CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Kerkweg 2 Heesch - Toelichting

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Kerkweg 2, Heesch*24.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit is (onder andere) niet noodzakelijk voor: • woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeers-verdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden; • kantoorlocaties bij minder dan 100.000 m2 bvo bij één ontsluitende weg, of 200.000 m2 bvo bij twee ontsluitende wegen. Het plan voorziet in realisatie van twee woningen (omzet bedrijfs- naar woonbestemming), de omzet van een bedrijfs- naar burgerwoning, het veranderen/verschalen van bestaande bedrijfsactiviteiten en de omzet van een deel van de bedrijfsbestemming naar een maatschappelijke bestemming. Dit aantal valt ruimschoots binnen de verkeersgeneratie met het aantal van 1.500 woningen. De toevoeging kan als een luchtkwaliteitsgevoelig object beschouwd worden, zoals een school of een ziekenhuis. In dit kader is een toets NIBM en aan het Besluit luchtkwaliteitsgevoelige bestemmingen nodig. De ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling welke meer verkeer zal generen, te weten de realisatie van twee woningen (gemiddeld zijn dat 8 verkeersbewegingen per woning) en een dagbesteding (bestaat al jaren en is reeds vergund). Voor de dagbesteding zijn geen kengetallen bekend.

Uit informatie van de eigenaar blijkt dat er maximaal 2 personenauto’s komen voor personeel en twee personenbusjes voor het brengen en halen wat een verkeersgeneratie van maximaal 10 auto’s oplevert. Daarnaast zal het bedrijven afgeslankt worden. In worstcase zullen er maximaal dus 30 nieuwe verkeersbewegingen optreden. Met behulp van de NIBMtool (Infomil) is berekend of er een overschrijding van de NIBM-grens (1,2 µg/m3) optreedt.

De maatschappelijke bestemming wordt beschouwd als een luchtkwaliteitsgevoelige bestemming. Het plan ligt op circa 180 meter van de autosnelweg A59 en licht dus binnen de onderzoekszone van 300 meter voor autosnelwegen. In dit kader dient de luchtkwaliteit ten gevolge van de autosnelweg beoordeeld te worden.

72 ROC.B2021.505.T

Deze beoordeling vindt plaats via de NSL-monitoringstool. Er zijn rekenpunten beschikbaar nabij de autosnelweg A59. In de volgende afbeelding zijn de nabijgelegen rekenpunten weergeven. Het rekenpunt welke rood omcirkeld is heeft de hoogste concentraties.

In onderstaande tabel is de luchtkwaliteit voor de jaren 2020 en 2030 weergegeven bij het rekenpunt aan de autosnelweg A59 met de hoogste waarde (73123).

Uit de tabel blijkt dat er in geen van de gevallen de grenswaarden van luchtkwaliteit wordt overschreden. Ook blijkt dat de trend van de luchtkwaliteit verbeterend is. Derhalve is er geen bezwaar om op deze locatie een maatschappelijke functie hier te realiseren. Een nadere toets van de luchtkwaliteit is niet nodig. Conclusie Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

4.7 Geur Het plan voorziet in het realiseren van twee nieuwe woningen in een momenteel aanwezige bestemming ‘Bedrijf’. De omliggende woningen zijn reeds geurgevoelig, hier komt met de bestemmingswijziging geen verandering in. Op ruim 970 meter afstand is de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen. 73 ROC.B2021.505.T

Deze veehouderij voldoet ruim aan de afstandseisen tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten (100 meter in de bebouwde kom). Uit het Web-bvb van de provincie Noord Brabant blijkt dat de vergunde geuremissie 379 ouE/s bedraagt. Dit is dusdanig weinig dat geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met betrekking tot de achtergrondbelasting geur is de kaart ‘Achtergrondbelasting geur maart 2022’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) geraadpleegd. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart weergegeven waarbij het plangebied is aangegeven met een rode ster. Op de kaart is te zien dat er sprake is van een zeer goede kwaliteit leefomgeving ter plaatse van de planlocatie.

74 ROC.B2021.505.T

Conclusie Geurhinder ten gevolge van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan.

4.8 Externe veiligheid Het begrip externe veiligheid heeft betrekking op risico’s die voor mens en milieu kunnen ontstaan bij het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast hebben de risico’s door luchthavens en windturbines betrekking tot externe veiligheid. De overheid kent verschillende wet- en regelgeving voor het snijvlak van externe veiligheid en ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor of buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimaal beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Risicoaspecten Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, namelijk de plasbrandaandachtsgebied (PAG), het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

75 ROC.B2021.505.T

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het Plasbrandaandachtsgebied (PAG) beschrijft de zone nabij wegen en spoorwegen die gebruikt worden voor grotere hoeveelheden transporten van gevaarlijke stoffen. In het Basisnet is voor het PAG een zone van 30 meter naast de infrastructuur opgenomen, afhankelijk van de soort infrastructuur wordt het meetpunt bepaald. De aanwezigheid van een PAG wordt bepaald aan de hand van de in het Basisnet vermelden gegevens. Voor plangebieden binnen een PAG gelden conform paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 aanvullende bouweisen. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties wordt uitgegaan van een basisnorm: het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof mag voor omwonenden niet hoger zijn dan 1 op de miljoen per jaar. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

76 ROC.B2021.505.T

Het groepsrisico geeft aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarbij rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de risicobron. Dit laatste geldt ook voor inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek waarin op de verticale as de cumulatieve kans op het aantal doden per jaar en op de horizontale het aantal doden logaritmisch is weergegeven. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij inrichtingen is per inrichting gemeten en per jaar: • 10-5 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; • 10-7 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; • 10-9 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde). De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico bij het vervoer van gevaarlijke stoffen is per transportsegment (geldt ook voor buisleidingen) gemeten per kilometer en per jaar: • 10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers; • 10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers; • 10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers; • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de oriëntatiewaarde).

Verantwoording 77 ROC.B2021.505.T

In het Bevi, Bevt en het Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoordingsplicht houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. In het Bevi, Bevt en het Bevb zijn bepalingen opgenomen waaraan deze verantwoording dient te voldoen. Conform de Bevt dient bij een significante toename van het groepsrisico of een overschrijding van de oriëntatiewaarde het groepsrisico verantwoord te worden. De verantwoording van het groepsrisico is conform het Bevi van toepassing indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. In het Bevb is voor de verantwoordingsplicht een onderscheid gemaakt tussen het 100%-letaliteitsgebied en het 1%-letaliteitsgebied. Binnen eerstgenoemd gebied geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht, in laatstgenoemd gebied dient alleen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid beschouwd te worden.

Risicoaandachtsgebieden In aanvulling op de voorgaande risicoaspecten wordt er in het Handboek Omgevingsveiligheid onderscheid gemaakt van drie soorten gevaren voor de omgeving: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie van giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Ten behoeve van deze drie gevaren zijn respectievelijk drie aandachtsgebieden getypeerd, namelijk het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied. Brandaandachtsgebied In een brandaandachtsgebied is de berekende warmtestraling, als gevolg van een brand met gevaarlijke stoffen groter dan of gelijk aan 10 kW/m2 (Besluit kwaliteit leefomgeving [Bkl] artikel 5.12, lid 1). In de geldende regelgeving zijn er voor het brandaandachtsgebied vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden specifiek te berekenen.

78 ROC.B2021.505.T

Bij het transport van gevaarlijke stoffen via wegen en spoorwegen wordt het brandaandachtsgebied, dus de nabije zone van de transportroute, in de vigerende regelgeving benoemd als het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). In het Basisnet is voor het PAG een zone van 30 meter naast de infrastructuur opgenomen, afhankelijk van de soort infrastructuur wordt het meetpunt bepaald. De aanwezigheid van een PAG wordt bepaald aan de hand van de in het Basisnet opgenomen gegevens. Voor plangebieden binnen een PAG gelden conform paragraaf 2.3 van de Regeling Bouwbesluit 2012 aanvullende bouweisen. Explosieaandachtsgebied In het explosieaandachtsgebied is de berekende overdruk, als gevolg van een explosie van gevaarlijke stoffen, gelijk aan of hoger dan 10 kPa (0,1 bar). Gifwolkaandachtsgebied Een gifwolkaandachtsgebied is het gebied waarbinnen de concentratie giftige stoffen binnenshuis groter is dan de Levensbedreigende Waarde bij 30 minuten blootstelling (LBW3). Bij ruimtelijke ontwikkelingen, niet zijnde vergunningen ten behoeve van milieubelastende activiteiten, geldt een beleidsmatige afkapgrens van 1,5 km. Binnen dit gebied dient rekening gehouden te worden met het groepsrisico als gevolg van een gifwolk (Bkl artikel 5.12, lid 4). Onderzoeksgebied In het kader van de waarborging van de externe veiligheid is het van belang om de risicobronnen rondom het plangebied in kaart te brengen.

Onderstaande figuur voorziet hierin en toont alle in de nabije omgeving van het plangebied gelegen risicobronnen. Deze zijn slechts een indicatie van alle potentiële gevaren in het kader van externe veiligheid in de nabijheid.

79 ROC.B2021.505.T

Legenda [1] Wegtraject A59, wegvak B78, Knp. Hintham – Knp. Paalgraven [2] Risicovolle inrichting, Van Kessel Tankservice B.V. (BP) [3] Risicovolle inrichting, Heesch S.T.E. B.V. (BP) [4] Risicovolle inrichting, Instructiebad ‘t Kuipke [5] Risicovolle inrichting, SS+Oliehandel De Kock B.V. [6] Wegtraject Mugheuvelstraat In navolgende risico-inventarisatie is gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied, op maximaal 1,5 km afstand: • risicovolle inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Risicovolle inrichtingen In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevinden zich inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. Onderstaande tabel geeft de kenmerken van deze inrichtingen weer.

80 ROC.B2021.505.T

Geconcludeerd wordt dat de risicovolle inrichtingen gezien de afstand tot de ontwikkellocatie geen belemmering vormen voor het plan. Een nader onderzoek van de risicovolle inrichtingen is derhalve niet noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen Buisleidingen In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevindt zich geen relevante buisleiding. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Spoor Ten noorden van de ontwikkellocatie ligt op ruim 2,5 kilometer afstand het spoortraject 64. Deze kent transport van gevaarlijke stoffen met een invloedgebied van meer dan 4 kilometer. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes enkel beperkt verantwoord te worden. Het betreft een motivering ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierin wordt onderstaand voorzien. Ook de Veiligheidsregio moet in de gelegenheid gesteld worden om een advies uit te brengen. Water In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevindt zich geen relevant watertraject. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Weg In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevindt zich één relevant wegtraject. Onderstaande tabel geeft de kenmerken van het wegtraject weer.

81 ROC.B2021.505.T

Geconcludeerd wordt dat het wegtraject gezien de afstand tot de ontwikkellocatie een belemmering kan vormen voor het plan. Een nader onderzoek is derhalve vereist. Tevens ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied van de Mugheuvelstraat. Het is aannemelijk dat over de Mugheuvelstraat gevaarlijke stof GF3 vervoerd wordt naar het LPGtankstation aan de zuidrand van Oss. Het invloedsgebied voor deze stof is 355 meter en de weg ligt op circa 220 meter afstand van de ontwikkellocatie. Uitgaande van circa 50 wagens per jaar moet deze risicobron nader onderzocht worden. Luchtvaart In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevindt zich geen relevante luchthaven. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Windturbines In de nabijheid van de ontwikkellocatie bevindt zich geen relevante windturbine. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Voorlopige conclusie Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: • De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen, watertrajecten, luchtvaart en windturbines; • De ontwikkellocatie bevindt zich in het invloedsgebied van spoortraject 64, maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico; 82 ROC.B2021.505.T

•

De ontwikkellocatie bevindt zich in het invloedsgebied van wegtraject A59. Een nader onderzoek is derhalve vereist.

Onderstaand wordt voorzien in het onderzoek m.b.t. het groepsrisico door het wegtraject en de verantwoording van het groepsrisico. RISICOANALYSE Om de haalbaarheid van deze ontwikkeling aan te tonen zijn respectievelijk de huidige en de toekomstige situatie getoetst aan het aspect ‘externe veiligheid’ in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen via het wegtraject A59. In het navolgende worden de onderzoeksresultaten nader toegelicht aan de hand van het Plasbrandaandachtsgebied, het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plasbrandaandachtsgebied De aanwezigheid van een Plasbrandaandachtsgebied (PAG) wordt bepaald aan de hand van de in het Basisnet opgenomen gegevens. Uit de gegevens van de Tabel Basisnet weg blijkt dat het wegtraject A59, wegvak B78 geen PAG kent. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet binnen een PAG valt en derhalve geen aanvullende bouweisen voor bouwen in een PAG gelden. Plaatsgebonden risico De aanwezigheid van een Plaatsgebonden risico (PR) kan onder andere worden bepaald aan de hand van de in het Basisnet opgenomen gegevens. Uit de gegevens van de Tabel Basisnet weg blijkt dat het wegtraject A59, wegvak B78 geen PR-contour 10-6/j kent, wel is er sprake van een PR 10-7/j contour van 74 meter. Uit de berekening met RBM II blijkt dat er daarnaast een PR 10-8/j contour is (groene contour in onderstaande figuur) van meter.

Onderstaande figuur geeft het plaatsgebonden risico van het wegtraject weer.

83 ROC.B2021.505.T

Figuur PR-contouren

Groepsrisico Het groepsrisico is berekend met het programma RBM II en de voorafgaand genoemde huidige en toekomstige situatie met bijbehorende populatiegegevens. In de navolgende figuren worden de fN-curves van de huidige situatie en de drie toekomstige situaties weergegeven.

In beide figuren is het rode gebied het groepsrisico hoger dan de oriënterende waarde (normwaarde hoger dan 0,01), in het gele gebied is het groepsrisico gelegen tussen 0,1 maal oriënterende waarde en de oriënterende waarde (normwaarde tussen 0,001 en 0,01). In het groene gebied is het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde (normwaarde lager dan 0,001). Voor beide situaties is de overschrijdingsfactor berekend, deze is de verhouding tussen de fN-curve en de oriëntatiewaarde. Daarmee is de overschrijdingsfactor de maat die aangeeft in hoeverre de oriëntatiewaarde wordt genaderd of overschreden. Een overschrijdingsfactor kleiner dan 1 geeft aan dat de fN-curve onder de oriëntatiewaarde blijft. Bij een waarde van 1 zal de fN-curve de oriëntatiewaarde raken. Bij een waarde groter dan 1 wordt de oriëntatiewaarde overschreden.

84 ROC.B2021.505.T

Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de huidige evenals in de toekomstige situatie voor wat betreft het hoogste groepsrisico per kilometer van de route en het gesommeerde groepsrisico van de route de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Risicoanalyse wegtraject De ontwikkellocatie ligt in de directe nabijheid van de Mugheuvelweg. Hierover vinden transporten van gevaarlijke stof GF3 plaats richting het LPG-tankstation aan de zuidrand van Oss. Uitgaande van worst-case scenario dat alle transporten over de Mugheuvelweg plaats vinden tussen het LPG-tankstation en de autosnelweg A59, wordt er op basis van de jaardoorzet van 500 m3 uitgegaan van circa 50 transporten per jaar. Plaatsgebonden risico Voor wegen buiten de bebouwde kom kent de HaRT drie vuistregels: Vuistregel 1: Een weg buiten de bebouwde kom heeft geen PR 10-5 contour. Vuistregel 2: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen PR 10-6 contour. Vuistregel 3: Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar groter is dan 500 heeft een weg buiten de bebouwde kom geen 10-6-contour als 0.0003*(GF3+0.2*LF2+LT1+LT2+3*LT3+GT4+GT5) Vuistregel 1 is van toepassing zonder verdere voorwaarde.

Wat betreft vuistregel 2 is aannemelijk dat gezien het feit dat het wegvak niet is opgenomen op de risicokaart, dat er in de nabijheid slechts één LPG-tankstation is gevestigd waarbij uitgaande van 50 transporten per jaar, de jaar intensiteit onder de drempelwaarde van 500 transporten blijft. Daarmee is eveneens vuistregel 2 van toepassing en valt vuistregel 3 buiten beschouwing. Derhalve wordt, op basis van deze gegevens uit de HaRT, geconcludeerd dat de Mugheuvelweg geen plaatsgebonden risico kent. Groepsrisico Voor het groepsrisico gelden vergelijkbare vuistregels. Uitgaande van een enkelzijdige bebouwing en een omgeving die zich kenmerkt als rustige woonwijk, waardoor de gemiddelde bevolkingsdichtheid voor een dergelijk gebied gesteld wordt op circa 25 personen per hectare (conform tabel 16.3 Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico), kent de HaRT voor een wegtraject op 220 meter afstand geen drempelwaarde voor overschrijding van 10% van de oriëntatiewaarde. Pas bij een dichtheid van 50 personen per hectare op 100 meter afstand of bij een kortere afstand tot de ontwikkellocatie kent de HaRT een drempelwaarde. Op basis van deze gegevens uit de HaRT kan geconcludeerd worden dat voor de Mugheuvelweg geen groepsrisico hoeft te worden verantwoord. 85 ROC.B2021.505.T

Desondanks is het vanuit een goede ruimtelijke ordening wenselijk om een beperkte verantwoording van het groepsrisico op te nemen, daarin wordt in het navolgende hoofdstuk voorzien. Samenvatting risicoanalyse Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van het wegtraject A59 toenemen. Het wegtraject kent in de nabijheid van de ontwikkellocatie geen plasbrandaandachtsgebied en geen PR 10-6/j contour. Tevens is gebleken dat zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en het groepsrisico niet, dus minder dan 10%, toeneemt. Ingevolge artikel 7 en 8 kan een volledige verantwoording van het groepsrisico achterwege blijven als de verandering van de dichtheid van personen met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Wel is het wenselijk het groepsrisico van de in de 10-8/j plaatsgebonden risicocontour liggende bebouwing zoveel mogelijk te minimaliseren. In het navolgende hoofdstuk zal door middel van een beperkte verantwoording van het groepsrisico hierin voorzien. Als gevolg van het ontwikkelplan zal de personendichtheid in het invloedsgebied de lokale weg ‘Mugheuvelweg’ toenemen. De veiligheidsregio heeft aangegeven dat deze weg wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stof GF3.

Uit de risicobeoordeling op basis van de HaRT kan geconcludeerd worden dat de weg geen plaatsgebonden risico en geen groepsrisico kent. 22 Gezien het gegeven dat transport van gevaarlijke stoffen wel is toegestaan, ook al is deze momenteel niet op de weg gebruikelijk, is het voor de beoogde ontwikkeling wenselijk het calamiteitenscenario in een beperkte verantwoording van het groepsrisico te beschouwen. Het navolgende hoofdstuk zal hierin voorzien. BEPERKTE VERANTWOORDING GROEPSRISICO Aan de Kerkweg 2 te Heesch bestaat het voornemen aan de oostzijde van het perceel twee woningen in vorm van twee aaneen gebouwd te realiseren. De mogelijke risico’s in het kader van externe veiligheid zijn in de voorgaande hoofdstukken onderzocht. Zowel in de huidige evenals in de toekomstige situatie wordt de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet overschreden en het groepsrisico niet, dus minder dan 10%, toeneemt. Derhalve kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Tevens ligt de ontwikkellocatie op ruim 2,5 kilometer afstand het spoortraject 64. Deze kent transport van gevaarlijke stoffen met een invloedgebied van meer dan 4 kilometer. Gelet op het feit dat de ontwikkellocatie buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, hoeft het groepsrisico ook voor deze risicobron slechts beperkt verantwoord te worden. 86 ROC.B2021.505.T

Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente Bernheze en de daarin gemaakte keuzes. Wettelijk kader Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 en 8 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Op dit moment is de Omgevingswet niet in werking. De locatie ligt in een explosieaandachtsgebied zoals dit in de toekomstige wet is beschreven. De dagbesteding is reeds een vergund en al jaren in gebruik. Dit plan regelt de positieve bevestiging in het bestemmingsplan hiervan. In de beperkte verantwoording is daarvoor speciaal aandacht besteed aan bedrijfshulpverlening.

Scenario’s In het navolgende worden de calamiteitenscenario’s beschreven die, gezien de afstand tot de ontwikkellocatie het meest relevant zijn. Overige scenario’s kunnen voor transport van gevaarlijke stoffen eveneens van belang zijn, maar zijn slechts in mindere mate relevant voor de beoogde ontwikkeling. Koude BLEVE Door externe beschadiging van de tank, bijvoorbeeld na een botsing, kan gevaarlijke stof vrijkomen en ontsteken. Bij deze koude BLEVE ontstaat een vuurbal en drukgolf met warmtestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg. Warme BLEVE Door een brand, bijvoorbeeld met externe oorzaak, kan de druk in een tank oplopen. De tank verzwakt en bezwijkt waardoor gevaarlijke stof vrijkomt en ontsteekt. Bij deze warme BLEVE ontstaat een vuurbal en drukgolf met warmtestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg.

87 ROC.B2021.505.T

Giftige wolk Door een scheur in de tankwagen, bijvoorbeeld na een botsing, kan in korte tijd een groot deel van de gevaarlijke stof uitstromen. Daarbij kan een giftige plas ontstaan waarbij de stof uitdampt en zich een gifwolk vormt die met de wind mee verspreidt. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Heesch is de locatie binnen 5 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Nistelrode binnen 10 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door te proberen de toxische wolk neer te slaan. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door de brand onder controle te brengen.

De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat de locatie onderdeel is van een straat met lintbebouwing, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Alarmering Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. 88 ROC.B2021.505.T

Schuilen Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Dit advies is ook van toepassing op het brandbare scenario. In lijn met het advies van de veiligheidsregio moet er extra aandacht besteed worden aan het afdichten van gebouwen. Vluchten biedt het beste handelingsperspectief. Indien vluchten niet goed mogelijk blijkt te zijn kan door aanwezigen te laten schuilen in een ruimte zonder ramen in de buitengevel het risico op letsel ook worden beperkt. Geadviseerd wordt om deze optie te laten bekijken en indien hiertoe mogelijkheden zijn deze ruimte als zodanig te benoemen in het noodplan. Vluchten Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Bestaande (vlucht)wegen van de risicobron af, in dit geval richting zuiden naar de Buitenpas en omgeving, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. In de omgeving van de planlocatie ligt een opvang voor mensen met een verstandelijke beperking.

Deze mensen zijn niet zelfredzaam en daardoor niet in staat om bij een calamiteit, zelfstandig het gebouw te verlaten. Een BLEVE kan als gevolg van een brand na 15 minuten plaats vinden. Als de aanwezigen in die 15 minuten op 200 meter afstand of meer kunnen vluchten wordt de kans op ernstig letsel sterk gereduceerd. In het geval van de Mugheuvelweg is dit al het geval met circa 220 meter afstand tussen de planlocatie en des betreffende weg. Betreft de A59 is dit circa 150 meter en zit men dus binnen die 200 meter. Bedrijfshulpverleners De in het totaalplan opgenomen – en onder vigerende bestemming reeds toegestane – realisatie van dagopvang voor personen met dementie kenmerkt zich door een groep mensen die niet of nauwelijks kennis hebben van mogelijke vluchtroutes, het is derhalve essentieel dat de dagopvang beschikt over voldoende opgeleide bhv’ers die (kwetsbare) mensen helpen bij een calamiteit. BHV’ers dienen actief te worden geïnformeerd over de aanwezige risico’s en handelsperspectieven. Zeker de twee handelsperspectieven vluchten v.s. binnen blijven zijn van belang met het oog op de hiervoor besproken scenario’s. Advies veiligheidsregio 89 ROC.B2021.505.T

Er is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Het advies, d.d. 13 maart 2022 luidt als volgt: • Informeer de BHV organisatie en medewerkers van de werk- & dagbestedingsruimte actief over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Er is sprake van twee verschillende handelingsperspectieven, vluchten v.s. binnen blijven. Het is van belang dat de aanwezige personen weten wat zij in welke situatiemoeten doen. Adviseer hen om deze scenario’s in het noodplan op te nemen en te beoefenen. • Besteed extra aandacht aan afdichtingen in het gebouw zoals bijvoorbeeld raam- en deurkozijnen. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. • Een BLEVE als gevolg van brand kan na 15 minuten plaats vinden. Indien cliënten en begeleiders binnen 15 minuten tot een afstand van > 200 meter van de A50 kunnen vluchten wordt de kans op ernstig letsel sterk gereduceerd. • In het advies van 2019 is voorbij gegaan aan het feit dat gebouwen ook een zekere mate van bescherming kunnen bieden. Hierbij moet vooral gedacht worden aan het voorkomen van letsel door rondvliegend glas als gevolg van ruitbreuk. Vluchten biedt het beste handelingsperspectief. Indienvluchten niet goed mogelijk blijkt te zijn kan door cliënten en begeleiders te laten schuilen in een ruimte zonder ramen in de buitengevel het risico op letsel ook worden beperkt.

Geadviseerd wordt om deze optie te laten bekijken en indien hiertoe mogelijkheden zijn deze ruimte als zodanig te benoemen in het noodplan. NB De maatregelen, genoemd in de verantwoording van het groepsrisico, dienen in ieder geval getroffen te worden. Deze bestaan minimaal uit: − Het actief informeren van de BHV organisatie en medewerkers van de werk- en dagbestedingsruimte over de aanwezige risico’s en handelingsperspectieven. Het is van belang dat de aanwezige personen weten welke handeling getroffen dient te worden bij het zich voordoen van een incident. Deze scenario’s dienen in een noodplan opgenomen te worden en dienen te worden geoefend. − Extra aandacht dient besteed te worden aan afdichtingen in het gebouw, zoals bijvoorbeeld raam- en deurkozijnen. Ventilatiemogelijkheden dienen afgesloten te kunnen worden. − Het gebouw zelf kan eveneens een zekere mate van bescherming bieden. Hierbij moet vooral gedacht worden aan het voorkomen van letsel door rondvliegend glas als gevolg van ruitbreuk. Vluchten biedt het beste handelingsperspectief. Indien vluchten niet goed mogelijk blijkt te zijn, kan door cliënten en begeleiders te laten schuilen in een ruimte zonder ramen in de buitengevel het risico op letsel ook

90 ROC.B2021.505.T

worden beperkt. Geadviseerd wordt om deze optie te laten bekijken en, indien hiertoe mogelijkheden zijn, deze ruimte als zodanig te benoemen in het noodplan. Conclusie In deze paragraaf zijn aan de hand van het wettelijk kader alle mogelijke risicobronnen in de nabijheid van de ontwikkellocatie in beeld gebracht en daar waar vereist nader onderzocht. Uitgaande van de hiervoor opgenomen verantwoording van het groepsrisico bestaat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Bedrijven en milieuzonering Algemeen Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Hiervoor wordt in het algemeen gebruikt gemaakt van de categorie-indeling op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2012. In deze brochure worden richtafstanden gegeven van functies op o.a. gevoelige bestemmingen. Deze brochure kan ook omgekeerd worden toegepast. De bestaande bedrijven hebben invloed tot op een bepaalde afstand. Indien binnen die afstand de gevoeligheid verandert, heeft dat invloed op een bestaand bedrijf. Sab heeft een onderzoek verricht naar het onderdeel Bedrijven en milieuzonering. De Quickscan, d.d. 27 januari 2023, kenmerk 210490, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Situatie ontwikkellocatie De ontwikkellocatie ligt aan de noordelijke rand van de kern van Heesch. Het plangebied heeft in de huidige situatie de bestemming ‘Bedrijf’. Aan de noord- en oostzijde, zijn er gronden bestemd voor ‘Agrarisch’.

Aan de westzijde, zijn de gronden bestemd voor ‘Bedrijf’ en voor een klein gedeelte ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Het plangebied bevindt zich aan de noordzijde van Heesch, ten zuiden van de autosnelweg A59 en wordt omringd door een verscheidenheid aan functies, zoals wonen, bedrijvigheid en agrarisch grondgebruik. Gesproken kan daarom worden van een gemengd gebied. Daarmee worden de richtafstanden verlaagd met één stap terug, behalve voor het aspect ‘gevaar’. 91 ROC.B2021.505.T

Het plangebied krijgt de bestemming ‘Wonen’ met uitzondering van de reeds vergunde dagbesteding, deze krijgt de bestemming ‘Maatschappelijk’ en het westelijk plandeel waarop een bedrijf gevestigd mag zijn voor opslag en stalling van materiaal en materieel. De bestemming ‘Bedrijf’ wordt op het deel ‘Wonen’ en ‘Maatschappelijk’ opgeheven. Planologisch mogen dus hindergevoelige functies ter plaatste van de bouwvlakken worden gerealiseerd. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De beoogde ontwikkeling maakt woningen mogelijk. ‘Wonen’ betreft geen hinderveroorzakende functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing van de woningen richting de omgeving noodzakelijk is.

Een dagopvang zou vergelijkbaar gesteld kunnen worden aan kinderopvang. Dat is een categorie 2 bedrijf. De richtafstand bedraagt 10 meter. Er bestaat geen overlap met de richtafstand en omliggende gevoelig functies (bestaande woningen). Het plan voorziet daarnaast ook een herbestemming van het transportbedrijf (categorie 3.2) naar een bedrijf van opslag en stalling van materiaal en materieel. Een dergelijk bedrijf is vergelijkbaar te stellen met een categorie 2 bedrijf. De richtafstand in een gemengd gebied bedraagt 10 meter voor aspect geluid. Met de aangrenzende opvang van ouderen bestaat een overlap met de richtafstand. Ten opzichte van de woningen aan de Kerkweg 8 (30 92 ROC.B2021.505.T

meter) en aan de Beellandsstraat 11 (30 meter) wordt er voldaan aan de richtafstanden. Ten opzichte van de woning Kerkweg 4 (10 meter) wordt niet voldaan aan de richtafstand. Door middel van onderzoek zal aangetoond moeten worden dat voldaan wordt aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor is een akoestisch onderzoek (zie bijlage 2 van de bij deze toelichting gevoegde rapportage). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In paragraaf 4.10 van deze toelichting wordt dit nader beschreven. De bedrijfswoning aan de Kerkweg 2 wordt omgezet naar een burgerwoning. De toekomstige woning wordt geluidgevoelig. In dit geval is de richtafstand tot aan de bedrijfsbestemming 20 meter. Met de naastgelegen woning Kerkweg 2a bestaat een overlap met de richtafstand (7 meter). De activiteiten van het bedrijf zijn afgeschaald van transportbedrijf naar een bedrijf van opslag en stalling. Omdat hier sprake is van een bestaande situatie geldt hier dat voor de woning een van rechtensverkregen geluidsbelasting geldt. In bijlage 2 (van de bij deze toelichting gevoegde rapportage) is de geluidsbelasting ten gevolge van de passages van vrachtwagens in de dagperiode opgenomen.

Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Aangezien er in de omgeving van de ontwikkellocatie op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk zijn en feitelijk gezien zijn gevestigd, zijn deze geïnventariseerd. De navolgende afbeelding geeft de omliggende adressen met hinderveroorzakende functies globaal weer, waarna de verschillende adressen nader worden beschreven en getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De omliggende woonfuncties zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Woningen betreffen immers geen hinderveroorzakende functie.

93 ROC.B2021.505.T

Het geldende bestemmingsplan, ter plaatste van het plangebied, is “De kommen van Bernheze” dat op 6 januari 2011 vastgesteld werd. Langs de Kerkweg staat op de kaart dat er agrarische gronden ten oosten van het plan gebied bestaan. Een nieuw bestemmingsplan ‘Kerkweg Heesch 4’ werd op 26 februari 2020 vastgesteld. Het doel is om woningen te gaan ontwikkelen, hiervoor geldt geen hinderveroorzakende functie. Nadere beschouwing is derhalve niet noodzakelijk. De te meten afstand betreft de afstand vanaf (de uiterste gevelsituering van) de dichtstbijzijnde woning tot de grens van de hinderveroorzakende bestemming. De beoogde dagbesteding zelf vormt geen geluidgevoelige bestemming. Er wordt namelijk niet overnacht in de dagbesteding. Omdat de dagbesteding geen geluidgevoelig object is, kan deze vanuit het aspect geluid geen hinder ondervinden van omliggende bedrijvigheid. Daarom is de dagbesteding qua milieuhinder (afkomstig van geluid) niet getoetst aan omliggende bedrijfsfuncties. De dagbesteding kan voor geur wel als gevoelig object beschouwd worden. Het geuraspect wordt in het vervolg nader onderbouwd. Agrarisch – agrarisch bedrijf (A - lichtgroen)

94 ROC.B2021.505.T

Ten oosten van de ontwikkellocatie is een agrarisch bedrijf gelegen. Deze is ook deels met een functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De bestemming voor deze gronden is ‘Agrarisch’. Daaronder is het volgende toegestaan: a. agrarisch grondgebruik; b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder: 1. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’: een intensief veehouderijbedrijf; 2. ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’: overige agrarische bedrijven; 3. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: een bedrijfswoning; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van cultuur en ontspanning galerie en beeldentuin’ een galerie/beeldentuin; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven. Een veehouderij is niet toegestaan zonder aanduiding. De omschakeling naar intensieve veehouderij is ook niet toegestaan. Uit het handelsregister blijkt dat het agrarisch bedrijf actief is in ‘Groothandel van levend vee’. Hierdoor wordt geconstateerd dat volgens de VNGpublicatie valt deze bedrijfsactiviteit onder milieucategorie 3.2 ‘Groothandel in levende dieren’.

Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de richtafstand voor een dusdanig bedrijf in gemengd gebied maximaal 50 meter. Er wordt met 8 meter niet voldaan aan de richtafstanden. Daarmee is een nadere beschouwing noodzakelijk gezien op voorhand niet zondermeer gesteld kan worden dat wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Dit bedrijf zal onderstaand (aan het einde van deze paragraaf) derhalve nader worden beschouwd. Omdat voor geur en geluid niet wordt voldaan aan de richtafstand dient voor deze aspecten het stappenplan uit bijlage 5.3 uit de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering te worden doorlopen. Er is niet automatisch sprake van een goed- woonleefklimaat. In bijlage 1 van de bij deze toelichting gevoegde rapportage “Quickscan bedrijven en milieuzonering’ is een akoestisch onderzoek opgenomen.

95 ROC.B2021.505.T

Agrarisch (B – lichtgroen) Ten noorden van de ontwikkellocatie zijn agrarische gronden gelegen. De bestemming voor deze gronden is ‘Agrarisch’. Daaronder is het volgende toegestaan: a. agrarisch grondgebruik, b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder: 4. ter plaatse van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’: een intensief veehouderijbedrijf; 5. ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’: overige agrarische bedrijven; 6. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: een bedrijfswoning; c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van cultuur en ontspanning - galerie en beeldentuin’ een galerie/beeldentuin; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven. Op deze agrarische gronden is geen specifieke functieaanduiding opgenomen. Derhalve is het hier niet mogelijk om aan agrarisch bedrijf te realiseren, en geldt geen hinderveroorzakende functie. Een nadere beschouwing is daarom niet noodzakelijk. Maatschappelijk Beellaandstraat (C-bruin) Ten zuiden van het plangebied was een maatschappelijke functie gelegen. Het nieuwere bestemmingsplan ‘Park Beelland’, dat op 2 februari 2017 vastgesteld werd, beoogd de totstandbrenging van een woongebied. Derhalve zal geen sprake zijn van hinder voor de beoogde woningen.

NADERE BESCHOUWING AGRARISCH BEDRIJF Gezien niet wordt voldaan aan (sommige) richtafstanden voor een groothandel in vee volgens de vigerende bestemming, is de groothandel nader beschouwd. De verschillende aspecten worden onderstaand besproken. Geur Binnen dit bedrijf is een vergunning aanwezig voor het (tijdelijk) houden van 50 guste/dragende zeugen en 5 legkippen welke samen een geuremissie hebben van 937 OUe/sec. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden. De omliggende woningen zijn reeds geurgevoelig, hier komt met de bestemmingswijziging geen verandering in. Voor het bedrijf aan de Meursstraat 12 geldt dat de werkplaats gelegen aan Kerkweg 2 het dichtstbij gelegen geurgevoelig object is. De werkplaats is op 25 meter afstand gelegen vanaf het dierenverblijf. Volgens de Wet geurhinder en veehouder, artikel 5, lid 1 bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. In het 96 ROC.B2021.505.T

tweede lid van dit artikel wordt aangehaald dat indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd wordt indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, niet afneemt en de geurbelasting op het geurgevoelige object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, en het aantal dieren van één of meer diercategorieën, niet toenemen. Met onderhavig plan worden de nieuwe woningen niet op een kortere afstand gerealiseerd ten opzichte van de afstand van de werkplaats tot het dierenverblijf. De realisatie van de woningen zorgt zodoende niet voor hinder aan het naast gelegen bedrijf. In de huidige situatie is voor het emissiepunt het middelpunt van de stal aangehouden, wanneer dit aan de voorzijde van de stal gesitueerd zal worden is de werkplaats nog steeds het geurgevoelige object met de hoogste geurbelasting. In navolgende tabel is weergegeven wat de geurbelasting op de geurgevoelige objecten is als het emissiepunt wordt verplaatst in het kader van de maximale planologische situatie. De volledige berekening is bijgevoegd in de bijlage bij de bij deze toelichting gevoegde rapportage “Quickscan bedrijven en milieuzonering”.

De realisatie van de woningen zorgt zodoende niet voor hinder aan de maximale planologische situatie aan het naast gelegen bedrijf. Tevens wordt op de nieuwe woningen, de dagbesteding en de om te zetten bedrijfswoning naar burgerwoning wordt voldaan aan de geurnorm van 3 ouE/m3. Stof De richtafstand voor het aspect ‘stof’ is 0 meter. Een nadere beschouwing voor het aspect stof is gezien bovenstaande niet noodzakelijk. Geluid De groothandel in levende dieren, kan geen dieren meer plaatsen op eigen terrein (geen geurvergunning aanwezig), maar er bestaat wel de mogelijkheid dat de groothandel met vrachtwagens naar de locatie komt. Derhalve is in bijlage 1 van de bij deze toelichting gevoegde rapportage de geluidsbelasting berekend vanuit de groothandel naar de beide woningen toe.

97 ROC.B2021.505.T

Uit de rekenresultaten van de akoestische beschouwing van de quickscan blijkt dat de inrichting in de nachtperiode niet kan voldoen aan de geluidgrenswaarden uit artikel 2.17 lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Berekend is een maximaal geluidniveau van 65 dB(A), de normstelling is 60 dB(A). Geef als motivatie aan dat hogere maximale geluidniveaus als maatwerkvoorschrift kunnen worden toegelaten op basis van artikel 2.20 lid 1, omdat wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 2.20 lid 2. Er wordt voldaan aan de voorwaarde omdat het maximale geluidniveau in de woningen in de nachtperiode niet hoger is 45 dB(A). De inrichting vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter hoogte van de twee nieuwe woningen is voldoende geborgd in artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012. Daarnaast blijkt dat de inrichting niet wordt belemmerd in haar bedrijfsactiviteiten doordat de hogere benodigde maximale geluidniveaus in maatwerkvoorschriften kunnen worden vastgelegd. De conclusies van het akoestische onderzoek worden in paragraaf 4.10 van de toelichting beschreven.

Conclusie In het plangebied (Bedrijf) zijn ook activiteiten. De richtafstand van de bestemming Maatschappelijk kent geen overlap met omliggende gevoelige functies. De richtafstand van de bestemming Bedrijf (stalling en opslag van materiaal en materieel) kent een overlap met de dagopvang van ouderen en de woning Kerkweg 2a. In dit kader is een akoestisch onderzoek nodig. In bijlage Groothandel in dieren (aspect geluid en geur) van de bij deze toelichting gevoegde rapportage worden de aspecten geluid en geur ten gevolge van de groothandel in dieren nader beschouwd. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

4.10 Akoestisch onderzoek industrielawaai Industrielawaai Het onderzoek richt zich op het geluid vanuit het plangebied naar de omgeving toe. Het plan zelf voorziet niet in de realisatie van geluidsgevoelige objecten. In het kader van het bestemmingsplan moet beoordeeld worden of het plan uitvoerbaar is in het kader van omgevingsgeluid. Het wettelijk kader splitst zich uiteen in een kader met betrekking tot ruimtelijke ordening en een milieukader.

98 ROC.B2021.505.T

Sab heeft het onderzoek uitgevoerd. De rapportage, d.d. 24 januari 2022, kenmerk 210490, is integraal als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Planbeschrijving In de afgelopen jaren is op het terrein een dagbesteding door de gemeente vergund. Deze wordt in deze bestemmingsplanwijziging bestemd. De milieuvergunning (kenmerk 384NL02) van het transportbedrijf is verleend op 2 augustus 1995. De basisvergunning is gebaseerd op tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Verder is opgenomen dat: • er maximaal 4 transportbewegingen plaatsvinden tussen 6.00 uur een 7.00 uur en • maximaal 3 transportbewegingen tussen 19.00 uur en 21.00 uur. Gezien de geringe bewegingen in de voorgenoemde periodes kan aan de gestelde geluidsvoorschriften worden voldaan. Representatieve bedrijfssituatie Op 18 januari 2022 is contact geweest met de eigenaar van het bedrijf. De werktijden zijn nu nog maar tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Er zijn geen werkzaamheden meer in de avond- of in de nachtperiode. Maximaal zijn er 10 vrachtwagenbewegingen en 6 personenautobewegingen. Er zullen maximaal 6 containerhandelingen plaatsvinden. Er is een heftruck (diesel) aanwezig welke maximaal 1,5 uur overal op het terrein kan werken. Er is geen compressor of hoge drukreiniger meer aanwezig. In de volgende tabel zijn de bronvermogens, aantallen en bedrijfstijden weergegeven.

De bronvermogens zijn ontleend aan het bronnenarchief van SAB.

Maximale bronvermogens zijn afkomstig van het ontluchten van het hydraulisch systeem van vrachtwagens, containerhandling, het klepperen van de lepels van de heftruck en het sluiten van portieren van gemotoriseerd verkeer. Indirecte hinder 99 ROC.B2021.505.T

Volgens de Circulaire dient het inrichtingsgebonden verkeer op de openbare weg gemodelleerd te worden middels “industrielawaai”. Uit de berekeningen van de verkeersgeneratie blijkt dat er gemiddeld 6 lichte-, 10 vrachtwagenbewegingen in de dagperiode plaatsvinden. Deze aantallen zijn dusdanig gering, dat de verkeersbewegingen meteen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Berekeningsresultaten In bijlage 3 bij de bij deze toelichting gevoegde rapportage ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai’ zijn alle berekeningsresultaten opgenomen. Hiernaar zij verwezen. De volgende conclusies zijn hieruit te trekken: Langetijd beoordelingsniveau: Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde van 50 dB(A) op geen van de gevels wordt overschreden. Op de nieuwe woningen is de geluidsbelasting zelfs lager dan 35 dB(A). Op de bestaande woningen en geluidsgevoelige objecten is er in de avonden nachtperiode geen geluid meer. Maximale geluidsniveaus Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarde van 70 dB(A) dagperiode op de nieuwe woningen niet wordt overschreden. Op de bestaande woningen zal de geluidsbelasting significant afnemen, doordat passages van vrachtwagens niet meer in de avond- of nachtperiode meer optreden.

De beide overschrijdingen op de bestaande geluidsgevoelige objecten in de dagperiode is acceptabel omdat dit bestaande objecten zijn en een bestaand bedrijf en het bedrijf niet meer in de avonden nachtperiode werkzaam is. Indirecte hinder Het aantal verkeersbewegingen van en naar het bedrijf is dusdanig gering dat het meteen opgaat in het heersende verkeersbeeld. Berekeningen zijn daarom niet gemaakt. Conclusie Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 1. op de beide nieuwe woningen zal de grenswaarde van 50 dB(A) niet worden overschreden; 2. op de bestaande geluidsgevoelige objecten zal de grenswaarde van 50 dB(A) niet worden overschreden; 3. er zijn geen werkzaamheden meer in de avond- en nachtperiode zodat in de omgeving van het bedrijf in de avond- en nachtperiode stiller wordt.

100 ROC.B2021.505.T

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=8b625c04-b66c-4eae-bf5b-96e38a768679