CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 13 mei 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 Heeswijk-Dinther30.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

53

In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Dat is het geval bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegestaan. En bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit op een locatie die is toegestaan, anders dan het wonen. Een omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (art. 5.59 Bkl). Bij toelaten van een activiteit, gemeenteweg, waterschapsweg, lokale spoorweg of geluidgevoelig gebouw op een locatie houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met geluid. Deze instructieregel bevat geen concreet kwaliteitsniveau voor geluid. Daarom heeft het bevoegd gezag een grote beoordelingsvrijheid.

Voor de volgende activiteiten gelden verschillende specifieke instructieregels: • standaardactiviteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.2 Bkl) • specifieke activiteiten (paragraaf 5.1.4.2.1 en 5.1.4.2.3 Bkl) • activiteiten op industrieterrein met een geluidproductieplafond (gpp) • 'activiteiten in de openbare buitenruimte' en evenementen ((paragraaf 5.1.4.2.1 en artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) Bkl) De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen.

Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen bevat één bestaand geluidgevoelig gebouw (voormalige bedrijfswoning) en een geluidbron (vijf camperplekken) die voor derden relevant is. De geluidbron is niet relevant voor de om te schakelen bedrijfswoning, omdat de camperplekken een ondergeschikte functie van het wonen zijn (bij wijze van bedrijf aan huis).

Om aan te tonen dat de grenswaarden niet worden overschreden moet in geval sprake is van geluid ten gevolge van activiteiten waarvan het mogelijk aannemelijk is dat de standaardwaarden op geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid door de initiatiefnemer van een planvoornemen een akoestisch onderzoek worden aangeleverd. Het gaat dan om situaties waarbij in de dagperiode de geluidsbelasting groter is dan 55 dB in de nabijheid van

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

54

goed onderhouden geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Bij goed onderhouden gebouwen kan namelijk worden uitgegaan van een geluidwering van de gevel van 20 dB. Daarmee is voldoende aangetoond dat aan de grenswaarden wordt voldaan. Relevant is dat bij de beoordeling van geluid voor de toedeling van functies cumulatie van geluid van meerdere activiteiten samen betrokken wordt. Het is mogelijk dat meerdere activiteiten, die op zichzelf aan de standaardwaarden voldoen, door cumulatie leiden tot een situatie waarin geen sprake meer is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Het is aan de gemeente (beleidsvrijheid) om te beoordelen of cumulatie nodig is te onderzoeken. Het geluidgevoelige gebouw hoeft niet getoetst te worden, omdat het hier gaat om een reeds toegelaten geluidgevoelig gebouw. Voor de nieuwe geluidbron, vijf camperplekken, is wel een motivatie nodig. Alhoewel in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering van 2009 voor ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ een richtafstand van 50 meter is opgenomen ten opzichte van gevoelige functies, betekent dit niet dat de vijf camperplekken hiermee gelijkgesteld kunnen worden en deze richtafstand gehanteerd moet worden als vuistregel. Het planvoornemen is aanzienlijk kleinschaliger wat direct effect heeft op de verkeersaantrekkende werking (lager), heeft geen keuken en geen speelvoorzieningen.

Van gelijkstelling van de vijf camperplekken met ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ kan dan ook geen sprake zijn en de richtafstand is met die reden geen goede maatstaf voor het geluid van de vijf camperplekken. Ingevolge artikel 22.60 van het omgevingsplan van rechtswege geldt bovendien dat het hier niet gaat om een milieubelastende activiteit waarvoor aangetoond moet worden dat geen sprake is van hinder voor geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Aannemelijk is hierdoor dat geen sprake is van overschrijding van de standaardwaarde en een aanvaardbaar geluidsniveau aan de orde is. 6.1.3.5

Geluid door wegverkeer

De Wet geluidhinder bepaalde binnen welke zone van een (spoor)weg, onderzoek moet worden gedaan naar de geluidbelasting van die weg op nieuwe geluidgevoelige gebouwen. De geluidzones zijn in het Bkl teruggekeerd onder de naam geluidaandachtsgebieden. Deze gebieden worden als fysiek geografisch gebied vastgelegd in het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Voorheen gold in beginsel voor geluidgevoelige objecten een streefwaarde voor het geluid, de voorkeurswaarde. Met een hogere waarde besluit kon het bevoegd gezag een hogere waarde dan de voorkeurswaarde vaststellen. De hogere waarde kende ook een bovengrens, de zogenaamde maximale ontheffingswaarde. In het Bkl zijn nieuwe termen geïntroduceerd: • Standaardwaarde (voorheen: voorkeurswaarde): een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en • Grenswaarde (voorheen: maximale ontheffingswaarde): een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan. Nieuw is dat de standaardwaarden en de grenswaarden voor gevels van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden bijna allemaal zijn verhoogd ten opzichte van de huidige waarden. In de volgende tabel staan de nieuwe waarden van de verschillende geluidbronsoorten weergegeven:

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

55

Gemeentebesturen kunnen nu alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan, tot aan de grenswaarde, als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen ziet niet op de aanleg of wijziging van gemeentelijke infrastructuur. Er hoeft met die reden niet getoetst te worden aan de regels over geluid afkomstig van gemeentelijke wegen zoals opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Bkl. Het planvoornemen ziet ook niet op het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Geluid van wegen en spoorwegen hoeft voor het planvoornemen met die reden niet getoetst te worden. 6.1.3.6

Trillingen

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen (paragraaf 5.1.4.4., art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen maakt geen trillinggevoelige bebouwing waarin trillinggevoelige ruimten zijn geprojecteerd mogelijk. Trillingen afkomstig van (spoor)wegen of activiteiten vormen daarom geen belemmering voor het planvoornemen of andersom voor de bron.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

56

Het planvoornemen betreft ook geen activiteit die trillingen veroorzaakt, waardoor het planvoornemen wat dit betreft niet belemmerend is voor de omgeving. Trillingen door activiteiten vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 6.1.3.7

Slagschaduw van windturbines

Voor slagschaduw van windturbines geldt paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl. Als een windturbine met een rotordiameter van 2 m of meer op een locatie wordt toegelaten of een slagschaduw gevoelig gebouw waarop slagschaduw wordt veroorzaakt door een dergelijke windturbine, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels. Deze instructieregels gelden alleen ter bescherming van slagschaduw gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Er geldt een tijdelijke uitzondering voor windparken (art. 5.89aa Bkl). Verantwoording planvoornemen In de nabijheid van het planvoornemen zijn geen windturbines gelegen die slagschaduw ter hoogte van het planvoornemen tot gevolg hebben. Met het planvoornemen worden ook geen windturbines mogelijk gemaakt. De slagschaduw van windturbines vormen geen belemmering voor het planvoornemen of andersom. 6.1.3.8

Bodemkwaliteit

Het Rijk stelt instructieregels (Bkl paragraaf 5.1.4.5) aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Een omgevingsplan bepaalt daarom dat bepaalde maatregelen in stand moeten worden gehouden, moeten worden onderhouden, of moeten worden vervangen, met daarbij op welke wijze en binnen welke termijn. In het omgevingsplan kan de gemeente gebieden aanwijzen waarvoor een verplicht voorafgaand bodemonderzoek niet nodig is. Ook kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde locaties naast vooronderzoek altijd verkennend bodemonderzoek en/of verkennend bodemonderzoek asbest moet plaatsvinden. Verder kan de gemeente in het omgevingsplan ook bij andere aanleidingen of activiteiten een voorafgaand bodemonderzoek voorschrijven. Bijvoorbeeld als de functie van een locatie of gebied wijzigt (gevoeliger gebruik).

Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de (milieubelastende) activiteiten: • Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal) • Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal) • Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal) • Bouwen op een bodemgevoelige locatie (via instructieregel uit paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een verplichting in het omgevingsplan). Verantwoording planvoornemen

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

57

Op 13 juni 2002 is door Econsultancy BV een nulsituatie bodemonderzoek (kenmerk: NBR.BSB.BAS 1069.07 d.d. 13 juni 2002) opgesteld van de onderhavige onderzoekslocatie met bodembedreigende activiteiten. Er bevinden zich op de onderzoekslocatie een 3-tal bodembedreigende deellocaties (opslag afgewerkte olie, ondergrondse HBO-tank en een buitenopslag met auto-onderdelen. Hier zijn maximaal licht/matig verhoogde gehalten voor PAK, minerale olie, diverse zware metalen en EOX aangetoond. De garage is niet beschouwd als verdachte deellocatie vanwege de aanwezigheid van een vloeistofdichte vloer. De overige verdachte deellocaties zijn gesitueerd direct naast of in de garage. Op 18 juli 2002 rapporteert BSB Zuid in een brief (kenmerk: HK/GB/JK/K020871/K-16-02990000, d.d. 18 juli 2002) aan de huidige perceelseigenaar dat er in het kader van de BSBoperatie geen nader onderzoek noodzakelijk is. Er wordt in de brief er wel op gewezen dit in het kader een mogelijke verkoop of bouw en ontgravingen wel noodzakelijk kan zijn. Op 4 augustus 2022 is door Amitec een verkennend bodemonderzoek (kenmerk 22.722-NEN01, d.d. 4 augustus 2022, bijlage 3 bij deze motivering) opgesteld van de gehele locatie.

In peilbuis, welke gesitueerd is voor de roldeur van de garage, is in het grondwater slechts een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen (de overige parameters uit het NENstandaardpakket bleken niet verhoogd).

Op 23 november 2022 is door Verhoeven Milieutechniek BV een eindsituatie bodemonderzoek (kenmerk: B22.8695/Brfrpp-01/RS d.d. 23 november 2022) opgesteld van de onderhavige onderzoekslocatie met bodembedreigende activiteiten. Er bevinden zich op de onderzoekslocatie een 3-tal bodembedreigende deellocaties (opslag afgewerkte olie, ondergrondse HBO-tank en een buitenopslag met auto-onderdelen. Hier zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor PAK, minerale olie, naftaleen en diverse zware metalen aangetoond. Op 28 april 2023 is door Verhoeven Milieutechniek BV een evaluatierapport (kenmerk: B22.2548/EVA-01 d.d. 28 april 2023, bijlage 4 bij deze motivering, bijlage 2 bij deze motivering) opgesteld van de uitgevoerde bodemsanering ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij zijn ter plaatse van de putwand (CW21) en bodembodems (CB04/CB20), welke (deels) gesitueerd zijn direct langs de buitenmuur van de garage, slechts licht verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen. Deze gehalten komen overeen met de gehalten uit het nul- en eindsituatie onderzoek en bevestigen de representativiteit.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

58

Het saneringsverslag en/of nazorgplan en de beschikking van de sanering zijn aanvullend bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 5 en 6). De eindsituatie ter plaatse van de garage is door de aanwezigheid van een vloeistofdichte vloer en de resultaten van voorgaande onderzoeken, op afdoende wijze vastgelegd. Het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek (eindsituatie) is daarom niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan ten behoeve van het planvoornemen. 6.1.3.9

Geur

Op grond van paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl wordt in een omgevingsplan rekening gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Een omgevingsplan moet erin voorzien dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Let op, in geval van functionele binding tussen gebouw en activiteit kunnen uitzonderingen gelden (art. 5.95 en 5.96 Bkl).

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

59

Indien het omgevingsplan regels bevat over geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken, door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf, door andere agrarische activiteiten wijst in het omgevingsplan een of meer bebouwingscontouren geur aan rond stedelijk gebied (art. 5.97 Bkl). De geometrische begrenzing moet vastgelegd worden in het omgevingsplan. Stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied of lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen binnen de bebouwingscontour worden opgenomen. Er gelden specifieke instructieregels indien het initiatief betrekking heeft op: • Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken (§ 5.1.4.6.2) • Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (§ 5.1.4.6.3) • Geur door andere agrarische activiteiten (§ 5.1.4.6.4) De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).

Verantwoording planvoornemen Geur door zuiveringstechnische werken In de nabijheid van de locatie is geen rwzi gelegen. Het is aannemelijk dat ter plaatse van het geurgevoelige gebouw gelegen buiten een bebouwingscontour geur voldaan kan worden aan de ter plaatse geldende grenswaarde. Gezien het planvoornemen niet het toelaten of vastleggen van een zuiveringstechnisch werk bevat hoeft geen bebouwingscontour geur in het omgevingsplan aangewezen te worden. Het overgangsrecht (artikel 12.14 Bkl) blijft overeenkomstig van toepassing, ook voor de bescherming van de geurgevoelige gebouwen (geurregels voor rwzi’s in de bruidsschat). Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf In paragraaf 5.1.4.6.3 staan de regels met betrekking tot geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden. De gemeente Bernheze heeft eigen geurregels opgesteld welke zijn opgenomen in de Verordening fysieke Leefomgeving (VFL) Bernheze 2021 2. Hierin is opgenomen dat de locatie is gelegen in ‘overige gebieden’.

Hier geldt de voorgrondnorm van 10 Ou/m3 en een vaste afstand van 25 meter tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor op grond van de Wet geen geuremissiefactor is vastgesteld (zoals melkveebedrijven en maneges) en een geurgevoelig object. Vaste afstanden

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

60

In de nabijheid van de locatie ligt schuin tegenover (ten zuidwesten) de locatie Hommelsedijk 41 een akkerbouwbedrijf (geen dieren) en aan de Nistelrodensedijk 2a een melkveehouderij. Deze locaties liggen allebei op meer dan 25 meter van de locatie. Voorgrondbelasting Aan Justitieweg 2 ligt de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij met dieren (varkens) waarvoor een geuremissiefactor geldt en verder is op Hommelsedijk 4b nog een intensieve veehouderij met dieren (kippen) gelegen waarvoor een geuremissiefactor geldt. Voor beide bedrijven is niet in beeld gebracht wat de voorgrondbelasting is ter hoogte van het planvoornemen, omdat hier geen nieuwe geurgevoelige gebouwen worden toegelaten. Om te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de kaart voor de achtergrondbelasting geraadpleegd waarvan de voorgrondbelasting is afgeleid. Ter plaatse is sprake van een achtergrondnorm tussen de 6 en 10 OU/m3. In de berekening van de achtergrondbelasting zijn alle bedrijven bij elkaar opgeteld meegenomen en in ieder geval de bedrijven aan Justitieweg 2 en Hommelsedijk 4b. Dit resulteert op basis van standaard rekenregels (halvering) in een aannemelijke voorgrondbelasting tussen de 3 en 5 OU/m3. Er is geen reden om aan te nemen dat de voorgrondnorm van 10 OU/m3 die ter plaatse geldt niet gehaald wordt.

Achtergrondbelasting Op basis van de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder Bernheze is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gecumuleerde geurbelasting tot 13 OuE/m3 bij bebouwde kom, woonkernen en nieuwe woongebieden en tot 20 OuE/m3 bij de overige gebieden. De afbeelding hieronder, een uitsnede van de brabantscan van de GGD, laat zien wat de indicatieve achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is (6-10 Ou/m3). Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde norm (20 Ou/m3).

Geur door andere agrarische activiteiten Voor wat betreft geur van andere agrarische activiteiten wordt bedoeld: geur door het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, mest, bijvoedermiddelen, het bereiden van brijvoer, composteren en het kleinschalig vergisten. Gezien deze activiteiten in de nabijheid van het planvoornemen niet worden uitgevoerd is het aspect geur door andere agrarische activiteiten niet aan de orde.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

61

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief. Andersom vormt het initiatief ook geen belemmering voor de veehouderijen of andere agrarische activiteiten die geurbelasting veroorzaken in de nabijheid van de locatie, omdat op de locatie geen nieuwe geurgevoelige gebouwen worden toegelaten. 6.1.3.10 Spuitzones Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld, zoals fruitbomen, en nabijgelegen woningen. In de ruimtelijke ordeningspraktijk bestaat een vuistregel om een afstand van 50 meter aan te houden. Het is een afstand die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State algemeen wordt toegepast en geaccepteerd wordt tussen percelen met open teelten en woningen. Bij deze afstand wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. In hoofdstuk 3 en 4 van het Bal zijn diverse maatregelen opgenomen om de drift naar het oppervlaktewater te beperken. Aan de ene kant gaat het om het om het toepassen van driftreducerende spuittechnieken, gebruik van een kantdop naast de sloot, eisen ten aanzien van de windsnelheid waarbij gespoten mag worden en de spuitdophoogte.

Aan de andere kant zijn in het besluit teeltvrije zones opgenomen. De breedte van de teeltvrije zones die moet worden aangehouden is afhankelijk van het gewas dat wordt geteeld en van de gebruikte spuittechniek of andere maatregelen zoals vanggewassen of emissieschermen. Ook de intensiteit waarmee de gewassen bespoten worden en of er sprake is van opwaartse of neerwaartse bespuiting is medebepalend voor de breedte van de teeltvrije zone. Bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert. Deze verplichting geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. Hierdoor kan een kleinere afstand tot spuitzone gevoelige objecten dan 50 meter worden gehanteerd. Onderzoek De in de praktijk gehanteerde vuistregel van 50 meter is een indicatieve afstand. Dat wil zeggen dat er omstandigheden zijn waarin hiervan kan worden afgeweken. Voor de gemeente bestaat er een onderzoeksplicht naar de te hanteren afstand in de specifieke situatie.

Ingevolge jurisprudentie over spuitzones hoeft niet in alle gevallen rekening te worden gehouden met agrarische gronden waar fruitbomen mogelijk zijn (zie uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3524)).

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

62

Indien de wijziging van het gebruik van de agrarische gronden naar teelt met een spuitzone binnen de planperiode niet wordt voorzien en als de eigenaar/gebruiker van de gronden geen concreet voornemen heeft om de gronden als boomgaard te gebruiken is zo'n wijziging zodanig onwaarschijnlijk dat de raad bij de vaststelling van de omgevingsplanwijziging die de woonfunctie mogelijk maakt, geen rekening hoeft te houden met spuitzones. Verantwoording planvoornemen Binnen 50 meter van het planvoornemen/ de locatie zijn agrarische gronden gelegen waarop teelt plaats kan vinden. De om te schakelen bedrijfs- naar burgerwoning (incl. tuin) betreft een bestaande gevoelige bestemming in het kader van spuitzones en is met die reden niet belemmerend voor de gebruiksmogelijkheden van de omliggende agrarische gronden. Wel moet getoetst worden of de omschakeling van een bedrijfs- naar een burgerwoning vanuit het aspect spuitzones ruimtelijk aanvaardbaar is als het gaat om het woon- en leefklimaat ter plaatse. Dit aspect is bij de planologische toelating van de bedrijfswoning nl. niet getoetst. Omdat in de nieuwe planologische situatie t.o.v.

de vigerende geen sprake is van extra gehinderden, de initiatiefnemer op de hoogte is van het risico en dit aanvaardt en hij zijn rechtsopvolgers hiervan op de hoogte stelt zodat deze een eigen afweging kunnen maken is de omschakeling van een bedrijfs- naar een burgerwoning vanuit het aspect spuitzones ruimtelijk aanvaardbaar. Camperplekken zijn in de vigerende planologische situatie nog niet toegestaan en gevoelig in het kader van spuitzones. De camperplekken liggen op: - 25 meter van het perceel behorende bij Hommelse Hoeve 2a, dit perceel is ingericht als landschaps- en voedseltuin die hobbymatig wordt beheerd. Hier wordt niet gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Ook is aan beide zijden van de watergang beplanting aanwezig: een windhaag aan de zijde van Hommelse Hoeve 2a en landschappelijke inrichting aan de zijde van Hommelsedijk 14. - 28 meter van de percelen aan de Justitieweg, dit perceel is ingericht voor fruitteelt en wordt bedrijfsmatig beheerd/ geexploiteerd. Tussen het perceel en het plangebied is een watergang is gelegen, langs deze watergang gelden spuitbeperkingen (teeltvrije zones en/of driftreducerende maatregelen) om drift richting de watergang te voorkomen. De ondernemer hanteert op zijn perceel aan de zijde van de watergang een teeltvrije zone, waardoor de feitelijke afstand tussen de fruitteelt en de meest nabij gelegen camperplek 40 meter is.

In deze zone is beplanting gelegen die een driftreducerende werking richting de camperplekken heeft, waardoor feitelijk nauwelijks sprake zal zijn van spuitdrift ter hoogte van de camperplekken. - 0 meter van perceel kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie F, nummer 301. Planologisch gezien is het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen op dit perceel niet uitgesloten. Echter worden op dit perceel geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Het perceel is nl. onderdeel van het natuurinclusieve landbouwbedrijf aan Liniedijk 1 (melkveebedrijf), dat geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. - op meer dan 50 meter van de percelen kadastraal bekend gemeente HeeswijkDinther, sectie F, nr. 280 en sectie E, nr. 1057. Waardoor het eventueel op deze percelen gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering oplevert voor de camperplekken.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

63

Uit bovenstaande blijkt dat het aannemelijk is dat ter plaatse van de om te schakelen bedrijfs- naar burgerwoning incl. tuin en camperplekken geen sprake is van belemmeringen ten gevolge van spuitzones. Ook worden eigenaren van omliggende percelen niet in het huidige gebruik en hun huidige bedrijfsvoering belemmerd. 6.1.4

Landschappelijke en stedenbouwkunidge waarden en cultureel erfgoed

6.1.4.1

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking staat in paragraaf 5.1.5.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving: “Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met (art. 5.129g)”: • de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en • als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Bovenstaande geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Tot stedelijk gebied wordt niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: • op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en • al een behoefteonderzoek (laddertoets) is gedaan.

Verantwoording planvoornemen Artikel 5.129 g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van de ontwikkeling in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. In artikel 5.129 g Bkl is geen ondergrens vastgelegd. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel ‘in beginsel’ grenzen. Bij woningen ligt de ondergrens bij maximaal 11 woningen, bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2 (per functie). Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen zoals maatschappelijke functies, cultuur, leisure of recreatie. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit zijn ontwikkelingen die een nieuw of groter planologisch beslag op de ruimte leggen dan het geldende omgevingsplan toestaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten hebben. Het is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt.

In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied en maakt naast de omschakeling van een bedrijfs- naar een burgerwoning de realisering van vijf camperplekken (bij wijze van bedrijf aan huis) mogelijk. Tegelijkertijd wordt een niet-agrarisch bedrijf beëindigd en bedrijfsopstallen gesloopt. Het planvoornemen is op basis van jurisprudentie hierover, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

64

verstedelijking. Het is hierdoor niet nodig om de behoefte aan te tonen en te motiveren waarom de ontwikkeling niet in het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd. 6.1.4.2

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

In een omgevingsplan wordt op grond van paragraaf 5.1.5.5. van het Bkl rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Verantwoording planvoornemen De gemeente Bernheze heeft een eigen gemeentelijk archeologiebeleid geformuleerd.

Dit archeologiebeleid is op 3 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en bestaat uit de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" en de "Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart Gemeente Bernheze". Dit archeologiebeleid voldoet aan de geformuleerde aantoonbaarheid verplichting. In beginsel moeten projecten die kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van een archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Maar de gemeente kan in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen (artikel 5.130 lid 5 Bkl). De gemeente Bernheze heeft er in haar archeologiebeleid voor gekozen om andere oppervlaktes hiervoor vast te stellen.

Archeologietoets Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Bernheze geldt op onderhavige locatie een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Hierbij is archeologisch onderzoek vereist als

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

65

dieper dan 0,40 m en meer dan 100 m2 aan verstoringsoppervlakte geldt. Zie de volgende twee uitsneden uit dit archeologiebeleid. Omdat ter plaatse van onderhavig plangebied niet meer grond geroerd gaat worden dan 100 m2 is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit betekent dat dergelijk onderzoek in het kader van onderhavige ontwikkeling niet is uitgevoerd. De gemeente Bernheze vertaalt de wet en het archeologisch beleid ook door in standaard omgevingsplanregels. Zo heeft de gemeente gebiedsaanwijzingen met regels voor bescherming van historische kernen, (beschermde) monumenten en voor gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. Met deze regels kan, ter bescherming van archeologische waarden, worden bepaald wanneer er een omgevingsvergunning voor bepaalde werkzaamheden nodig is, wanneer dat niet het geval is en onder welke omstandigheden en met welke nadere eisen en voorwaarden een omgevingsvergunning kan worden verleend. Dat betekent dat voor de locatie een gebiedsaanwijzing met regels voor de bescherming van zeer hoge archeologische waarde is opgenomen. Archeologie vormt doordat niet dieper dan 0,4 meter over een oppervlakte van 100 m2 aan bodem geroerd zal worden geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen belemmert hierdoor geen archeologische waarden.

Daarbij geldt dat in het omgevingsplan een gebiedsaanwijzing en regels zijn opgenomen die te allen tijde gelden, dus mocht op een later moment het wel de bedoeling zijn om dieper dan 0,4 meter over een oppervlakte van 100 m2 aan bodem te roeren zal alsdan het benodigde archeologische traject doorlopen moeten worden. Hiermee zijn eventuele archeologische waarden op de locatie beschermd. Hoewel ten behoeve van deze kleinschalige ontwikkeling geen onderzoek zal worden verlangd, dient men wel attent te blijven op mogelijk nog aanwezige archeologische

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

66

waarden. Te allen tijde geldt een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Cultuurhistorie Provinciaal beleid Het provinciale cultuurhistorische beleid is verankerd in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierin zijn onder andere opgenomen: cultuurhistorische vlakken en complexen van cultuurhistorisch belang waarvoor rechtstreeks werkende en instructieregels gelden waarmee gemeenten in hun omgevingsplan (en BOPA) rekening moeten houden. In de TAM-omgevingsveordening Noord-Brabant zijn voor de locatie geen cultuurhistorische vlakken of complexen van cultuurhistorisch belang opgenomen waarmee bij dit omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft cultuurhistorie is vastgelegd via de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014. Hierop zijn onder andere historisch bebouwde gebieden, oude verkavelingspatronen en monumenten opgenomen. Ieder planvoornemen moet aan de kaart worden getoetst. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014 van de gemeente Bernheze is in het plangebied geen monument of iets dergelijks gelegen. Eromheen is de historische geografie (lijnen) zichtbaar, maar daaraan wordt met onderhavige ontwikkeling niets gewijzigd.

Zie onderstaande uitsnede uit de Cultuurhistorische Waardenkaart 2014, waarbij de symbolen het volgende betekenen: • •

blauwe lijn: gegraven hoofdwaterloop; gele lijn: oud wegtracé met redelijk hoge waarde.

Op basis van bovenstaande informatie mag concludeerd worden dat geen sprake is van cultuurhistorische waarden op de locatie en deze door het planvoornemen niet worden aangetast.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

67

Cultuurhistorische waarden vormen geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor cultuurhistorische waarden. 6.1.4.3

Landschap

Elke ontwikkeling in het buitengebied dient gepaard te gaan met een verbetering van de kwaliteit van het landschap. Afhankelijk van de omvang en impact van de ontwikkeling valt deze in categorie 1, 2 of 3. In paragraaf 5.4.4 wordt ingegaan op het beleidskader en gemotiveerd dat hier sprake is van een categorie 2 ontwikkeling. In paragraaf 2.2.1 en bijlage 1 is het landschappelijk inpassingsplan weergeveven. 6.1.5

Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Op grond van de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.6 Bkl) mogen de activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Verantwoording planvoornemen Hieronder wordt concreet ingegaan op de verschillende Rijksbelangen en wordt concreet aangegeven of deze relevant zijn voor de gemeente Bernheze en indien dit het geval is, wordt bezien in hoeverre het planvoornemen hierbij betrokken is. Auto- en snelwegen In artikel 5.133 van het BKL is opgenomen dat er reserveringsgebieden voor de uitbreiding of aanleg van een auto- en snelweg bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen. Als er reserveringsgebieden zijn aangewezen, dan geldt er een aan beide zijden van de auto- en snelweg een zone waarbinnen geen bouwactiviteiten zijn toegestaan. De geometrische begrenzing van de reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen staat in artikel 2.25 en bijlage III van de Omgevingsregeling.

Binnen de gemeente Bernheze zijn geen Reserveringsgebieden auto- en snelwegen aangewezen. Zie de volgende kaart.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

68

Buisleidingen De regels voor buisleidingen zin opgenomen in artikel 5.135 e.v. van het BKL. Op basis van artikel 5.136 kunnen er reserveringsgebieden voor buisleidingen van nationaal belang worden aangewezen door de minister. Deze aanwijzing heeft plaatsgevonden in artikel 2.32 lid 1 de Omgevingsregeling. In de gemeente Bernheze ligt een door de Minister aangewezen buisleiding, die door Heesch en ten westen van Heeswijk-Dinther loopt. Zie de ingevoegde kaart.

Op basis van lid 2 van artikel 5.136 BKL ligt er aan weerszijden van een reserveringsgebied een zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang met een breedte van

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

69

250 m, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van het reserveringsgebied. Dit zoekgebied is in artikel 2.32 lid 2 Or geconcretiseerd op de kaart.

Artikel 5.138 BKL schrijft voor dat een omgevingsplan, van toepassing op een reserveringsgebied voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang geen activiteiten toelaat die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Als belemmeringen worden in ieder geval aangemerkt: a. bouwactiviteiten, met uitzondering van het bouwen van een bouwwerk dat noodzakelijk is voor de aanleg, het onderhoud of de instandhouding van de buisleiding van nationaal belang; b. de aanleg van een verharde weg of een verhard pad of een spoorweg in de lengterichting van het reserveringsgebied; c. de aanleg van een watergang in de lengterichting van het reserveringsgebied; d. de aanleg van een waterkering of een daaraan grenzend gebied waar ter bescherming van de kering regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor die kering in de lengterichting van het reserveringsgebied; e. de aanleg van een buisleiding, anders dan een buisleiding van nationaal belang, of een f. ondergrondse hoogspanningsverbinding of een ondergronds leidingstelsel in de lengterichting van het reserveringsgebied; g. het bebossen; en h. het gebruik als stortplaats voor afvalstoffen of permanente opslag van grond of andere stoffen of zaken. Het planvoornemen is niet gelegen in een reserveringsgebied of een zoekgebied voor de aanleg van buisleidingen.

Het planvoornemen heeft daardoor geen gevolgen voor buisleidingen en voor de reserveringsgebieden hierbij. 6.1.6

Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

70

6.1.6.1 Bovenlokale infrastructuur of voorzieningen Het Rijk geeft in paragraaf 5.1.7. van het Bkl instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. Landelijke fiets- en wandelroutes In artikel 5.161b van het BKL is opgenomen dat het belang van de instandhouding van fietsen wandelroutes, opgenomen in bijlage XVI van het BKL, bij het omgevingsplan wordt betrokken. De instructieregel voor landelijke fiets- en wandelroutes heeft tot doel deze wandel- en fietsroutes in stand te houden. Bij nieuwe ontwikkelingen die deze routes doorsnijden moeten gemeenten, provincies en waterschappen het belang van de instandhouding betrekken bij de totale belangenafweging. Bijlage XVI van het Bkl geeft aan om welke landelijke fiets- en wandelroutes het gaat. Dit zijn bepaalde langeafstandswandelpaden en streekpaden (wandelnet) en langeafstands fietroutes (fietsplatform).

Wandelroutes De langeafstandswandelpaden zijn opgenomen op de volgende website: https://www.wandelnet.nl/lange-afstand-wandelpaden. In Bernheze liggen geen langeafstandswandelpaden, zie de overzichtskaart van langeafstandswandelpaden hieronder:

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

71

Fietsroutes De langeafstandsfietsroutes zijn te vinden in de routedatabank van het fietsplatform: Routedatabank - Fietsplatform. In Bernheze liggen geen langeafstandsfietsroutes. Zie hiervoor de volgende kaart.

Het planvoornemen is niet gelegen ter plaatse van of nabij langeafstandswandel- en/of fietspaden. Daarnaast blijft door het planvoornemen de huidige verkeersstructuur in stand, dat betekent dat geen sprake is van verandering of doorsnijding van enig wandel- en/of fietspad dan wel rijbaan. Militaire gebieden (o.a. radar, laagvlieggebieden, schiet- en oefengebied) Uit oogpunt van defensie kunnen er beperkingen gesteld worden aan ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied. Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot het defensiebelang zijn: -

Radarverstoringsgebieden; Obstakelbeheergebieden; Laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen; Geluidszones voor militaire luchtvaartterreinen.

In paragraaf 5.1.7.2 van het Bkl zijn de regels opgenomen voor militaire terreinen. Artikel 5.150 lid 1 Bkl wijst militaire terreinen en terreinen met een militair object aan in bijlage XIV, onder A. De begrenzing is opgenomen in artikel 2.41 van de Omgevingsregeling. Er zijn in Bernheze geen militaire terreinen en terreinen met een militair object aanwezig. Artikel 5.150 lid 2 Bkl wijst onveilige gebieden bij militaire schietbanen aan in bijlage XIV, onder B. De begrenzing is opgenomen in artikel 2.41 van de Omgevingsregeling Er zijn in Bernheze geen onveilige gebieden bij militaire schietbanen aangewezen.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

72

Artikel 5.150 lid 3 Bkl wijst gebieden aan waar bouwwerken een militaire zend- en ontvangstinstallatie kunnen verstoren in bijlage XIV, onder C. De begrenzing is opgenomen in artikel 2.41 van de Omgevingsregeling. Er zijn in Bernheze geen gebieden aangewezen op basis van dit artikel. De beperking van de hoogte van bouwwerken uit artikel 5.153 BKL is dan ook niet van toepassing. Artikel 5.150 lid 4 Bkl wijst gebieden aan waar zich een militaire laagvliegroute voor jacht- en transportvliegtuigen bevindt in bijlage XIV, onder D. De begrenzing is opgenomen in artikel 2.41 van de Omgevingsregeling. Er zijn in Bernheze geen gebieden aangewezen voor jacht en transportvliegtuigen op grond van dit artikel. De beperking van de hoogte van bouwweken uit artikel 5.154 BKL is dan ook niet van toepassing. Artikel 5.150 lid 5 wijst gebieden aan waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren, zijnde locaties binnen een straal van 75 km rondom de radarstations, genoemd in bijlage XIV, onder E. De begrenzing is opgenomen in artikel 2.41 van de Omgevingsregeling. In lid 5 van 2.41 is de geometrische begrenzing opgenomen van gebieden waar bouwwerken, niet zijnde windturbines, het radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III.

In lid 6 van 2.41 is de geometrische begrenzing van gebieden opgenomen waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren als bedoeld in artikel 5.150, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is vastgelegd in bijlage III. In artikel 5.155 Bkl zijn maximale hoogtes opgenomen voor bouwwerken binnen een straal van 15 km en binnen straal van 75 km vanaf de radar. De maximale hoogten zijn opgenomen in bijlage XIV, onder E, Bkl. De radar van de vliegbasis Volkel is aangewezen op de kaart behorende bij artikel 2.41 lid 5 Or. Zie de kaart hieronder. Gemeente Bernheze ligt helemaal in de 75 km zone rond deze radar en gedeeltelijk (o.a. de locatie voor het planvoornemen), voor binnen de 15 km zone. De maximale bouwhoogtes in deze gebieden zijn opgenomen in bijlage XIV, onder E. Kaart bij lid 5 van 2.41 Or:

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

73

Maximale bouwhoogtes voor de gebieden waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren:

De locatie ligt in een gebied waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren. Het gaat om de radar van Volkel. De locatie ligt op circa 8,5 meter + NAP. Het planvoornemen bevat geen nieuwe bebouwing en de toegelaten bebouwing op de locatie bereikt met 1 bouwlaag met kap de 41 meter bouwhoogte zeker niet. Het planvoornemen heeft daardoor geen gevolgen voor militaire gebieden in het bijzonder de radar van Volkel. Binnen de gemeente Bernheze is geen laagvlieggebied aangewezen voor helikopters, waardoor dit geen gevolgen heeft voor het planvoornemen. Elektriciteitsvoorziening (netwerk, grootschalige opwek, hoogspanningsleidingen, hoogspanningsverbinding 150 kV) In artikel 5.156 e.v. Bkl zijn regels opgenomen voor locaties voor elektriciteitsvoorziening.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

74

Locaties voor grootschalige elektriciteitsopwekking Deze locaties zijn aangewezen in bijlage XV, onder A, van het Bkl waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. Er zijn in Bernheze geen locaties voor grootschalige energieopwekking. Locaties voor kernenergie Locaties voor een kernenergiecentrale zijn de locaties, genoemd in bijlage XV, onder B. Er is in de gemeente Bernheze geen locatie voor kernenergie aangewezen. Locaties voor hoogspanningsverbinding Locaties voor een hoogspanningsverbinding met een spanning van ten minste 220 kV zijn de tracés tussen de locaties, genoemd in bijlage XV, onder C, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd en de tracés tussen een locatie voor grootschalige elektriciteitsopwekking en het hoogspanningsnet met een spanning van ten minste 220 kV. In bijlage c is de lijn Boxmeer – Uden – ’s Hertogenbosch aangewezen. Maar in arrtikel; 2.36 lid 4 Omgevingssregeling en de bijbehorende kaart komt deze hoogspaningsverbinding niet voor. Er zijn in de gemeente Bernheze geen hoogspanningsverbindingen waarop het BKL van toepassing is.

Hoogspanningsverbinding 150 kV Er ligt in Bernheze wel een hoogspanningsverbinding van 150 kV. Deze verbinding is niet in het Bkl opgenomen. Bij projecten moet wel rekening worden gehouden met deze hoogspanningsverbinding. Dit ‘rekening houden met’ heeft echter geen betrekking op het vrijhouden van ruimte ten behoeve van toekomstige uitbreiding, maar met veiligheids- en gezondheidsafstanden. Omdat in de nabijheid van het planvoornemen geen sprake is van een dergelijke hoogspanningsverbinding is dit onderdeel niet belemmerend voor het planvoornemen, bovendien wordt geen nieuwe functie voor langdurig verblijf gerealiseerd.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

75

6.1.6.2 Bovenlokale infrastructuur of voorzieningen Kabels en leidingen verschillen in omvang en wat zij vervoeren. Daarnaast liggen kabels en leidingen in verschillende (openbare) gronden, waardoor verschillende belangen geraakt worden. Bij de aanleg kunnen meerdere regels in diverse juridische instrumenten van toepassing zijn. Verantwoording planvoornemen Binnen het plangebied bevinden zich geen kabels en leidingen die relevant zijn. Bij dit planvoornemen gaat het niet om de aanleg van kabels en leidingen. Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor het planvoornemen of andersom. 6.1.7

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt op grond van paragraaf 5.1.8 van het Bkl in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen bevat geen openbare buitenruimte. Het zorgt ook niet voor de verandering van bestaande openbare buitenruimte of iets dergelijks. Toegankelijkheid van de openbare buitenruimte is voor het planvoornemen geen thema.

6.2

Besluit milieueffectrapportage

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EUrichtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r.

alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

76

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Verantwoording planvoornemen Een project is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien het project is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de waarden in kolom 2 van de Bijlage V van het Omgevingsbesluit worden overschreden dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. Indien de waarden in kolom 2 niet overschreden worden dient er een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling betreft het omschakelen van een bedrijfs- naar een burgerwoning, waarbij bedrijfsbeeindiging plaatsvindt en vijf camperplekken als ondergeschikte aan huis gebonden functie worden gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling is niet opgenomen in Bijlage V van het omgevingsbesluit. Het opstellen van een m.e.r. beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

6.3

Groen en natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebiedsen soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.3.1

Groen

Bomen en ander groen zijn belangrijke middelen om de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit te behouden en zelfs te vergroten. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is daarom een groenparagraaf vereist waarin aandacht is voor groen, bomen en natuur. Initiatiefnemers laten daarmee zien hoe zij voldoen aan de groennorm, hoe zij omgaan met waardevol bestaand groen en aanwezige flora en fauna en hoe zij met hun nieuwe inrichting en soortkeuze bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en de biodiversiteit. Een ontwikkeling mag geen negatieve invloed hebben op de belangrijkste bomen in de omgeving. De gemeente heeft dit beschreven in haar bomenbeleidsplan en vastgelegd in de Kaart monumentale en toekomstbomen en op groenstructuurkaarten. Het is van belang om inzicht te krijgen of de nabijgelegen bomen (binnen een afstand van 20 meter van de plangrens) worden verstoord. Indien het plan dicht bij een boom wordt gerealiseerd dient deze te worden beschermd, zowel boven als onder de grond. Middels een Boom Effect Analyse (hierna: BEA) (deskundig rapport voorzien van een kwaliteitslabel) wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor een passende bescherming. Indien er werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de boombeschermingszone (tot 1,5meter buiten de kroonprojectie) dient er een plan van aanpak opgesteld te worden hoe met de boomwortels wordt omgegaan (BEA).

Er mogen geen graafwerkzaamheden uitgevoerd worden in de buurt van de bomen. Verantwoording planvoornemen

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

77

Hieronder is een uitsnede opgenomen van het BOR-systeem van de gemeente Bernheze. Daarop is te zien in hoeverre de bestaande groenstructuur eruitziet en hierop zijn de waardevolle bomen opgenomen.

Aan de straatzijde is een grasberm welke door de gemeente ecologisch beheerd wordt (met blauw aangegeven). In de grasberm staan laanbomen (groene bolletjes met zwarte rand), deze zijn behoudenswaardig, maar hebben geen monumentale status. De beplanting zal door de ontwikkeling niet worden aangetast, omdat ze blijven behouden en er geen programma is geprojecteerd of werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone. 6.3.2

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd gebleven. Het is van belang om inzicht te krijgen of voorgenomen plannen geen negatieve effecten hebben op (beschermde) flora en fauna. Middels een ecologische quickscan, welke jaarrond uitgevoerd kan worden, wordt een locatie beoordeeld of beschermde soorten aanwezig (kunnen) zijn. De Ecologische QuickScan Analyse dient door een deskundig bureau te zijn uitgevoerd. Blijkt uit de conclusie dat er schadelijke effecten voor beschermde soorten aanwezig is dan haakt de wet natuurbescherming aan. Verantwoording planvoornemen Om te bepalen of het planvoornemen een activiteit betreft met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten is door Buro Maerlant een quickscan

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

78

soortenbescherming uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd bij deze motivering (bijlage 8) en kent de navolgende conclusie en advies. “Conclusie Soorten In het plangebied of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen waar rekening mee gehouden dient te worden: -

Algemene broedvogels (niet jaarrond beschermd). Dieren en planten algemeen vanuit de zorgplicht.

Effecten Op basis van de aard en omvang van het plangebied en het feit dat preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten en/of planten en dieren algemeen te verwachten. Advies Preventieve maatregelen Vogels algemeen Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, wordt aanbevolen bij buitenwerkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. De meeste vogels broeden in de periode maart t/m juli. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld dat er geen broedende vogels binnen de invloedssfeer van de ingrepen aanwezig zijn, is het ook mogelijk binnen deze periode te werken. Het wegnemen en/of opzettelijk verstoren van nesten van broedende vogels is conform de Omgevingswet niet toegestaan. Beplantingen dient men met inachtneming van het bovenstaande ook buiten de broedperiode te verwijderen indien nodig. Zorgplicht overige soorten De Omgevingswet stelt dat eenieder naar redelijkheid zorgvuldig met planten en dieren in het wild dient om te gaan. Het betreffen beschermde en niet beschermde soorten. Uit voorgaande blijkt dat geen sprake is van een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=37a1ddf1-f016-45f1-983c-3ed59558c33d