M28 Bijlage 1 - Toelichting en regels ontwerp bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Winkel- en woonontwikkeling Spoorlaan fase 2, Groesbeek” Gemeente Berg en Dal Ontwerp
Bestemmingsplan “Winkel- en woonontwikkeling Spoorlaan, centrum Groesbeek” Gemeente Berg en Dal Ontwerp
Identificatienummer:
NL.IMRO.1945.BPSPOORLAANFASE2-ONW1
Rapportnummer:
211x07628
Datum:
14 december 2020
Opdrachtgever:
Concept-nl projectontwikkeling BV
Ontwerp:
December 2020
Vastgesteld: Projectteam BRO:
ROs, SRo, LVi
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, centrumontwikkeling, woningbouw, Spoorlaan, Groesbeek
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 1
Beknopte inhoud:
De gemeente Berg en Dal streeft naar een meer bruisend dorpshart voor de kern Groesbeek, onder meer door een sterkere concentratie van de winkels en andere publieksgerichte voorzieningen. In dit kader is een plan ontwikkeld voor de verplaatsing en vergroting van twee buiten het beleidsmatig aangewezen kernwinkelgebied gelegen relatief kleine supermarkten naar de locatie aan de Spoorlaan in Groesbeek. De ontwikkeling is gesplitst in twee fasen. Voor fase één is inmiddels een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend en dit deels is ook reeds gerealiseerd. Middels dit bestemmingsplan wordt fase twee mogelijk gemaakt en wordt de ontwikkeling van fase één als conserverend onderdeel meegenomen.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 5 7
2. GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Beschrijving plangebied 2.2 Beschrijving project 2.3 Ruimtelijke effecten
8 8 11 16
3. BELEIDSASPECTEN 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid
17 17 21
3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland 3.2.3 Ontwerp Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening 3.2.4 Toetsing aan provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
21 22 ontwerp-actualisatieplan 23 23 24
3.3.1 Structuurvisie Groesbeek 2025 3.3.2 Woonvisie
24 26
4. ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
28 28 29
4.2.1 Bodem 4.2.2 Wegverkeerslawaai 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.3 Archeologie en cultuurhistorie
29 29 32 33 35 41
4.3.1 Archeologie 4.3.2 Cultuurhistorie 4.4 Explosieven 4.5 Natuurwaarden 4.6 Verkeersgeneratie en Parkeren
41 43 43 44 45
Inhoudsopgave
1
6
4.7 Kabels en leidingen 4.8 Waterparagraaf 4.9 Milieueffectrapportage
48 48 50
4.9.1 M.e.r.-plicht 4.9.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
50 51
5. JURIDISCHE OPZET BESTEMMINGSPLAN 5.1 Planonderdelen 5.2 Opzet planregels
56 56 56
5.2.1 Inleidende regels 5.2.2 Bestemmingsregels 5.2.3 Algemene regels 5.2.4 Overgangs- en slotregels
57 57 58 58
6. INSPRAAK EN OVERLEG 6.1 Inspraakprocedure 6.2 Resultaten overleg ex. artikel 3.1.1 Bro 6.3 Zienswijzen
59 59 59 59
7. PROCEDURE
60
Inhoudsopgave
2
BIJLAGE Bijlage 1 Advies Commissie Ruimtelijke Kwaliteit ONDERZOEKSRAPPORTEN 1 BRO, Groesbeek, Ruimtelijk-functionele effectenanalyse detailhandelsontwikkelingen Spoorlaan, 24-02-2016. 2 A: BRO, Verkeerskundige aspecten herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, 8 december 2015 B: BRO, Verkeersgeneratie en parkeren ontwikkellocatie Spoorlaan Groesbeek, 24 november 2020 3 Bureau Waardenburg bv, Notitie Flora- en faunawet quick scan beschermde soorten Spoorlaan te Groesbeek, kenmerk 15-872/15.07645/RalSm, 8 december 2015. 4 Bureau Waardenburg bv, Vleermuisonderzoek Spoorlaan 1 Groesbeek, kenmerk 15929/17.07201/AnKar, 6 oktober 2017. 5 Drs. TK, Historisch vooronderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in de onderzoekslocatie ‘Centrumplan: visie wonen en werken kern Groesbeek’, juni 2006. 6 Econsultancy, Watertoets Herontwikkeling Spoorlaan te Groesbeek, rapportnummer 15023108, 26-02-2016. 7 Envita, Actualiserend bodemonderzoek Spoorlaan 1-5A in Groesbeek, 14-04-2015. 8 Envita, Saneringsnotitie Spoorlaan 1A-5 in Groesbeek, 23-04-2015.
9 Windmill, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bestemmingsplan Herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, Rapportnummer: 20201130-BRO074-RAP-AKO-VL-2.0, 30 november 2020 10 Windmill, Akoestisch onderzoek industrielawaai bestemmingsplan Herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, Rapportnummer: 20201203-BRO074-RAP-AKO-IL-3.0, 3 december 2020 11 Acht Advies b.v., Spoorlaan fase 2, Groesbeek Berekening van de geluidwering van de gevels, Rapportnummer: 820-1035-2, 7 december 2020 12 BRO, AERIUS-berekening Spoorlaan, Groesbeek, Gemeente Berg en Dal Rapportnummer: 211x07628, 30 november 2020
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel De gemeente Berg en Dal streeft naar een meer bruisend dorpshart, onder meer door een sterkere concentratie van de winkels en andere publieksgerichte voorzieningen. In dit kader is een plan ontwikkeld voor de verplaatsing en vergroting van de Jan Linders en Aldi naar de locatie aan de Spoorlaan in Groesbeek in combinatie met de bouw van appartementen en commerciële ruimtes + (geringe) uitbreiding bestaande supers. De ontwikkeling vindt plaats in twee fasen. In de reeds gerealiseerde eerste fase1 is voorzien in nieuwbouw met bijbehorende parkeervoorzieningen ten behoeve van twee supermarkten (Aldi en Jan Linders), die vanaf hun oorspronkelijke locatie in Groesbeek naar de Spoorlaan zijn verplaatst.
Topografische kaart met globale aanduiding van de ligging van het plangebied.
In de tweede fase zal de resterende bebouwing aan de oostzijde van de Markt (zijnde de westzijde van het plangebied) worden gesloopt en worden vervangen door nieuwbouw ten behoeve van detail-
1
Voor de eerste fase is 18 maart 2016 een omgevingsvergunning verleend.
Hoofdstuk 1
4
handelsfuncties / horeca (van maximaal categorie 2) en maximaal 24 appartementen. In dit bestemmingsplan wordt de reeds gerealiseerde ontwikkeling van fase 1 vertaald in een actuele bestemmingsplanregeling. Dit deel heeft kortom een conserverend karakter. Daarnaast wordt de ontwikkeling van fase 2 als nieuwe ontwikkeling meegenomen in dit bestemmingsplan en voorzien van een actuele juridisch-planologische regeling.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen direct ten zuiden van de spoorlijn en direct ten noorden van de Spoorlaan in Groesbeek en omvat het deel gelegen tussen de Pompweg en de Nijverheidsweg.
Kadastrale ondergrond met begrenzing plangebied.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Centrum Groesbeek Dorp', dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Groesbeek op 19 augustus 2009 is vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan is de herontwikkeling van het terrein aan de Spoorlaan niet rechtstreeks mogelijk. Voor het westelijke deel van het plangebied waar de nieuwbouw voorzien is, geldt dat grotendeels sprake is van de bestemming ‘Centrumdoeleinden’ waarbinnen detailhandel (ook in de vorm van een
Hoofdstuk 1
5
supermarkt) is toegestaan. Voor een deel is echter sprake van de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Bedrijfsdoeleinden’, waarbinnen de functie detailhandel en bebouwing ten behoeve van een dergelijke functie niet is toegestaan. De beoogde appartementen kunnen evenmin volledig worden gerealiseerd binnen de bestemmingen ‘Woondoeleinden’ en ‘Centrumdoeleinden’. Voor het meest noordwestelijke deel geldt de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’, waarbinnen geen gebouwen ten behoeve van detailhandel of woningen zijn toegestaan. Het bestemmingsplan kent ook geen flexibiliteitsbepalingen waarmee de strijdigheden met het bestemmingsplan zouden kunnen worden weggenomen.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan ‘Centrum Groesbeek Dorp’.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan geldt in het westen van het plangebied een deel de bestemming ‘DV2’. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt deze locatie juridisch planologisch gewijzigd ten behoeve van de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. De gemeente Berg en Dal heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de ontwikkeling. Voor fase 1 is op 18 maart 2016 door de gemeente Berg en Dal dan ook reeds een omgevingsvergunning verleend en inmiddels is deze fase ook gerealiseerd. Dit deel wordt als conserverend vertaald in dit bestemmingsplan. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt naast het voorzien in een actuele juridisch-planologische regeling voor fase 1, tevens voorzien in een juridisch-planologisch kader voor fase 2 van de ontwikkeling en wijzigen van de bestemming ‘DV2’ ten behoeve van de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’.
Hoofdstuk 1
6
1.4 Leeswijzer De opbouw van deze toelichting is als volgt: in hoofdstuk 2 wordt het gebieds- en het projectprofiel beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek, dat ten behoeve van de planrealisatie verricht is, belicht. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische opzet van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 worden de resultaten uit het gevoerde overleg met belanghebbenden beschreven. In hoofdstuk 7 is tot slot een beschrijving van de verdere procedure opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
2.
GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Beschrijving plangebied Het plangebied omvat de gronden tussen de spoorlijn en de Spoorlaan in Groesbeek, gelegen tussen de Pompweg en de Nijverheidsweg. Het gehele plangebied omvat circa 11.250 m², waarbij een klein deel van circa 205 m² is gelegen aan de overzijde van de Spoorlaan. Binnen het plangebied is fase 1 van de totale herontwikkeling inmiddels vergund en gerealiseerd. De navolgende foto’s geven een indruk van de huidige situatie binnen het plangebied.
Zicht op de voorgevels van de in fase 1 gerealiseerde nieuwbouw ten behoeve van de supermarkten.
Zicht op de in fase 1 gerealiseerde parkeerplaatsen aan de voorzijde van de supermarkten.
Hoofdstuk 2
8
Zicht op de nieuwbouw langs de spoorzijde met rechts de nog te slopen bebouwing.
Zicht op de bestaande en nog te slopen bebouwing.
Plangebied gezien vanaf de hoek Spoorlaan – Nijverheidsweg.
Hoofdstuk 2
9
Parkeerkelder langs het spoor.
Hoofdstuk 2
10
2.2 Beschrijving project Het voornemen bestond om de buiten het beleidsmatig aangewezen kernwinkelgebied gelegen Aldi en Jan Linders supermarkten, te verplaatsen naar de locatie aan de Spoorlaan in Groesbeek. De locatie aan de Spoorlaan wordt in twee fasen herontwikkeld. In de reeds gerealiseerde eerste fase is voorzien in nieuwbouw met bijbehorende parkeervoorzieningen ten behoeve van de bovengenoemde supermarkten. Hiervoor is op 18 maart 2016 door de gemeente Berg en Dal een omgevingsvergunning verleend die in dit bestemmingsplan is vertaald in een passende juridisch-planologische regeling. In de tweede fase zal de resterende bebouwing aan de oostzijde van de Markt en de westzijde van het plangebied worden gesloopt en worden vervangen door nieuwbouw ten behoeve van de detailhandelsfuncties, overige winkelfuncties / horeca van maximaal categorie 2 en maximaal 24 appartementen, waarvan 18 middeldure huurappartementen en 6 koopappartementen. Dit deel wordt als nieuwe ontwikkeling meegenomen in dit bestemmingsplan en voorzien van een passende juridischplanologische regeling. Op de navolgende situatietekeningen van de bestaande en toekomstige situatie is het onderscheid tussen het onherroepelijk vergunde en reeds gerealiseerde fase 1-deel en het middels dit bestemmingsplan mogelijk te maken fase 2-deel inzichtelijk gemaakt.
Impressie bestaande situatie (bovenaanzicht)
Hoofdstuk 2
11
Situatietekening met onderverdeling fase 1 (groen gearceerd) en fase 2 (rood gearceerd).
De voorziene bruto vloeroppervlakte van de Jan Linders bedraagt na afronding van fase 2 in totaal circa 1.697 m². Hiervan is circa 1.554 m² reeds vergund in fase 1 en inmiddels ook gerealiseerd. De voorziene bruto vloeroppervlakte van de Aldi bedraagt na afronding van fase 2 in totaal circa 1.357 m². Hiervan is circa 1.182 m² reeds vergund in fase 1 en inmiddels ook gerealiseerd. De hoeveelheid bruto vloeroppervlakte aan overige winkelruimte bedraagt na afronding van fase 2 in totaal circa 595 m². Ter plaatse van de 595 m² aan overige winkelfuncties is tevens horeca van maximaal categorie 2 toegestaan. De totale bruto vloeroppervlakte ten behoeve van detailhandelsfuncties die middels dit bestemmingsplan naast de reeds in fase 1 toegestane winkelruimte binnen het plangebied mogelijk wordt gemaakt, bedraagt daarmee circa 913 m², onderverdeeld in circa 143 m² ten behoeve van de Jan Linders, circa 175 m² ten behoeve van de Aldi en 595 m² ten behoeve van overige winkelfuncties en/of horeca.
Hoofdstuk 2
12
Voor wat betreft de appartementen geldt dat er twee zijn voorzien op de begane grond, aan de zuidwestzijde van de nieuwbouw. De overige appartementen worden gerealiseerd op de verdiepingen. Achter de appartementen op de begane grond is verder voorzien in bergingen ten behoeve van de appartementen en wordt tevens voorzien in een stallingsgarage voor 3 koopappartementen. De bebouwing krijgt een architectuur afgestemd op de overige architectuur in het Centrumplan en passend bij de ligging aan het spoor. In verband met het aanwezige hoogteverschil in het omliggende openbaar gebied, wordt een verloop in het peilniveau gehanteerd. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat voor de bestaande supermarkten (inclusief de uitbreiding) en fase 2 (zijnde de commerciële ruimtes en de entree van de appartementen) een peil van 34,30 m + NAP gehanteerd dient te worden. De hoogte voor wat betreft de bergingen, de garage en het binnenterrein worden gemeten ten opzichte van het peil dat 35,80 m + NAP bedraagt. Deze twee peilmaten zijn verankerd in de regels van het bestemmingsplan en de verbeelding van het bestemmingsplan. Op deze wijze kan op geen enkele wijze onduidelijkheid ontstaan over het te hanteren peilniveau. Voor het fase 1 deel worden de reeds vergunde hoogtes ten opzicht van het peilniveau van 34,30 m + NAP2 opgenomen.
Hiervoor geldt ten opzichte van dit peilniveau dat sprake is van een maximale goothoogte van 7,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Voor het fase 2 deel geldt dat ten opzichte van het peilniveau van 34,30 m + NAP ter plaatse van de appartementen langs de west- en noordwestzijde een maximale goot- en bouwhoogte mogelijk wordt gemaakt van 14 en 17 meter. Langs de zuidwestzijde wordt een maximale goot- en bouwhoogte mogelijk gemaakt van 12 en 15,5 meter. Voor de delen gelegen tussen het fase 1 deel en de buitenste delen van de appartementen, wordt de bebouwing uitgevoerd met een plat dak met uiteenlopende hoogtes. Deze hoogtes zijn lager dan de maximale hoogtes van de appartementen langs de buitenzijde. Aan de oostzijde is in het kader van het fase 1 deel reeds voorzien in parkeerplaatsen. Het betreft een ondergrondse parkeergarage, een maximale diepte van één ondergrondse bouwlaag, met hierboven een parkeerterrein. Daarnaast wordt aan de zijde van het Marktplein voorzien in enkele parkeerplaatsen en worden aan de oostzijde van de nieuwbouw fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Tot slot worden op het perceel van het voormalige FNV-gebouw ook parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal zullen er in de toekomstige situatie voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Voor meer informatie over de parkeervoorzieningen zie paragraaf 4.6.
2
Het feitelijke peilniveau van het fase 1 deel bedraagt 36.050 +NAP.
Hoofdstuk 2
13
Impressie planvoornemen (noordgevel)
Impressie planvoornemen (oostgevel)
Hoofdstuk 2
14
Impressie planvoornemen (zuidgevel)
Impressie planvoornemen (zuidwest gevel)
Hoofdstuk 2
15
2.3 Ruimtelijke effecten Qua architectuur en uitstraling van de bebouwing past het ontwerp in de omgeving en bij de ligging langs het spoor, waarbij de architectuur wordt afgestemd op de overige architectuur in het centrum van Groesbeek. Ook voor wat betreft de hoogte van de nieuwbouw wordt aangesloten op de reeds bestaande appartementencomplexen langs de Spoorlaan en Stationsweg. Het gehele oostelijke deel van het plangebied is ingevuld met parkeervoorzieningen en bijbehorende groenvoorzieningen.
Appartementengebouwen nabij het plangebied.
Doordat voor een belangrijk deel sprake is van herstructurering en vervanging van verouderde bebouwing door kwalitatief hoogwaardige nieuwbouw, wordt feitelijk een kwaliteitsimpuls gegeven aan het gebied. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft dan ook aangegeven dat het plan vanzelfsprekend past als hoofdpunt op het plein in het midden van Groesbeek. Alle gevels van het plan zijn met zorg afgestemd op het hoogwaardige concept. Het volledig advies is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. De ontwikkeling draagt kortom in positieve zin bij aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en er kan dan ook gesteld worden dat sprake is van positieve ruimtelijke effecten.
Hoofdstuk 2
16
3.
BELEIDSASPECTEN
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Hoofdstuk 3
17
Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Afweging Met het planvoornemen wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het project. Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art.
3.1.6 als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” De Ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden toegepast indien er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dit geval is reeds sprake van een onherroepelijke vergunning voor het inmiddels gerealiseerde fase 1 deel van de ontwikkeling. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt slechts een beperkte toename van de hoeveelheid vierkante meters aan winkelruimte mogelijk gemaakt bovenop het reeds vergunde deel. In totaal betreft het 143 m² en 175 m² bvo ten behoeve van de twee supermarkten en circa 595 m² bvo ten behoeve van overige detailhandel en/of horeca van maximaal categorie 2. In totaal komt dit neer op 868 m² bvo. Daarnaast worden 24 appartementen mogelijk gemaakt, waarvan 18 in de middeldure huursector en 6 in de koopsector. Onderstaand wordt nader ingegaan op de onderbouwing in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Detailhandelsfuncties Op basis van de bestemming ‘Centrumdoeleinden’ van het nog vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Groesbeek Dorp’ is momenteel nog circa 1.130 m² bvo aan detailhandel (waaronder ook ten behoeve van een supermarkt) rechtstreeks toegestaan. Daarnaast mogen de gronden ter plaatse van de bestemming ‘Centrumdoeleinden’ volledig onderkelderd worden, waardoor nog eens circa 1.130 m² is toegestaan ten behoeve van bijvoorbeeld magazijnruimte, kantine, sanitaire ruimtes etc. Het totale aantal vierkante meters bvo dat op basis van het vigerende bestemmingsplan nog is toegestaan, bedraagt kortom 2.260 m². Dit is ruimschoots meer dan nu in fase 2 van de ontwikkeling is voorzien. Na vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan komt de mogelijkheid van 2.260 m² bvo ten behoeve van detailhandelsdoeleinden te vervallen. Daarnaast wordt de mogelijkheid om ondergronds te
Hoofdstuk 3
18
bouwen op basis van dit bestemmingsplan uitgesloten. Verder wordt het totale aantal vierkante meters bvo ten behoeve van supermarkten en overige detailhandel strikt beperkt. Dit alles leidt ertoe dat met de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan feitelijk een afname van de huidige juridischplanologische planvoorraad voor detailhandelsdoeleinden wordt bereikt. Op basis hiervan kan worden beargumenteerd dat voor wat betreft de detailhandelsfuncties geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de ladder voor duurzame verstedelijking niet hoeft te worden doorlopen. Dit neemt niet weg dat door BRO in het kader van het project als geheel, in het kader van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure voor fase 1, reeds een ruimtelijk-functionele effectenanalyse3 is uitgevoerd. Uit de betreffende analyse is gebleken dat het project als geheel zowel kwalitatief als kwantitatief voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in de ladder voor duurzame verstedelijking 4. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Intergemeentelijk overlegorgaan detailhandel Door de gemeente Berg en Dal is het initiatief aanvullend nog voorgelegd aan het Intergemeentelijk overlegorgaan detailhandel (IOD). Het IOD heeft op 24 november 2015 geconstateerd de ontwikkeling niet zal leiden tot onwenselijke bovenlokale effecten op de bestaande detailhandelsstructuur.
Appartementen Voor de appartementen geldt op basis van het aantal dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking verplicht is. Onderstaand wordt hier nader op ingegaan. Met het verdwijnen van de crisis is ook weer beweging gekomen in de woningbouwmarkt. Gedurende de crisisjaren heeft deze behoorlijk op slot gezeten. Nu de huizenprijzen weer aan het stijgen zijn, kunnen veel huiseigenaren de stap op de woningmarkt zetten die ze eigenlijk al eerder hadden willen zetten. In de vergrijzende samenleving is een duidelijk zichtbare trend de verschuiving van koop naar huur. Gezien het nog steeds stijgende aandeel van één- en tweepersoonshuishoudens is in algemene zin ook meer behoefte aan appartementen dan aan grondgebonden woningen. Beide trends zijn ook in Groesbeek zichtbaar. Tegelijkertijd is er een ‘gat’ ontstaan in het aanbod van typen woningen. Sociale huurwoningen mogen enkel nog worden verhuurd aan personen met een laag inkomen, terwijl Oosterpoort op basis van de Woningwet vrijwel alle middeldure huurwoningen weer in het sociale huursegment brengt of gaat verkopen. Voor woningzoekenden die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en geen woning kunnen of willen kopen, is er daarom momenteel weinig aanbod aan middeldure huurwoningen beschikbaar.
3
BRO, Groesbeek, Ruimtelijk-functionele effectenanalyse detailhandels-ontwikkelingen Spoorlaan, 24-02-2016. Hoewel na het opstellen van de ruimtelijk functionele effectenanalyse de AH reeds is verplaatst naar het centrum en op de achtergebleven locatie de Coop gevestigd is, zijn de onderzoeksresultaten voor het project als geheel nog van toepassing. Daarnaast is het onderzoek destijds gebaseerd op de voorgaande versie van de ladder voor duurzame verstedelijking en op het destijds beoogde programma met meer vierkante meters bvo detailhandel dan nu middels dit bestemmingsplan wordt toegestaan. De essentie van de ladder voor duurzame verstedelijking was en is nog immer dat de behoefte dient te worden aangetoond en vanuit die invalshoek blijven de resultaten uit het onderzoek van toepassing. 4
Hoofdstuk 3
19
Nu er hierdoor weer vraag is naar centraal (dicht bij de voorzieningen) gelegen, betaalbare huurappartementen is er ruimte ontstaan om het oorspronkelijke voor de Spoorlaan bestaande plan om boven de winkellaag levensloopbestendige woonappartementen te bouwen, weer nieuw leven in te blazen. Hieraan wordt middels dit bestemmingsplan invulling gegeven. Ook op basis van het provinciaal beleid en gemeentelijk beleid past de ontwikkeling zowel kwalitatief als kwantitatief binnen de beleidskaders. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de paragrafen 3.2 en 3.3. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is immers sprake van een concrete behoefte waaraan invulling wordt gegeven binnen bestaand stedelijk gebied. Gelderse ladder Voor de Gelderse ladder geldt dat onder verwijzing naar het voorgaande hierover kort en krachtig gesteld kan worden dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de lokale en regionale behoefte en zich positief verhoudt tot de beleidskaders. Die behoefte wordt met het plan Spoorlaan opgevangen door hoogwaardige nieuwbouw met bijbehorende parkeervoorzieningen te realiseren ter vervanging van verouderde bebouwing, waarbij de omgevingskwaliteit aanzienlijk verbetert.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Ruimtereservering parallelle Kaagbaan, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Wel is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel. Gelet op de toegestane hoogtes is dit planvoornemen geen probleem. Vanuit het Rarro bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
20
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en in januari 2018 is het meest recente Actualisatieplan Omgevingsvisie in werking getreden. In de omgevingsvisie staan maatschappelijke opgaven in Gelderland, die zijn ontstaan in gesprekken tussen overheden, organisaties en particulieren. Het gaat daarbij onder andere over steden en dorpen, natuur, landbouw, water en energie. De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsvisie twee doelen gedefinieerd, die de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur benadrukken. 1. Een duurzame economische structuurversterking. Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en een vitaal landelijk gebied met voldoende werkgelegenheid. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door het duurzaam versterken van de ruimtelijk-economische structuur. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van ‘groei’ en meer in termen van ‘beheer en ontwikkeling van het bestaande’. 2. Het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Dit doel betekent vooral: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek; zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed, een gezonde en veilige leefomgeving. een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap. De provinciale hoofddoelen zijn nader uitgewerkt in de provinciale ambities ‘Divers’, ‘Dynamisch’ en ‘Mooi’ Gelderland. Het plangebied ligt binnen de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, waarbinnen wordt gestreefd naar een hoge kwaliteit van het voorzieningenniveau. Verder streeft de provincie naar krachtige steden en vitale dorpen. Dit houdt onder meer in dat wordt gestreefd naar: - behoud en ontwikkeling van een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving, waarin het prettig wonen en werken is; - het stimuleren van economische ontwikkelingen en dynamiek; Verder wordt aangegeven dat wordt gestreefd naar het voorkomen van overaanbod van bedrijventerreinen, detailhandel, kantoren.
Hoofdstuk 3
21
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld en in januari 2018 is het meest recente Actualisatieplan Omgevingsverordening in werking getreden. De regels in de verordening vormen het sluitstuk op de Omgevingsvisie en zijn feitelijk het juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie Gelderland af te dwingen c.q. de provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Detailhandel Ten aanzien van detailhandel wordt in de omgevingsvisie gesteld dat het beleid onderdeel is van het verstedelijkingsbeleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Het doel van het beleid is het behoud van een evenwichtige en toekomstbestendige detailhandelstructuur in Gelderland die bijdraagt aan de vitaliteit van steden en dorpen. De positie van de bestaande winkelgebieden staat centraal. Het vernieuwen en aanpassen van bestaande winkelgebieden aan een afnemende vraag naar winkels en nieuwe marktontwikkelingen heeft prioriteit. Met het toevoegen van nieuw winkeloppervlak wordt zeer terughoudend omgegaan. Nieuwe locaties voor detailhandel mogen niet leiden tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelstructuur.
Hieronder verstaat de provincie de negatieve gevolgen van overcapaciteit en leegstand op het woon-, leef- en ondernemingsklimaat in de omgeving van de bestaande winkels in wijken en centra. Voor nieuwe locaties is de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik van toepassing zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Daarbij moet tevens onderbouwd worden dat nieuwe locaties niet ten koste gaan van de bestaande detailhandelstructuur. Voor normale detailhandel geldt dat voor zover er voor het betreffende gebied een regionale afspraak is gemaakt over de programmering van detailhandel, de bestemming detailhandel in een bestemmingsplan alleen mogelijk is als deze ontwikkeling niet in strijd is met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraken ten aanzien van de programmering van detailhandel. Wonen Ten aanzien van wonen is in artikel 2.2.1.1 ‘Nieuwe woonlocaties’ opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan worden wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. Op basis van de woningmarkmonitor van de provincie Gelderland bedraagt de bruto plancapaciteit voor de gemeente Berg en Dal 586 woningen.
De netto plancapaciteit bedraagt tot en met 2024 in totaal 571 woningen. Hiervan hebben 392 de status hard en 179 de status zacht 5. De 24 te realiseren appartementen vallen binnen de status zacht en passen binnen deze kwantitatieve kaders.
5
Bruto plancapaciteit zijn alle nieuwbouwplannen exclusief sloop en de netto plancapaciteit is de resultante inclusief sloop. De plancapaciteit die zijn vastgesteld of onherroepelijk zijn, zijn aangeduid met de status hard. De overige plancapaciteit is betiteld als zacht of onbekend.
Hoofdstuk 3
22
In de in augustus 2020 gepresenteerde actieplan Wonen is als richtlijn een aantal van 1.200 woningen voor de gemeente Berg en Dal vastgelegd in de periode 2019 tot 2029. Onderhavig plan is opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogramma dat is afgestemd op genoemde sub regionale woonagenda. Vanuit kwalitatief oogpunt is in de rapportage ‘Wonen in Gelderland’ aangegeven dat voor de regio Arnhem-Nijmegen één van de belangrijke opgaven het realiseren van woningen in de middeldure huursector is. Ondanks dat er projecten met middeldure huurwoningen worden gerealiseerd is volgens de regionale woningmarktanalyse de behoefte groter dan het aanbod. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt hierop ingespeeld aangezien het overgrote deel van de 24 appartementen, te weten 18 stuks, vallen binnen de categorie middeldure huurwoningen. Het beleid is verder uitgewerkt in de regionale en sub regionale woonagenda’s. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. 3.2.3
Ontwerp Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en ontwerp-actualisatieplan 6 Omgevingsverordening Op 5 juni 2018 hebben Gedeputeerde Staten de ontwerp-Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en het ontwerp-actualisatieplan 6 voor de Omgevingsverordening vastgesteld. De ontwerpplannen en stukken liggen van 14 juni 2018 tot en met 9 augustus 2018 ter inzage6. In het ontwerp-actualisatieplan 6 voor de Omgevingsverordening is artikel 2.2.1.1 gewijzigd en gesplitst in twee afzonderlijke bepalingen: artikel 2.1 (nieuwe nummering), waarin de totstandkoming van Regionale woonagenda’s wordt geborgd en artikel 2.2 (nieuwe nummering), waarin de beoordeling van bestemmingsplannen aan de Regionale woonagenda’s is geborgd. Voor de voorgenomen ontwikkeling heeft dit verder geen gevolgen. Het plan past immers binnen de gestelde kaders en de vigerende woonagenda’s. In de ontwerp Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is aangegeven dat de kwantitatieve regionale opgave voor wonen van provinciaal belang is, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Het beleid voorziet in provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen en voor zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau, waarbij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ingezet.
Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft. Aan deze uitgangspunten wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan. 3.2.4 Toetsing aan provinciaal beleid Voor het plangebied geldt dat het is gelegen binnen de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, waarbinnen enerzijds wordt gestreefd naar een hoog voorzieningenniveau en anderzijds dient te worden voorkomen dat een overaanbod ontstaat. Zoals reeds in paragraaf 3.1 is beargumenteerd, wordt middels het voorliggende bestemmingsplan de juridisch-planologische planvoorraad feitelijk beperkt, hetgeen past 6
De termijn voor het aanvullen van pro-forma zienswijzen is tot en met 23 augustus 2018. Op 21 november 2018 vindt de hoorzitting over de ontwerp-omgevingsvisie en -verordening plaats. Op 19 december 2018 is besluitvorming door Provinciale Staten voorzien.
Hoofdstuk 3
23
binnen de provinciale beleidskaders. Daarnaast blijkt uit de door BRO in het kader van de uitgebreide omgevingsvergunningprocedure voor fase 1 uitgevoerde ruimtelijk-functionele effectenanalyse7 dat het plan als geheel (fase 1 en fase 2 tezamen) past binnen de beleidskaders.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Groesbeek 2025 De structuurvisie van Groesbeek 2025 geeft de ingezette koers aan die gericht is op uitstekend wonen, werken en recreëren. Groesbeek wil zich onderscheiden op 3 ontwikkelingsgebieden, te weten samen werken aan zorg, spannend landschap en jong, gezond en actief. De drie ontwikkelingslijnen steunen op vijf pijlers: Leefomgeving; Bereikbaarheid; Woonkwaliteit; Werkklimaat; Voorzieningenaanbod. Met het oog op het initiatief van het onderzoek wordt ingezoomd op de pijlers werkklimaat en voorzieningenaanbod. Werkklimaat In de structuurvisie worden verschillende ambities met betrekking tot het werkklimaat aangegeven. Ten behoeve van de verplaatsing van de kern Groesbeek gevestigde supermarkten Jan Linders en Aldi naar de nieuwe locatie Spoorlaan, is het voor de nadere onderbouwing relevant om in te zoomen op de ambitie van een aantrekkelijk centrum van Groesbeek. Sinds 2011 werkt de gemeente aan een herindeling van het centrum met als doel meer samenhang en kwaliteit in het centrum te brengen. Daarnaast werkt de gemeente aan een betere integratie van woon- en winkelvoorzieningen in Groesbeek, met als doel het creëren van een echt dorpshart waar wonen en winkelen hoog in het vaandel staan.
Het opheffen van de noord-zuidscheiding vanwege de spoorlijn en het concentreren van de winkels is hiervan een belangrijk onderdeel. Om een sterk functionerend dorpshart te creëren is uitbreiding van detailhandel buiten het kerngebied niet mogelijk.
7
BRO, Groesbeek, Ruimtelijk-functionele effectenanalyse detailhandels-ontwikkelingen Spoorlaan, 24-09-2015.
Hoofdstuk 3
24
Kernwinkelgebied Groesbeek (Bron: Structuurvisie Groesbeek 2025, 27 juni 2013).
Een ambitie van de gemeente, die behoort bij de pijler voorzieningenaanbod, is het creëren van een bruisend centrum in Groesbeek. Het centrum van Groesbeek vervult namelijk een belangrijke rol voor de gemeente. Hierbij is het realiseren van een bruisend centrum met detailhandel en horecagelegenheden van belang voor een echt dorpshart. Hierbij wordt de voorkeur gegeven om nieuwe voorzieningen in het centrum te realiseren en zo het bestaande centrum te versterken. Op deze manier wordt het kernwinkelgebied van Groesbeek compacter, waardoor de aantrekkelijkheid zal stijgen. Om een geconcentreerd voorzieningenaanbod in het centrum van Groesbeek te ontwikkelen,
Hoofdstuk 3
25
zullen uitbreidingen van voorzieningen plaats vinden in het centrum. Daarnaast is een streven van de gemeente om het aanbod in detailhandel te behouden en uit te breiden waar mogelijk is. Om te voorkomen dat het winkelbestand in het centrum van Groesbeek onder druk komt te staan, kiest de gemeente ervoor om zich te focussen op de kern Groesbeek. Een belangrijk besluit hierbij is dat zij niet actief in zetten op nieuwe locaties van winkels in de kernen buiten de kern Groesbeek. Bovendien wanneer een winkel in een andere kern verdwijnt, kan hier uiteraard een andere winkel terugkomen. Het kernwinkelgebied van Groesbeek is weergegeven op de voorgaande afbeelding. De oude supermarktlocaties van Jan Linders en Aldi vallen buiten het kernwinkelgebied van Groesbeek. Het plangebied is aangemerkt als te (her)ontwikkelen gebied. Het initiatief voor het verplaatsen van de supermarkten Jan Linders en Aldi naar het plangebied aan de Spoorlaan én het realiseren van detailhandelsfunctie en horecagelegenheden past daarmee binnen de besproken ambities uit de structuurvisie en draagt bij aan een bruisend centrum. Met onderhavige ontwikkeling worden voorzieningen en woonfuncties geconcentreerd en gecombineerd wat bijdraagt aan een versterking van het centrum.
Woonklimaat In de structuurvisie worden met betrekking tot het woonklimaat de volgende ambities genoemd: Vergroten van de woonkwaliteit in Groesbeek en laat deze aansluiten op de vraag: door vernieuwbouw en verbetering van wijken beschikt Groesbeek ook in 2025 over aantrekkelijke woonmilieus. Aandacht voor bijzondere doelgroepen. Voor senioren, starters, jonge doorstromers en zorgbehoevenden is extra aandacht. Ontwikkel een gevarieerd woningaanbod. Sluit aan bij bestaande kwaliteiten en speel met nieuwbouw in op de wensen van specifieke doelgroepen. Nieuwe gebouwen zijn flexibel en toekomstbestendig gebouwd, zodat slim kan worden ingespeeld op demografische ontwikkelingen. Zet in op bestaande projecten. Ontwikkel alleen bestaande locaties binnen de bebouwde kom kies niet meer voor uitbreidingslocaties. Dit geldt voor herstructureringslocaties en niet voor open plekken. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij deze algemene ambities. Voor wat betreft de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte binnen de gemeente Berg en Dal wordt verwezen naar navolgende paragraaf 3.3.2. 3.3.2 Woonvisie In de op 28 september 2017 door de gemeenteraad vastgestelde ‘Woonagenda 2017-2025’ heeft de gemeente Berg en Dal haar visie vastgelegd op het gebied van het wonen en de wijze waarop zij richting geeft aan de verschillende opgaven.
Het is daarnaast ook een uitnodiging aan inwoners, zorgpartijen, projectontwikkelaars en corporaties om een bijdrage te leveren aan het prettig wonen in de gemeente Berg en Dal. In 2019 is een woningmarktonderzoek gedaan met een vooruitblik tot 2029, daarin komt duidelijk naar voren dat de maatschappelijke en economische context is gewijzigd. De woningmarkt in de gemeente Berg en Dal is veranderd: beschikbare betaalbare woningen zijn schaars geworden, de vergrijzing
Hoofdstuk 3
26
zorgt voor een kwalitatieve opgave, veranderingen in de zorg vragen om andere woonvormen en om de woningvoorraad te verduurzamen moeten er stappen gezet worden. Deze veranderende context is reden om de woonagenda uit 2017 tegen het licht te houden en te actualiseren in een actieplan wonen. Op 25 augustus 2020 is dit actieplan gepresenteerd. In het actieplan is een ambitiekader opgenomen met betrekking tot de betaalbare bouw:
Uitsnede Ambitiekader Berg en Dal
Voor de kern Groesbeek is een kwantitatieve woningbehoefte berekend met een bandbreedte van 275 tot 290 woningen voor de periode 2019 tot en met 2024. Voor de lange termijn (2024 – 2029) wordt zelfs rekening gehouden met een extra brandbreedte van 230 tot 245 woningen. De beoogde 24 appartementen passen binnen de kwantitatieve behoefte op de korte termijn. Daarnaast is geheel in lijn met de ‘Woonagenda 2017-2025’ sprake van inbreiding binnen de bebouwde kom. Voor wat betreft de kwalitatieve woningbehoefte blijkt dat er met name behoefte is aan appartementen in de huursector. Het overgrote deel van de 24 appartementen (18 stuks) valt binnen de huursector waarbij sprake is van een gemiddelde huurprijs van €950. Met onderhavige ontwikkeling aangesloten op de behoefte naar middeldure huurwoningen en past daarmee binnen de kwalitatieve behoefte. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt van het gemeentelijk beleid dat wordt gestreefd naar een gedifferentieerd woningbouwprogramma, om voor alle inwoners een passende woning aan te kunnen bieden. Met de 6 overige appartementen wordt hieraan invulling gegeven. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van de appartementen past binnen de beleidskaders zoals vastgelegd in de ‘Woonagenda 2017-2025’.
Hoofdstuk 3
27
4.
ONDERZOEKSASPECTEN
Bij de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu-)-aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat enkele onderzoeken (verkeer- en parkeren, akoestisch onderzoek en luchtkwaliteitsonderzoek) zijn uitgevoerd voor de ontwikkeling als geheel (fase 1 en 2) terwijl de ontwikkeling van fase 1 onherroepelijk vergund en reeds gerealiseerd is. Hoewel het programma voor het fase 2 deel inmiddels is gewijzigd middels het verlagen van het aantal vierkante meters ten behoeve van detailhandel en de toevoeging van appartementen, is de totale verkeersaantrekkende werking lager dan bij de oorspronkelijke plannen zoals deze ook in de onderzoeken zijn meegenomen. Dit wordt met name veroorzaakt door de afname van het aantal vierkante meters bvo ten behoeve van detailhandel. De algemene conclusies voor wat betreft impact op de omgeving blijven dus onverkort van toepassing.
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 Wro rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Voorliggend planvoornemen betreft een particulier initiatief. De betreffende gronden zijn deels reeds in eigendom van de initiatiefnemer en deels in eigendom van de gemeente. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd. Het project zal geheel worden gerealiseerd op kosten en risico van de initiatiefnemer, waarbij de gemeente de verantwoordelijkheid en kosten draagt voor de ontwikkeling van de niet-bebouwde en openbare ruimte binnen het plangebied.
Hoofdstuk 4
28
4.2 Milieuaspecten 4.2.1
Bodem
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling, is door Envita een actualiserend bodemonderzoek 8 uitgevoerd, gevolgd door een saneringsnotitie 9. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van de onderzoeksrapporten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapporten. Uit de onderzoeken blijkt dat de gronden voor het fase 2 deel geschikt zijn voor de beoogde functies. De aangetroffen bodemverontreinigingen ter plaatse van het fase 1 deel zijn in opdracht van de gemeente gesaneerd en fase 1 is inmiddels gerealiseerd. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, bestaan er geen belemmeringen. 4.2.2
Wegverkeerslawaai
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Een winkel is geen geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers-, railverkeers-, of industrielawaai vanuit de omgeving is daarom voor de winkelruimtes niet noodzakelijk. Voor de beoogde appartementen geldt dat wel sprake is van geluidgevoelige functies. In het kader van deze procedure is conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt. De beoogde appartementen liggen binnen de geluidszone van de Spoorlaan.
Onderzoek In het kader van onderhavige ontwikkeling is conform het gestelde in de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Spoor-
8 9
Envita, Actualiserend bodemonderzoek Spoorlaan 1-5A in Groesbeek, 14-04-2015. Envita, Saneringsnotitie Spoorlaan 1A-5 in Groesbeek, 23-04-2015.
Hoofdstuk 4
29
laan. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening tevens de relevante 30 km/uur-wegen in de directe nabijheid van het plan in het onderzoek betrokken. In navolging van het voorgaande is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd 10. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapportage in de separate bijlagen. De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de zoneplichtige Spoorlaan (tussen de Nijverheidsweg en de Kloosterstraat) bedraagt ten hoogste 41 dB exclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. Dit komt neer op een geluidbelasting van 36 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt hiermee gerespecteerd. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties op voor de realisatie van het plan ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai. Omdat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden, zijn de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid niet van toepassing. De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de 30 km/uur-wegen bedraagt ten hoogste: 51 dB, exclusief aftrek ex art.
110g Wet geluidhinder, voor de Dorpsstraat 58 dB, exclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder, voor de Spoorlaan (tussen de Dorpsstraat en de Nijverheidsweg). Voor het bepalen van de gecumuleerde geluidbelasting is uitgegaan van de dosiseffectrelaties van de verschillende geluidbronnen zoals beschreven conform het actuele Reken- en Meetvoorschrift 2012, bijlage 1, hoofdstuk 2: rekenmethode cumulatieve geluidbelasting. Deze cumulatiemethode komt overeen met het bepaalde in het verouderde Reken- en Meetvoorschrift 2006, bijlage 1, hoofdstuk 2: rekenmethode cumulatieve geluidbelasting (zoals voorgeschreven in het geluidbeleid). De gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle wegen bedraagt ten hoogste 58 dB, exclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat de gecumuleerde geluidbelasting meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De berekende geluidbelastingen bedragen wel minder dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet voldoende effectief en/of realistisch. Bovendien stuiten bron- en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn maatregelen ter plaatse van de ontvanger.
Op grond van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan de akoestische binnenwaarde bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai. Bij het bepalen van de vereiste gevelgeluidwering wordt rekening gehouden met de berekende geluidbelasting op de gevels van de woningen. In het kader
10
Windmill, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai bestemmingsplan Herontwikkeling Spoorlaan Groesbeek, Rapportnummer: 20201130-BRO074-RAP-AKO-VL-2.0, 30 november 2020
Hoofdstuk 4
30
van een goed woon- en leefklimaat, en conform het geluidbeleid, wordt geadviseerd rekening te houden met de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle relevante geluidbronnen. De hoogste berekende gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 58 dB, exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. Uitgaande van de minimale vereiste geluidwering van 20 dB op grond van het Bouwbesluit wordt op basis van de ongecorrigeerde geluidbelasting niet voldaan aan het vereiste binnenniveau van 33 dB conform het Bouwbesluit. Geadviseerd wordt om middels en aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels gevelmaatregelen te gedimensioneerd om te voldoen aan het binnenniveau van 33 dB. Na het treffen van de benodigde gevelmaatregelen vormt het aspect wegverkeerslawaai verder geen belemmering voor de realisatie van het plan. In navolging van het bovenstaande is een berekening 11 van de geluidwering van de gevels uitgevoerd. Bij een geluidbelasting Lden van 58 dB, moet de karakteristieke geluidwering van de gevels (GA;k) van een verblijfsgebied in een woonfunctie minimaal 25 dB bedragen. Berekening van de geluidwering met betrekking tot wegverkeerslawaai De geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies is berekend conform NEN 5077 en met behulp van publicatie 112 van het Ministerie van VROM: ‘Herziening rekenmethode geluidwering gevels’.
De berekening is uitgevoerd voor de geluidbelaste verblijfsruimten en –verblijfsgebieden in de aan de zuidwest gelegen appartementen met een geluidbelasting van 55 tot maximaal 58 dB. Van elk woningtype is een berekening gemaakt bij de voor dat type hoogste geluidbelasting. In de onderstaande tabel is per ruimte en per gebied de geluidbelasting, de vereiste geluidwering en de berekende geluidwering weergegeven.
Overzicht geluidbelasting, vereiste geluidwering en berekende geluidwering 11
Acht Advies b.v., Spoorlaan fase 2, Groesbeek Berekening van de geluidwering van de gevels, Rapportnummer: 820-1035-2, 7 december 2020
Hoofdstuk 4
31
Uit de bovenstaande tabel volgt dat met toepassing van de omschreven combinaties van materialen en constructies (paragraaf 3.2 van de rapportage van de berekening van de geluidwering van de gevels) voldaan wordt aan de eisen in het Bouwbesluit. Er wordt voor de woonfuncties derhalve voorzien in een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect wegverkeerslawaai bestaan er geen belemmeringen. 4.2.3
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In het voorliggende geval is sprake van een reeds vergund en gerealiseerd fase 1 deel en een nog te realiseren fase 2 deel. Dit betekent dat fase 1 niet meegenomen is in onderhavige onderbouwing. Zoals uit paragraaf 4.6 blijkt bedraagt de verkeersaantrekkende werking van het fase 2 deel in z’n totaliteit op een gemiddelde weekdag circa 546 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Op basis van de NIBM-tool12 blijkt dat een dergelijke beperkte toename van het aantal voertuigbewegingen niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
12
In de NIBM-berekening is een worst-case aandeel vrachtverkeer gehanteerd van 5%. In werkelijkheid zal het aandeel vrachtverkeer fors lager liggen.
Hoofdstuk 4
32
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Grenswaarden Wlk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2019 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.4
Externe veiligheid
Achtergrond Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Hoofdstuk 4
33
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke toename van het groepsrisico in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.