CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie warmte Berg en Dal

Gemeenteraad 10 februari 2022, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Voorstel om de transitievisie warmte vast te stellen23.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

TED

De laatste vorm van aquathermie is thermische energie uit drinkwater (TED). Dit is een nieuwe techniek die nog niet veel is toegepast. De potentie van TED per regio of de bijdrage die TED leveren kan aan de energietransitie is onbekend.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

49

Er is op het moment geen praktische potentie voor TED in de gemeente. 3 Restwarmte Restwarmtebronnen komen in veel vormen en maten voor. Het is de warmte die ‘overblijft’ na bijvoorbeeld een productieproces. Deze warmte kan zich bevinden in een gas of vloeibare stroom en de temperatuur verschilt per bron. Restwarmte wordt via een warmtenet getransporteerd naar de woningen. Restwarmte van een hoge temperatuur kan direct worden toegepast in woningen zonder gebruik van een warmtepomp en vraagt weinig tot geen aanpassingen in de woning. Dit is financieel dus een heel gunstig scenario (bij een voldoende hoge bebouwingsdichtheid). Bij een lagere temperatuur restwarmte moet deze eerst met een (individuele of centrale) warmtepomp worden opgewaardeerd. Een risico bij het gebruik van restwarmte is dat bij vertrek van het bedrijf, de bron dus ook verdwijnt. Niet alle bedrijven zijn bereid een overeenkomst aan te gaan met betrekking tot levergarantie voor een specifiek aantal jaren. Er is een hoogtemperatuur restwarmtebron onderzocht. De steenfabriek Wienerberger in Erlecom. Deze potentie is klein, voldoende voor zo’n 400 woningen. Daarnaast is het de vraag hoeveel warmte de steenfabriek in de toekomst kan leveren aangezien zij zelf ook duurzaamheidsambities heeft.

Zodoende kunnen we concluderen dat er in de gemeente weinig potentie aan restwarmte is om in te zetten voor de gebouwde omgeving. 4 Bodem- en aardwarmte Warmte uit de bodem kan met behulp van diverse technieken gewonnen worden, afhankelijk van de bodemgesteldheid en beschikbaarheid van warmte. Onderstaand wordt op deze technieken ingegaan. 4a

Bodemlus

Een bodemlus is een techniek om warmte te winnen uit de ondiepe bodem, 1-100 meter diep. Hierbij wordt een gesloten buis de bodem in geboord, ofwel horizontaal, ofwel verticaal, en gevuld met water en een antivriesmengsel. De vloeistof in de buis neemt de temperatuur over van de omgeving, de bodem. De bodemtemperatuur is gedurende het jaar betrekkelijk constant en rond de 12°C. Zo kan er met een bodemlus in de winter warmte worden gewonnen en in de zomer koude. Een warmtepomp waardeert de warmte op naar 40°C of hoger om de woning te verwarmen. Een groot voordeel van een bodemlus gekoppelde warmtepomp ten opzichte van een luchtwarmtepomp (zie 2.1) is dat het rendement hoger ligt en er in de zomer (passief) gekoeld kan worden, zonder elektriciteitsverbruik. Een nadeel van de techniek is dat er voor bestaande bouw vaak twee bodemlussen per woning nodig zijn met een onderlinge afstand van 8 meter om interferentie te voorkomen. Dit vraagt om voldoende tuinoppervlak per woning. Daarnaast resulteert het boren van de buizen in het overhoop halen van de tuin, wat niet iedere bewoner wil. Bodemlussen zijn een individuele techniek; voor hoogbouw, of industriegebieden met een grote warmtevraag zijn bodemlussen minder geschikt dan een open wko-systeem, omdat de bodem dan overmatig aangeboord wordt (geperforeerd).

Er zijn gebieden waar de bodem helemaal niet aangeboord mag worden en slechts tot een bepaalde diepte om vervuiling van drinkwaterbuffers te voorkomen. De potentie voor het toepassen van bodemlussen in Berg en Dal lijkt meer dan de warmtevraag van de gebouwde omgeving in Berg en Dal. De toepassing ervan wordt echter gelimiteerd door het benodigde tuinoppervlak per woning en het gevraagde temperatuurniveau. Daarnaast moet onderzocht worden in hoeverre grondboringen zijn toegestaan in de gemeente.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

50

4b

Wko (warmte-/koudeopslag)

Bij wko wordt warmte en koude gewonnen uit een afgesloten waterpakket in de bodem op een diepte tussen de 100-500 meter en via een warmtenet getransporteerd naar de woningen/panden. Het temperatuurniveau is tussen de 8°C en 15°C. Het is gunstig wanneer de panden aangesloten op dit warmtenet zowel koude- als een warmtevraag hebben. Bij een wko-systeem moet namelijk evenveel warmte onttrokken worden aan de bodem als er in wordt teruggebracht. Is dit niet het geval, dan raakt de bron uitgeput. Wanneer er een onbalans is tussen de warmte- en koudevraag, kan deze worden hersteld door warmte en/of koude toe te voegen uit een externe bron, bijvoorbeeld oppervlaktewater of elektrisch. Dit noemen we regeneratie. Als de benodigde regeneratie omvangrijk is, is een wko-systeem minder rendabel. Hoe dichter de warmte- en koudevraag dus bij elkaar liggen, hoe gunstiger de businesscase. Bij goed beheer gaan wko-systemen dertig jaar mee. Een wko-warmtenet wordt dus toegepast daar waar zowel een warmte- als koudevraag is. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorpanden, verzorghuizen of hotels, maar ook sommige industrie. Ook goed geïsoleerde nieuwbouwwoningen hebben een grotere koudevraag dan bestaande woningen. Maar het aandeel aan koudevraag ten opzichte van warmte blijft klein. Het potentieel voor wko in Berg en Dal is groter dan de gemeentelijke warmtevraag voor de gebouwde omgeving.

De toepassing wordt echter bepaald door de financiële rendabiliteit van het systeem. Daarnaast is een groot deel van de gemeente ‘aandachtsgebied’ (zoals grondwaterbeschermingsgebieden en natuurgebieden). Er moet dus per casus worden onderzocht of wko een daadwerkelijke oplossing is. 4c

Ondiepe geothermie

Ondiepe geothermie is het boren tot een diepte tussen de 500 en 1.500 meter. Op deze diepte wordt grondwarmte onttrokken met een temperatuur tussen de 15°C en 40°C. Wanneer het water 40°C is, kan de warmte via een warmtenet rechtstreek worden gebruikt voor het verwarmen van goed geïsoleerde woningen in combinatie met individuele boilers voor het tapwater. Bij andere temperaturen of woningtypen zal de warmte eerst opgewaardeerd worden met een (centrale) warmtepomp. In tegenstelling tot een wko-systeem hoeft er bij ondiepe geothermie geen balans te zijn in de koude- en warmteonttrekking. Omdat ondiepe geothermie hoge investeringskosten vraagt, is er een minimale gegarandeerde afzet nodig om de techniek financieel haalbaar te laten zijn. Voor ondiepe geothermie is de minimale schaalgrootte tussen de 1.000 en 2.500 woningen afhankelijk van de brondiepte. Daarnaast is een hoge woningdichtheid (oftewel warmtevraagdichtheid) een vereiste om de kosten van het warmtenet te beperken. In deze analyse is de grens gesteld op een minimum van 40 woonequivalenten per hectare. Ook voor ondiepe geothermie zal eerst onderzocht moeten worden of er überhaupt in de grond geboord mag worden. Daarnaast is schaalgrootte een belangrijk aspect om te bepalen of het systeem rendabel is. 4d

Diepe (en ultradiepe) geothermie

Wanneer er nog dieper wordt geboord, spreekt men van diepe geothermie (1.500 tot 4.000 meter) en ultra diepe geothermie (dieper dan 4.000 meter). Diepe geothermie wordt al langer toegepast in sectoren met een continue, hoge warmtevraag zoals de glastuinbouw en kan temperaturen leveren tot 100°C (stoom). Net als bij ondiepe geothermie, is een minimale afzet een vereiste voor het ontwikkelen van een geothermische boring. Woningen lenen zich al minder voor deze techniek, omdat de warmtevraag sterk fluctueert tussen de zomer en winter. Voor een geothermische boring wordt in het algemeen uitgegaan van een minimale afzet van 4.000 tot 5.000 woningen. Omdat er veel verlies optreedt in transport en een hoogtemperatuurwarmtenet duur is, moeten deze woningen dicht bij elkaar en dicht bij de bron staan. Een serie van galerijflats in een stadscentrum is dan ook het meest gunstige scenario voor het toepassen van geothermie voor woningen (40-50 woningen per hectare).

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

51

Omdat de minimale schaalgrootte niet bereikt kan worden in Berg en Dal, is het potentieel voor diepe en ultradiepe geothermie nul. 5 Biomassa Vaste biomassa, zoals hout, gebruiken voor het verwarmen van woningen is omstreden. Het is een goedkope optie (bij resthout en snoeiafval) en levert hoogtemperatuurwarmte, maar er komt fijnstof en CO2 vrij bij verbranding. Er zijn vraagtekens over het effect op de CO2-uitstoot door biomassa: op papier is dit energieneutraal, maar onder andere het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) en de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarschuwen dat biomassa in de praktijk een grotere uitstoot dan kolen kan hebben, met name als niet alleen snoeiafval wordt verbrand.9 Daarnaast is er in Nederland veel te weinig biomassa beschikbaar om in onze warmtevraag te kunnen voorzien. Met name in stedelijk gebied is het zeer de vraag waar de biomassa vandaan komt. Bij het ontwikkelen van een biomassacentrale is het dan ook van groot belang dat over een lange periode een toestroom van lokale restbiomassa gegarandeerd kan worden. Zo moet voorkomen worden dat er biomassa uit andere landen moet worden gehaald of minder duurzame biomassa wordt gebruikt. Vermoedelijk gaat al het snoeiafval in Berg en Dal al naar de BEC in Cuijk. Met deze BEC wordt het industrieterrein van Cuijk duurzaam van warmte voorzien.

Het geschatte potentieel aan warmte uit huishoudelijk snoeiafval in Berg en Dal is 42 TJ (Georegister 2010, met een correctiefactor van 0,5). Met houtkachels kunnen hiermee rond de 1.000 woningen worden verwarmd. Dit is een schatting gebaseerd op een verouderde bron bij gebrek aan meer recente informatie. Gemeente Berg en Dal vindt het niet wenselijk om biomassa in te zetten in de energietransitie. 6 Groengas Biogas is het gas dat vrijkomt bij de vergisting van natte biomassa, zoals mest en GFT-afval. Biogas zelf kan niet worden gebruikt met onze huidige apparatuur, omdat er naar ratio te veel koolstofdioxide, stikstof- en zwaveloxiden in het gas zitten. Deze kunnen worden verwijderd om zo biogas om te zetten naar groengas: gas dat 1:1 aardgas kan vervangen. Dit opwaarderen van biogas naar groengas kost ongeveer 5% van de energetische waarde van het totale volume aan groengas en de kosten van een dergelijke installatie zijn hoog. Maar hiermee kan het gas worden gebruikt in onze bestaande aardgasleidingen, wat logischerwijs vele voordelen oplevert.

Het aanbod aan biogas is op dit moment zeer beperkt en zal volgens de sector in 2030 ongeveer 5% van onze huidige gasconsumptie kunnen vervullen.10 Dit stelt de grootste discussie rondom groengas aan de kaak: moeten we dit gas in willen zetten voor de gebouwde omgeving? Met de energietransitie (en een stijgende CO2-belasting) zal straks ook de industrie, die nu aardgas gebruikt voor ondervuring (directe warmtebenutting) of als grondstof, een alternatief gaan zoeken. En ook mobiliteit is een sector waar biogas goed gebruikt kan worden: zwaar transport is nog steeds moeilijk te verwezenlijken met een elektrische motor. Deze sectoren hebben weinig tot geen alternatieven, omdat zij de hoge ontbranding van gas nodig hebben. Woningen daarentegen kunnen al verwarmd worden met een temperatuur van 40°C. Het is daarom de vraag of het verstandig is om deze beperkte bron nu al in zijn geheel te reserveren voor de gebouwde omgeving. De invloed van een verhoogde vraag naar biogas vanuit de industrie kan ook gevolgen hebben voor de marktprijs van biogas waardoor dit straks niet meer betaalbaar is voor woningeigenaren. 9

Zie onder andere Visiedocument KNAW (2015), Biobrandstof en hout als energiebronnen – Effect op uitstoot van

broeikasgassen, en PBL (2013), Climate effects of wood used for bio-energy. KNAW heeft bevestigd dat rapport ook in 2020 nog steeds relevant is. 10

Green gas Roadmap Netherlands, Juli 2014. De geraamde hoeveelheid is het equivalent van 2,2 miljard m³ aardgas.

Woningen en de industrie gebruiken allebei ongeveer 20 miljard m³ aardgas per jaar, samen ruim 40 miljard m³.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

52

Groengas nú inzetten via het bestaande aardgasnet als transitiewarmtebron is wel een goede keuze. Idealiter in combinatie met een hybride warmtepomp. Dit maakt het mogelijk om woningen die zich niet in één keer laten verduurzamen, of waarvoor er nu nog geen betaalbare warmtetechnieken zijn, toch van het aardgas af te halen en de warmtepomp vermindert het totale energieverbruik. In Berg en Dal is het geschatte potentieel aan groengas 730 TJ (Georegister 2010, met een correctiefactor van 0,5). Wanneer dit groengas wordt gebruikt in een gasketel staat deze potentie gelijk aan 17.800 woningen. Dit is een schatting gebaseerd op een verouderde bron bij gebrek aan meer recente informatie. Het merendeel is afkomstig van akkerbouw reststromen. Waarschijnlijk gaan deze reststromen naar de BEC in Cuijk.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

53

Bijlage 3

Figuur Bijlage 3.1

Marktrijpheid technieken

Marktrijpheid van benutting potentiële warmtebronnen

Op dit moment zijn met name een warmtenet en all-electric verwarming (met een warmtepomp) interessante oplossingen voor de huidige woningbouw. In de behoefte aan warmte voor verwarming van gebouwen, warm tapwater en koeling kan echter ook via combinatie van systeemoplossingen worden voorzien. Ook is de hybride warmtepomp een geschikte oplossing, waarbij de warmtepomp samenwerkt met een extra warmtebron, doorgaans een cv-ketel. Met een hybride warmtepomp heb je nog maar weinig aardgas nodig. Later kan dit worden vervangen in een groengas. Duurzaam gas is echter schaars en zal voornamelijk benut gaan worden door de industrie en mobiliteit. Alleen daar waar laagtemperatuursystemen niet toepasbaar zijn, zoals in bijvoorbeeld vooroorlogse woningen en vrijstaande (monumentale) boerderijwoningen, is levering van groengas op termijn denkbaar.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

54

Bijlage 4

Kaarten bij de routekaarttabel

Figuur Bijlage 4.1 Kaart kansrijke onderzoekscenario’s

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

55

Figuur Bijlage 4.2

Alternatieve onderzoekscenario’s

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

56

Bijlage 5

Energiebesparing en isolatie

Figuur Bijlage 5.1 Beslisboom energiebesparing en isolatie

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

57

Hoe kom je tot een keuze voor aardgasvrij? Duidelijk is dat er een grote verscheidenheid in technieken en warmtebronnen is. De eerste stap in de warmtetransitie is om te bepalen welke techniek en warmtebron geschikt zijn voor een bepaald gebied. In onderstaand figuur geven we de verschillende kansen weer voor aardgasvrij, beredeneerd vanuit de beschikbaarheid van technieken en de gebouweigenschappen. Gezamenlijk leiden deze kansen en mogelijkheden tot de meest geschikte techniek. In de praktijk zal vaak een combinatie van verschillende technieken in de verschillende delen binnen een wijk of dorpskern nodig zijn. Gezien de diversiteit van de gebouwde omgeving gaan we per gebied op zoek naar een ideale mix (energieconcept) voor de overstap naar duurzame warmte. De start: isoleren Hoe beter de isolatie van een gebouw, hoe minder het warmteverlies. Hoe lager de warmtevraag van woningen, hoe meer woningen verwarmd kunnen worden vanuit dezelfde warmtebron. Daarnaast zorgt isoleren voor een lagere piekvraag (de vraag naar energie op momenten dat het erg koud is), wat belangrijk is om de kosten van energienetten en duurzame bronnen beperkt te houden. Woningen van na 1992 zijn relatief goed geïsoleerd of relatief makkelijk te isoleren. Dit heeft te maken met het Bouwbesluit 1992, waar een eis is opgenomen voor de isolatiewaarde van een nieuwbouwwoning.

Bij woningen gebouwd vóór 1992 zijn er sterke verschillen in isolatiewaarde en moet deze per woning worden vastgesteld. Meer informatie over bouwjaren en isolatiegraden staat op de volgende pagina’s.

Figuur Bijlage 5.2 Besparingseffecten CO2 bij verschillende maarregelen

Bouwperiode en isolatiegraad Het bouwjaar van een woning geeft op hoofdlijnen inzicht in de mate van isolatie en daarmee geschiktheid voor HT- of LT-temperatuuroplossingen. Over het algemeen geldt: hoe ouder de woning, hoe slechter de isolatiewaarde en hoe hoger de benodigde temperatuur om de woning te kunnen verwarmen. Energielabels geven accurater dan het bouwjaar weer wat de isolatiewaarde is, maar van niet alle woningen is het energielabel bekend.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

58

Hieronder geven we per bouwperiode weer wat in de basis de benodigde isolatiemaatregelen zijn en welke warmtebron het beste past bij deze woningen. Woningen voor 1980 - Voor woningen van voor 1980 is het nodig om de buitenschil beter te isoleren om van LT-warmte gebruik te kunnen maken. Echter lopen de kosten van isolatie voor dit soort huizen snel op. Hierdoor kan het soms kostenefficiënter zijn om van een andere bron gebruik te maken (MT/HT). Woningen van 1980 tot 1992 - Voor woningen van na 1980, maar voor 1992, is er een minimale isolatie van 5 cm in de spouwmuren aanwezig, waarbij overigens de bijdrage van spouwisolatie aan de totale thermische weerstand beperkt is. De RC-waarde geeft het totale isolerende vermogen van een constructie weer. RC staat voor Resistance of Construction, oftewel warmteweerstand. Bij deze woningen is het vaak voldoende om de vloer, de ramen en het dak beter te isoleren en naar LT-warmte over te gaan. Er dient dan ook een groter warmteafgifteoppervlak te worden gecreëerd. Vaak zit de spouwmuur van deze woningen al bijna vol met isolatie waardoor het navullen hiervan weinig zinvol meer is, omdat het minder bijdraagt dan de reeds aanwezige isolatie. Hierdoor is de terugverdientijd van muurisolatie voor dit soort woningen een stuk langer.

Bouwbesluit 1992 - Dankzij de invoer van het Bouwbesluit van 1992 zijn woningen met een bouwjaar van 1992 of later relatief goed geïsoleerd of ‘eenvoudig’ te isoleren. Het Bouwbesluit schrijft minimale isolatiestandaarden voor. Zo is er een minimale Rc-waarde voor gevels, ramen en vloeren van 2,5. Dit houdt onder andere in dat panden gebouwd onder het Bouwbesluit 1992 voorzien zijn van een beter gevulde spouwmuur en HR-dubbelglas. Hierdoor is de gevel in orde en is het pand daarom relatief ‘eenvoudig’ geschikt te maken voor een LT-oplossing. Aanpassingen elders in het gebouw zijn wel aan te bevelen. Dit gaat voornamelijk om, wanneer het moment daar is, dubbelglas vervangen door minimaal HR++-glas en idealiter tripleglas. Daarnaast zijn er voldoende grote warmteafgifteoppervlakten nodig (zoals grotere radiatoren, convectoren of vloer-/wandverwarming) om LT mogelijk te maken. Nieuwbouw - Per 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energietransitie (VET) in werking getreden en geldt dat alle nieuwbouwwoningen aardgasvrij moeten zijn. Omdat nieuwbouwwoningen zeer goed geïsoleerd zijn, kunnen deze goed aangesloten worden op een LT-warmtenet of retourleiding van een MT- of HT-warmtenet, als deze beschikbaar is. Als een warmtenet niet mogelijk is, dan zijn deze woningen zeer geschikt voor een all-electric oplossing (warmtepomp).

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

59

Figuur Bijlage 5.3

Besparingseffecten isolatiemaatregelen

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

60

Bijlage 6 Handelingsperspectief gebouw- en woningeigenaren Niet alle woningen zullen in Berg en Dal tegelijkertijd van het aardgas af kunnen. Zo zal de ontwikkeling van een eventueel warmtenet de nodige tijd kosten en vervolgens gefaseerd worden uitgerold. Dit betekent niet dat er nu nog niets gedaan kan worden. Wat zijn nu maatregelen die bewoners stapsgewijs kunnen doorvoeren? In deze notitie gaan wij hierop in, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gebouwen van verschillende bouwperiodes, omdat de uit te voeren maatregelen afhankelijk zijn van de energetische kwaliteit (lees: bouwjaar) van de woningen en gebouwen. Hierbij gaan wij ervan uit dat in principe het treffen van energiebesparende maatregelen altijd de voorkeur heeft, ook in het geval dat technisch gezien niet echt nodig is (bijvoorbeeld bij gebruik van een hoog temperatuur warmteoplossing). Immers, warmte die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet te worden opgewekt en betaald. In de maatregelen wordt onderscheid gemaakt in maatregelen die in ieder geval getroffen kunnen worden (de no-regret maatregelen) en maatregelen die (op termijn) nodig zijn voor realisatie van de aardgasvrije warmtevoorziening. In dit handelingsperspectief wordt vooral gekeken naar de bouwperiodes van de woningen en niet zo zeer naar het soort bebouwing (vrijstaand, rijwoning, 2-onder-1-kap, appartement).

Voor de uit te voeren maatregelen is er namelijk niet veel verschil in een tussenwoning uit 1970 en een vrijstaande woning uit 1950. Bijvoorbeeld, in beide gevallen bestaat deze woning uit een ongeïsoleerde spouw, en is het na-isoleren van de spouw dus aan te raden. De vrijstaande woning heeft alleen een groter oppervlak gesloten gevel dat geïsoleerd dient te worden, vergeleken met de tussenwoning. Ook voor appartementencomplexen geldt dat dezelfde maatregelen worden aangeraden als bij bijvoorbeeld een 2-onder-1-kap woning. Het verschil bij een appartementencomplex is welke maatregel bij welk appartement wordt toegepast. Bij appartementen op een derde verdieping is vloerisolatie bijvoorbeeld niet van toepassing, en bij appartementen op de begane grond dakisolatie niet. Ook dient in een appartementencomplex rekening gehouden te worden met het organiseren van de verduurzaming. Dit gaat bijvoorbeeld via een VVE voor het hele complex waar dit bij grondgebonden woningen alleen om de woningeigenaar gaat. Nieuwbouw woningen (vanaf 1992) Jonge woningen zijn doorgaans voldoende geïsoleerd

No-regret:

om met een lagere temperatuur te gaan verwarmen met

isolatiecontrole en kierdichting

behulp van een warmtepomp. Om over te gaan naar een

plaatsen van zonnepanelen

warmtepomp hoeft alleen gecontroleerd te worden op

plaatsen hybride warmtepomp

kieren en koudebruggen (een warmtelek in de

glas vervangen voor HR++-glas

gebouwschil) en, waar dat nog niet het geval is, de beglazing vervangen door HR++-glas of triple glas.

Op natuurlijk moment:

Verder moet het afgiftesysteem geschikt gemaakt worden

glas naar HR+++

voor lage temperatuurverwarming, dus radiatoren

afgiftesysteem aanpassen naar (volledig)

vervangen door convectoren of vloerverwarming. Daarna

laagtemperatuur afgiftesysteem

kan een warmtepomp geplaatst worden. Eventueel kan in

plaatsen warmtepomp

de tussentijd een hybride warmtepomp geplaatst worden:

ventilatiebox vervangen voor energiezuinige

dit is een warmtepomp met een back-up gasketel, om

ventilatie met CO2-sturing in de woonkamer

hoog temperatuur warmte te kunnen maken in de koude wintermaanden en voor de bereiding van warm tapwater.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

61

Dit geeft de bewoner de tijd om te wennen aan en te experimenteren met een lagere verwarmingstemperatuur en geeft al een aanzienlijke gasreductie. Hierdoor kan de (installateur of onderhoudsman van de) bewoner een inschatting maken van de benodigde aanpassing van de radiatoren. Bovendien is een hybride warmtepomp goedkoper dan een volledig elektrische warmtepomp. Nieuwbouwwoningen zijn doorgaans voorzien van mechanische ventilatie. Door deze ventilatiebox te vervangen door een energiezuinige box die voorzien wordt van CO2-sturing wordt een gezond binnenklimaat gegarandeerd en bovendien elektriciteit bespaard.

Naoorlogse woningen Woningen met een bouwjaar van vóór 1992, maar na de oorlog (1945), zijn over het algemeen minder goed geïsoleerd. Om die reden heeft aansluiting op een hoogtemperatuur (of middentemperatuur) warmtenet de voorkeur mits er een hernieuwbare warmtebron (in dit geval bijvoorbeeld geothermie) voor handen is. Om de warmtevraag te beperken, wordt geadviseerd de rendabel toepasbare maatregelen (no-regret) uit te voeren, zoals kierdichting, spouw-, vloer- en dakisolatie (binnenzijde). Kierdichting is van belang, zeker bij oudere woningen. Met name bij delen zoals kozijnen of een aanbouw kan de kierdichting slecht zijn. Indien er toch gekozen wordt, bijvoorbeeld door het ontbreken van hoogtemperatuur warmtebronnen, over te gaan naar laag temperatuurverwarming geldt dat de woning zover als mogelijk geïsoleerd moet worden. Afhankelijk van de bouwsoort en -periode is dat wel of niet mogelijk in bewoonde staat. Sommige delen zijn beter te isoleren dan andere: voor het dak geldt dat deze vrij eenvoudig zeer goed te isoleren is. Een gevel goed na-isoleren is veel lastiger en kostbaarder.

No-regret:

plaatsen van zonnepanelen

controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren

kierdichting

glas vervangen naar HR++ glas

Hoe beter de isolatie, hoe minder aanpassingen men hoeft

Op natuurlijk moment (hoog en midden temperatuur):

te doen aan het afgiftesysteem. Als de isolatiewaarde van

aansluiten op warmtenet of

de schil van de woning na isoleren onder de streefwaarde

plaatsen hybride warmtepomp

zit, moet ter compensatie meer afgiftevermogen opgesteld worden (een combinatie van afgifteststemen, in plaats van

Op natuurlijk moment (laag temperatuur)

bijvoorbeeld alleen vloerverwarming te plaatsen in de

woonkamer) of een warmtepomp met meer vermogen

glas vervangen door HR++-glas of triple glas, inclusief kozijn vervangen

worden geselecteerd.

isolatiemaatregelen uitvoeren

Ook voor deze woningen kan overwogen worden om in de

afgiftesysteem aan Berg en Dal naar volledig

tussentijd met een hybride warmtepomp te verwarmen, om de benodigde aanpassingen aan de radiatoren proefondervindelijk te kunnen bepalen, gas en geld te

laagtemperatuur

Als schil + afgiftesysteem aangepast is, plaatsen warmtepomp

besparen en het comfort in de woning te monitoren bij lagere cv-temperatuur.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

62

Vooroorlogse woningen Het vergt een hoge investering deze woningen goed te isoleren, waardoor aansluiting op een hoog temperatuur warmtevoorziening het meest voor de hand liggend is. Voor de woningen in de gemeente Berg en Dal betekent dit aansluiting op een eventueel aan te leggen warmtenet. Als dit niet mogelijk is, kan gedacht worden aan een oplossing op woningniveau zoals een hybride of hoogtemperatuur warmtepomp of ketel op biogas óf in de toekomst waterstof. Om het energiegebruik te beperken, wordt aanbevolen om wel zoveel mogelijk te isoleren waar dat kan. Denk aan bijvoorbeeld

No-regret:

plaatsen van zonnepanelen (waar mogelijk)

kierdichting

controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren

glas vervangen door HR++-glas

Op natuurlijk moment:

aansluiting warmtenet of

plaatsen hybride warmtepomp of ketel

kierdichting, dakisolatie aan binnenzijde en vervanging van beglazing.

Utiliteit De aanpak voor utiliteitsbouw lijkt sterk op de maatregelen die aangegeven zijn voor woningbouw, gecategoriseerd naar jaartal. Een verschil is dat we de utiliteitsbouw opdelen in een categorie van vóór 1980 en een categorie daarna. Na 1980 is het waarschijnlijker dat de schil van enige kwaliteit is. Er is echter veel variatie hierin. In de panden die na 1980 zijn gebouwd, is vaak ook luchtbehandeling aanwezig. Dit betekent dat er ventilatiekanalen zijn en meestal dat er deels via lucht verwarmd wordt, met een verwarmingsbatterij in de luchtbehandelingskast (LBK). Dit is anders dan in woningen. Afhankelijk van de ruimte is het vrij gemakkelijk om de verwarmingsbatterij in de LBK te vervangen door een laagtemperatuurbatterij. Vaak zijn er aanvullend radiatoren aanwezig, hiervoor geldt dezelfde aanpak als voor woningen: bij voldoende schilkwaliteit kunnen deze vervangen worden door een laagtemperatuur-alternatief. In sommige moderne kantoorgebouwen is laagtemperatuurverwarming al standaard ingepast. Voor de oudere panden heeft, net als bij de woningen, aansluitingen op een hoog temperatuur warmtevoorziening de voorkeur. Hierbij geldt waar mogelijk aansluiting op het warmtenet of anders een hernieuwbaar alternatief die het best geschikt is voor het pand. Dit is maatwerk en er zal per gebouw naar gekeken moeten worden.

Voor sommige panden zal het daarbij mogelijk zijn om naar lage temperatuurverwarming te gaan.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

63

Dit is, naast de schilkwaliteit, afhankelijk van de aanwezige ventilatievoorzieningen. In oudere panden is luchtbehandeling en mechanische ventilatie niet standaard aanwezig. Bij extra isolatie van het pand, zal aanvullend onderzocht moeten worden of er ventilatie en luchtbehandeling aangelegd kan worden, om een goed binnenklimaat te kunnen (blijven) realiseren. Dit is

No-regret:

Plaatsen van zonnepanelen

Controle isolatiegraad en mogelijkheden tot na-isoleren

Kierdichting

ingrijpend, omdat dan ventilatiekanalen aangelegd moeten

Op natuurlijk moment (hoog temperatuur):

worden; dit vraagt ruimte die er soms niet is.

aansluiten op warmtenet of

Daarnaast zijn er soms specifieke zaken aanwezig, zoals

realiseren hernieuwbaar alternatief

luchtgordijnen bij de ingang van winkels, die op warmte van hoge temperatuur werken. Hier zijn oplossingen voor, maar

Op natuurlijk moment (laag temperatuur):

die zijn per geval verschillend.

glas naar HR++ glas, eventueel kozijn vervangen

koeling,

isolatiemaatregelen uitvoeren

bijvoorbeeld kantoren en sporthallen. Voor deze kantoren

afgiftesysteem aan Berg en Dal naar

Sommige

utiliteitsgebouwen

gebruiken

ook

kan het heel gunstig zijn (afhankelijk van de grootte) om een warmtepomp met warmte-koudeopslag te implementeren,

volledig laagtemperatuur

omdat deze ook koeling kan leveren uit de bodem. Sommige panden zullen dit ook nu al geïmplementeerd hebben, in combinatie

met

een

gasketel

(hybride

moeten worden wat nodig is en wat de beste oplossing is.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

laagtemperatuur brengen waar mogelijk

opstelling).

Desondanks zal per (groep van) gebouw(en) gekeken

verwarmingsbatterij in LBK naar Warmteterugwinning implementeren in de LBK waar mogelijk

Als schil + afgiftesysteem aangepast is: plaatsen warmtepomp

64

Bijlage 7

Startanalyse PBL

De ‘Startanalyse’ van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is gemaakt om gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van de TVW en biedt onder meer inzicht in de nationale meerkosten per woningequivalent (weq)11 per jaar. Die worden bepaald door de totale financiële kosten van alle maatregelen, die nodig zijn om in een dorp of buurt van het aardgas af te gaan, te vergelijken met het referentiebeeld 2030. Deze kosten zijn inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Inbegrepen zijn onder andere de kosten van de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet, onderhoud van infrastructuur en de investeringen van de bewoners. Deze kosten zijn omgerekend naar woningequivalenten. Gezien de fase waarin we met de warmtetransitie verkeren, bezitten deze cijfers nog een zeer globaal karakter en kennen daardoor ook een grote onzekerheid. En die onzekerheid verschilt ook per strategie. De kengetallen voor nieuwe technologieën (bijvoorbeeld geothermie) kennen een grotere marge dan al beproefde technieken voor individuele oplossingen. Voor alle strategieën worden op basis van de resultaten van de Startanalyse op buurtniveau voor alle buurten in Nederland en Berg en Dal waar die strategie in de Startanalyse toepasbaar wordt geacht met elkaar vergeleken. 

De gemiddelde nationale meerkosten voor heel Nederland (Nederland-gem) en de voor Berg en Dal (Berg en Dal-gem);

De standaardafwijking ten opzichte van die gemiddelde waarde voor zowel heel Nederland (Nederland-std) als voor Berg en Dal (Berg en Dal-std).

Individuele oplossingen Uitgangspunt van de Startanalyse is een all electric strategie met isolatie tot minimaal schillabel B. De gebouwen worden verwarmd met een elektrische warmtepomp voorzien van een buffervat. De radiatoren worden vervangen door lage temperatuur radiatoren of indien mogelijk door vloerverwarming. Van deze strategie zijn twee varianten bekerend zien: een luchtwarmtepomp (1a) en een bodemwarmtepomp (1b).

Figuur Bijlage 7.1

Vergelijking nationale meerkosten/WEQ/jaar individuele oplossing

11 Rekeneenheid om woningen en niet-woningen (130 m 2 bruto vloeroppervlakte is 1 woningequivalent) te kunnen optellen.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

65

Een belangrijk deel van Berg en Dal zal in de toekomst op basis van all electric worden verwarmd en gekoeld. In de Startanalyse PBL is voor de verschillende buurten becijferd welke extra kapitaallasten voortvloeien uit het beter isoleren van de gebouwen ten opzichte van het referentiejaar 2030. Bij de bepaling van de kapitaalslasten van investeringen is rekening gehouden met investeringen HR++-glas en isolatie van spouwmuren, vloeren en daken en worden een afschrijvingstermijn van 30 jaar gehanteerd. In deze becijferingen is geen rekening gehouden met de extra kosten die gemoeid zijn met het isoleren van monumentale panden. Bij de bepaling van de kapitaallasten is gerekend met een rentevoet van 3% en zijn prijspeil 2019. In onderstaande grafiek is aangegeven hoe de hoogte van deze kapitaallasten over de verschillende buurten is verdeeld.

Figuur bijlage 7.2

Kapitaallasten schilmaatregelen bij all electric

Volgens deze becijferingen zijn de kapitaallasten relatief hoog in Persingen, Erlecom, Heilig Landstichting en zijn buitengebied, en de buitengebieden Breedeweg, Groesbeek Zuid-West, De Horst en Zuid. De leeftijdsopbouw van de woningen en woninggrootte zijn verklarende factoren. Collectieve oplossingen In deze TVW worden drie soorten collectieve oplossingen als onderzoeksoptie benoemd: op basis van wko, geothermie en duurzame gassen (biogas en waterstof). Voor een eerste beoordeling van deze drie opties zijn de resultaten van de Startanalyse gebruikt om de financiële effecten te beoordelen. Collectieve oplossing op basis van wko Deze strategie bestaat uit verwarming met warmtenetten die worden gevoed uit warmtebronnen met een lage temperatuur (circa 30°C). Die temperatuur is te laag om direct warm tapwater te maken en ook voor ruimteverwarming is opwaardering naar een hoger temperatuurniveau vaak nodig, afhankelijk van het type afgiftesysteem en de isolatiegraad van een gebouw. a.

In strategie 3b zorgen een collectieve warmtepomp in combinatie met een seizoensbuffer ervoor dat laagtemperatuurwarmte uit een restwarmtebron wordt verwarmd naar een aanlevertemperatuur van 700C. De woningen worden geïsoleerd tot schillabel B.

b.

In strategie 3e wordt energie uit oppervlaktewater (TEO) van zeer lage temperatuur (10-20°C) gebruikt, een vorm van aquathermie. De combinatie met warmte-koudeopslag (wko) maakt het mogelijk om warmte in de zomer ondergronds op te slaan en in de winter te benutten voor ruimteverwarming. De warmte wordt op een temperatuur van 70°C bij het gebouw afgeleverd na opwaardering met een collectieve elektrische warmtepomp. De woning wordt geïsoleerd tot schillabel B.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

66

Figuur bijlage 7.3

Vergelijking nationale meerkosten/WEQ/jaar collectieve oplossing met wko

Volgens de Startanalyse is die strategie door de inzet van kleine restwarmtebronnen (onder andere supermarkten en de steenfabriek) in meer gebieden in Berg en Dal inzetbaar. Die opties hebben wij vanwege gebrek aan continuïteit in deze TVW buiten beschouwing gelaten. Collectieve oplossing op basis van geothermie In de geselecteerde strategie variant zijn locaties opgenomen waar volgens de kansenkaart van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) de ondergrond geschikt is voor geothermie. De beschikbaarheid van geothermie in de ondergrond heeft gevolgen voor de berekende kosten van een warmtenet met geothermie. Buurten die zelf geen geschikte ondergrond hebben, kunnen met behulp van een transportleiding geothermiewarmte betrekken uit andere gebieden. De kosten van deze variant worden hoger naarmate de potentiële geothermiebron verder weg ligt. Deze strategie bestaat uit verwarming met warmtenetten die worden gevoed uit aardwarmte met een hoge temperatuur (80°C en meer, afhankelijk van de diepte van winning) en waarbij de aanlevertemperatuur 70°C bedraagt. Bij strategie 2b worden de woningen geïsoleerd tot schillabel B, terwijl in strategie 2e de verduurzaming wordt beperkt tot schillabel D.

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

67

Figuur bijlage 7.4

Vergelijking nationale meerkosten/WEQ/jaar collectieve oplossing met geothermie

Collectieve oplossing op basis van biogas of waterstof In deze strategie worden een elektrische luchtwarmtepomp en een hoogrendementsbrander (HR-brander) op duurzaam gas gecombineerd. In strategie 4.a is dat groengas (biogas) van aardgaskwaliteit en zijn er geen aanpassingen nodig in de HR-ketel. Bij strategie 5.a wordt waterstof gebruikt. Wel wordt ervan uitgegaan dat koken elektrisch gebeurt, omdat koken met waterstof gevaarlijker is dan op groengas.

Figuur bijlage 7.5

Vergelijking nationale meerkosten/WEQ/jaar collectieve oplossing met biogas en waterstof

Berg en Dal aardgasvrij | 19123

68

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11007573/1