CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

B23 Toelichting Bestemmingsplan Kalorama locatie Nieuwe Holleweg

Gemeenteraad 1 april 2021, gemeente Berg en DalBij agendapunt: B23 Voorstel om het bestemmingsplan "Kalorama locatie Nieuwe Holleweg" gewijzigd vast te stellen19.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

32

5.4.3 Gevoelige functies in de omgeving De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een functie die mogelijke gevolgen kan hebben voor gevoelige functies in de omgeving. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor een verpleeghuis (zorginstelling) SBI-2008 871) een richtafstand van 30 meter als gevolg van geluid en 10 meter als gevolg van geur. Zoals op onderstaande uitsnede van de verbeelding met daarop de ligging van de beoogde vervangende nieuwbouw van fase 0 te zien is, valt de nieuwbouw gedeeltelijk binnen de bestemming ‘Natuur’. Hiertoe dient de bestemming ‘Natuur’ ter hoogte van de overschrijding te worden gewijzigd naar de bestemming ‘Maatschappelijk’. Met deze bestemmingswijziging komt de bestemming ‘Maatschappelijk’ circa 10 meter dichter bij de bestaande burgerwoning aan de Oude Holleweg 4 te liggen. Na de bestemmingswijziging bedraagt de afstand tussen de ‘Maatschappelijke’ bestemming en het bouwvlak van de burgerwoning aan de Oude Holleweg 4 circa 48 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden als gevolg van geluid en geur.

Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Stuwwal en beschermd dorpsgezicht Ubbergen'. Besluitgebied fase 0 rood omlijnd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 5.4.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen gevoelige functies binnen de richtafstanden van de beoogde vervangende nieuwbouw vallen en dat er geen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5 Geluid 5.5.1 Beoordelingskader De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van de ruimtelijke procedure moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

33

geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek. 5.5.2 Toetsing wegverkeerslawaai Met de realisatie van de beoogde vervangende nieuwbouw worden er geluidsgevoelige functies aan de omgeving toegevoegd. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat langs wegen geluidszones liggen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Het plangebied ligt in binnenstedelijk gebied (bebouwde kom). De breedte van de geluidszones is als volgt: • •

een weg met één of twee rijstroken: 200 meter; een weg met drie of meer rijstroken: 350 meter.

De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook van de weg tot de gevel van het gebouw. De beoogde vervangende nieuwbouw ligt deels binnen de geluidszone van de Oude Holleweg. Hiertoe is het gestelde in de Wet geluidhinder van toepassing en dient het geluidsniveau in de beoogde nieuwbouw op basis van het Bouwbesluit te worden getoetst. Hiertoe heeft Econsultancy een wegverkeerslawaai onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 3 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.5.3 Conclusie wegverkeerslawaai De geluidsbelasting op de beoogde nieuwbouw bedraagt maximaal 48 dB. Hiertoe vindt er geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘wegverkeerslawaai’ geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4 Toetsing industrielawaai Onderzoek industrielawaai De vervangende nieuwbouw heeft een verkeersaantrekkende werking en wordt voorzien van technische installaties op de daken. Om de geluidsbelasting op de omgeving te bepalen en deze te toetsen aan een goede ruimtelijke ordening heeft Econsultancy een onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 4 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

Uit het onderzoek blijkt dat alleen het maximale geluidsniveau wordt overschreden als gevolg van het sluiten van portieren op het oostelijke parkeerterrein. Voor het geluidsniveau door het dichtslaan van portieren kunnen geen maatregelen worden getroffen. Het verplaatsen van de parkeerterreinen kan alleen een redelijke optie zijn wanneer dit inpasbaar is in het plan. In de afweging is het van belang dat het oostelijke parkeerterrein in de huidige situatie ook al is voorzien en samen met het westelijke parkeerterrein bij fase 0 al inpasbaar is geacht. Wanneer stap 3 wordt toegepast zal het maximale geluidniveau voor aan- en afrijdend verkeer worden uitgezonderd van toetsing. Daarom wordt gesteld dat ter plaatse van omliggende woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het onderzoek is als uitgangspunt genomen dat parkeren door het personeel in de nachtperiode plaatsvindt op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen, zo dicht mogelijk bij de ingang van de gebouwen. Op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan zijn deze parkeerplaatsen aangeduid als 'parkeren nachtperiode'. In de regels is opgenomen dat parkeren in de nachtperiode (23:00 uur tot 7:00 uur) uitsluitend binnen deze aanduiding is toegestaan.

Onderzoek geluid ten gevolge van installaties nieuwbouw fase 0 Om de geluidemissie van de dakinstallaties van de nieuwbouw van fase 0 naar de woningen in de directe omgeving te berekenen en beoordelen, heeft Peutz hier onderzoek naar gedaan. Het onderzoek is als bijlage 5 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

34

Uit de onderzoeksresultaten komt een worst case geluidbelasting van 43 dB(A) op de woning aan de Oude Holleweg 4. Daarmee wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit voor de dag- en avondperiode, maar niet voor de nachtperiode. Met toepassing van afscherming kan een reductie van het geluid met 5 dB(A) worden behaald, zodat een worst case geluidsniveau van 38 dB(A) resteert. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit en tevens aan de eisen die het Bouwbesluit vanaf 1 april 2021 zal stellen aan warmtepompen. Om te borgen dat de afscherming daadwerkelijk wordt toegepast, is in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen dat de geluidswaarden als gevolg van de inrichting (en daarmee de warmtepompen) niet meer bedraagt dan de eisen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit. Memo geluidbelasting ten gevolge van installaties nieuwbouw fase 0 t/m 3 Econsultancy heeft in het rekenmodel van fase 1 t/m 3 de gegevens uit het rapport van Peutz overgenomen en een analyse verricht van de berekeningsresultaten. Uit de berekeningen komt een worst case geluidsbelasting van 42 dB(A) in de nachtperiode op Oude Holleweg 4. Het verschil met het rapport van Peutz is te verklaren door het gebruik van hoogtelijnen waar Peutz deze gezien de vlakke 3D afbeeldingen niet heeft toegepast in het rekenmodel.

Wanneer de geluidsuitstraling van fase 0 wordt gecumuleerd met fase 1 t/m 3 blijkt er geen significant verschil op te treden waardoor de geluidsbelasting afgerond gelijk blijft. Wanneer de installaties worden omkast met geluiddempende schermen zoals voorgeschreven door Peutz neemt de geluidsbelasting significant af. Met dergelijke maatregelen op alle gebouwen komt de worst case geluidsbelasting op Oude Holleweg 4 in de nachtperiode ruim onder de 40 dB(A) uit. Dit zal ook het geval zijn op de woningen aan De Geest. Het uitgangspunt hierbij zijn de bronvermogens op fase 0 zoals in het rapport van Peutz opgenomen en bronvermogen op fase 1 t/m 3 zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek uitgevoerd door Econsultancy. De volledige memo is als bijlage 6 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.5.5 Conclusie industrielawaai Met inachtneming van voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘industrielawaai’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Om de bewoners van de Geest tegemoet te komen, heeft de initiatiefnemer een bovenwettelijke maatregel in de vorm van een geluidwerende voorziening tussen het parkeerterrein en De Geest toegezegd. Realisatie van deze voorziening is verankerd in de reeds verleende omgevingsvergunning voor het Centrum voor doofblinden (fase 0) waarin voorwaarden zijn opgenomen waaraan de geluidwerende voorziening moet voldoen.

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

35

Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •

CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

5.6.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van de vervangende nieuwbouw. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die in de regeling NIBM is opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

36

doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. 5.7.1 Beleid 5.7.1.1 Beleid waterschap Rivierenland Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rivierenland. Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel Koers houden, kansen benutten. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat wil doen. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. 5.7.1.2 Deltaprogramma ruimtelijke adaptatie De kern van het deltaprogramma is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.

Overheden gaan ervoor zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt en letten daarop bij de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud etc. Omdat Kalorama op de Stuwwal ligt, is vooral het thema wateroverlast relevant. Door de toename van extreme buien komt het steeds vaker voor dat regenwater niet snel genoeg kan infiltreren. Het water stroomt dan in grote hoeveelheden naar laaggelegen punten, waar het in komvormige locaties en in de dalen voor grote overlast zorgt. De relatie tussen voornoemde thema’s en onderhavig plan is beschreven in paragraaf 5.7.6. 5.7.1.3 Hydrologisch neutraal ontwikkelen Waterschap Rivierenland heeft als uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen ‘hydrologisch neutraal’ moeten worden uitgevoerd. Hemelwater dat valt op daken en verhardingen mag niet versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij een toename van verhard oppervlak groter dan 500 m² in het stedelijk gebied, is compensatie aan water vereist. Bij grotere oppervlaktes mag de vrijgestelde oppervlakte daarop in mindering worden gebracht.

5.7.2 Effect planvoornemen In onderstaande tabellen is het verhard oppervlak voor de huidige en de beoogde situatie voor het totale plangebied berekend, dus inclusief fase 0 en het entree gebied welke ongewijzigd blijft. Tabel 5.1: verhard oppervlak huidige situatie

Tabel 5.2: verhard oppervlak beoogde situatie

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

37

Geconcludeerd wordt dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie met circa 2.285 m² afneemt. 5.7.3 Hemelwater Het hemelwater wat op de paden valt, stroomt af op de bermen alwaar het infiltreert. De rijbanen worden voorzien van kolken om zodoende het hemelwater zo diffuus mogelijk te laten infiltreren. Hemelwater dat op de daken valt, wordt geborgen in één ondergrondse infiltratievoorziening. Voor fase 0 is dit reeds gerealiseerd en vergund. Het totale dakoppervlak van fase 1 t/m 3 bedraagt 4.000 m². uitgaande van 40 mm berging per m² dakoppervlak, dient de bergingscapaciteit 160 m³ te bedragen. Met een uitgangspunt van 40 mm berging per m² wordt voorkomen dat piekbuien tot wateroverlast leiden. Voorgesteld wordt om de infiltratievoorziening ter plaatse van de bestaande interimvoorziening te realiseren. Echter, door de uitvoering van het project waarbij gefaseerd wordt gebouwd en gesloopt, is het niet mogelijk om de infiltratievoorziening direct te realiseren. Hiertoe is een overbruggingsperiode noodzakelijk waarbij het hemelwater tijdelijk via de bestaande riolering wordt afgevoerd. In overleg met het bevoegd gezag is geconcludeerd dat de tijdelijke afvoer van hemelwater op de bestaande riolering gedurende de overbruggingsperiode niet tot problemen zal leiden.

Nadat het Centrum voor Doofblinden gereed is, wordt gestart met de aanleg van het parkeerterrein met infiltratiekratten (na sloop van de Oorsprong). Naar verwachting zal deze overbruggingsperiode circa 4 maanden beslaan. Vervolgens zullen de gebouwen van fase 1, 2 en 3 worden aangesloten op de infiltratiekratten. 5.7.4 Afvalwater Conform de Leidraad Rioleringen en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen. Het afvalwater van de beoogde vervangende nieuwbouw wordt, zoals dat in de huidige situatie al het geval is, aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering zoals aanwezig onder de Nieuwe Holleweg. 5.7.5 Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling, indien van toepassing, gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. 5.7.6 Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen Hittestress Het plangebied ligt binnen bebost gebied waardoor hittestress geen grote rol speelt. Door toepassing van groendaken wordt de isolatiewaarde van de daken verbeterd. Hierdoor heeft warm weer minder effect op het binnenklimaat van de gebouwen.

Wateroverlast In paragraaf 5.7.3 is reeds aangegeven hoe wateroverlast wordt voorkomen. Daarnaast worden groendaken gerealiseerd. Door de bufferfunctie wordt hiermee een positief effect geleverd bij extreme neerslag.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

38

Droogte Door het hemelwater lokaal te infiltreren, de toepassing van groendaken, het beperken van erfverharding tot het hoognodige en het behoud van zoveel mogelijk groen, wordt droogte zoveel mogelijk voorkomen. Overstromingen Het plangebied ligt op een stuwwal op een gemiddelde hoogte van circa 40 m + NAP. Hierdoor bestaat geen risico tot overstroming voor het plangebied. 5.7.7 Conclusie In het kader van de watertoets is bovenstaande waterparagraaf ter controle voorgelegd aan waterschap Rivierenland. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt.

5.8 Flora en fauna 5.8.1 Beoordelingskader Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb) Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. 1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

39

Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd.

De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 5.8.2 Quickscan Flora en fauna Bureau Waardenburg heeft in het kader van de totale ontwikkeling van de locatie Kalorama in 2015 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In november van 2018 is deze quickscan geactualiseerd. Het doel van de quickscan is het inzichtelijk brengen van eventuele wettelijk beschermde planten- en dierensoorten in en direct rondom het plangebied. Daarnaast is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden onderzocht. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden er uitspraken gedaan over mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. De geactualiseerde quickscan flora en fauna is als bijlage 7 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

5.8.3 Conclusie Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de effecten van de ingreep op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden op grond van de aard van het project en de afstand tot het plangebied op voorhand zijn uitgesloten. Het plangebied heeft een (mogelijke) essentiële functie voor de volgende beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb):

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

40

• • •

alpenwatersalamander (vijver mogelijk voortplantingswater); steenmarter (verblijfplaats in gebouw niet uit te sluiten); gewone dwergvleermuis (diverse aangetoonde functies).

Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen essentiële betekenis. Alpenwatersalamander Voor de alpenwatersalamander veroorzaakt het project geen negatieve effecten; het leefgebied van deze soort (de vijver en omgeving daarvan) worden niet aangetast. Steenmarter Om te voorkomen dat er negatieve effecten voor steenmarter optreden wordt een inspectie uitgevoerd en worden indien nodig maatregelen genomen. Gewone dwergvleermuis Het project heeft een negatief effect op gewone dwergvleermuis; voor overtreding van verbodsbepalingen is een mitigatie- en compensatieplan gemaakt en is in juni 2018 ontheffing aangevraagd bij de provincie. Voor andere soorten dan gewone dwergvleermuis is een ontheffing van de Wnb niet nodig. In het kader van de zorgplicht worden diverse maatregelen getroffen (planning aanpassen aan kwetsbare periode, inspectie werkgebied op fauna) om negatieve effecten op overige soorten te voorkomen. Een nadere toelichting op voorgaande conclusie is verwoord in de als bijlage 7 bij de als bijlagen bij de toelichting opgenomen geactualiseerde quickscan flora en fauna. 5.8.4 Nader onderzoek 5.8.4.1 Alpenwatersalamander De vijver is in potentie geschikt als voortplantingswater voor alpenwatersalamanders en de directe omgeving van de vijver (vooral de grote stenen en beplanting) is geschikt als landbiotoop.

Om de aan- of afwezigheid van alpenwatersalamander vast te stellen zijn de vijver en de schuilplaatsen rondom de vijver in de maanden april-mei van 2020 door Bureau Waardenburg onderzocht op de aanwezigheid van amfibieën. Alpenwatersalamanders zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Wel zijn Amerikaanse rivierkreeften, goudvissen, bruine kikker, bastaard kikker en gewone pad waargenomen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functie heeft voor de alpenwatersalamander en dat de beoogde ontwikkeling hiertoe geen negatieve effecten op deze soort heeft. Het nader onderzoek naar alpenwatersalamander is als bijlage 8 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.8.4.2 Steenmarter Eén gebouw in het plangebied (opslaggebouw fase 0) had mogelijk een functie als verblijfplaats voor steenmarter. Twee dagen voorafgaand aan de sloop is het te slopen gebouw geïnspecteerd op aanwezigheid van (sporen van) steenmarter. Er zijn geen sporen van steenmarter aangetroffen en het gebouw is op 22 augustus 2019 gesloopt. 5.8.4.3 Vleermuizen Vleermuizenonderzoek In 2016 is het plangebied door Bureau Waardenburg onderzocht op aanwezigheid van vleermuizen. Destijds zijn een kraamverblijf van gewone dwergvleermuis en vier paarverblijfplaatsen gevonden in de bebouwing op het terrein.

Dit onderzoek is als bijlage 9 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen en is in 2020 geactualiseerd.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

41

Projectplan ontheffingsaanvraag Wnb Aanvullend op dit onderzoek heeft Bureau Waardenburg in 2018 een projectplan ontheffingsaanvraag Wnb opgesteld. In het projectplan is beschreven welke maatregelen ten behoeve van vleermuizen worden getroffen. Het projectplan is als bijlage 10 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Notitie aanvulling ontheffingsaanvraag Wnb Eind 2018 heeft de provincie Gelderland om aanvullende informatie gevraagd voor de beoordeling van de ontheffingsaanvraag. Hiertoe heeft Bureau Waardenburg in 2019 een notitie met aanvulling op de ontheffingsaanvraag Wnb opgesteld. De notitie is als bijlage 11 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Actualisatie vleermuizenonderzoek In het kader van de ontheffingsaanvraag heeft de provincie gevraagd een actualisatie van het vleermuisonderzoek uit te voeren en onderzoek te doen naar de functie van de vijver op het terrein voor de alpenwatersalamander. De onderzoeksresultaten ten aanzien van de alpenwatersalamander zijn reeds beschreven in paragraaf 5.8.4.1 van deze toelichting. Het onderzoek bevat o.a. een beschrijving van de onderzoeksresultaten, de nieuwe projectplanning en de aanpassingen in mitigatie- en compensatiemaatregelen voor vleermuizen. Het onderzoek is als bijlage 8 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de gefaseerde sloop en nieuwbouw binnen het plangebied zorgt voor vernietiging van kraamverblijfplaatsen voor één kraamgroep gewone dwergvleermuizen. Er verdwijnen daarnaast paarverblijfplaatsen in vijf baltsterritoria van gewone dwergvleermuizen door de sloop. Er zijn mitigerende- en compenserende maatregelen nodig om het aanbod aan verblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis te behouden en het doden van vleermuizen te voorkomen. In de winter van 2020-2021 wordt de functie van het hoofdgebouw dat in 2024 wordt gesloopt als overwinteringsplaats voor vleermuizen onderzocht. Als blijkt dat dit gebouw een overwinteringsfunctie heeft, zijn aanvullende maatregelen nodig in de nieuwbouw. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het betreffende onderzoek. Definitief besluit ontheffing Wnb Op 3 februari 2021 heeft de provincie positief besloten op voornoemde ontheffingsaanvraag Wnb. Het besluit is als bijlage 12 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.8.5 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en – depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en –depositie vereist.

Hiertoe heeft Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. Het rapport is als bijlage 13 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.8.5.1 Conclusie AERIUS-berekening Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er geen significant depositieresultaat boven de 0,00 mol/ha/jr is voor de aanlegfase in combinatie met de besparing van het huidige gebruik. Dit is met de verschilberekening (bijlage 1 van de AERIUS-berekening) aangetoond ofwel doormiddel van intern salderen. Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan omtrent intern salderen (ECLI:NL:RVS:2021:71). Hieruit kan worden opgemaakt dat er geen vergunning Wet Natuurbescherming, onderdeel stikstof benodigd is. Het toekomstige gebruik genereert geen depositiewaarden boven de 0,00 mol/ha/jr op Natura-2000 gebieden.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

42

5.8.6 Conclusie Met uitvoering van de in het projectplan voorgestelde maatregelen ten aanzien van vleermuizen wordt geconcludeerd dat het aspect ‘flora en fauna’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Op het voorkomen van schade aan natuur door bouwwerkzaamheden wordt ingegaan in paragraaf 5.10.4.

5.9 Archeologie en cultuurhistorie 5.9.1 Archeologie Greenhouse Advies bv heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd met als doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over de bekende of te verwachte archeologische sporen, om daarmee tot een gespecificeerde archeologische verwachting te komen. Het rapport is als bijlage 14 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.9.1.1 Beoordelingskader De beoogde vervangende nieuwbouw ligt conform de verbeelding van het geldende bestemmingsplan in de zone dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ (zie onderstaande afbeelding). In deze zone is voorafgaand archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen dieper dan 30 cm en/of met een oppervlakte groter dan 50 m². De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is daarmee archeologisch onderzoeksplichtig.

Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Stuwwal en beschermd dorpsgezicht Ubbergen'. Locatie Kalorama rood omlijnd. (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 5.9.1.2 Bureauonderzoek Het uitgevoerde bureauonderzoek heeft geresulteerd in de volgende gespecificeerde archeologische verwachting voor het Kalorama terrein: Op basis van de geologische en bodemkundige gegevens, maar ook de vondstmeldingen en onderzoeken in vergelijkbare geologische condities als ook de huidige inrichtingen van het Kalorama terrein (parkaanleg en diverse bouwwerken), wordt aan het Kalorama terrein een middelhoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. De ondergrond is in de voorlaatste IJstijd gevormd en kan dus al lange tijd menselijke activiteiten hebben gekend. In de nabijheid van het Kalorama terrein zijn vondsten uit het Neolithicum en Romeinse tijd bekend. Ter plaatse kan een esdek worden verwacht hetgeen wijst op een langdurige

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

43

gebruik en bewerking door de mens. Onder esdekken worden dikwijls nog redelijk intacte sporenniveaus aangetroffen van aan het esdek voorafgaande perioden. Omdat het terrein op een helling ligt, wat doorgaans minder aantrekkelijk voor bewoning is, maar meer nog vanwege de verschillende inrichtingen en daarmee gepaard gaande bodemingrepen / verstoringen, wordt de aanvankelijk hoge verwachting afgezwakt naar hoog tot middelhoog. Direct ten zuiden van het Kalorama terrein, op De Geest, is een vermoedelijk bijgebouw van een Romeinse villa aangetroffen. Mogelijk stond de villa of andere daaraan gerelateerde zaken binnen het huidige Kalorama terrein. Er kunnen archeologische resten verwacht worden in de vorm van (periodieke) bewoning en menselijk activiteitenzones vanaf de vroegere prehistorische perioden. Daarbij zal het voor de vroege prehistorie vermoedelijk met name gaan om losse vondsten, activiteiten (vuursteenspreidingen of haardplaatsen) of met een beperkte omvang. Archeologische waarden vanaf de late prehistorie (sedentaire samenlevingen) kunnen bestaan uit sporen van nederzettingen en voor de betreffende periode kenmerkend vondstmateriaal, zoals aardewerk en bouwmateriaal. Met name vanaf de Romeinse Tijd kunnen omvangrijke sporen- en vondstcomplexen verwacht worden.

Binnen het terrein kunnen ook sporen aangetroffen worden die gerelateerd zijn aan het villa-terrein (Kalorama). Dit soort zogenoemde tuinarcheologie staat steeds meer in de archeologische belangstelling (ook van de bevoegde overheden). Binnen het terrein kunnen eveneens sporen uit de perioden van de wereldoorlogen worden verwacht zoals loopgraven en materiaalaccumulaties. 5.9.1.3 Advies Op basis van het voorgaande adviseert Greenhouse Advies om een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te laten voeren binnen de nog niet verstoorde delen – zie verstoringskaart – van het Kalorama terrein. Doel hiervan is het opsporen van eventueel (nog) aanwezige archeologische waarden en het in dat geval waarderen daarvan. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kunnen door de bevoegde overheid de eventuele vervolgstappen worden bepaald; vrijgave, vervolgonderzoek (opgraving en/of archeologische begeleiding) of planaanpassing. Onderstaande afbeelding verbeeldt de zones waarbinnen geadviseerd wordt een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

Kaart met zones waarbinnen de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

44

5.9.1.4 Proefsleuvenonderzoek fase 0 Voor de aanvang van de nieuwbouw van fase 0 heeft Greenhouse Advies ter plaatse een proefsleuvenonderzoek voor deze deellocatie uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 15 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek kan de eerder opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het onderzochte deel van het plangebied worden afgezwakt naar laag. De kans dat bij de geplande bodemingrepen (deels ophoging en deels ontgraving) archeologische waarden worden aangetroffen of verstoord wordt klein geacht. Er is daartoe geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden binnen de deellocatie van fase 0 en de bodemingrepen binnen dit deelgebied vrij te stellen van nader archeologisch onderzoek. De vervangende nieuwbouw van het centrum voor doofblinden (fase 0) is ondertussen in aanbouw en op de verbeelding behorende tot onderhavig bestemmingsplan is de dubbelbestemming archeologie ter plaatse van deze deellocatie verwijderd. 5.9.1.5 Procedure Binnen enkele andere locaties / deelgebieden op het Kaloramaterrein dient nog wel het eerder bepaalde inventariserende veldonderzoek (proefsleuven) te worden uitgevoerd voordat daar de geplande bodemingrepen mogen worden uitgevoerd.

Echter maakt de bestaande erfverharding binnen het Kalorama terrein dit onderzoek momenteel onmogelijk. Voorgesteld wordt om het aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren op het moment dat de op de gronden ter plaatse van het nader onderzoek aanwezige erfverharding is verwijderd. Eerdere uitvoering is gezien de gefaseerde realisatie en het tussentijdse gebruik van de locatie niet mogelijk. Ten aanzien van graafwerkzaamheden geldt dat deze pas zijn toegestaan zodra, conform het goedgekeurde PvE, aanvullend archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden en hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn danwel de belemmeringen zijn opgelost door het treffen van afdoende maatregelen. Zolang voorgaande niet heeft plaatsgevonden, blijft de archeologische dubbelbestemming van kracht. Als er tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten worden gedaan, moeten die conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 gemeld worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed(info@cultureelerfgoed.nl of 033-4217456) en de gemeente (archeologie@bergendal.nl). 5.9.2 Cultuurhistorie 5.9.2.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Eelerwoude heeft een advies cultuurhistorie en landschap opgesteld met als doel het verwerven van informatie over aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het rapport is als bijlage 16 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

5.9.2.2 Beoordelingskader Het Kalorama terrein ligt conform de bestemmingsplankaart in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde - Reliëf’. De gronden binnen deze zone zijn onder andere bestemd voor het behoud en het herstel van het aanwezige reliëf. Het aanwezige reliëf mag niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud en/of herstel van het reliëf niet worden verkleind. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van (grond)werkzaamheden is vereist. Het bevoegd gezag kan daarover advies inwinnen bij een onafhankelijk landschaps- en/of ecologische deskundige. 5.9.2.3 Advies en conclusie De voorgestelde maatregelen hebben geen grote impact op de landschappelijke- en cultuurhistorische waarden. De waarden worden lokaal in geringe mate aangetast en in hoofdzaak worden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden gestructureerd en ontwikkeld.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

45

Stuwwallandschap • • •

De voorgestelde ingrepen behouden de cultuurhistorische waarden van het landschapstype. Karakteristieke hoogtes, reliëf en bomen blijven beleefbaar en sterker herkenbaar in de toekomstige inrichting. In kleine mate tasten de inrichtingsmaatregelen het beschermde reliëf aan (Waarde - Reliëf).

Kalorama terrein • • •

De voorgestelde ingrepen voegen een nieuwe tijdslaag aan de parkachtige inrichting toe. Deze wijzigingen passen binnen de cultuurhistorische geschiedenis waar restanten van inrichting uit opeenvolgende tijdslagen de situatie in het veld bepalen. De cultuurhistorische waarden worden hierdoor lokaal in geringe mate aangetast en de herkenbaarheid wordt hierdoor minder.

Toegangspad • •

De voorgestelde ingrepen behouden de cultuurhistorische waarde van het pad vanuit het terrein naar de buitenwereld. De herkenbaarheid en beleefbaarheid als belangrijk pad in een dalvormige laagte in de stuwwal worden aangetast door de aanleg van de hellingbaan.

Toegangspoort en hekwerk • • •

Het betreft een gemeentelijk monument. De voorgestelde verplaatsing en aanpassing behoudt de cultuurhistorische waarde van de poort met hekwerk en de relatie met het toegangspad en de locatie aan de grens van het terrein. Door in de nieuwe situatie de oorspronkelijke functie als toegangspoort te herstellen kan tevens de aangrenzende poort verdwijnen wat zorgt voor een versterking van de cultuurhistorische waarde.

5.9.2.4 Conclusie Het Gelders Genootschap heeft ondertussen een positief advies afgegeven voor de verplaatsing van de monumentale poort en de terreininrichting. Het uitgewerkte verplaatsingsplan en genoemd advies zijn respectievelijk als bijlage 17 en 18 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen.

5.10 Natuur en landschap 5.10.1 Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. Om de biodiversiteit nu en voor de toekomst veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Voor het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Gelderland streeft de provincie naar het opheffen van versnippering en een goede aansluiting tussen het Natuurnetwerk en het Duitse Biotopverbund. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

46

kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals rust, ruimte en stilte. Nieuwvestiging en uitbreiding binnen het Gelders Natuurnetwerk zijn alleen mogelijk wanneer: • •

er geen reële alternatieven zijn; wanneer er een groot maatschappelijk belang in het geding is.

Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. De westzijde van het plangebied (fase 0) ligt gedeeltelijk (184 m²) binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Een weergave van de gedeeltelijke ligging binnen de GNN is opgenomen in het als bijlage 19 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen compensatieplan GNN. Beperkte ontwikkelingsmogelijkheden bestaande functies Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatie gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor deze compensatie. De provincie ondersteunt op verzoek met het opstellen van een compensatieplan en wil faciliteren met compensatiepoules. Compensatiepoules Omdat het ontwikkelen van nieuwe natuur voor veel bedrijven geen dagelijkse activiteit is, wil de provincie maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat er tijdig compensatienatuur ontwikkeld is of kan worden.

Daarmee wordt voorkomen dat investeringen onnodig worden uitgesteld omdat er geen compensatielocatie voorhanden is. Met een actieve rol bij de ontwikkeling van compensatielocaties wordt de samenhang tussen natuurgebieden versterkt. Plangebied ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk In onderhavige situatie kan de verantwoording voor medewerking gezocht worden in het feit dat het een bestaande functie betreft waarbij er, gekeken naar de locatie en de doelgroep, geen andere reële alternatieven zijn. Doof-blinden bewegen volledig op tast en locatiekennis. Tijdelijke verhuizing naar een andere locatie heeft hiertoe een grote impact op de cliënten. Hierdoor is ervoor gekozen om de bestaande bebouwing pas te slopen op het moment dat de vervangende nieuwbouw door de betreffende cliënten in gebruik is genomen. Hierdoor bestond er geen andere mogelijkheid dan de vervangende nieuwbouw ten zuiden van de bestaande bouw te projecteren. Compensatieplan Om te voldoen aan de hierboven beschreven randvoorwaarden voor medewerking van (gedeeltelijke) realisatie binnen de GNN heeft de Plannendokter een compensatieplan opgesteld. Het compensatieplan is als bijlage 19 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Doel van dit plan is om aan te tonen dat de voorgestelde compensatie voldoet aan voornoemde voorwaarden; een vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang.

Conclusie In het kader van onderhavige ontwikkeling en de gedeeltelijke ligging binnen het GNN is het compensatieplan aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft aangegeven in te stemmen met de voorgestelde GNN compensatie onder de voorwaarde dat de gronden waarop de compensatie betrekking heeft, worden bestemd als ‘Natuur’. De in het compensatieplan verwoorde maatregelen worden hiertoe uitgevoerd en de gronden waarop de compensatie plaatsvindt, zijn op de verbeelding behorende tot dit bestemmingsplan bestemd als ‘Natuur’. Daarnaast is op verzoek van

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

47

de provincie een beplantingsplan voor de GNN opgesteld. Het beplantingsplan is als bijlage 20 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Ook het beplantingsplan voor de GNN is ondertussen door de provincie akkoord bevonden. 5.10.2 Stuwwallandschap De locatie van Kalorama ligt binnen het landschapstype stuwwallandschap. Dit landschap is door ijs en water gevormd en van oudsher een plek voor luxe bewoning. Historisch geografisch gezien is het een droog zandgebied met oude bossen en ontginningen. De bebouwing in het reliëfrijke gebied heeft het karakter van wonen in een park- en bosrijke omgeving, deels landgoedachtig. De reliëfrijke stuwwalglooiing in combinatie met luxe bebouwing zijn als waardevol te kenmerken. Het reliëfrijke cultuurhistorisch waardevolle beeld van het stuwwallandschap met bossen en bebouwing en is goed herkenbaar en beleefbaar en blijft dit ook in de beoogde situatie. 5.10.3 Landschappelijke inpassing De ontwikkelingen worden in de huidige landschappelijke karakteristieken ingepast. Uitgangspunt voor de herinrichting van het terrein is de bestaande situatie met bebouwde delen en bestaande beplanting in een reliëfrijke omgeving. Hierbij worden doorzichten geschept om het reliëf beter zichtbaar en beleefbaar te maken.

Bij de situering van de vervangende nieuwbouw is het uitgangspunt geweest om de bebouwing zoveel mogelijk op de bestaande funderingen en verhardingen te realiseren of op locaties waar in het verleden als bebouwing en/of verharding aanwezig was. Hierdoor is het aantal te kappen bomen tot een minimum beperkt. Het plangebied behoud daarmee bijna alle groene elementen en het reliëf die landschappelijke en cultuurhistorische waarden bepalen. Hierdoor wordt de samenhang van de Kalorama locatie als geheel tussen morfologie, bebouwing en buitenruimte versterkt. De nieuwe parkstructuur met wandelpaden en parkeren scheidt zoveel mogelijk de auto’s en voetgangers. Door hoekige infrastructuur toe te passen kunnen de bewoners zich beter oriënteren en door flauwe hellingen en een hellingbaan aan te leggen kunnen de voetgangers zich zonder obstakels over het terrein verplaatsen. De navolgende afbeelding verbeeldt het inrichtingsplan van de beoogde situatie.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

48

Bovenaanzicht beoogde inrichting (Civil Management, 23 juni 2020) Aanvullend hebben de maatregelen uit het compensatieplan GNN (bijlage 19 bij de bijlagen bij de toelichting) tot doel om het zicht vanuit het Kastanjedal op de nieuwbouw te minimaliseren en te verzachten en komt de oorspronkelijke situatie, waarbij vanaf het Kastanjedal zicht was op de geparkeerde auto’s bovenaan de helling, te vervallen. 5.10.4 Voorkomen schade natuur door bouwwerkzaamheden Gezien de ligging van het plangebied tegen de natuur, dient te worden voorkomen dat de natuur tijdens de bouwactiviteiten onnodig wordt beschadigd. Om dit te borgen, heeft de initiatiefnemer een plan van aanpak aan het bevoegd gezag te overleggen waaruit blijkt hoe er wordt gebouwd en op welke wijze wordt voorkomen dat de aangrenzende natuur schade wordt toegebracht door de bouwactiviteiten. Om te voorkomen dat waardevolle bomen schade ondervinden, wordt voorgesteld om geen machines en materialen binnen de kroonprojectie van bomen met een stamomtrek van ≥ 30 cm te plaatsen. Hiermee wordt een negatief effect door verdrukking van de bodem en het mogelijk lekken van brandstoffen door machines voorkomen. Conclusie Door de gedeeltelijke ligging van het plangebied binnen het GNN dient de initiatiefnemer de te vervallen oppervlakte natuur te compenseren en te versterken.

In dit kader is een compensatieplan aan de provincie voorgelegd. De provincie heeft aangegeven in te stemmen met de voorgestelde GNN compensatie mits de gronden waarop de compensatie plaatsvind de bestemming ‘Natuur’ krijgen. De in het compensatieplan verwoorde maatregelen worden hiertoe uitgevoerd en de gronden ter plaatse van de compensatie zijn op de verbeelding behorende tot dit bestemmingsplan bestemd als ‘Natuur’. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing wordt geconcludeerd dat de bestaande kwaliteiten worden behouden en versterkt. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de ter plaatse aanwezige kwelwaterstromen. Om onnodige schade aan natuur te

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

49

voorkomen, heeft de initiatiefnemer het bevoegd gezag een plan van aanpak geleverd aangaande de bouwwijze en het voorkomen van schade aan natuur. Met inachtneming van voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘natuur en landschap’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.11 Externe veiligheid 5.11.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstande en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. 5.11.2 Toetsing Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • • •

risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

50

Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd) Risicovolle inrichtingen Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied bevindt zich één risicovolle inrichting. Het betreft een vuurwerkopslag aan de Watertorenweg 6 te Berg en Dal. De inrichting heeft een vergunde opslagcapaciteit voor 10.000 kg consumentenvuurwerk. Met een kortste afstand van circa 930 meter tot het plangebied, levert de inrichting geen belemmering op. Risicovol wegtransport en transport via spoor- en waterwegen Over de provinciale weg N325 worden gevaarlijke stoffen vervoerd, voornamelijk LPG en Propaantransporten – vallende onder GF3 transporten. Met een kortste afstand van circa 640 tot het plangebied, levert het vervoer van gevaarlijke stoffen over de provinciale weg N325 geen belemmering op voor het plangebied. Spoor- en waterwegen zijn niet aanwezig in het geïnventariseerde gebied. Risicovolle (buis)leidingen In de nabijheid van het plangebied liggen geen hogedrukaardgastransportleidingen of K1-, K2-, K3brandstofleidingen of bovengrondse hoogspanningslijnen. 5.11.3 Conclusie Duidelijk is dat er in de omgeving van het plangebied geen objecten zijn gelegen die in het kader van externe veiligheid dienen te worden beschouwd. Wel verblijven er, evenals in de bestaande situatie, niet zelfredzame mensen binnen het plangebied.

Echter neemt het aantal mensen niet toe en zijn er binnen het plangebied voldoende mogelijkheden om in geval van een calamiteit in een veilige richting te vluchten. Het aspect ‘externe veilheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12 Niet-Gesprongen Explosieven Expload heeft een vooronderzoek en Risico Analyse Conventionele Explosieven uitgevoerd met als doel te bepalen of er binnen het Kalorama terrein mogelijk sprake is van achtergebleven Conventionele Explosieven (CE) en mocht dit het geval zijn, te onderzoeken welke

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

51

beheersmaatregelen nodig zijn. Het rapport is als bijlage 21 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. Wanneer binnen het Kalorama terrein één of meerdere CE zijn achtergebleven, kan dat een risico vormen in de uitvoeringsfase van het project. De kans dat een CE ongecontroleerd tot explosie komt door effecten die kunnen optreden bij voorgenomen werkzaamheden is gering, het effect is echter groot. Risico geldt voor de openbare veiligheid, het betrokken personeel (Arbo veiligheid)en/of kostenverhogingen door stagnatie, als men CE (spontaan) aantreft. Stichting Kalorama draagt, als initiatiefnemer, een deel van de verantwoordelijkheid voor de Arboveiligheid binnen het project, terwijl de gemeente Berg en Dal als bevoegd gezag verantwoordelijk is voor de openbare veiligheid. Voor de gemeente bestaat de mogelijkheid aanspraak te maken op een tegemoetkoming in de opsporingskosten via het ministerie van Binnenlandse Zaken. De financiële afhandeling loopt via het Gemeentefonds. 5.12.1 Beoordelingskader De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat regels voor werkgevers en werknemers om de gezondheid, de veiligheid en het welzijn van werknemers en zelfstandige ondernemers te bevorderen. Doel is om ongevallen en ziekten te voorkomen die door het werk kunnen worden veroorzaakt. De Arbowet is een kaderwet, d.w.z. dat het algemene bepalingen en richtlijnen bevat.

Vanaf 1994 geldt voor alle werkzaamheden vanuit de Arbowet een wettelijke verplichting om een risico inventarisatie en -evaluatie (RI&E) uit te voeren in de voorbereidingsfase van het project. Doel is om vooraf te bepalen of er tijdens de uitvoeringsfase van een project risico´s te verwachten zijn en zo ja, hoe we de betrokkenen risico’s kunnen wegnemen of terugbrengen naar een aanvaardbaar veiligheidsniveau. De belangrijkste regelgeving met betrekking tot CE volgt uit artikel 4.10 van het Arbobesluit, waarin een directe verwijzing is opgenomen naar het de zogenoemde Werkveldspecifiek Certificatieschema voor het Opsporen van Conventionele Explosieve (WSCS-OCE). In deze WSCS-OCE worden proceseisen gesteld aan het opsporen van conventionele explosieven. 5.12.2 Vooronderzoek 5.12.2.1 Belangrijkste indicaties van CE Onderstaand volgen de conclusies met betrekking tot de belangrijkste gebeurtenissen uit de oorlogsperiode die indicaties van CE in het onderzoeksgebied vormen. Militaire aanwezigheid In het onderzoeksgebied bevond zich in de periode van 11 tot en met 29 oktober 1944 een Amerikaanse geschutbatterij. Deze batterij van 4 zware veldkanonnen, stond vermoedelijk op het westelijke deel van de toenmalige tuin van sanatorium Kalorama.

In de stelling, die mogelijk ingegraven was, kunnen geschutmunitie, explosieve stoffen, ontstekingsinrichtingen en infanteriemunitie zijn achtergebleven. Grondgevechten In en direct rondom het onderzoeksgebied vonden van 17 tot en met 21 september 1944 grondgevechten plaats tussen Duitse en Amerikaanse troepen. Het bronnenmateriaal bevat aanwijzingen dat op het terrein van sanatorium Kalorama hevige man-tot-man gevechten plaatsvonden en dat tijdens de gevechten, maar ook in de daaropvolgende maanden, zware artilleriegranaten op het terrein neerkwamen. Als gevolg van de grondgevechten kunnen de volgende hoofdsoorten CE in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven: Klein Kaliber Munitie, handen geweergranaten, munitie voor granaatwerpers, (ground-to-ground) raketten, geschutmunitie, explosieve stoffen, ontstekingsinrichtingen, toebehoren van munitie.

1 april 2021 | Bestemmingsplan ‘Kalorama locatie Nieuwe Holleweg’ | Buro Stedenbouw

52

5.12.2.2 Horizontale en verticale afbakening verdacht gebied Als gevolg van gebeurtenissen en omstandigheden tijdens WO-II is het hele onderzoeksgebied aangemerkt als verdacht van de mogelijke aanwezigheid van CE. De horizontale en verticale begrenzingen van de verdachte gebieden zijn afgebeeld op de CE-bodembelastingkaart (bijlage 2 van de rapportage) en onderbouwd in paragraaf 2.3 en in de chronologische gebeurtenissenlijst (bijlage 3 van de rapportage). Als gevolg van man-tot-man gevechten, artilleriebeschietingen en de aanwezigheid van een geschutbatterij is het hele onderzoeksgebied aangemerkt als ‘verdacht van geschutmunitie, infanteriemunitie, munitie voor granaatwerpers, (ground-to-ground) raketten, explosieve stoffen, ontstekingsinrichtingen, toebehoren van munitie’. Op onderstaande afbeelding wordt het verdachte gebied weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9840707/1