CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie warmte Berg en Dal

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Voorstel om de transitievisie warmte vast te stellen23.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 6.2

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

Nieuwbouwlocaties tot 2030

26

Woningcorporatie- en VvE-bezit De woningcorporaties Oosterpoort en Waardwonen hebben in de afgelopen jaren voortvarend hun woningbezit in Berg en Dal via schilmaatregelen (beter isoleren van buitenmuren, ramen en kozijnen en daken) verduurzaamd en ronden die opgave de komende jaren af. Daardoor zijn de woningen energetisch geschikt om de stap naar een gasvrije woning te kunnen maken. Oosterpoort heeft bij een aantal nieuwbouwcomplexen collectieve wko’s toegepast. Het grootste deel van het bezit van beide corporaties moet nog aardgasvrij worden gemaakt. De door hen opgestelde routekaart naar CO2-neutraal is daarbij leidend. In de gebieden waar de realisering van een collectief warmtenet een onderzoeksoptie is, vraagt dit om afstemming tussen de woningcorporaties en gemeente. Het is daarom (voor Waardwonen) belangrijk via een quickscan onder meer vroegtijdig inzicht te verkrijgen in de (financiële) haalbaarheid van een LT-net in Millingen aan de Rijn. De resultaten van zo’n quickscan kunnen worden gebruikt om richting te geven aan verdere maatregelen die Waardwonen kan treffen. Als de quickscan de haalbaarheid ondersteunt, houdt het treffen van alleen no-regret maatregelen de optie van een toekomstige participatie aan een collectief net open. De betaalbaarheid van de energietransitie is een belangrijk thema.

De woningcorporaties en de gemeente dragen hier een gemeenschappelijk verantwoording voor de bewoners van het corporatiebezit. Een goede afstemming tussen de portefeuillestrategie van de corporaties en de routekaart in de TVW draagt daar aan bij. Oosterpoort verwacht de vertaling van haar routekaart ‘Naar CO2-neutraal’ vanaf 2035 via aanpassing van de installaties de volgende stap in de verduurzaming te zetten. Voor gebieden waar eventueel voor die tijd collectieve oplossingen realiseerbaar zijn, vindt nadere afstemming tussen partijen plaats. Particuliere verhuur en particulier woningbezit Van de in de particuliere koop- en huursector wonende inwoners vragen de bewoners met een relatief laag inkomen, die woonachtig zijn in de oudere woningvoorraad, de aandacht. Het draagvlak voor de energietransitie kan groeien door deze bewoners te ondersteunen bij het afwegen van de beschikbare alternatieven, aanvragen van subsidies en uitvoeren van betaalbare maatregelen. In Berg en Dal is een aantal VvE’s (Groot Berg en Dal, Stollenbergweg, Residentie de Meerberg) gevestigd in gebieden waar een collectief net een optie is. Met deze VvE’s is afstemming over het vervolg van dit proces in relatie tot hun eigen opties noodzakelijk.

Alternatief voor aardgas daadwerkelijk beschikbaar Een belangrijk argument om al voor 2030 in een wijk te starten met de transitie, is dat de alternatieve warmtebron daadwerkelijk beschikbaar is. Zo is geothermie een kansrijke bron, maar wanneer de potentie nog onderzocht moet worden, verwarmen we hier in 2030 nog geen wijk mee. Daar is de doorlooptijd van een onderzoek, exploratie en exploitatie simpelweg te lang. Voor waterstof geldt hetzelfde; wellicht kansrijk, maar we gaan hier in 2030 nog niet (grootschalig) woningen op aansluiten. We gebruiken voor de beschikbaarheid de analyse uit hoofdstuk 4. Actieve bewoners of buurtinitiatieven De bevolking van de gemeente Berg en Dal is betrokken en initiatiefrijk. Zo zijn op het gebied van verduurzaming al diverse initiatieven ontstaan en zijn al een paar lokale energiecoöperaties actief met het aanbrengen van zonnepanelen op daken. De aanwezige kennis en ontwikkelkracht in de samenleving willen we graag benutten bij de verdere uitwerking van de energietransitie. Punt van aandacht: energietransitie en economie Het aardgasvrij maken zal de vraag naar met name technisch geschoold personeel om woningen te isoleren en installaties te vervangen verder doen toenemen. Dit is een sector waar de gemeente Berg en Dal van oudsher sterk in is vertegenwoordigd.

Met het beter isoleren van gebouwen in Berg en Dal zijn de komende decennia afhankelijk van het isolatieniveau significante investeringen gemoeid. Daaraan kunnen de investeringen in installaties in huis en aanleg van collectieve netten nog worden toegevoegd.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

27

Hoe fijn zou het zijn als niet alleen de lasten, maar ook de lusten van de energietransitie voor een deel ten goede komen aan de lokale economie en samenleving. Het lokale bedrijfsleven wordt uitgenodigd diensten en producten te ontwikkelen waarmee bewoners worden ondersteund en ontzorgd bij de energietransitie. Door een goede samenwerking met het bedrijfsleven, in het bijzonder het Loket Duurzaam Wonen Plus, moet dat mogelijk zijn. De gemeente kan een rol vervullen bij het organiseren van de sector, creëren van randvoorwaarden voor passende oplossingen en uitvoeren van verduurzamingscampagnes. Het Loket Duurzaam Wonen Plus kan hieraan een bijdrage leveren en de bewonerscommunicatie op onderdelen voeren. Er zijn hierbij ook financieringsregelingen, belastingvoordelen en subsidies mogelijk die de komende jaren beschikbaar blijven. Het Loket Duurzaam Wonen Plus kan de inwoners helpen hiervan gebruik te maken, in combinatie met de aanpak van hun woningen. Meer zeggenschap bij bewoners over hun toekomstige warmtevoorziening kan het draagvlak verhogen, maar kent ook een economische component. De toepassing van coöperatieve samenwerkingsvormen, zoals het Buurt Energie Systeem, biedt bewoners de kans zelf eigenaar en exploitant van hun warmtenet worden.

Zo wordt in Breedeweg de combinatie onderzocht van een zonnepark met een opslagbatterij om honderden huishoudens van energie en warmte te voorzien. De weg daar naar toe kent nog wel veel hobbels, maar het onderzoeken van de haalbaarheid van deze vormen is zeker de moeite waard.

6.2

Koppelkansen met wijziging warmtewetgeving

Om gemeenten meer regie te geven in de warmtetransitie, is in het Klimaatakkoord afgesproken om een nieuwe Warmtewet in te voeren die handvatten moet geven aan deze regierol. Medio 2020 is daartoe door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat de consultatieversie van de Wet collectieve warmtevoorziening (hierna: Wcw) gepubliceerd en is de mogelijkheid tot reageren opengesteld. Naar aanleiding van de vele reacties die bij het Ministerie zijn binnengekomen, is het Ministerie in gesprek gegaan met verschillende stakeholders waaronder de VNG. De belangrijkste opmerkingen van de VNG betroffen het organisatiemodel dat de Wcw voorschrijft en de mogelijkheden voor publiek-private samenwerking. Recent is bekend geworden dat het overleg tussen het Ministerie en de VNG helaas niet tot overeenstemming heeft geleid. Wat dit betekent voor de inhoud van het wetsvoorstel en de beoogde planning, is nog niet duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat de beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2022 niet gehaald zal worden. In het huidige wetsvoorstel worden aan de gemeente meer bevoegdheden toegekend dan zij heeft onder de huidige Warmtewet. Die uitbreiding van bevoegdheden is vooral van belang voor gebieden waar toepassing van een collectief warmtenet mogelijk is.

Het college van Burgemeester en Wethouders moet voor die gebieden overgaan tot aanwijzing van een warmtekavel (afgebakend geografisch gebied). Die aanwijzing is gebaseerd op de aanname dat binnen dit aangewezen gebied sprake moet kunnen zijn van het realiseren van een zelfstandig opererend duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar warmtesysteem. Na het aanwijzen van de warmtekavel selecteert het college voor dit warmtekavel op basis van een procedure een publiek of privaat warmtebedrijf voor een periode van 20 tot 30 jaar. Nadat aanwijzing van een warmtebedrijf heeft plaats gevonden, is dit warmtebedrijf integraal verantwoordelijk voor het realiseren en exploiteren van het collectieve warmtesysteem. Het warmtebedrijf sluit verbruikers binnen de warmtekavel aan, tenzij een verbruiker te kennen geeft niet aangesloten te willen worden en zelfstandig gaat voorzien. Voorwaarde is dat deze individuele warmtevoorziening qua energiezuinigheid ten minste gelijk is aan het collectieve warmtesysteem. Op basis van de huidige beschikbare informatie over de Wcw neemt de sturende rol maar ook de verantwoordelijkheid van de gemeente na vaststelling van de Wcw toe.

6.3

Conclusie

Op basis het aandeel grondroeringsgevoelige leidingen is redelijk bekend waar in de komende jaren werkzaamheden aan het gasnet zullen plaatsvinden. Er is weinig bekend over grote aanpassingen aan de infrastructuur.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

28

De woningbouwprogrammering tot 2030 biedt in Ooij mogelijk kansen om een koppeling met de toekomstige warmteoplossing voor Ooij aan te brengen. Via de schilaanpak verduurzamen de woningcorporaties (Waardwonen al in 2022) tot 2030 hun bestaand bezit. In gebieden waar collectieve alternatieven voor aardgas beschikbaar zijn en het corporatiebezit aanzienlijk is (Ooij, Millingen, Breedeweg), stemmen corporaties en gemeente hun warmtestrategie op elkaar af. In de gebieden waar via individuele oplossingen naar alternatieven voor aardgas moet worden gezocht, kunnen de woningcorporaties hun eigen portefeuillestrategie volgen. Wel is Oosterpoort bereid daarbij uitgepond bezit, gelegen tussen corporatiebezit, bij te betrekken. Als geothermie in Nijmegen kansrijk is, willen we onderzoeken of het mogelijk is de aan Nijmegen grenzende kernen hierop aan te sluiten. In Millingen is sprake van een op waterstof gebaseerd burgerinitiatief. Als waterstof in de toekomst ook voor woningen op grote(re) schaal beschikbaar komt, kan dit voor Millingen wellicht een alternatief vormen. Buitengebied In het buitengebied geldt dat een individuele oplossing, mogelijk in combinatie met biogas kansrijk lijkt. Hiervoor is het belangrijk duidelijk inzichtelijk te krijgen wat de daadwerkelijke potentie van biogas binnen de gemeente is. Ook de milieueffecten behoren daarbij in ogenschouw te worden genomen.

Daarnaast dienen woningen redelijkerwijs geïsoleerd te worden. Op deze manier kan biogas in combinatie met een hybride warmtepomp worden ingezet. Tabel 6.1 Kern

Wegingstabel koppelkansen Nieuwbouw

Grondroeringgevoelige gasleiding

Buurtinitiatieven

Beek

+++

++

Berg en Dal

+++

++

Breedeweg

Aanpassing Infrastructuur

Kansrijke warmtebron

+++

+

Woningcorporaties

+++

De Horst Erlecom Groesbeek Heilig Landstichting

+++

++

Kekerdom Leuth Millingen aan de Rijn Ooij

+++ ++

+++

Ubbergen

+ kleine koppelkans

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

++

+++ +++

+++

++ waarschijnlijke koppelkans

+++ grote koppelkans

29

7

De route naar aardgasvrij in 2050

Het belangrijkste doel van de warmtetransitie is de reductie van de uitstoot van broeikasgassen, waardoor ook de gebouwde omgeving in 2050 volledig klimaatneutraal is. In dit hoofdstuk beantwoorden we de vraag welke maatregelen kansrijk zijn om mee aan de slag te gaan. We richten ons daarbij in eerste instantie op de periode tot 2030, maar houden daarbij rekening met de in paragraaf 5.4 beschreven opties om het einddoel in 2050 te kunnen realiseren. Voor de uitvoering van alle maatregelen is het noodzakelijk dat sprake is van een duidelijke communicatie en informatieverstrekking over het proces. Maar net zo belangrijk is dat de inwoners bij deze voor hen eenmalige operatie zo goed mogelijk worden gefaciliteerd en ontzorgd. Het op een goed wijze voeren van de regie over dit proces beschouwen wij als de belangrijke opgave. De warmtetransitie vraagt om een goede balans tussen de wensen, voorkeuren en keuzevrijheid van burgers enerzijds en kosteneffectiviteit anderzijds. Er moet ruimte zijn voor een gefaseerde aanpak waarin individuele huishoudens zelf zoveel mogelijk het moment bepalen waarop zij bepaalde stappen zetten. Natuurlijke momenten zoals (ver)koop of groot onderhoud zijn daarin zeer bepalend. Voor bewoners geldt dat ogenschijnlijke bijzaken (onder andere gedoe en rommel, mensen over de vloer, willen blijven koken op gas en ruimtebeslag) voor hen vaak hoofdzaken zijn.

De perceptie over het belang van de energietransitie verschilt bij de verschillende bevolkingsgroepen. Ook politieke achtergrond en waarden die mensen belangrijk vinden, spelen een rol. Er is een groep koplopers die aan de slag wil, maar er is ook een grote groep mensen die de maatregelen te veel gedoe vinden, de gemeente of de maatregelen zelf niet vertrouwen, of behoefte hebben aan meer informatie. Bij de uitvoering van de Transitievisie Warmte moet dit worden ingecalculeerd door veel aandacht te besteden aan informeren, aandacht te hebben voor verschillende doelgroepen, oplossingen te zoeken voor het voorkomen van ‘gedoe’, en rekening te houden met de betaalbaarheid voor huishoudens. Bij het vaststellen welke maatregelen tot 2030 realiseerbaar zijn, hebben we de volgende factoren laten meewegen. No-regret maatregelen Niet alle woningen zullen in Berg en Dal tegelijkertijd van het aardgas af kunnen. Zo zal de ontwikkeling van een eventueel warmtenet de nodige tijd kosten en vervolgens gefaseerd worden uitgerold. Dit betekent niet dat er nu nog niets gedaan kan worden.

Wat zijn nu maatregelen die bewoners stapsgewijs kunnen doorvoeren en waar ze geen spijt van zullen krijgen (de zogenaamde no-regret maatregelen)? Daarbij wordt onderscheid gemaakt in maatregelen die in ieder geval getroffen kunnen worden (de no-regret maatregelen) en maatregelen die (op termijn) nodig zijn voor realisatie van de aardgasvrije warmtevoorziening.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

30

Allereerst zetten we in op isolatie van de woningen die nog onvoldoende zijn geïsoleerd. Hier ligt een belangrijke opgave voor circa 7.500 oudere particuliere woningen (exclusief monumenten). Het beter isoleren van de woningen draagt rechtstreeks bij aan de doelstelling van de CO2-reductie, verhoogt het wooncomfort en maakt ze ook geschikt voor de volgende stap in de transitie. Immers, zowel voor de toepassing van een individuele all electric oplossing als een collectief LT-net is een voldoende geïsoleerde woning een voorwaarde. Een tweede belangrijke no-regret maatregel is het gebruik van (duurzamere) installaties, zoals de hybride warmtepomp. De warmtepomp wordt naast een gasgestookte cv-ketel geplaatst, samen zorgen ze voor verwarming. De warmtepomp neemt een deel van het werk van de gasgestookte cv-ketel over. Alleen op momenten dat er veel warmte nodig is, bijvoorbeeld op een heel koude winterdag of voor veel douchewater, springt de cv-ketel bij voor extra warmte in huis. Het gebruik bespaart veel aardgas en levert rechtstreeks een bijdrage aan CO2-reductie. Toepassen van een hybride warmtepomp is vooral geschikt voor goed geïsoleerde woningen. De hybride warmtepomp is uiteindelijk geen oplossing wanneer het gebruikte gas niet duurzaam is. Uitgaande van gebruik van fossiel gas kan het wel als tijdelijke/overgang maatregel worden toegepast (voor 10-15 jaar).

Daarom willen we het gebruik van hybride warmtepompen voor voldoende geïsoleerde woningen stimuleren in gebieden waar de transitie na 2030 plaatsvindt. Deze toepassing kan eventueel in combinatie met andere maatregelen, zoals zonnepanelen of PVT-panelen, elektrisch koken, LT-ruimteverwarming (vloerverwarming of LT-radiatoren) en waterzijdig inregelen van het cv-systeem. Aansluiting zoeken bij natuurlijke vervangmomenten (onder andere groot onderhoud, koopwoning) vergroot de kans op toepassing sterk. Voordeel van toepassing van de hybride warmtepomp (waarvoor dat een oplossing is), is dat de toepassing ook bij de bestaande capaciteit van het elektriciteitsnetwerk mogelijk is. In totaliteit gaat het om circa 1.230 woningen die op dit moment al geschikt zijn voor een hybride warmtepomp. Dit aantal stijgt wanneer er woningen, die in de tussentijd voldoende worden geïsoleerd, aan worden toegevoegd.

Figuur 7.1

Gebieden no-regret maatregelen

Capaciteit van het elektriciteitsnet In veel kernen van Berg en Dal zullen veel woningen in de toekomst op basis van all electric aardgasvrij worden. De bij all electric noodzakelijke elektrische warmtepompen hebben bij grootschalige toepassing een zodanige

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

31

impact op het elektriciteitsnet, dat dit alleen na verzwaring van de capaciteit van het elektriciteitsnet mogelijk is. Daardoor bepaalt het tempo waarin de capaciteit van het elektriciteitsnet in Berg en Dal wordt verzwaard ook in grote delen van Berg en Dal het tempo waarin woningen aardgasvrij kunnen worden gemaakt. In afstemming met de netbeheerder Liander zal daarom de toepassing van all electric in de periode tot 2030 alleen worden gestimuleerd in gebieden met een jongere woningvoorraad en een recenter aangelegd elektriciteitsnet. In die gebieden beschikt het elektriciteitsnet nu al over relatief meer capaciteit. In Groesbeek en Millingen aan de Rijn zijn dergelijke uitbreidingsgebieden aanwezig. In totaliteit liggen in de aan te wijzen gebieden in Groesbeek en Millingen circa 600 particuliere woningen. Daarnaast is de verwachting dat voor een deel van de nieuwbouw tot 2030 ook gebruik wordt gemaakt van individuele oplossingen. Mogelijk dat het toepassen van buurtbatterijen bij kan dragen aan het ontlasten van het elektriciteitsnet. Figuur 7.2

Stimuleringsgebieden all electric tot 2030

Communicatie en proposities In het algemeen is de energietransitie een complex technisch en financieel vraagstuk waaraan veel onzekerheden voor woningeigenaren zijn verbonden. Daarom is een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle transitie dat particuliere woningeigenaren van meet af aan worden geïnformeerd, gedurende het proces worden gefaciliteerd en zoveel mogelijk worden ontzorgd. De overheid (rijk en gemeente) kan hierin een randvoorwaarden scheppende rol vervullen door een goede communicatie te voeren en via het Loket Duurzaam Wonen Plus een aanspreekpunt neer te zetten om te ondersteunen, adviseren en informeren. We willen ook in samenwerking met inwoners van onze gemeente randvoorwaarden creëren waardoor lokale of regionale marktpartijen (bouwers en installatiebedrijven) in staat zijn dienst- en productpakketten te ontwikkelen die techniek, comfort en financiële zekerheid en uitvoering met elkaar kunnen verbinden.

7.1

Op weg naar aardgasvrij op drie sporen

Onder de huidige wet- en regelgeving kan het individuele huishouden zelfstandig bepalen op welk moment welke stappen worden gezet. Collectieve oplossingen zijn gericht op het benutten van schaalvoordelen, die alleen ontstaan bij voldoende deelname. In gebieden waar een collectieve oplossing mogelijk is, kan de individuele keuzevrijheid het kunnen benutten van die schaalvoordelen teniet doen. De invoering van de Wcw en de Omgevingswet brengt daar verandering in.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

32

De routekaart voor de strategie van deze warmtetransitie visie is opgebouwd uit drie sporen, te weten: 1

Gemeentebreed spoor a b

Stimuleren van toepassen van no-regret maatregelen door particuliere eigenaren. De ‘lokale markt’ stimuleren om proposities te ontwikkelen die het voor bewoners aantrekkelijk maken om deze no-regret maatregelen via collectieve campagnes uit te voeren.

2

Gebiedsgericht spoor met als doel realisering van het gebruik van duurzame energie door: a b

de haalbaarheid te onderzoeken van collectieve oplossingen in de aangewezen gebieden; te onderzoeken of en onder welke condities eigenaarschap en zeggenschap over de exploitatie in handen kan worden gelegd van de bewoners in dat gebied (coöperatie of Buurt Energie Systeem).

3

Individueel spoor met als doel realisering van het gebruik van duurzame energie door: a

individuele huishoudens in aangewezen gebieden zelf te laten bepalen op welke wijze en moment zij hun woning aardgasvrij maken;

b

te onderzoeken in hoeverre ‘de markt’ via het aanbieden van ‘pakketten’ eigenaren daarbij kan faciliteren en ontzorgen.

Tabel 7.1 Routekaart tot 2030 Spoor

Actie tot 2030

Gemeentebreed

 

Isoleren van onvoldoende verduurzaamde particuliere woningvoorraad voor 1992 Stimuleren hybride oplossingen woningvoorraad vanaf 1992 buiten aangewezen gebieden voor collectieve oplossing of stimulering all electric

Faciliteren dat ten behoeve van isoleren en hybride oplossingen via ‘de markt’ een collectief aanbod beschikbaar komt

Gebiedsgericht

Kleinschalige collectieve netwerken 

In aangewezen gebieden particuliere woningvoorraad en corporatiebezit buiten gebieden grootschalige netwerken

Grootschalige collectieve netwerken

Individueel

LT-netwerk in Ooij, MT warmte op 700C door inzet van HT-warmtepomp

LT-netwerk in Breedeweg, MT warmte op 700C door inzet van HT-warmtepomp

All electric oplossingen in aangewezen gebieden

Faciliteren dat ten behoeve van isoleren en hybride oplossingen via ‘de markt’ een collectief aanbod beschikbaar komt

Het individuele spoor hoeft overigens niet te betekenen dat die inwoners waarvoor dat spoor geldt het zelfstandig moeten doen. Door inwoners te faciliteren en zoveel mogelijk te ontzorgen en door samenwerking kan een individuele oplossing toch een collectief karakter krijgen.

7.2

Routekaart tot 2030

Met behulp van de hiervoor benoemde drie sporen wordt in onderstaande tabel aangegeven welke maatregelen we tot 2030 willen uitvoeren. Bedrijven die gevestigd zijn in buurten met een mix van woningen, winkels en kantoren gaan gelijk op met de rest van de buurt. Zij krijgen hetzelfde warmtealternatief als de woningen. Voor bedrijventerreinen, industrieterreinen en kantorenparken zijn aparte plannen nodig om tot een warmtealternatief te komen. Het doel is om in de warmtetransitie van bedrijventerreinen zoveel mogelijk aan te sluiten op natuurlijke (gebieds)ontwikkelingen van de bedrijventerreinen zelf.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

33

De routekaart tot 2030 en de in tabel 5.1 beschreven kansrijke onderzoekscenario’s zijn in figuur 7.3 samengevat in de op basis van de huidige inzichten beschikbare opties om Berg en Dal tot 2050 aardgasvrij te maken.

Figuur 7.3

7.3

Routekaart tot en na 2030

Transitiepaden

Op basis van de hiervoor geschetste routekaart kunnen eigenaren van gebouwen diverse routepaden op weg naar een aardgasvrij gebouw volgen.

Figuur 7.4

Transitiepaden op weg naar een aardgasvrij Berg en Dal

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

34

Transitiepad all electric Dit transitiepad kent voor de jonge woningvoorraad (na 1991) in de aangewezen gebieden een directe overstap naar all electric. Maar voor de overige woningvoorraad geldt dat deze woningen eerst voldoende geïsoleerd moeten worden en daarna, eventueel via een tussenstap via een hybride warmtepomp, de overstap naar all electric maken op het moment dat het elektriciteitsnet over voldoende capaciteit beschikt. Een alternatieve route is dat men de woning isoleert en daarna, als de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk het toelaat, overstapt op all electric. Transitiepad collectief net Een tweede belangrijk transitiepad volgt het spoor waarbij de woning eerst voldoende is of wordt geïsoleerd. Afhankelijk van de periode die nog resteert om het collectief warmtenet operationeel te laten zijn, wordt al dan niet gekozen voor het gebruik van een hybride warmtepomp.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

35

8

Kosten en betaalbaarheid

In het Klimaatakkoord staat dat de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Het nieuwe kabinet zal de komende periode middelen vrij moeten maken om gemeenten te ondersteunen bij de transitie naar aardgasvrije gebieden. Subsidie- en financieringsconstructies kunnen de drempel tot het treffen van verduurzamingsmaatregelen voor bewoners een stuk verlagen.

8.1

Startanalyse PBL

Door het PBL is een zogenaamde Startanalyse gemaakt als hulpmiddel voor gemeenten bij het ontwikkelen van de TVW. Deze Startanalyse geeft informatie over vijf strategieën om gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Deze resultaten worden afgezet ten opzichte van het referentiebeeld 2030. Dat geeft een raming van hoe de energievraag, kosten en CO2-uitstoot van de warmtevoorziening zich ontwikkelen in een situatie zonder dat er maatregelen worden genomen, maar met veranderingen in energiekosten en rekening houdend met het effect van veranderende temperaturen door klimaatverandering. Deze gegevens hebben we gebruikt om te beoordelen hoe de nationale meerkosten van de in Berg en Dal relevante transitiestrategieën zich verhouden ten opzichte van de rest van Nederland. Met als doel een eerste indicatie te krijgen over de vraag of de toepassing van bepaalde strategieën in Berg en Dal duurder of goedkoper is dan elders. Voor een aantal gebieden zijn volgens onze analyses meerdere opties mogelijk. De becijferingen van de Startanalyse bieden de mogelijkheid een eerste indicatie te geven over de te verwachten financiële effecten van die opties.

8.2

Maatschappelijke kosten voorkeurstechnieken

Op basis van de Startanalyse PBL hebben wij in deze TVW per gebied een analyse gemaakt van de opties die wij in Berg en Dal zien om woningen aardgasvrij te maken. We hebben beoordeeld hoe die kosten in de Startanalyse voor Berg en Dal zich verhouden ten opzichte van de rest van Nederland. Individuele oplossing De individuele oplossing is het meest voorkomende onderzoekscenario in Berg en Dal. Zoals uit figuur 7.1 in bijlage 7 blijkt, zijn de gemiddelde nationale meerkosten voor individuele oplossingen in Berg en Dal nagenoeg gelijk aan het gemiddelde in heel Nederland. Overheersende kosten in beide scenario’s zijn de kosten voor verduurzaming van de schil en de gebouwinstallaties. In buurten in het buitengebied en het bedrijventerrein Hulsbeek blijken volgens deze becijferingen de investeringen in het verzwaren van het elektriciteitsnet en verwijderen van het gasnet significant hoger dan in de andere gebieden. Kosten die overigens niet door de eigenaren in die gebieden hoeven te worden gedragen. Collectieve netten op basis van wko Een warmtenet met LT-bron opgewaardeerd naar 70°C sluit aan bij de voorgestelde onderzoeksoptie Breedeweg. De voor Breedeweg becijferde nationale meerkosten zijn lager dan het landelijk gemiddelde en ook relatief laag ten opzichte van het gemiddelde in Berg en Dal.

Een warmtenet met wko-TEO aangeleverd op 70°C sluit aan bij het voor Ooij en Millingen voorgestelde onderzoekscenario. Deze strategie vertoont volgens de Startanalyse in Berg en Dal lagere nationale meerkosten dan het landelijk gemiddelde. De gebieden Ooij en Millingen scoren ook binnen Berg en Dal relatief gunstig. De hoogte van de nationale meerkosten is vergelijkbaar met de individuele oplossing. Daarbij moet wel worden aangetekend dat aan de aanleg van een collectieve oplossing op basis van wko meer onzekerheden zijn verbonden.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

36

Collectieve netten op basis van geothermie De gebruikte strategieën sluiten aan bij de optie waarbij de dicht bij Nijmegen gelegen kernen aansluiten op het netwerk van Nijmegen. De resultaten van de Startanalyse ondersteunen onze visie dat doortrekken van een geothermienet naar grote delen van Berg en Dal financieel niet haalbaar is. De kernen waarvoor we dit onderzoekscenario wel voorstellen, scoren met uitzondering van Beek West en Heilig Landstichting daarin relatief gunstig. De berekeningen in de startanalyse kennen nog veel onzekerheden. Daarom sluiten we deze kernen op basis van deze berekeningen nu nog niet uit. Maar afgezet tegenover de nationale meerkosten van individuele oplossingen zijn deze kosten voorlopig nog zeer hoog (factor 3) en zijn de onzekerheden ook nog relatief groot. Collectieve netten op basis van biogas en waterstof Voor biogas en waterstof geldt op basis van de berekening in de Startanalyse dat de nationale meerkosten voor biogas en waterstof lager zijn dan de all electric oplossing. Verzwaring van het elektriciteitsnet en verwijderen c.q. aanpassen van het gasnet zijn volgens de Startanalyse nihil. Alleen investeringen ten behoeve van het verduurzamen van de schil en aanpassingen in de gebouwinstallatie zijn noodzakelijk. Ten opzichte van deze scenario’s dalen noodzakelijke investeringen verder als alleen tot label D wordt geïsoleerd.

De verschillen tussen de buurten worden met name veroorzaakt door de samenstelling van de bebouwing waardoor de schilmaatregelen per buurt aanzienlijk verschillen. De relatief lage kosten maken dat biogas en waterstof veelvuldig als alternatieve opties worden genoemd. Maar zoals eerder aangegeven, bestaat nog grote onzekerheid over de beschikbaarheid van beide energiedragers. En bij biogas vormen daarnaast ook de milieuaspecten een belangrijke rol bij de afweging om deze energiedrager wel of niet op grotere schaal in te zetten.

8.3

Betaalbaarheid van de warmtetransitie

Wat uiteindelijk de kosten voor de individuele woning- en gebouweigenaren zullen zijn, weten we op dit moment nog niet. Dit hangt ook af van een aantal factoren. 

Het type gebouw: de oppervlakte en het aandeel buitenmuren van een woning zijn van invloed op de investeringskosten en maandlasten.

De huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van de woning en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie).

Het warmtealternatief: het ene alternatief zal duurder zijn dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in de woning (all-electric: isolatie, installatie), in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten de woning (warmtelevering: infrastructuur). Daarmee komen de investeringen bij verschillende partijen terecht.

Ook zijn er externe factoren die de kosten van verduurzaming van een gebouw beïnvloeden, waarvan de belangrijkste marktwerking is. De Transitievisie Warmte wordt om de vijf jaar herzien. Gedurende die periode kunnen er ook op de markt dingen veranderen, waar we dan rekening mee kunnen houden.

Globaal is becijferd dat wanneer alle woningen in Berg en Dal worden verduurzaamd tot minimaal label D, de gemiddelde investering per te isoleren woning € 6.700 exclusief subsidie bedraagt. Bij verduurzamen naar B stijgt de gemiddelde investering per te isoleren woning naar € 17.500,- exclusief subsidie en energiebesparing. Maar per individuele woning kan dit investeringsbedrag zowel naar boven als beneden fors afwijken. De subsidies en energiebesparing zijn op dit moment onvoldoende om deze investering rendabel te laten zijn. Het is noodzakelijk dat de subsidiemogelijkheden voor particuliere huiseigenaren door het Rijk worden verruimd. Tegelijkertijd is het ook noodzakelijk om via een heldere communicatie, faciliteren van eigenaren en ontwikkelen van aantrekkelijke proposities voor huiseigenaren hen de verleiden om hun huizen verder te isoleren.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

37

8.4

Conclusies

De becijferingen uit de Startanalyse van PBL ondersteunen de voorgestelde onderzoekscenario’s voor de verschillende gebieden in deze TVW, met uitzondering van de toepassing van geothermie. De financiële haalbaarheid van deze optie schatten wij op basis van de huidige inzichten laag in. Aan de andere kant geldt dat de alternatieven in die gebieden relatief duur zijn (all electric) of nog grote onzekerheid bestaat over voldoende beschikbaarheid (biogas en waterstof). Om voldoende draagvlak te kunnen creëren voor de warmtetransitie, is oplossing van het vraagstuk van de betaalbaarheid essentieel. Daarvoor is voldoende financiële steun van het Rijk onontbeerlijk. De Startanalyse doet geen uitspraken over de verdeling van de kosten tussen partijen. In figuur 7.5 is schematisch aangegeven hoe die verdeling er normaliter uitziet. De kosten voor isoleren van de particuliere gebouwen worden gedragen door de particuliere huiseigenaren. In onze aanpak stellen we voor om particuliere eigenaren van oudere woningen (< 1992) te stimuleren vooruitlopend op het aardgasvrij maken om hun woning beter te isoleren. Uitbreiding van het financiële pakket door het Rijk is noodzakelijk om: 

de oudste/slechtst geïsoleerde woningen en andere gebouwen/woningen aardgasvrij te maken;

de meest kwetsbare doelgroepen, zoals starters of mensen met weinig of geen investerings- of financieringscapaciteit, te ondersteunen.

Figuur 8 .1

Rolverdeling bij de warmtetransitie

Over de (financiële) haalbaarheid van transitiestrategieën kan in deze fase van het proces nog geen afdoende duidelijkheid worden gegeven. Bij het opstellen van de Uitvoeringsplannen zullen deze belangrijkste criteria zo vroeg mogelijk in ogenschouw worden genomen.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

38

9

Participatie- en communicatiestrategie

De warmtetransitie vraagt betrokkenheid van iedereen in Berg en Dal. Welke rollen de belangrijkste stakeholders vervullen bij het vervolg van het proces beschrijven we hieronder.

9.1

Rollen van stakeholders bij vervolg van het proces

Bewoners en bedrijven In eerste instantie beslissen eigenaren van gebouwen zelf over de maatregelen in hun woning of gebouw. Door het delen van kennis en ervaringen kunnen ze ook een belangrijke rol vervullen in het creëren van draagvlak. Die kennis en ervaring kunnen ze ook benutten om samen met buren of de buurt gemeenschappelijk stappen te zetten. Zo stelt het Klimaatakkoord dat gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie door de lokale omgeving (inwoners en bedrijven). Initiatieven als de oprichting van een coöperatie, zoals een Buurt Energie Systeem, bieden mogelijkheden om als lokale partij samen te werken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie. Bewoners kunnen besluiten tot gezamenlijke inkoop van diensten of producten. Als gemeente willen we het ontstaan van dergelijke initiatieven stimuleren en waar mogelijk faciliteren. In andere gemeenten hebben bewoners zich verenigd (onder andere Energiehuis Slim Wonen regio Helmond en de Groene Vogel in de gemeente Leudal) om hun eigen medebewoners op professionele basis te adviseren over energiebesparing en energieneutraal worden. Lokaal aanwezige kennis wordt zodoende ontsloten ten behoeve van de samenleving.

Zo’n initiatief kan in samenwerking met de gemeente een rol vervullen bij het stimuleren en faciliteren van de ontwikkeling door het bedrijfsleven van aantrekkelijke proposities voor isoleren en aardgasvrij maken van woningen voor inwoners. Op basis van de resultaten van het participatieproces vinden wij het onderzoeken van deze optie waardevol. Lokale en regionale marktpartijen De warmtetransitie biedt kansen voor het bedrijfsleven van Berg en Dal dat actief is in de installatie- en bouwsector. Zij voeren de warmtetransitie voor een groot deel uit. Als gemeente willen we hierin, eventueel ook in regionaal verband, op verschillende manieren een faciliterende rol vervullen. 1

Condities scheppen voor het organiseren van de verduurzamingsmarkt in Berg en Dal De gemeente maakt de uitvoering en de vraag naar isolatie en installaties inzichtelijk op basis van de hiervoor beschreven route en fasering. Deze aanpak werkt de gemeente in samenwerking met de bewoners verder uit.

2

Samenwerking stimuleren tussen de verschillende ketenpartners in de markt Het helpt als gebouweigenaren worden ontzorgd met maatwerkadvies over de - combinatie van de - juiste maatregelen, subsidie- en de financieringsmogelijkheden. Hiervoor is nodig dat de betrokken disciplines (adviseurs, ontwerpers, installateurs en ondernemers) in nauw verband met elkaar en met het Loket Duurzaam Wonen Plus samenwerken. Zo’n ‘één-loketsysteem’ of het ontwikkelen van een integraal arrangement is iets dat we de komende periode willen uitwerken. Een bewonersinitiatief, kan in zo’n proces mogelijk een onafhankelijke (advies)rol vervullen.

3

Financieringsinstrumenten ontwikkelen voor gebouweigenaren Aanbieders van financiering (bijvoorbeeld hypotheken) en makelaars moeten pandeigenaren actief wijzen op de mogelijkheid om verduurzaming mee te financieren. De gemeente zal lokale aanbieders hiertoe stimuleren om zo het momentum goed te benutten. Daarnaast biedt de gemeente zelf een financiering aan met de Toekomstbestendig Wonen-lening.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

39

De woningcorporaties Woningcorporaties Oosterpoort (circa 3.575 woningen) en Waardwonen (circa 825 woningen in Millingen aan de Rijn) zijn de grootste woningeigenaren in Berg en Dal. Collectieve warmtenetten zijn, vanwege de omvang van hun woningbezit, financieel alleen haalbaar als de corporaties hun bezit daar op aansluiten. Hun huidige woningbezit zal in de komende jaren via schilmaatregelen of sloop/nieuwbouw verduurzaamd zijn. De mogelijkheden in Berg en Dal voor het toepassen van collectieve warmtesystemen beperkt zich waarschijnlijk tot een aantal gebieden. In die gebieden blijft afstemming tussen corporaties en gemeente nodig over de wijze waarop woningen in de toekomst van warmte en koude worden voorzien. De corporaties hebben behoefte aan duidelijkheid en zekerheid over de warmteoplossingen om hun investeringsbeslissing bij nieuwbouw en vervanging van bestaande binnenhuisinstallaties in die gebieden daarop af te kunnen stemmen. No-regret maatregelen, zoals beter isoleren van de woning of toepassen van hybride warmtepompen, kunnen worden ingezet om de periode waarin die duidelijkheid nog niet kan worden gegeven te overbruggen. De netbeheerder Deze visie biedt netbeheerder Liander een eerste inzicht in de impact op de energie-infrastructuur in Berg en Dal. De samenwerking met Liander is bij de verdere uitwerking van de TVW richting de (wijk)uitvoeringsplannen nodig.

Het vergoten van de mate van concreetheid en zekerheid van ontwikkelingen is noodzakelijk voor de benodigde investeringen in de energie-infrastructuur. De netbeheerder kan de gemeente helpen om het aantal aardgasvrije panden te monitoren. Het waterschap Het waterschap Rivierenland blijft betrokken bij de verdere uitwerking van de TVW in Uitvoeringsplannen. In Breedeweg als eigenaar van de RWZI, die als restwarmtebron voor de onderzoeksoptie LT-netwerk in is voorzien. Het waterschap is ook betrokken wanneer er kansen in de gemeente zijn op het gebied van aquathermie. Rijkswaterstaat Voor de onderzoeksopties Ooij en Millingen zal Rijkswaterstaat, als eigenaar en beheerder van de Rijn, betrokken worden bij het onderzoek. Rijkswaterstaat heeft de zeggenschap over het gebruik van dit water voor het onttrekken van warmte of koude. Provincie De provincie is bevoegd gezag met betrekking tot regels stellen ten behoeve van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Dit met het oog op de waterwinning in aangewezen gebieden. De provincie is daarom ook bevoegd gezag voor het verlenen van wko-systemen met een debiet vanaf 10 m3/h. De rol van de gemeente De aangekondigde nieuwe Warmtewet dicht bij de ontwikkeling van warmtenetten een rol toe aan gemeenten.

De gemeente heeft de keuze om de ontwikkeling van een collectief warmtenet aan marktpartijen over te laten of om er zelf actief in te participeren of een tussenvorm te kiezen. Hierover wordt in deze eerste TVW nog geen keuze gemaakt. De gemeente kan daarbij in beginsel kiezen uit de volgende rollen. 

Facilitator: stimuleren en faciliteren van initiatieven van marktpartijen en/of burgerinitiatieven.

Partner: samenwerken met externe partijen.

Aanbesteder: selecteren van een marktpartij op basis van een concessie.

Opdrachtgever/zelf doen: eigen warmtebedrijf oprichten.

De rol van facilitator en/of aanbesteder sluit op basis van de huidige inzichten het beste aan bij de visie van de gemeente Berg en Dal, maar de beide andere rollen kunnen op dit moment nog niet worden uitgesloten.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

40

9.2

Participatie- en communicatiestrategie

Participatie is een essentiële voorwaarde voor het realiseren van de warmtetransitie. De door de gemeenteraad Vastgestelde Nota participatie vormt de leidraad voor de inrichting van het participatieproces bij het vervolg van de warmtetransitie. Uitgangspunt bij de uitvoering is dat inwoners, bedrijven en andere stakeholders betrokken partners worden. Daarom willen we de bij de uitvoering van de warmtetransitie de betrokken partners al betrekken bij het vormgeven van het participatie- en communicatieproces. Bij het vervolg van de TVW worden drie sporen onderscheiden, zie ook tabel 9.1. Per spoor zal de inrichting van het participatie- en communicatieproces verschillend zijn, omdat het doel en de partners per spoor verschillend zijn. Bij het inrichten van het participatie- en communicatieproces behoren een aantal essentiële vragen beantwoord te worden. 

Wie is de eigenaar en/of regisseur van het proces?

Welke middelen zijn beschikbaar om het proces uit te kunnen voeren?

Wie stelt de plannen vast?

Voor het gemeentelijke en individuele spoor treedt de gemeente bij de start van het proces van opstellen van de plannen als regisseur van het proces op. Die rol kan gedurende het proces worden overgenomen door het bedrijfsleven, dat daarmee ook eigenaar van het verdere proces wordt. De gemeente treedt dan terug in de rol van facilitator of partner met het Loket Duurzaam Wonen Plus als aanspreekpunt. Als bij het gebiedsgerichte spoor lokale initiatiefnemers bereid zijn ‘de kar te trekken’, worden zij regisseur en eigenaar van het proces. Waar mogelijk wil de gemeente dat proces stimuleren en enthousiasmeren. Als er geen lokaal initiatief ontstaat zal de gemeente in eerste instantie dit proces regisseren en moet zich gedurende het proces uitkristalliseren wie die rol overneemt van de gemeente. Inschakeling van de markt kan eventueel ook via een formele tenderprocedure. De deelnemers aan de denktank bewoners hebben uitgesproken dat zij het bij het verder onderzoeken van het gebiedsgerichte spoor belangrijk vinden dat bewoners samen met adviseurs en potentiële toekomstige exploitanten de haalbaarheid van opties onafhankelijk kunnen onderzoeken. Zij verwachten dat daardoor een zo goed mogelijke afweging van alternatieven voor en door de bewoners ontstaat. Betrokkenheid van de gemeente in deze fase van het proces blijft overigens bestaan.

Immers, de resultaten van deze analyse worden vertaald in door de gemeenteraad te nemen besluiten. Voor het individuele spoor blijft de gemeente eigenaar van het proces en is de inzet van de gemeente vooral gericht op communicatie. Als het voor dit spoor ook lukt om het bedrijfsleven proposities voor eigenaren te ontwikkelen, kan het bedrijfsleven ook hier eigenaar van dat proces worden en treedt de gemeente terug in de rol van facilitator en/of partner met het Loket Duurzaam Wonen Plus als aanspreekpunt.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

41

Tabel 9.1 Doelen en rollen bij participatie en communicatie sporen TVW Sporen

Doel

(Potentiële) rollen

Gemeentebreed spoor

Participatie

Samen met partners ontwikkelen

Lokaal bedrijfsleven als producent

van proposities die voor

Loket Duurzaam Wonen Plus als

pandeigenaren aantrekkelijk genoeg

facilitator, aanspreekpunt en

zijn om hun woning te isoleren of hybride oplossingen te installeren

informatiekanaal

Bewoners in de rol van (toekomstig) consument

Gemeente als regieverantwoordelijke

Communicatie

Bewustwording van de bewoner

Promoten van de producten

Het nemen van no-regret

Duurzaam Wonen Plus als

maatregelen

communicatiekanalen

Lokaal bedrijfsleven en Loket

Gebiedsgericht spoor

Participatie

Onderzoeken van de haalbaarheid

collectieve systeem

Communicatie

Belanghebbenden informeren over

Bewoners en bedrijven, corporatie en netbeheerder belanghebbende

Gemeente bij start regisseur

Samenwerkingsverband van

(resultaten) proces en impact die

betrokken stakeholders (gemeente

dat voor hen heeft

faciliteert dit eventueel)

Individueel spoor

Participatie

Niet van toepassing

Communicatie

Bewustwording van de bewoners

Financiering en subsidies

Onder de aandacht brengen van mogelijkheden

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

Loket Duurzaam Wonen Plus als informatiekanaal en aanspreekpunt

Lokaal bedrijfsleven als dienstverleners

42

10 Het vervolg In de komende jaren zetten we de eerste stappen met als doel om uiteindelijk in 2050 volledig aardgasvrij te zijn. In dit hoofdstuk beschrijven we op basis van welke uitgangspunten en hoe we dat willen doen.

10.1

Uitgangspunten bij het vervolg

Aan de deelnemers van de denktank bewoners is de vraag voorgelegd hoe belangrijk voor hen onderstaande uitgangspunten wegen bij het vervolg van het proces. 

Betaalbaar voor inwoners: iedereen kan meedoen en er is een eerlijke kostenverdeling.

Betrouwbaar en toekomstbestendig: de alternatieve warmtebron is betrouwbaar en beschikbaar in alle weersomstandigheden en ook in de toekomst wanneer het elektriciteitsnet bijvoorbeeld steeds zwaarder belast wordt.

Keuzevrijheid voor woningeigenaren: gebouweigenaren en bewoners worden altijd betrokken bij de keuze voor de warmtevoorziening in hun buurt of deelgebied.

Samenwerken van gemeente met inwoners, ondernemers en partnerorganisaties: we gaan samen aan de slag.

Duidelijkheid: we informeren op zorgvuldige en transparante wijze.

Inwoners kunnen meepraten en meedenken.

Een realistisch en planbare aanpak: stap voor stap gaan we aan de slag en al doende leren we.

Tussentijdse evaluaties en uitwisseling van ervaringen: werkt de aanpak naar behoren, zitten we op het juiste spoor, zijn er nieuwe inzichten, wat moet worden bijgesteld en wat kan beter en/of sneller.

Een flexibele warmtevisie: een visie die niet alles vastlegt in een eindbeeld, maar al gaandeweg kan worden aangepast.

Gezond en veilig: de overgang op alternatieve warmtebronnen verloopt veilig.

Duurzaam: met aandacht voor CO2-reductie en de Trias Energetica5.

Werk met werk maken: we koppelen werkzaamheden en kansen om overlast en kosten te beperken.

De leden van de denktank bewoners vinden van de twaalf uitgangspunten betaalbaarheid (1) en realistisch plannen (2) veruit het belangrijkst. Daarna scoren samenwerken (3), betrouwbaar en toekomstbestendig (4) en duidelijkheid (5) het hoogst.

10.2

Organisatie vervolg

Gemeentebreed spoor Het gemeentebreed spoor richt zich op het voorbereiden van woningen/gebouwen op aardgasvrije verwarming. Inwoners worden aangespoord om individueel of alvast stappen te zetten in de energiebesparing door gebouwen beter te isoleren en/of hybride warmtepompen te gebruiken. Daardoor daalt het energieverbruik, verlaagt de energierekening en wordt de woning comfortabeler. De gemeentebrede aanpak bestaat uit de volgende onderdelen. 

In samenwerking met de bewoners ontwikkelen van een support structuur voor eigenaren door het bedrijfsleven in samenwerking met het Loket Duurzaam Wonen Plus, die eigenaren door de verschillende fasen begeleidt.

Bieden van een handelingsperspectief voor pandeigenaren hetgeen helpt bij het maken van slimme keuzes (bijlage 6 is hiervoor een eerste aanzet).

5

1. Beperk de energievraag door rendabel te isoleren 2. Gebruik duurzame energie 3. Kies meest efficiënte energievoorziening.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

43

Gebiedsgericht spoor We willen in 2022 met het gebiedsgericht spoor starten in Ooij en met het uitvoeren van een quickscan in Millingen aan de Rijn. In Breedeweg willen we in 2025 starten met het opstellen van een Uitvoeringsplan. In deze Uitvoeringsplannen worden zowel het Onderzoekscenario als alternatieve scenario’s onderzocht. De eerste stappen in dit proces zijn het uitvoeren van haalbaarheidsonderzoeken en het opstellen van een Uitvoeringsplan. De gemeente trekt dit onderzoek. Als er sprake is van een buurtinitiatief, zal dit in samenwerking met het buurtinitiatief plaatsvinden. Het proces kent de volgende stappen. 1

Inventarisatiefase, waarin partijen bij elkaar worden gebracht en gegevens worden verzameld.

2

De gebiedsanalyse.

3

Bepalen van de optimale warmteoplossing waarin de diverse scenario’s met elkaar worden vergeleken.

4

Onderbouwen van de (financiële) haalbaarheid.

5

Besluitvorming.

In de buurten waarin een warmtenet een kansrijke optie is, die verder onderzocht zal worden, ziet het totale proces bij realisatie van een collectief warmtenet er globaal uit zoals in figuur 10.1 aangegeven. Dit traject kenmerkt zich door een stapsgewijze aanpak die hieronder wordt toegelicht. De precieze invulling ervan hangt sterk af van de definitieve Warmtewet (paragraaf 6.2) en invoering van de Omgevingswet.

Figuur 10.1

Proces ontwikkeling van een warmtenet

1

Deze TVW geeft aan voor welke buurt een warmtenet een mogelijke optie is. In de eerste fase van het

2

Ontwikkeling vindt via participatie samen met toekomstige afnemers en eindgebruikers plaats.

3

Als een warmtenet de beste optie is, stelt de gemeente in overleg met de participanten een warmtekavel

proces vindt verder onderzoek plaats naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van een warmtenet.

vast. Daarin staat de precieze afbakening en de bijbehorende voorwaarden voor de toekomstige exploitant (duurzaamheid, tariefstelling et cetera). 4

De exploitant6 van het warmtenet wordt aangewezen op basis van een kavelplan dat de gemeente vaststelt.

5-6. Het kavelplan wordt uitgewerkt en het Uitvoeringsplan wordt opgesteld. 7

Het wijkuitvoeringsplan wordt onderdeel van het omgevingsplan. In het omgevingsplan komen alle opgaven

8

Er volgt een concreet aanbod voor alle potentiële afnemers binnen het warmtekavel. De aanleg van een

in de buurt samen. warmtenet start hierna en gebeurt gefaseerd over een looptijd van gemiddeld acht jaar. Als bewoners de exploitatie van een collectief warmtenet zelf in de hand willen nemen, zullen zij zich moeten verenigen in een coöperatie, die een warmteleveringsbedrijf opricht. Dat warmteleveringsbedrijf zal dan als exploitatie worden aangewezen.

6 De exploitant kan hier ook een buurtcoöperatie (Buurt Energie Systeem) zijn.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

44

Voor de twee gebieden in Groesbeek en Millingen aan de Rijn willen wij de eigenaren stimuleren al voor 2030 over te stappen naar all electric. Voor Groesbeek willen wij daar direct mee starten. Voor Millingen aan de Rijn willen we eerst het resultaat van de quickscan afwachten. Mocht daaruit blijken dat een collectief haalbaar is, kunnen eigenaren dat in hun afweging betrekken. Individueel spoor Voor de gebieden waarvoor we in deze TVW alleen individuele opties zien, zullen we tot 2030 geen Uitvoeringsplan opstellen. In die gebieden is wel het gemeentebrede spoor van toepassing, maar worden geen plannen gemaakt om gebouwen aardgasvrij te maken.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

45

Bijlage 1 Overlegstructuur en participatieproces “We doen het samen! De gemeente Berg en Dal is er voor haar inwoners. Die inwoners vormen samen de gemeenschap Berg en Dal. Met elkaar zorgen we ervoor dat het goed wonen is in onze gemeente. Maar er verandert wel iets in de manier waarop we dat doen. De tijd dat de gemeente voor alles zorgde én over alles besliste is voorbij. Dat kan niet meer en dat willen we ook niet meer. U als inwoner vraagt en krijgt steeds meer zeggenschap. En zorgt steeds vaker zelf voor een goed woon-, werk- en leefklimaat. Voor uzelf en voor anderen. De gemeente wil hierbij een gelijkwaardige partner zijn. We willen ruimte geven aan uw initiatieven en u ondersteunen om dingen mogelijk maken” (Coalitieakkoord ‘Duurzaam verder bouwen’ 2018-2022).

1.1 Structuur van het project

Figuur bijlage 1.1

Organisatiestructuur tijdens opstellen TVW

1.2 Rollen in proces Gemeenteraad De gemeenteraad is verantwoordelijk voor de vaststelling van de TVW. College burgemeester en wethouders Het college is verantwoordelijk voor het vaststellen van het raadsvoorstel waarmee de TVW ter besluitvorming aan de gemeenteraad wordt aangeboden. Namens het college hebben de portefeuillehouders Duurzaamheid (Nelson Verheul) en Coördinatie thema duurzaamheid (Sylvia Fleuren) dit proces bestuurlijk aangestuurd. Projectgroep De projectgroep is verantwoordelijk voor het opstellen van de TVW en inrichten en uitvoeren van het participatieen communicatieproces naar bewoners en bedrijven. De projectgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de ambtelijke organisatie en de voor de opstelling van de TVW ingeschakelde externe adviseurs.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

46

Denktank stakeholders In de denktank stakeholder hebben vertegenwoordigers van Liander, Waterschap Rivierenland, de woningcorporaties Oosterpoort en Waardwonen en Loket Duurzaam Wonen Plus en de gemeente Berg en Dal meegedacht en bijgedragen aan de totstandkoming van de TVW. Op individueel niveau heeft verdere afstemming plaatsgevonden over de plannen van deze stakeholders en de voorstellen zoals die in deze TVW worden gedaan. Denktank bewoners De denktank bewoners is samengesteld uit individuele bewoners en vertegenwoordigers van organisaties die ten dele op uitnodiging van de projectgroep en ten dele naar aanleiding van een oproep zich hebben aangemeld om mee te denken over de inhoud van deze TVW. Webinar met paneldiscussie Op 13 september is een webinar gehouden, dat via omroep Berg en Dal bekeken kon worden door alle inwoners van Berg en Dal. In een bijeenkomst met inwoners, het Loket Duurzaam Wonen Plus, bedrijven die oplossingen kunnen aanbieden en wethouder Nelson Verheul zijn de mogelijkheden en kansen besproken die isoleren en verder verduurzamen van gebouwen bieden voor bewoners. Kijkers konden ook vragen stellen aan het panel.

1.3 Overzicht participatie- en communicatiemomenten Tabel bijlage 1.1

Participatie- en communicatiemomenten gedurende opstellen TVW

Wie

Wanneer

Algemeen

September 2021

Wat Paneldiscussie over de impact van de warmtetransitie voor inwoners en bedrijven in Berg en Dal. Deze is via tv-kanaal Berg en Dal uitgezonden.

Stakeholders

23 februari 2021

Bespreken eerste resultaten inventarisatie warmtebronnen en bebouwde omgeving.

20 april 2021

Bespreken conclusies over beschikbaarheid en opties warmtebronnen voor diverse kernen in Berg.

Bewoners

8 september 2021

Bespreken routekaart en vervolg uitvoering TVW.

17 mei 2021

Welke bronnen zijn beschikbaar, wat zijn opties voor de korte termijn en welke impact heeft de ruimtelijke en cultuurverschillen op de uitvoering.

13 september 2021

Webinar.

21 september 2021

De routekaart voor de TVW en het vervolg uitvoering TVW.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

47

Bijlage 2 Potentie warmtebronnen en technieken Wanneer we kijken naar de warmte-alternatieven voor aardgas, kunnen we deze onderverdelen naar temperatuurniveau. Warmtebronnen met een temperatuur onder de 40°C noemen we laagtemperatuurwarmtebronnen (LT). Deze warmte zal met een warmtepomp opgewaardeerd moeten worden om een woning mee te verwarmen. Warmtebronnen met een temperatuur boven de 70°C noemen we hoogtemperatuurbronnen (HT). Deze bronnen kunnen rechtstreeks in de woning toegepast worden. Warmtebronnen tussen deze temperatuurniveaus in, noemen we middentemperatuurbronnen (MT). Het is afhankelijk van de isolatiegraad van de woning of deze warmte rechtstreeks of via een warmtepomp ingezet kan worden. Het vastgestelde potentieel van de laagtemperatuurbronnen in de volgende paragrafen is de warmte die de bron leveren kan in combinatie met een warmtepomp. Voor aquathermie, ondiepe geothermie, wko en (laag- of middentemperatuur) restwarmte is uitgegaan van de toepassing met hoogtemperatuur collectieve warmtepompen, omdat dit de meest voorkomende combinatie is7. Het potentieel van de bodemlus (ondiepe bodemwarmte) is berekend op de toepassing met een individuele warmtepomp. 1 Omgevingswarmte Met omgevingswarmte bedoelen we de warmte in de buitenlucht.

Luchtwarmtepompen onttrekken warmte uit de buitenlucht en waarderen deze warmte elektrisch op naar een temperatuur van minimaal 40°C. Dit doet het onder een gunstig rendement; gemiddeld levert één deel elektriciteit, drie tot vier delen warmte op. Voor de luchtwarmtepomp neemt dit rendement af bij koude winters. De warmte wordt afgegeven in de woning via lucht of water (radiatoren). Bij een temperatuur van 40°C moet de woning goed geïsoleerd zijn om warmteverlies/-verval te beperken en ook bij koude winterdagen een comfortabel binnenklimaat te hebben. Voor alle nieuwbouwwoningen vanaf 2015 is de techniek, zonder aanvullende maatregelen, toepasbaar. Woningen die gebouwd zijn na 19928, zijn met beperkte maatregelen geschikt te maken voor toepassing van deze techniek. Dit betekent het vergroten van de oppervlakte aan warmteafgifte door middel van vloerverwarming of grotere radiatoren of convectoren en eventuele plaatsing van HR++ beglazing. Wanneer een pand oud is en het gecompliceerd en duur is om te isoleren tot een label A, kan worden gekozen voor een hybride warmtepomp, waarbij de piekvragen met (duurzaam) gas worden ingevuld. Het pand blijft bij een hybride warmtepomp dus aangesloten op het gasnet. De energiebesparing met een hybride warmtepomp is lager, maar de techniek kan een goede tussenstap zijn in de transitie naar aardgasvrij.

De potentie van omgevingswarmte is in principe ongelimiteerd. 2 Aquathermie Aquathermie is het benutten van warmte uit water. Op dit moment zijn er technieken beschikbaar of ontwikkeling voor de benutting van warmte uit oppervlaktewater (TEO), warmte uit afvalwater (TEA) en warmte uit drinkwater (TED). Onderstaand wordt op deze drie warmtebronnen nader ingegaan. 7

Voor de hoogtemperatuurwarmtenet-varianten is 20% aan (duurzaam)gas gerekend voor het opvangen van de piekvraag.

Voor de laagtemperatuurvarianten is 20% aan elektriciteit gerekend voor tapwaterverhitting. 8

In 1992 is in het Bouwbesluit een isolatiewaarde (Rc 2,5 voor gevel, ramen en vloer) vastgelegd voor nieuwbouw.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

48

2a

TEO

Bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit een rivier, kanaal of meer. In Nederland zijn open waterlichamen alleen in de zomer voldoende warm (>15°) om warmte aan te onttrekken. Er is daarom seizoensopslag nodig om de warmte in de winter te kunnen gebruiken. Dit wordt veelal gedaan in een wko-systeem (lees 4b). Ook bij TEO wordt een warmtepomp gebruikt om de warmte op te waarderen voordat het naar de woning gaat. TEO wordt meestal toegepast met een collectieve hoogtemperatuur warmtepomp en via een warmtenet naar de woningen/panden getransporteerd. Omdat TEO dus vraagt om 1) een warmtenet vanaf de waterbron, 2) opslag, 3) een warmtepomp en 4) een warmtenet naar de woning, is het een duur warmtealternatief. Alleen voor gebieden met hoge bebouwingsdichtheid en oude bebouwing waar geen andere hoogtemperatuurbron is, kan een hoogtemperatuur TEO warmtenet een goede optie zijn. In een dergelijk gebied is er geen ruimte voor individuele systemen en de kosten van isolatie liggen vaak te hoog om met een laagtemperatuurtechniek te verwarmen. Daarnaast wordt warmte uit oppervlaktewater benut om de thermische balans in een WKO te realiseren door toevoeging van warmte uit oppervlaktewater. Bij TEO is de locatie van de warmtebron van groot belang. Deze kan niet te ver liggen van de afzet, omdat er warmteverlies optreedt in het transport.

Daarnaast is een grotere afstand ongunstig voor de businesscase door een toename in de infrastructurele investeringskosten voor het warmtenet. Een afstand van 500 – 1.000 meter is algemeen aanvaard. Langs Berg en Dal stromen de Waal en de Rijn. Deze hebben voldoende warmtecapaciteit om (een groot deel van) de gemeente te voorzien van warmte. De theoretische potentie aan thermische energie uit oppervlaktewater in Berg en Dal is 1.300 TJ, dit staat gelijk aan ongeveer 329.000 woningen (STOWA, 2018). Hierbij is de limiterende factor van opslagcapaciteit (wko of buffervat) niet meegenomen. Deze potentie is voldoende om de volledige gemeente te voorzien van warmte. 2b

TEA

Bij thermische energie uit afvalwater wordt - zoals de naam doet vermoeden - warmte onttrokken aan afvalwater. Er zijn verschillende bronnen van afvalwater waarvan de grootste ons rioolsysteem. De warmte kan op verschillende plekken gewonnen worden, zoals rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), pompgemalen of rioolbuizen of bij de bron zelf zoals een productiebedrijf. TEA lijkt in vele opzichten op TEO, maar onderscheidt zich op één belangrijk punt: de temperatuur van het afvalwater is veel stabieler gedurende het jaar -12 graden in de winter tot 20 graden in de zomer bij de RWZI. Dit betekent dat opslag geen vereiste is. Korte termijn opslag is vaak wel een vereiste wanneer de momenten van afvalwaterproductie niet overeenkomen met de momenten van warmtevraag. Er zijn twee rioolwaterzuiveringsinstallaties in Berg en Dal: Millingen aan de Rijn en Breedeweg. De toekomst van de RWZI in Millingen is onzeker. Eventueel sluit deze binnenkort aan op de RWZI van Gendt. De potentie van de RWZI in Groesbeek is 23.000 GJ. Hiermee kunnen 570 woningen worden verwarmd. Gezien het bovenstaande concluderen we dat er weinig potentieel aan thermische energie uit afvalwater is in Berg en Dal. 2c

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11007573/1