden ingezet, vanuit de hoogteligging en gevoeligheid voor wateroverlast op basis van berekeningen. De norm voor wateroverlast voor bebouwing buiten stedelijk gebied is verbonden aan het omliggende landgebruik. Het betreft hier een inspanningsverplichting van de waterbeheerder om het door provincie bepaalde beschermingsniveau te bieden.
Gegeven deze norm, komen nieuwe ontwikkelingen voor risico van initiatiefnemer, deze dient er zelf voor te zorgen dat voldoende hoog en droog wordt gebouwd. De norm voor deze locatie, ook voor de nieuwe woningen is T=25. De hoogteligging binnen het perceel varieert (van bebouwd – niet bebouwd). Ophoging/dorpelhoogte richting 7,25 NAP lijkt aangewezen. Dit niveau zal in overleg met de gemeente worden bekeken in relatie tot het wegpeil en dergelijke. Conclusie Onderhavig plan voldoet aan alle voorwaarden uit het watercontract tussen de gemeente Bernheze en Waterschap Aa en Maas. Het vuile water wordt op het gemeentelijk rioolstelsel geloosd, het schone water wordt ter plaatse hergebruikt en/of geïnfiltreerd. Deze waterberging wordt geborgd in de omgevingsvergunning met betrekking tot de bouwactiviteit-technisch. Kortom het plan wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. 6.1.3
Gezondheid en milieu
Gezondheid gaat om twee aspecten: het beschermen van de gezondheid en het bevorderen van de gezondheid. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.1.3.1 Luchtkwaliteit De artikelen 5.50 en 5.51 Bkl (paragraaf 5.1.4.1) bevatten instructieregels voor specifieke situaties: het aanleggen of wijzigen van een wegtunnelbuis, het aanleggen van snelwegen en autowegen, het toelaten van activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen en milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Als de activiteiten leiden tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van stikstofdioxide of PM10, moeten in een omgevingsplan specifieke omgevingswaarden in acht genomen. Ook zijn gemeentes benoemd die worden aangewezen als aandachtsgebied luchtkwaliteit. Voor deze gemeenten gelden aanvullende omgevingswaarden. De gemeente Bernheze behoort tot een aandachtsgebied luchtkwaliteit voor fijnstof (artikel 5.51, lid 3 Bkl).
De wettelijke grenswaarden voor de voor luchtverontreiniging relevante stoffen uit het Bkl paragraaf 2.2.1.1 zijn: • •
Stikstofdioxide NO2: 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddeld; Fijnstof PM10: 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddeld en 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden; • Fijnstof PM2,5: 25 µg/m3 als kalenderjaargemiddeld. Het is in ieder geval niet toegestaan om bepaalde activiteiten toe te laten (standaardgevallen NIBM) die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide en PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder bedoeld in art. 5.54 Bkl. NIBM staat voor: niet in betekenende mate (NIBM).
39
Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat de herontwikkeling extra verkeersbewegingen met zich meeneemt. Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m2 kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig initiatief gaat gepaard met een toename van de verkeersgeneratie (zie paragraaf 6.4) van 31,2 mvt/etmaal. Middels de NIBM-tool is inzichtelijk gemaakt dat onderhavig plan de 3%-grens voor ‘niet in betekende mate’ (NIBM) niet overschrijdt, zie tabel op de volgende bladzijde. Vanuit de NIBM-tool is inzichtelijk gemaakt dat geen verslechtering optreedt van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet worden bekeken of de ontwikkeling hinder kan ondervinden van bestaande activiteiten in de omgeving. Binnen het plangebied wordt een intensieve veehouderij gesaneerd waardoor de fijnstof uitstoot per saldo zelfs afneemt. Verder zijn overige bestaande activiteiten op voldoende afstand gelegen van de nieuwe woningen, zoals is onderbouwd in paragraaf 6.5.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie
2025
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer Maximale bijdrage extra verkeer NO2 in μg/m3 PM10 in μg/m3 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
31,2 1,0% 0,01 0,00 1,2
Berekening NIBM-tool
Op basis van de Atlas leefomgeving is inzichtelijk gemaakt wat de achtergrondconcentraties PM2,5, PM10 en NO2 zijn op de planlocatie. Zoals op de afbeeldingen van de volgende bladzijde is te zien bedragen de concentraties respectievelijk 8,8, 16,1 en 11,2 µg/m3. De achtergrondconcentraties op de planlocatie overschrijden de hierboven genoemde normen niet.
Fragment achtergrondconcentratie PM2,5 = 8,8 µg/m3 (bron: Atlas leefomgeving)
40
Fragment achtergrondconcentratie PM10 = 16,1 µg/m3 (bron: Atlas leefomgeving)
Fragment achtergrondconcentratie NO2 = 11,2 µg/m3 (bron: Atlas leefomgeving)
Kortom onderhavig plan draagt niet bij aan eventuele luchtverontreiniging, er wordt geen hinder ondervinden van bestaande activiteiten en de achtergrondconcentraties worden niet overschreden. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onderzoek GGD Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit zijn een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Momenteel is er nog weinig beleid met betrekking tot gezondheid. Om deze reden is in deze paragraaf voornamelijk gekeken naar de gezondheid in combinatie met veehouderijen. Besmetting kan optreden door inademing van besmet stof van stallen, weilanden, ruwe wol en dierenhuiden, door direct contact met besmette dieren en door het nuttigen van besmette rauwe melk of onvoldoende verhit besmet vlees. Met name het verwaaien van ingedroogde en op weilanden uitgereden mest zou zorgen voor verspreiding van bacteriën naar de mens. Het ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid heeft, vooruitlopend op een landelijk toetsingskader, de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld.
Aan de hand van het stappenplan 2.0 uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 is beoordeeld of nadere advisering van de GGD wenselijk is. 1. Endotoxine ‘richtafstand’ tussen veehouderij en plangebied Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld op sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen (200 meter) en pluimveehouderijen (500 meter). Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 2. Toename emissie voor geur, fijnstof of ammoniak Gezien de vele woningen in de omgeving en de normen in de gemeentelijke geurverordening 2013 zullen er geen geur belastende objecten in de omgeving bij komen. De huidige intensieve veehouderij komt te vervallen waardoor de geurbelasting ter plaatse behoorlijk afneemt.
41
3. Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan De te realiseren woning voldoet aan de gemeentelijke norm. Aan de vaste afstanden vanuit de te realiseren woning en de meest dichtbijgelegen veehouderij (emissiepunt) en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Het leefklimaat ter plaatse als gevolg van de achtergrondbelasting kan als ‘goed’ worden geschouwd. 4. Aanwezige diersoorten binnen een veehouderij In de directe omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waarbij sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers of kleine herkauwers onderling. Tevens is er in de directe omgeving geen pluimveebedrijf gelegen. 5. Geitenhouderijen, pluimveebedrijven en overige veehouderijen Op 24 juni 2024 is door de gemeente Bernheze een notitie ‘Woningbouwontwikkelingen nabij geitenhouderijen’ vastgesteld. Hierin is vastgesteld dat in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven en een straal van circa 1 km rond pluimveebedrijven terughoudendheid moet worden betracht. Binnen een straal van 250 meter van een geitenhouderij zijn in principe geen woningen toegestaan, tenzij er sprake is van een verbetering van de gezondheids- en milieusituatie. Er is een pluimveebedrijf aanwezig op een afstand van 930 meter, namelijk aan de Aardenbaan 8 te Heesch.
Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonende (VGO) bleek dat in de jaren 20092013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Voor de periode 2017-2019 is dit verband wel gevonden voor een afstand van 500 meter. Tot het moment dat de herziene versie van de Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid wordt uitgegeven op basis van de meest recente onderzoeksresultaten, heeft de GGD besloten om een advies van de GGD te blijven vragen binnen een afstand van 500 meter van een pluimveehouderij. Er wordt geen belemmering verwacht. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2 km). Op 1,4 km afstand bevindt zich een geitenhouderij aan de Bleekseweg 7 te Heesch. Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van extra woningen. Met het oog op het woon- en leefklimaat dient daarom beoordeeld te worden of er sprake is van een gezonde leefomgeving. De bronbijdrage aan fijn stof of endoxine uitstoot vanuit de geitenhouderij is gezien de relatief grote afstand te beschouwen als zeer beperkt.
Tussen de geitenhouderij en het plangebied liggen al bestaande geurgevoelige objecten met dezelfde geurnorm, waardoor extra (toekomstige) bloostelling nihil is doordat de geitenhouderij niet mag uitbreiden. Het aantal blootgestelden in de toekomst neemt wel toe door de extra woningen. Uit het stappenplan volgt dat een GGD-maatwerkadvies moet worden opgevraagd voor stap 5a. Dit heeft tot gevolg dat een afweging moet worden gemaakt door de gemeente of een GGD-maatwerkadvies. Alvorens deze afweging te maken zijn de kernadviezen ingewonnen van de GGD om de gezondheid te beschermen binnen de ruimtelijke inrichting. De kernwaarden uit het advies, zie bijlage, zijn opgenomen en wordt in onderhavig plan rekening mee gehouden. Vervolgens heeft de gemeente de afweging gemaakt om geen GGD-maatwerkadvies op te vragen. Het omschakelen naar wonen is gezien de omliggende functies en sanering van het eigen bedrijf (intensieve veehouderij) een verbetering van de volksgezondheidsituatie ter plaatse. Er is een overige veehouderij (melkrundvee) gelegen binnen 250 meter van de planlocatie, namelijk op het adres Loosbroeksestraat 7. Hierbij wordt voldaan aan de normen voor fijn stof, de concentratie endotoxine en de geurnormen. Er is hierdoor geen sprake van een (verhoogd) gezondheidsrisico met het oog op het woon- en leefklimaat. 6.
Mesbe- of verwerking Er is in de omgeving van het plangebied geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. 7. Ongerustheid bij omwonende Uit de gevoerde dialoog met omwonende of uit de klachtenregistratie van de gemeente is geen ongerustheid aanwezig/bekend. Conclusie Het project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan luchtverontreiniging, de achtergrondconcentraties worden niet overschreden en er is geen sprake van een verhoogd gezondheidsrisico. De gemeente heeft de afweging gemaakt om geen GGD-maatwerkadvies op te vragen. Het omschakelen naar wonen is gezien de omliggende functies en sanering van het eigen bedrijf (intensieve veehouderij) een verbetering van de volksgezondheidsituatie ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
42
6.1.3.2 Geluid door activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl). Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid. Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels: • • • •
standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl) specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl) activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp) 'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl)
De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).
Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • • •
Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Onderhavig initiatief omvat de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf en het toevoegen van enkele woningen. Hierdoor dient in het kader van een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving nader onderzocht te worden of bij de omliggende woningen en de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. In paragraaf 6.5 is geconcludeerd dat onderhavig plan verantwoord wordt ingepast in de omgeving. In het kader van een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving is dit voldoende onderbouwd. 6.1.3.3 Geluid door wegverkeer De Wet geluidhinder bepaalde binnen welke zone van een (spoor)weg, onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting van die weg op nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De geluidzones zijn in het Bkl teruggekeerd onder de naam geluidaandachtsgebieden. Deze gebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voorheen gold in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een hogere waarde besluit kon het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kende ook een bovengrens, de zogenaamde
43
maximale ontheffingswaarde. In het Bkl zijn nieuwe termen geïntroduceerd: a. c. Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en b. d. Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan. Nieuw is dat de standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden bijna allemaal zijn verhoogd ten opzichte van de huidige waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven: Gemeentebesturen kunnen nu alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan, tot aan de grenswaarde, als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. Planspecifiek Voor onderhavig initiatief liggen de nieuwe woningen in een geluidsaandachtsgebied van een weg, waardoor nader akoestisch onderzoek nodig is voor deze ontwikkeling. Daarnaast dient in het kader van een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving onderzoek uitgevoerd worden naar de geluidsbelasting op de woningen ten gevolge van wegverkeer van omliggende wegen. Er is door Ingenieursburo Ulehake een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. “De nieuw te realiseren woningen aan de Loosbroeksestraat zijn gelegen binnen het geluidsaandachtsgebied van deze gemeentelijke weg. De standaardwaarde voor de geluidbelasting op de gevels van de woningen, zoals vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving, bedraagt 53 dB(A). Voor de berekeningen is uitgegaan van de situatie zoals weergegeven in Bijlage I, en de verkeersintensiteiten verstrekt door de gemeente Bernheze. Uit de berekeningen blijkt dat de standaardwaarde wordt overschreden op de noordelijke, oostelijke en westelijke gevels van de nieuwe woningen. Voor deze gevels geldt dat, om te voldoen aan het Besluit kwaliteit leefomgeving en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen, maatregelen moeten worden afgewogen. Uit de afweging volgt dat maatregelen om de geluidbelasting te verlagen onvoldoende doelmatig zijn. Een definitieve afweging is aan het bevoegd gezag. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren dient aantoonbaar te worden gemaakt dat het binnenniveau maximaal 33 dB(A) bedraagt. Dit kan in de fase dat de omgevingsvergunning wordt aangevraagd.
De hoogste berekende geluidbelasting (Lden) op de zuidgevels van de woningen blijft onder de standaardwaarde.” Conclusie Om de binnenwaarde van een geluidgevoelig gebouw, waar de standaardwaarde wordt overschreden, te borgen moet het gezamenlijk geluid worden vastgelegd in het omgevingsplan. Het doel van het gezamenlijk geluid is het bepalen van de geluidwering van de gevels van de drie woningen. Voor gezamenlijk geluid moeten de volgende waarden worden vastgelegd in het omgevingsplan:
44
6.1.3.4 Trillingen In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Planspecifiek ('breng in beeld') De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er geen sprake is van trillingen die van invloed kunnen zijn op omgeving. 6.1.3.5 Slagschaduw van windturbines Voor slagschaduw van windturbines geldt paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl. Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (art. 5.89aa Bkl). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er geen sprake is van windturbines in het plan of in de nabijheid van het plangebied. 6.1.3.6 Bodemkwaliteit Het Rijk stelt instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt.