CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Kerkweg 2 Heesch - Toelichting

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Kerkweg 2, Heesch*24.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is enig groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren. Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als kauw, houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in of in de directe omgeving van het plangebied tot broeden komen.

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten 39 ROC.B2021.505.T

Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017a). Bij de deels te slopen loods zijn geen duidelijk geschikte nestlocaties van de huismus aangetroffen. Het dak bestaat uit metalen golfplaten zonder dakbeschot, wat geen geschikte broedgelegenheid biedt voor huismussen. Daarnaast zijn er tijdens het veldbezoek geen huismussen of sporen van de huismus in het plangebied waargenomen.

Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Het feit dat de soort tijdens geschikte weersomstandigheden niet is aangetroffen, duidt erop dat zich geen nesten bij de loods bevinden. Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus bij de loods aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de soort niet zijn waargenomen, is het onwaarschijnlijk dat de loods onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van deze soort. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). De loods is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. Deze zijn niet

40 ROC.B2021.505.T

aangetroffen bij de loods. Het voorkomen van gierzwaluwen bij de loods kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalk-graslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd.

Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Scha-mineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het plangebied is sprake van voedselrijke en bijna volledig versteende grond. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht en werden ook niet waargenomen. Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2 van de quickscan, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal 41 ROC.B2021.505.T

soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, ver-spreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas komen de bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel in de omgeving van het plangebied voor. Het terrein bestaat voornamelijk uit versteende bodem. Dekking of schuilgelegenheid van struweel of andere beschutting biedende landschapselementen is niet aanwezig. Alleen de eekhoorn en de steenmarter kunnen in dergelijk gebied voorkomen. Eekhoorn De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). De bomen in en in de directe omgeving van het plangebied zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van de eekhoorn of holtes.

De bomen konden goed gecontroleerd worden, omdat er geen blad aan de bomen aanwezig was. Nesten of holtes werden niet gevonden. Het voorkomen van de eekhoorn kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied is nauwelijks dekking aanwezig. Daarnaast zijn er geen leegstaande ruimtes aanwezig in het plangebied. De loods is nog volledig in gebruik en heeft geen verborgen ongebruikte ruimtes waar een steenmarter zich kan verstoppen. De steenmarter zal hier dan ook geen verblijfplaats hebben. Andere mogelijkheden voor verblijfplaatsen zijn niet aanwezig. Omdat er nauwelijks groen in het plangebied aanwezig is, kan het voorkomen van foerageergebied en leefgebied van de steenmarter ook uitgesloten worden.

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de franjestaart, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt van het plangebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, 42 ROC.B2021.505.T

essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017c, Dietz et al. 2011). De loods is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. In het gebouw zijn op verschillende plekken kieren aangetroffen (zie navolgende afbeeldingen).

Via deze kieren kunnen vleermuizen de spouwmuur bereiken. Bovendien is er aan de noordkant van het plangebied een bomenrij aanwezig, wat vleermuizen foerageergelijkheden biedt. Foerageergebied in de directe omgeving van een potentiële verblijfplaats vergroot de kans dat een ruimte als verblijfplaats wordt gebruikt. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in de nabijheid, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van de grootoorvleermuis, welke een gebouwbewonende soort is, kan wel op voorhand worden uitgesloten. Dit vanwege de afwezigheid van bosrijke. De gewone grootoorvleermuis komt uitsluitend voor in boomrijke gebieden. Boombewonende vleermuissoorten 43 ROC.B2021.505.T

Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van boombewonende vleermuizen op voorhand uitgesloten kan worden. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel.

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Een stuk grasveld met enig groen, zoals aanwezig in het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor een enkele vleermuis. Het plangebied heeft echter een beperkte oppervlakte en in de directe omgeving van het plangebied is vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere de percelen ten noorden en oosten van het plangebied. Het is niet waarschijnlijk dat onderdelen van het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen. 44 ROC.B2021.505.T

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. In het plangebied is er geen sprake van een lijnvormige structuur die doorloopt tot buiten het plangebied. Het voorkomen van een vliegroute kan dan ook uitgesloten worden. Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009).

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de hazelworm, levendbarende hagedis en ringslang in de buurt van het plangebied voor. Het plangebied bestaat bijna voornamelijk uit versteende bodem. Dit biedt geen geschikt leefgebied voor reptielen. Het voorkomen van reptielen in het plangebied kan dan ook op voorhand worden uitgesloten. Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals hierboven beschreven, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving. Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in ZuidLimburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsat-las.nl).

45 ROC.B2021.505.T

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad in de buurt van het plangebied voor. In de tuin is een vijver aanwezig. In deze vijver zijn kleine visjes aanwezig en het water is voedselrijk. Daarnaast heeft de vijver steile wanden. Hierdoor biedt de vijver geen geschikt voortplantingshabitat voor beschermde amfibiesoorten, zoals de alpenwatersalamander, heikikker, kamsalamander en poelkikker. Amfibieën maken daarnaast ook gebruik van overwinterings- en land-habitat. Dit overwinterings- en landhabitat is altijd gelegen nabij geschikte voortplaningswateren. Omdat dit voortplantingswater in de omgeving ontbreekt, kan ook het voorkomen van overwinteringsen landhabitat in het plangebied voor deze soorten uitgesloten worden. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen.

De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied is een tuinvijver aanwezig. Hier zijn kleine vissen in aanwezig. Deze vijver biedt verder geen geschikt leefgebied voor beschermde vissoorten. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem.

De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water 46 ROC.B2021.505.T

met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In het betreffende plangebied is geen sprake van open water, bos, soortenrijk grasland, heide of veen. Leefgebied voor deze soorten is hierdoor niet aanwezig. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied en werden ook niet aangetroffen. Aanwezigheid houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig. Maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting die groter is dan 20 bomen. Vleermuizen Mogelijk zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur).

Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of bat-logger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer.

47 ROC.B2021.505.T

Voorlopige conclusie Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de Quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.

Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. AANVULLEND VLEERMUIZENONDERZOEK Door Eceau Ecologisch adviesbureau is aanvullend vleermuizenonderzoek gedaan. De rapportage “Vleermuizenonderzoek aan de Kerkweg 2 te Heesch”, d.d. 3 november 2022, kenmerk ROC-1A0220114, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Onderstaand wordt ingegaan op de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Doel en vraagstelling Als gevolg van de ingreep zouden alle eventueel aanwezige functies voor vleermuizen binnen de grenzen van het plangebied kunnen worden verstoord dan wel vernietigd. Vleermuizen die gebruik maken van het leefgebied nabij de planlocatie zouden mogelijk 48 ROC.B2021.505.T

(tijdelijk) negatieve effecten kunnen ervaren. In het kader van de beoogde ontwikkeling zullen middels het onderzoek onderstaande vragen beantwoord worden: • Komen vleermuizen voor in het ontwikkelgebied en in de directe omgeving? • Voorziet het ontwikkelgebied in vaste rust- en/of verblijfslocaties van vleermuizen of andere essentiële functies voor de aanwezige vleermuizen? • Leidt de ingreep tot aantasting van de eventueel aanwezige functies en tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming? Locatiebezoeken Tijdens de veldbezoeken is op grond van geluid en zicht geïnventariseerd, waarbij een Magenta Bat 5 heterodyne batdetector in combinatie met koptelefoon is gebruikt. Naast het geluid werd gelet op het gedrag om de determinatie te bevestigen en indien mogelijk de functie van de omgeving direct vast te stellen. Daarnaast kon een opname gemaakt worden met een extern opnameapparaat om eventuele twijfelachtige determinaties later met behulp van naslagwerken en geluidsfragmenten te analyseren. Gedurende het onderzoek is onder andere gelet op foeragerende en communicerende vleermuizen alsmede op bouncegedrag en in-/uitvliegende dieren. Alle veldbezoeken werden postend en lopend uitgevoerd, zodat het gehele plangebied geïnventariseerd kon worden. Om dit verder te bevorderen werden voorafgaand aan ieder veldbezoek strategische postlocaties bepaald.

Bij het bepalen van de postlocatie zijn (indien beschikbaar) gegevens uit voorgaande bezoeken meegenomen, daarnaast is bij de afweging gelet op nabijgelegen foerageergebieden en verstoringsfactoren zoals lichtuitstraling. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de veldbezoeken en weersomstandigheden:

Conclusies Voor een uitgebreide weergave van de veldbezoeken wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Samenvattend kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

49 ROC.B2021.505.T

•

•

•

Tijdens geen van de vijf onderzoeksrondes zijn binnen het projectgebied in- of uitvliegende vleermuizen aangetroffen. Daarnaast is geen bouncegedrag, zwermgedrag of ander gedrag waargenomen dat kan duiden op een mogelijke verblijfplaats. De aanwezigheid van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijven van vleermuizen kan uitgesloten worden. Binnen het plangebied is geen consequent foerageergedrag waargenomen. Gelet op de beperkte foerageerintensiteit in de omgeving, alsmede het ruime aanbod aan vergelijkbaar en beter foerageergebied in de omgeving, vormt het aangetroffen deel geen essentieel foerageergebied. Vaste vliegroutes zijn niet aangetroffen. Eveneens gelet op de vele lijnvormige elementen en bebouwing in de directe omgeving, alsmede de aard van de ontwikkeling, zijn de optionele vliegroutes divers en voldoende aanwezig, tevens blijven de huidige vliegroutes behouden en bruikbaar gedurende en na de uitvoering van de ontwikkeling

Conclusie Het onderdeel ‘Beschermde soorten’ vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief. MOGELIJKE EFFECTEN OP BSCHERMDE GEBIEDEN Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Rijntakken in de omgeving van het plangebied ligt. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Daarom is er een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hierna besproken. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen door geluid. Dit vanwege de afstand tot het Natura 2000gebied. STIKSTOF Algemeen De berekeningen naar de stikstofdepositiebijdrage vanwege de gebruiksfase van het plan/project worden uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2021. Hierbij dient inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. De gehanteerde ‘grenswaarde’ voor de stikstofdepositie bedraagt 0,00 mol/hal/j. In het kader van een stikstofonderzoek kunnen significant negatieve effecten met deze waarde worden uitgesloten, waardoor het uitvoeren van vervolgonderzoeken niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van een plan of project. 50 ROC.B2021.505.T

Een hogere waarde wordt beschouwd als overschrijding zodat er op verzoek van het bevoegd gezag een nadere beschouwing conform wettelijke kaders dient plaats te vinden. Blijkens jurisprudentie kan daarbij nader onderzoek achterwege blijven wanneer stikstofdepositie plaatsvindt op hexagonen die niet overbelast of naderend overbelast zijn. Immers, op deze hexagonen leidt een stikstofdepositie niet tot een overschrijding of naderende overschrijding van de kritische depositiewaarde4. Dit betekent per definitie dat stikstofdepositie daar geen probleem vormt voor de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige habitats en dat significante gevolgen in zoverre zijn uitgesloten. Onderzoeksgegevens Huidige situatie De locatie Kerkweg 2 betreft een momenteel een transportbedrijf wat onder andere handelt in zand en grind. Deze situatie is door middel van een milieuvergunning (kenmerk 384NL02, d.d. 02-08-1995). Aanlegfase Ten behoeve van het plan zullen bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Raad van State heeft op 2 november 2022 een streep gehaald door het onderdeel van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). In het onderdeel waarin een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector7 is niet geaccepteerd.

Er is een berekening gemaakt van de aanlegfase. In de volgende tabel is een overzicht gemaakt van de sloop- en de bouwfase. Verwacht wordt dat dit in totaal een jaar duurt.

Uitgegaan is dat er maximaal 5% AdBlue wordt toegevoegd. Dagelijks komen gemiddeld 3 bestelbusjes en maximaal één keer per week komt een vrachtwagen. Toekomstige situatie, gebruiksfase Het plan voorziet in de realisatie van 2 woningen, de herbestemming van een bedrijfswoning in een burgerwoning, de bestemming van een dagbesteding en de herbestemming van het transportbedrijf naar een bedrijf naar opslag en stalling van materiaal en materieel. 51 ROC.B2021.505.T

De voor stikstofdepositie relevante bronnen voor dit plan in de gebruiksfase betreffen de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen, de dagbesteding, het bedrijf en de burgerwoning. Daarnaast zullen de burgerwoning en de dagbesteding stookinstallaties (op gas) hebben. De beide nieuwe woningen zullen niet aan het gas worden aangesloten. Deze worden in onderstaande paragrafen beschreven. In bijlage 1 bij het bijgevoegde rapport ‘Onderzoek stikstofdepositie Kerkweg 2, Heesch’ is de Aerius export van de gebruiksfase bijgevoegd. Stookinstallaties De nieuwbouw krijgt geen aansluiting op het gastransportnet (Wet voortgang energietransitie, 01-07-2018) en is haardloos verwarmd. Er vindt derhalve geen stikstofdepositie naar de lucht plaats ten gevolge van stikstof emitterende stookinstallaties. Voor de bestaande woning (herbestemming van bedrijfswoning naar burgerwoning) is door de eigenaar opgegeven dat er gemiddeld 2.000 m³ gas. Daarnaast wordt in de dagbesteding ook gas verbruikt voor verwarming, namelijk 1.000 m³ per jaar. Dit zorgt voor respectievelijk 1,242 kg en 0,621 kg stikstof per jaar. Het opslag en stallingsbedrijf wordt niet verwarmd door gas. Verkeer Aan de hand van CROW-publicatie 381, d.d. december 2018, is de verkeersgeneratie bepaald voor de nieuwe woningen.

Aan de hand van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Bernheze wordt geclassificeerd als ‘weinig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worst-case situatie berekend.

Daarnaast zal er verkeer van en naar de voormalige bedrijfswoning (wordt nu burgerwoning) rijden, uitgegaan is dat 10 verkeersbewegingen. Bovenop de hierboven beschreven verkeersgeneratie wordt gerekend met een aantrekkende werking voor middelzwaar vrachtverkeer van 1% van de totale verkeersgeneratie. In dit geval betreft dit, naar boven afgerond, gemiddeld 1 middelzware vrachtverkeerbewegingen per dag.

52 ROC.B2021.505.T

Daarnaast heeft de opdrachtgever aangegeven dat dagelijks (werkdag) maximaal 10 vrachtbewegingen zijn en 6 personenautobewegingen van en naar het bedrijf zullen rijden. Voor de dagbesteding is uitgegaan van 10 lichte voertuigbewegingen. Deze zijn ingevoerd tot aan Dommelstraat. Hierna is het aan- en afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt en derhalve opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Onderzoeksresultaten Voor een uitgebreide weergave van de onderzoeksresultaten zij verwezen naar de bij deze toelichting gevoegde rapportage “Onderzoek stikstofdepositie Kerkweg 2 Heesch. Onderstaand is een samenvatting van deze resultaten opgenomen. Aanlegfase In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Aerius-berekening van de aanlegfase weergegeven.

Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstof op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de Aerius-berekening van de gebruiksfase weer. 53 ROC.B2021.505.T

Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstof op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Conclusie Aanlegfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de sloop- en aanlegfase blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen toename van stikstofdepositie optreedt op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Algehele conclusie Geconcludeerd wordt dat significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.

PROVINCIALE BESCHERMING Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 460 meter ten noorden van het plangebied. De bescherming van het NNB kent in de provincie NoordBrabant het begrip externe werking. Vanwege de kleinschaligheid van de ontwikkeling en de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde NNB, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Brabant hebben.

54 ROC.B2021.505.T

Conclusie De bescherming van het Natuurnetwerk Brabant staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. De gemeente Bernheze heeft beleid geformuleerd ten aanzien van archeologie. Met dit beleid dient rekening te worden gehouden bij het opstellen van bestemmingsplannen. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Bernheze is de planlocatie gelegen in een beleidszone met een middelhoge archeologische verwachting. Zie onderstaande afbeelding.

55 ROC.B2021.505.T

Archeologische beleidskaart Bernheze (blauwe cirkel planlocatie)

Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht naar eventueel aanwezige archeologische waarden bij een verstoringsdiepte van dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2500 m². Naast de oppervlakte van de nieuw te bouwen dubbele woning telt ook de oppervlakte van de te sloten bedrijfsloods mee. Naar inschatting wordt de onderzoeksgrens van 2.500 m² echter niet overschreden en is er geen archeologisch onderzoek nodig. Conclusie Archeologie vormt geen belemmering voor het plan. Cultuurhistorie Algemeen Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

56 ROC.B2021.505.T

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 in het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle en cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen. Onderstaand een afbeelding van de Cultuurhistorische waardenkaart:

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met de rode cirkel als aanduiding voor het plangebied provincie Noord-Brabant

Onderzoek Uit deze kaart blijkt, dat binnen een ruime straal rondom het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn gelegen, noch sprake is van een cultuurhistorisch waardevol landschap. Gemeentelijk beleid De gemeente Bernheze heeft een Cultuurhistoriekaart vastgesteld. (zie onderstaande afbeelding). 57 ROC.B2021.505.T

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Bernheze met globale ligging van het plangebied in blauw Bron: Gemeentelijke Cultuurhistoriekaart

Op basis van deze kaart is de planlocatie gelegen binnen de historische geografie oude akkers. Ook ligt het plan aan een oud wegtracé met redelijk hoge waarde. De nieuwe tweeaaneen gebouwde woningen worden in een gedeelte gebouwd waar formeel oude akkers zijn aangeduid. Ter plaatse is een pand aanwezig uit 1965 en het terrein is volledig bestraat en als bedrijf ingericht. De cultuurhistorie is niet in het geding en er vinden geen significante wijzigingen plaats in het landschap. Het wegtracé wordt niet aangepast. Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het plan.

4.4 Bodem Ten behoeve van deze bestemmingsplanherziening heeft De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. De rapportage, d.d. 25 januari 2022, kenmerk K21013241 is integraal als bijlage bij deze toelichting opgenomen. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen sloop- en bouwactiviteiten op de locatie en bestemmingsplanprocedure. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5897.

58 ROC.B2021.505.T

Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden op 20 december 2021 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Het terrein is bebouwd met een loods (vloeistofdichte vloer), tuin (grasland) en woonhuis. In de loods vindt onder andere opslag van olievaten plaats. Deze zijn opgeslagen tegen de muur aan de zijde van de bovengrondse tank, die buiten ligt. Rondom de loods zijn opslagdepots (o.a. opslag van ophoogzand, voegzand). Rondom de lood is een klinkerverharding inclusief puinfundatie en/of betonverharding. Rondom het woonhuis ligt grind of een klinkerverharding zonder puinfundatie. Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. De locatie van de bovengrondse tank (inclusief inpandig opslag olievaten) en aanwezige puinfundatie onder de klinkerverharding worden als verdachte deellocaties onderzocht.

Verder zijn er op de locatie geen aanwijzingen dat de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging en wordt de rest van de locatie onderzocht als onverdachte locatie. UITGEVOERD BODEMONDERZOEK Algemeen De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 3.500 m2. Het aantal boringen, gaten en peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en NEN 5897 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In onderstaande tabel worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven.

Veldonderzoek 59 ROC.B2021.505.T

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 20 december 2021 (boorwerkzaamheden en monsterneming grondwater). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"-proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olieachtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2 van de bijgevoegde rapportage. Toetsing hypothese In de bodem ter plaatse van de puinfundatie onder de klinkerverharding is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. De hypothese ‘verdachte locatie’ dient verworpen te worden. In de bodem ter plaatse van de bovengrondse dieselolie tank is analytisch geen minerale olie aangetoond. De hypothese ‘verdachte locatie’ dient verworpen te worden. In het grondwater is analytisch een verhoogd gehalte zink aangetoond boven de interventiewaarde.

De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen boven de streefwaarde. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen, zoals zink, in het freatisch grondwater kan worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron. Het verhoogde gehalte zink, en overige zware metalen, kan o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen. Het betreft hier dus ook een van nature verhoogd gehalte. Analytisch is, ten tijde van het bodemonderzoek in 1995, in peilbuis 7 (de peilbuis die nu opnieuw bemonsterd is) een verhoogd gehalte aan zink (340 μg/L) gemeten boven de streefwaarde. Ook in de analyseresultaten van overige bodemonderzoeken zijn verhoogde gehalten zink aangetoond. Zware metalen in het grondwater kunnen sterk fluctueren. Door de aangetroffen lichte verontreinigingen in de bovengrond dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ voor het gehele terrein verworpen te worden.

60 ROC.B2021.505.T

Voorlopige conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: • de bodem op de locatie bevat puin of is uiterst puinhoudend; • in de bodem ter plaatse van de puinfundatie onder de klinkerverharding is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen; • in de bodem ter plaatse van de bovengrondse dieselolie tank (inclusief inpandige opslag olievaten) is analytisch geen minerale olie aangetoond; • in de bovengrond van het gehele terrein is plaatselijk, in grondmengmonster MMBG02, een verhoogd gehalte PCB (som 7) en PAK (10 van VROM) aangetoond boven de achtergrondwaarde; • in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond; • in het grondwater is analytisch een verhoogd gehalte zink aangetoond boven de interventiewaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen boven de streefwaarde; AANVULLEND BODEMONDERZOEK 2022 Aanvullend is op het bovengenoemde onderzoek, is onderzoek uitgevoerd naar de situatie rondom het voormalige pompeilend, de werkplaats, de slibvangput en olie/vet afscheider en de puinlaag. De rapportages van dit aanvullend onderzoek: “Aanvullend bodemonderzoek volgens NEN 5740 Kerkweg 2 Heesch”, d.d. 3 november 2022, kenmerk K21013241-1, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Voor de aanpak, werkwijze en conclusies zij verwezen naar deze rapportage.

Kort samengevat luidt de conclusie van het aanvullend onderzoek: Werkplaats met slibvangput Ter plaatse is in de laag van 0,3-1,3 m-mv een licht verhoogd gehalte PCB aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte naftaleen aangetroffen. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. Werkplaats Ter plaatse van de werkplaats is in de bodemlaag 0,15-0,9 m-mv een matig verhoogd gehalte minerale olie en een licht verhoogd gehalte PCB aangetroffen en in de laag van 0,7-1,9 m-mv is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen. Omdat de verontreiniging niet is aangetroffen buiten de werkplaats, wordt verondersteld dat deze enkel aanwezig is onder de werkplaats. Er is geen sprake van sterk verontreinigde grond en derhalve is er ook geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Echter, bij grondwerkzaamheden dient de grond wel separaat ontgraven te worden en te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.

61 ROC.B2021.505.T

Pompeiland Ter plaatse van het pompeiland zijn geen verontreinigingen in de bodem aangetoond. De grond is beoordeeld als “altijd toepasbaar. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte xylenen aangetroffen. Bodem onder de puinlaag De bodem onder de puinlaag is vrij van verontreinigingen.

AANVULLEND BODEMONDERZOEK MAART 2023 De aanleiding voor het tweede aanvullende bodemonderzoek wordt gevormd door het advies van de omgevingsdienst Brabant Noord om aanvullend onderzoek te verrichten (n.a.v. aanvullend onderzoek uit 2022). Doel van dit bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. In dit tweede aanvullende onderzoek wordt enkel de aanvullende informatie beschreven welke van belang is voor dit aanvullende onderzoek. Voor de overige historische informatie wordt verwezen naar het onderzoek uit januari 2022 en het aanvullend onderzoek van november 2022. Voor de aanpak, werkwijze en conclusies zij verwezen naar de rapportage van dit aanvullende onderzoek van de Klinker Milieu Adviesbureau, d.d. 9 maart 2023, kenmerk K21013241-2, welke rapportage integraal als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. Kort samengevat luidt de aanvullende conclusie van het aanvullend onderzoek: Werkplaats Ter plaatse van de werkplaats is in de boring 107A (laag van 0,16-0,50 m-mv) én in boring 109A (laag 0,5 – 1,0 m-mv) een sterk verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen. In boring 108A (laag 0,19- 0,50) is een matig verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen.

In de boringen 107A (0,5-1,0 m-mv), 108A (0,5-1,5 m-mv), 109A (1,0-2,0 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten minerale olie aangetroffen. In de overige boringen zijn geen verhoogde gehalten minerale olie aangetroffen. De totale verontreiniging heeft een omvang van circa 230 m². De verontreiniging bevindt zich vooral in de bovenste 2,0 m. In totaal betekent dit dat er circa 460 m³ grond is verontreinigd. Hiervan is een kleiner deel sterk verontreinigd. De contour van de sterke verontreiniging strekt zich uit over circa 70 m² met een gemiddelde dikte van 0,5 m. Dit betekent dat er circa 35 m³ grond sterk is verontreinigd met minerale olie.

62 ROC.B2021.505.T

Er kan derhalve worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, welke niet spoedeisend is. Voor een ernstig geval van bodemverontreiniging geldt een saneringsplicht van uit de Wet Bodembescherming. Echter, de uitvoering van de sanering mag op een zogenaamd natuurlijk moment plaatsvinden.

Olie-vet afscheider Ter plaatse van de olie-vet afscheider is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen in de laag van 1,0-1,5 m-mv. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Advies onderzoeksbureau: Geadviseerd wordt om bij een functieverandering en/of sloopwerkzaamheden, waarbij de vloer wordt verwijderd, de verontreiniging te saneren. Hiervoor dient een saneringsplan of BUS-melding opgesteld te worden en ter goedkeuring te worden ingediend bij de provincie. Na goedkeuring hiervan kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd. Deze werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een aannemer welke is gecertificeerd volgens de BRL7000. De werkzaamheden dienen begeleid te worden door een milieuadviesbureau welke is gecertificeerd voor de BRL6000. Zekerstelling sanering In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen binnen de bestemming Wonen, ter meerdere zekerheid dat de sanering wordt uitgevoerd na de sloop en voordat de bouwwerkzaamheden voor de nieuwe woningen van start gaan: 6.3.4 Voorwaardelijke verplichting bodemsanering Na de noodzakelijke sloopwerkzaamheden en vóór het verlenen van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouwwerkzaamheden, dienen met inachtneming van het onderzoeksrapport van de Klinker Milieu Adviesbureau, d.d.

9 maart 2023, kenmerk K21013241-2, welk rapport onderdeel uitmaakt van de toelichting van dit bestemmingsplan, de betreffende gronden door middel van een door de provincie goedgekeurd saneringsplan of bus-melding te zijn gesaneerd. De bovenstaande verplichting is van toepassing op de gronden die gelegen binnen de interventiewaardecontour zoals aangegeven in bijlage 1 van deze regels. Onderstaande afbeelding is als bijlage bij de regels opgenomen:

63 ROC.B2021.505.T

Conclusie Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem – met in achtneming van de bovenstaande conclusies en aanbevelingen (sanering) - geschikt voor het voorgenomen gebruik.

4.5 Wegverkeerslawaai Voor het plan is door Sab Adviseurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Kerkweg ong. naast nr. 2, Heesch), d.d. 5 juli 2022, kenmerk 210490. De rapportage is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Wettelijk kader Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet volgens artikelen 76a en 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) en artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) bij het nieuwe planologisch regime waarin woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt binnen de zones van (spoor)wegen, akoestisch onderzoek worden verricht. Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in het akoestisch klimaat van de nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen ten gevolge van wegverkeerslawaai. Onderzoeksgegevens 64 ROC.B2021.505.T

Voor de autosnelweg A59 zijn verkeersgegevens gebruikt afkomstig uit het geluidregister weg (20211222_v2119). De verkeersgegevens voor de overige wegen zijn onttrokken uit de BrabantBrede ModelAanpak (BBMA) van 2021 en zijn doorgerekend naar prognosecijfers voor het jaar 2032. Onderstaande tabel geeft de gebruikte wegen weer, samen met de oorsprong van de verkeersgegevens.

Selectie van geluidbronnen Voor het akoestisch onderzoek wordt allereerst bepaald welke geluidbronnen relevant zijn voor het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen enkel wegen. Het plangebied ligt in de akoestische aandachtszone van de autosnelweg A59 en de Mugheuvelstraat. De overige wegen in een straal van 200 meter rondom het plangebied zijn 30 km/uur wegen. 30 km/uur wegen hebben geen geluidszone. Verkeersintensiteiten wegen In dit onderzoek is de intensiteit (voertuigbewegingen per etmaal) van de personenauto’s en vrachtwagens (middelzware en zware vrachtwagens) afkomstig uit de BBMA, en Geluidregister weg. Om te komen tot een prognose voor het jaar 2032 is uitgegaan van een autonoom groeipercentage van 1% (per jaar). In onderstaande tabel zijn de maximaal gehanteerde verkeersintensiteiten per wegvak weergegeven. De verkeersintensiteit op de 30 km/uur wegen zijn volgens het model 36 mvt/etm. Er wordt uitgegaan dat de verkeersintensiteit hoger is, zodat er uitgegaan is van 200 mvt/etm. Een nadere specificering van de invoergegevens is te vinden in bijlage B van de bijgevoegde rapportage.

65 ROC.B2021.505.T

Bebouwing en ligging toetspunten Aan de hand van de planopzet is het rekenmodel opgebouwd. Hieruit wordt opgemaakt dat de bebouwing maximaal 10 meter hoog is. De toetspunten zijn gesitueerd op 1,5 meter boven elke verdiepingsvloer, waarbij uitgegaan wordt van een verdiepingshoogte van 3 meter. Onderstaande figuur geeft de ligging en nummering van de toetspunten weer.

Onderzoeksopzet Volgens de Wgh mag voor geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting in principe niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Als de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, wordt getoetst of de geluidbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde. In deze situatie wordt het plan gesitueerd in een binnenstedelijk gebied. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer bedraagt 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB, voor autosnelwegen geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB.

Geluidbelastingen Gezoneerde wegen Autosnelweg A59 Onderstaande figuur geeft de geluidbelasting per toetspunt weer vanwege de autosnelweg A59.

66 ROC.B2021.505.T

Uit de berekeningen blijkt dat vanwege de autosnelweg A59 een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wordt geconstateerd op beide woningen. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden, de hoogste waarde bedraagt 52 dB. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onderzoek naar maatregelen noodzakelijk. Op de begane grond treedt geen overschrijding op. De voorgevel en de zijgevel west zijn geluidsluw (geluidsbelasting lager dan 48 dB). Mugheuvelstraat Onderstaande figuur geeft de geluidbelasting per toetspunt weer vanwege de Mugheuvelstraat. In bijlage C van de bijgevoegde rapportage is de geluidbelasting op alle rekenpunten in tabelvorm weergegeven.

67 ROC.B2021.505.T

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege de Mugheuvelstraat geen overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidsbelasting bedraagt 25 dB. 30 km/uur wegen Onderstaande figuur geeft de geluidbelasting per toetspunt weer vanwege alle 30 km/uur wegen. In bijlage C van de bijgevoegde rapportage is de geluidbelasting op alle rekenpunten in tabelvorm weergegeven.

68 ROC.B2021.505.T

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er vanwege alle 30 km/uur wegen geen overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidsbelasting bedraagt 37 dB. Onderzoeken naar geluidreducerende maatregelen Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde door de autosnelweg A59 is gekeken naar mogelijke maatregelen. Er is onderzocht of, en zo ja, welke doeltreffende maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting terug te brengen tot een waarde die lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Bij het treffen van maatregelen geldt de voorkeursvolgorde: bron, overdracht en ontvanger. Bronmaatregelen Geluidstil asfalt Voor de autosnelweg A59 geldt dat het wegdek bestaat uit zeer open asfalt beton (ZOAB). Dit is reeds een stil wegdektype, waardoor het aanpassen van het wegdektype hier geen relevante maatregel is.

Overdrachtsmaatregelen 69 ROC.B2021.505.T

Afstand vergroten Als de woningen op bestemde locatie worden gebouwd bevinden de woningen zich op circa 160 meter afstand van de snelweg. Om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is op sommige toetspunten een daling van ruim 3 dB vereist. Dit kan niet bereikt worden door het verplaatsen van de woningen binnen de perceelgrenzen. Ook zal een kleine verplaatsing niet leiden tot een relevante afname van de geluidbelasting. Afscherming De autosnelweg A59 is ter hoogte van het plangebied reeds afgeschermd middels een geluidscherm. Ter plaatse bedraagt de hoogte 3,5 meter. Door de afscherming op te hogen naar 5 meter, zal de overschrijding worden weggenomen. De kosten van deze aanpassing kost tenminste € 300.000, - (uitgaande van een aan te passen lengte van 650 meter, € 300 per m2). Gezien de kleinschaligheid van onderhavige ontwikkeling, stuit de maatregel op financiële bezwaren. Maatregelen aan de gevel Hierdoor blijft dat er maatregelen aan de gevel getroffen moeten worden. De binnenwaarde van 33 dB dient te worden gewaarborgd. De hoogste (niet gecorrigeerde) waarde bedraagt 54 dB vanwege de autosnelweg A59 (de andere wegen hebben hiervoor geen significante bijdrage). Dit houdt in dat niet zomaar kan worden voldaan met een standaard karakteristieke geluidwering van 20 dB. Een bouwakoestisch onderzoek is noodzakelijk.

Hogere waarden Aangezien maatregelen aan de bron en in de overdracht niet mogelijk zijn of niet voldoende soelaas bieden moet een hogere grenswaarde procedure worden opgestart, waarbij maatregelen bij de ontvanger er voor moeten zorgen dat de binnenwaarde van 33 dB gewaarborgd blijft. Vanuit gemeente Bernheze bestaat ten tijde van schrijven nog geen beleid voor het aanvragen van hogere waarden voor geluidbelasting. Derhalve hoeft geen toetsing plaats te vinden aan het gemeentelijk geluidbeleid. Voor beide woningen geldt dat sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde waardoor de hogere waarden zoals weergeven in onderstaande tabel moeten worden aangevraagd.

70 ROC.B2021.505.T

De hogere waarden moeten verleend worden voordat dit bestemmingsplan wordt vastgesteld. De aanvraag hogere waarde is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Conclusie • De geluidbelasting vanwege de gezoneerde weg Mugheuvelstraat en de niet gezoneerde wegen is lager dan de voorkeursgrenswaarde. Vanwege deze wegen wordt voldaan aan de Wgh. • De geluidbelasting vanwege de autosnelweg A59 bedraagt maximaal 52 dB. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde maar lager dan de maximaal te ontheffen geluidbelasting. Maatregelen zijn derhalve onderzocht. • Onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen wijst uit dat deze niet voldoende soelaas bieden en op financiële bezwaren stuiten. Derhalve dienen maatregelen aan de ontvanger zijde te worden getroffen. • De niet gecorrigeerde geluidsbelasting bedraagt 54 dB, wat inhoudt dat de karakteristieke geluidwering van de gevel 21 dB dient te bedragen. Derhalve is een bouw akoestisch onderzoek noodzakelijk. • Voor het plan dienen hogere grenswaarden te worden aangevraagd. Deze dienen voor de vaststelling van het plan verkregen zijn. Voor beide woningen moet een grenswaarde van 52 dB worden aangevraagd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. De wet- en regelgeving onderscheidt projecten die ‘in betekenende mate’ (IBM) en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 μg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. 71 ROC.B2021.505.T

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=8b625c04-b66c-4eae-bf5b-96e38a768679