Transitievisie warmte Berg en Dal
Tekst van het document
Berg en Dal aardgasvrij
Samen op weg naar een breed gedragen Transitievisie Warmte
[Typ hier]
Colofon
Datum 10 november 2021 Projectnummer DWA
19123
Opdrachtgever
gemeente Berg en Dal
Status Definitief Opdrachtgever Gemeente Berg en Dal (Gelderland) Mevrouw Moniek Daggenvoorde Postbus 20 Berg en Dal
Uitgevoerd in samenwerking door DWA B.V.
Roosemalen & Savelkoul
Strategis
Postbus 2073
Marskamp 64
Utrechtseweg 35
2800 BE Gouda
6741 SC Lunteren
3811NA Amersfoort
E-mailadres martijn.koop@dwa.nl Telefoonnummer 06 – 128 297 78 Auteurs Rianne Raat, Martijn Koop, Henk Savelkoul, William Roosemalen, Anne Dullemond Foto voorkant Berg en Dal Leden klankbordgroep en denktank Deze rapportage kwam tot stand dankzij de medewerking van een aantal belangrijke partners van de gemeente Berg en Dal in de warmtetransitie. Wij danken Oosterpoort, Waardwonen, Liander, Waterschap Rivierenland, Loket Duurzaam Wonen Plus en vele anderen voor de inbreng en constructieve feedback.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
2
Inhoudsopgave Voorwoord portefeuillehouder
5
Samenvatting
6
1
Inleiding
8
1.1
Op weg naar aardgasvrij in 2050
8
1.2
Een visie op de warmtetransitie
8
1.3
Positie en doel van de Transitievisie Warmte
9
1.4
De gemeente als regisseur: schakelen en verbinden
10
1.5
We doen het niet alleen
10
1.6
Leeswijzer
11
2.
Wie hebben meegedacht?
12
2.1 De belangrijkste stakeholders en hun rol
12
2.2
Invulling participatieproces
13
3
Uitgangspunten
14
4
Alternatieven voor aardgas
16
4.1
Van aardgas over op hernieuwbare energiebronnen
16
4.2
Marktrijpheid en geschiktheid voor woningen
18
5
De opgave in Berg en Dal
19
5.1
De warmtevraag en het aardgasverbruik
19
5.2
Woningen in Berg en Dal
20
5.3
Overige gebouwen in Berg en Dal
21
5.4
Beschikbare bronnen in Berg en Dal
22
5.5
Conclusie: inzetten op isoleren en een mix van oplossingen
23
6
Koppelkansen
25
6.1
Meekoppelen om ‘werk met werk te maken’
25
6.2
Koppelkansen met wijziging warmtewetgeving
28
6.3
Conclusie
28
7
De route naar aardgasvrij in 2050
30
7.1
Op weg naar aardgasvrij op drie sporen
32
7.2
Routekaart tot 2030
33
7.3
Transitiepaden
34
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
3
8
Kosten en betaalbaarheid
36
8.1
Startanalyse PBL
36
8.2
Maatschappelijke kosten voorkeurstechnieken
36
8.3
Betaalbaarheid van de warmtetransitie
37
8.4
Conclusies
38
9
Participatie- en communicatiestrategie
39
9.1
Rollen van stakeholders bij vervolg van het proces
39
9.2
Participatie- en communicatiestrategie
41
10
Het vervolg
43
10.1
Uitgangspunten bij het vervolg
43
10.2
Organisatie vervolg
43
Bijlage 1 Overlegstructuur en participatieproces
46
1.1 Structuur van het project
46
1.2 Rollen in proces
46
1.3 Overzicht participatie- en communicatiemomenten
47
Bijlage 2
Potentie warmtebronnen en technieken
48
Bijlage 3
Marktrijpheid technieken
54
Bijlage 4
Kaarten bij de routekaarttabel
55
Bijlage 5
Energiebesparing en isolatie
57
Bijlage 6
Handelingsperspectief gebouw- en woningeigenaren
61
Bijlage 7
Startanalyse PBL
65
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
4
Voorwoord portefeuillehouder
De Transitievisie Warmte………eenvoudiger verwoord: hoe willen we in Berg en Dal over van aardgas naar duurzame manieren van koken en verwarmen. Ik zeg bewust ‘we’. Samen met u als inwoner, woningbouwcorporaties, het Waterschap, Liander en andere belanghebbenden bepalen we hoe we dit gaan doen. Dat doen we stap voor stap. Belangrijk hierbij is dat het realistisch en betaalbaar is voor iedereen. En dat we iedereen – waar mogelijk - helpen; financieel, technisch en praktisch.
Hoe gaan we dit aanpakken? We doen dit samen, zoals hiervoor aangegeven. Sterker nog, de eerste stappen hebben we al met elkaar gezet. Zo hebben verschillende organisaties, energiecoöperaties, dorpsagenda’s en inwoners(initiatieven) al meegedacht met deze Transitievisie. Op hoofdlijnen hebben we samen de stappen richting aardgasvrij bepaald. Hoe gaan we verder? Samen met u en alle andere belanghebbenden gaan we nu per wijk en buurt kijken welke stappen we kunnen zetten, in welk tempo en hoe. Aan het Rijk hebben we om financiële ondersteuning gevraagd door mee te doen aan het ‘programma aardgasvrije wijken’. Met zo’n subsidie kunnen we een vliegende start maken.
Waarom stoppen met aardgas? Tijdens de klimaattop in Glasgow werd duidelijk dat echt iedereen wil dat onze kinderen, hun kinderen en de generaties daarna in een gezonde en veilige omgeving kunnen opgroeien. Daarom moeten we (de gevolgen van) de klimaatverandering verminderen of -in het meest ideale geval- stoppen. Extreme regenval zoals in Limburg, Duitsland en België in de zomer van 2021, maar ook andere weersextremen zoals de toenemende hitte, hebben enorme gevolgen. En die nemen toe. En de wereldwijde opwarming van de aarde levert veel (ernstige) problemen op, waarvan de stijgende zeespiegel voor ons land het meest bedreigend is. Daar komt bij dat we allemaal weten welke nare gevolgen de gaswinning in Groningen heeft. En we willen voor ons aardgas ook niet afhankelijk zijn van bijvoorbeeld Rusland. Kortom, de noodzaak is duidelijk net als dat we het samen moeten doen, rekening houdend met elkaars wensen, behoeften en meningen. Immers; samen maken we Berg en Dal.
Met duurzame groeten,
Nelson Verheul Wethouder Wonen, Ruimtelijke Ordening en Milieu
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
5
Samenvatting Om de klimaatverandering zoveel mogelijk af te remmen, bereiden we ons voor op een toekomst, waarbij woningen en andere gebouwen niet langer verwarmd worden met fossiele brandstoffen. Deze visie beschrijft over welke opties de gemeente Berg en Dal beschikt op weg naar een aardgasvrije gemeente in 2050. Die visie is opgesteld in een goede samenwerking met belangrijke stakeholders en bewoners. Hun bijdrage heeft wezenlijk bijgedragen aan de totstandkoming van deze nota. Een aantal in de startnotitie benoemde uitgangspunten zijn in deze visie uitgewerkt.
De Trias Energetica (energie beperken, maximaal gebruik duurzame bronnen en zo efficiënt mogelijk gebruik fossiele brandstoffen).
Het principe dat iedereen kan meedoen.
We willen zoveel mogelijk gebruik maken van de kracht van de lokale samenleving.
Flexibiliteit is, gezien de onzekerheden in de uitvoering, erg belangrijk.
Vooruit kijken en plannen maken voor een periode van dertig jaar is in onze dynamische wereld haast onmogelijk. Daarom weten we één ding zeker, namelijk dat de eindoplossing onder invloed van technologische- en andere omgevingsfactoren waarschijnlijk anders zal zijn dan in deze visie beschreven. Daarom is het erg belangrijk dat deze visie periodiek wordt herijkt. Minimaal om de vijf jaar, maar als daar aanleiding toe is ook eerder. Helaas zijn de condities voor de uitvoering van deze visie ook niet optimaal. Op belangrijke onderdelen moeten wet- en regelgeving nog worden vastgesteld of ingevoerd (Warmtewet en Omgevingswet). Helaas is nog onduidelijk en onzeker of voldoende middelen beschikbaar komen om deze visie uit te kunnen voeren. Daarnaast is het tempo waarin het vergroten van de capaciteit van het elektriciteitsnet in onze gemeente de komende jaren vorm krijgt van invloed op de snelheid waarmee op grotere schaal inwoners zelfstandig hun woning aardgasvrij kunnen maken. Daarom is in deze visie gekozen voor een aanpak die: 1
niet haalbare oplossingsrichtingen elimineert;
2
de resterende oplossingsrichtingen onderverdeelt in onderzoekscenario’s en alternatieve scenario’s of
3
primair inzet op de ‘geen spijt’ maatregelen (met name isoleren) die direct leiden tot verminderen van
4
via uitvoeringsplannen in de komende jaren de haalbaarheid van onderzoekscenario’s en mogelijke
5
rekening houdt met de beperkingen die de bestaande infrastructuur van het elektriciteitsnet helaas oplegt
tijdelijke oplossingen; energieverbruik en verhogen van het wooncomfort (gemeentebreed spoor); alternatieven in Ooij, Millingen en Breedeweg onderzoekt (gebiedsgericht spoor); aan het tempo waarin de transitie kan plaatsvinden en daarom het individueel spoor alleen zullen stimuleren in een beperkt aantal gebieden in Groesbeek en Millingen (individueel spoor). Communiceren, informeren, faciliteren en ontzorgen van onze inwoners zijn essentiële elementen in onze aanpak. Op basis van het participatieproces concluderen wij dat bij bewoners animo te bestaat om het initiatief te nemen om medebewoners te adviseren en begeleiden bij het proces van energiebesparing en energietransitie. Zo’n initiatief kan mogelijk ook samen met de gemeente het (lokale) bedrijfsleven stimuleren om in samenwerking met het Loket Duurzaam Wonen Plus pakketten te ontwikkelen. Pakketten waarvan onze inwoners bij het (verder) isoleren van hun woning en aanpassen van hun installaties in huis gebruik kunnen maken. Wij vervullen in de eerste fase de rol van aanjager en facilitator, maar dragen het stokje waar mogelijk zo snel mogelijk over aan die partijen.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
6
Als gemeente zullen we bij het gebiedsgerichte spoor starten als regisseur voor het opstellen van de uitvoeringsplannen. Inwoners en bedrijven zullen daar nadrukkelijk bij worden betrokken. Wanneer er zich tijdens dat proces lokale initiatiefnemers aanbieden, willen we daar zoveel mogelijk ruimte aan bieden en waar mogelijk de regierol overdragen aan de lokale initiatiefnemers. Het individuele spoor in de aangewezen gebieden hoeft niet te betekenen dat die inwoners het helemaal alleen moeten doen. Wij zullen hen via communicatie en informatie via het Loket Duurzaam Wonen Plus ondersteunen. En door het stimuleren van het ontstaan van een collectieve aanpak in het individuele spoor kunnen die inwoners zoveel mogelijk worden ontzorgd. De leden van de denktank bewoners hebben in de participatiebijeenkomsten aangegeven betaalbaarheid, realistisch plannen, samenwerken, betrouwbaar, toekomstbestendig en duidelijkheid de belangrijkste uitgangspunten bij het vervolg van het proces te vinden. Die uitgangspunten willen wij bij het vervolg van dit proces ter harte nemen. Een vervolg dat staat beschreven in de routekaart tot 2030. Die routekaart zullen wij iedere vijf jaar of zoveel eerder als noodzakelijk actualiseren.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
7
1
Inleiding
1.1
Op weg naar aardgasvrij in 2050
Vanuit de Europese, landelijke en onze eigen klimaatdoelstellingen bereiden we ons voor op een toekomst, waarbij woningen en andere gebouwen niet langer verwarmd worden met fossiele brandstoffen. Uiterlijk in 2050 moet dat doel zijn bereikt. In de aankomende 30 jaar worden alle woningen, bedrijven, kantoren en instellingen aangepast aan deze situatie. Dat klinkt nog ver weg, maar die tijd is echt nodig om samen onze woningen en andere gebouwen klaar te maken voor een aardgasvrije toekomst. Daarom willen we voor 2030 al de beweging richting aardgasvrij op gang brengen. Tot aan 2030 ligt de focus op energiebesparing en energiezuiniger maken van woningen. Maar waar zich mogelijkheden aandienen om woningen al aardgasvrij te maken, willen wij die kansen onderzoeken en zo mogelijk benutten. De energietransitie betekent de overgang van energiegebruik uit fossiele brandstoffen, zoals aardgas, naar duurzame energie uit zon, wind, water en bodem- en restwarmte. De warmtetransitie is onderdeel van de energietransitie. De warmtetransitie in Berg en Dal betekent het overgaan van circa 15.700 woningen en circa 593.000 m2 bruto vloeroppervlakte (bvo) niet-woningbouw op duurzame warmte en elektriciteit. Dit betekent dat er de komende jaren in fasen veel gebouwen van het aardgas afgaan.
Op welke manieren bewoners en ondernemers over kunnen stappen op andere warmte beschrijven we in deze Transitievisie Warmte (TVW). Daarbij leggen we de focus op de doelen en stappen die we nemen tot 2030, de voorzienbare toekomst. Het is een grote opgave, daarom starten we nu, zodat iedereen op een geschikt moment mee kan doen. In figuur 1.1 is de tijdlijn tot 2050 op hoofdlijnen weergegeven.
Figuur 1.1
1.2
Tijdlijn tot 2050
Een visie op de warmtetransitie
Ondanks dat de transitie naar aardgasvrij een opgave is voor heel Nederland, is Berg en Dal uniek en vraagt de transitie om maatwerk. De gemeente Berg en Dal omvat meerdere woonkernen en buurtschappen. Elk van deze kernen en buurtschappen heeft een rijke historie en een eigen karakter. Deze visie sluit aan op de unieke kenmerken van de gemeente en haar inwoners en zoekt de oplossingen die het beste zijn voor de verschillende kernen in Berg en Dal.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
8
In deze TVW voor Berg en Dal geven we richting aan hoe woningen en andere gebouwen in Berg en Dal in de toekomst verwarmd en gekoeld kunnen worden zonder aardgas. Daarnaast wordt er beschreven welke stappen hiervoor gezet kunnen worden vóór 2030. Het gaat hierbij om uitgangspunten en potentiële oplossingen, niet om definitieve beslissingen. In het volgende hoofdstuk (uitgangspunten) gaan we in op de uitgangspunten die bepalen waar we wel willen starten. Deze visie is geen statisch document en wordt elke vijf jaar of zoveel eerder als nodig herzien. Op deze manier is het goed mogelijk om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Goede ideeën van inwoners, de gemeente en bedrijven kunnen de TVW de komende jaren verder aanscherpen. Nieuwe technieken en ontwikkelingen in de omgeving kunnen ook bijdragen aan het actueel houden van de visie en de uitvoering.
1.3
Positie en doel van de Transitievisie Warmte
Deze TVW maakt onderdeel uit van drie documenten die we in het kader van het nationale Klimaatakkoord worden opgesteld, namelijk de Regionale Energiestrategie (RES), de Transitievisie Warmte (TVW) en de (Wijk)uitvoeringsplannen (WUP). Deze documenten hangen nauw met elkaar samen. De wettelijke grondslag komt in de nieuwe Omgevingswet. Hieronder lichten we de RES, TVW en WUP verder toe. Aandachtspunt hierbij is dat we in Berg en Dal in de TVW minder de nadruk op een wijkaanpak leggen, maar meer op de deelgebieden waar de meeste duurzaamheidswinst te bereiken is, met onder meer aandacht voor de inwoners met een kleine beurs. Regionale Energiestrategie - RES Er zijn in het Klimaatakkoord van het Rijk dertig regio’s aangewezen, die een Regionale Energiestrategie (RES) moeten opstellen. Berg en Dal maakt onderdeel uit van de RES regio Arnhem-Nijmegen. De RES voor ArnhemNijmegen is in maart 2021 afgerond. In de RES komt de bovenregionale afstemming om warmtebronnen te verdelen tussen regio’s en gemeenten aan bod. Daarnaast geeft de RES aan hoe gemeenten kunnen samenwerken voor de opwekking van duurzame elektriciteit en bevat het inzicht in hoe de regio de energieproductiecapaciteit voor de regio kan realiseren. In dat kader zijn bewoners in de grote kernen geraadpleegd over de vraag waar potentiële opweklocaties voor energie kunnen worden ontwikkeld.
Het bod dat in de RES is opgenomen bestaat voor circa 30% uit energie van zonnepanelen op daken. In de resterende behoefte aan duurzame elektriciteit moet via zonnevelden en windturbines worden voorzien. Een tweetal zoekgebieden voor zonnevelden in Berg en Dal zijn in de RES opgenomen. De TVW beperkt zich echter tot het onderdeel warmte. In de RES Arnhem-Nijmegen wordt geconcludeerd dat de regio als geheel voldoende potentie heeft voor de ontwikkeling van een regionale warmte-infrastructuur. In het concept bod van de regio werd nog gesproken over de inzet van warmte vanuit de bio-energiecentrale Cuijk naar Malden of Groesbeek. Op basis van de definitieve versie van de RES Arnhem-Nijmegen is die optie gezien de te overbruggen afstand en gebruik binnen de eigen regio niet uitvoerbaar. Ook aanwending van restwarmte van de ARN Weurt voor Berg en Dal is in de voor de MARN-regio uitgevoerde quickscan onhaalbaar gebleken Deze opties worden daarom in deze TVW verder buiten beschouwing gelaten. Als potentieel beschikbare warmtebronnen binnen de regio worden genoemd: ondiepe bodemenergiesystemen, geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) en restwarmte (onder andere thermische energie uit afvalwater, aangeduid als TEA). Die opties zijn verkend in deze TVW.
Uit de definitieve RES Arnhem-Nijmegen van maart 2021 blijkt dat geen van de warmtebronnen in de regio afzonderlijk voldoende potentieel heeft om alle woningen in de regio Arnhem-Nijmegen te verwarmen. Het is dus belangrijk dat er wordt ingezet op zo effectief en efficiënt mogelijk benutten en combineren van de aanwezige bronnen.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
9
Transitievisie Warmte - TVW Uiterlijk eind 2021 moet elke gemeente in Nederland een Transitievisie Warmte hebben vastgesteld. Daarin moet het tijdspad staan waarop wijken van het aardgas gaan. Dit tijdspad noemen wij de routekaart. Voor gebieden waarvan de transitie voor 2030 is gepland, staan in de TVW ook de potentiële alternatieve warmtebronnen en is er inzicht in de maatschappelijke kosten en baten en de integrale kosten voor de eindgebruikers. Het einddoel staat vast: geen gebruik meer van fossiele brandstoffen. Uitvoeringsplannen - UP De concrete uitwerking van het duurzame warmte-alternatief op wijk-/buurt-/gebiedniveau vindt plaats in het uitvoeringsplan (UP). Het door het Rijk gehanteerde begrip Wijkuitvoeringsplan sluit niet goed aan bij de ruimtelijke kernenstructuur van Berg en Dal. Wij spreken daarom van een Uitvoeringsplan. Een Uitvoeringsplan is een verdiepingsslag van deze TVW. Het UP definieert voor een op basis van (bouw)kenmerken van de bebouwde omgeving en/of te kiezen systeemoplossing logisch begrensd deelgebied van de gemeente. In het UP betrekt de gemeente bewoners, vastgoedeigenaren en andere stakeholders nauw bij de keuze voor de warmtebron en -techniek voor het betreffende gebied en legt vast op welk moment het gebied van het aardgas gaat. Samen maken we de keuze hoe het gebied wordt verduurzaamd op basis van wat technisch en financieel haalbaar is.
Hierin trekken wij samen op met actieve bewoners in het gebied, zoals een bewonersinitiatief of een energiecoöperatie.
1.4
De gemeente als regisseur: schakelen en verbinden
Alle inwoners, bedrijven, instellingen en andere partijen krijgen met de energietransitie te maken, maar geen enkele stakeholder kan deze transitie zelf en onafhankelijk van de ander doorlopen. Het Rijk heeft de belangrijke rol van regisseur van de energietransitie bij de gemeente neergelegd. Het met succes kunnen invullen van die rol is echter sterk afhankelijk van de condities die daarvoor met name door het Rijk zijn en worden geschapen. Het rapport ‘Warmtetransitie in de praktijk’ van het PBL (2021) heeft duidelijk gemaakt voor welke vraagstukken oplossingen moeten worden gevonden. De wettelijke kaders moeten via de nog vast te stellen Wet Collectieve Warmtevoorziening worden herijkt. Maar betaal- en financierbaarheid en ook de verdeling van lusten en lasten vormt ook een belangrijk vraagstuk. Vraagstukken die door de gemeente als regisseur van het proces alleen in goede banen kunnen worden geleid wanneer het Rijk de daarvoor benodigde kaders schept. De TVW geeft, onder de voorwaarde dat die (financiële) kaders de gemeente ook de mogelijkheid bieden om die regierol succesvol in te vullen, de gezamenlijke focus en richting die nodig is om aan de slag te gaan. Het maakt keuzes inzichtelijk, borgt een zorgvuldige politieke besluitvorming en plaatst lopende en nieuwe initiatieven in een centraal kader.
Dat vraagt om schakelen en verbinden: tussen overheid, bewoners en bedrijven, tussen individuele en collectieve mogelijkheden, en tussen schaalniveaus van regio tot woning. Het doel van de warmtetransitie mag dan duidelijk zijn, de uitkomst is dat niet. Transities verlopen niet lineair en vragen om flexibiliteit en maatwerk. Er bestaat geen kant-en-klare oplossing voor Berg en Dal, kennis en techniek ontwikkelen snel en er zijn veel onbeantwoorde vragen, zowel op technisch als maatschappelijk vlak. Onze uitdaging is dat we de diverse losse projecten bundelen om deze vervolgens te kunnen koppelen aan een gezamenlijke ambitie en een gedeeld belang. Dit schalen we vervolgens op, tot een visie voor de gemeente en met maatwerk per gebied.
1.5
We doen het niet alleen
De energietransitie is een opgave waarvoor intensieve samenwerking belangrijk en noodzakelijk is. Bij het opstellen van de Transitievisie Warmte Berg en Dal werkt de gemeente intensief samen met interne en externe stakeholders waaronder netbeheerder Liander, de woningcorporaties Waardwonen en Oosterpoort, waterschap Rivierenland en het Loket Duurzaam Wonen Plus.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
10
Vanuit de gemeente hebben medewerkers vanuit de beleidsvelden ruimtelijke ordening, wonen, openbare ruimte, sociaal domein en duurzaamheid meegewerkt. Parallel hieraan heeft de samenleving via de denktank inwoners/organisaties inbreng bij de totstandkoming van deze TVW kunnen leveren. In meerdere bijeenkomsten met verschillende deelnemers bespraken we ook met hen de beschikbare opties, de criteria om tot een selectie van gebieden te komen en de voorgestelde communicatie en participatie bij het vervolg De bijeenkomsten gaven de input voor de TVW. De indeling van de gebieden kan zijn op buurt-, dorps - of cluster van vergelijkbare bebouwing, afhankelijk van wat ruimtelijk en/of qua bouwtypologie gezien een voor de hand liggende indeling is. We werken dus gebiedsgericht.
1.6
Leeswijzer
In de volgende hoofdstukken bekijken we de gezamenlijk opgestelde uitgangspunten voor Berg en Dal. Deze zijn belangrijk voor het bepalen op welke wijze we van het aardgas af gaan. In hoofdstuk 2 lichten we toe welke rol de stakeholders bij de totstandkoming van deze TVW op welke wijze hebben vervuld. In hoofdstuk 3 beschrijven we welke uitgangspunten we bij de totstandkoming van de TVW hebben gehanteerd. In hoofdstuk 4 gaan we in op de alternatieven van aardgas: welke warmtebronnen zijn er nog meer en wat kenmerkt deze bronnen? In hoofdstuk 5 nemen we u mee in de opgave voor Berg en Dal. We analyseren de warmtevraag en de potentie van bronnen in de gemeente. In hoofdstuk 6 bespreken we welke koppelkansen er met andere werkzaamheden bij de uitvoering van de TVW zijn. In hoofdstuk 7 bespreken we de route naar een aardgasvrij Berg en Dal en de oplossingsrichtingen per deelgebied. Hoofdstuk 8 is gewijd aan het thema van de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor de verschillende doelgroepen en mogelijke instrumenten om de financiering te verbeteren. De warmtetransitie kan alleen succesvol verlopen als er draagvlak is voor de transitie. Hoofdstuk 9 gaat daarom over samenwerking, communicatie en participatie bij het vervolg van het proces. Het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 10, gaat over vervolgstappen. Hierin wordt antwoord gegeven op de vraag wat bewoners zelf al kunnen doen.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
11
2. Wie hebben meegedacht? Gedurende het gehele proces van totstandkoming van deze TVW heeft Covid-19 invloed gehad op de wijze waarop met de stakeholders is gecommuniceerd. In de praktijk heeft dat betekend dat alle bijeenkomsten via videovergaderen hebben plaatsgevonden. In de communicatie met de eigen en andere organisaties gaat dit doorgaans goed. De beperkingen zijn met name ondervonden in het contact met de samenleving. In de praktijk betekent dit, dat de contacten met de bewoners en bedrijven tijdens het proces minder intensief, maar vooral ook later dan gepland in het proces hebben plaatsgevonden. Bij de uitwerking van deze TVW in Uitvoeringsplannen zal hier een inhaalslag moeten worden gemaakt.
2.1 De belangrijkste stakeholders en hun rol De warmtetransitie is een collectieve opgave die vraagt om bundeling van kennis, investeringen en belangen. De samenwerking van veel verschillende stakeholders en een brede participatie en communicatie is daarom belangrijk. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin de gemeente de regie heeft. Daarnaast staat de opgave niet op zich, maar maakt deel uit van de bredere energietransitie en klimaatopgave. Wie zijn de belangrijkste stakeholders in de warmtetransitie en welke rol(len) vervullen zij?
Allereerst is dat de gemeente Berg en Dal zelf. De gemeente heeft een regierol bij het opstellen van de Transitievisie Warmte. Vanuit het Klimaatakkoord hebben gemeenten de verantwoordelijkheid om eind 2021 een eerste transitievisie te hebben die door de raad is goedgekeurd. Tenminste iedere vijf jaar actualiseren gemeenten de transitievisie. Gemeenten kunnen de regierol op verschillende manieren invullen. Ook kunnen zij hun rol na verloop van tijd aanpassen. Er zijn verschillende invullingen van de regierol mogelijk, deze worden in de volgende paragraaf beschreven.
Ten tweede is netbeheerder Liander stakeholder. De netbeheerder is verantwoordelijk voor de aanleg en het onderhoud van de elektriciteits- en gasnetten. Aanpassingen van deze netten moeten aansluiten bij de keuzes die de gemeente maakt voor aardgasalternatieven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de doorlooptijd en ruimtelijke impact van de netaanpassingen. Dit maakt de netbeheerder een belangrijke stakeholder in de warmtetransitie. Liander beschikt daarnaast over data en kennis van energie, die kan helpen bij de te maken keuzes.
Berg en Dal maakt onderdeel uit van de RES regio Arnhem-Nijmegen. De RES is tot stand gekomen met medewerking van verschillende stakeholders. Gemeenten werkten hieraan samen met onder andere Provincie Gelderland en Waterschap Rivierenland als belangrijke samenwerkpartners. De provincie levert daarbij kennis en stelt financiële middelen beschikbaar. Het waterschap levert kennis aan en werkt mee aan onderzoeken naar het beschikbaar stellen van warmte uit oppervlakte- of afvalwater.
In gemeente Berg en Dal zijn Waardwonen en Oosterpoort belangrijke stakeholders. Beide corporaties verankeren duurzaamheid structureel in hun portefeuillestrategie. De juiste stappen op het juiste moment zetten in combinatie met betaalbaar wonen om daarmee de noodzakelijke CO2-reductie te bereiken vormen uitgangspunten van hun beleid. Een goede afstemming over belangrijke investeringsbeslissingen moet resulteren in voor de inwoners van Berg en Dal en de huurders van hun bezit zo goed mogelijke oplossingen voor het gasvrij maken van woningen.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
12
De warmtetransitie kan niet plaatsvinden zonder actieve participatie van bewoners en ondernemers. Zij moeten hun gedrag en woon- en leefomgeving (helpen) aanpassen aan de nieuwe realiteit. Daarnaast zijn steeds meer bewoners en ondernemers gemotiveerd om eigen verantwoordelijkheid te nemen voor duurzaamheid en duurzame warmte. Deze lokale initiatiefnemers zijn een belangrijke stakeholder in de warmtetransitie. Een voorbeeld daarvan is Millingen Energieneutraal, die als doel heeft Millingen energieneutraal te maken.
Tot slot is het Loket Duurzaam Wonen Plus een belangrijke stakeholder. Het energieloket is het gemeentelijke informatie- en adviesloket over energiebesparing en verduurzaming van woningen. De adviseurs helpen geïnteresseerden bij woonvragen en voorzien geheel belangeloos van duurzaam advies.
Bovenstaande is geen uitputtende lijst van stakeholders, gaandeweg de transitie naar aardgasvrij spelen vele andere stakeholders eveneens een rol. Geen enkele stakeholder kan deze transitie zelfstandig bereiken, samenwerking is daarom noodzakelijk.
2.2
Invulling participatieproces
In Bijlage 1 wordt een overzicht gegeven van de overlegstructuur zoals die tijdens de totstandkoming van de TVW is toegepast en de momenten waarop bewoners zijn betrokken.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
13
3
Uitgangspunten
In de in 2019 door de gemeenteraad vastgestelde startnotitie ‘Op weg naar een Transitievisie Warmte’ is een aantal uitgangspunten voor de Transitievisie Warmte bepaald. In deze TVW zijn die gezamenlijk met onze partners verder uitgewerkt. Deze vijf uitgangpunten staan centraal in de totstandkoming én uitvoering van de TVW voor Berg en Dal. In bijlage 1 leest u meer over de totstandkoming van de uitgangspunten. Iedereen kan meedoen De warmtetransitie kost geld. De startnotitie heeft als uitgangspunt geformuleerd dat betaalbaarheid en betrouwbaarheid voor de eindgebruiker voorop staan. Voor de TVW is daarom ons uitgangspunt een energievoorziening die betaalbaar en toegankelijk is voor alle inwoners, ondernemers en andere gebruikers in Berg en Dal. Inmiddels is duidelijk dat met de bestaande investeringslasten en regelingen verduurzamen van woningen voor vrijwel niemand rendabel is. We zoeken dus naar een maatschappelijk verantwoorde oplossing op basis van een optimale afstemming van de investeringen van en door woningeigenaren en -corporaties, gemeente en nuts-infrabedrijven en werken aan financieringsconstructies en betaalbare proposities voor woningeigenaren. We starten met isoleren Daar waar de energielabels het laagste zijn, is de meeste winst te behalen. Het terugdringen van de warmtevraag is noodzakelijk in de transitie naar aardgasvrij.
Om gebouwen met een laag energielabel op duurzame wijze te kunnen verwarmen en koelen met een voldoende comfortniveau, is goede isolatie noodzakelijk. Daarom is het belangrijk om woning- en gebouweigenaren te stimuleren en te faciliteren om te gaan isoleren. Er hoeft niet altijd gewacht te worden tot een woning goed geïsoleerd is, vaak loopt de overstap op een alternatieve warmtebron parallel. We sluiten aan waar kansen zijn, bijvoorbeeld bij corporatiebezit en particuliere initiatieven We willen aan de slag daar waar we kansen zien. Woningcorporatie Waardwonen verwacht, met uitzondering van de herstructureringsopgave, in 2022 door isolatie en toepassing van zonnepanelen hun woningen gemiddeld op label A niveau te hebben gebracht. Oosterpoort wil in 2030 haar bezit tot gemiddeld label B verduurzamen. Dit doen zij waar nodig via maximaal isoleren van de schil. Het doel is circa 50% van het bezit geschikt maken voor laagtemperatuurverwarming. Verder verduurzamen naar label A kan via het apart aanbieden van zonnepanelen. Een logische volgende stap is het verduurzamen van de energievraag. We zoeken daarbij ook naar koppelkansen met particuliere initiateven. Corporaties kunnen daar mogelijk als ‘startmotor’ fungeren bij de overgang naar alternatieve bronnen.
We benutten de initiatieven en energie in de gemeente De transitie naar een aardgasvrij Berg en Dal is een gezamenlijke opgave. De transitie kan alleen succesvol zijn met draagvlak en het meedoen en -denken van bewoners en andere partijen. Het in de startnotitie geformuleerde uitgangspunt dat we bewoners en overige gebruikers actief betrekken bij de plannen en de uitvoering blijft onverkort staan. Daarvoor gaan we actief op zoek naar de energie van eigen initiatieven van bewoners en zien dit als dé kans om samen concrete stappen te zetten om gebieden van het aardgas te halen. Waar mogelijk haken we aan bij andere initiatieven of ontwikkelingen. Dit noemen we meekoppelkansen en die kunnen kosten en overlast in de uitvoering beperken. We zijn ons ervan bewust dat de winst die hierbij gehaald kan worden beperkt is.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
14
Flexibiliteit is belangrijk In de startnotitie is een zoveel mogelijk gebiedsgerichte aanpak als uitgangspunt benoemd. Maar naast deze gebiedsgerichte aanpak is een individuele aanpak of een aanpak per straat of doelgroep gewenst. Die biedt meer flexibiliteit, biedt de mogelijkheid voor maatwerk en kan in sommige gevallen ook kostenefficiënter zijn. Het stimuleren van isoleren kan onafhankelijk van de verschillende transitiepaden naar verduurzaming verlopen. De snelle technologische ontwikkeling zorgt voor onzekerheid. Daarom is het verstandig nieuwe kansen te blijven signaleren en op te pakken. No-regret (geen spijt) maatregelen als isoleren of de toepassing van hybride systemen als tijdelijke oplossing kunnen de flexibiliteit naar de toekomst vergroten en toch bijdragen aan verduurzaming.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
15
4 Alternatieven voor aardgas Technisch gezien lijken er veel verschillende mogelijkheden beschikbaar om van aardgas af te stappen. Veel mogelijkheden zijn te groeperen op gemeenschappelijke eigenschappen, waardoor het beeld overzichtelijker wordt. In dit hoofdstuk komen de alternatieven voor aardgas in het algemeen aan bod. In hoofdstuk 5 en 6 spitsen we dit vervolgens toe op de gemeente Berg en Dal.
4.1
Van aardgas over op hernieuwbare energiebronnen
Om in 2050 een aardgasvrije gemeente te zijn, moeten alle woningen die nu nog op aardgas aangesloten zijn, overstappen op andere bronnen om hun woning mee te verwarmen en koelen en over warm water te kunnen beschikken om te koken en douchen. Daarnaast zullen ook bedrijven en instellingen van het aardgas af moeten. Een grote en ambitieuze opgave, waarmee zo snel mogelijk gestart moet worden. Technisch gezien zijn er veel verschillende mogelijkheden om van het aardgas af te stappen in de gebouwde omgeving, met verschillende technieken en met verschillende temperaturen. We maken daarbij over het algemeen onderscheid in collectieve oplossingen en individuele oplossingen. Bij collectieve oplossingen stapt meer dan één woning over op een bepaalde technologie. Dat kan een heel gebied zijn, maar ook een beperkt aantal eenheden. Een voorbeeld van een collectieve oplossing is een warmtenet. Individuele oplossingen kunnen voor iedere woning los worden toegepast. Voorbeelden zijn een warmtepomp of infrarood verwarmingspanelen in combinatie met een voorziening voor warm tapwater. In deze TVW voor Berg en Dal maken wij onderscheid in drie systeemoplossingen: grootschalige en kleinschalige warmtenetten, individuele oplossingen en oplossingen waarbij gebruik wordt gemaakt van het bestaande gasnet voor (duurzaam) gas (waterstof of biogas). Deze opties worden hierna verder toegelicht.
In bijlage 2 leest u meer over de verschillende alternatieve warmtebronnen. Individueel (all-electric) Het aantal mogelijke individuele oplossingen neemt door de ontwikkeling van de techniek nog steeds toe. Veel concepten zijn gebaseerd op het elektrisch verwarmen. Dat kan met een warmtepomp die zorgt voor laag temperatuur warmte. Als bron wordt de warmte uit de lucht, bodem of grondwater gebruikt, combinaties met zonne- of PVT-panelen zijn mogelijk. Laatstgenoemde panelen wekken zowel elektriciteit als warm water op. Alternatieve individuele oplossingen zijn infraroodverwarming in combinatie met een elektrische (warmtepomp)boiler voor warm tapwater. Deze techniek wordt vaak op individueel woningniveau toegepast, maar kan ook op grotere schaal. Een gebied all-electric maken, vraagt vaak om een verzwaring van het elektriciteitsnet. De hybride warmtepompen, die warmte uit de lucht haalt, kan in combinatie met aardgas, tijdelijk als individuele oplossing, of in combinatie met zonne- of PVT-panelen worden gebruikt. In combinatie met groengas kan de hybride warmtepomp ook als een permanente individuele oplossing worden ingezet. Warmtenetten Warmtenetten zijn netwerken van warm water om gebouwen mee te verwarmen. Mogelijke energiebronnen zijn aardwarmte, restwarmte van bedrijven en vormen van aquathermie zoals warmte uit oppervlaktewater (TEO) of rioolzuiveringswater (TEA).
Afhankelijk van de bron en de mate van isolatie kan het gaan om een hoogtemperatuur (HT), middentemperatuur (MT) of laagtemperatuur (LT) warmtenet. Warmtepompen worden dan ingezet om de afgiftetemperatuur (hoogte temperatuur waarop warmte woning binnenkomt) op het gewenste niveau te brengen. Hierbij geldt dat hoe lager de temperatuur van de warmte is, hoe beter je de woning moet isoleren. Warmtenetten hebben veel impact op de omgeving en afhankelijk van de aflevertemperatuur van het warmtenet op de panden en de gebouweigenaren.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
16
Wat is het verschil tussen HT-, MT- en LT-warmte?
HT-warmtebronnen: diepe geothermie, restwarmte, biomassa, hernieuwbare gassen, doorgaans 70-90°C.
MT-warmtebronnen: ondiepe geothermie, restwarmte, doorgaans 40-70°C.
LT-warmtebronnen: grondwater, lucht, energie uit afvalwater, oppervlaktewater, doorgaans 10 tot maximaal 40°C.
We maken een onderscheid tussen hoog- en laagtemperatuurwarmtebronnen. De temperatuur waarop de warmtebron zijn warmte kan afgeven, bepaalt welke mate van isolatie en afgiftesysteem (radiatoren of muur- en vloerverwarming) de woning moet hebben. Voor HT-warmtebronnen zijn vaak geen tot weinig aanpassingen in de woning nodig. Dit is daarom met name geschikt voor oudere woningen of monumentale gebouwen. Voor MT-warmtebronnen zijn er minimale aanpassingen nodig in de woning. Ook de relatief oudere woningen kunnen aan een MT-warmtenet mits de woningen enigszins geïsoleerd kunnen worden. Bij LT-warmtebronnen moet de woning wel worden aangepast (andere radiatoren, vloerverwarming et cetera) en moet de woning goed geïsoleerd zijn. Zowel de gevel, vloer, het dak en het glas moeten geïsoleerd zijn. LT-warmtebronnen zijn daarom met name voor nieuwere woningen geschikt. Als de warmte met een warmtepomp wordt opgewaardeerd naar een hogere temperatuur kan deze ook op MT (40-700C) beschikbaar worden gesteld aan de woningen. Figuur 4.1 geeft het temperatuurniveau van diverse warmtebronnen weer op een schaal van LT (links) naar HT (rechts). Waar mogelijk en haalbaar is het isoleren van woningen bij gebruik van HT-warmtebronnen wel wenselijk met als doel het energieverbruik te verminderen, om zodoende de beschikbare warmte aan zoveel mogelijk gebruikers te kunnen leveren.
Warmte die je niet gebruikt, hoef je immers ook niet op te wekken.
Figuur 4.1
Temperatuurniveau van diverse warmtebronnen van LT (links) naar HT (rechts)
Gasnetten (Bestaande) gasnetten kunnen duurzame, hoogenergetische gassen als groengas en waterstofgas naar woningen vervoeren. Het bestaande gasnet kan op een relatief eenvoudige manier geschikt worden gemaakt voor de distributie van waterstof. Een voorwaarde is wel dat bij de eindgebruiker de toestellen geschikt gemaakt worden voor 100% waterstof of biomethaan. De beschikbaarheid en marktrijpheid van deze gassen is nog deels onbekend. Daarom zullen deze opties alleen op de lange termijn mogelijk relevant zijn. Voor de periode tot 2030 spelen zij geen rol. De vraag naar duurzaam gas kan worden verminderd door de inzet van hybride warmtepompen. Deze verwarmen met elektriciteit en schakelen enkel bij koude dagen over op gas.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
17
4.2
Marktrijpheid en geschiktheid voor woningen
De verschillende alternatieven voor aardgas hebben allemaal voor- en nadelen. Niet elke techniek is al marktrijp of een logische keuze voor alle woningen. Sommige technologieën moeten nog verder worden uitgewerkt, terwijl andere technologieën zich meer lenen voor bedrijven en industrie. In bijlage 3 laten we de marktrijpheid en toepasbaarheid van technieken voor woningen zien.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
18
5
De opgave in Berg en Dal
Als Berg en Dal willen wij in 2050 niet alleen aardgasvrij zijn, maar ook klimaatneutraal, wat betekent dat wij geen fossiele CO2 meer uitstoten, of dat wat er nog is gecompenseerd wordt. Het is daarom belangrijk om de opgave van Berg en Dal in kaart te brengen. Waar staan we nu? Wat is de warmtevraag? En welke duurzame bronnen hebben we om deze vraag mee in te vullen?
5.1
De warmtevraag en het aardgasverbruik
In de TVW wordt alleen gekeken naar aardgas dat wordt gebruikt voor het verwarmen van de gebouwde omgeving en het verwarmen van tapwater. Het gaat daarbij om het verwarmen van alle woningen en gebouwen, maar exclusief proceswarmte (warmte die benodigd is voor industriële processen). De gebouwen die niet bedoeld zijn om in te wonen, zoals kantoren en scholen, noemen we utiliteitsgebouwen. Voor het gasverbruik moeten alternatieven worden gevonden voor 2050. In Berg en Dal is de warmtevraag van de gebouwde omgeving 800 TJ waarvan 88% afkomstig is van woningen, zie Figuur 5.1.
Warmtevraag gebouwde omgeving: 800 TJ Utiliteit zonder koudevraag 5%
Utiliteit met koudevraag 7%
Hoogbouw 7%
Laagbouw 81%
Figuur 5.1
Warmtevraag gebouwde omgeving voor woningen en kleingebruikers
De gasvraag voor alle sectoren met uitzondering van woningen is afkomstig van het CBS uit 2020. De warmtevraag van woningen is per buurt bepaald aan de hand van gasverbruiken uit 2020 gepubliceerd door Liander1. Het totale aardgasgebruik van de woningen in Berg en Dal is ongeveer 21,9 miljoen m3 (2020). Het gemiddelde gasgebruik per huishouden in Berg en Dal is 1.739 m3. Daarmee is het aardgasgebruik in Berg en Dal hoger dan het gemiddelde gebruik in Nederland (1.500 m3). Het aardgasgebruik is afhankelijk van onder meer de samenstelling van het huishouden, het woningtype en de ouderdom van een woning. Waar gebruiken we aardgas precies voor in onze woningen? Ongeveer 75 procent gebruiken we voor het verwarmen van de ruimte, 20 procent voor warm water (voornamelijk douchen) en een heel klein deel voor het koken. Naast het gasgebruik hebben de woningen in Berg en Dal ook een elektriciteitsgebruik. De verwachting is dat deze zal toenemen bij het overgaan op andere warmtebronnen dan aardgas, omdat elektriciteit vaak een rol speelt in duurzame warmte, zoals bij het gebruik van warmtepompen.
1 De warmtevraag is hierbij berekend door het gasverbruik te vermenigvuldigen met het ketelrendement.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
19
5.2
Woningen in Berg en Dal
Berg en Dal bestaat uit vijf grotere kernen, diverse kleine kernen en kent een verspreid buitengebied met veel individuele bebouwing en buurtschappen. In totaal heeft Berg en Dal circa 35.000 inwoners (1 januari 2021) en ongeveer 15.700 woningen. Zo’n 27% van de woningen zijn in bezit van de woningbouwcorporaties Oosterpoort en Waardwonen. Beide corporaties hebben als doelstelling om via de schilaanpak (beter isoleren van buitenmuren, ramen en kozijnen en daken) met uitzondering van het te herstructureren woningbezit, de woningen te isoleren tot niveau B of A. De realisering van deze doelstelling is al in een vergevorderd stadium. Daardoor zijn deze woningen in beginsel geschikt voor gebruik van een lage temperatuur (LT) warmtebron. Voor het particulier woningbezit (73% van het totaal aantal woningen) is in figuur 5.2 weergegeven hoe die woningen zijn verdeeld over de verschillende bouwperiodes. Circa 3.000 woningen zijn na 1991 gebouwd. Voor die woningen is op basis van het Bouwbesluit al geregeld dat de isolatiewaarde goed is. Deze woningen kunnen geschikt worden gemaakt voor een lage temperatuur (LT) warmtebron door alleen de warmteopwekker en het afgiftesysteem aan te passen. Het aandeel woningen dat gebouwd is tussen 1975-1991 is met 21% aanzienlijk. Deze woningen zijn vaak al voorzien van een beetje isolatie.
Hierdoor zijn maatregelen om tot een hoger energielabel (B) te komen lastiger. Overstappen naar midden temperatuur (MT) is goed mogelijk. Voor LT moeten grotere investeringen gedaan worden. Daarnaast zijn er ook ongeveer 6.500 woningen waarvan we goed moeten kijken tot welk energielabel er geïsoleerd kan worden en welke warmtetechniek hiervoor geschikt is. In de periode tot 2030 zullen er ook zo’n 1.200 nieuwbouwwoningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Gezien de eisen die aan deze woningen worden gesteld (BENG) zijn deze per definitie gasvrij. Voor een groot deel van deze nieuwbouwwoningen is nog wel van belang of zij in hun behoefte aan warmte en koude kunnen voorzien via een collectief net of daar zelf in moeten voorzien. Figuur 5.2 Verdeling bestaande particuliere woningvoorraad naar bouwperiode
Een deel van de oudere en daarmee ook in beginsel intensiever te verduurzamen woningvoorraad (gebouwd voor 1992) is inmiddels al wel door de woningeigenaren verduurzaamd. De bestaande wijze van bepaling van het energielabel geeft geen volledig betrouwbaar beeld van de mate van verduurzaming van het particulier woningbezit. Ook laten niet alle eigenaren na uitvoering van maatregelen hun energielabel bepalen en registreren. Figuur 5.3
Verdeling bestaande particuliere woningvoorraad bouwperiode voor 1992
In figuur 5.4 is per CBS-buurt het aantal monumentale woningen aangegeven (Rijks- en gemeentelijke monumenten). Van de woningen die op basis van het energielabel verder te verduurzamen zijn, is het van belang te weten in hoeverre dit ook daadwerkelijk mogelijk is.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
20
Een monumentale status van de woning kan hiervoor een belemmering zijn. De status kan bepalen dat er specifieke bouwmaterialen en/of bouwmethoden toegepast moeten worden waardoor het verduurzamen lastig/duur kan zijn. In onderstaande kaart is per buurt aangegeven hoeveel monumentale woningen/woonruimten er staan (Rijks en gemeentelijk). De inkleuring van de buurtgrenzen geeft aan welk aandeel van de woningen monumentaal is. De gemeente wil op korte termijn een regeling vaststellen die het voor eigenaren beter mogelijk maakt hun monumentale eigendommen te verduurzamen.
Figuur 5.4
5.3
Spreiding rijks- en gemeentelijke monumenten in Berg en Dal
Overige gebouwen in Berg en Dal
Ook de meeste bedrijven en andere instellingen gebruiken aardgas. Soms alleen voor verwarming en tapwater, soms ook in het bedrijfsproces. De overstap van aardgas op een andere duurzame bron vergt daarom een aantal aanpassingen. Ook voor de meeste overige gebouwen (onder andere binnensport, horeca, kantoren, onderwijs, winkels en zorg et cetera) geldt dat de weg naar aardgasvrij start met het beter isoleren van de gebouwen. Bij bedrijven hangt het aardgasverbruik sterk af van het type bedrijf. Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energieeisen. Label C is vanaf dan minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet. De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden. Het beoogde effect daarvan is dat het merendeel van de kantoren in 2040 geschikt zal zijn voor lagere of middelhoge temperatuur warmte. Bedrijven bevinden zich vaak in grotere panden en hebben daarmee een hoge absolute warmtevraag. Figuur 5.5
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
Aanwezigheid overige functies in Berg en Dal
21
5.4
Beschikbare bronnen in Berg en Dal
Niet elke gemeente heeft de beschikking over dezelfde alternatieve warmtebronnen. Zo heeft de ene gemeente bijvoorbeeld meer mogelijkheden om energie uit oppervlaktewater en een andere uit aardwarmte te benutten. Hieronder beschrijven we de warmtepotentie van de meest kansrijke bronnen in Berg en Dal op hoofdlijnen. Dit overzicht is een inschatting op basis van verschillende studies, aangevuld met kennis, inzichten en data uit de uitgevoerde analyse. Een uitgebreide toelichting op de warmtebronnen vindt u in bijlage 2. Omgevingswarmte Waar: overal Met omgevingswarmte bedoelen we de warmte in de buitenlucht. Dit is warmte uit de buitenlucht en in principe onbeperkt beschikbaar. TEO Waar: alleen in de noordelijke gebieden van Berg en Dal Bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) wordt warmte onttrokken uit een rivier, meer of kanaal. Aan de noordzijde van Berg en Dal stroomt de Waal en een stukje van de Rijn. Uit deze rivieren kan in theorie veel warmte worden gehaald om kernen van warmte te voorzien. Of warmtebenutting financieel haalbaar is, moet blijken uit verder onderzoek. TEA Waar: Breedeweg Bij thermische energie uit afvalwater (TEA) wordt warmte onttrokken aan afvalwater. Er zijn twee rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) in Berg en Dal: Millingen aan de Rijn en Breedeweg. Alleen de RWZI Breedeweg is een geschikte bron.
De RWZI Kekerdom/Millingen aan de Rijn wordt in de toekomst mogelijk opgeheven waardoor een zeer hoge investering, die noodzakelijk is om warmte te onttrekken aan de RWZI, kan leiden tot kapitaalvernietiging. Of warmtebenutting financieel haalbaar is, moet blijken uit verder onderzoek. Bodemwarmte Waar: in beginsel in alle bebouwde kernen van Berg en Dal Bodemenergie is het onttrekken en opslaan van warmte en koude in de bodem. Voor individuele gebouwen kan dat met een zogenoemde bodemlus. Voor grote gebouwen of clusters van gebouwen kan dit met een warmtekoudeopslag (wko)-systeem. De warmte die in de winter gebruikt wordt, moet in de zomer weer worden aangevuld. Dit kan door gebouwen in de zomer te koelen, en door actief warmte in de bodem te brengen. Het potentieel beschikbare bodemwarmte is in principe meer dan de warmtevraag. De toepassing wordt mogelijk beperkt door aangewezen aandachtsgebieden voor Natuur- of Aardkundige waarden en drinkwaterbeschermingsgebieden. Om de daadwerkelijke potentie te kunnen bepalen, is aanvullend onderzoek nodig. Restwarmte Waar: Erlecom Restwarmtebronnen komen in vele vormen en maten voor. Het is de warmte die ‘overblijft’ na bijvoorbeeld een productieproces.
De beschikbare restwarmte bij Wienerberger Steenfabriek is niet voldoende om grootschalig in te zetten, maar wel voor een op ervaringscijfers gebaseerd aantal van maximaal 400 woningequivalenten2 in Erlecom. Het is onduidelijk of de steenfabriek haar restwarmte ook beschikbaar kan of wil stellen.
2 Een woningequivalent (weq) is een eenheid om woningen en andere panden met elkaar te kunnen vergelijken.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
22
Geothermie Waar: niet van toepassing met opwekking in eigen gemeente Geothermie of aardwarmte ontstaat door de warmte-uitstraling uit het binnenste van de aarde. Zowel ondiepe (tussen de 500 en 1.500 meter) als (ultra)diepe geothermie (dieper dan 1.500 meter) zijn in Berg en Dal als zelfstandige warmtebron financieel niet haalbaar. De hoge aanvangsinvestering (boren bron, aanleg hoofdnet) in relatie tot de spreiding (grote afstand leidingnet) en de grootte van de kernen (beperkt aantal aansluitingen) liggen daaraan ten grondslag. De voor een zelfstandige bron benodigde omvang van 5.000 woningen wordt daardoor niet gehaald. Aansluiten op een eventueel warmtenet van de gemeente Nijmegen zou wel een mogelijkheid zijn voor de kernen aangrenzend aan Nijmegen, maar geen korte termijn scenario. Biomassa Waar: alleen in buitengebied Bij biomassa wordt warmte opgewekt uit organische materialen die in de natuur voorkomen. Uit snoeiafval kan warmte opgewekt worden voor maximaal circa 1.000 woningen in Berg en Dal. De beschikbaarheid is beperkt. Vooralsnog wordt alleen voor (delen van) het buitengebied ingeschat dat dit een toepasbare oplossing kan zijn. Biogas Waar: daar waar geen goede alternatieven zijn Biogas is het gas dat vrijkomt bij de vergisting van natte biomassa, zoals mest en GFT-afval. Biogas kan worden omgezet naar groengas en aardgas één op één vervangen.
Uit biomassastromen van Berg en Dal kan voor circa 17.800 woningen3 biogas worden geproduceerd. Belangrijk is dat dit de maximale potentie is. In de praktijk schatten wij in dat de potentie maximaal 9.000 woningen zal zijn. Waterstof Waar: overal waar noodzakelijke infrastructuur aanwezig is Waterstof is geen energiebron, die in de natuur gewonnen kan worden, maar een energiedrager. Als gasvormige energiedrager kan waterstof een vrij directe vervanger zijn van aardgas. Waterstof kan gebruik maken van de huidige gasinfrastructuur voor de distributie. Volledig duurzame waterstof op basis van elektrolyse van water vraag om een aanzienlijke uitbouw van de capaciteit voor wind- en zonne-energie. Ondanks de relatief gunstige perspectieven voor een bijdrage van waterstof aan de realisatie van aardgasvrije wijken is grootschalige inzet van waterstof in de bestaande bouw op korte termijn (voor 2030) nog niet te verwachten. De beschikbaarheid van klimaatneutrale waterstof is onvoldoende en het ontbreekt nog aan ervaring in het gebruik van waterstof op grootschalige wijze. Als gevolg hiervan zal in de komende jaren (2020-2025) vooral worden ingezet op pilot- en demo-projecten om de nodige ervaring op te doen over hoe waterstof veilig en efficiënt kan worden toegepast. De nu bekende initiatieven richten zich op Millingen aan de Rijn.
Toepassing van waterstof in Millingen aan de Rijn voor verwarming van gebouwen is op korte termijn echter niet aan de orde.
5.5
Conclusie: inzetten op isoleren en een mix van oplossingen
Zo’n 48% van de bestaande woningvoorraad is gerealiseerd in bouwperiodes waarin bij de bouw nog weinig aandacht bestond voor de isolatie van woningen. Voor het merendeel van deze woningvoorraad geldt dat de keuzen van de warmtetechniek en noodzakelijke verduurzaming van de woningen om een nauwkeurige afstemming vraagt. Specifieke aandacht vragen daarbij de monumentale gebouwen. Omgevingswarmte is overal in Berg en Dal beschikbaar. Het aantal beschikbare directe warmtebronnen in Berg en Dal is beperkt. Het water in de Waal en Rijn heeft voldoende thermische potentie (warmte) om heel Berg en Dal te verwarmen. De afstanden met de kernen is zodanig groot dat deze bron op basis van ervaringscijfers alleen voor het aan de Waal gelegen Ooij en Millingen aan de Rijn als bron interessant is. 3
Bron: WarmteAtlas Nederland
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
23
Geothermie is alleen een optie als de aan Nijmegen grenzende kernen kunnen meeliften met een in Nijmegen eventueel te realiseren collectief warmtenet op basis van geothermie. Als een andere warmtebron (bijvoorbeeld restwarmte door afvalverbranding) via het warmtenet van Nijmegen in plaats van geothermie beschikbaar komt, kan dat eventueel een alternatief vormen. Dit is geen korte termijn scenario. Restwarmte is potentieel beschikbaar via de steenfabriek in Erlecom en de RWZI in Breedeweg. Over de steenfabriek in Erlecom bestaat onvoldoende inzicht in de continuïteit van deze bron, hetgeen wel het geval is voor de RWZI in Breedeweg. In de bebouwde kernen kan in beginsel gebruik worden gemaakt van bodemenergie. In het buitengebied kan biogas een alternatief zijn, wanneer andere opties niet mogelijk zijn. Of waterstof op grotere schaal in Berg en Dal kan worden toegepast, is nu toch ongewis. In onderstaande tabel, beschrijven we per gebied de meest voor de hand liggende techniek. Deze keuzes liggen nog niet vast en worden in de loop van het proces verder geconcretiseerd en in de tijd uitgezet. Voor de LToplossingen en de individuele oplossingen geldt dat gebouwen voldoende geïsoleerd moeten zijn. Individueel betekent dat in het vervolg van het proces de eigenaar zelf beslist welke keuze hij tussen de beschikbare opties (warmtepompen, infrarood, PVT en dergelijke) wil maken.
De onderzoekscenario’s voor de verschillende gebieden zijn op de bij deze tabel behorende kaart in bijlage 4 weergegeven. Tabel 5.1 Onderzoek- en alternatief scenario per kern of type gebied Kern
Onderzoekscenario
Kanttekening
Alternatief scenario - tijdelijk
Millingen Ooij
WKO in combinatie met TEO, Dichtheid en beschikbaarheid MT warmte op 700C door inzet TEO van HT-warmtepomp
Waterstof als dat in voldoende mate beschikbaar komt of Individueel
Erlecom Leuth Kekerdom
Individueel
Individueel – groen/biogas, tijdelijk hybride
Ubbergen Beek Berg & Dal Heilig Landstichting
Geothermie4
Groesbeek De Horst
Individueel
Tijdelijk hybride
Breedeweg
WKO in combinatie met TEA, Dichtheid en beschikbaarheid MT warmte op 700C door inzet TEA van HT-warmtepomp
Individueel
Buitengebied
Individueel
Tijdelijk hybride
Bedrijventerreinen
WKO-LT
Beschikbaarheid en afstand tot Alternatieve warmtebron die Nijmegen via net Nijmegen beschikbaar komt Individueel
Daar waar ook een voldoende hoge koudevraag is om de bron te regenereren
Individueel
4 Onderzoek naar Geothermie loopt op dit moment. Dit is een lang proces. Aansluiten op een eventueel
warmtenet van de gemeente Nijmegen zou wel een mogelijkheid zijn voor de kernen aangrenzend aan Nijmegen, maar dit is geen korte termijn scenario.
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
24
6
Koppelkansen
Om te bepalen wat kansrijke startwijken zijn, kijken we naar mogelijke aansluiting bij werkzaamheden die tóch al gepland staan of andere goede kansen om de warmtetransitie aan te koppelen. Dat is relevant omdat zo de overlast voor bewoners beperkt blijft, het de maatschappelijke kosten beperkt en het de transitie mogelijk versnelt. Door aan te sluiten bij 'natuurlijke momenten’ besparen we als maatschappij kosten. Dit draagt bij aan het uitgangspunt dat de transitie betaalbaar moet zijn voor iedereen. Meekoppelkansen kunnen met name ontstaan wanneer sprake is van de aanleg van collectieve warmtenetten.
6.1
Meekoppelen om ‘werk met werk te maken’
Koppelkansen zijn dus concrete aanleidingen om nu in een buurt te beginnen, zoals grootschalige wegwerkzaamheden als reconstructies in de openbare ruimte of actieve buurtinitiatieven. We kijken daarvoor naar met name:
werkzaamheden aardgasnet;
andere grote aanpassingen aan infrastructuur en ontwikkellocaties;
woningcorporatie- en VvE-bezit;
daadwerkelijke beschikbaarheid alternatief voor aardgas;
actieve bewoners of buurtinitiatieven.
We werken dit hierna uit. Werkzaamheden aardgasnet Er zijn buurten in Berg en Dal waar het gasnet voor meer dan 70% economisch is afgeschreven, maar op basis van de technische levensduur nog vele jaren mee kan. Meer bepalend voor de noodzaak van vervanging van gasleidingen is de ligging van grondroeringsgevoelige leidingen (leidingen die door de aard van het materiaalgebruik gevoelig zijn voor grondverzakkingen waardoor lekken kunnen ontstaan). Liander moet alle grondroeringsgevoelige gasleidingen voor 2032 vervangen. Dat betekent vervanging van gasleidingen in Heilig Landstichting, Beek-Oost, Laag Berg en Dal en Ubbergen. Daar waar gasnetten het einde van de levensduur bereiken, ontstaat de kans om over te stappen op een alternatieve warmtebron of dit te combineren met de verzwaring van het elektriciteitsnet. Het vervangen van de leidingen is daarom een koppelkans met betrekking tot de warmtetransitie. Als het moment van vervanging van de aardgasleidingen niet te combineren is met het collectief overstappen naar een andere bron, kan dat invloed hebben op de uitvoering van de warmtetransitie om kapitaalvernietiging te voorkomen. Figuur 6.1
Berg en Dal aardgasvrij | 19123
Aandeel grondroeringsgevoelige leidingen per buurt
25
Deze TVW biedt nog onvoldoende duidelijkheid en zekerheid op welke wijze deze gebieden in de toekomst van warmte zullen worden voorzien. Het is wel van belang dat er tijdig duidelijkheid komt over de alternatieven. Liander probeert te wachten met het vervangen van de gasleidingen om onnodige maatschappelijke kosten en overlast voor de omgeving te vermijden. In de uitvoeringsplannen voor deze wijken kunnen de plannen nader worden uitgewerkt. Door tot en met 2025 te wachten met het vervangen van gasleidingen kan waarschijnlijk beter worden geanticipeerd op de inzichten over de toekomstige warmteoplossingen (onder andere meer duidelijkheid over toepassingsmogelijkheden geothermie). Er wordt uiteraard wel ingegrepen wanneer er sprake is van het ontstaan van verhoogde risico’s. Andere grote aanpassingen aan infrastructuur en ontwikkellocaties Bij toepassing van waterstof of biogas ontstaat de mogelijkheid om de economische levensduur van het bestaande gasnet te verlengen totdat bij het bereiken van de technische levensduur vervanging noodzakelijk is. Er ontstaat kapitaalvernietiging doordat het bestaande gasnet wordt verwijderd, voor het einde van de economische levensduur. Door te kiezen voor duurzaam gas wordt deze kapitaalvernietiging voorkomen.
De capaciteit van het bestaande elektriciteitsnetwerk is in de komende jaren onvoldoende om op grotere schaal woningen op basis van all electric aardgasvrij te maken. Dit geldt in het bijzonder voor individuele all electric oplossingen. Maar ook de toepassing van collectieve systemen (warmtenetten), die gebruik maken van (individuele) elektrische warmtepompen om het water op de gewenste temperatuur te brengen, worden hier op de korte termijn door beperkt. Het op grotere schaal aardgasvrij maken, zal daarom gekoppeld moeten worden aan de uitbreiding van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Die zal naar verwachting over een periode van zeven tot tien jaar gerealiseerd kunnen zijn. Op basis van de analyse van beschikbare bronnen zal de toepassing van grootschalige collectieve netwerken in Berg en Dal beperkt blijven. Afstemming van de aanleg van een collectief net met de vervanging van riolering of reconstructie van wegen kan leiden tot kostenbesparingen. Voorwaarde is dan wel dat de lange termijn investeringsplanning van deze werken op elkaar worden afgestemd. Nieuwbouwplannen Tot 2030 worden naar verwachting zo’n 1.200 nieuwbouwwoningen gerealiseerd in Berg en Dal.
Met name de realisering van nieuwbouwplannen in Ooij (Reomie en tweede fase Ooijse Graaf) biedt de kans om de warmteoplossing voor de nieuwbouw te koppelen aan de optie om een collectief warmtenet in Ooij te realiseren. De overige nieuwbouwplannen zijn te kleinschalig of te solitair (Dekkerswald). Daar zal waarschijnlijk voor ieder bouwplan individueel een warmte- en koudeoplossing worden gekozen. Die kleinschalige collectieve oplossingen kunnen eventueel later alsnog met elkaar worden verbonden in een groter warmtenet.