CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD

Commissie Ruimte en Leefbaarheid 13 mei 2026, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 Heeswijk-Dinther30.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Door slim mee te koppelen met klimaatadaptieve maatregelen en het bundelen met initiatieven voor gezond biologisch voedsel maken we de GGS robuust. Door

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

31

de GSS aan te sluiten op het natuurnetwerk Brabant verwachten we dat de biodiversiteit in de GGS gaat toenemen. Landschappelijke inpassing maakt onderdeel uit van het initiatief waardoor aantrekkelijk groen, meer biodiversiteit en klimaatadaptieve maatregelen aan de orde zijn. -

Actief worden, tot rust komen en elkaar ontmoeten

Niet alleen in de Groene gezonde structuren, ook daarbuiten stimuleren we activiteit in het groen. Om de gezondheid verder te bevorderen creëren we plekken om tot rust te komen. De mentale gezondheid bevorderen we door het ontmoeten en contact hebben met anderen te stimuleren bijvoorbeeld in pluktuinen of natuureducatie. Het zorgen voor elkaar past goed bij ons dorpse karakter. De gemeenschapshuizen, coöperaties om samen te wonen, energie op te wekken en voedsel te verbouwen leveren voordelen op voor de gezondheid. Geen sprake is van openbare ruimte. Het initiatief is gelegen in het buitengebied en is als woonperceel relatief groot. Op het perceel is ruimte voor een eigen pluktuin, het verbouwen van groenten en voor beweging waardoor op eigen terrein ruimte is voor fysieke inspanning/ tot rust komen. -

Inclusief

Inclusiviteit versterken we door de toegankelijkheid te vergroten, omdat we vinden dat onze openbare ruimte van en voor iedereen is. Openbare ruimte is geen onderdeel van het planvoornemen. 2.

Leefbare kernen

Om de dorpskernen leefbaar te houden wil de gemeente passende woningen, duurzame mobiliteit, veiligheid, voldoende voorzieningen en een levendige gemeenschap. Daarbij onderscheidt ze de volgende richtinggevende ambities: -

Identiteit van de kernen versterken

Elke kern onderscheidt zich. De karakters van onze diverse kernen versterken we. Hoe we dit precies doen en een precieze beschrijving (van de karakters) van de kernen werken we in de komende jaren uit in een programma per dorpskern. Het planvoornemen is niet gelegen in de kern, maar in het buitengebied. Het planvoornemen zelf (vijf camperplekken) en de landschappelijke inpassing die er onderdeel van uitmaakt draagt bij aan de identiteit van de plek en het gebied als geheel. -

Innovatief, compact, betaalbaar wonen

We staan voor een enorme woningbouwopgave. Door innovatief in te breiden met een compact, betaalbaar en divers woningaanbod, zien we kansen om deze woningbouwopgave te combineren met de eerder genoemde opgaven. We willen een grote variatie aan woningen, die aansluit bij de behoefte. Bijzonder aandacht geven we aan de toename aan ouderenwoningen, gezien de vergrijzing de komende 20 jaar. Omdat we tempo willen maken, zullen we ook in de kernranden gaan bouwen. Gezondheid, groen, klimaat, landschap en water zullen sturend zijn bij het bepalen van de locatie en de inrichting. Het planvoornemen bestaat uit de omschakeling van een vrijstaande bedrijfs- naar een burgerwoning. Het gaat hier niet om de toevoeging van een woning, maar het binnen de

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

32

bestaande voorraad bereikbaarder maken van een woning. Dit levert slechts een kleine bijdrage (doorstroming) aan de woonopgaven waarvoor we staan. Het planvoornemen heeft andere doelstellingen als ambitie: verdwijnen bedrijfsfunctie en bijbehorende toegelaten bebouwing. - Groen, klimaatadaptief en circulair Om de kernen goed op de toekomst voor te bereiden, werken we aan groene, klimaatadaptieve en natuurinclusieve kernen. Groen, omdat we inmiddels weten dat dat bijdraagt aan een positieve gezondheid. We gaan werken met een groennorm, om zeker te stellen dat ook onze kwetsbare medemens voldoende ruimte heeft om te spelen, te bewegen en te ontmoeten. De weersextremen van droogte en hitte tot wateroverlast komen steeds vaker voor en dat betekent dat we onze kernen klimaatadaptief maken. Vasthouden van water, afkoppelen van regenwater van rioolwater en minder tegels en andere verharding dragen bij aan infiltratie van regenwater in de bodem. Bij grote wateroverlast zullen we echter nabij de kernen op zoek gaan naar tijdelijke waterbergingsgebieden. Met natuurinclusieve kernen zorgen we dat de flora en fauna mee kan profiteren van onze gebouwde omgeving. Zowel in het groen als in en op de gebouwen. In de Peelhorst en het beekdallandschap zijn we terughoudend met bouwen en de aanleg van zonneparken. Het planvoornemen ligt in het beekdallandschap.

Hier is de reservering voor waterberging relevant. Het planvoornemen draagt hier door de vermindering van verharding (bebouwing) aan bij. Verder wordt door landschappelijke inpassing aanvullend bijgedragen aan het meer klimaatadaptief maken van de gemeente. -

Vitale dorpscentra

Met behoud van het dorpse karakter kiezen we voor compacte, aantrekkelijke en vitale dorpscentra. Het planvoornemen ligt in het buitengebied en draagt daardoor niet bij aan het behoud van het dorpse karakter van bijvoorbeeld Heeswijk-Dinther. Het is hier ook niet strijdig mee. -

Meer prioriteit aan langzaam verkeer en ontmoedigen doorgaand verkeer

Om de aantrekkelijkheid van onze hele gemeente te vergroten geven we meer prioriteit aan voetgangers en fietsers. We kiezen voor autoverkeersluwe en verkeersveilige kernen en een buitengebied met veilige en aantrekkelijke routes voor wandelen en fietsen. Hoe we dat precies doen, werken we later uit in een programma, in deze visie stellen we een aantal ambities op hoofdlijnen voor. Bovenlokaal verkeer leiden we snel af naar de snelwegen A50 en A59 en de provinciale weg N279 en zo voorkomen we onnodig verkeer over ons smalle wegennet. We willen op het huidige niveau het openbaar vervoer handhaven en slimmer maken. Zo willen we ervoor zorgen dat er geen vervoersarmoede ontstaat. De ligging van de locatie alsook het planvoornemen zelf dragen niet bij aan deze doelstellingen, het is hier ook niet strijdig mee. -

Aantrekkelijk wonen en leven

Bernheze is een gemeente waar men naar elkaar omziet. Dat willen we zo houden. Dat stelt eisen aan wat we bouwen, hoe we wijken inrichten en voor wie we bouwen. Een gezonde leeftijdsmix en ruimte voor diverse combinaties van wonen en zorg en andere voorzieningen stellen we centraal. Sommige naoorlogse wijken willen we revitaliseren.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

33

De locatie is gelegen in het buitengebied. Er wordt door het planvoornemen geen woning toegevoegd aan de woningvoorraad, maar er wordt er eentje bereikbaarder gemaakt omdat deze omschakelt van een bedrijfs- naar een burgerwoning. Maar, door de kleinschaligheid van het initiatief levert deze slechts een kleine bijdrage (doorstroming) aan de woonopgaven waarvoor we staan. Het planvoornemen heeft andere doelstellingen tot ambitie: verdwijnen bedrijfsfunctie en bijbehorende toegelaten bebouwing. -

Duurzame kernen

We maken onze kernen duurzaam. Dat betekent dat we in rap tempo meer circulair, CO2 neutraal, gasloos en natuurinclusief worden. Het planvoornemen draagt bij aan de doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, biodiversiteit en waterberging. -

Veilige leefomgeving

Onze kernen maken onderdeel uit van een veilige leefomgeving. Naast de meetbare veiligheid (rationeel) hebben we ook aandacht voor de beleefde veiligheid. We hanteren het principe dat bij florerende en innoverende ondernemingen ondermijning geen kans maakt. Voor het planvoornemen zijn de omgevingsrisico’s in beeld gebracht. Elders in deze motivering wordt daarop ingegaan. Hieruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. -

Ruimte aan inwonersinitiatieven

Inwoners en ondernemers nodigen we uit om bij te dragen aan de ambities van de omgevingsvisie. We geven als gemeente daarom ruimte aan inwonersinitiatieven. Het planvoornemen is een particulier initiatief. 3.

Klimaatadaptatie en herstel van biodiversiteit

Het doel is schoner water, herstel biodiversiteit, minder wateroverlast, droogte en hittestress. De richtinggevende ambities hiervoor zijn als volgt: -

Water en bodem sturend

De eerste fundamentele keuze die we maken is dat water en bodem leidend zijn bij de keuzes die we maken. Dit betekent veel voor de inrichting en op welke locaties welke activiteiten plaats kunnen vinden, zoals woningbouw, landbouw, recreatie en natuur. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Heeswijk-Dinther (Bernheze). De hoogte van de grondwaterstand en de waterdoorlatendheid van de bodem zijn niet belemmerend v.w.b. het aspect water. De bodemkwaliteit van het plangebied is (inmiddels) goed. Het plangebied is daarnaast relatief groot in verhouding tot de bebouwing die wordt gerealiseerd, waardoor veel ruimte overblijft voor water, beplanting en dergelijke. -

Vasthouden van elke druppel water

Het watersysteem was tot nu toe ingericht om snel water af te voeren. De enorme gevolgen van hitte en droogte vraagt om een omslag in het huidige systeem: naar het vasthouden van water. Het waterschap neemt hierin het voortouw en laat beken meer meanderen, maakt watergangen ondieper en met stuwen voorkomen dat het water het gebied verlaat. Door

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

34

klimaatverandering zullen deze vaker en langduriger voorkomen. Tegelijkertijd zullen we bij hevige piekbuien voorzieningen moeten treffen om water tijdelijk op te slaan. Het grondwaterniveau ligt voldoende laag om het in het plangebied vallende regenwater grotendeels bovengronds te bergen en droge voeten te houden. Hiervoor is in het plangebied voldoende ruimte aanwezig. -

Aangename plekken

Rekening houdend met extremere weersomstandigheden realiseren we aangename plekken waar iedereen toegang toe heeft in de openbare ruimte. Loofbomen met een groot kroonoppervlakte en op de lange termijn geschikt zwemwater kunnen voor verkoeling zorgen. Om het gevaar voor natuurbranden te verminderen gaan we naaldbossen omvormen naar loof- of gemengd bos. Het planvoornemen bevat de omschakeling van een bedrijfsperceel met bedrijfswoning naar een woonperceel in het buitengebied, geen sprake is van openbare ruimte. Het woonperceel bevat veel ruimte voor het realiseren van aangename plekken die recht doen aan de extremere weersomstandigheden. -

Herstel biodiversiteit

De opgave voor het herstellen van de biodiversiteit is fors en daarom nemen we ook in Bernheze een flink aantal stappen. We beschermen vanzelfsprekend wat we al hebben en herstellen de biodiversiteit waar kansen zich voordoen. Naast de grotere natuurgebieden als de Peelhorst en het beekdallandschap, vragen bijvoorbeeld de Ecologische VerbindingsZones (EVZ), weidevogelgebieden, zandwegen, houtwallen, (natuurvriendelijke) oevers en lanen onze aandacht. De biodiversiteit in het plangebied is op dit moment niet als bijzonder waardevol beschouwd, maar er ligt wel een opgave voor de realisatie van natuurontwikkeling in de vorm van een Ecologische VerbindingsZone. Deze wordt ter plaatse niet gerealiseerd (want kan niet doorlopend gerealiseerd worden), maar is door de nieuwe invulling (planvoornemen incl. landschappelijke inpassing) hier niet belemmerend in. Verder wordt de locatie landschappelijk ingepast en neemt de verharding (bebouwing) af wat een positief effect zal hebben op de biodiversiteit. -

Energie inpassen in het landschap

Energieneutraal worden, met oog voor het landschap vinden we passen bij het zorg dragen voor onze leefomgeving. Initiatiefnemers van zonneparken en windmolens houden rekening met de fauna en belangrijke landschappelijke waarden. Het planvoornemen bestaat niet uit een zonnepark of windmolens, dat is ook niet wenselijk in het beekdallandschap. Onderdeel van het planvoornemen is wel de opwekking van duurzame energie voor eigen gebruik (zonnepanelen op het dak). -

Bewustwording en gedrag

Om maximaal de 30.000 inwoners en ondernemers te vragen zich in te zetten voor klimaat en natuur zetten we ook in op bewustwording en gedrag. Het planvoornemen is geen bewustwordingsproject, maar draagt door de groene inrichting ervan en de restauratie van cultuurhistorische waarden wel aan bij.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

35

4.

Een vitale en duurzame landbouw en economie

Om een vitale en duurzame landbouw en economie te realiseren zijn de randvoorwaarden: gezondheid, meer kringloop-landbouw, schone energie en circulaire economie. De volgende ambities staan daarbij centraal: -

Innovaties in voedsel- en grondstof-productie

Bernheze blijft een innovatieve toplocatie voor (grootschalige) voedsel- en grondstofproductie. We zetten onze kennis en mensen in om koploper te blijven en te laten zien hoe we met technische innovaties en slimme bedrijfsvoering ook in de nieuwe opgaven kunnen voorzien. We zorgen dat het vestigingsklimaat uitstekend blijft. Onderdeel van een aantrekkelijk vestigingsklimaat is goede huisvesting, het planvoornemen voorziet daarin. -

Extensivering

We geven graag ruimte aan innovatieve andere (meer extensieve) vormen van landbouw. Deze willen we graag concentreren in het Peelhorstgebied en het beekdallandschap van de Aa en Leijgraaf. Het planvoornemen ziet niet op de functie landbouw. -

Combineren van sterke landbouw met groen-blauwe functies

Waar nog gezonde jonge bedrijven aanwezig zijn en ook groen-blauwe opgaven liggen, zoeken we naar maatwerk. De bedrijven blijven in hun huidige omvang ondernemen. Waar mogelijk ontwikkelen we nieuwe bossen of natuurlijke gebieden, bij voorkeur samen met de daar aanwezige boeren. Het planvoornemen ziet niet op de functie landbouw. -

We beperken overlast en zoneren zorgvuldig

De landbouw gaat meer rekening houden met andere functies en wil de overlast en risico’s op gezondheidsschade beperken. Nabij de kernen gaan we ondernemers die willen groeien vragen of ze op een andere plek in het dekzandgebied verder willen boeren. Groei nabij de kernen van overlast gevende bedrijven vinden we niet meer passend. Het planvoornemen ziet niet op de functie landbouw. Verderop in deze motivering is gemotiveerd dat de huidige landbouwbedrijven in en om de gemeente geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Andersom belemmert het planvoornemen huidige landbouwbedrijven niet. -

Nieuwe verdienmodellen

We zetten in op nieuwe verdienmodellen voor een vitale landbouwsector op het gebied van biobased grondstoffenteelt, natuur- en landschapsbeheer, energie, recreatie en toerisme etc. Daar moet dan wel een marktconforme vergoeding tegenover staan. Het planvoornemen ziet niet op de functie landbouw en kan zolang er geen biobased grondstoffenteelt in de gemeente is afnemer zijn en een marktconforme vergoeding bieden. Bovendien maken bouwactiviteiten geen onderdeel van het planvoornemen uit. -

Aandacht voor de menskant

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

36

De transitie van de landbouw heeft ook een emotionele kant. We waarderen het initiatief van de landbouworganisaties om aandacht te geven aan de menskant van de ondernemer. Het planvoornemen ziet niet op de functie landbouw. -

Duurzame en toekomstbestendige economie

De opgave om de stikstofuitstoot te verminderen, circulair, klimaatbestendig, natuurinclusief, energieneutraal te worden en social return uit te werken raakt ook het bedrijfsleven. Onze ondernemers vragen we hierin het voortouw te nemen. Het planvoornemen draagt bij aan diverse van deze doelen, denk aan klimaatbestendig en natuurinclusief. Hiervoor is dit reeds gemotiveerd, het komt ook tot uiting op andere plekken in deze motivering. -

Koesteren en stimuleren van lokale bedrijvigheid

De lokale bedrijvigheid in Bernheze is sterk ontwikkeld en zorgt voor werkgelegenheid en levendige dorpskernen. Deze stimuleren we waar mogelijk. Regionale bedrijfsterreinen zijn na Heesch West niet meer wenselijk. Het planvoornemen bestaat niet uit de vestiging, uitbreiding of iets dergelijks van een onderneming. -

Hernieuwbare energie en sterke elektriciteitsinfrastructuur

Om aan de opgaven in de RES te voldoen zal Bernheze indien zonnedaken en -parken onvoldoende opleveren ook inzetten op windmolens aan de westgrens van de gemeente. Om de elektriciteitsvraag met hernieuwbare energie te kunnen bijbenen zijn forse investeringen nodig in de elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast juichen we experimenten toe om energie op te slaan. Voor energiecoöperaties of agrariërs liggen daar kansen. Het planvoornemen bevat zonnepanelen voor eigen gebruik (op het dak). Zoveel mogelijk zal ervoor gezorgd worden om in de eigen energiebehoefte te voorzien. 5.

Het behoud en verbetering van de kwaliteit van landschap en erfgoed

Van belang is het versterken van de cultuurhistorie, beschermen en behouden van landschappelijke waarden, kwaliteit openbare ruimte. De volgende ambities zijn hiervoor richtinggevend: -

Beschermen en herstellen van cultuurhistorische elementen en structuren

Bernheze kent een rijke geschiedenis, waarbij in het landschap en in onze kernen cultuurhistorische elementen nog steeds zichtbaar zijn. Deze willen we behouden. Op en rondom de locatie is geen sprake van cultuurhistorische elementen. Behoud of versterking hiervan is met die reden niet aan de orde. Toekomstige ontwikkelingen benutten de kenmerken van het landschap en het erfgoed Ons erfgoed en landschap zijn een inspiratiebron voor toekomstige ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Op deze manier blijft de geschiedenis leesbaar.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

37

Het planvoornemen sluit aan bij de kenmerken van het gebied, net als de landschappelijke inpassing ervan. -

Toegankelijk en beleefbaar erfgoed en landschap

De kwaliteit van ons landschap en erfgoed zijn de herkomstwaarde van Bernheze. Deze willen we omarmen en onderdeel maken van ons onderscheidend vermogen. Daarom kiezen we ervoor om de toegankelijkheid en beleefbaarheid van erfgoed en het landschap te vergroten. Het planvoornemen sluit aan bij de kenmerken van het gebied, net als de landschappelijke inpassing ervan. -

Concrete projecten ondersteunen

We geven het erfgoed een nieuwe toekomst door de totstandkoming van nieuwe projecten te ondersteunen. Je kunt dan denken aan de Bronsschat, het Geopark en monumentale gebouwen. Het planvoornemen raakt het aspect erfgoed niet. Uit voorgaande blijkt dat het planvoornemen bijdraagt aan de doelstellingen zoals in de Omgevingsvisie Bernheze 2040 voor de gemeente zijn geformuleerd. 5.4.2

Beleidsnotitie Aanpak VAB Bernheze

De beleidsnotitie ‘Aanpak VAB Bernheze’ bevat het algemene beleid voor het buitengebied voor wat beteft bestaande bouwpercelen. Voornamelijk gaat het om voormalige agrarische bedrijfslocaties, maar ook is het beleid relevant voor andere bestaande bouwpercelen. Het beleid geeft weer wat de gemeente beoogt voor het buitengebied en op welke plek. In dit beleid is opgenomen dat omschakelen naar ‘Wonen’ - onder voorwaarden - overal mogelijk is, behalve wanneer het bedrijf is gelegen binnen de bestemming Agrarisch Landbouw ontwikkelingsgebied. In geval van omschakelen naar “Wonen” moet ook de bedrijfsbebouwing worden gesloopt. Er mag nog maximaal 500 m2 blijven staan, dit volgt uit artikel 3.4.1 sub b van het bestemmingsplan ‘Vrijkomende Agrarische bebouwing Bernheze 2018’. Waarin is opgenomen dat het gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen van maximaal 100 m² mag worden vermeerderd als overtollige bebouwing (overmaat) wordt gesloopt. De vermeerderding mag maximaal 75% van het te slopen oppervlak bedragen tot een maximum oppervlakte van 500 m². Verder kijkt de gemeente voor wat betreft het toestaan van andere functies naar het gebied waarin de nieuwe te ontwikkelen functie is gelegen. Op basis van de kwaliteiten van het gebied wordt ‘maatwerk’ toegepast.

Dat betekent dat in een gebied dat in het Aa-dal in verband met de natuur en recreatieve waarden andere afwegingen worden gemaakt dan midden in een landbouwgebied waar agrarische productie voorop staat. De locatie ligt in het buitengebied in een beekdal. Het planvoornemen bestaat uit de omschakeling van een bedrijfs- naar een burgerwoning met vijf camperplekken aan huis. Daarnaast is de sanering van een niet-agrarische bedrijfsfunctie die ook niet buitengebied gebonden is onderdeel van het planvoornemen. Onderdeel van het planvoornemen is ook de sloop van een deel van de bebouwing. Er wordt 263 m² (overmaat) verwijderd, waardoor in

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

38

de toekomstige situatie meer bebouwing kan blijven staan dan de regulier toegelaten 100 m2 aan bijgebouwen. In onderhavige situatie geldt dat er bovenop de 100 m², niet meer mag worden toegevoegd dan 197,25 m² (75% van 263 m2). De totale hoeveelheid aan bijgebouwen in de toekomstige situatie van 170 m² (100 + 70), blijft ruim onder deze hoeveelheid. Het beekdal is qua waterberging, maar ook ecologie en recreatie interessant. Het planvoornemen dat een extensieve vorm van recreatie bevat, is hier goed passend. Het geeft mensen de mogelijkheid te recreëren in dit gebied, maar slechts op kleine schaal. Hierdoor blijven de ecologische waarden beschermd. Verder zorgt deze vorm van recreatie niet voor meer bebouwing, wat ongewenst is in een beekdal waar ruimte voor water voorop staat. Het planvoornemen sluit aan bij de beleidsnotitie Aanpak VAB Bernheze. 5.4.3

Kwaliteitsverbetering van het landschap

De uitgangspunten vanuit de provinciale verordening ten aanzien van de kwaliteitsverbetering zijn onder andere door de gemeente Bernheze doorvertaald in een raadsbesluit Beleidsregel landschappelijke kwaliteitsverbetering (d.d. 14 maart 2013) en zijn van toepassing op alle ontwikkelingen in het buitengebied die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan vanuit ruimtelijke overwegingen toch medewerking wordt verleend. Niet alle ontwikkelingen hebben een even grote negatieve impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien is een onderscheid te maken tussen ontwikkelingen die echt thuishoren in het buitengebied en ontwikkelingen die dat minder doen, zoals wonen of niet-agrarische bedrijfsfuncties. De impact wordt onder meer bepaald door: • de omvang van de ontwikkeling (of daarvoor een vergroting van het bestemmingsvlak of bouwvlak nodig is); • in hoeverre er sprake van nieuw ruimtebeslag of het gebruik maken van bestaande bebouwing; • de aard van de locatie en de omgeving; • de aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving,(verkeersaantrekkende werking, geluid, milieucategorie); • een (traditioneel) gebiedseigen of gebiedsvreemde ontwikkeling; • de 'gewenstheid' van een ontwikkeling vanuit een (sectorale) beleidswens.

Er zijn drie verschillende categorieën die de basis vormen voor de nadere uitwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap (conform artikel 5.11 OV). • Categorie 1: voor ontwikkelingen die geen of een verwaarloosbare impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik geldt geen landschappelijke tegenprestatie. • Categorie 2: voor ontwikkelingen die een beperkte impact hebben ten opzichte van het huidige gebruik op de omgeving is een landschappelijke inpassing vereist. • Categorie 3: grote impact, landschappelijke inpassing 'plus', passend bij een goede ruimtelijke ordening en in verhouding staand tot de waardeontwikkeling. Toetsing aan beleidskader Het planvoornemen betreft een categorie 2-ontwikkeling, waarbij landschappelijke inpassing uitgangspunt is. Het planvoornemen bevat namelijk: •

Minicampings met kleinschalige kampeergelegenheden tot een maximum van 25 mobiele kampeermiddelen;

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

39

•

Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.

Landschappelijke inpassing maakt dan ook onderdeel uit van het initiatief. De beoogde landschappelijke inpassing is weergegeven in paragraaf 2.2.1 en bijlage 1 van deze motivering. Ook is de landschappelijke inpassing via de regels van dit omgevingsplan geborgd v.w.b. uitvoering en instandhouding.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

40

6 Aspecten fysieke leefomgeving 6.1

Kwaliteit leefomgeving

6.1.1 Veiligheid Art. 2.25 en 2.26 van de Omgevingswet bepalen dat een omgevingsplan moet voldoen aan Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). 6.1.1.1

Externe veiligheid

Omgevingsveiligheid richt zich op het beschermen tegen incidenten met gevaarlijke stoffen, die voor de omgeving tot slachtoffers en maatschappelijke ontwrichting kunnen leiden. Het gaat bijvoorbeeld om incidenten bij opslag en bewerking van gevaarlijke stoffen. Maar het gaat ook over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water en over het spoor of via buisleidingen en risico’s als gevolg van windturbines. De regels om ervoor te zorgen dat de risico’s rondom omgevingsveiligheid aanvaardbaar zijn staan in het Bkl, afdeling 5.1.2 (instructieregels). In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

In het Bal zijn de volgende risicobronnen aangewezen als milieubelastende activiteit (waarvoor in het Bkl ook instructieregels zijn opgenomen): • • • •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Binnen het beleidskader voor activiteiten staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hieronder zijn beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

41

Groepsrisico (GR) Het zogenaamde groepsrisico speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van de risico’s rondom externe veiligheid. Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval door gevaarlijke stoffen een groep slachtoffers (10 of meer) valt. Daarmee is het ook een maat voor de beoordeling van de maatschappelijke ontwrichting bij een incident. Bij het beschouwen van het groepsrisico staan de aandachtsgebieden en de kwaliteit van het groepsrisico centraal. De aandachtsgebieden vormen daarmee een uitwerking van het groepsrisicobeleid van de Omgevingswet. Het zijn gebieden nabij een risicoactiviteit waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de nadelige gevolgen van een incident: warmtestraling door brand, overdruk door een explosie en een concentratie van giftige stoffen in de lucht door een gifwolk. Dit leidt tot drie typen aandachtsgebieden: • • •

brandaandachtsgebied; explosieaandachtsgebied; gifwolkaandachtsgebied.

De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Sprake is van aanvaardbaarheid van het groepsrisico als in een aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen/ locaties toe worden gelaten. Deze gebouwen en locaties zijn hier wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen worden genomen. Om dit te borgen neemt de gemeente in het omgevingsplan voorschriftengebieden (5.14 Bkl) op waarbinnen aanvullende bouweisen gelden (artikel 4.2.14 Bbl) of verbindt hiervoor vooruitlopend op opname in het omgevingsplan een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarmee een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw (optie) dan wel een zeer kwetsbaar gebouw (verplichting) wordt toegelaten (12.27c Bkl). Verantwoording planvoornemen Het planvoornemen bevat een bestaand beperkt kwetsbare gebouw (verspreid liggende woningen) en een beperkt kwetsbare locatie (vijf camperplekken). In en in de omgeving van de locatie is geen sprake van risicobronnen, waardoor geen plaatsgebonden risicocontour (10-6) aan de orde is. Ook ligt de locatie niet in een aandachtsgebied. Op de afbeelding hieronder van de risicokaart op www.atlasleefomgeving.nl is dit zichtbaar.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

42

Vanuit omgevingsveiligheid zijn er met die reden geen aandachtspunten ter plaatse die het planvoornemen belemmeren. Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor bronnen met een plaatsgebonden risicocontour of een aandachtsgebied. 6.1.1.2

Niet-gesprongen conventionele explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Verantwoording planvoornemen Voor het planvoornemen zijn geen grootschalige grondwerkzaamheden benodigd, daarom is geen onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Het is mogelijk dat op de locatie toevalsvondsten worden gedaan. Bij het vinden van een artikel wat er uit ziet als een explosief of munitie is het protocol om werkzaamheden te stoppen en iedereen lopend het werkterrein te laten verlaten (i.v.m. trillingen door voertuigen en machines) en de politie te bellen op 0900-8844. De Explosieven Verkenner (EV) of Team Explosieven Veiligheid (TEV) van de politie komt op de locatie beoordelen of het om munitie gaat die moet worden geruimd. Zo ja, schakelt deze de Explosieven Opruimingsdienst van Defensie (EODD) in. Zo nee, dan kunnen werkzaamheden worden hervat. 6.1.2

Beschermen van de waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl)

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

43

3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en) met een minimale capaciteit van 20 mm per m2 bouwwerk / verhard oppervlak.

Een watertoets is vereist bij toepassing van een wadi, infilratiekratten of groen dak. Verantwoording planvoornemen Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Toetsing van de waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbestemmingen’ komen aan bod. Waterkwaliteit Voor de waterkwaliteit van krw-waterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties zijn door het Rijk omgevingswaarden vastgesteld in het Bkl (afd 2.2.2). Als het omgevingsplan invloed heeft op de waterkwaliteit van deze waterlichamen, moet hierop getoetst worden. Met het planvoornemen wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Er wordt slechts bebouwing gesloopt. Ook is geen sprake van een nieuwe inrichting die niet of verminderd waterdoorlatend is dan in de huidige situatie het geval. Omdat daarnaast op de locatie geen gebruik wordt gemaakt van (bouw)materialen die een uitlogende werking hebben heeft dit omgevingsplan geen invloed op de waterkwaliteit.

Geen sprake is van andere activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit. Waterkwantiteit Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. De gemeente Bernheze heeft de taak om voor die riolering te zorgen. Dat houdt in zorgen voor: • • •

Stedelijk afvalwater Afvloeiend hemelwater Grondwatermaatregelen

Het Gemeentelijke Rioleringsplan (GRP) 2020 tot en met 2023, en vanaf 2024 het Programma Omgevingswet Water & Riolering (POW&R), geeft aan hoe Bernheze met deze drie

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

44

zorgplichten omgaat. Bernheze neemt doelmatige maatregelen om de leefomgeving aan te passen aan het veranderend klimaat. Daarnaast staat in het programma dat klimaatacceptatie en een gedragsverandering noodzakelijk is waarbij geaccepteerd moet worden dat extreme weersomstandigheden toenemen. Er zullen situaties voorkomen die ondanks alle doelmatige (klimaat)maatregelen nog steeds voor overlast zullen zorgen (denk aan hitte, droogte, wateroverlast en de kans op overstromingen). In het Programma Omgevingswet Water & Riolering staat omschreven dat de gemeente Bernheze een - niet-verplichtende - verwachting uitspreekt dat inwoners van de gemeente hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen. De hydrologische uitgangspunten van de Brabantse waterschappen zoals bovenstaand omschreven worden door de gemeente Bernheze in principe nageleefd maar zijn niet leidend; de gemeente Bernheze is het bevoegde gezag aangaande het verwerken van hemelwater. De ondergrens van de toename van het verharde oppervlak met 500 m2, waarbij volgens de Keur van de Brabantse waterschappen geen compensatie noodzakelijk wordt geacht, wordt door de gemeente Bernheze bijvoorbeeld niet gehanteerd. In Bernheze geldt conform het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 t/m 2023’ dat bij (her)ontwikkeling in de vorm van ver- of nieuwbouw het gehele plan aan 70 mm berging dient te voldoen.

Naast het Programma Omgevingswet Water & Riolering heeft de gemeente op 1 november 2021 de ‘Verordening fysieke leefomgeving’ vastgesteld. Hierin is met betrekking tot het onderwerp hemelwater opgenomen dat van de hemelwaterbergingsopgave (70 mm per m2 verharding) in ieder geval 20 mm berging op eigen terrein gerealiseerd worden. In onderhavige situatie is sprake van de afname van verharding. Er wordt bebouwing gesloopt. Ook blijft bebouwing bestaan (één woning met bijgebouwen). Verder worden vijf camperplekken gerealiseerd. De herinrichting van de locatie die hiervoor plaats moet vinden ziet niet op verminderde waterdoorlatendheid van de bodem. Hierdoor is geen sprake van een een hemelwaterbergingsopgave. Extreem weer en klimaatverandering Onderdeel in de afweging van planvoornemens is of een locatie in het kader van droogte, hitte, overstromingsrisico en wateroverlast geschikt is of anders geschikt is te maken. Op as50.klimaatmonitor.net is inzichtelijk wat hoe de locatie er op deze gebieden voor staat. Droogte Droogte wordt uitgedrukt in de gemiddeld laagste grondwaterstand. Droogte is aan de orde als sprake is van daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand. Daling heeft mogelijk negatieve gevolgen voor zowel landbouw als natuur.

Denk hierbij aan effecten als: daling van de gewasopbrengst in de landbouw, minder vitaliteit van (watergebonden) natuur, verminderde waterkwaliteit in stadsvijvers, verminderde toevoer van brongevoede beken en een verhoogde kans op natuurbranden. Op de afbeelding hieronder is zichtbaar hoe het plangebied ervoor staat voor wat betreft het aspect verdroging. Er is sprake van 17 centimeter verlaging van de gemiddeld laagste grondwaterstand in 2025 t.o.v. de referentiesituatie in 2015.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

45

Verdroging is niet goed, maar voor het planvoornemen dat bestaat uit de functie wonen met daaraan ondergeschikt vijf camperplekken vormt het niet direct een belemmering. Hitte Het aantal tropische zomers neemt naar verwachting tot 2050 verder toe. Het KNMI heeft in het "warmste" klimaatscenario berekend dat de zomertemperatuur zo'n 2,5 graad toeneemt vergeleken met het huidige klimaat. In 2085 zou het zelfs bijna 4 graden warmer worden in de zomer. Deze stijging wordt juist in het binnenland (oosten en zuiden) verwacht, dus ook in de regio Noordoost Brabant. Hitte heeft effect op de gezondheid van mens en dier. Door hitte lopen kwetsbare groepen zoals ouderen meer risico op uitdroging, en opwarmend oppervlaktewater is schadelijk voor flora en fauna. Hitte wordt uitgedrukt in de gevoelstemperatuur van een extreem warme dag, eentje die eens per 1000 zomerdagen voorkomt. De afbeelding hieronder geeft weer welke gevoelstemperatuur op zo’n dag op de locatie aan de hand is en wat de status van de leefbaarheid er is. Hierbij geldt dat rood overlast weergeeft en groen relatief koel is.

Op de locatie is zichtbaar dat er op warmere dagen relatief koelere plekken aanwezig zijn, dat komt omdat er veel groen en plekken waar schaduw aanwezig is. De afbeelding geeft

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

46

voor de vigerende situatie goed weer hoe het met de hitte gesteld is, echter zal de toekomstige situatie door het planvoornemen er net wat anders uitzien. Door de afname van bebouwing en toevoeging van landschappelijke inpassing zal de situatie verbeteren. Gezien voorgaande is op de locatie geen aanleiding voor het ontstaan van hittestress. Overstromingsrisico Diverse gebieden liggen lager dan de waterlopen. Dat maakt ze kwetsbaar voor overstromingen. Om overstromingen te voorkomen, hebben we in Nederland vele kilometers aan primaire en regionale waterkeringen om ons te beschermen. Als die dijken doorbreken kan er land overstromen. Op as50.klimaatmonitor.net is via een overstromingsbeeld in beeld gebracht waar het land overstroomt bij de meest extreme dijkdoorbraken van primaire en regionale keringen. Het gaat om een gecombineerd beeld van maximale waterdiepten door meerdere dijkdoorbraken. Afhankelijk van de hoogte en stabiliteit van de kering is de kans op doorbraak tussen eens in de 100 en eens in de 1000 jaar. Naast de risico's op dijkdoorbraken zijn ook de overstromingsdiepten van buitendijkse gebieden weergegeven. Het gaat dan om waterstanden die eens per 1000 jaar kunnen voorkomen, door afvoer vanuit hoger gelegen gebieden. Hieronder is een afbeelding weergegeven van het overstromingsbeeld ter hoogte van de locatie.

De afbeelding laat zien dat de locatie niet in een overstromingsgebied ligt in geval sprake is van de meest extreme dijkdoorbraken van primaire en regionale keringen. Het planvoornemen op deze locatie aanvaardbaar. Wateroverlast Korte, hevige buien zullen naar verwachting vaker voorkomen. Het watersysteem en de riolering zijn niet ontworpen op zulke extreme buien. Dit zou onevenredig veel geld kosten. Als zo'n bui valt blijft het water dus op straat of op het land staan, met risico's op schade en overlast. Op as50.klimaatmonitor.net is voor het in beeld brengen van de gevolgen van deze extreme buien de landelijke standaard (vanuit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie) gebruikt. Er is met het model 3Di een hevige bui doorgerekend die volgens het toekomstig klimaat in 2050 met een herhalingstijd van eens in de 100 jaar voor kan komen. Er is dus rekening gehouden met een nóg extremer klimaat in de toekomst. Dit geeft voor de locatie het volgende beeld.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

47

Uit de afbeelding blijkt dat het planvoornemen niet wordt geraakt door wateroverlast bij hevige regenval. Afvalwater Aangaande de afvoer van afvalwater is de gemeente bevoegd gezag. De locatie is in de huidige situatie reeds aangesloten op de drukriolering ter plaatse. In de nieuwe situatie neemt de hoeveelheid afvalwater ten opzichte van de vigerende situatie niet toe, omdat de ene grootschaligere bedrijfsfunctie wordt ‘verruild’ voor de andere aan het wonen ondergeschikte functie. De hoeveelheid afvalwater voor beide functies is vergelijkbaar. Daarbij blijft sprake van een woning, waarvoor de situatie eveneens niet verandert. Het wijzigen van de aansluiting op de riolering of iets dergelijks is niet aan de orde. Waterbestemmingen Langs het plangebied ligt de Leijgraaf, welke als ‘Water’ is bestemd. Aan beide zijden langs deze watergang is een aanduiding opgenomen voor de ontwikkeling van een EVZ. Deze aanduiding ligt ook op de locatie en wordt conform de systematiek van het omgevingsplan in dit omgevingsplan overgenomen. De vereisten die vanuit het waterschap gelden voor gronden die langs deze watergang zijn gelegen worden in acht genomen, o.a. omdat nabij de watergang geen ingrepen zijn voorzien die deze vereisten belemmeren. Conclusie Het wateraspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor de watersituatie ter plaatse.

6.1.3 Gezondheid en milieu Gezondheid gaat om twee aspecten: het beschermen van de gezondheid en het bevorderen van de gezondheid. Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.1.3.1

Luchtkwaliteit

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te beschermen tegen de gezondheidseffecten van luchtverontreiniging. Ze bevatten luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

48

voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen, dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM5). Overschrijding van de grenswaarden van andere stoffen komt bijna niet voor. Rijksomgevingswaarden In artikel 5.51 van het Bkl is opgenomen dat met name in aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de Rijksomgevingswaarden ten aanzien van NO2 en PM10, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Deze toetsing moet gedaan worden voor activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. Daarnaast zijn er activiteiten die de gemeente – als ze die wil toelaten - in ongeacht welk gebied moet toetsen: -

de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Bernheze ligt niet een aandachtsgebied zoals hierboven is bedoeld. Ook is Bernheze geen agglomeratie als bedoeld in artikel 2.38 Omgevingsregeling. Op de locatie wordt geen tunnel aangelegd of gewijzigd en ook geen autoweg of autosnelweg aangelegd. Luchtkwaliteit wonen en verblijven De gemeente moet beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten woning(en) aanvaardbaar is. Dit volgt uit de taak tot het evenwichtige toedelen van functies (artikel 4.2 Omgevingswet). Er gelden geen instructieregels. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen bijvoorbeeld de Rijksomgevingswaarden zijn, maar de gemeente kan ook strengere omgevingswaarden opnemen voor woningbouw. Bijvoorbeeld de advieswaarden van de WHO. Daarnaast beoordeelt de gemeente of de nieuwe woningen tot een overschrijding van de omgevingswaarden leiden. Gemeente Bernheze toetst aan luchtkwaliteit indien sprake is van significante blootstellingsduur en toetst of het initiatief in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Significante blootstellingsduur Omdat het planvoornemen bestaat uit het omschakelen van een bedrijfs- naar een burgerwoning is sprake van een locatie met een significante blootstellingsduur en is het relevant om de luchtkwaliteit ter plaatse te toetsen.

Voor de toetsing hanteert de gemeente de rijksomgevingswaarden (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²). Voor de vijf camperplekken is geen sprake van een significante blootstellingsduur en is toetsing niet aan de orde. Fijnstof (PM10) Voor fijnstof bedraagt de grens voor de jaargemiddelde concentratie 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor PM10 circa 16,01 μg/m3 bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de gestelde grenswaarden.

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

49

Stikstofdioxide (NO2) Voor stikstofdioxide geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 11,07 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden ligt. NIBM projecten De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine projecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Er is geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewassen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Besluit kwaliteitseisen leefomgeving geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM-situatie.

Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof. Gemeente Bernheze heeft geen aanvullende eisen vastgesteld voor fijnstof of NO2. Het planvoornemen bevat één van bedrijfs- naar burgerwoning om te schakelen woning en vijf camperplekken. Gezien voorgaande gaat het hier om een NIBM-project. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen, het planvoornemen vormt geen belemmering voor de luchtkwaliteit ter plaatse. 6.1.3.2

Luchtkwaliteit t.g.v. veehouderijen

Endotoxines en/of zoönosen Het houden van landbouwhuisdieren kan gezondheidseffecten hebben op de omgeving van de veehouderij. Dit kan bijvoorbeeld via endotoxinen en/of zoönosen. Een zoönose is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Endotoxinen zijn celwandresten van bacteriën die bij mensen onder meer luchtwegklachten kunnen veroorzaken. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in geval nieuwe milieugevoelige objecten worden gerealiseerd worden beoordeeld of dit aspect voor het planvoornemen tot gezondheidseffecten kan leiden. Het planvoornemen bevat geen nieuwe milieugevoelige objecten, maar wel een bestaand milieugevoelig object (om te schakelen bedrijfs- naar burgerwoning). De vijf camperplekken zijn doordat geen sprake is van een significante blootstellingsduur geen milieugevoelige objecten. Voor de volledigheid is wel aan het aspect endotoxines en/of zoönosen getoetst. Veehouderijen Geitenhouderijen: binnen een straal van 2 km rondom het plangebied is een geitenhouderij aanwezig, aan de Meerstraat op een afstand tussen 1,5 en 2 kilometer van het plangebied. Pluimvee- en varkenshouderijen: op 680 m2 is de dichtstbijzijnde veehouderij (Justitieweg), zijnde een varkenshouderij gelegen. Binnen 200 meter is daarmee geen sprake van een varkenshouderij.

Binnen 500 meter van het plangebied zijn geen pluimveehouderijen

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

50

gelegen, de dichtstbijzijde ligt op 690 meter (aan de Hommelsedijk). Binnen 500 meter is daarmee geen sprake van een pluimveehouderij. Advisering GGD De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Het stappenplan kan worden gebruikt bij het afgeven van milieuvergunningen. Het stappenplan kan ook gebruikt worden voor bestemmingsplannen. Als er meerdere ‘ja’s’ uit volgen is het een overweging om bij de GGD een advies aan te vragen om de cumulatie te bespreken. Stap 1 In deze stap moet beoordeeld worden of de ontwikkeling voldoet aan de endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. Het gaat daarbij om varkens- en pluimveehouderijen, waarvoor respectievelijk een afstand van circa 200 en 500 meter geldt. Binnen deze afstanden laten de metingen en berekeningen zien dat overschrijding van de door de Gezondheidsraad gegeven advieswaarde van 30 EU/m3 mogelijk is, als een ontwikkeling buiten deze afstanden zijn gelegen is het aannemelijk dat de waarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Voor zowel varkens- als pluimveehouderijen wordt voldaan aan de endotoxine ‘richt-afstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming. GGDadvies is niet aan de orde, ga verder naar stap 2.

Stap 2 De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/ of fijnstof en/ of ammoniak. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3a. Stap 3a In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan het wettelijke kader voor geurhinder. Dat betekent in onderhavige situatie in het buitengebied dat de voorgrondbelasting moet voldoen aan 10 OU/m3 en de achtergrondbelasting aan 20OU/m3. In paragraaf 6.1.3.9 is het aspect geurhinder afkomstig van veehouderijen getoetst. Gemotiveerd wordt dat wordt voldaan aan een voorgrondnorm van 10 OU/m3 en dat de achtergrondbelasting niet meer dan 20 OU/m3 bedraagt. In diezelfde paragraaf is ook het aspect ‘vaste afstanden’ beoordeeld. Voldaan wordt aan de voor de omgeving van het plangebied geldende afstanden tussen gevoelige functies en bedrijven met dieren waarvoor een vaste afstand geldt (50 meter). Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader voor geur. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 3b. Stap 3b In deze stap moet getoetst worden of in het plangebied voldaan wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voor geurhinder. Het gaat in onderhavige situatie dan om een voorgrondbelasting van 5 OU/m3 en een achtergrondbelasting van 10 OU/m3.

Voor veehouderijen waar dieren waarvoor een vaste afstand geldt, moet voldaan kunnen worden aan een afstand van 100 meter. Omdat er geen veehouderijen met dieren waarvoor een emissiefactor geldt in de directe omgeving liggen, is het aannemelijk dat wordt voldaan aan deze norm. Uit paragraaf 6.1.3.9 blijkt dat aan de achtergrondbelasting van 10 OU/m3 wordt voldaan. Binnen 100 meter van het plangebied worden geen dieren gehouden. Er ligt wel een agrarisch bedrijf binnen 100 meter van het plangebied (Hommelsedijk 41 op een afstand van 77 meter: afstand tussen bouwvlak bedrijf en gevoelige gevel). Maar op dit adres worden geen dieren gehouden, ook

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

51

is geen intensieve veehouderij toegelaten. Voldaan wordt aan de vaste afstand van 100 meter. Sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat a.d.h.v. de gezondheidskundige advieswaarde v.w.b. de voorgrondbelasting, achtergrondbelasting en de vaste afstand. GGDadvies is niet aan de orde. Ga verder naar stap 4. Stap 4a+b Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar meer dan één diersoort wordt gehouden. Er zijn geen varkens- en/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. GGD-advies is niet aan de orde, ga verder naar stap 5. Stap 5a Binnen een afstand van 2 km van het planvoornemen is een geitenhouderij gelegen, namelijk aan de Meerstraat in Heeswijk-Dinther. Dit leidt tot GGD-advies. Binnen een afstand van 500 meter van het planvoornemen zijn geen pluimveehouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGDadvies. Binnen een afstand van 250 meter van nieuwe woon- en verblijfsruimten zijn geen varkenshouderijen gelegen. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 6 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 6 Er is geen sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Dit leidt niet tot GGD-advies. Check of stap 7 nog tot een GGD-advies leidt. Stap 7 Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Dit leidt niet tot GGD-advies.

Uit het doorlopen van het stappenplan blijkt als enige aanleiding voor het aanvragen van een advies bij de GGD, stap 5a. Het plangebied is gelegen binnen twee kilometer van een geitenhouderij. De geitenhouderij ligt op meer dan 1,5 kilometer. Omdat stap 5a de enige aanleiding is voor het aanvragen van een GGD-advies, geen sprake is van de realisatie van een nieuw milieugevoelig object en de gemeente via andere vergelijkbare plannen reeds inzichtelijk heeft gekregen wat de gezondheidsrisico’s zijn die met deze stap gepaard gaan is besloten om voor onderhavige situatie geen advies bij de GGD te vragen. In verband met de ligging van het planvoornemen ten opzichte van een geitenhouderij is het aanvullend – volgend uit provinciaal beleid - gemotiveerd waarom het planvoornemen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij doorgang kan vinden. Deze motivatie is hieronder opgenomen. Motivatie geitenhouderijen Binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij is er een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Uit onderzoek is nog niet gebleken waar dit aan te wijten is. De provincie volgt de lijn uit de VGO2 – 03 en geeft aan dat de gemeentes een afweging moeten maken over het toevoegen van functies binnen deze straal van 2 kilometer.

Deze motivatie is als volgt: - de ontwikkeling is niet actief gericht op een kwetsbare doelgroep; - er is de mogelijkheid, voorafgaand, nieuwe bewoners te informeren om ze een bewuste keuze te laten maken;

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

52

-

-

het plan maakt geen nieuwe milieugevoelige objecten mogelijk, waardoor geen sprake is meer gehinderden; er is sprake van een versnelde transitie in de veehouderij. De effecten zijn velerlei maar betekenen in Bernheze in ieder geval dat behalve minder veehouderijen de impact van de resterende bedrijven op de omgeving drastisch zal verbeteren. Er is sprake van allerlei innovatieve ontwikkelingen die de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen zo niet geheel dan toch in beduidende mate zullen beperken. Als tijdelijke voorzorgsmaatregel heeft de provincie Noord-Brabant in 2017 besloten tot een moratorium die bouw en ingebruikname van nieuwe geitenstallen verbiedt; de initiatiefnemer is bekend met het in VGO-3 genoemd risico en neemt hier volledige verantwoordelijkheid voor. Tevens wijst initiatiefnemer evt. opvolgend koper(s) op dit risico door een kettingbeding in de koopovereenkomst op te nemen.

Gezien voorgaande feiten en overwegingen heeft de gemeente geconstateerd dat onderhavig planvoornemen zonder GGD-advies doorgang kan vinden. Conclusie De locatie is gelegen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Binnen deze straal is sprake van een verhoogd gezondheidsrisico. Er is een afweging gemaakt tussen het verhoogde gezondheidsrisico en het al dan niet ontwikkelen van het planvoornemen. Daarbij heeft de gemeente geconstateerd dat geen nieuwe milieugevoelige objecten worden gerealiseerd en door het planvoornemen geen sprake is van meer gehinderden en besloten voor het planvoornemen het omgevingsplan te wijzigen. 6.1.3.3

Houtstook

Houtstook mag niet leiden tot overlast bij buurtbewoners. Gebruikers van een bouwwerk, open erf of terrein moeten alle redelijke maatregelen nemen om overlast of hinder van onder andere rook, roet, walm en stof te voorkomen of te stoppen. Deze specifieke zorgplicht staat in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bruidsschat). Het gaat om artikel 22.18 (bouwwerken) en 22.20 (open erven en terreinen). Beide artikelen vervangen het overlastartikel 7.22 uit het Bouwbesluit. De gemeente kan deze specifieke zorgplicht verduidelijken of verder invullen in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld door toetsings- en handhavingscriteria op te stellen voor het beoordelen van overlast. Zo kan de gemeente overlast op eenzelfde manier beoordelen en eventuele handhaving onderbouwen. Zoals hierboven beschreven, kan de gemeente ook specifieke stookregels opnemen in het omgevingsplan, waarop ze direct kan handhaven. Via dit omgevingsplan worden de bruidsschatregels in het omgevingsplan van rechtswege niet geschrapt of aangepast, die blijven naast dit omgevingsplan via voorrangsregels van kracht. Dit betekent dat deze regels ook voor het planvoornemen/ de locatie aan de orde zijn en eraan voldaan moet worden. 6.1.3.4

Geluid door activiteiten

Toelichting TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f, Hommelsedijk 14 HD – 18 maart 2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=37a1ddf1-f016-45f1-983c-3ed59558c33d