M28 Bijlage 1 - Toelichting en regels ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
Toetsing Risicokaart Door de overheid is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied komen op basis van de risicokaart geen objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen gelegen, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de ontwikkeling. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Direct ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn tussen Nijmegen en Kleve.
Deze spoorlijn is momenteel niet in gebruik en naar verwachting zal over deze spoorlijn ook in de toekomst geen
Hoofdstuk 4
34
transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Vanuit de ligging ten opzichte van de spoorlijn bestaan er dan ook geen belemmeringen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg In het Basisnet weg wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden het groepsrisico betrokken moet worden. Op de wegen rondom het plangebied vindt geen of in zeer beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.5
Milieuzonering
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of de milieubelastende activiteiten niet in hun activiteiten worden belemmerd en ter plaatse van de gevoelige functies een goed woon en leefklimaat kan worden geborgd, is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd 13. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapportage in de separate bijlagen. Toetsing Binnen het plan wordt voorzien in de realisatie van twee supermarkten en worden commerciële functies/horecafuncties gerealiseerd. Conform de VNG-publicatie is een supermarkt te scharen onder de SBI-code (2008) 471 (supermarkten, warenhuizen). De commerciële functies zijn te scharen onder SBI-code (2008) 47 (Detailhandel voor zover n.e.g).
Voor beide functies geldt een milieucategorie 1 met een maximale richtafstand van 10 meter ten aanzien van het aspect geluid. Indien de omgeving is te karakteriseren als een “gemengd gebied” mag deze afstand met één afstandsstap worden verminderd. De omgeving kenmerkt zich reeds door een combinatie van wonen en bedrijven. De omgeving van het plan is te karakteriseren als een gemengd gebied. De richtafstand bedraagt derhalve 0 meter. De dichtst bijgelegen woning is gelegen op een afstand van meer dan 0 meter vanaf de grens van het plangebied. Derhalve is op basis van stap 1 sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt een horecafunctie met milieucategorie 2 (SBI-code 2008: 563 nummer 1 of 562). Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied.
13
Windmill, Akoestisch onderzoek industrielawaai bestemmingsplan Herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, Rapportnummer: 20201203-BRO074-RAP-AKO-IL-3.0, 3 december 2020
Hoofdstuk 4
35
Vanwege de verwachte milieu-impact van het beoogde plan op de omgeving is volledigheidshalve een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidimmissies ter plaatse van de nabijgelegen woningen. Gezien het feit dat het beoogde plan extra verkeersbewegingen genereert, zijn uit het oogpunt van zorgvuldigheid ook de geluidbelastingen vanwege het plan middels een akoestisch rekenmodel ter plaatse van de omliggende bestaande woningen en de nieuwe appartementen inzichtelijk gemaakt. Onderzoek Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de bestaande woningen die gelegen zijn binnen het gebiedstype “gemengd gebied” ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde. De richtwaarde uit stap 2 van 50 dB(A) wordt ter plaatse van de bestaande woningen in de directe nabijheid van het plan gerespecteerd. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van de nieuwe appartementen ten hoogste 63 dB(A) etmaalwaarde. Deze geluidbelasting wordt berekend op de kopgevel (rekenpunt N04) ter hoogte van de laad- en loslocatie. In het ontwerp is ter plaatse uitgegaan van een dove gevel. Toetsing aan de richtwaarden/normen is ter plaatse van deze gevel derhalve niet aan de orde.
Ter plaatse overige gevels van de nieuwe appartementen bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) hoogstens 50 dB(A) in de dagperiode, 39 dB(A) in de avondperiode en 32 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt de richtwaarde uit stap 2 van 50 dB(A) van de VNG-publicatie gerespecteerd. Tevens wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter plaatse van de bestaande woningen die gelegen zijn in het gebiedstype “gemengd gebied” bedraagt het maximale geluidniveau (LAmax) ten hoogste 67 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avondperiode. De richtwaarde uit stap 2 van 70 dB(A) wordt ter plaatse van alle woningen gerespecteerd. In de nachtperiode zijn alleen bronnen in werking met een continu karakter die geen relevante piekniveaus veroorzaken. Maximale geluidniveaus Ter plaatse van de kopgevel (rekenpunt 04) van de nieuwe appartementen, ter hoogte van de laad/loslocatie, bedraagt het maximale geluidniveau (LAmax) ten hoogste 83 dB(A) in de dagperiode en 51 dB(A) in de avond- en nachtperiode. In het ontwerp is ter plaatse uitgegaan van een dove gevel. Toetsing aan de richtwaarden/normen is ter plaatse van deze gevel derhalve niet aan de orde. Ter plaatse van de overige gevels van de nieuwe appartementen bedraagt het maximale geluidniveau (LAmax) ten hoogste 80 dB(A) in de dagperiode en 51 dB(A) in de avond- en nachtperiode.
De richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie wordt in de dagperiode niet gerespecteerd. In de avond- en nachtperiode wordt de richtwaarde uit stap 2 uit de VNG-publicatie wel gerespecteerd. De overschrijding wordt veroorzaakt door de laad- en losactiviteit in de dagperiode. Bij toetsing aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden de maximale geluidniveaus vanwege het laden/lossen in de dagperiode buiten beschouwing gelaten. Het maximale geluidniveau,
Hoofdstuk 4
36
exclusief laden/lossen (in de dagperiode), bedraagt ten hoogste 64 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avondperiode. Geconcludeerd wordt dat hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Maatregelen (bedrijvigheid) Uit paragraaf 5.2 van het onderzoek industrielawaai blijkt dat de richtwaarde uit stap 2 van de VNGpublicatie voor het maximale geluidniveau (LAmax) in de dagperiode niet wordt gerespecteerd. Om de geluidbelasting ter plaatse van de appartementen te verlagen, kunnen maatregelen worden toegepast. De volgende maatregelen zijn onderzocht: 1. Bronmaatregelen De optredende maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door de vrachtwagen ten behoeve van het laad- /losactiviteiten. Deze activiteiten vinden maar beperkt aantal keer plaats op een dag, waardoor de hinder beperkt blijft. De vrachtwagens zijn van derden. De inrichtinghouder heeft geen invloed op de geluidemissie van voertuigen van derden. De voertuigen betreffen normale en moderne transportmiddelen die in de West-Europese landen conform de huidige stand der techniek zijn uitgevoerd. 2. Overdrachtsmaatregelen De optredende maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door de vrachtwagen ten behoeve van het laad- /losactiviteiten.
Gezien de korte afstand van deze activiteiten (vanaf aanrijroute van de vrachtwagens en naar de laad-/loslocatie) tot de appartementen is het niet realistisch om een effectieve afscherming te realiseren. Ter plaatse van de situering van de schermen zullen er met name bezwaren zijn met betrekking tot het belemmeren van het uitzicht vanuit de woningen (door de geluidschermen) en ook de toegang van de percelen zal beperkt worden. Het realiseren van een effectieve afscherming stuit op bezwaren van stedenbouwkundige en Afweging stap 3 VNG publicatie Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt, ter plaatse van de te toetsen gevels, ten hoogste 80 dB(A) in de dagperiode. Het bevoegd gezag dient te motiveren dat de geluidniveaus zijn toegestaan. Bij beoordeling aan stap 3 uit de VNG-publicatie worden maximale geluidniveaus vanwege rijdende voertuigen buiten beschouwing gelaten. Indien de voertuigen buiten beschouwing gelaten wordt, wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 van de VNG-publicatie. Het bevoegd gezag dient te motiveren dat de geluidniveaus zijn toegestaan. Argumenten hiervoor zijn: de optredende geluidniveaus worden veroorzaakt door de laad/losactiviteiten (vrachtwagen en koeling) ten behoeve van het laad-/losactiviteiten. Deze activiteiten vinden maar een beperkt aantal keer plaats op een dag, waardoor de hinder beperkt blijft.
De overschrijding vindt alleen in de dagperiode plaats. In de avond- en nachtperiode wordt de richtwaarde uit stap 2 gerespecteerd. Hiermee vindt geen slaapverstoring plaats. Bron- en/of overdrachtsmaatregelen zijn niet realistisch en stuiten op bezwaren.
Hoofdstuk 4
37
Het uitsluiten van de maximale geluidniveaus, ten behoeve van de laad-/losactiviteiten (inclusief de voertuigbewegingen), bij de beoordeling aan de richtwaarden komt overeen met het gestelde in artikel 2.171b van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voldoen aan een binnenniveau van 55 dB(A) ten aanzien van het maximaal geluidniveau dient een gevelwering te worden behaald van 20 tot 25 dB(A) ter plaatse van de nieuwe appartementen.
Verkeersaantrekkende werking Ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (verkeersaantrekkende werking) ondervinden woningen gelegen aan de directe toegangsweg tot de inrichting een geluidbelasting (verkeersaantrekkende werking). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering; 2009” in stap 2 en stap 3 voor woningen gelegen in een gebiedstype “rustige woonwijk” een richtwaarde van 50 dB(A) opgenomen met betrekking tot de indirecte hinder. Voor woningen gelegen in een gebiedstype “gemengd gebied is in stap 2 van de genoemde publicatie een richtwaarde van 50 dB(A) ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking gegeven. Indien stap 2 niet toereikend is, is voor woningen in een gemengd gebied voor stap 3 een waarde opgenomen van 65 dB(A). De op de planlocatie reeds aanwezige functies worden uitgebreid. Ten behoeve van deze functie vinden transporten met voertuigen plaats van en naar de uitbreidingslocatie. De aan- en afvoer van producten vindt plaats met middelzware en zware vrachtwagens. Bezoekers komen en gaan middels personenauto’s. Het plan wordt ontsloten via de Spoorlaan. Het verkeer van en naar het plan is derhalve beschouwd op deze weg.
Nadat het verkeer de eerste kruising met een andere weg is gepasseerd, is het verkeer niet meer als zodanig herkenbaar omdat het verkeer is opgenomen in het huidige verkeersbeeld. Het aantal transporten is nader onderzocht door BRO (zie hiertoe de rapportages: A: BRO, Verkeerskundige aspecten herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, 8 december 2015 B: BRO, Verkeersgeneratie en parkeren ontwikkellocatie Spoorlaan Groesbeek, 24 november 2020 Uit de verkeersonderzoeken blijkt dat de herontwikkeling van de inrichtingen 3.022 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereert. Bij de berekening is ervan uitgegaan dat 90% van het aantal voertuigen arriveert en vertrekt in de dagperiode en 10% in de avondperiode. In de nachtperiode zijn geen winkels geopend en zullen ook ten behoeve van het plan geen voertuigbewegingen plaatsvinden. De meeste wegen in het centrum van Groesbeek hebben een erftoegangsfunctie met grotendeels een inrichting en maximumsnelheid van 30 km/u. De verkeerbewegingen zullen zich verspreiden over de wegenstructuur van Groesbeek. Er wordt van uitgegaan dat ook inwoners uit Breedeweg gebruik maken van deze supermarkten. In dat geval lijkt de verhouding tussen bezoekers uit noordelijke richting en zuidelijk richting 40 – 60 te zijn.
De 40% noordelijke bezoekers (40% van 3.022 mtv/etmaal = 1.209 mvt/etmaal) zijn onderverdeeld in 25% (756 mvt/etm) via de noordelijke Dorpsstraat en 15% (453 mvt/etm) via het Wisselpad.
Hoofdstuk 4
38
De 60% (1.813 mvt/etm) zuidelijke bezoekers zijn onderverdeeld in 10% motorvoertuigen (302 mvt/etm) via de zuidelijke Dorpsstraat, 20% (604 mvt/etm) via de Nijverheidsstraat en 30% (907 mvt/etm) via de Gooiseweg / Kloosterstraat - Spoorlaan. Ten behoeve van de aanvoer van goederen vinden per etmaal maximaal 14 bewegingen plaats middels zware vrachtwagens. Deze voertuigen arriveren en vertrekken in de oostelijke richting via de Spoorlaan. Om de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting (indirecte hinder) te bepalen, is eveneens een rekenmodel (module industrielawaai) opgesteld. Voor de personenauto’s, rijdend over asfalt, wordt een bronsterkte van 90 dB(A) gehanteerd. Voor de vrachtauto’s, rijdend over asfalt, wordt een bronsterkte van 100 dB(A) gehanteerd. Tevens is rekening gehouden met de koeling tijdens het rijden van een drietal vrachtwagens (6 bewegingen). Voor de koeling is een bronsterkte van 100 dB(A) gehanteerd. Op een deel van de Spoorlaan bestaat het wegdek uit een klinkerverharding in keperverband. Voor de voertuigen (personenauto’s), rijdend over de klinkerbestrating, wordt een toeslag van 1,3 dB(A) op de bronsterkte toegekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande geluidgevoelige functies ten hoogste 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt.
Ter plaatse van de nieuwe appartementen bedraagt de geluidbelasting hoogstens 53 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt de richtwaarde van 50 dB(A) ter plaatse van een aantal bestaande woonfuncties en een aantal nieuwe appartementen niet gerespecteerd. Ter plaatse van deze woningen/appartementen wordt wel ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A) van stap 3. Maatregelen (verkeersaantrekkende werking) Teneinde de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van en naar het plan te reduceren kunnen maatregelen worden getroffen. Maatregelen kunnen bestaan uit: het toepassen van bronmaatregelen zoals het terugdringen van de verkeersintensiteit, het toepassen van een stiller wegdektype en het verlagen van de maximum snelheid ter plaatse; het toepassen van overdrachtsmaatregelen door het plaatsen van een scherm of een wal; het toepassen van maatregelen bij de ontvanger zoals dove gevels, isoleren van gevels en het integreren van schermen in de gevel. Hiermee wordt de geluidbelasting op de gevel niet verlaagd. De maatregelen bij de ontvanger zijn doorgaans ter beperking van het binnenniveau. 1. Bronmaatregelen Het verlagen van de maximum snelheid is zeker ter plaatse van de delen waar momenteel een maximum snelheid van 30 km/uur is toegestaan geen reële optie. Het toepassen van een stiller wegdek is onvoldoende doeltreffend.
Indien op de Spoorlaan het stiller wegdektype dunne deklagen B zou worden toegepast, wordt ter plaatse van de woningen nog altijd een geluidbelasting van meer dan 50 dB(A) berekend. Het toepassen van een stiller wegdek is enerzijds onvoldoende doeltreffend teneinde de richtwaarde van 50 dB(A) te respecteren en stuit anderzijds op overwegende bezwaren van financiële aard. Tevens is het geluidreducerend effect van een dunne deklaag bij lage snelheden zeer beperkt, gezien het feit dat bij lage snelheden het motorgeluid maatgevend is ten opzichte van het rolgeluid vanwege de banden. Daarnaast is wegdektype dunne deklagen B niet bestand tegen wringend
Hoofdstuk 4
39
verkeer (afremmen, optrekken en ook manoeuvrerend vrachtverkeer). Asfalttypes die beter bestand zijn tegen wringend verkeer hebben een lagere geluidreductie. 2. Overdrachtsmaatregelen Gezien het feit dat de (meeste) woningen op relatief kleine afstand (tussen 5 en 8 meter) van Spoorlaan zijn gelegen, stuit het toepassen van overdrachtsmaatregelen in de vorm van schermen of wallen op grote bezwaren van stedenbouwkundige aard. De bezwaren van stedenbouwkundige aard zijn met name gericht op de situering van de schermen en de hoogte. Bij benadering zullen de schermen uitgevoerd dienen te worden met een hoogte van minimaal 4 meter voor de bestaande woningen en meer dan 10 meter voor de nieuwe appartementen. Ter plaatse van de situering van de schermen zullen er met name bezwaren zijn met betrekking tot het belemmeren van het uitzicht vanuit de woningen (door de geluidschermen) en ook de toegang van de percelen zal beperkt worden. Gelet op de plaats van de schermen, op de grens tussen de rijweg en het perceel, is dit ook gezien de sociale veiligheid niet wenselijk. 3. Maatregelen bij ontvanger Als maatregelen aan de bron en maatregelen in de overdracht niet doelmatig danwel niet wenselijk zijn en de richtwaarde van 50 dB(A) nog altijd wordt overschreden, dan kunnen maatregelen worden onderzocht ter plaatse van de ontvanger teneinde een binnenniveau van 35 dB(A) te garanderen.
Als de binnenwaarde van 35 dB(A) wordt gerespecteerd kunnen overschrijdingen van de richtwaarden worden gemotiveerd. Als de binnenwaarden niet worden gerespecteerd moet worden overwogen of maatregelen aan de gevel moeten worden getroffen. Conform het Bouwbesluit 2012 geldt een minimale prestatie-eis van de karakteristieke gevelgeluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van 20 dB. Deze eis is sinds 1992 in de bouwregelgeving (Bouwbesluit 1992) opgenomen. Voor 1992 was nog geen landelijke uniforme regelgeving ten aanzien van de bescherming van geluid van buiten. Echter een gevelgeluidwering van 20 dB is geen onrealistische praktijkwaarde voor woningen die voor 1992 zijn gebouwd. Gezien de huidige staat van de woningen in combinatie met de geringe overschrijding, is de algemene verwachting dat zonder aanvullende maatregelen danwel met zeer beperkte maatregelen de binnenwaarde van 35 dB(A) kan worden behaald. Vanuit het Bouwbesluit dienen de gevels van de nieuwe appartementen te voldoen aan de minimale geluidweringseis van 20 dB. Aanvullende gevelmaatregelen zijn in dit kader dan niet nodig. Conclusie Ter plaatse van de bestaande woningen wordt, voor zowel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) alsook het maximaal geluidniveau (LAmax), voldaan aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie.
Tevens wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De bestaande woningen vormen geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ter plaatse van de nieuwe appartementen wordt, voor het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), voldaan aan de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter plaatse van de nieuwe appartementen wordt, voor het maximaal geluidniveau (LAmax), niet voldaan aan de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie. Tevens worden
Hoofdstuk 4
40
de grenswaarden het maximaal geluidniveau (LAmax) uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overschreden. De overschrijding wordt veroorzaakt door de laad- en losactiviteiten (vrachtwagens) in de dagperiode. Maatregelen zijn onderzocht en stuiten op bezwaren. Het bevoegd gezag dient te motiveren dat de geluidniveaus conform stap 3 uit de VNG-publicatie zijn Toegestaan. Rekening dient daarbij te worden gehouden met een voldoende gevelwering van de nieuwe appartementen. Om te voldoen aan een binnenniveau van 55 dB(A) ten aanzien van het maximaal geluidniveau dient een gevelwering te worden behaald van 20 tot 25 dB(A) ter plaatse van de nieuwe appartementen. In navolging van het bovenstaande is een berekening 14 van de geluidwering van de gevels uitgevoerd. In het rapport van Windmill worden de berekende geluidbelasting beoordeeld volgens de stappen in de VNG handreiking bedrijven en milieuzonering. In stap 3 van de handreiking wordt bij een piekgeluidbelasting in de dagperiode een maximaal binnennivo van 55 dB(A) vereist. De piekbelasting bedraagt maximaal 80 dB(A). Hierbij is een geluidwering vereist van minimaal 25 dB(A). Omdat de geluidbelasting van het industrielawaai veroorzaakt wordt door de vrachtwagen, is de geluidwering van de gevels op dezelfde wijze en met dezelfde uitgangspunten berekend als voor het wegverkeerslawaai (zie paragraaf 4.2.2.).
Op blad 13 van bijlage 2 in het gevelwering onderzoek is de berekening weergegeven. De geluidwering GA bedraagt 31 dB(A). Bij een geluidbelasting van 80 dB(A), bedraagt het maximale binnennivo 49 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde uit stap 3 van de VNG handreiking. Er wordt voor de woonfuncties derhalve voorzien in een goed woonen leefklimaat. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Op basis van voorliggende onderzoeken wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1
Archeologie
Achtergrond Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet is de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld om het cultureel erfgoed in Nederland beter te kunnen beschermen. 14
Acht Advies b.v., Spoorlaan fase 2, Groesbeek Berekening van de geluidwering van de gevels, Rapportnummer: 820-1035-2, 7 december 2020
Hoofdstuk 4
41
De uitgangspunten zijn: Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen en afwijkingen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen. Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen (principe verstoorder betaalt). De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer van de bodemverstorende activiteit. In de Erfgoedwet is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. De provincie beperkt zich tot zaken die van provinciaal belang zijn, waaronder de aanwijzing van archeologische attentiegebieden en de gebieden die binnen de Omgevingsverordening vallen binnen de zone Romeinse Limes. In dit geval is geen sprake van ligging binnen een provinciaal archeologisch attentiegebied of ligging binnen de zone Romeinse Limes.
Toetsing In het kader van de herontwikkeling van het terrein aan de Spoorlaan zijn diverse onderzoeken uitgevoerd, waaronder een archeologisch bureauonderzoek en een proefsleuvenonderzoek. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is geconcludeerd dat er archeologische resten aanwezig zijn binnen het plangebied. Echter op basis van een selectiebesluit van de gemeente is besloten om niet mee te gaan in het advies van het onderzoeksbureau, aangezien de conservering van de vindplaats werd grotendeels als slecht beoordeeld en een opgraving zou slechts beperkte tijdswinst opleveren. Om die reden heeft de gemeente Berg en Dal het terrein vrijgegeven. Het uitvoeren van nader archeologisch onderzoek is kortom niet noodzakelijk. Doordat bekend is dat de archeologische indicatoren in het plangebied gehandhaafd blijven, is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen in de regels en de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan. Er kan namelijk niet uitgesloten worden dat een andere, toekomstige ontwikkeling in het plangebied de aanwezige archeologische laag wel raakt. Daarnaast dient door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aanof afwezig zullen zijn.
Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect archeologie bestaan er geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
42
4.3.2 Cultuurhistorie In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De gemeente Berg en Dal beschikt hiertoe naast een archeologische beleidsadvieskaart over een cultuurhistorische waardenkaart en een cultuurhistorische beleidsadvieskaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn geen monumenten binnen het plangebied aangewezen. Dit bestemmingsplan leidt niet tot ruimtelijke ingrepen of ontwikkelingen die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op cultuurhistorische waarden. In het plangebied zijn namelijk ook geen cultuurhistorisch waardevolle panden in de vorm van beeldbepalende, beeldondersteunende en karakteristieke panden of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig.
4.4 Explosieven De gehele voormalige gemeente Groesbeek is tijdens de Tweede Wereldoorlog het toneel geweest van intensieve oorlogshandelingen. Dit speelde voornamelijk aan het eind van de oorlog. Onder andere zijn de operaties Veritable en Market Garden het meest bekend, waarbij de frontlinie zich rondom de dorpskern Groesbeek bevond. In 2006 is voor de dorpskern Groesbeek een analyse 15 gemaakt op het mogelijk voorkomen van Niet Gesprongen Explosieven WOII (NGE). Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat het totale centrumgebied van Groesbeek als ‘verdacht’ kon worden aangemerkt. In de jaren erna zijn in het centrum diverse onderzoeken uitgevoerd naar NGE’s bij diverse nieuwbouwprojecten. Al snel bleek dat in de bebouwde omgeving de resultaten van de onderzoeken negatief waren. Er werden geen NGE’s aangetroffen. Voor het huidige planinitiatief aan de Spoorlaan geldt dat de volledige locatie na WOII is geroerd. Er is/was bebouwing van na 1945, de grond ter plaatse is geroerd door aanleg van ondergrondse brandstoftanks, kabels en leidingen, etc. Om deze reden is het uitvoeren van een onderzoek naar NGE’s niet noodzakelijk. Tijdens de uitvoeringsfase blijft voorzichtigheid echter geboden, aangezien de volledige afwezigheid van NGE's niet kan worden gegarandeerd en uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om bij grondwerkzaamheden een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.
Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch 15
Drs. TK, Historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in de onderzoekslocatie ‘Centrumplan: visie wonen en werken kern Groesbeek’, juni 2006.
Hoofdstuk 4
43
afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
4.5 Natuurwaarden Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreffen De Bruuk en de Sint-Jansberg. Deze gebieden bevinden zich op respectievelijk 1,8 kilometer ten zuidoosten- en 3,1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling een centrumontwikkeling betreft met diverse functies, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten.
Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening (bijlage 12) uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de notitie en stikstofdepositieberekeningen in de bijlage van deze toelichting. Het besluitgebied is daarnaast niet gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het dichtstbijzijnde gelegen onderdeel van het GNN ligt op ongeveer 0,5 kilometer ten westen van het besluitgebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het GNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Hoofdstuk 4
44
Soortenbescherming Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door Bureau Waardenburg is daarom een quickscan flora en fauna16 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Quickscan flora en fauna Op basis van de beschikbare informatie wordt gesteld dat de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in de aanwezige bebouwing binnen het onderzoeksgebied niet op voorhand kan worden uitgesloten. Om te bepalen of de sloop van de bebouwing leidt tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het onderzoeksgebied heeft verder geen betekenis voor andere (strikt) beschermde soorten. Vervolgonderzoek vleermuizen Door Bureau Waardenburg bv is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen uitgevoerd17. De resultaten hiervan zijn onderstaand kort weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledig onderzoeksrapport. Tijdens het uitgevoerde onderzoek zijn geen zomer-, paar- of kraamverblijfplaatsen aangetroffen in de te slopen gebouwen binnen het plangebied. Aansluitend zijn de gevelopeningen dichtgezet. Bomen en andere structuren in het plangebied hebben geen functie als essentieel foerageergebied of vliegroute.
De sloop van het gebouw en herinrichting van het terrein heeft niet tot gevolg dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden wordt geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig geacht. Om te voorkomen dat nesten van broedende vogels worden aangetast, wordt geadviseerd om de sloopwerkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect flora en fauna geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Verkeersgeneratie en Parkeren Fase 1 en 2 tezamen In het kader van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure voor fase 1, is voor de ontwikkeling als geheel (dus fase 1 en fase 2 tezamen) door BRO een notitie 18 opgesteld waarin de verkeerskundige gevolgen in beeld zijn gebracht. Hoewel het programma voor het fase 2 deel inmiddels is gewijzigd middels het verlagen van het aantal vierkante meters ten behoeve van detailhandel en de toevoeging van appartementen, is de totale verkeersaantrekkende werking vergelijkbaar met de in de eerder 16 17 18
Bureau Waardenburg bv, Notitie Flora- en faunawet quick scan beschermde soorten Spoorlaan te Groesbeek, kenmerk 15872/15.07645/RalSm, 8 december 2015. Bureau Waardenburg bv, Vleermuisonderzoek Spoorlaan 1 Groesbeek, kenmerk 15-929/17.07201/AnKar, 6 oktober 2017. BRO, Verkeerskundige aspecten herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, 8 december 2015.
Hoofdstuk 4
45
uitgevoerde onderzoeken opgenomen uitgangspunten. Hiermee blijven de conclusies voor wat betreft impact op de omgeving dus van toepassing. In het destijds uitgevoerde onderzoek is namelijk uitgegaan van een gemiddelde verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling als geheel van circa 2.593 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op basis van het geactualiseerde bouwplan voor fase 2 is door Bro een nieuwe een nieuwe notitie 19 opgesteld waarin de verkeerskundige gevolgen in beeld zijn gebracht. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven wat betreft verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 2. Fase 2 Verkeersgeneratie Wanneer wordt gekeken naar uitsluitend de ontwikkeling van het fase 2 deel, dan bestaat deze ten opzichte het reeds vergunde en gerealiseerde fase 1 deel uit een toename van 24 appartementen (18 in de middeldure huursector en 6 in de dure koopsector), een toename van 143 m² bvo ten behoeve van de Jan Linders, een toename van 174 m² bvo ten behoeve van de Aldi en een toename van 595 m² ten behoeve van algemene detailhandel (en/of horeca van maximaal categorie 2), niet zijnde een supermarkt. In z’n totaliteit leiden deze functies tot circa 546 motorvoertuigbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag.
Aan de bestaande functies, zoals deze op basis van het vigerende bestemmingsplan zijn toegestaan, zijn 332 motorvoertuigbewegingen toe te kennen. Deze worden in mindering gebracht op de totale verkeersproductie. De toename in verkeersbewegingen (lichte motorvoertuigen) bedraagt dan 214 mvt/etmaal. Gezien de relatief beperkte toename van vloeroppervlakte van beide supermarkten zullen de Aldi en Jan Linders geen extra vrachtverkeer aantrekken. De verkeersgeneratie voor de uitbreiding van de supermarkten is berekend voor personenautoverkeer en geldt als een worst-case scenario. De verwachting is namelijk dat het berekende aantal ritten (= 546 ritten / etmaal / 2) een overschatting is en niet daadwerkelijk 273 nieuwe klanten / etmaal opleveren. Hierbij dient te worden aangetekend dat, zoals reeds beschreven in paragraaf 3.1, middels het voorliggende bestemmingsplan feitelijk een afname van de juridisch-planologische planvoorraad aan detailhandel bereikt wordt bewerkstelligd. De mogelijkheid van 2.260 m² bvo ten behoeve van detailhandelsdoeleinden komt namelijk te vervallen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om ondergronds te bouwen op basis van dit bestemmingsplan binnen de bestemming ‘Gemengd’ uitgesloten. Verder wordt het totale aantal vierkante meters bvo ten behoeve van supermarkten en overige detailhandel strikt beperkt.
Dit alles leidt ertoe dat met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan feitelijk een afname van de huidige juridisch-planologische planvoorraad voor detailhandelsdoeleinden wordt bereikt en dus vanuit juridisch-planologisch opzicht ook geen toename van het aantal verkeersbewegingen zal plaatsvinden. Uit de in het kader van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure voor het reeds vergunde en gerealiseerde deel opgestelde notitie is reeds gebleken dat het toevoegen van de nieuwe functies voor fase 1 en fase 2 tezamen niet leidt tot negatieve verkeerskundige gevolgen voor de omgeving. 19
BRO, Verkeersgeneratie en parkeren Spoorlaan Groesbeek, 24 november 2020.
Hoofdstuk 4
46
Gelet op het bovenstaande geldt deze conclusie ook voor het inmiddels gewijzigde programma, zoals opgenomen in dit bestemmingsplan. Fase 2 Parkeerbehoefte Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de rekentool van het CROW (Parkeervraagcalculator) welke gebaseerd is op CROW publicatie 381. Op basis van de bruto parkeerbehoefte berekening blijkt dat de toe te voegen bebouwing een toename van parkeerbehoefte genereert van bruto 63 parkeerplaatsen. De bruto parkeerbehoefte wordt berekend door het bruto vloeroppervlak (BVO) en aantallen woningen van de te ontwikkelen functies te vermenigvuldigden met een parkeernorm. De totale toename in netto parkeerbehoefte valt lager uit door de toepassing van aanwezigheidspercentages. Door de verschillende functies is er namelijk sprake van dubbel gebruik van parkeerplaatsen. De diverse functies hebben een verschillend aanwezigheidsprofiel. Dat wil zeggen dat niet iedere functie op elk tijdstip 100% aanwezigheid rechtvaardigt. De netto parkeerbehoefte op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) bedraagt 52 parkeerplaatsen (minimaal 40 p.p. en maximaal 64). De berekeningen zijn opgenomen in de bijlage. Naast een toename van parkeerbehoefte is er ook een afname van parkeerbehoefte vanwege het verdwijnen van de bestaande winkelfunctie.
De winkelfuncties die verdwijnen zorgen voor een afname van 37 parkeerplaatsen op het maatgevende moment (zaterdagmiddag). Per saldo neemt de parkeerbehoefte na de herontwikkeling toe met 15 parkeerplaatsen (52 – 37 p.p.) tijdens het maatgevende moment. In het nieuwbouwplan worden 7 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Er blijft dan een parkeerbehoefte over van 8 parkeerplaatsen (=15-7 p.p.) op het maatgevende moment. Uit recent uitgevoerd parkeertellingen onderzoek blijkt dat de hoogst gemeten parkeerdruk in het plangebied op woensdagmiddag plaatsvindt. Op dat moment bedraagt de totale restcapaciteit in de omgeving bijna 100 parkeerplaatsen. Hieruit blijkt dat er ruim voldoende restcapaciteit bestaat om de netto toename van 8 parkeerplaatsen op te vangen. Deze extra behoefte aan parkeerplaatsen kan prima opgevangen worden in de huidige parkeervoorzieningen aan de oostzijde van het plangebied en in de bestaande parkeergarage daaronder. Conclusie Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er kortom geen belemmeringen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notities in de bijlage.
Hoofdstuk 4
47
4.7 Kabels en leidingen Blijkens de geldende bestemmingsplannen en leidinggegevens van de Gasunie, liggen binnen of in de nabijheid van het plangebied geen leidingen en/of kabels met een planologische beschermingszone waarbinnen nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk zijn c.q. getoetst moeten worden op uitvoerbaarheid door de leidingbeheerder. Er zijn kortom geen kabels of leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling.
4.8 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland en de gemeente Berg en Dal. In het kader van duurzaam waterbeheer hanteert het waterschap, naast de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’, de drietrapsstrategie ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’. Uitgangspunt is dat schoon hemelwater niet thuishoort in het riool, maar moet worden afgekoppeld. Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving. De Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. Voor bepaalde werkzaamheden in de beschermingszone van een watergang of een waterkering gelden algemene regels. Voor meer ingrijpende werkzaamheden is ingevolge de Keur een watervergunning benodigd. Een watervergunning wordt alleen verleend als het belang van de watergang of waterkering niet in het geding komt. Het plangebied ligt niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering.
De gemeente Berg en Dal conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater aan het beleid van het waterschap. Bij een toename van het verhard oppervlak vanaf 500 m² in stedelijk gebied, gelden ten aanzien van compenserende waterberging de eisen vanuit waterschap Rivierenland. Daaronder gelden de compensatie eisen van de gemeente Berg en Dal. In het voorliggende geval is sprake van een afname van de hoeveelheid van verhard oppervlak van circa 89 m² (voor fase 1 en 2 tezamen). Vanuit het waterschap worden derhalve geen aanvullende eisen gesteld aan de ontwikkeling. Alle nieuwe ontwikkelingen dienen hydrologisch neutraal uitgevoerd te worden. De Berg en Dal hanteert daarbij een waterbergingseis van T=10+10% (vuistregel 436 m³ berging per hectare verhard oppervlak).
Hoofdstuk 4
48
Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, grondwater en waterkwaliteit, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. Grondwater- en bodemopbouw De onderzoekslocatie ligt op de zuidhelling van een zogenaamd oerstroomdal. Iets noordelijk (ca. 150 m) van de onderzoekslocatie stroomt de Groesbeek. Uit geohydrologisch onderzoek is bekend dat de grondwaterstroming ter plaatse van het oostelijk deel van het stuwwallencomplex van Groesbeek over het algemeen oostelijk is gericht. Voor de onderzoekslocatie wordt gezien de ligging van de Groesbeek, een noordoostelijk gerichte grondwaterstroming verwacht. Het grondwater heeft een sterk verhang met een Gemiddelde Voorjaars Grondwaterstand (GVG) van 30,5 m +NAP in het westen en 28,0 m +NAP in het oosten. Op basis van deze informatie wordt er vanuit gegaan dat de GHG dieper is gelegen dan 4 m -mv. Het plangebied is niet gelegen binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Grondwater en waterkwaliteit Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen.
Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater Ten noorden van het plangebied aan de overzijde van de voormalige spoorbaan is de (toekomstige) loop van de Spoorbeek gelegen. De spoorbeek is eigendom van gemeente Groesbeek en wordt onder andere gebruikt voor transport van hemelwater uit het plan Dorpsstraat-Mariendaal. Deze mondt uit in het Groeske (aan de Mariendaalseweg). Afvalwater en hemelwater In het kader van de watertoets is door Econsultancy een rapportage20 opgesteld waarin de wijze waarop binnen het plangebied voor het project als geheel (fase 1 en fase 2 tezamen) met water wordt omgegaan, is beschreven. Onderstand wordt het één en ander kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport in de bijlage. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet direct op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen het plangebied worden verwerkt conform de uitgangspunten van de waterbeheerder. Dit betekent
20
Econsultancy, Watertoets Herontwikkeling Spoorlaan te Groesbeek, rapportnummer 15023108, 26 februari 2016
Hoofdstuk 4
49
dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Vanuit de gemeente is aangegeven dat extra regenwater is gewenst op de Spoorbeek. De Spoorbeek wordt onder andere ook gebruikt voor transport van hemelwater afkomstig uit het plan DorpsstraatMariëndaal. De Spoorbeek mondt uiteindelijk uit in het Groeske (aan de Mariëndaalseweg), alwaar een retentievoorziening is aangebracht van circa 3.500 m³. Derhalve wordt in het kader van het planvoornemen het volledige dakoppervlak richting de Spoorbeek afgevoerd. Het voornemen is om het dakwater bovengronds middels een opengootconstructie af te voeren naar de Spoorbeek. De hoogte van het straatwerk is hierop gedimensioneerd. De capaciteit van de retentievoorziening is voldoende om het extra regenwater binnen het plangebied te verwerken. Hemelwater afkomstig van het parkeergedeelte wordt middels verticale infiltratie geïnfiltreerd. Uit nader onderzoek blijkt dat infiltratie zeker tot de mogelijkheden behoort. Tot 2,0 m -mv is een gemiddelde doorlatendheid gemeten van 3,5 m/dag. Naar verwachting zal, op basis van de resultaten uit het doorlatendheidsonderzoek, de doorlatendheid toenemen naarmate de grondslag grover wordt.
Vanwege het hoogteverschil zal hemelwater zoveel mogelijk aan de noordzijde van het parkeerterrein geïnfiltreerd moeten worden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioleringsstelsel in de Noordwesthoek van het plangebied. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. Conclusies en overleg met de waterbeheerder Het planvoornemen is ter toetsing voorgelegd bij het Waterschap Rivierenland. De opmerkingen zijn deels verwerkt. Op basis van bovenstaande randvoorwaarden en uitgangspunten kan het hemelwater verwerkt worden conform de uitgangspunten van de waterbeheerders. Vanuit het oogpunt van de waterhuishouding wordt dan ook geen belemmering verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Milieueffectrapportage 4.9.1
M.e.r.-plicht
Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw en detailhandelsfuncties mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen en detailhandelsfuncties De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2)
Hoofdstuk 4
50
van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.5 ‘Natuurwaarden’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.
Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 4.9.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.
Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
Hoofdstuk 4
51
Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het project betreft vervangende nieuwbouw ten behoeve van detailhandelsfuncties / horeca (van maximaal categorie 2) en maximaal 24 appartementen in het centrumgebied van Groesbeek. Hierbij dient te worden aangetekend dat vanuit juridisch-planologisch oogpunt de ruime mogelijkheden op basis van het vigerende bestemmingsplan komen te vervallen.
Cumulatie met andere projecten
Hoofdstuk 4
Nee
52
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de sloop- en aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.2.3): Met onderhavig plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.2.2): Er is middels de beoogde gevelwering sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon-en leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer (dit geldt tevens voor het aspect industrielawaai, conform paragraaf 4.2.5).
Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woningen en detailhandelsfuncties. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden grotendeels in gebruik ten behoeve van detailhandelsdoeleinden en bijbehorende parkeer- en groenvoorzieningen. Het plangebied is deels bebouwd en vrijwel volledig verhard.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.5 ‘Natuurwaarden’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communau-
Nee
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.3): Er wordt met de ontwikkeling geen nega-
tureel of archeologisch belang
tieve invloed uitgeoefend op cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Hoofdstuk 4
53
Archeologie (zie ook paragraaf 4.3): het archeologisch belang is door middel van diverse onderzoeken in het planproces betrokken. De archeologische waarden zijn geborgd in de regels van onderhavig bestemmingsplan.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.5 ‘Natuurwaarden’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Ne-
(voormalige EHS)
derland (NNN). Zie paragraaf 4.5 ‘Natuurwaarden’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Nee, zie paragraaf 4.8 ‘Waterhuishouding’.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op beschermde monumenten.
Belvedere-gebied
Nee
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is deels sprake van sloop van bestaande verouderde bebouwing. De effecten
van het effect
zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; en 3. De kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn
Hoofdstuk 4
54
dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 4
55
5.
JURIDISCHE OPZET BESTEMMINGSPLAN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/ of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2 Opzet planregels Onderstaand worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Er wordt tevens een toelichting gegeven op welke wijze de regels zijn ingedeeld en de inhoud van de regels wordt verkort weergegeven. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: