CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

gewijzigd vast te stellen toelichting bestemmingsplan Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong.

Commissie Ruimtelijke Zaken 13 januari 2021, gemeente BernhezeBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode17.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Afbeelding 10: Uitsnede kaart 'Gevoeligheidsfactor' Aa en Maas Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

22

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Op basis van de (voorlopig) bepaalde onderdelen van de rekenregel kan de volgende rekensom worden gemaakt: Benodigde compensatie per woning = 775 m2 x 1 x 0,06 = 46,5 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit Afbeelding 11 blijkt ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde woonbestemmingen tussen 40 en 60 cm beneden maaiveld.

Afbeelding 11: Uitsnede Bodematlas 'Gemiddelde hoogste grondwaterstand' provincie Noord-Brabant Er zijn diverse manieren om invulling te geven aan de vereiste compensatieplicht, middels een retentievijver/sloot, een (ondergronds) infiltratie transportriool, een wadi, infiltratiekratten of grindkoffers. Verder zijn voor hemelwater wat terecht komt op de erfverharding en onder afschot afvloeit naar omliggende gronden binnen het plangebied geen mitigerende maatregelen nodig, mits kan worden aangetoond dat het hemelwater op die percelen infiltreert en niet afvloeit naar buren of het oppervlaktewatersysteem. Op beide bouwkavels is voldoende ruimte om de benodigde bergingscapaciteit per woning te creëren. Aangezien er aan de kavels geen sloten grenzen kan de retentievoorziening niet worden afgewaterd op het oppervlaktewater. Bij extreme weersomstandigheden met buien > 60 mm zal de retentievoorziening dus afvloeien op de omliggende (landbouw)gronden binnen het plangebied. Hierdoor is echter verzekerd dat het initiatief geen versnelde afvoer van hemelwater op het (oppervlakte-)watersysteem tot gevolg heeft. Omdat nog niet duidelijk is hoe de beoogde woningen incl. bijgebouwen en tuinen vormgegeven worden en dus ook nog niet bekend is hoeveel verhard oppervlak er uiteindelijk per woning zal worden aangebracht, wordt de afkoppeling van het hemelwater per woning uitgewerkt in de aanvraag

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

23

omgevingsvergunning bouw. Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels van het plan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in de Interim omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere migreren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 12. De beoogde ontwikkelingen hebben derhalve geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

24

Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov 4.3.2

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is reeds geregeld in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning i.h.k.v. Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grotere afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

25

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ wat is gelegen op een afstand van circa 17 kilometer. Gezien deze grote afstand en de aard van het initiatief lijken negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Voor wat betreft de uitstoot van stikstof hebben burgemeester en wethouders van Bernheze op 17 maart 2020 een werkwijze vastgesteld waarin onderbouwd wordt dat woningbouwprojecten voor minder dan 50 woningen niet zullen leiden tot een toename van depositie op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden. Er is derhalve geen passende beoordeling noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven:

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn;

Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn;

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

3. Beschermingsregime andere soorten.

Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan het Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. in Nistelrode dient met name bepaald te worden of zich, ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen en te slopen bedrijfsgebouwen, beschermde natuurwaarden bevinden, die met het initiatief verstoord zouden kunnen worden.

Verboden handelingen dienen zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Om inzichtelijk te maken of er sprake is van aanwezigheid van beschermde soorten en elementen, is een potentie-inschatting gemaakt van welke soorten in het gebied kunnen voorkomen in combinatie met een toetsing aan de Flora- en Faunawet. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of er binnen het plangebied planten- en/of diersoorten aanwezig zijn, die volgens de huidige wetgeving een beschermde status hebben. Ook dient er ingeschat te worden of het plangebied in potentie geschikt is voor bepaalde soorten. Uit het veldonderzoek naar aanwezige soorten in het kader van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en overige beschermde soorten kan worden geconcludeerd dat de activiteiten kunnen worden Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

26

uitgevoerd. Aanvullend (veld)onderzoek of het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig. Het volledige onderzoeksrapport is terug te vinden in Bijlage 2. 4.4 Landschappelijk inpassingsplan In paragraaf 2.2 is al kort ingegaan op de beoogde landschappelijke inpassing van het plangebied. De bomenstructuren aan de randen van het plangebied worden als zodanig in stand gehouden. In ieder geval de monumentale eiken en de waardevolle bomenlaan van platanen dienen beschermd te worden. Dit houdt in dat ze wellicht moeten worden vrijgesteld om hun groeimogelijkheden te bevorderen. De waardevolle/monumentale eiken komen met name voor op de zuidwestelijke perceelsgrens van het plangebied. Ten behoeve van deze singel is derhalve met de situering van de bouwvlakken voldoende afstand in acht genomen. Ook de singelbeplanting aan de zuidoostelijke grens van het plangebied blijft zoveel mogelijk behouden. Boomvormers worden uitsluitend gedund waar deze de eiken en/of platanen beconcurreren, dan wel waar dit noodzakelijk is voor de situering van de uitritten van de ruimte-voorruimte woningen. Dit zal moeten blijken uit de bouwplannen. De situering van de inritten naar de ruimte-voor-ruimte kavels zal in ieders geval worden afgestemd op de laanbeplanting van platanen aan de Dintherseweg.

Hiervoor zal rekening gehouden moeten worden met de uitgangspunten van werken rondom bomen, zoals opgenomen in het Handboek Bomen 2018. In de praktijk zal dit betekenen dat de inritten voorbij de rij van gemeentelijke platanen gesitueerd zullen moeten worden. Dit is ook als zodanig weergegeven op het landschappelijk inpassingsplan. Om de bestaande landschapselementen te beschermen is het verboden om zonder vergunning houtgewassen hierbinnen te rooien of om de bodem eronder te verdichten, vergraven of verharden. Ten zuidwesten van de bestaande woning zal op de perceelgrens aselect een bomenstructuur van zes inheemse bomen (Eik, Beuk, Berk en/of Es) worden aangeplant om ook hier de historische strokenverkaveling terug te brengen. De zuidelijke, westelijke en noordelijke perceelgrenzen van de ruimte-voor-ruimte kavels zullen worden voorzien van een haag om de historische strokenverkaveling terug te brengen en te versterken; dit zonder dat het zicht op het achterliggende weilanden verloren gaat. Elke ruimte-voorruimte kavel zal daarnaast voorzien worden van minimaal drie inheemse solitaire bomen. Om de toekomstige eigenaren van de kavels enige keuzevrijheid te geven zijn voor zowel de haag als de solitaire bomen enkele soorten vastgelegd in de beplantingslijst. In Bijlage 3 is de beplantingslijst incl. voorwaarden voor de aan te planten soorten opgenomen.

Overige gronden binnen het plangebied zullen worden gebruikt als weiland voor de te houden hobbydieren. Het landschappelijk inpassingsplan en de beplantingslijst zullen worden vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan om aanleg en instandhouding te verzekeren. 4.5 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woningen dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.5.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Iov blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied, zie Afbeelding 13. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

27

Afbeelding 13: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Iov Wanneer de gemeentelijke cultuurhistoriekaart (Afbeelding 14) wordt bekeken blijkt echter dat het plangebied is gelegen aan een oude bebouwingsconcentratie en een knooppunt van twee historische linten, te weten de Dintherseweg en het Maxend, zoals reeds eerder in deze toelichting naar voren is gekomen. Een driehoekige brink is nog aanwezig op het knooppunt van wegen aan de oostzijde. Op de historische kaart is nog de kenmerkende smalle strokenverkaveling zichtbaar van weilanden omzoomd met hout- en boomsingels, inmiddels grotendeels verdwenen door ruilverkavelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal deze situatie ter plaatse van het plangebied worden hersteld door het aanplanten van inheemse hagen en bomen en het gebruik van bestaande agrarische gronden als weiland voor hobbydieren. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het plangebied dus zodanig van belang, dat hiermee bij de herontwikkeling rekening is gehouden.

Afbeelding 14: Uitsnede cultuurhistoriekaart gemeente Bernheze

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

28

4.5.2

Archeologie

Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). ). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.

Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart in een zone met een middelhoge verwachting, zie Afbeelding 15. Deze archeologische verwachting is gebaseerd op de landschappelijke eenhedenkaart, die aangeeft dat hier een middelhoge dekzandrug aanwezig is. Ter plaatse van de voorziene ontwikkeling geldt derhalve de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, waarbij een onderzoekverplichting geldt bij bodem verstorende werkzaamheden met een oppervlak groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Voor de huidige ontwikkeling zal de ondergrens van 2.500 m² niet worden overschreden, zodat archeologisch onderzoek geen verplichting is. Aangegeven wordt, dat ter plaatse van de te slopen varkensstal een mestkelder aanwezig is, die aldaar bodemverstoring tot gevolg heeft gehad. Een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (hoge archeologische verwachting) geldt voor de noordelijke zone van het plangebied, mede i.v.m. de aldaar (voormalig) aanwezige historische bebouwing. Hier is vooralsnog geen nieuwe bebouwing voorzien. Ter bescherming van potentieel aanwezige archeologische waarden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ overgenomen in dit bestemmingsplan.

Hoewel voor de huidige ontwikkelingen geen onderzoek behoeft te worden uitgevoerd, geldt te allen tijde wel meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Hier zal bij het uitvoeren van de werkzaamheden gehoor aan worden gegeven.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

29

Afbeelding 15: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Bernheze (locatie beoogde ruimt-voorruimte woningen blauw omcirkeld) 4.6 Bodemkwaliteit Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. De beoogde ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht op gronden die tot op heden altijd in gebruik zijn geweest als agrarische landbouwgrond. Hier wordt dus nieuwe bebouwing opgericht waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er is daarom door Moerdijk Bodemsanering (MBS) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van historische gegevens, zintuigelijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de analyseresultaten. Hieruit blijkt dat er geen significante verhogingen zijn geconstateerd in de grond en het grondwater. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor de bestemmingswijziging van het perceel en de nieuwbouw van de woningen. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 4. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling.

4.7 Spuitzone In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen. Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

30

Met de beoogde ontwikkeling worden twee nieuwe gevoelige objecten mogelijk gemaakt ter plaatse van gronden die altijd in gebruik zijn geweest als landbouwgronden. De gronden rondom de nieuwe gevoelige objecten kunnen gebruikt blijven worden als landbouwgrond. Dit betekent dat er akkerbouwgewassen geteeld kunnen worden. Er zijn in de omgeving geen boomgaarden aanwezig. De aanplant van boomgaarden op de gronden is dus onwaarschijnlijk. Akkerbouwgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. Bovendien worden de gevoelige objecten voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing waardoor de kans op drift van de akkerbouwgronden op de woonfuncties nog verder wordt beperkt. Het is dus niet noodzakelijk om voor de beoogde ontwikkeling een spuitzone in acht te nemen. 4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.

Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake van lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied is conform de definitie in de VNG-publicatie gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. De relevante richtafstanden worden per omgevingsaspect behandeld in de navolgende paragraven. Hierbij wordt de nadruk gelegd op de nieuwe ruimte-voor-ruimte kavels, daar de bestaande woning aan het Klein Kantje 5 reeds als burgerwoning gebruikt mag worden en daarom wordt aangenomen dat deze al op gepaste afstand van bedrijven gesitueerd is. 4.9 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven.

Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

31

a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Om deze twee vragen te kunnen beantwoorden is een geuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 5. Uit dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur heerst. Omgekeerd vormt het initiatief geen onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Op grond van de vigerende geurwetgeving zijn er dus geen belemmeringen ten aanzien van het initiatief. 4.10 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen.

Het plangebied is wel gelegen binnen de geluidszones van de Dintherseweg, het Kantje, het Klein Kantje en het Maxend. Binnen de geluidszones is aandacht vereist voor de geluidsbelasting op de gevel van woningen. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting derhalve in beeld gebracht te worden. Indien de maximale snelheid op een weg maximaal 30 km/h bedraagt hoeft de akoestische situatie niet onderzocht te worden. In dat geval gaat de Wgh er van uit dat gezien een lage verkeersintensiteit en lage verkeerssnelheid altijd voldaan wordt aan de normen. Dit is het geval voor het Maxend. Binnen overige geluidszones dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. De bestaande woning aan het Klein Kantje 5 is reeds een geluidgevoelig object. Op deze woning is een nader onderzoek naar geluidshinder derhalve niet noodzakelijk. Ten behoeve van de nieuwe ruimte-voor-ruimte dient de gevelbelasting wel in beeld te worden gebracht. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep, zie Bijlage 6.

Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde niet zal worden overschreden. Het is dus niet nodig om hogere grenswaarden vast te stellen. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.11 Verkeer en parkeren Er dient binnen het plangebied een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De bestaande woning is gelegen aan het Klein Kantje. Een verharde weg die in noordelijke richting wordt ontsloten door het Kantje en in oostelijke richting door het Maxend. Daar het bestaande gebruik als burgerwoning gehandhaafd blijft, zal het initiatief hier geen verkeersaantrekkende werking teweeg brengen. De beoogde ruimte-voor-ruimte kavels zullen worden ontsloten door de doodlopende uitloper van de Dintherseweg. Deze wordt uitsluitend gebruikt door bestemmingsverkeer en beschikt over voldoende capaciteit om een klein aantal verkeersbewegingen met personenvervoersmiddelen af te wikkelen. Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor heeft de gemeente Bernheze in 2015 de ‘Parkeernormennota’ vastgesteld. Conform deze nota dient voor Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

32

meerpersoonswoningen in het buitengebied met een omvang groter dan 60 m2 voorzien te worden in minimaal twee parkeerplaatsen. Bij alle drie de (beoogde) woningen binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in tenminste twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. De aanleg van de parkeerplaatsen bij de twee op te richten ruimte-voor- ruimte woningen wordt met een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit plan. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft het aspect parkeren. 4.12 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.

4.12.1 Besluit NIBM

Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. Het initiatief betreft het creëren van twee ruimte-voor-ruimte kavels. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen). Met het initiatief worden slechts 2 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens.

4.12.2 Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie op binnen het

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

33

plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 19,94 μg/m3, voor PM2,5 11,74 μg/m3 en voor NO2 13,39 μg/m3, zie Afbeelding 12.

Afbeelding 16: Uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

4.13.1 Achtergrond

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

34

stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10 -6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10 -6 per jaar zijn niet toegestaan.

Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: - de kans op een ongeval; - het effect van het ongeval; - het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; - de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

4.13.2 Toetsingskader

De toetsingskaders uit het Bevi, het Bevt en het Bevb zijn vervat in de gemeentelijke beleidsvisie ten aanzien van externe veiligheid. In navolgende paragraaf is een beschrijving van dit toetsingskader opgenomen. Vervolgens wordt de van toepassing zijnde overige wet- en regelgeving beschreven. Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Bernheze beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (2008). Hierin wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke omgang met externe veiligheid. Deze beleidsvisie bevat echter geen gebiedstypering of aanvullende voorwaarden, die gehanteerd dienen te worden bij de verantwoording van het groepsrisico. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz..

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

35

4.13.3 Verantwoording

In deze paragraaf wordt getoetst aan de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Bernheze. In Afbeelding 17 is een uitsnede van de bijbehorende risicokaart opgenomen.

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart Beleidsvisie externe veiligheid Bevi-inrichting Op circa 50 meter afstand van het plangebied ligt het LPG – tankstation ‘Servicestation Van Duijnhoven B.V. (Texaco)’. De vergunde jaardoorzet LPG voor dit tankstation is 500 tot 1.000 m3.

Plaatsgebonden risico

In tabel 1, in bijlage 1 van het Revi zijn de categoriale afstanden voor LPG-tankstations vastgelegd. Deze afstanden zijn afhankelijk van de doorzet van het tankstation. Aan de hand van de vergunde doorzet kunnen de volgende risicocontouren bepaald worden: - een contour van 35 m rond het vulpunt; - een contour van 25 m rond het ondergrondse LPG-reservoir; - een contour van 15 m rond de afleverinstallatie. Geen van deze contouren reikt over het plangebied.

Groepsrisico

In tabel 1, in bijlage 2 van het Revi is voor LPG-tankstations een invloedsgebied van 150 meter vastgelegd. Het invloedsgebied reikt derhalve gedeeltelijk over het plangebied. Het initiatief zal echter geen toename van het groepsrisico tot gevolg hebben. Binnen het invloedsgebied van de risicovolle inrichting is namelijk enkel de bestaande burgerwoning gelegen, die reeds als zodanig gebruikt mag worden. De kortste afstand tussen de beoogde ruimte-voor-ruimte kavels en de risicovolle inrichting bedraagt circa 160 meter. Er worden binnen het invloedsgebied dus geen nieuwe kwetsbare objecten opgericht. Een groepsrisicoverantwoording is op grond van artikel 12 van het Bevi derhalve niet noodzakelijk. Volledigheidshalve is echter wel een groepsrisicoverantwoording voor het scenario BLEVE in navolgende paragraaf opgenomen. Ook is op basis van artikel 12, lid 3, van het Bevi de veiligheidsregio om advies gevraagd. Dit advies is als Bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. Transportroute In de omgeving van het plangebied liggen twee transportroutes van gevaarlijke stoffen. Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

36

Basisnetroute A50

Op circa 1,2 kilometer afstand ligt het Basisnet-wegtraject B80: Knp. Paalgraven – afrit 14 (Zeeland). Uit de ‘Lijst wegvakken data tellingen & basisnet’ van het RIVM (editie 2016) blijkt dat over dit traject gevaarlijke stoffen uit de categorie LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3 worden vervoerd. Conform de ‘Handreiking Risicoanalyse Transport’ van het RIVM (editie 2017) is de maatgevende stof LT2, met een invloedsgebied van 880 meter. Het invloedsgebied van dit basisnet traject reikt derhalve niet over het plangebied.

Plaatselijke weg ‘Maxend’

Uit de inventarisatie naar gevaarlijke stoffen die de ODBN in 2019 voor de gemeente Bernheze heeft uitgevoerd blijkt dat over de plaatselijke weg ‘Maxend’ gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 worden vervoerd. Stoffen uit deze categorie hebben een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt op het dichtstbijzijnde punt, gemeten vanaf het midden van de weg, op circa 25 meter afstand van deze weg. Aan de hand van de vuistregels van het HaRT (Handreiking risicoanalyse transport) is bepaald dat er voor deze plaatselijke weg geen plaatsgebonden risicocontour aanwezig is. Het invloedsgebied bedraagt 355 meter. Het invloedsgebied reikt dus geheel over het plangebied en het plangebied ligt binnen de 200 meter zone van de transportroute. Volgens artikel 8 van het Bevt zou het groepsrisico uitgebreid verantwoord moeten worden. Omdat het plan zorgt voor een geringe toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied kan conform artikel 8, lid 2, sub b, van het Bevt echter worden volstaan met een beperkte verantwoording voor het scenario BLEVE. Deze is in de navolgende paragraaf opgenomen. Ook is op basis van artikel 9 van het Bevt de veiligheidsregio om advies gevraagd. Dit advies is als Bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die van invloed zijn op het initiatief.

4.13.4 Groepsrisicoverantwoording

Een BLEVE ‘boiling liquid expanding vapour explosion’ kan worden veroorzaakt wanneer door een brand de druk in een LPG-tank oploopt. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Wanneer er LPG vrij komt wordt deze ontstoken en ontstaat een vuurbal gevolgd door een drukgolf. De gevolgen van een BLEVE zijn afhankelijk van de afstand tussen de incident en het kwetsbare object. Dit is nader beschreven in het advies van de veiligheidsregio (Bijlage 7). In het kader van zelfredzaamheid in het scenario van een BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Het plangebied valt buiten het bereik van de WAS sirenes. Alarmering kan plaats vinden via social media en NL Alert. Via de Dintherseweg of het achterliggende open terrein kan van de risicobronnen afgevlucht worden. Daar er met de ontwikkeling geen functies worden gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen wordt de zelfredzaamheid hiermee als voldoende beoordeeld. In principe speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk bij een BLEVE geen rol. De bestrijding van het incident vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. De bestrijdbaarheid bij aanwezigheid van tankwagens uitgerust conform het LPG convenant is goed.

Dit geldt niet voor andere tankwagens gevuld met gas. Deze tanks kunnen na 12 minuten exploderen. Het is voor de brandweer niet mogelijk om binnen deze tijd een effectieve koeling op te zetten. De brandweer zal defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. Het advies van de veiligheidsregio is om potentiële kopers/huurders te informeren over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Zij kunnen deze informatie meewegen in het besluit om zich hier te Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

37

vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het veiligheids- bewustzijn en het nemen van een eigen verantwoording door de burger. Hier zal gehoor aan worden gegeven.

4.13.5 Conclusie

Toetsing aan de voorwaarden van de beleidsvisie en de normen uit overige wet- en regelgeving geven geen belemmering voor het plan. 4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 17). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen. Binnen de gemeente Bernheze is één hoogspanningskabel gelegen, ten oosten van de A50. Het betreft een 150 kV hoogspanningsleiding. De afstand tussen het plangebied en deze hoogspanningskabel bedraagt circa 1,35 km. De hoogspanningsverbinding vormt derhalve geen risico voor de externe veiligheid binnen het plangebied. 4.15 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.

Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen.

4.15.1 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden

Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties.

De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

38

aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt.

Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is. Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond.

Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen.

4.15.2 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid

Naar aanleiding van het eerste VGO-onderzoek wordt momenteel door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant in 2016 de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. In mei 2018 is de notitie geactualiseerd in ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’. Deze notitie bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan moet bij de ontwikkeling van een veehouderij worden toegepast, maar kan omgekeerd ook worden doorlopen om na te gaan of er ten aanzien van het initiatief mogelijk knelpunten worden gevonden.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

39

1. Endotoxine: wordt ter plaatse van het plangebied voldaan aan de endotoxine richtafstanden conform het endotoxine toetsingskader 1.0? In het endotoxine toetsingskader 1.0 zijn formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016) om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde van 30 EU/m 3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens. Omgekeerd kan met deze formules voor de ontwikkeling van een gevoelig object worden berekend of ter plaatse voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3. De formules luiden als volgt: Varkenshouderij Y = P1 * ln(x) – P2 P1 = 60,0608184 P2 = 231,712643 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m)

Vleeskuikens Y = P1 * x^p2 P1 = 6,46065585 P2 = 0,49242746 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m)

Legkippen Y = P1 * x^p2 P1 = 14,1291356 P2 = 0,315114337 X = PM10 emissie (kg/jaar) Y = afstand (m)

Aan de hand van de fijnstofemissie PM10 van de dichtstbijzijnde veehouderijen kan met deze formules worden berekend op welke afstand voldaan wordt aan de adviesgrenswaarde. Vanuit een worst-case benadering wordt de endotoxine contour per totaal bedrijf bepaald en vervolgens rondom het gehele bouwvlak gelegd, zie Afbeelding 18. De endotoxine contouren zijn gebaseerd op de volgende gegevens: - Dintherseweg 8 (varkenshouderij, fijnstofemissie 210,617 kg/j) → (76 m) - Kantje 38 (varkenshouderij, fijnstofemissie 254,222 kg/j) → (81 m) - Kantje 42 (vleeskuikenhouderij, fijnstofemissie 1.247,000 kg/j) → (216 m) - Maxend 73 (vleeskuikenhouderij, fijsntofemissie 653,385 kg/j) → (157 m) - Molenhoeve 9a (varkenshouderij, fijnstofemissie 598,538 kg/j) → (106 m) Uit Afbeelding 18 kan worden opgemaakt dat het plangebied buiten de endotoxine contouren van omliggende veehouderijen is gelegen.

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

40

Afbeelding 18: Endotoxine contouren omliggende intensieve veehouderijen 2. Emissies: leidt de ontwikkeling tot een toename in de emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak?

Nee, het initiatief leidt zelfs tot een afname in de emissie van geur, fijnstof en/of ammoniak, daar een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie wordt gesaneerd.

3. Geur: voldoet het woon- en leefklimaat ter plaatse aan het wettelijk kader?

Uit het geuronderzoek in Bijlage 5 blijkt dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van het plangebied voldoet aan het wettelijk kader. De voorgrondbelasting van de meest bepalende veehouderij in de omgeving (Molenhoeve 9a) op het plangebied bedraagt maximaal 4,765 OUe/m3. De achtergrondbelasting op het plangebied bedraagt maximaal 10,11 OUe/m3. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Er wordt dus voldaan aan de wettelijk voorgeschreven maxima van 10 OUe/m3 voor de voorgrondbelasting en 20 OUe/m3 voor de achtergrondbelasting. De dichtstbijzijnde veehouderij waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld is gelegen op 223 meter van het plangebied. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de minimaal vereiste vaste afstand van 50 meter ten opzichte van het bedrijf.

4. Geur: voldoet het woon- en leefklimaat ter plaatse aan de gezondheidskundige advieswaarde?

De gezondheidskundige advieswaarde is gebaseerd op het onderzoeksrapport ‘Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?’ (Geelen et al. 2015). Uit dit onderzoek blijkt dat respondenten meer geurhinder ervaren dan op basis van de

Bestemmingsplan - Klein Kantje 5 en Dintherseweg ong. te Nistelrode

41

Handreiking Wgv wordt verwacht. Uitgaande van een acceptabel geurhinderniveau staat een percentage geurgehinderden van 20% in het buitengebied en 12% in de bebouwde kom conform dit onderzoek gelijk aan een cumulatieve geurbelasting van respectievelijk 10,3 OUE/m3 en 4,7 OUE/m3. Zoals gezegd is het plangebied gelegen in het buitengebied en bedraagt de achtergrondbelasting op het plangebied maximaal 10,11 OU e/m3. Er wordt dus tevens voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde.

5. Zijn er binnen 100 meter van het plangebied zowel een varkenshouderij als een pluimveehouderij gelegen?

De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied is gelegen op een afstand van 223 meter en betreft een paardenhouderij. Er zijn binnen een afstand van 100 meter van het plangebied dus niet zowel een varkenshouderij als een pluimveehouderij gelegen.

6. Is de afstand tussen het plangebied en veehouderijen in de omgeving minder dan: 1. 2 km in geval van een geitenhouderij;

Nee, binnen een afstand van 2 km van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen.

2. 1 km in geval van een pluimveehouderij;

Ja, binnen een afstand van 1 km van het plangebied zijn drie pluimveehouderijen gelegen, te weten aan het Maxend 73 op een afstand van 420 m, aan het Kantje 42 op een afstand van 640 m en aan de Dintherseweg 23 op een afstand van 950 m.

3. 250 meter in geval van een overige veehouderij?

Zoals gezegd is de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied gelegen op 223 m. Dit betreft een paardenhouderij. In het kader van de volksgezondheid worden paarden over het algemeen niet als een risicofactor beschouwd. De dichtstbijzijnde veehouder, niet zijnde een paardenhouderij, betreft de varkenshouderij aan de Molenhoeve 9a. Deze is gelegen op een afstand van 319 m.

7. Is er in de omgeving sprake van mest be- of verwerking? Nee

8. Is er bij omwonenden sprake van ongerustheid over de volksgezondheid?

Nee, uit het gebied is er geen ongerustheid over de volksgezondheid bekend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=387d0e26-7ec8-4b28-9a8f-55bc07ae6df3