CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I - Meespreeknotitie dhr. Roemloes - Monumentale status geven aan Molukse graven KNIL militairen

Commissie Maatschappelijke Zaken 28 november 2023, gemeente BernhezeBij agendapunt: Sluiting25.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Paar zonder kinderen

Paar met kinderen

Eenouderhuishouden

Molukse migranten

90

109

105

107

Moluks, kinderen

87

113

106

105

Nederlands

105

135

150

129

Moluks

85

109

124

101

Nederlands

100

133

149

116

m2

65 jaar en ouder

Gemeenten zonder Molukse wijk

Gemeenten met Molukse wijk Moluks

78

96

112

95

Nederlands

85

118

139

107

Bron: CBS

Conclusie Op gebied van wonen is nog altijd sprake van enige concentratie van de Molukse bevolking in Nederland. Zo woont in 2018 62 procent van de populatie Molukkers in een gemeente met een Molukse wijk. Onder de bevolking met een Nederlandse achtergrond is dit aandeel met 32 procent bijna twee keer zo klein. Er is dus sprake van enige ruimtelijke concentratie onder personen met een Molukse achtergrond. Deze doet zich vaker voor onder Molukkers die zich in mindere mate hebben gemengd op etnisch gebied. Zo wonen Molukkers vaker in een gemeente met een Molukse wijk naarmate zij meer grootouders hebben die ook van Molukse komaf zijn. Hetzelfde geldt voor Molukkers die een partner hebben die zelf ook van Molukse komaf is. Tussen de generaties bestaat er nauwelijks verschil in het al dan niet wonen in een gemeente met een Molukse wijk. Behalve ruimtelijke concentratie lijken de cijfers er ook op te wijzen dat de woningen van personen uit Molukse huishoudens van mindere kwaliteit zijn dan de woningen van huishoudens met een Nederlandse achtergrond. Dit is voor alle onderzochte leeftijdscategorieën het geval. Ten opzichte van personen uit Nederlandse huishoudens hebben Molukkers minder vaak een eigen woning en wonen ze gemiddeld kleiner.

Wanneer Molukkers wel een eigen woning bezitten, heeft deze gemiddeld een lagere WOZ-waarde dan bij leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Het verschil in WOZ-waarde is relatief groter tussen huishoudens met een Molukse of Nederlandse achtergrond die zijn gevestigd in een gemeente met een Molukse wijk. Dit lijkt te suggereren dat de achterstand in woningkwaliteit van Molukkers ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond groter is voor Molukkers die geconcentreerd wonen dan voor Molukkers bij wie dit niet het geval is. Ook op het gebied van woningkwaliteit zijn nauwelijks verschillen geconstateerd tussen de generaties onderling.

Wonen

29

3 Onderwijs Vanaf het begin van hun verblijf in Nederland in 1951 verkeerden Molukse leerlingen in een ongunstige startpositie in het onderwijs. Dit werd met name veroorzaakt door het lage onderwijsniveau van hun ouders die in Nederlands-Indië hooguit enkele jaren Nederlandstalig onderwijs hadden gehad. In de beginperiode was het beleid in Nederland er dan ook op gericht de Molukkers geheel Nederlandstalig onderwijs te geven en hen intensief te begeleiden om zo hun onderwijspositie te verbeteren. Aan volwassen Molukkers in de woonoorden werden geen mogelijkheden geboden hun onderwijsniveau te verhogen (Straver, 2005). Sinds eind jaren vijftig van de vorige eeuw zijn diverse onderzoeken gedaan om de prestaties in het onderwijs van Molukse leerlingen in Nederland in beeld te brengen. Keer op keer bleek dat de achterstanden van Molukse leerlingen hardnekkig waren en dat verbeteringen in de onderwijspositie van opeenvolgende generaties Molukse leerlingen moeizaam verliepen. Onderzoeken uit de jaren 1950 en 1970 toonden een sterke oververtegenwoordiging van Molukse leerlingen in het lager beroepsonderwijs aan en een sterke ondervertegenwoordiging op het havo/vwo.

Begin jaren 1990 waren weliswaar enige positieve tendensen te zien in de onderwijspositie van Molukkers (daling van het aantal drop-outs, afname van de oververtegenwoordiging in het lager beroepsonderwijs en de ondervertegenwoordiging op het havo/vwo). Tegelijkertijd bleef de onderwijspositie van Molukse leerlingen nog steeds (ver) achter bij die van Nederlandse leerlingen. Die achterstand werd in de twee decennia die volgden niet ingehaald (Gijsberts en Merens, 2004). Veenman constateerde in 2001 nog steeds een oververtegenwoordiging van Molukse leerlingen op de mavo en een ondervertegenwoordiging op het havo/vwo, niet alleen ten opzichte van Nederlandse leerlingen maar ook ten opzichte van Surinamers en Antillianen. Verrassend was bovendien dat de kleinkinderen van Molukse migranten het niet beter maar juist iets slechter deden dan de groep Molukkers als geheel. Ook de schooluitval onder Molukkers bleek aanzienlijk en hoger dan onder andere groepen, met name onder mannen. Tunjanan en Veenman (2009) concludeerden dat de onderwijsprestaties van Molukkers achterbleven bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond en ook bij leerlingen met een andere migratieachtergrond. Opnieuw werd vastgesteld dat de kleinkinderen van Molukse migranten nog steeds slechter scoorden dan de kinderen van Molukse migranten.

In deze paragraaf wordt beschreven of deze achterstandsituatie op onderwijsgebied onder Molukse leerlingen nog steeds zichtbaar is en hoe de onderwijsprestaties van personen van Molukse afkomst zich verhouden tot die van personen met een Nederlandse achtergrond. Daarbij wordt achtereenvolgens gekeken naar het aandeel jongeren dat zonder startkwalificatie de school verlaat, de hoogst behaalde opleiding en het aandeel leerlingen dat onderwijs volgt op havo/vwo. Er zal telkens een vergelijking worden gemaakt tussen Molukse jongeren en jongeren met een Nederlandse achtergrond. Tevens worden verschillende generaties Molukkers met elkaar vergeleken. Ten slotte wordt geprobeerd door middel van een decompositieanalyse eventuele verschillen tussen Nederlandse en Molukse jongeren te verklaren aan de hand van verschillen in achtergrondkenmerken.

30

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Molukkers vaker van school zonder startkwalificatie Veenman en Martens constateerden in 1993 dat het percentage drop-outs (leerlingen die het voortgezet onderwijs niet afmaakten) onder Molukse jongeren hoger lag dan onder Nederlandse jongeren. Dat verschil kwam bijna geheel op het conto van de mannen, onder vrouwen was er nauwelijks verschil. De achterstand van Molukse leerlingen ten opzichte van Nederlandse leerlingen wordt ook nu nog teruggezien op het gebied van voortijdig schoolverlaten. Het aandeel voortijdig schoolverlaters uit het mbo onder mannen jonger dan 23 jaar is nog steeds een stuk hoger dan onder vrouwen. Dit wordt overigens zowel onder Molukkers als onder personen met een Nederlandse achtergrond waargenomen. Rond de 20 procent van de Molukse mannen en 14 procent van de Molukse vrouwen heeft in de vijf schooljaren 2012/’13 tot en met 2016/’17 het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie.1) Onder mannen en vrouwen met een Nederlandse achtergrond was dit respectievelijk 12 en 8 procent. Opvallend is dat de kleinkinderen van Molukse migranten het nauwelijks beter doen dan de kinderen van Molukse migranten. 3.1 Voortijdig schoolverlaters vanuit mbo in de afgelopen 5 jaar, 22 jaar of jonger, 20181)

Nederlands

Moluks, 2ᵉ generatie

Moluks, 3ᵉ generatie

Moluks, 4ᵉ generatie

0

5

10

15

20

25

% Vrouwen 1)

Mannen

Is minimaal 1 keer voortijdig schoolverlater geweest in schooljaren 2012/'13 tot en met 2016/'17

Kleinkinderen van Molukse migranten minder vaak hoog opgeleid dan kinderen van Molukse migranten Hier wordt een opmerkelijk verschijnsel gezien dat ook al uit eerdere studies naar voren kwam: de jongere generatie doet het wat betreft opleiding niet beter dan de oudere generatie en de achterstand die de kinderen van Molukse migranten hebben op personen met een Nederlandse achtergrond in dezelfde leeftijdscategorie wordt door de kleinkinderen van Molukse migranten niet ingehaald. Zo bedraagt het aandeel hoogopgeleiden onder de

1)

Een diploma van havo, vwo of mbo niveau 2 of hoger geeft een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.

Onderwijs

31

kinderen van Molukse migranten van 25 tot 45 jaar 32 procent in 2017.2) Onder leeftijdsgenoten van de kleinkinderen van Molukse migranten is 28 procent hoogopgeleid. Voor zowel kinderen als kleinkinderen van Molukse migranten geldt dat zij veel minder vaak hoogopgeleid zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond. In 2017 was het aandeel hoogopgeleiden van 25- tot 45-jarige personen met een Nederlandse achtergrond ruim 42 procent. Uit een studie van Veenman uit 2001 kwam iets soortgelijks naar voren. Het gerealiseerde onderwijsniveau van de kleinkinderen van Molukse migranten (jongeren van 15–30 jaar) bleef ook toen achter bij dat van de groep Molukkers als geheel. 3.2 Onderwijsniveau 25- tot 45-jarigen, 20181) % 60 50 40 30 20 10 0 Laag

Moluks, 2ᵉ generatie 1)

Midden

Moluks, 3ᵉ generatie

Hoog

Nederlands

Exclusief onderwijsvolgenden

Kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten in leerjaar 3 minder vaak naar havo/vwo dan kinderen met Nederlandse achtergrond Kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten zijn in vergelijking met leerlingen zonder migratieachtergrond in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs ondervertegenwoordigd op havo/vwo. Daarbij zijn relatief weinig verschillen tussen de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten te constateren: respectievelijk 37 en 38 procent volgde in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 voortgezet onderwijs op havo- of vwo-niveau. Wel volgen kinderen van Molukse migranten wat vaker onderwijs op vwo-niveau dan de kleinkinderen. Ook in het aandeel leerlingen op havo/vwo blijft het verschil met leerlingen met een Nederlandse achtergrond groot, waar ruim 45 procent onderwijs op dit niveau volgt. De achterstand ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond die ook onder 25- tot 45-jarigen is geconstateerd blijft dus voortbestaan. Vrouwen doen het onder alle

2)

Vanwege de beschikbaarheid van gegevens zijn de analyses over onderwijsniveau beperkt tot de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten van 25 tot en met 45 jaar.

32

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

generaties Molukkers beter dan mannen, iets wat ook wordt gezien bij personen met een Nederlandse achtergrond. Specifieke informatie over het bereiken van havo/vwo-niveau in het derde leerjaar naar generatie is uit eerdere onderzoeken niet voorhanden. Wel concludeerden Martens en Veenman (1993) dat de instroom in havo/vwo in 1990 van Molukse jongeren van 15 tot 30 jaar ver achterbleef bij die van Nederlandse jongeren van dezelfde leeftijd (respectievelijk 10 en 40 procent). 3.3 Niveau leerjaar 3 voortgezet onderwijs, 2012/’13 / 2016/’17 % 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Moluks, 2ᵉ generatie

Praktijkonderwijs

Moluks, 3ᵉ generatie

Vmbo

Moluks, 4ᵉ generatie

Havo

Nederlands

Vwo

Verschillen in aandeel havo/vwo-leerlingen verklaard Molukse jongeren volgen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs minder vaak havo/vwo-niveau dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Voor de totale Molukse leerlingenpopulatie geldt dat in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 36,8 procent in het derde leerjaar op havo/vwo zat. Dat was 8,0 procentpunt minder dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. De vraag is echter in hoeverre dit verschil kan worden toegeschreven aan verschillen in achtergrondkenmerken tussen Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Middels decompositieanalyse kan worden bepaald welke achtergrondkenmerken een rol spelen in het te verklaren deel van het verschil tussen Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond. In dit onderzoek wordt hierbij gekeken naar achtergrondkenmerken zoals leeftijd, onderwijsniveau van de moeder, gezinskenmerken (ouderlijke structuur en huishoudinkomen) en woonkenmerken (stedelijkheid woongemeente en woonachtig in gemeente met Molukse wijk). Omdat het aantal Molukse leerlingen op het voortgezet onderwijs beperkt is, zijn de gegevens van vijf jaar gecombineerd (2012/’13 tot en met 2016/’17).

Als gevolg hiervan kan geen uitsplitsing worden gemaakt naar generatie en beperkt de analyse zich tot de totale groep Molukkers die in de onderzoeksperiode in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs heeft gezeten.

Onderwijs

33

3.4 Verschil in aandeel leerlingen op havo/vwo in leerjaar 3 voortgezet onderwijs, 2012/’13 tot en met 2016/’17 procentpunten 10

8

6

4

2

0 Feitelijk

Gecorrigeerd

Leeswijzer decompositieanalyse leerjaar 3 havo/vwo Het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo bedroeg in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 36,8 procent van alle Molukse leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs. Onder leerlingen met een Nederlandse achtergrond bedroeg dit 44,9 procent. Het verschil tussen deze groepen in aandeel leerlingen op havo/vwo was 8,03) procentpunt. Dit verschil wordt 55 procent kleiner wanneer er wordt gecorrigeerd voor bovengenoemde achtergrondkenmerken. Dat betekent dat het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo veel hoger zou liggen als zij dezelfde achtergrondkenmerken zouden hebben als de leerlingen met een Nederlandse achtergrond. In dat geval zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo 41,3 procent bedragen. Het verschil in aandeel havo/vwo-leerlingen met een Nederlandse achtergrond is dan nog slechts 3,6 procentpunt.

Verschil in bereiken havo/vwo-niveau in leerjaar 3 grotendeels verklaard door opleiding moeder en thuissituatie Na correctie voor achtergrondkenmerken wordt het verschil in het aandeel Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond op havo/vwo teruggebracht tot 3,6 procentpunt. Dit gecorrigeerde verschil is 55 procent kleiner dan het feitelijke verschil. Wanneer de totale Molukse groep dezelfde achtergrondkenmerken zou hebben als de groep met een Nederlandse achtergrond, zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo

3)

Dat dit verschil niet 8,1 procentpunt bedraagt heeft te maken met afrondingen.

34

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

41,3 procent bedragen, in plaats van de feitelijke 36,8 procent. Van de verschillen die kunnen worden verklaard, zijn vooral verschillen in onderwijsniveau van de moeder bepalend. Moeders van Molukse leerlingen hebben gemiddeld een lager onderwijsniveau dan moeders van leerlingen zonder migratieachtergrond. Bekend is dat kinderen van hoogopgeleide ouders relatief vaak doorstromen naar hogere onderwijsniveaus op het voortgezet onderwijs (Van Spijker e.a., 2017). Wanneer de moeders van Molukse leerlingen gemiddeld hetzelfde onderwijsniveau zouden hebben als de moeders van Nederlandse leerlingen, zou het aandeel leerlingen op havo/vwo 2,5 procentpunt hoger liggen dan daadwerkelijk het geval is. Ook verschillen in gezinsstructuur dragen bij aan het lagere aandeel leerlingen op havo/vwo. Zoals in hoofdstuk 1 al is gebleken, groeien Molukse jongeren vaker op in een eenoudergezin dan Nederlandse leerlingen. Wanneer de gezinsstructuur voor Molukse leerlingen hetzelfde zou zijn als voor leerlingen van Nederlandse afkomst, zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo 1,2 procentpunt hoger liggen dan het feitelijke aandeel. Ook het feit dat de Molukse leerlingen in leerjaar 3 gemiddeld wat ouder zijn dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond – mogelijk zijn zij vaker blijven zitten in eerdere jaren – speelt een rol in het verschil in het aandeel op havo/vwo.

Het al dan niet wonen in een gemeente met een Molukse wijk draagt nauwelijks bij aan het verschil in havo/vwoleerlingen.

Conclusie Personen van Molukse komaf hebben een minder gunstige onderwijspositie dan personen van Nederlandse komaf. Jonge Molukkers volgen minder vaak onderwijs op havo- of vwoniveau en verlaten vaker het onderwijs zonder startkwalificatie dan jongeren met een Nederlandse komaf. Ook hebben Molukkers gemiddeld een lager onderwijsniveau dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Daarbij valt op dat de jongere generaties een overwegend minder gunstige onderwijs positie innemen dan de oudere generaties Molukkers. Zo hebben kleinkinderen van Molukse migranten minder vaak een hoog onderwijsniveau dan de kinderen van Molukse migranten. Uit de decompositieanalyse van het aandeel leerlingen van het voortgezet onderwijs op havo of vwo blijkt dat 55 procent van het verschil kan worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf. Het lager onderwijsniveau van de moeder en de ongunstige gezinskenmerken van Molukse leerlingen spelen een belangrijke rol in het verklaren van het lagere aandeel havo- of vwo-leerlingen.

Onderwijs

35

4 Werk en inkomen Na aankomst van de eerste generatie Molukkers in Nederland, werden de Molukse KNILmilitairen ontslagen uit militaire dienst. De Nederlandse staat nam de verzorging van hen en hun gezinnen over door bekostiging van huisvesting, kleding en maaltijden. Na verhuizing naar de woonwijken was eind jaren zestig een groot deel van de Molukse mannen en een deel van de Molukse vrouwen aan het werk, voornamelijk als ongeschoolde arbeider (Smeets en Stijlen, 2006). Begin jaren 1980 constateerde Justus Veenman dat 40 procent van de Molukse beroepsbevolking werkloos was, dat was ruim tweeënhalf keer zo hoog als onder de totale Nederlandse beroepsbevolking (Veenman, 1984, zoals beschreven in Smeets en Steijlen, 2006). De integratie van Molukkers op de arbeidsmarkt bleek aan het begin van dit millennium flink verbeterd: de werkloosheid was afgenomen tot 3,8 procent, een vergelijkbaar percentage als onder personen met een Nederlandse achtergrond (Veenman, 2001, zoals beschreven in Straver, 2005). Daarbij maakte hij wel de kanttekening dat Molukkers vaker een ongunstige arbeidsmarktpositie innamen. Zo had ruim 20 procent van de Molukse werkenden een tijdelijk dienstverband en werkte meer dan de helft van de Molukkers in lagere en elementaire beroepen (Straver, 2005). In deze paragraaf wordt eerst de arbeidsdeelname in 2017 van personen van Molukse komaf beschreven.

Vervolgens wordt ingegaan op kenmerken van het werk, zoals arbeidsduur en bedrijfstak. Tenslotte volgt een beschrijving van het inkomen. De sociaaleconomische positie van verschillende generaties Molukkers wordt in deze paragraaf vergeleken met personen met een Nederlandse achtergrond. Voor het aandeel personen dat werk als belangrijkste inkomstenbron heeft en bij de hoogte van het inkomen wordt met behulp van decompositieanalyses nagegaan of verschillen tussen groepen geduid kunnen worden. Omdat onder jongeren het aandeel studenten en onder ouderen het aandeel gepensioneerden erg hoog is, wordt een deel van de analyses uitgevoerd voor alle personen die op 1 januari 2017 tussen de 25 en 65 jaar oud waren.

Arbeidsdeelname Molukkers tot 65 jaar iets lager In 2017 had 71 procent van de Molukse 15- tot 75-jarigen betaald werk als werknemer of zelfstandige. Dit is iets hoger dan onder mensen met een Nederlandse achtergrond; van hen had 69 procent betaald werk. De arbeidsdeelname hangt voor beide groepen sterk samen met leeftijd. Over het algemeen ligt de deelname lager onder 15- tot 24-jarigen vanwege onderwijsdeelname en onder 65- tot 75-jarigen vanwege pensioen. Uit de analyses in hoofdstuk 1 bleek al dat de populatie Molukkers voor een relatief groot deel bestaat uit personen in de jongere leeftijdsgroepen met een overwegend hogere arbeidsdeelname. Personen met een Nederlandse achtergrond zitten juist relatief vaak in de hogere, pensioengerechtigde leeftijdsgroepen met een lagere arbeidsdeelname. Dit beïnvloedt de cijfers van arbeidsdeelname. Hierdoor is het verschil in arbeidsdeelname tussen personen van Molukse komaf en personen met een Nederlandse achtergrond voor de totale groep 15tot 75-jarigen relatief klein. Wanneer naar specifieke leeftijdsgroepen wordt gekeken, zijn de verschillen tussen beide groepen echter groter.

36

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

In de meeste leeftijdscategorieën is de arbeidsdeelname iets hoger onder personen met een Nederlandse achtergrond dan onder personen met een Molukse achtergrond. Uitzondering hierop zijn de 65- tot 75-jarigen. Voor die leeftijdsgroep is de deelname iets hoger onder Molukkers. 4.1 Arbeidsdeelname, 2017 % 100

80

60

40

20

0 15 tot 25 jaar

Moluks

25 tot 45 jaar

45 tot 65 jaar

65 tot 75 jaar

Nederlands

Molukkers vaker uitzendkracht Van de Molukse werknemers (25 tot 65 jaar) werkte in 2017 9 procent als uitzendkracht, terwijl dit onder werknemers met een Nederlandse achtergrond 3 procent bedroeg. Dit komt niet alleen doordat de Molukse bevolking gemiddeld jonger is en jongeren vaker als uitzendkracht werken. Molukkers werken namelijk in elke leeftijdscategorie vaker als uitzendkracht dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Dat is in lijn met de bevindingen van Straver (2005). Hij constateerde ook dat Molukkers aan het begin van dit millennium vaker werkten als uitzend- of oproepkracht dan personen met een Nederlandse achtergrond. Dit blijkt dus anno 2017 nog steeds het geval.

Werk en inkomen

37

4.2 Uitzendkrachten onder werknemers, 2017

Moluks Totaal Nederlands

Moluks 20 tot 35 jaar Nederlands

Moluks 35 tot 50 jaar Nederlands

Moluks 50 tot 65 jaar Nederlands 0

3

6

9

12

15

%

Molukse werknemers minder vaak in bouw en zorg Vrouwen met een Nederlandse achtergrond werken relatief vaker in de gezondheidszorg en het onderwijs dan Molukse vrouwen. Van de vrouwelijke werknemers met een Nederlandse achtergrond werkte in 2017 46 procent in één van deze bedrijfstakken, tegenover 32 procent van de Molukse vrouwelijke werknemers. Bij de mannen zijn de verschillen tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond wat kleiner. Wel zijn mannen met een Nederlandse achtergrond wat vaker actief in de bouw, terwijl mannen met van Molukse komaf wat vaker werken in de sector Verhuur en overige zakelijke diensten. Deze bevindingen gelden voor alle leeftijden. Jonge Molukkers tot 35 jaar werken vaker in de horeca en de handel dan hun Nederlandse leeftijdsgenoten. Vanaf 35 jaar werken Molukkers ook relatief vaak in het openbaar bestuur.1) 4.3

Werknemers naar bedrijfstak1) Mannen

Vrouwen

Nederlands

Moluks

Nederlands

Moluks

%

A Landbouw, bosbouw en visserij

1

0

1

0

B-E Nijverheid en industrie

19

19

5

6

F Bouwnijverheid

9

5

1

1

G Handel

16

15

13

14

H Vervoer en opslag

7

8

3

3

I Horeca

2

3

3

4

J Informatie en Communicatie

5

6

2

3

K Financiële dienstverlening

5

3

4

4

1)

Uitzendkrachten zijn hier buiten beschouwing gelaten, omdat van hen onbekend is in welke bedrijfstak ze uitzendwerk verrichten.

38

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

4.3

Werknemers naar bedrijfstak1) (vervolg) Mannen

Vrouwen

Nederlands

Moluks

Nederlands

Moluks

1

1

1

1

%

L Verhuur en handel van onroerend goed M Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening

8

6

6

6

N Verhuur en overige zakelijke diensten

5

8

5

9

O Openbaar bestuur en overheidsdiensten

9

11

7

11

P Onderwijs

5

4

11

7

Q Gezondheids- en welzijnszorg

6

8

35

25

R-U Cultuur, recreatie en overige diensten

2

3

4

5

Bron: CBS Exclusief uitzendkrachten.

1)

Molukse vrouwen werken vaker fulltime dan Nederlandse vrouwen Werknemers met een Molukse achtergrond (25 tot 65 jaar) werkten in 2017 ongeveer even veel in deeltijd als werknemers met een Nederlandse achtergrond: iets meer dan de helft. Molukse vrouwen werken echter wel vaker fulltime dan vrouwen van Nederlandse komaf. Van de Molukse vrouwen werkte 29 procent 35 uur per week of meer, onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond was dit 22 procent. Molukse mannen maakten juist wat minder uren dan mannen met een Nederlandse achtergrond: respectievelijk 74 en 81 procent werkte 35 uur per week of meer. Voor elke leeftijdscategorie en elke generatie Molukkers geldt dat Molukse vrouwen meer fulltime werken dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond en Molukse mannen juist minder dan mannen met een Nederlandse achtergrond. 4.4 Wekelijkse arbeidsduur werknemers, 2017

Nederlands Mannen Moluks

Nederlands Vrouwen Moluks

0

20

40

60

80

100

% Minder dan 12 uur

12 tot 20 uur

20 tot 25 uur

25 tot 30 uur

30 tot 35 uur

35 en meer uur

Werk en inkomen

39

Grotere uitkeringsafhankelijkheid onder Molukkers In 2017 was voor 16 procent van de personen met een Molukse achtergrond een uitkering de belangrijkste bron van inkomsten. Onder personen met een Nederlandse achtergrond was dit 11 procent. Het relatieve verschil is elke leeftijdsgroep nagenoeg even groot: Molukkers hebben ongeveer 1,4 keer vaker een uitkering als belangrijkste inkomstenbron dan personen met een Nederlandse achtergrond. Voor 76 procent van de personen met een Molukse achtergrond was werk de belangrijkste bron van inkomsten, tegenover 80 procent van de personen met een Nederlandse achtergrond. 4.5 Sociaaleconomische positie, 2017

Nederlands 25 tot 35 jaar Moluks

Nederlands 35 tot 50 jaar Moluks

Nederlands 50 tot 65 jaar Moluks 0

20

40

60

80

100

% Werkzaam

Uitkeringsontvanger

(school)Kind/student

Zonder inkomen

Pensioenontvanger

Verschillen in werk als belangrijkste inkomstenbron verklaard Zoals hierboven is geconstateerd, lag het aandeel personen met werk als belangrijkste inkomstenbron in 2017 ruim 4 procentpunt lager onder Molukse werknemers dan onder werknemers met een Nederlandse achtergrond. De vraag is of dit verschil is toe te schrijven aan verschillen in achtergrondkenmerken. Stel dat beide groepen qua achtergrondkenmerken (zoals leeftijd, opleidingsniveau en –richting en woon- en gezinskenmerken) gelijk zouden zijn, wat zou dan het verschil zijn in het aandeel dat werk als belangrijkste inkomstenbron heeft? Middels decompositieanalyse kan worden bepaald of het verschil in aandeel personen dat werk als belangrijkste bron van inkomsten heeft kan worden verklaard aan de hand van verschillen in achtergrondkenmerken tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf.

40

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Decompositieanalyse arbeidsdeelname In onderstaande decompositieanalyse wordt onderzocht in hoeverre verschillen in het aandeel personen dat werkt tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf kunnen worden verklaard aan de hand van verschillen in achtergrondkenmerken. Hierbij gaat het om mensen van wie de belangrijkste inkomstenbron uit arbeid afkomstig is. Dit heeft betrekking op personen die werken in loondienst of als zelfstandige werkzaam zijn. Studenten, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden die naast hun studie, uitkering of pensioen geen of slechts een laag inkomen hebben uit arbeid, worden in deze analyse niet gerekend tot personen met werk.

Vooral lager opleidingsniveau en ongunstige gezinskenmerken hangen samen met minder werk Na correctie voor achtergrondkenmerken, zoals leeftijd, opleidingsniveau en –richting en woon- en gezinskenmerken, wordt het verschil tussen mensen van Molukse en Nederlandse komaf in het aandeel dat werkt fors kleiner. Na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken wordt 88 procent van dit verschil tussen de totale groep personen met een Molukse achtergrond en Nederlandse achtergrond verklaard. Waar het verschil tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond dat werk oorspronkelijk 3,9 procentpunt bedraagt, is dit na correctie met een verschil 0,5 procentpunt nagenoeg gelijk (79,3 om 79,8 procent). 4.6 Verschil in aandeel dat werkt, 2017 procentpunt 5 4 3 2 1 0 -1 -2 Moluks, totaal

Feitelijk

Moluks, kinderen

Moluks, kleinkinderen

Gecorrigeerd

Dat Molukkers minder vaak werk hebben, kan voor een belangrijk deel worden verklaard door verschillen in opleidingsniveau en gezinskenmerken tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf. Molukkers zijn gemiddeld lager opgeleid dan personen met een

Werk en inkomen

41

Nederlandse achtergrond. Wanneer zij dezelfde verdeling in opleidingsniveau zouden hebben, zou het aandeel dat werkt 1,4 procentpunt hoger liggen dan nu het geval is. Qua gezinskenmerken speelt vooral het hebben van een partner die zelf ook werkt een rol. Personen met een Molukse achtergrond hebben gemiddeld minder vaak een werkende partner dan personen met een Nederlandse achtergrond. Hierdoor ligt het aandeel Molukkers dat werkt gemiddeld 1,6 procentpunt lager dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. Het gegeven dat Molukkers gemiddeld vaker wonen in een gemeente met een Molukse wijk draagt nauwelijks bij aan het verschil in aandeel werkenden met personen met een Nederlandse achtergrond.

Aandeel kinderen Molukse migranten met werk na correctie iets hoger Voor kinderen van Molukse migranten geldt dat na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken het aandeel personen dat werkt zelfs iets hoger is dan onder personen van Nederlandse komaf. Hun aandeel ligt nu 0,9 procentpunt hoger dan onder personen met een Nederlandse achtergrond en komt uit op 80,6 procent. Net als bij de totale groep Molukkers speelt opleiding hier een belangrijke rol. Doordat kinderen van Molukse migranten gemiddeld lager opgeleid zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond, is het aandeel personen dat werkt 1,9 procentpunt lager. Verder spelen verschillen tussen beide groepen in gezinskenmerken en leeftijd een aanzienlijke rol. Doordat kinderen van Molukse migranten gemiddeld ouder zijn en minder vaak een partner met werk hebben dan personen met een Nederlandse achtergrond, ligt het aandeel dat werkt voor de kinderen van Molukse migranten 2,3 procentpunt lager.

Kleine verschil in aandeel kleinkinderen van Molukse migranten met werk blijft onverklaard; wordt zelfs iets groter Het aandeel personen dat werkt ligt met een verschil van 1,7 procentpunt voor de kleinkinderen van Molukse migranten bijna even hoog als onder personen met een Nederlandse achtergrond. Nadat er gecorrigeerd wordt voor verschillen in achtergrondkenmerken tussen de kleinkinderen van Molukse migranten en personen met een Nederlandse achtergrond, wordt dit verschil zelfs iets groter: 2,5 procentpunt. Dit komt voornamelijk door de (veel) jongere leeftijd van de kleinkinderen van Molukse migranten. Wanneer de kleinkinderen van Molukse migranten dezelfde leeftijdsopbouw zouden hebben als personen met een Nederlandse achtergrond – en er dus veel meer oudere kleinkinderen van Molukse migranten zouden zijn – zou het aandeel dat werkt 5,2 procentpunt lager liggen dan nu het geval is. Dit leeftijdseffect wordt deels tenietgedaan door ongunstige kenmerken op gebied van gezin en omdat Molukkers vaker wonen in gebieden waar minder aanbod van werk is. Het relatief kleine verschil in aandeel dat werkt tussen de kleinkinderen van Molukse migranten en personen met een Nederlandse achtergrond blijft ook na correctie voor achtergrondkenmerken dus onverklaard.

42

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Vooral werkende kleinkinderen van Molukse migranten hebben lager inkomen Hoewel het aandeel werkenden onder mensen met een Molukse en Nederlandse achtergrond minimaal verschilt, is het inkomen uit arbeid van Molukkers fors lager dan dat van mensen met een Nederlandse achtergrond. Molukse werknemers verdienden in 2017 gemiddeld 37 duizend euro, terwijl werknemers met een Nederlandse achtergrond gemiddeld 47,1 duizend euro verdienden. Dat is 21 procent minder dan mensen met een Nederlandse achtergrond. Kijkend naar de verschillende generaties lag het gemiddelde inkomen van werkende kinderen van Molukse migranten in 2017 iets lager dan voor werknemers met een Nederlandse achtergrond: 44,9 duizend euro. Het gemiddelde inkomen van werkende kleinkinderen van Molukse migranten lag met 26,7 duizend euro fors lager. 4.7 Persoonlijk bruto inkomen werknemers, 2017 1 000 euro 50

40

30

20

10

0 Moluks, totaal

Moluks, 2ᵉ generatie

Moluks, 3ᵉ generatie

Nederlands

Verschil in inkomen verklaard Zoals de cijfers over inkomen laten zien, verdienden werknemers met een Molukse achtergrond in 2017 21 procent minder dan werknemers met een Nederlandse achtergrond. In deze paragraaf wordt onderzocht in hoeverre dit verschil kan worden gewijd aan verschillen in achtergrondkenmerken tussen beide populaties. Hierbij wordt gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd, werkervaring, baan- en woonkenmerken. Na correctie voor deze achtergrondkenmerken kan 72 procent van de verschillen in inkomen worden verklaard. Mocht de populatie Molukse werknemers wat betreft de genoemde achtergrondkenmerken eenzelfde samenstelling hebben als de populatie werknemers met een Nederlandse achtergrond, dan zou het inkomen van de Molukkers ongeveer 7,3 duizend euro hoger liggen dan daadwerkelijk het geval is. Hun inkomen zou in 2017 dan gemiddeld 44,3 duizend euro bedragen. Het verschil in inkomen met werknemers met een Nederlandse achtergrond bedraagt na correctie nog 2,8 duizend euro, in plaats van de feitelijke 10 duizend euro.

Werk en inkomen

43

Decompositieanalyse inkomen Ook voor het verschil in inkomen tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf wordt met decompositieanalyse bepaald welk deel kan worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken. Voor deze analyse is daarbij specifiek gekeken naar verschillen in inkomen van werknemers die arbeid als voornaamste bron van inkomen hebben. Personen die in loondienst werken maar bijvoorbeeld een uitkering of studiefinanciering als voornaamste bron van inkomen hebben, zijn bij deze analyse buiten beschouwing gelaten. Ook zelfstandigen behoren niet tot de populatie van deze analyse.

4.8 Verschil in inkomen, 2017 1 000 euro 25

20

15

10

5

0 Moluks, totaal

Feitelijk

Moluks, 2ᵉ generatie

Moluks, 3ᵉ generatie

Gecorrigeerd

Vooral lager inkomen voor Molukkers door lager opleidingsniveau en minder werkervaring Er zijn verschillende verklaringen voor het lagere inkomen dat Molukse werknemers hebben. Verschillen in opleidingsniveau (41 procent van het verklaarde verschil) en arbeidsverleden (37 procent van het verklaarde verschil) zijn de belangrijkste redenen. Doordat Molukkers gemiddeld een lager opleidingsniveau hebben dan personen met een Nederlandse achtergrond, ligt hun inkomen gemiddeld 3 duizend euro lager. Daarnaast hebben Molukkers door hun jongere leeftijd gemiddeld minder werkervaring dan personen met een Nederlandse achtergrond. Hierdoor ligt hun inkomen gemiddeld 2,7 duizend euro lager. Ook verschillen in baankenmerken spelen een rol, maar minder prominent dan opleidingsniveau en werkervaring. De verschillen in baankenmerken hebben vooral betrekking op het soort contract dat Molukse werknemers hebben. Omdat zij vaker een contract voor bepaalde tijd hebben dan werknemers met een Nederlandse achtergrond, heeft dit een negatieve invloed op de hoogte van hun inkomen.

44

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Verschil inkomen kinderen Molukse migranten klein, maar blijft onverklaard Het verschil in inkomen tussen werkende kinderen van Molukse migranten en werknemers met een Nederlandse achtergrond bedroeg in 2017 2,3 duizend euro. Dit verschil blijft na correctie voor achtergrondkenmerken nagenoeg gelijk. Dat komt omdat de kinderen van Molukse migranten enerzijds lager opgeleid zijn dan de populatie met een Nederlandse achtergrond, waardoor zij vaker een lager inkomen hebben. Anderzijds hebben zij gemiddeld meer werkervaring dan personen met een Nederlandse achtergrond, wat juist zorgt voor een hoger inkomen. Ofwel: de invloed van het lagere opleidingsniveau wordt tenietgedaan door de relatief hoge werkervaring die de kinderen van Molukse migranten hebben.

Inkomen kleinkinderen Molukse migranten na correctie achtergrondkenmerken nagenoeg gelijk Het verschil in inkomen tussen de kleinkinderen van Molukse migranten en personen met een Nederlandse achtergrond is met 20,5 duizend euro erg groot. Dit verschil kan echter bijna volledig worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken: 94 procent. Als zij qua achtergrondkenmerken eenzelfde samenstelling zouden hebben als de populatie met een Nederlandse achtergrond zou het inkomen van de kleinkinderen van Molukse migranten gemiddeld 19,2 duizend euro hoger liggen dan nu het geval is. Hierdoor zou het verschil in inkomen nog slechts 1,2 duizend euro bedragen. Werkende kleinkinderen van Molukse migranten hebben vooral een lager inkomen omdat zij door hun jonge leeftijd nog weinig arbeidsverleden hebben. Het gebrek aan arbeidsverleden zorgt gemiddeld voor een lager inkomen van 11,9 duizend euro. Ook verschillen in baankenmerken en opleidingsniveau spelen een rol in het lagere inkomen van werkende kleinkinderen van Molukse migranten. Zij hebben gemiddeld vaker een tijdelijk contract, werken minder vaak fulltime en zijn gemiddeld minder hoog opgeleid dan personen met een Nederlandse achtergrond. Kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten met 1 of 2 Molukse grootouders hebben gemiddeld een hoger inkomen dan kinderen en kleinkinderen met 3 of 4 Molukse grootouders.

Ook na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken zoals werkervaring en opleidingsniveau blijft er een verschil in inkomen tussen generatiegenoten met 1 of 2 Molukse grootouders en 3 of 4 Molukse grootouders.

Conclusie Over het algemeen hebben Molukkers een iets minder gunstige positie op het gebied van werk en inkomen dan personen met een Nederlandse achtergrond. Hoewel de arbeidsdeelname voor beide groepen bijna gelijk is, is de uitkeringsafhankelijkheid onder Molukkers hoger. Onderzoek van Straver (2005) wees aan het begin van dit millennium uit dat Molukkers vaker uitzendkracht waren dan personen met een Nederlandse achtergrond. Dit blijkt ook nu nog steeds het geval. Personen met een Molukse achtergrond zijn binnen alle leeftijdsgroepen meer dan twee keer zo vaak uitzendkracht dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond.

Werk en inkomen

45

Het aandeel Molukse personen dat werkt ligt lager dan onder personen met een Nederlandse achtergrond, maar dit verschil is met 4 procentpunt gering. Dit verschil wordt nog kleiner wanneer er rekening wordt gehouden met verschillen in achtergrondkenmerken tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond. Voor kinderen van Molukse migranten geldt dat zij na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken nagenoeg hetzelfde aandeel hebben dat werk als personen met een Nederlandse achtergrond. Molukkers hebben vooral een lager aandeel personen dat werkt omdat zij vaker laagopgeleid en vaker een partner hebben die zelf ook geen werk heeft dan personen met een Nederlandse achtergrond. Tot slot hebben Molukse werknemers ook wat betreft inkomenspositie een achterstand ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond. Molukse werknemers verdienen gemiddeld 21 procent minder. Ook hier geldt dat verschillen in achtergrondkenmerken een belangrijke rol spelen. Wanneer er wordt gecorrigeerd voor deze verschillen wordt bijna driekwart van het verschil verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken. Voor de kleinkinderen van Molukse migranten kan zelfs bijna het volledige verschil in inkomen worden toegedicht aan verschillen in achtergrondkenmerken.

Behalve het lagere opleidingsniveau, hebben werkende kleinkinderen van Molukse migranten vanwege hun jonge leeftijd gemiddeld minder werkervaring. Daarnaast hebben zij vaker een tijdelijk contract dan werknemers met een Nederlandse achtergrond, waardoor hun inkomen gemiddeld lager ligt. De bevindingen in dit hoofdstuk laten zien dat een nadelige onderwijspositie doorwerkt in de sociaaleconomische positie die Molukkers innemen. Het gemiddeld lagere opleidingsniveau blijkt een belangrijke verklaring voor de verschillen tussen personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond in aandeel personen dat werkt en in de hoogte van het inkomen. Uit de analyses over onderwijs (hoofdstuk 3) blijkt dat Molukkers ook anno 2018 een ongunstigere onderwijspositie innemen ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond. Ook onder de jongere generaties zet deze nadelige positie zich dus voort. Gezien de invloed van opleidingsniveau op de sociaaleconomische positie die personen innemen, lijkt de nadelige onderwijspositie van Molukkers ook in de toekomst een belangrijk aandachtspunt.

46

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

5 Jeugdzorg en criminaliteit Vooralsnog hebben weinig studies de omvang van criminaliteits- en jeugdproblematiek onder Molukkers in kaart gebracht. Wel is bekend dat in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw binnen de Molukse gemeenschap steeds vaker groepen jongeren ontstonden die zich aan de rand van de samenleving bevonden (Straver, 2005). Jonge Molukkers kenden een hoog drank- en drugsgebruik en kwamen vanwege strafbare feiten regelmatig in aanraking met politie en justitie. Betrouwbare (recente) cijfers met betrekking tot de omvang van jeugdzorg en criminaliteit binnen de Molukse gemeenschap zijn voor zover bekend tot aan dit onderzoek niet beschikbaar. In dit hoofdstuk wordt de positie beschreven die Molukkers innemen op gebied van jeugdzorg en criminaliteit ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond. Het eerste deel heeft betrekking op het aandeel Molukse kinderen dat in 2018 jeugdhulp of jeugdbescherming heeft ontvangen. Vervolgens wordt gekeken in hoeverre personen met een Molukse achtergrond vaker worden verdacht van een misdrijf dan personen met een Nederlandse achtergrond. Tot slot wordt middels decompositieanalyse onderzocht in hoeverre Molukkers een evenredige positie innemen als personen met een Nederlandse achtergrond, wanneer er gecorrigeerd wordt voor relevante verschillen in achtergrondkenmerken tussen beide groepen.

Vaker jeugdbescherming Molukse jongeren Molukse jongeren zijn procentueel meer vertegenwoordigd in de jeugdbescherming dan jongeren met een Nederlandse achtergrond. Van de ruim 15 duizend Molukse jongeren tot 18 jaar had 1,4 procent gedurende 2018 te maken met jeugdbescherming. Het aandeel Molukse jongeren met jeugdbescherming is daarmee wat hoger dan onder Nederlandse kinderen. Voor hen bedroeg dit aandeel 1,0 procent in 2018. Onder Molukse jongeren in de leeftijd van 12 tot 18 jaar lag het aandeel met ruim 1,6 procent het hoogst van alle leeftijdsgroepen.

Jeugdzorg en criminaliteit 47

5.1 Kinderen met jeugdbescherming, 2018

12 tot 18 jaar

4 tot 12 jaar

0 tot 4 jaar

Totaal

0

0,25

0,5

0,75

1

1,25

1,5

1,75

% Moluks

Nederlands

Molukse jongeren ontvangen iets minder vaak jeugdhulp Het aandeel Molukse jongeren dat in 2018 jeugdhulp ontving was in 2018 iets lager dan onder kinderen met een Nederlandse achtergrond: 11 procent om 11,5 procent. Voor zowel jongeren met een Molukse als Nederlandse achtergrond geldt dat zij vooral jeugdhulp ontvangen in de leeftijd 4 tot 12 jaar en 12 tot 18 jaar. Voor Molukse jongeren van 4 tot 12 jaar oud is het aandeel dat jeugdhulp ontvangt wel wat lager dan onder leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond: 12,5 om 14,1 procent. Molukse en Nederlandse jongeren van 0 tot 4 jaar en 12 tot 18 jaar oud ontvangen nagenoeg even vaak jeugdhulp.

48

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

5.2 Kinderen met jeugdhulp, 2018

12 tot 18 jaar

4 tot 12 jaar

0 tot 4 jaar

Totaal

0

2,5

5

7,5

10

12,5

15

% Moluks

Nederlands

Wanneer het aantal Molukse grootouders van de Molukse jongeren in ogenschouw wordt genomen, valt op dat het aandeel dat jeugdhulp ontvangt lager is voor jongeren met 3 of 4 Molukse grootouders dan onder jongeren met 1 of 2 Molukse grootouders. Onder Molukse jongeren tot 18 jaar met 1 of 2 Molukse grootouders lag het aandeel dat jeugdhulp ontving in 2018 rond de 11 à 12 procent. Onder jongeren met 3 of 4 Molukse grootouders lag dat met 7,2 procent fors lager. Molukse jongeren die wonen in een gemeente met een Molukse wijk ontvangen ongeveer even vaak jeugdhulp als Molukse jongeren die niet wonen in een gemeente met een Molukse wijk. Molukse jongeren die wonen in een gemeente met een Molukse wijk ontvangen wel minder vaak jeugdbescherming dan Molukse jongeren die wonen in een gemeente zonder Molukse wijk. Vooral in de leeftijdscategorie 4 tot 12 is dit verschil groot. Het aandeel Molukse jongeren met jeugdbescherming ligt hier ruim de helft lager als onder Molukse jongeren die wonen in een gemeente zonder Molukse wijk (respectievelijk 1 en 2 procent).

Jeugdzorg en criminaliteit

49

5.3 Kinderen met jeugdhulp, 2018 % 12

10

8

6

4

2

0 1 Molukse grootouder

2 Molukse grootouders

3 of 4 Molukse grootouders

Molukkers tot 2 keer vaker verdacht van een misdrijf Voor alle leeftijdsgroepen geldt dat Molukkers in de periode 2014 tot en met 2018 vaker verdacht waren van een misdrijf dan personen met een Nederlandse achtergrond. Net zoals bij andere migratieachtergronden en de groep met een Nederlandse achtergrond het geval is, zijn Molukse jongeren en jongvolwassenen vaker verdacht van een misdrijf dan Molukkers van 25 jaar en ouder (De Mooij e.a., 2020). Onder Molukse 12- tot 18-jarigen was het percentage dat in de periode 2014 tot en met 2018 verdacht werd van een misdrijf het hoogste: 10,7 procent. Onder personen met een Nederlandse achtergrond van dezelfde leeftijd was dit met 6,2 procent fors lager. Gemiddeld zijn personen van Molukse komaf bijna 2 keer zo vaak verdachte van een misdrijf als personen met een Nederlandse achtergrond. Dat komt deels omdat Molukkers gemiddeld jonger zijn dan de groep met een Nederlandse achtergrond. Wanneer de verdachtencijfers van personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond per leeftijdsgroep worden vergeleken, liggen deze onder de groep met een Molukse achtergrond ongeveer 1,6 tot 1,8 keer zo hoog. Voor zowel Molukkers als personen met een Nederlandse achtergrond geldt dat het aandeel verdachten hoger ligt wanneer zij wonen in een gemeente met een Molukse wijk dan wanneer zij wonen in een gemeente zonder Molukse wijk.

50

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Verdacht in een periode van 5 jaar Vanwege de relatief kleine groep Molukkers die op 1 januari 2018 in Nederland woonden, is gekozen om gegevens over verdachten van een misdrijf voor de jaren 2014 tot en met 2018 te combineren. Dit levert hogere verdachtencijfers dan in publicaties die jaarcijfers hanteren. In een verslagperiode van 5 jaar wordt immers een groter aantal personen als verdachte van een misdrijf geregistreerd dan in een verslagperiode van 1 jaar. Doordat in dit onderzoek de som van de geregistreerde verdachten (recidives uitgezonderd) over de periode van 5 jaar wordt genomen in plaats van een jaargemiddelde, vallen deze cijfers hoger uit dan de cijfers in andere CBS-publicaties en StatLine. In dit onderzoek is ieder persoon als verdachte van een misdrijf beschouwd die in de periode 2014 tot en met 2018 ten minste één keer als zodanig is geregistreerd. Een persoon die binnen deze periode meer dan één keer is geregistreerd, wordt slechts één keer meegeteld in het totaal aantal verdachten.

Aandeel vrouwen in verdachtencijfers iets hoger onder Molukkers Bekend is dat mannen gemiddeld vaker verdacht zijn van een misdrijf dan vrouwen (CBS, 2020). Dat geldt voor vrijwel alle migratieachtergronden en is voor Molukkers niet anders. Vooral jongens van 12 tot 18 jaar waren in de periode 2014 tot en met 2018 relatief vaak verdachte van een misdrijf: 15,5 procent, tegenover 9,4 procent onder jongens met een Nederlandse achtergrond. Wel is de man-vrouw verhouding voor Molukse personen wat lager dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. Gemiddeld zijn Molukse mannen 3 keer zo vaak verdachte van een misdrijf dan Molukse vrouwen. Onder personen met een Nederlandse achtergrond zijn mannen 3,5 keer vaker verdacht van een misdrijf dan vrouwen. Vrouwen met een Molukse achtergrond hebben dus een relatief groter aandeel in de cijfers over verdachten dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond.

Jongere generaties Molukkers binnen alle leeftijdscategorieën vaker verdacht dan oudere generaties Kijkend naar de generaties Molukkers per leeftijdscategorieën, valt op dat de jongere generaties in 2014 tot en met 2018 in alle categorieën vaker verdachte zijn van een misdrijf dan de oudere generaties. Ondanks de afbakening in leeftijdscategorieën zouden leeftijdsverschillen bij 18-plussers een rol kunnen spelen in de stijging van de verdachtencijfers onder de latere Molukse generaties. Voor de jongere generaties geldt ook binnen deze leeftijdscategorieën dat zij zich overwegend aan de ondergrens van de leeftijdscategorieën bevinden. Voor de oudere generaties geldt juist dat zij zich overwegend aan de bovengrens van de leeftijdscategorieën bevinden. Er zijn geen duidelijke patronen te constateren in verdachtencijfers wanneer de personen met een Molukse achtergrond binnen de leeftijdsgroeperingen worden afgezet naar het aantal Molukse grootouders die zij hebben.

Jeugdzorg en criminaliteit

51

5.4

Verdachten van een misdrijf in de afgelopen 5 jaar, 20181) Totaal

12 tot 18 jaar

18 tot 25 jaar

25 tot 45 jaar

Moluks

Nederlands

Moluks

Nederlands

Moluks

Nederlands

Totaal

6,1

3,1

10,7

6,2

10,1

6,1

Moluks

45 jaar en ouder Nederlands

Moluks

Nederlands

7

3,8

2,7

1,7

%

Mannen

9,2

4,8

15,5

9,4

14,9

9,5

10,4

5,8

4,2

2,6

Vrouwen

3,1

1,4

5,8

2,9

5

2,5

3,4

1,7

1,3

0,8

Zeer sterk stedelijk

6,1

3,8

10,1

7,1

8,6

5,4

6,3

4,4

3,4

2,4

Sterk stedelijk

6,4

3,4

11,1

6,9

10,4

6,6

7,3

4,2

2,8

1,8

Matig stedelijk

6,2

2,9

10,9

6,1

11,8

6,4

7,5

3,6

2,4

1,5

Weinig of niet stedelijk

5,5

2,5

10,1

5,3

10,4

6

6,9

3,2

2,2

1,3

Gemeente met Molukse wijk

6,6

3,4

11,9

6,5

10,7

5,7

7,6

4,1

2,9

1,9

Gemeente zonder Molukse wijk

5,4

3

8,8

6,1

8,9

6,3

6

3,7

2,4

1,6

Molukse migranten

1,6

Moluks, kinderen

7,8

5,9

10,9

10,5

8,4

1 Molukse grootouder

9,9

10,8

8

2 Molukse grootouders

10,9

10,1

7,1

3,3

3 of 4 Molukse grootouders

11,6

9,2

6,6

2,6

Moluks, kleinkinderen

3,3

Bron: CBS Is minimaal 1 keer verdachte geweest van een misdrijf in de jaren 2014 tot en met 2018.

1)

Verschillen in verdachtencijfers verklaard Uit de cijfers over het aandeel verdachten van een misdrijf blijkt dat Molukkers in de periode 2014 tot en met 2018 vaker verdacht waren van een misdrijf dan personen met een Nederlandse achtergrond. In deze paragraaf wordt onderzocht welk deel van deze verschillen in verdachtencijfers tussen personen met een Molukse en Nederlandse achtergrond kan worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken. Hierbij wordt onder meer rekening gehouden met verschillen in leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, sociaaleconomische positie en gezins- en woonkenmerken.

52

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Decompositieanalyse verdachten Omdat het bij de verdachtencijfers om slechts kleine aantallen gaat, kan geen uitsplitsing worden gemaakt naar de verschillende generaties Molukkers. In plaats daarvan is gekozen om de decompositieanalyse apart uit te voeren voor diverse leeftijdsgroepen. De achtergrondkenmerken waarvoor wordt gecorrigeerd verschillen echter per leeftijdsgroep. Bekend is dat jongeren, mannen, laagopgeleiden, personen zonder partner of kinderen, personen die wonen in stedelijk gebied en personen met een laag inkomen vaker worden verdacht van een misdrijf (Huijnk & Andriessen, 2016). In dit onderzoek wordt daarom gecorrigeerd binnen alle leeftijdsgroepen voor de achtergrondkenmerken leeftijd, geslacht, huishoudinkomen, leeftijd van de moeder bij geboorte, stedelijkheid van de woonomgeving en woonachtig in de vier grootste gemeenten in Nederland (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam of Utrecht). Ook wordt voor alle leeftijdsgroepen gecorrigeerd of personen woonachtig zijn in een gemeente met een Molukse wijk.

Daarnaast wordt per leeftijdscategorie voor de volgende achtergrondkenmerken gecorrigeerd: — 12 tot 18 jaar: Ouderlijke structuur en opleidingsniveau (hoogst gevolgd); — 18 tot 25 jaar: Ouderlijke structuur, opleidingsniveau (hoogst gevolgd) en sociaaleconomische categorie; — 25 tot 45 jaar: Sociaaleconomische categorie, opleidingsniveau (hoogst behaald), heeft een partner in relationele sfeer en heeft thuiswonende kinderen; — 45 jaar en ouder: Sociaaleconomische categorie, opleidingsniveau (hoogst behaald), heeft een partner in relationele sfeer en heeft thuiswonende kinderen. In dit onderzoek wordt per leeftijdsgroep voor verschillende achtergrondkenmerken gecorrigeerd. Als gevolg hiervan kan niet voor de totale groep Molukkers in Nederland worden bepaald wat het gecorrigeerde verschil in verdachtencijfers ten opzichte van de groep met een Nederlandse achtergrond bedraagt.

Verschillen verdachtencijfers jonge en jongvolwassen Molukkers grotendeels onverklaard Voor de leeftijdscategorieën 12 tot 18 jaar en 18 tot 25 jaar geldt dat het grootste deel van het verschil in verdachtenpercentages tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond onverklaard blijft. Gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken zijn Molukkers gemiddeld nog steeds vaker verdacht van een misdrijf dan personen met een Nederlandse achtergrond. Met name onder jongere Molukkers blijft het verschil in aandeel verdachten met personen met een Nederlandse achtergrond na correctie groot. Onder Molukse jongeren van 12 tot 18 jaar blijft 67 procent van het verschil onverklaard. Daarmee daalt het gecorrigeerde verschil voor deze leeftijdscategorie van 4,5 procentpunt naar 3,0 procentpunt. Voor jongvolwassen Molukkers tussen 18 en 25 jaar is het deel dat onverklaard blijft met 72 procent het grootst. Het gecorrigeerd verschil bedraagt voor deze groep met 2,9 procentpunt ongeveer even veel als voor jonge Molukkers tussen 12 en 18 jaar. Voor personen van 25 tot 45 jaar bedraagt het gecorrigeerde verschil ongeveer de helft van het feitelijke verschil in verdachtenpercentages.

Jeugdzorg en criminaliteit 53

Voor personen in de leeftijd van 45 jaar en ouder was het verschil tussen personen met een Nederlandse en Molukse komaf met 1 procentpunt relatief klein. Wel wordt het grootste deel van het verschil in verdachtenpercentages verklaard door de gebruikte achtergrondkenmerken: 67 procent. Het aandeel verdachten voor deze leeftijdsgroep zou daarmee nog 2 procent bedragen, slechts 0,3 procentpunt hoger dan onder de groep met een Nederlandse achtergrond. 5.5 Verschil in geregistreerde verdachten, 2014 tot en met 2018 procentpunten 5

4

3

2

1

0 12 tot 18 jaar

Feitelijk

18 tot 25 jaar

25 tot 45 jaar

45 jaar en ouder

Gecorrigeerd

Verklaard verschil voor groot deel door lager opleidingsniveau Molukkers Het verschil in verdachtenpercentages tussen Molukkers en personen met een Nederlandse achtergrond dat met de decompositieanalyse kan worden verklaard, heeft voor een belangrijk deel te maken met verschillen in opleidingsniveau. Alleen voor de oudste groep van 45 jaar en ouder speelt opleiding een beperkte rol in het verschil in aandeel verdachten van een misdrijf. Doordat Molukkers vaker een opleiding hebben gevolgd of behaald op een lager niveau dan personen met een Nederlandse achtergrond, ligt hun verdachtenpercentage gemiddeld iets hoger. Voor Molukkers van 12 tot 45 jaar oud ligt het aandeel verdachten door hun lagere opleidingsniveau ongeveer 0,5 tot 0,6 procentpunt hoger. Behalve verschillen in opleiding spelen ook gezinskenmerken van Molukkers een rol in de verschillen in verdachtenpercentages. Zo wonen Molukkers van 12 tot 18 jaar oud vaker in een eenoudergezin dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Hierdoor ligt het aandeel verdachten voor deze groep gemiddeld 0,6 procentpunt hoger. Voor Molukkers van 25 tot 45 jaar en 45 jaar en ouder geldt dat zij minder vaak een partner hebben dan personen met een Nederlandse achtergrond. Voor beide gezinssituaties levert dit een iets hoger aandeel verdachten van een misdrijf op dan voor stabielere gezinssituaties.

Voor Molukkers van 45 jaar en ouder spelen bovendien ook verschillen in leeftijd een rol. Doordat in deze leeftijdsgroep Molukkers gemiddeld jonger zijn dan personen met een

54

Molukkers in Nederland – De sociaaleconomische positie van Molukse migranten, hun kinderen en kleinkinderen

Nederlandse achtergrond, zijn zij ook iets vaker verdachte van een misdrijf. Het gegeven dat Molukkers van alle leeftijdsgroepen gemiddeld vaker wonen in een gemeente met een Molukse wijk draagt nauwelijks bij aan het verschil in verdachtenpercentages. Hetzelfde geldt voor woonachtig in de G4 en – voor de oudere leeftijdsgroepen – de aanwezigheid van thuiswonende kinderen in het huishouden.

Conclusie Studies naar de Molukse gemeenschap wezen uit dat eind jaren 1990 steeds meer Molukse jongeren in aanraking kwamen met politie en justitie (Straver, 2005). Dit hoofdstuk laat zien dat deze problematiek nog steeds aanwezig is. Binnen alle onderzochte leeftijdsgroepen worden Molukkers vaker verdacht van misdrijf dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Jongere Molukse generaties zijn binnen alle leeftijdscategorieën vaker verdacht van een misdrijf dan hun leeftijdsgenoten van oudere Molukse generaties. Op gebied van jeugdzorg is een wisselender beeld te zien. Waar Molukse jongeren iets minder vaak gebruik maken van jeugdhulp als jongeren met een Nederlandse achtergrond, zijn zij wel vaker vertegenwoordigd binnen de jeugdbescherming. Hun aandeel ligt ongeveer even hoog als hun leeftijdsgenoten met een westerse migratieachtergrond en wat lager dan onder leeftijdsgenoten met een niet-westerse migratieachtergrond. Met betrekking tot de verdachtenpercentages is onderzocht in hoeverre deze verschillen kunnen worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken met de populatie met een Nederlandse achtergrond. Voor de jongere leeftijdscategorieën is dit slechts voor een klein deel het geval. Onder Molukse jongeren tot 25 jaar blijft meer dan twee derde van het verschil ondanks correctie voor achtergrondkenmerken onverklaard.

Voor Molukkers van 25 tot 45 jaar wordt ongeveer de helft van de verschillen in verdachtencijfers verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken. De verschillen in verdachtenpercentages die wel kunnen worden verklaard, komen vooral doordat Molukkers gemiddeld lager opgeleid zijn dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond, en omdat Molukkers vaker minder gunstige gezinssituaties kennen. Voor de Molukkers van 45 jaar en ouder leveren de achtergrondkenmerken wel een belangrijke bijdrage aan het verschil in verdachtencijfers ten opzichte van hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Ondanks dat het ongecorrigeerde verschil voor deze leeftijdsgroep al klein was, wordt het verschil na correctie voor achtergrondkenmerken teruggebracht tot 0,3 procentpunt. Molukkers uit deze leeftijdscategorie zijn vooral vaker verdacht van een misdrijf omdat zij minder vaak een partner hebben en gemiddeld jonger zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond.

Jeugdzorg en criminaliteit 55

6 Gezondheid In onderzoek van Schellingerhout (2004) naar gezondheid en welzijn van ouderen met een migratieachtergrond werd de Molukse aangeduid als de meest gezonde herkomstgroepering in Nederland. Zo rapporteerden Molukse ouderen minder vaak chronische aandoeningen zoals kanker en hernia dan andere onderzochte herkomstgroeperingen, inclusief ouderen met een Nederlandse achtergrond. Wel rapporteerden Molukse ouderen vaker suikerziekte te hebben dan ouderen met een Nederlandse achtergrond, maar was dit minder vaak dan onder ouderen met een andere migratieachtergrond. Deze bevindingen zijn deels in lijn met een meer recent gezondheidsonderzoek onder Molukkers (Bodewes & Kunst, 2013). Dit wees uit dat Molukkers een hoger risico hebben op suikerziekte dan personen met een Nederlandse achtergrond. Zij concludeerden echter dat Molukkers ook op andere vlakken een slechtere gezondheidsbeleving rapporteerden dan personen met een Nederlandse achtergrond. Zo zouden zij ondanks een vergelijkbare levensstijl ook vaker last hebben van een hoge bloedruk en chronische gezondheidsproblemen dan personen met een Nederlandse achtergrond. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid van personen van Molukse komaf zich verhoudt tot die van personen met een Nederlandse achtergrond.

Doordat de Molukse gemeenschap qua omvang relatief klein is ten opzichte van de totale Nederlandse bevolking, is er onvoldoende enquêtedata voor een betrouwbare beschrijving van de (ervaren) gezondheid van Molukkers. Om toch iets over de gezondheid te kunnen zeggen, gebruiken wij gegevens over zorgkosten en verstrekkingen van medicijnen. Ook al beschrijven deze registerdata niet direct de gezondheid, zij hangen wel samen met de gezondheid. In het eerste deel vergelijken wij het medicijngebruik onder personen van Molukse komaf met personen met een Nederlandse achtergrond. Vervolgens wordt beschreven wat de zorgkosten zijn van verschillende leeftijdsgroepen van personen van Molukse en Nederlandse komaf. Tot slot wordt met decompositieanalyse getracht eventuele verschillen in zorgkosten tussen de groepen met een Nederlandse en Molukse achtergrond te duiden aan de hand van verschillen in achtergrondkenmerken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=e46cbe8a-d4a9-4539-9ba6-02995469734a