CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v, Loosbroeksestraat 4 Heesch

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22v, Loosbroeksestraat 4 Heesch26.569 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten

45

worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. In het omgevingsplan kan de gemeente gebieden aanwijzen waarvoor een verplicht voorafgaand bodemonderzoek niet nodig is. Ook kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties naast vooronderzoek altijd verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest moet plaatsvinden. Verder kan de gemeente in het omgevingsplan ook bij andere aanleidingen of activiteiten een voorafgaand bodemonderzoek voorschrijven. Bijvoorbeeld als de functie van een locatie of gebied wijzigt (gevoeliger gebruik). Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de (milieubelastende) activiteiten: •

Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal) • Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal) • Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal) • Bouwen op een bodemgevoelige locatie (via instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een verplichting in het omgevingsplan). Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben wel betrekking op het initiatief, omdat een bodemgevoelig gebouw (er verblijven personen aaneengesloten langer dan 2uur per dag) wordt toegestaan op een bodemgevoelige locatie. Onderzoek Er is door Van Oort Bodemonderzoek een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het initiatief/uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. “Op de locatie aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in verband met een herbestemming en nieuwbouw. Kadastraal staat de locatie bekend als’ gemeente Heesch, sectie f, nummers 789, 1241, 1539, 1540 (ged) en 1541. De oppervlakte van de te onderzoeken locatie bedraagt circa 8.000m2.

Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de kwaliteit van de grond en grondwater en te beoordelen of er op de bodemgevoelige locatie sprake is van bodemverontreiniging die bezwaarlijk is voor een herbestemming en nieuwbouw. Bij de uitvoering van het onderzoek is gebruik gemaakt van NEN 5725, NEN 5740 en NEN 5707. De strategie van het onderzoek is afgestemd op het vooronderzoek (historie). Gebruik is gemaakt van de opzet voor een onverdachte locatie (ONV-NL). De toplaag van de onbedekte asbest-drupzones en de plaats van een voormalig dieseltank (VEP) zijn als verdacht beschouwd. Het veldwerk is uitgevoerd op basis van de BRL SIKB 2000. De analyes (AS3000) zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics BV uit Rotterdam en AL-West BV uit Deventer. Zintuigelijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen verontreinigingen of andere bijzonderheden waargenomen. Met laboratoriumonderzoek zijn in de boven- en ondergrond geen verontreinigingen aangetoond. Voor toepassing op of in de landbodem is de kwaliteit van zowel de boven- als ondergrond beoordeeld als grond van klasse landbouw/natuur (LN). In het grondwater zijn geen verontreinigingen gemeten tot boven de signaleringsparameter. Ter plaatse van de onderzochte asbest-drupzones zijn geen verhoogde gehaltes asbest en/of PCB’s aangetoond.

Met aanvullende SEM-analyses zijn bij één van de drupzones respirabele asbestvezels waargenomen. De toegestane norm van 10 mg/kg ds wordt echter niet overschreden. Er is geen sprake van onaanvaardbare risico’s. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot een vervolgonderzoek. Op basis van het totaal aan onderzoeksgegevens behoeft de bodemkwaliteit naar ons inziens geen belemmering te vormen voor een herbestemming en het verlenen van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw. Geadviseerd wordt de resultaten van het bodemonderzoek voor te leggen aan de gemeente Bernheze. Als onderzoeksbureau hebben we een adviserende taak. Het bevoegd gezag bepaald of het onderzoek volstaat en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Op basis van de Omgevingswet en een

46

omgevingsplan kan de gemeente aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem.” Te treffen maatregelen en conclusie Op basis van de bekende bodemgegevens kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen functiewijziging. 6.1.3.7 Geur Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl). Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen.

Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: • geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2) • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3) • Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4) De Bruidsschat bevat regels over: • • • •

Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Planspecifiek In de omgeving van het plangebied is één veehouderij gelegen, namelijk aan de Loosbroeksestraat 7. De beoogde woningen mogen geen belemmerende werking hebben op de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van het omliggende bedrijf. De woningen mogen niet worden gebouwd binnen een geurhinder contour van een agrarisch bedrijf. Tevens moet een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kunnen worden. De woningen liggen buiten de bebouwde kom. Het toetsingskader is als volgt: •

De geurbelasting afkomstig van een veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld bedraagt ter plaatse van de woning niet meer dan 8 OUe; • Minimaal 25 meter tussen gevel woning en gevel van een dierverblijf; • Minimaal 25 meter tussen gevel woning en emissiepunt dierverblijf met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld. De afstand tussen het melkveebedrijf aan Loosbroeksestraat 7 en de dichtbijzijnde woning, gemeten vanaf het bouwvlak, in de nieuwe situatie bedraagt circa 100 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de genoemde afstanden. Gezien het feit dat een melkveebedrijf geen geuremissiefactor heeft, is de norm voor de geurbelasting niet van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. De ontwikkeling levert dan ook geen onevenredig belemmeringen op voor omliggende veehouderijen. Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat van de (beoogde) woningen binnen het plangebied is gekeken naar de achtergrondbelasting ter plaatse. De norm voor een aanvaardbaar woonen leefklimaat, conform de ‘Beleidsregels ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Bernheze 2013’ is 20 OUe voor wat betreft de achtergrondbelasting. Op onderstaande kaart van ODZOB valt af te lezen dat het plangebied valt in een ‘matig’ leefklimaat, waar een geurbelasting aanwezig is kleiner dan 20 OUe.

Tevens wordt binnen de huidige ontwikkeling een intensieve veehouderij gesaneerd, waardoor het leefklimaat ter plaatse sterk zal verbeteren. Een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd in het plangebied.

47

De herontwikkeling binnen onderhavig plan mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven niet belemmeren. De omliggende veehouderij aan Loosbroeksestraat 7 wordt echter al belemmerd door de burgerwoning gelegen aan Loosbroeksestraat nummer 5.

Fragment kaart achtergrondbelasting veehouderijen (bron: atlas.odzob, okt 2014)

Te treffen maatregelen en conclusie Vanuit het aspect geur(hinder) van (agrarische) bedrijvigheid zijn er geen belemmeringen voor dit initiatief. 6.1.3.8 Spuitzones Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabij gelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte. Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen.

De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is mede bepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten een spuittechniek

48

toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. Het bestemmingsplan kent geen regels over spuitactiviteiten op agrarische gronden. Wanneer de aanduiding teeltondersteunende voorzieningen wordt toegekend aan percelen dient op basis van het bestemmingsplan wel rekening gehouden te worden met een spuitvrije zone van 50 meter tot gevoelige functies. Planspecifiek Binnen 50 meter afstand van onderhavig plangebied zijn geen fruitboomgaarden of andere bijzondere teelten die vragen om bijzondere besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn wel gronden bestemd voor akkerbouw aanwezig, welke in eigendom zijn van de huidige eigenaar van de intensieve veehouderij, van de initiatiefnemer van onderhavig plan en van de toekomstig eigenaar/bewoner van deze locatie. Kortom eenzelfde eigenaar zal in de toekomst ook de omliggende agrarische gronden bewerken voor akkerbouw, met de wetenschap dat hij geen gewasbeschermingsmiddelen kan gebruiken binnen een zone van 50 meter.

Dit is ook voor een toekomstige eigenaar geborgd, aangezien in landelijke wetgeving is vastgelegd dat bij lage gewassen binnen 50 meter van gevoelige functies geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. De omliggende gronden worden niet gebruikt door het hoveniersbedrijf, aangezien deze alleen een gedeelte van de bedrijfsbebouwing huurt ten aanzien van opslag en niet om gewassen te verbouwen ten gunste van het hoveniersbedrijf. Bij akkerbouw gaat het om lage teeltgewassen en dus een lage bespuiting met een beperkte verspreiding. Echter de agrarische gronden achter de nieuwe woningen zijn in de bestaande situatie al beperkt in zijn mogelijkheden doordat binnen de spuitzone al gevoelige functies (lees: woningen nr. 2 en 4) zijn gelegen. Hierdoor is het niet mogelijk om besproeiing met gewasbeschermingsmiddelen uit te voeren op dit agrarisch perceel achter de nieuwe woningen. Hierdoor kan men in onderhavige situatie spreken dat het aspect spuitzones niet relevant is. 6.1.4

Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

6.1.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking staat in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g): • •

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. b. al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan. Planspecifiek De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat in onderhavig plan geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.

49

6.1.4.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed In een omgevingsplan wordt op grond van paragraaf 5.1.5.5. van het Bkl rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beleidsstukken moeten worden betrokken, zoals onder andere: • •

Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze

Planspecifiek Het plangebied ligt volgens de archeologische kaart van de gemeente Bernheze in een zone met een middelhoge verwachting, zie de afbeelding op de volgende bladzijde. Volgens de Nota Archeologiebeleid geldt voor onderhavig plan een onderzoeksplicht, wanneer de verstoringsdiepte meer bedraagt dan 40 cm én het te verstoren oppervlak meer dan 2.500 m2 is. Onderhavig plan behelst het toevoegen van een bedrijfsgebouw van 700m2 en twee woningen. Doordat de verstoring kleiner blijft dan 2.500 m2 is hiervoor geen onderzoek noodzakelijk. Indien er tijdens de uitvoeringsfase van de sloop-, bouw-, sanerings- of graafwerkzaamheden archeologische sporen aan het licht komen dan geldt een wettelijke meldplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Een toevalsvondst kan gemeld worden bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant (06-18303225).

Fragment archeologische beleidskaart gemeente Bernheze (blauwe cirkel = planlocatie)

Cultuurhistorische parels Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft aan dat zorgvuldig omgegaan met deze waarden vereist is. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 20-01-2014 van de gemeente Bernheze, zie hieronder, zijn geen waarden aangegeven op onderhavige locatie. Kortom er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. De onderzoeksplicht blijft wel aanwezig middels de geldende dubbelbestemming, waardoor de archeologische en cultuurhistorische waarden voldoende geborgd blijven. Zodoende zijn er geen belemmeringen aanwezig.

50

Fragment van cultuurhistorische waardenkaart Gemeente Bernheze 20-01-2014 (blauwe cirkel = planlocatie)

6.1.4.3 Landschap Elke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Afhankelijk van de omvang en impact van de ontwikkeling valt deze in categorie 1, 2 of 3. Planspecifiek De ontwikkeling van de woningen valt onder categorie 1 en omzetten naar bedrijfsfunctie valt onder categorie 3 vanuit de beleidsregel kwaliteitsverbetering. Hiervoor is een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk. Voor categorie 3 is daarnaast ook een landschappelijke kwaliteitsverbetering vereist. Wat betekent dat ten minste 20% van de waardestijging van de ontwikkeling geïnvesteerd dient te worden in het landschap. Deze versterking van de omgevingskwaliteit is toegelicht in paragraaf 5.2.2. Landschappelijke inpassing betekent een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op de bestaande dan nog wel te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. De landschappelijke inpassing vindt plaats op of direct aansluitend aan het bouwblok/bestemmingsvlak. Een landschappelijk inpassingsplan maakt onderdeel uit van onderhavig plan en is opgesteld door MLG Gebiedsontwikkeling. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage toegevoegd.

Het landschappelijk inpassingplan omvat een toelichting van de inpassing en de kwaliteitsverbetering, een tekening van de bestaande en nieuwe situatie, een plantlijst en is het onderhoud/beheer omschreven. Het landschappelijke inpassingsplan is juridisch geborgd in de verbeelding en de planregels in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. Daarmee is ook de feitelijke waarborging van de kwaliteitsverbetering van het landschap verzekerd. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden.

51

Landschappelijk inpassingsplan – huidige situatie

Landschappelijk inpassingsplan – nieuwe situatie

52

6.1.5

Hoogspanningslijnen

Er dient rekening gehouden te worden met de magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen. Het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen is gebaseerd op het voorzorgprincipe. Bij het opstellen van een bestemmingsplan kan het daarom noodzakelijk zijn een bepaalde afstand vrij te houden tussen gevoelige bestemmingen en bovengrondse hoogspanningslijnen. De internationale norm is dat voorkomen moet worden dat burgers worden blootgesteld aan magneetvelden van meer dan 100 µTesla. Deze norm wordt in Nederland op maaiveldniveau nergens overschreden. Aanvullend hierop adviseert het rijk, vanuit het voorzorgprincipe, om zoveel als mogelijk te voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden van bovengrondse hoogspanningslijnen van meer dan 0,4 µTesla. In de directe nabijheid van het plan zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig of gepland. Kortom vormt de hoogspanningslijn geen belemmering voor onderhavig project.

6.2

Besluit milieueffectrapportage

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het planvoornemen dient te worden beoordeeld of er sprake is van activiteiten zoals opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Planspecifiek Het realiseren van woningen wordt in beginsel gezien als ‘J11 Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Aangezien het gaat om eht realiseren van slechts 3 woningen (waaronder de bedrijfswoning), wordt dit op basis van jurisprudentie (voordat de Omgevingswet van kracht werd) niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject en is om die reden de wetgeving rond de milieueffectrapportage niet van toepassing en is het voornemen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de ontwikkelingen. Gelet op de kenmerken, de locatie en de kenmerken van de effecten van het project moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure.

6.3

Groen en natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.3.1

Groen

Bomen en ander groen zijn belangrijke middelen om de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit te behouden en zelfs te vergroten. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is daarom een groenparagraaf vereist waarin aandacht is voor groen, bomen en natuur. Initiatiefnemers laten daarmee zien hoe zij voldoen aan de groennorm, hoe zij omgaan met waardevol bestaand groen en aanwezige flora en fauna en hoe zij met hun nieuwe inrichting en soortkeuze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit. Een ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de belangrijkste bomen in de omgeving. De gemeente heeft dit beschreven in haar bomenbeleidsplan en vastgelegd in de Kaart monumentale en toekomstbomen en op groenstructuurkaarten. Het is van belang om inzicht te krijgen of de nabij

53

gelegen bomen (binnen een afstand van 20 meter van het plangrens) worden verstoord. Indien het plan dicht bij een boom wordt gerealiseerd dient deze te worden beschermd, zowel boven als onder de grond. Middels een Boom Effect Analyse (hierna: BEA) (deskundig rapport voorzien van een kwaliteitslabel) wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor een passende bescherming. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de boombeschermingszone (tot 1,5meter buiten de kroonprojectie) dient er een plan van aanpak opgesteld te worden hoe met de boomwortels wordt omgegaan (BEA). Er mogen geen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden in de buurt van de bomen. Groenparagraaf Indien een ontwikkeling impact heeft op de openbare ruimte, moet de ontwikkeling passen binnen het groenstructuurplan. Een ontwikkeling moet voldoen aan de groennorm om te borgen dat voldoende openbaar groen wordt ingebracht of behouden blijft bij de ontwikkeling. Bij elk woningbouwplan moet de initiatiefnemer een groenparagraaf aanleveren waarbij hij uitlegt hoe het Groenstructuurplan en Bomenbeleidsplan doorwerken in zijn plan. Ruimte voor ruimte woningen vormen echter een uitzondering binnen deze beleidsplannen omdat bij deze plannen al voldoende kwaliteitsverbetering plaatsvindt binnen de gemeente.

Verder heeft onderhavig initiatief invloed op enkele gemeentelijke bomen bij het realiseren van de uitrit van de rechterwoning. Hiervoor is een Bomeneffectanalyse opgesteld door Boomtechnisch adviesbureau Van Tilburg. Dit rapport is als bijlage toegevoegd. Er dient rekening te worden gehouden met alle adviezen en conclusies uit dit rapport. De inrit mag maximaal 3,5 meter breed zijn en moet precies in het midden tussen de twee bomen gesitueerd worden. Voor de werkzaamheden in de uitvoering is tevens de bomenposter ‘werken onder bomen’ van toepassing. Voor het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar paragraaf 6.1.4.3. 6.3.2

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd gebleven. Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plannen geen negatieve effecten hebben op (beschermde) flora en fauna. Middels een ecologische quickscan, welke jaarrond uitgevoerd kan worden, wordt een locatie beoordeeld of beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. De Ecologische QuickScan Analyse dient door een deskundig bureau te zijn uitgevoerd. Blijkt uit de conclusie dat er schadelijke effecten voor beschermde soorten aanwezig is dan haakt de wet natuurbescherming aan. Planspecifiek Er is door Eceau Ecologisch adviesbureau een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. In deze motivering wordt de conclusie vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. “Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Loosbroeksestraat 4 te Heesch is een ecologische quickscan uitgevoerd.

Het saneren van twee bestaande stallen, verplaatsen van een loods, de realisatie van twee woningen en een nieuwe loods, en alle bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot aantasting van functionele leefomgevingen en vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten (benevens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten), beschermde gebieden of houtopstanden in het kader van de Omgevingswet. • •

•

Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing; Ten aanzien van vleermuizen is de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten. Desondanks foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie of passeren deze, en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord. Ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden worden geen effecten verwacht.

54

• •

• • • •

Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen. Ten aanzien van rugstreeppadden dient voorkomen te worden dat de locatie gekoloniseerd wordt gedurende de uitvoering van de ontwikkeling. Ten aanzien van overige amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden. Voor vlinders, libellen, overige gewervelden, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens het Besluit activiteiten leefomgeving is geen geschikt leefgebied aanwezig. Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen. Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden, de genomen maatregelen en de inrichting van het tussenliggende gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht.”

Daarnaast is hieronder een nadere onderbouwing geschreven voor de mogelijke aanwezigheid van dassen in de omgeving door Eceau Ecologisch adviesbureau: “De das is een soort die diverse gevarieerde en kleinschalige biotopen gebruikt, zoals open structuurrijke bosgebieden en kleinschalig agrarisch cultuurland. Dassen graven zelf een verblijfplaats, genaamd een burcht, welke bestaat uit een netwerk aan tunnels en holen. Zulke burchten worden meestal gegraven in taluds of andere kleinschalige verhogingen in het landschap. De das is een opportunistisch omnivoor die op open plekken, op akkers en weilanden, langs heggen en tussen kruidenrijke vegetaties zijn voedsel bij elkaar scharrelt, bestaande uit onder andere aas, kleine gewervelde dieren, wormen, slakken, insecten, vruchten, noten en knollen. Het plangebied betreft een deels bebouwd perceel binnen agrarisch gebied. In de nabije omgeving zijn diverse voor dassen belangrijke habitatonderdelen aanwezig, zoals kleine houtopstanden, houtwallen en diverse foerageermogelijkheden. Daarnaast is de aanwezigheid van dassen bekend in de omgeving (bronnen *, ** en ***). Het is derhalve de verwachting dat dassen het plangebied kunnen bereiken en in de nabije omgeving ervan aanwezig zijn.

Echter kan gesteld worden dat, gezien het ontbreken van burchten of andere verblijfplaatsen (vluchtpijpen) binnen het plangebied en de belendende percelen, de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen uitgesloten kan worden. Hoewel het plangebied mogelijkerwijs dienst kan doen als algemeen foerageergebied, is vergelijkbaar habitat in de nabije omgeving zeer ruim voorhanden en heeft de voorgenomen ontwikkeling met name betrekking op de aanwezige gebouwen en slechts voor een klein deel op de akker. Effecten op functionele en essentiële habitatelementen van dassen zijn derhalve uitgesloten." Ondergenoemde bronnen (aangegeven met *, ** en ***) tonen aan dat het leefgebied niet reikt tot onderhavige planlocatie en de burchten op circa 900 meter of meer gesitueerd zijn. Kortom, er zijn geen burchten of sporen van dassen aangetroffen binnen of nabij het plangebied. Het vaststellen van een exacte afstand tussen het leefgebied en het plangebied is dan ook niet mogelijk. Ook is het niet zinvol om dit proberen te achterhalen. De locatie, inclusief de invloedssfeer van de werkzaamheden, is hooguit marginaal geschikt voor dassen; het betreft een opportunistisch foerageergebied en/of een niet-essentiële passeerlocatie. In de rapportage is daarom ook benoemd dat het om een algemeen leefgebied gaat, met in het bijzonder géén essentiële functie.

Conform de Omgevingswet is de locatie dan ook niet bescherm i.h.k.v. dassen: -

geen directe aantasting vaste rust en/of verblijfslocaties; geen aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied; geen aantasting van het leefgebied, met verlating van een verblijfslocatie als gevolg.”

Bronnen: * in 2000 is een streefbeeld opgesteld voor de Ecologische verbindingszone Venloop. In dit rapport is een bijlage toegevoegd om het dassenleefgebied weer te geven, zie afbeelding hieronder. Dit dassengebied ligt circa 400m zuidelijker dan het plangebied en de dassenburcht op circa 1km.

55

** in 2023 is een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor Landgoed De Berkt in Heesch. In dit rapport is een hoofdburcht, een bijburcht en enkele wissels gevonden, zie onderstaande afbeelding. Het dassengebied ligt op circa 850m van het plangebied.

*** Vanuit de toelichting van het bestemmingsplan Loosbroeksestraat 1-3, daterende uit 2011, zijn geen waarnemingen van dassen geconstateerd/beschreven in de ecologische paragraaf.

56

Te treffen maatregelen en conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 6.3.3

Natuur - Gebiedsbescherming

De Omgevingswet is sinds 1 januari 2024 de Nederlandse wet waarin onder andere de Wet natuurbescherming is opgenomen. In de Omgevingswet is zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden geregeld. De Omgevingswet bestaat uit een algemene wettekst dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en de Omgevingsregeling. Uit de natuurdoelanalasye blijkt dat de natuur in de Brabantse Natura 2000-gebieden verslechtert. De verplicht Europese natuurdoelen kunnen met de huidige maatregelen niet worden behaald. De problemen worden veroorzaakt door een mix van verzuring, vermesting en verdroging, dat per gebied verschilt. Een diversiteit aan planten en bomen hebben hieronder te lijden en verdwijnen langzaam maar zeker uit de gebieden. Dat heeft onder meer tot gevolg dat het aantal insecten vermindert, waardoor in sommige gebieden bepaalde vogels en andere dieren niet meer kunnen leven. Als deze ontwikkeling zich verder voortzet, krijgen we een totale verschraling van de natuur. Dat heeft negatieve gevolgen voor klimaat, milieu, leefomgeving en gezondheid. Planspecifiek Onderhavig plan behelst de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf naar bedrijf en het toevoegen van enkele woningen. Binnen 10 kilometer van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen.

Een stikstofberekening (met de Aerius-calculator, versie oktober 2024) is noodzakelijk om te berekenen of er geen negatieve effecten kunnen ontstaan door de aanlegfase en de gebruiksfase voor dit plan. De berekening is als bijlage toegevoegd. Hieronder zijn de uitgangspunten van de worstcase berekening weergegeven: •

In het bedrijfsgebouw komt geen klimaatinstallatie dus dit hoeft niet te worden meegenomen;

•

Binnen het plan blijft één bestaande woning behouden dus hier wordt de standaard waarde van het RIVM voor het verwarmen van een vrijstaande woning van 3,59 NOx in kg/jaar aangehouden;

•

Gerekend met het aantal verkeersbewegingen, op basis van CROW-normen, van 51,8 verkeersbewegingen per etmaal voor een weekdag voor de gebruiksfase;

•

Voor de aanlegfase is gerekend met 12 verkeersbewegingen per etmaal voor licht verkeer (personeel tijdens de uitvoeringsfase) en 8 verkeersbewegingen per etmaal voor zwaar verkeer (sloop, aanleveren materiaal, graafmachine, betonstort, hijskraan en dergelijke)

Uit de berekening volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de gebruiksfase. De AERIUS-berekeningen hebben aangetoond dat de stikstofdepositie gelijk is aan 0,00 mol N/ha/jaar. Dat betekent dat het project niet leidt tot stikstofdepositie op een Natura 2000gebied. Op basis van de hierboven gepresenteerde gegevens hoeft er geen vergunning het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd of verder onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd te worden.

6.4

Wegen, verkeer en parkeren

Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plan geen negatieve impact heeft op de verkeersveiligheid en belastbaarheid van de wegen in nabije omgeving. Het parkeren dient conform de parkeernormennota Bernheze. Indien parkeren niet of deels op eigen terrein kan plaatsvinden dient een parkeermeting worden uitgevoerd, waaruit moet blijken of de openbare ruimte in voldoende mate geschikt is. Het langzaam verkeer dient goed voorzien te worden doormiddel van een trottoir en waar nodig fietsverbinding. Bij voorkeur het langzaam verkeer de kortste en veiligste route naar de voorzieningen. Het is van belang om inzicht te krijgen waar de inrit komt, van welke materialen en obstakels, zoals een lantaarnpaal, nutsvoorzieningen, bestaande parkeerplaats(en), bestaand gemeentelijk groen en/of bomen. En er dient inzicht gegeven te worden in hoe die aansluiting ingericht wordt. (in basis in een

57

gelijkwaardig kruispunt plateau nader te worden gemotiveerd.

in een 30km/uur zone).

Indien sprake is van een obstakel dient dit

Ontsluiting Onderhavig plan is gelegen aan de openbare weg Loosbroeksestraat en wordt ook direct aan deze weg ontsloten. Bij het perceel zijn momenteel al meerdere uitritten aanwezig voor het bedrijf en de bestaande bedrijfswoning. Deze uitritten kunnen tevens gebruikt worden voor de nieuwe bedrijfsbebouwing, bedrijfswoning en de middelste woning. Alleen voor de rechter woning moet een nieuwe uitrit aangelegd worden. Deze uitrit kan gemaakt worden tussen twee bomen in, waardoor er geen bomen gekapt hoeven te worden. Om te onderzoeken of de bomen hinder krijgen van de nieuwe uitrit is een boomeffectanalyse opgesteld. Dit rapport is als bijlage toegevoegd. Een verder aandachtspunt is dat de zichtlijnen bij uitritten gewaarborgd moet worden. De Loosbroeksestraat is een weg met hoge snelheid, waardoor zicht extra van belang is. Deze zichtlijnen worden op gelijke wijze als in de huidige situatie geborgd in het landschapsplan door de lage beukenhaag door te zetten voor de nieuwe woningen. Deze ligt enkele meters terug vanaf de weg, waardoor de zichtlijnen worden geborgd en auto’s op een overzichtelijke manier het perceel kunnen ontsluiten. Verkeer Voor een evenwichtige toedeling van functies aan de fysieke leefomgeving dient bekeken te worden of er door onderhavig initiatief geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid met betrekking tot de verkeersintensiteit.

De toetsing van de verkeersintensiteit vindt plaats aan de hand van de CROW-normen zoals vermeld in de Algemene Standaarden Verkeer en Vervoer (ASVV). Op basis van de cijfers afkomstig van het CBS ligt de gemeente Bernheze in het gebiedstype ‘weinig stedelijk'. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Heesch. In onderstaande tabellen is de verkeersgeneratie van de bestaande en toekomstige situatie met elkaar vergeleken. Dit resulteert in een toename van de verkeersgeneratie met 31,2 mvt/etmaal. De verwachting is dat de Loosbroeksestraat deze zeer geringe toename als het gevolg van onderhavig plan vlot en veilig kan verwerken, temeer omdat de toename beperkt is ten opzichte de vele mate grotere verkeersgeneratie die het momenteel al kan verwerken. Het aspect verkeer is geen belemmerende factor. Bestaande situatie Functie

Verkeersgeneratie volgens Crow

Maximale verkeersgeneratie

Agrarisch bedrijf*

4,5 mvt/etmaal per 1.000m2

12 mvt/etmaal

Woning

8,6 mvt/etmaal per woning

8,6 mvt/etmaal

TOTAAL

20,6 mvt/etmaal

* de Crow-publicatie kent geen kengetal voor een agrarisch bedrijf, vandaar dat gebruik is gemaakt van een vuistregel voor deze bedrijven. Namelijk 4,5 mvt/etmaal per 1.000m2/arbeidplaats.

Toekomstige situatie Functie

Verkeersgeneratie volgens Crow

Maximale verkeersgeneratie

Statische opslag*

2 mvt/etmaal

2 mvt/etmaal

Hovenier**

4,8 mvt/etmaal per 100m2

24 mvt/etmaal

Woning

8,6 mvt/etmaal per woning

25,8 mvt/etmaal

TOTAAL

51,8 mvt/etmaal

* statische opslag voor caravans, kampers en dergelijke kan niet vergeleken worden met een standaard bedrijf, aangezien alleen rondom het kampeerseizoen gebruik wordt gemaakt van de opslag. In een totale omvang van 1.000m2 kunnen maximaal 80 caravans, kampers o.i.d. gestald worden. Uitgangspunt is dat alles 4 keer per jaar uit de stalling wordt gehaald. Hierdoor zijn dit in totaal (80x4x2) 640 mvt/jaar, en afgerond 2 mvt/etmaal. ** een hovenier valt onder de Crow-publicatie onder een ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’

58

Parkeren Op 01 februari 2024 is de ‘Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze’ vastgesteld door de raad van Gemeente Bernheze. Onderhavig plan ligt binnen de zone ‘rest bebouwde kom’. Voor een vrijstaande woning zijn 2 parkeerplaatsen per woning benodigd. Voor de bedrijfsbebouwing zijn 1,1 parkeerplaatsen per 100m2 benodigd. Dit resulteert in 16,5 (dus 17 parkeerplaatsen) parkeerplaatsen voor de bedrijfsactiviteit. Bij de bedrijfsbestemming is voldoende ruimte aanwezig om deze parkeerplaatsen te realiseren. Bij de woningen is tevens voldoende ruimte aanwezig om de parkeerplaatsen te realiseren. Alle parkeerplaatsen zijn afzonderlijk bereikbaar en hebben een grootte van minimaal 2,5 x 5,0 meter. Kortom er wordt voldaan aan de Nota Parkeerbeleid van de gemeente Bernheze.

6.5

Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van de wijziging van het omgevingsplan op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van 2009. 6.5.1 Richtafstandenlijsten Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. De milieubelastende activiteiten zijn onderverdeeld in een zestal milieucategorieën. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie kunnen worden aangehouden om inzichtelijk te maken of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige functies. Deze richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming die het bedrijf toelaat en de uiterste situering van de gevel van een woning (milieugevoelig object). Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval een locatie gelegen is binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met éen ́ stap worden verkleind. In dit geval is als uitgangspunt genomen dat het plangebied ligt in ‘rustig buitengebied’. In beginsel wordt aangesloten bij de richtafstanden om te bepalen of er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Richtafstanden zijn indicatief, waardoor er in bepaalde omstandigheden vanaf geweken mag worden. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Op basis van de toetsing aan wet- en regelgeving (bv. de Omgevingswet) of éen ́ of meerdere onderzoeken, zoals een akoestisch onderzoek, kan dit onderbouwd worden.

6.5.2 Ontvanger of bron In onderhavig plan wordt een kleinschalig bedrijf opgericht in de vorm van statische opslag/hoveniersbedrijf. Statische opslag en een hoveniersbedrijf, kleiner dan 500m2, betreft bedrijvigheid die ten hoogste valt in milieucategorie 2. Het bedrijf zelf is geen gevoelig object. Dat betekent dat niet beoordeeld hoeft te worden of het bedrijf als ‘ontvanger’ last kan ondervinden van milieucontouren van functies in de omgeving. De bijbehorende bedrijfswoning betreft wel een gevoelig object, echter niet ten opzichte van het bijbehorende bedrijf. Het bedrijf is wel aan te wijzen als een ‘bron’ van milieucontouren.

59

Bestaande situatie Ten aanzien van de in het plangebied uitgeoefende intensieve veehouderij dienden de volgende richtafstanden te worden aangehouden: Omschrijving

Milieucategorie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Fokken en houden van varkens

4.1

200m

30m

50m

0m

In de bestaande situatie werd bij diverse naast gelegen woningen niet voldaan aan één of meerdere richtafstanden. Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt in het plangebied een bedrijf ten behoeve van statische opslag (tot 1.000m2) en een hoveniersbedrijf (tot 500m2) gerealiseerd. Ook dit betreffen bedrijfsactiviteiten waarbij rekening moet worden gehouden met gevoelige functies of objecten in de omgeving. Beide bedrijfsactiviteiten kunnen gecategoriseerd worden als een bedrijf, waarvoor milieucategorie 2 van toepassing is en dienen de volgende richtafstanden te worden aangehouden: Omschrijving

Milieucategorie

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Hoveniersbedrijf (< 500m2)

2

30m

10m

30m

10m

Verhuur opslagruimte

2

0m

0m

30m

10m

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de beoogde bedrijfsactiviteit minder belastend voor de omgeving dan de bestaande activiteiten. De aspecten geluid en gevaar zijn relevant waarbij richtafstanden van respectievelijk 30 en 10 meter gelden. De herbestemming zorgt voor een forse verbetering van het woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van de planlocatie zijn diverse gevoelige objecten gelegen. Op basis van de richtafstanden horende bij de beoogde bedrijfsactiviteiten, maatgevende afstand is 30 meter, wordt bij alle naastgelegen woningen voldaan aan de richtafstanden. Waarmee kan worden aangenomen dat ter plaatse van deze gevoelige objecten het woon- en leefklimaat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aanvaardbaar is. Naast de genoemde bestaande gevoelige objecten dient ook ter plaatse van de beoogde Ruimtevoor-ruimte woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit voorgaande blijkt dat de indicatieve afstand voor vooral het aspect geluid een aandachtspunt is. De in de VNG-publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Dit betekent dat gemotiveerd afgeweken kan worden van deze afstanden. Op basis van de daadwerkelijk te ontplooien activiteiten ter plaatse van de nieuwe bedrijfsbestemming kan beoordeeld worden of afwijkingen van de richtafstand kunnen worden gemotiveerd en toelaatbaar worden geacht.

Mogelijke afwijkingen van de richtafstanden zijn in onderhavig hoofdstuk onderbouwd. De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt gerealiseerd in een tweetal bedrijfsgebouwen. Gezien vanaf de straat zal het linker bedrijfsgebouw (oostzijde) in gebruik worden genomen door een hoveniersbedrijf (500m2) en voor de stalling van statische opslag (300m3). Het rechter bedrijfsgebouw (westzijde) wordt alleen in gebruik genomen voor de stalling van statische opslag (700m2). Het linker bedrijfsgebouw, waarin de bedrijvigheid ‘hoveniersbedrijf’ is gevestigd met een maatgevende richtafstand van 30 meter, ligt op meer dan 30 meter van de nieuwe woningen. Waarmee een goed woon- en leefklimaat te borgen is vanuit de bedrijvigheid ‘hoveniersbedrijf’. Het rechter bedrijfsgebouw, waarin alleen de bedrijvigheid ‘statische opslag’ is gevestigd, ligt op minder dan 30 meter van de nieuwe woningen. In de begripsbepaling wordt statische opslag als volgt omschreven: “de opslag van goederen zonder dat deze een bewerking ondergaan en zonder dat deze verhandeld worden, zoals caravans, wit- en bruingoed, meubels, rijwielen en dergelijke, een en ander met inachtneming van de eisen van brandweer en milieu”. Dit betekent dat geen productie of reparatie binnen de gebouwen is toegestaan, enkel het plaatsen en halen van materieel en materiaal is toegestaan.

Ten aanzien van deze bedrijvigheid wordt het geluid van deze bedrijfsvoering voornamelijk veroorzaakt door licht verkeer dat langzaam (< 15km/h) via de

60

in- en uitrit aan de oostzijde van de locatie benaderd. Deze in- en uitrit is gelegen op meer dan 30 meter van de nieuwe woningen. Het verkeer op deze in- en uitrit is ten aanzien van de nieuwe woningen afgeschermd door de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw zelf. Zoals in paragraaf 6.4 is onderbouwd is er sprake van circa 2 verkeersbewegingen per dag voor de statische opslag. Verder is het Besluit activiteiten leefomgeving op de milieubelastende activiteit van toepassing. Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat standaardwaarden voor het beschermingsniveau tegen geluidhinder. Het gaat om het toegestane langetijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat bij gevoelige objecten van derden nabij de milieubelastende activiteit gegarandeerd. Uit bovenstaande blijkt dat de milieubelastende activiteit onder redelijke voorwaarden (lage verkeersintensiteit, in- en uitrit op voldoende afstand, afscherming door bebouwing) aan de voorschriften van het Besluit activiteiten leefomgeving kan voldoen, waarmee een goed woon- en leefklimaat bij omliggende gevoelige objecten te borgen is.

61

Hoofdstuk 7 7.1

JURIDISCHE PLANOPZET

Wijzigingsbesluit

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22[a] van het omgevingsplan. Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling.

Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Bernheze (bestemmingsplan ‘Buitengebied Bernheze’). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Bijlagen bij de regels Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er wel een bijlage opgenomen bij de regels. Verbeelding De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies alszijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor een weergave van de analoge kaart, zie 7.2.

62

Vinkelse

straat

887

1017

886

60

754

3519

41

stra at

999

3554

3341

3222

1

3506

117

115

113

3a

3342 11

756

18

3553

3521

else

Vink

1000

2

19

straat

1b

3479

roekse

Loosb

1b/mz

2516

1c

1001

1538

3505

1539

(sw-rvr)

(sg-li)

3498

1d

3493

4

A

1003

1540

b 1

(sg-li)

(sb-so)

(sg-li)

3

3390

1004

(sb-sh)

1541

(sg-li)

901

5

WR-A3

1264

900

496

10

L-R

8

897

845

155

21

846

898

22

6

Loosbr

1002

789

(sw-rvr) 1241

(sg-li)

1d 3477

WS

3268

3340

oekses traat

876

7

154

848

847

rde nba an

Aa

842

Agrarisch

specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing

(sg-li)

aantal bedrijfswoningen

Status: ontwerp

Opdrachtgever: Traject Heesch bv

TAM-omgevingsplan Loosbroeksestraat 4 Heesch Gemeente Bernheze

Bestemmingsplan:

1

b

Maatvoeringen

R

Noordpijl

Dalenstraat 4B, 5466 PM Eerde E-mail: info@bragis.nl Web: www.bragis.nl

GIS/CAD Ondersteuning en software

NL.IMRO.1721.TAM22x-OW01

Tekeningnummer:

Schaal:

1:2000

A3

TKS Formaat:

Datum:

04-12-2025

Get.:

hartlijn leiding - riool

Figuren

specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte

specifieke vorm van bedrijf - statische opslag

(sb-so)

(sw-rvr)

specifieke vorm van bedrijf - statische opslag/hovenier

(sb-sh)

Functieaanduidingen

wetgevingzone - woonwerkontwikkelingsgebied

wetgevingzone - natuurontwikkelingsgebied

wetgevingzone - ecologische verbindingszone

overige zone - behoud herstel watersysteem

bouwvlak

Bouwvlakken

Waterstaat - Beschermingszone watergang

Waarde - Archeologie 3

Leiding - Riool

Gebiedsaanduidingen

WS

WR-A3

L-R

Dubbelbestemmingen

A

Enkelbestemmingen

Plangebied

Legenda

7.2 Analoge kaart

63

Hoofdstuk 8 8.1

Economisch

8.1.1

Kostenverhaal

UITVOERBAARHEID

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn: aangewezen bouwactiviteiten en aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen De realisering en de kosten voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief haalbaarheidsonderzoeken, zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Daarnaast zal bij onderhavig plan de benodigde aanpassingen aan het openbaar gebied gerealiseerd moeten worden. Er dienen aansluitingen gemaakt te worden op het bestaande riool en één uitrit dient gemaakt te worden. De aanleg- en planbegeleidingskosten voor de aansluiting op het openbaar riool en de uitrit zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemers middels een anterieure overeenkomst. 8.1.2

Financieel economische uitvoerbaarheid

In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. Conclusie Dit initiatief is niet evident onuitvoerbaar want de voorziene ontwikkeling is dermate van aard en omvang dat deze binnen redelijke termijn uitvoerbaar is. De ontwikkeling is binnen die termijn financieel haalbaar aangezien de plankosten komen voor rekening van initiatiefnemers. 8.1.3

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen: • •

die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld: • •

een omgevingsvergunning of het weigeren daarvan een regel in het omgevingsplan. Deze moet rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten • een maatwerkvoorschrift Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning. In de anterieure overeenkomst is meegenomen dat een mogelijke schadevergoeding voor rekening van de initiatiefnemers komt.

64

8.2

Maatschappelijk

8.2.1

Zienswijzen

Tegen het ontwerpbesluit bestaat de mogelijkheid om zienswijzen te dienen. Deze kunnen geen betrekking hebben op een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit die in het omgevingsplan moet worden omgezet (bedoeld in artikel 4.17 Omgevingswet). Hiermee wordt voorkomen dat een toegestane activiteit bij de omzetting in het omgevingsplan opnieuw ter discussie kan worden gesteld. 8.2.2

Beroep

Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsplan of de wijziging van een omgevingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan of het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg. Dezelfde procedure is van toepassing op de afwijzing van een verzoek tot wijziging van een omgevingsplan. Tegen een beschikking krachtens een omgevingsplan waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld, of waarbij wordt toegestaan gelijkwaardige maatregelen te treffen, staat (na de bezwaarfase) beroep in eerste aanleg open bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als een dergelijke beschikking wordt geweigerd, geldt hetzelfde. Het omgevingsplan treedt in werking vier weken nadat van het omgevingsplan mededeling is gemaakt. Een verzoek om een voorlopige voorziening heeft niet automatisch schorsende werking.

65

Hoofdstuk 9

BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE

Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria: 1. 1. de doelen van de Omgevingswet (zie artikel 1.3 en 2.1, lid 1, Omgevingswet) 2. 2. de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2, Omgevingswet) 3. 3. de instructieregels over het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) 4. 4. de instructieregels over het omgevingsplan uit de omgevingsverordening Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld: 1. 1. De gewenste ontwikkeling past niet binnen gemeentelijk beleid. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld de omgevingsvisie en programma's van de gemeente. Dan is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of is er strijd met andere doelen van de Omgevingswet. 2. 2. Voor de gewenste ontwikkeling zijn regels nodig die in strijd zijn met de doelen van de Omgevingswet. 3. 3. Er is geen bereidheid bij de gemeenteraad om het omgevingsplan aan te passen. Hierbij kunnen ook financiële overwegingen meespelen. De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen. De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn.

Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb.

9.1

Doelen van de wet (Omgevingswet artikel 1.3)

De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld. [Licht de eindconclusie toe. Doet het initiatief/ de planwijziging geen afbreuk (of draagt het juist bij) aan de balans tussen: Het beschermen van de leefomgeving (veiligheid, gezondheid, goede omgevingskwaliteit en intrinsieke waarde natuur) enerzijds en; Het benutten van de leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften (doelmatig beheer, gebruik en ontwikkeling) anderzijds?]

9.2

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. De gemeente Bernheze beoordeelt aan de hand van de gegevens of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 6). Gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bernheze waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [Vul tekst verder aan zoals gewenst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=2eca818e-f50e-4342-a5e4-c2b1e2f78264