CConstaterende datBernheze
Koppel je AI →
Document · PDF

bestemmingsplan 'Achterstraat - Delst' - Toelichting en regels

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente BernhezeBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Achterstraat-Delst, Nistelrode’23.387 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Transport over spoorwegen Ook ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het projectgebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Er ligt in de nabijheid van het plangebied, binnen het invloedgebied, geen spoorweg waarover gevaarlijke stoffen worden gevoerd.

Buisleidingen Eventuele risico's van buisleidingen zijn pas relevant indien de effecten van een ongeval het plangebied kunnen bereiken. Om inzicht te krijgen in de bandbreedte van het invloedsgebied van buisleidingen is het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen-Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen (geactualiseerde versie 2016) geraadpleegd, waarin uit tabel 5.1 1%-letaliteitsgrens bij hogedruk aardgastransportleidingen blijkt dat de grootst mogelijke 1%-letaliteitsafstand van een buisleiding 580 meter bedraagt. Binnen een straal van 580 meter rondom het projectgebied zijn geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen gelegen. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Verantwoording groepsrisico (beperkt) toxisch Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk.

Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.

Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:  goed te alarmeren is;  goed te schuilen is;  goed te ontvluchten is.

35

Alarmering

In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.

Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.

Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. alle gevallen van de risicobron af.

Ontvluchten kan in

Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.

5.1.3.4

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen 5.1.4.1

Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woonen leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2

Analyse

Het plan omvat nieuwe geurgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is daarom van belang. Voor het plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe moeten de gevolgen van een plan voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woningen middels een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. Om dit na te gaan heeft Econsultancy uit Swalmen een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd: rapport 'Onderzoek geurhinder veehouderijen Achterstraat te Nistelrode' (20 oktober 2021; 10798.009). Het onderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd. Econsultancy concludeert dat op basis van het geuronderzoek voor de bestemmingsplanwijziging geen beperkingen voor het aspect geur gelden. Ter plaatse van de voor wonen te bestemmen gronden wordt voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderijen, de gemeentelijke verordening, gemeentelijke beleidsregels en de provinciale verordening.

Belemmering bedrijven

De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt. De meest dichtbij gelegen veehouderij zich bevindt op een afstand van circa 380 meter van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden eis van 25 meter. Voor alle omliggende veehouderijen geldt dat er reeds bestaande tussengelegen geurgevoelige objecten maatgevend zijn voor eventuele belemmering. Het voornemen vormt geen belemmering voor omliggende veehouderijen.

36

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

De achtergrondbelasting is berekend en bedraagt ten hoogste 3,8 OU/m3. De toetspunten zijn op de rand van het plangebied geplaatst. De geursituatie voldoet ter plaatse ruim aan de achtergrondbelastingnorm. De voorgrondbelasting is in beeld gebracht door middel van berekeningen met standaard parameters. Uit de berekening komt geen overschrijding van de 3 OU/m3 norm naar voren. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is goed.

5.1.4.3

Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid 5.1.5.1

Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2

Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.

Verkeerslawaai

Het plangebied ligt niet binnen de onderzoekszones van wegen. Het uitvoeren van een uitgebreid akoestisch onderzoek om aan te tonen dat ter hoogte van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is niet nodig. Uit de gegevens van de gemeente blijkt dat ca. 4000 mvt/etmaal over de weg Delst rijden. De afstand van de weg tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt ca. 60 meter. Voorliggende ontwikkeling ontsluit niet op de Delst en het plangebied wordt afgeschermd door de reeds bestaande bebouwing. Uitgaande van de afstand tot de weg en afscherming door de bestaande woningen kan worden aangenomen dat er hier sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting rond de woningen ten gevolge van de Delst. Van de Achterstraat zijn geen verkeersgegevens beschikbaar. Uit een in 2018 uitgevoerd onderzoek voor de woning naast Achterstraat 44 blijkt dat op 10 meter van het midden van de weg voldaan werd aan de voorkeursgrenswaarde. Inmiddels zal het verkeer wat drukker zijn geworden, maar de dichtstbijzijnde woning bevindt zich op ca. 58 m van de Achterstraat. Daarnaast wordt het plangebied deels afgeschermd door de bestaande woningen aan de Achterstraat. Uitgaande van de afstand tot de weg en afscherming door de bestaande woningen kan worden aangenomen dat er hier sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting rond de woningen ten gevolge van de Achterstraat.

Het plangebied genereert gemiddeld 113 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De toename van het aantal mvt op De Delst zal minimaal zijn omdat de bewoners vanaf het zuiden via de Achterstraat zullen rijden. De verkeerstoename door de ontwikkeling zal geen relevante toename van de geluidsbelasting opleveren op de Achterstraat. De nieuwe toegangsweg ligt direct naast de woningen gelegen aan de Achterstraat 23. De woning kent in de huidige situatie al een geluidbelasting op de zuidelijke en westelijke gevel door de bestaande Achterstraat. Ook hier geldt dat de extra verkeersgeneratie geen relevante toename van de geluidsbelasting op deze gevels zal opleveren. Aan de achterzijde van de woning zal wel een verandering plaatsvinden. Maar omdat de tuin hier onderdeel uitmaakt van de nieuwe doodlopende woonstraat met een snelheidsbeperkende vormgeving van de weg zal ook aan deze zijde de geluidbelasting beperkt blijven en is er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Industrielawaai Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

37

5.1.5.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit 5.1.6.1

Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2

Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit

In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Voorliggend plan omvat 14 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving. In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Delst, Bernheze; 223442'. categorie jaargemiddelde concentratie NO2 jaargemiddelde concentratie PM10 jaargemiddelde concentratie PM2.5 overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 25 µg/m³ 35

2020 14,1 16,6 9,4 6,0

2030 10,3 14,3 7,6 6,0

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid 5.1.7.1

Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

38

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2

Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Stap 1 Endotoxinen Op basis van de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid (Endotoxine toetsingskader 2.0) kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen. Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn geen pluimveeveehouderijen actief. Bovendien liggen er geen overige veehouderijen binnen 250 meter van het plangebied. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van endotoxinen.

Stap 2 Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader Dit aspect is beoordeeld in paragraaf 5.1.4 van deze toelichting. Uit de betreffende paragraaf blijkt dat wordt voldaan aan de wet- en regelgeving voor wat betreft agrarische geur. Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde De voorgrondbelasting is in beeld gebracht door middel van berekeningen met standaard parameters. Uit de berekening komt geen overschrijding van de 3 OU/m3 norm naar voren. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is goed. De geurbelasting voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5,0 ouE/m³. Stap 4a Binnen een veehouderij (1 adres of 1 ondernemer) worden bedrijfsmatig meerdere diersoorten gehouden. Niet van toepassing Stap 5a Geitenhouderij Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief.

Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen. Stap 5b Pluimveebedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 1 kilometer van een pluimveebedrijf. Stap 5c Overige veehouderijen Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 380 meter van een overige veehouderij: Achterstraat 44: melkrundveehouderij. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden eis van 25 meter. Uit paragraaf 5.1.4 blijkt verder dat er een goed woon- en leefklimaat is ter plaatse van het plangebied. Stap 6. Is er sprake van mestbe- of verwerking Niet van toepassing.

39

Stap 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid Of in (de omgeving van) het plangebied sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid zou kunnen volgen uit de klachtenregistratie bij de gemeente. Daaruit blijkt dat in ieder geval de afgelopen 5 jaar op dit punt geen klachten zijn ingediend bij de gemeente Bernheze. Conclusie stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid Met de ontwikkeling van voorliggend initiatief is sprake van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.

5.1.7.3

Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat de gronden rondom het plangebied thans niet in gebruik zijn voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4

Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse

Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat er sprake is van een grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 600 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele tientallen meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5

Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage 5.1.8.1

Inleiding

Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de Clijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt.

40

5.1.8.2

Analyse

Met dit bestemmingsplan worden 14 woningen in het plangebied mogelijk gemaakt. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage 4 van de toelichting opgenomen.

5.1.8.3

Conclusie

Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden 5.2.1 Onontplofbare Oorlogsresten 5.2.1.1

Inleiding

In de Tweede Wereldoorlog alleen al is naar schatting twaalfduizend ton aan explosieve stof door vliegtuigen afgeworpen. Ervaringscijfers geven aan dat ongeveer tien tot vijftien procent van deze afgeworpen Ontplofbare Oorlogsresten om diverse redenen niet zijn gesprongen. Daarnaast zijn grote hoeveelheden munitie door grondgeschut en handvuurwapens verschoten, waarvan eveneens een deel niet of slechts gedeeltelijk is gedetoneerd. Vooral op locaties waar destijds zwaar gevochten is, komen nog veel van deze 'blindgangers' in de bodem voor.

5.2.2 Analyse Om te onderzoeken of het plangebied, of delen, hiervan betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er daardoor een verhoogd risico is op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO), heeft Reaseuro voor de gemeente Bernheze een historisch vooronderzoek uitgevoerd: rapport 'Historisch Vooronderzoek Niet gesprongen Explosieven, NGE-Risicokaart Bernheze (8 november 2021; RO-210306 versie 0.1) Het onderzoek is als bijlage 5 bijgevoegd.

RISICOKAART BERNHEZE

41

Het plangebied is niet als een plek met een verhoogd risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) aangeduid. In hoofdstuk 13 van het historisch vooronderzoek zijn conclusies en adviezen opgenomen. Uit het advies van Reaseuro blijkt dat de gebieden die niet als NGE Risicogebied zijn afgebakend binnen de gemeente Bernheze, geen verhoogd risico op de aanwezigheid van achtergebleven NGE kon worden vastgesteld. Hierdoor is het uitvoeren van een nader onderzoek voor het plangebied niet noodzakelijk.

5.2.3 Conclusie Het aspect onontplofbare oorlogsresten vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.4 Archeologie 5.2.4.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.4.2

Analyse

Een deel van het plangebied kent, overeenkomstig het bestemmingsplan 'De kommen van Bernheze' de 'Waarde Archeologie - 2', De voor 'Waarde - Archeologie - 2' (hoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Aangezien de archeologische verwachtingswaarde hoog is én de voorgenomen ontwikkeling groter is van 250 m² is archeologisch onderzoek vereist. Daarnaast geldt voor een klein deel van het plangebied de 'Waarde - Archeologie - 3'. De voor 'Waarde Archeologie - 3' (middelhoge archeologische verwachting) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Aangezien de archeologische verwachtingswaarde middelhoog is én de voorgenomen ontwikkeling groter is van 2.500 m² is archeologisch onderzoek vereist. Om te ondervinden of er historische resten in de bodem ter plaatse van het projectgebied aanwezig zijn heeft Econsultancy uit Swalmen een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd: rapport: 'Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek.

De rapportage is als bijlage 6 bijgevoegd. Econsultancy concludeert dat op basis van de van nature natte omstandigheden die in het plangebied hebben geheerst, kan worden geconcludeerd dat behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied niet worden verwacht. Uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen sporen van agrarisch gebruik mogelijk zijn, maar dit betreffen geen behoudenswaardige resten. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. De gemeente Bernheze stemt in met het advies van Econsultancy en gaat ermee akkoord dat het plangebied wordt vrijgegeven. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij de gemeente Bernheze, de Provincie Noord-Brabant of bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

5.2.4.3

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

42

5.2.5 Cultuurhistorie 5.2.5.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.5.2

Analyse

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart.

UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART BERNHEZE

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.5.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

43

5.2.6 Natuurwaarden 5.2.6.1

Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:  gebiedsbescherming;  soortenbescherming;  bescherming van houtopstanden.

5.2.6.2

Analyse

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000gebieden.

Verstorende effecten

Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland, heeft Econsultancy uit Boxmeer een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport 'Rapportage quickscan flora en fauna Achterstraat (ong.) te Nistelrode' (21 november 2019; 10798.003). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7. Econsultancy concludeert dat het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied op 17,5 km van het plangebied gelegen is en dat het meest nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland op 800 meter van het plangebied ligt. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een verstoring van het Natura 2000 gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Er is geen nader onderzoek nodig.

Stikstofdepositie

Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen.

Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het project op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen heeft Kragten een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport (10 maart 2023; BEH024) is als bijlage 10 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie geen relevante significante cumulatieve effecten zal veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen. Soortenbescherming Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft Econsultancy een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport 'Rapportage quickscan flora en fauna Achterstraat (ong.) te Nistelrode' (21 november 2019; 10798.003). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7. Op basis van de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming concludeert Econsultancy dat ten aanzien van algemene broedvogels overtredingen voorkomen kunnen worden door rekening te houden met het broedseizoen.

Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van deze soorten mogelijk aan de orde is en of aanvullend soort specifiek onderzoek gewenst is. Mogelijk geldt er voor genoemde eik een herplantplicht. Neem hiervoor contact op met de desbetreffende gemeente. Ten aanzien van het verwijderen van de beplanting op de zuidgrens dient eerst duidelijk te zijn of deze een functie heeft voor marterachtigen als de steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Bij het wegnemen van een vaste rusten/of verblijfplaats van genoemde soorten is er sprake een ontheffingsaanvraag in combinatie met het nemen van mitigerende maatregelen.

44

Bij het dempen van de watergang langs de zuidgrens zal bij aanwezigheid van algemene vissoorten en amfibieën middels een ecologisch werkprotocol schade aan individuen moeten worden geminimaliseerd om zo te voldoen aan de zorgplicht. In een ecologisch werkprotocol zijn maatregelen opgenomen die schade beperken. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient altijd rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is. Nader onderzoek kleine marterachtigen, nesten van roofvogels en aanwezigheid eekhoorn Naar aanleiding van de conclusies uit de bovenstaande quickscan heeft Forest Groen Consult BV een nader onderzoek uitgevoerd: rapport 'Nader onderzoek kleine marterachtigen, nesten van roofvogels en aanwezigheid eekhoorn' (21 juni 2022). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 8. Hierna zijn in het kort de resultaten van het onderzoek beschreven:  De herontwikkeling leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de wezel op het moment dat de singel wordt aangetast.

 De herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft beschermde nesten van roofvogels.  De herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft nesten van vogels indien de beplanting buiten het broedseizoen wordt gerooid.  De herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de eekhoorn.  De herontwikkeling leidt alleen tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor wat betreft de das, op het moment dat de singel wordt aangetast. Geadviseerd wordt om de singel te behouden. Is dit niet mogelijk dan zal voor de das en de wezel een ontheffing moeten worden aangevraagd. In de plantekening die ter beschikking is gesteld blijft de singel grotendeels behouden alleen aan de westzijde gaat een klein deel van de ruigte verloren om de aanleg van een toegangsweg en wadi mogelijk te maken. Naast deze weg wordt weer een groenstrook aangelegd. Voor de wezel is deze strook van belang omdat deze strook de dekking geeft die de wezel nodig heeft. Voor de das is deze strook niet essentieel. Daarom wordt geadviseerd om voor deze aantasting gebruik te maken van de gedragscode voor gemeenten of als dit niet mogelijk is een ontheffing aan te vragen bij de provincie Noord-Brabant.

Door tijdig gebruik te maken van de gedragscode of een ontheffing aan te vragen, kan ook op tijd worden begonnen met de mitigerende maatregelen en kan vooral de wezel langzaam wennen aan de veranderingen in zijn leefgebied. Nadere uitwerking natuurinrichting zuidzijde plangebied Naar aanleiding van het nader onderzoek heeft er een verdere uitwerking van de inrichting van de groene zone aan de zuidzijde van het plangebied plaatsgevonden. De belangrijkste wijziging is hierbij dat de ruigtes behouden blijven en aan de westzijde een nieuwe ruigte wordt toegevoegd. In bijlage 9 is de wijze van beheer van de zone beschreven. Bescherming van houtopstanden Binnen het plangebied is er geen sprake van het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.6.3

Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

45

5.3 Waterparagraaf 5.3.1 Inleiding Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 

5.3.2.2 

46

Provinciaal niveau

Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

5.3.2.3 

Nationaal niveau

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Ontwerp Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.

Regionaal niveau

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) in werking getreden. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is een onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP bevat de ambitie, opgaven, doelen en de aanpak, inclusief de zeven leidende principes bij het tot stand komen van een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem: 1. De watervoorraad is in balans als zowel de totale voorraad aan grondwater als de ondiepe grondwaterstanden voldoende zijn. 2. Het (regen)water wordt zo min mogelijk afgevoerd en wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem zodat het kan infiltreren in het grondwater. 3. Het grondgebruik is volgend op wat het water- en bodemsysteem aan kan: niet alle gebruiksfuncties kunnen overal plaatsvinden in Brabant. 4. Bij het optreden van extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte, is er minder snel of minder ernstige overlast of schade. 5. De kwaliteit van het water- en bodemsysteem is op orde. Bij het gebruik van water, zoals voor landbouw, wonen en industrie, is er aandacht voor de water- en bodemkwaliteit. 6.

Gebruikers zijn maximaal verantwoordelijk voor het voorkomen van watervervuiling en verstoring van bodemprocessen die leiden tot een verminderde kwaliteit.

7.

5.3.2.4

Kringlopen worden zoveel mogelijk gesloten. Vrijkomende stromen vanuit het ene proces vormen de grondstoffen voor één of meerdere ander(e) proces(sen).

Gemeentelijk niveau

Gemeentelijk Rioleringsplan en het Gemeentelijk Waterplan Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft de waterhuishouding sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Tot dit doel is mede het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan opgesteld. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) zijn doelstellingen en maatregelen in de waterketen opgenomen, waartoe de gemeente wettelijk verplicht is. In een waterplan worden extra, niet wettelijk verplichte maatregelen opgenomen, die nodig zijn om de gewenste inrichting en functioneren van water in de gemeente Bernheze te kunnen bereiken. De gemeente Bernheze heeft hiertoe een integraal waterplan vastgesteld. Centrale doelstelling van dit waterplan is: "Het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord". Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Voor de hierna beschreven onderzoekslocaties zijn de informatie en maatregelen vanuit het waterbeheerplan "Werken met water, voor nu en later", het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan gebruikt bij het opstellen van de waterparagraaf.

Verordening Fysieke Leefomgeving De gemeenteraad heeft de Verordening Fysieke Leefomgeving (hierna: VFL) vastgesteld. Hierin staan de regels die in Bernheze gelden voor bouwen, wonen, natuur, erfgoed, milieu, wegen en water. De VFL is een samenvoeging van een reeks bestaande verordeningen en een aantal regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Hiermee zijn alle regels voor ruimtelijke ontwikkeling in één verordening terug te vinden. De regels zijn niet gewijzigd, wel beter op elkaar afgestemd en vereenvoudigd. Met betrekking tot water is in de verordening de waterbergingsopgave op de particuliere terreinen geborgd. In paragraaf 3.4 van de verordening zijn de regels met betrekking tot afvoer van hemelwater en grondwater opgenomen.

5.3.2.5

Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:  Het Waterbeheerplan 2022-2027 Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem. 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch). 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd.

In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin: - schoon water niet naar de zuivering gaat, maar het grondwater voedt; - de waterkwaliteit geen risico’s geeft voor de volksgezondheid en geschikt is voor een goede ontwikkeling van flora en fauna, maar ook voor recreatie en evenementen;- de kans op wateroverlast en problemen door droogte en hittestress acceptabel is; - de betrokkenheid en het waterbewustzijn van inwoners, bedrijven en andere stedelijke partners is toegenomen.

47

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.  Brabant Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid. 2.

Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.  De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’ De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die alle zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 3. Voorkomen van vervuiling 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer" 6. Meervoudig ruimtegebruik 7. Water als kans 8. Waterschapsbelangen

5.3.3 Watersysteem 5.3.3.1

Bodem

Om de milieuhygiëne van de waterbodem ter plaatse van het plangebied te bepalen heeft Econsultancy een waterbodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Rapportage verkennend waterbodemonderzoek Achterstraat te Nistelrode" (28 oktober 2021, 10798.008). Het onderzoeksrapport is als bijlage 11 toegevoegd. Econsultancy concludeert dat het watertype van de onderzoekslocatie "lintvormig water" betreft . Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie onderzocht conform de onderzoeksinspanning "lintvormig water, normale onderzoeksinspanning" (LN). Tijdens de uitvoering betrof de onderzoekslocatie een drooggelegen waterbodem. De waterbodem bestaat uit matig siltig, zeer fijn zand. De waterbodem bleek bovendien matig humeus. Een sliblaag is niet aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. In de zandige waterbodem zijn geen verontreinigingen aangetoond. Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (generiek kader) voldoet dit zand zowel voor toepassing op de landbodem als onder water aan de achtergrondwaarde. Uit de msPAF toetsing blijkt dat het zandige sediment kan worden verspreid over de aangrenzende percelen.

48

Met dit onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er géén reden voor een aanvullend waterbodemonderzoek. Voor de toepassing van eventueel vrijkomend waterbodemmateriaal zijn mogelijk de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.

Infiltratiecapaciteit

In september 2021 is er door Econsultancy een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de rapportage "Watertoets, Achterstraat te Nistelrode' ( 29 juni 2022, 10798.004 D1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 12. De bovengrond bestaat tot maximaal 0,7 m - mv uit matig tot sterk humeus, matig tot sterk siltig, zeer fijn zand. De ondergrond bestaat tussen 0,7 m en 1,5 m -mv uit matig siltig, zeer fijn zand. Vanaf 1,5 m -mv bestaat de ondergrond uit matig tot sterk grindig, zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. Er zijn geen storende lagen en gleyverschijnselen in de ondergrond waargenomen. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als matig tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,4 en 1,2 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, in principe geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Lokaal kan de doorlatendheid echter beperkt zijn. Geadviseerd om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van maximaal 0,5 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5.

5.3.3.2

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3

Grondwater

Econsultancy heeft op basis van het uitgevoerde waterbodemonderzoek de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bepaald op +/- 1.5 m -mv.

5.3.3.4

Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater Om inzicht te verkrijgen op welke wijze duurzaam omgegaan kan worden met het water in het plangebied heeft Econsultancy een watertoets uitgevoerd: "Watertoets, Achterstraat te Nistelrode' (7 maart 2023, 10798.011 D3). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 12. Om een indicatie te geven van het toekomstig verhard oppervlak wordt in het kader van de watertoets uitgegaan van 50 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin-/erfverharding. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

49

Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 3.639 m2. Conform het beleid van waterschap Aa en Maas is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 218 m3 (3.639 m² x 0,06 m). In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Vanuit het plan geldt het uitgangspunt dat 20 mm waterberging op eigen terrein gerealiseerd dient te worden. Dit komt op basis van het toekomstige verhard oppervlak op de particuliere percelen overeen met een berging van 44 m3. Het hemelwater op particuliere percelen wordt geborgen door toepassing van infiltratiekratten onder de oprit (voorzijde woning). Het restant van de wateropgave, 174 m3, wordt geborgen in een wadi en onder de weg in de fundering. In totaal zal in de wadi, uitgaande van een maximale peilstijging van 0,3 m (11,80 m +NAP), in totaal 80 m3 geborgen worden. Onder de weg (1.280 m2) is, uitgaande van 40% holle ruimte, in totaal 128 m3 waterberging aanwezig. In totaal is binnen het plan een berging beschikbaar van 252 m3. Hiermee wordt voldaan aan de waterbergingsopgave van 218 m3.

In bijlage 8 van de rapportage is het voorlopig ontwerp ‘ondergrondse situatie’ opgenomen. Op basis van de bodemopbouw, textuur en resultaten van het uitgevoerde doorlatendheidsonderzoek worden geen problemen verwacht met de lediging van het toekomstige systeem.

5.3.5 Peelrandbreuk Circa 70 meter ten westen van de planlocatie ligt de Peelrandbreuk. Mogelijk heeft deze geologische breuk invloed op de lokale grondwaterstroming en -stand binnen de planlocatie. Op basis van de ligging van de breuklijnen kan met enige zekerheid worden gesteld dat met de aanleg van de fundering geen breuken worden doorsneden. De locatie van de Peelrandbreuk is op onderstaande kaart weergegeven.

LIGGING PEELRANDBREUK

50

Het beschermd wijstgebied 'Nistelrode Zuid', dat beschermd wordt in de Keur van het Waterschap, ligt buiten het plangebied (ca. 375 m naar het zuiden). De nieuwe ontwikkeling heeft geen invloed op dit beschermde wijstgebied.

5.3.6 Afvalwater Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een toename in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 14 woningen/ bouwblokken worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 4,2 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

5.3.7 Waterkwaliteit Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

5.3.8 Advies waterschap Naar aanleiding van de reactie van het Waterschap is het Waterplan en voorgaande toelichting aangepast/aangevuld.

5.3.9 Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure van het plan. Het aspect water vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.4 Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in: 1. een geluidzonering; 2. een obstakelbeheergebied; 3. een radarverstoringsgebied; 4. een vogelbeheersgebied; 5. een risicogebied vanwege de opslag van munitie. Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder.

5.4.1 Radarverstoringsgebied Het militaire vliegveld beschikt over een radarsysteem. Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten in de omgeving kunnen leiden tot een verstoring van het radarbeeld. Het radarverstoringsgebied is vastgelegd in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) en wordt gevormd door:

51

een cirkel met een straal van 15 km gemeten vanaf de positie van de radar. De maximale hoogte van bouwwerken wordt hier bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf het punt op de top van de radarantenne (49 meter boven NAP), oplopend met 0,25 graden tot een punt op 15 kilometer afstand op een hoogte van 114 meter boven NAP;  aanvullend voor windmolens buiten deze 15 kilometercontour een cirkel met een straal van 75 km gemeten vanaf de positie van de radar. Voor de tippen van de wieken van windturbines geldt hier een maximale hoogte van 114 meter boven NAP. Het plangebied ligt op een afstand van 10 kilometer tot het radarsysteem, dus op minder dan 15 km. Aangezien voorliggend initiatief niet leidt tot de realisatie van een molen of windturbine is het radarverstoringsgebied niet van toepassing op het planvoornemen. 

Het project voldoet aan de voorwaarden van het radarverstoringsgebied.

52

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1 Financieel Kostenverhaal Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro). In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is daarom 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

Gemeentelijke grondexploitatie

Uit de gemeentelijke grondexploitatie volgt dat voldoende middelen aanwezig zijn om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.2 Maatschappelijk 6.2.1 Omgevingsdialoog Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure heeft de initiatiefnemer een informatieavond georganiseerd om in contact te komen met omwonenden van het plangebied en belangstellenden in het plan. Een verslag hiervan is in bijlage 13 opgenomen

6.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties. Er is een reactie van het Waterschap ontvangen. Deze heeft geleidt tot aanpassing van de Watertoets en paragraaf 5.3 van de toelichting.

6.2.3 Ter inzage legging Het ontwerpbestemmingsplan 'Achterstraat - Delst, Nistelrode' heeft gedurende zes weken van 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 ter inzage gelegen. Er is 1 zienswijze op het plan ingezonden. Deze is samengevat en beantwoord in bijlage 14 'Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen'. De zienswijze heeft geleidt tot een aanvulling op de toelichting met betrekking tot de verslaglegging van de procedure. Tijdens de terinzagelegging is op 12 december 2023 een tweede informatieavond georganiseerd. Het verslag van deze avond is toegevoegd aan bijlage 13.

6.2.4 Vaststelling door gemeenteraad Het bestemmingsplan Achterstraat - Delst, Nistelrode is door burgemeester en wethouders vastgesteld d.d. 23 mei 2024.

53

54

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend. Het bestemmingsplan bestaat uit:  de toelichting;  de planregels;  de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels De indeling van de planregels is als volgt. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 3 Algemene regels Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)

In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2

Groen (artikel 3)

Bestemmingsregels

De bestemming Groen is bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, parken en plantsoenen, paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding; kunstwerken; incidentele parkeervoorzieningen.

Tuin (artikel 4)

De bestemming Tuin is bestemd voor bij woningen behorende tuinen en erven.

Verkeer (artikel 5)

De bestemming Verkeer is bestemd voor wegen en straten, wandel- en fietspaden, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Wonen (artikel 6)

De bestemming Wonen opgenomen is bestemd voor woningen met daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

55

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 7)

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 8)

Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.

Algemene gebruiksregels (artikel 9)

In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.

Algemene afwijkingsregels (artikel 10) Dit artikel bevat regels ten aanzien van beperkte afwijkingsmogelijkheden van goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen. Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 11)

Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 12)

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

56

Bijlagen toelichting Bijlage 1

Inrichtingsschets

Bijlage 2

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 3

Agrarisch geuronderzoek

Bijlage 4

Milieueffectrapportage

Bijlage 5

Historisch vooronderzoek NGE, gemeente Bernheze

Bijlage 6

Archeologisch onderzoek

Bijlage 7

Quickscan flora en fauna

Bijlage 8

Nader onderzoek kleine marterachtigen, nesten van roofvogels en aanwezigheid eekhoorn

Bijlage 9

Nadere uitwerking natuurinrichting

Bijlage 10 Stikstofdepositie-onderzoek Bijlage 11 Verkennend Waterbodemonderzoek Bijlage 12 Watertoets Bijlage 13 Verslag Omgevingsdialogen Bijlage 14 Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Bernheze&id=35bb14ee-4a20-4a1b-8563-9850b32eac51