4. Vizier - Onderzoeksrapport Welzijn LHBTIQA
Tekst van het document
In de open vragen en interviews zien we een grote diversiteit aan opvattingen en invalshoeken op het geloof. Niet verwonderlijk, want elke geloofsgemeenschap is anders en heeft weer andere regels en gebruiken. Tegelijkertijd helpen deze rijke verhalen ons om duiding om verdiepen te geven aan enkele van hierboven besproken patronen. Opvallend hierin is de roep om helderheid en een actieve rol van de kerkelijke leiding.
5.4.1: HET GELOOF VERLATEN
In de open vragen geeft een aantal respondenten toelichting waarom ze het geloof verlaten hebben. Vaak is het een samenspel van factoren: zelf al niet zo veel op hebben met het geloof, het achterhaald vinden, en je daarnaast niet geaccepteerd voelen. Daarnaast verlaten mensen niet altijd vrijwillig het geloof om hun voorkeur. Een geïnterviewde homoman vertelt bijvoorbeeld het verhaal van zijn gedwongen vertrek uit een kerk. In de kerk waarin hij opgroeide, trouwde hij met een vrouw en kreeg kinderen. Rond zijn veertigste kwam hij echter als homo uit de kast. De kerkleiding maakte duidelijk dat hij zelf kon vertrekken, of anders in de ban gedaan zou worden en geen lid meer mocht zijn. De homoman heeft definitief gebroken met deze gemeenschap en zich na een paar jaar met zijn nieuwe partner aangesloten bij een andere, accepterende, kerk. Hier mag hij meedoen, ouderling zijn en wordt er van zijn geaardheid geen probleem gemaakt. Het uitkomen voor je seksuele voorkeur of genderidentiteit kan er tevens voor zorgen dat je banden met je religieuze stroming, en daarom vaak ook met familie en vrienden, worden afgesneden. Een (andere) geïnterviewde homoseksuele man illustreert dit als hij vertelt dat zijn religieuze familie eigenlijk geen contact meer met hem mag hebben. Omdat zij hieraan geen gehoor geven, kunnen zij niet alle functies in de kerk bekleden.
Voor LHBTIQA+’ers die zich bevinden in de strenggelovige gemeenschappen die deze werkwijze hanteren, heeft het uitkomen voor hun geaardheid dus grote consequenties.
5.4.2: BEHOEFTE AAN DUIDELIJKHEID
Tegelijkertijd zijn er ook geïnterviewde christelijke LHBTIQA+'ers die wel acceptatie in hun kerkgemeenschap ervaren. Zij mogen in veel gevallen deelnemen, ook aan bestuursfuncties, en voelen zich door medegelovigen en ook door kerkleiders vaak redelijk geaccepteerd. Maar ook deze christenen kunnen worstelen met hun positie in de gemeenschap. Wat als problematisch wordt ervaren is de onduidelijkheid over je status: in veel gevallen
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
50
mag je deelnemen aan de gemeente, maar mag je ook vrijwilligerswerk doen? Of trouwen? En hoe moet dat dan als het niet mag? Juist in dit aspect ligt een sterke behoefte aan meer ondersteuning van kerkleiding. Uit de interviews bleek bovendien dat we voorzichtig moeten zijn om over een stroming als geheel te spreken. Er is het verschil tussen beleid van de lokale kerkgemeente en de landelijke stroming: meerdere mensen geven aan dat in de landelijke stroming de positie van LHBTIQA+'ers meer een probleem is dan in hun lokale kerkgemeente. Hierdoor moeten soms bij levensgebeurtenissen (dopen, trouwen) andere paden bewandeld worden dan normaal: bijvoorbeeld niet een echte trouwdienst/inzegening, maar wel aandacht ervoor in de reguliere zondagsdienst. Lesbische vrouw (46): Ik zou heel graag iets met de jeugd willen doen, maar ja, ga ik me aanbieden? Waar loop ik dan weer tegenaan, heb ik daar zin in? De dominee heeft gezegd dat ik welkom ben, maar we gaan nu samen met een andere kerkgemeenschap, en daar ligt het net weer anders. De jeugdgroepen hebben ze nu al samengevoegd. Moet ik dan ook toestemming vragen bij die andere kerkgemeenschap? Ik vind het erg ingewikkeld. En ik moet het altijd zélf vragen.
5.4.3: HET GELOOF EN DE MAATSCHAPPIJ: CHRISTELIJKE SCHOLEN EN (ON)VEILIGHEID Zoomen we in op de drie christelijke jongeren die geïnterviewd zijn, dan valt op dat zij benadrukken dat het
christendom niet alleen in de kerk, maar ook in het maatschappelijk leven een grote rol speelt, waardoor zij zich ook buiten de kerk onveilig en niet geaccepteerd voelen. Het meest indringende voorbeeld is dat van de christelijke middelbare school, waar LHBTIQA+ issues niet bespreekbaar zijn. Deze verhalen illustreren dat jongeren zich op school niet durfden te uiten. Soms wel nog naar vrienden/medeleerlingen maar zeker niet naar volwassenen/leraren. In een vertrouwenspersoon hadden zij over het algemeen weinig vertrouwen. Men verwacht niet dat deze vertrouwelijk met hun ervaringen/worstelingen om zou gaan. Zowel LHBAP als TIQ-jongeren geven aan dat dit een probleem is. Biseksuele non-binaire interviewee (21): ik zat zelf op een gelovige school, waar men zei ‘je mag wel gay zijn maar niet gay relaties hebben’. En dan denk je toch niet van he laat ik er eens voor uitkomen dat ik niet straight ben. Bij biologie is het één keer besproken bij seksuele voorlichting. Maar dan zeggen ze wel: ‘dat bestaat ook maar eigenlijk is het allemaal zondig.’ En zo maken ze meteen duidelijk dat dat eigenlijk geen optie is. Deze onderwerpen zijn niet alleen onbespreekbaar is naar volwassenen toe, maar ook de voorlichting op school is niet of nauwelijks aanwezig volgens de verhalen van deze jongeren.
Als deze wel aanwezig is, wordt er altijd duidelijk bij vermeld dat dit ‘volgens het geloof niet mag’. Deze ervaringen zijn weliswaar individueel, maar resoneren met andere bekende verhalen. De interviews laten zien dat de ervaren acceptatie in streng-kerkelijke omgevingen ook op scholen laag is en dat dit wortelt in zowel onbespreekbaarheid als actieve negatieve bejegening, ook vanuit schoolleiding, kerkleiding en zelfs in de voorlichting (waarin scholen veel vrijheid hebben en nemen). Vragen we de jongeren die we interviewden en direct deze negatieve ervaringen hadden naar een oplossing, dan zien zij die niet direct. Sommigen benoemen dat de (landelijke) overheid voorlichting zou moeten verplichten of anderszins een veilige school moet garanderen. Anderen zien het somber in en denken dat bijvoorbeeld onafhankelijke voorlichting of een vertrouwenspersoon weinig invloed zouden hebben op het LHBTIQA+ onvriendelijke klimaat. Dat brengt ons terug bij het discussiepunt waarmee we dit hoofdstuk ook openden: de vraag naar wie (mede)verantwoordelijk wordt geacht voor wat er in geloofsgemeenschappen en scholen (met onderwijsvrijheid) plaatsheeft.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
51
Hoofdstuk 6
GEMEENTEBELEID 52
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
HET BEELD: GEMEENTEBELEID
LHBTIQA+ inwoners van Gelderland en Overijssel zien aan de ene kant dat hun gemeentebestuur emancipatie en acceptatie uitdraagt en (zo) probeert te bevorderen, maar tegelijkertijd is er een duidelijke roep om meer beleid, in algemene en specifieke zin. Daarnaast kunnen gemeenten onder andere ondersteuning bieden aan een groot en divers palet aan organisaties dat bij de doelgroep (en subgroepen daarvan) bekend is. Dit helpt om juist ook de mensen te horen en bereiken die niet centraal in de LHBTIQA+ gemeenschap staan, bijvoorbeeld omdat ze minder talrijk zijn (zoals aseksuelen, transgender mensen of LHBTIQA+ christenen). Bovenal suggereert dit onderzoek dat er niet één evidente easy fix is of één alles afdekkende partner; wel verwachten respondenten een actievere rol van de (lokale) overheid. • 71% van de respondenten antwoordt correct of hun gemeente een regenbooggemeente is. 76% vindt het zijn van een regenbooggemeente (heel) belangrijk, maar LHBTIQA+ inwoners in Gelderland en Overijssel achten inhoudelijke beleidsvorming rond seksuele diversiteit (89%) en genderidentiteit (86%) belangrijker. • Als we respondenten van dit onderzoek volgen, dan voeren Gelderse en Overijsselse gemeenten meer algemeen voorlichtings- en zichtbaarheidsbeleid (ofwel vnl.
communicatie), dan dat ze kiezen voor intensiever beleid in de zorg of sport, door evenementen te organiseren of door genderneutrale toiletten in de publieke ruimte of het gemeentehuis te creëren. • Voor elk van de gevraagde beleidsopties wil het merendeel van de respondenten dat de gemeente meer doet. • Gemiddeld konden respondenten twee belangenvertegenwoordigende organisaties noemen en ruim twee derde van de respondenten noemde er minimaal één. Het COC is veruit de meest genoemde belangenorganisatie, maar respondenten noemen ook vele andere organisatie wat de zeer diverse gemeenschap weerspiegelt. Dit lijkt te suggereren dat voor effectief beleid dat een breed publiek bereikt, (lokale) overheden met veel organisaties partnerschappen kunnen aangaan of hen ondersteuning kunnen bieden. Dit bevordert het bereiken van subgroepen (bijv. transgender inwoners), bepaalde demografische groepen (ouderen, jongeren, christenen), of LHBTIQA+ binnen brede organisaties (Roze in het Blauw bij de politie, GSAs op scholen). • Als we vragen aan interviewees en respondenten wat zij willen, geven m.n. de inwoners van de kleinere gemeenten aan dat LHBTIQA+ beleid bij hun gemeente geen speerpunt is. Zelfs het ophangen van een regenboogvlag is niet mogelijk. Verzoeken hierom worden afgewezen. Hierdoor voelen deze inwoners zich weinig gehoord.
Ook in de suggesties wordt duidelijk gemaakt dat inclusiviteit ook uitgedragen moet worden door zelf het goede voorbeeld te geven.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
53
6.1 ACHTERGROND EN REGENBOOGGEMEENTES
De Rijksoverheid probeert gemeenten te stimuleren en faciliteren in het voeren van emancipatiebeleid rond seksuele voorkeur en genderdiversiteit via het programma Regenbooggemeenten. Momenteel hebben 55 gemeenten met de minister van onderwijs een intentieverklaring getekend, waarmee deze gemeenten aangeven zich actief in te zetten op het
REGENBOOGGEMEENTEN
Gelderland: Apeldoorn, Arnhem, Bronckhorst, Culemborg, Ede, Harderwijk, Nijmegen, Tiel, Wageningen, Zutphen Overijssel: Deventer, Hengelo Enschede, Zwolle, Dalfsen, Tubbergen. *Vet=onderdeel landelijke Regenboogprogramma; niet vet is zelf uitgeroepen regenbooggemeente
gebied van LHBTIQA+’ers. De samenwerking gaat gepaard met een financiële impuls en is vooral gericht op de G50;32 andere gemeenten kunnen zichzelf wel uitroepen tot regenbooggemeente, en doen dat ook. Ook al ontvangt deze laatste groep niet dezelfde (financiële) ondersteuning, de signaalfunctie vanuit de overheid is gelijk, ervan uitgaande dat inwoners weten of hun gemeente een regenbooggemeente is. Onder de geënquêteerde LHBTIQA+ inwoners van Gelderland en Overijssel, antwoorde 71% van de respondenten correct of hun gemeente een regenbooggemeente is. Dit kan betekenen dat ze het wisten of dat ze het gokten, maar als ze het echt niet wisten kozen ze waarschijnlijk ‘weet ik niet’. Tabel 6.1: Bekendheid status als regenbooggemeente N= 1320
Officieel een regenbooggemeente
Respondenten denken dat het een regenbooggemeente is
Niet
Wel
Niet
281 (61%)
129 (15%)
Wel
74 (16%)
655 (76%)
Weet ik niet
107 (23%)
74 (9%)
In sommige gemeenten hebben minimaal 20 mensen deze vraag beantwoord hebben en kunnen we wat specifieker deze vraag uitsplitsen.33 • Van Arnhem (87%), Deventer (84%), Enschede (92%), Harderwijk (95%), Nijmegen (92%) en Zwolle (88%) weet het gros van de respondenten uit die gemeente correct aan te geven dat het regenbooggemeenten zijn. Al deze gemeenten nemen sinds de start van het nationale programma in 2008 daaraan deel. • Onder de andere regenbooggemeenten met minimaal 30 respondenten is de herkenning aanmerkelijk lager. Het percentage dat aangeeft dat de gemeente geen regenbooggemeente is of het niet weet is voor Apeldoorn 38%, Ede 28%, Hengelo, 41%, Tiel 59%, Wageningen 30% en Zutphen 50%. • Van de gemeenten die geen regenbooggemeente zijn hebben meestal minder dan 20 respondenten aan dit onderzoek meegedaan. De uitzonderingen hierop zijn: Berg en Dal (44% niet regenbooggemeente, 20% wel), Kampen (57% niet, 33% wel) en Lingwaard (60% niet; 20% wel).
32
G50 = de vijftig grootste gemeenten van Nederland. In eerdere fasen mochten ook andere gemeenten meedoen, vandaar het
32
Cijfers op basis van kleine aantallen (bv. voor Wageningen en Zutphen) zijn louter indicatief. Wel is een lage herkenningsgraad
aantal deelnemende gemeenten hoger is dan 50.
opvallend, omdat de werving van dit onderzoek deels via belangengroepen en gemeenten is gelopen. Dit resulteert in meer
respondenten die geïntegreerd zijn in de LHBTIQA+ gemeenschap en die ook over het algemeen sterker op de hoogte zijn van het gemeentelijk beleid.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
54
6.2 GEMEENTELIJKE AANDACHT
Dat LHBTIQA+ inwoners van Gelderland en Overijssel hun situatie willen verbeteren is gezien de situatie, zoals in de voorgaande hoofdstukken geschetst, niet verwonderlijk. Maar wat wil en verwacht men hierbij ook een actieve rol van de overheid? Het zijn van regenbooggemeente is geen onafhankelijk doel op zich. Het gaat gepaard met beleidsdoelen rond emancipatie en acceptatie. Ook de LHBTIQA+ inwoners in Gelderland en Overijssel lijken die inhoudelijke beleidsvorming voorop te stellen. Terwijl nog altijd 76% het (heel) belangrijk vindt dat hun gemeente een regenbooggemeente is; geeft maar liefst bijna 90% aan dat ze lokaal beleid op het gebied van seksuele diversiteit en op het gebied van genderidentiteit (heel) belangrijk vinden. Tabel 6.2: Het belang van gemeentelijk beleid Stellingen: hoe belangrijk vindt u dat uw gemeente… N=1312
(Heel) onbelangrijk %
Neutraal %
(Heel) belangrijk %
Weet ik niet/ geen mening %
…een regenbooggemeente is
8,7
14,0
75,8
1,5
…de lokale politiek aandacht besteedt aan het thema seksuele diversiteit
5,0
4,5
89,3
1,1
…de lokale politiek aandacht besteedt aan het thema genderidentiteit.
5,1
7,5
86,1
1,3
6.3 BELEIDSHERKENNING
Dat dergelijk lokaal beleid door de LHBTIQA+ doelgroep als belangrijk wordt beschouwd is wellicht geen verrassing. Bovendien zegt het weinig over de invulling van het beleid. Daarom legden we de respondenten negen beleidsopties voor en vroegen of ze dachten dat hun gemeente dit beleid al voerde (sectie 6.3) en of het naar hun mening meer of minder nodig was (sectie 6.4). De respondenten vinden lokaal beleid niet alleen belangrijk, maar er is ook duidelijk behoefte aan meer beleid, deels omdat de respondenten het idee hebben dat hun gemeente bepaald beleid niet voeren. Op geen enkel van de genoemde maatregelen zegt meer dan 69% van de respondenten dat hun gemeente dat type beleid voert, terwijl de lijst vrij regulier beleid omvat als voorlichting en aandacht in het onderwijs. Mochten gemeenten dit beleid wel voeren, dan lijkt het bereik en/of de bekendheid verre van optimaal. Vooral intensiever en nieuwer beleid wordt minder genoemd als door de gemeenten uitgevoerd of gefaciliteerd. Ongeveer of meer dan de helft van de respondenten zegt dat hun gemeentebeleid in of met betrekking tot zorginstellingen, sportverenigingen, zichtbaarheidsevenementen, genderneutrale toiletten en cruisegebieden niet ondersteunt. Beleid rond voorlichting in de brede zin (bijvoorbeeld op scholen) en zichtbaarheid (regenbooggemeente uitdragen) wordt meer herkend.
Deels kan dit verschil in herkenning liggen in de gemakkelijkere zichtbaarheid van het laatstgenoemde type beleid. Een alternatieve verklaring is dat zichtbaarheidscampagnes en een vlag hijsen ook simpelweg goedkoper zijn en minder vergen van een gemeente en haar partners. Daarmee stuiten ze ook vaak op minder weerstand en komt dit type beleid inderdaad meer voor. Tabel 6.3: Herkenning van gemeentebeleid Denkt u dat uw gemeente de volgende zaken ondersteunt/ faciliteert i. Genderneutrale toiletten in het gemeentehuis en openbare ruimte h. Uitdragen van de regenboogprovincie of -gemeente g. Evenementen ten behoeve de zichtbaarheid en acceptatie van LHBTI+ organiseren f. Faciliteert veilige cruise gebieden e. Aandacht voor LHBTI+ bij sportverenigingen d. Aandacht voor LHBTI+ bij zorginstellingen c. Aandacht voor LHBTI+ in het onderwijs b. Bijstand en advies over pesten, uitsluiten en discriminatie a. Voorlichting geven over LHBTI+, gelijke kansen en acceptatie
0
10 Niet
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
20 Wel
30
40
50
60
70
80
90
100
55
6.4 BELEIDSBEHOEFTE
De behoefte van de respondenten aan meer beleid is sterk: voor elk van de genoemde beleidsopties vinden de meeste respondenten dat er meer aan moet gebeuren. Bovendien zijn de aantallen dusdanig dat we kunnen concluderen dat ook menigeen vindt dat hun gemeente meer moet doen, ook al denkt men dat de gemeente het beleid al in enige mate voert. Zo vraagt twee derde van de respondenten om meer aandacht in de zorg en sport terwijl ongeveer de helft denk dat de gemeente hier al actief beleid op voert. De roep om meer beleid is het grootst bij onderwerpen die gelden voor alle subgroepen die we ondervraagd hebben. De twee maatregelen die evident voor specifieke deelgroepen gelden krijgen wat minder steun, maar er zijn nog altijd meer respondenten die vragen om een toename van beleid, dan respondenten die vragen om minder of evenveel beleid. Dit betreft veilige cruisegebieden faciliteren (veelal gericht op homomannen) en genderneutrale toiletten (veelal gericht op niet-cisgender mensen) op het gemeentehuis en in de openbare ruimte faciliteren. Opvallend is dat de vraag om beleid voor veilige cruisegebieden niet beduidend hoger is onder homomannen (39%). Onder transgender respondenten is de vraag om meer genderneutrale toiletten wel significant hoger dan in de gehele steekproef: 63% in vergelijking tot 53%.
Genderneutrale toiletten vinden soms in de bredere discussie weerstand onder vrouwen, onder andere in verband met hun ervaren veiligheid. Dat zien we echter niet terug in dit onderzoek. Onder lesbische vrouwen is 56% voorstander van meer genderneutrale toiletten en slecht 2% wil er minder. Wellicht maakt bekend meer geliefd. Verschillende van de beleidsopties hangen samen met de schaal waarop een gemeente opereert en of men een regionale functie heeft. Zoals in Hoofdstuk 8 wordt besproken zien we dan ook dat juist dorpsbewoners een grotere behoefte hebben aan meer beleid van de gemeenten. Alle relevante beleidsopties die zijn genoemd in de open vraag die bij deze sectie hoorde, zijn verzameld in Bijlage 4, om beleidsmakers de mogelijkheid te bieden hiermee aan de slag te gaan. Tabel 6.4: Behoefte aan gemeentebeleid En moet uw gemeente dit volgens u meer of minder doen? i. Genderneutrale toiletten in het gemeentehuis en openbare ruimte h. Uitdragen van de regenboogprovincie of -gemeente g. Evenementen ten behoeve de zichtbaarheid en acceptatie van LHBTI+ organiseren f. Faciliteert veilige cruise gebieden e. Aandacht voor LHBTI+ bij sportverenigingen d. Aandacht voor LHBTI+ bij zorginstellingen c. Aandacht voor LHBTI+ in het onderwijs b. Bijstand en advies over pesten, uitsluiten en discriminatie a. Voorlichting geven over LHBTI+, gelijke kansen en acceptatie
0 (Veel) minder
10 Neutraal
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
20 (Veel) meer
30
40
Weet niet
50
60
70
80
90
100
56
6.5 BELANGENGROEPERINGEN
Ten slotte vroegen we de respondenten in een open vraag welke belangengroeperingen men kende. Na het verwijderen van antwoorden als ‘geen idee’ en ‘de gemeente’, maar het laten staan van ‘gemeentelijke adviescommissie LHBT’ of individueel genoemde activisten en algemene instellingen als ‘scholen’, werden in totaal 2.335 antwoorden gegeven door 877 van de 1275 respondenten. Met andere woorden, ruim twee derde van de respondenten kon een belangenvertegenwoordiger noemen en gemiddeld wist men er ongeveer twee.34 Deze informatie is des te belangrijker gezien de resultaten in Hoofdstuk 3 over (sociale en fysieke) veiligheid. In Hoofdstuk 3 zagen we dat de LHBT-gemeenschap en -beweging als één van de veiligste omgevingen werd ervaren met ‘slechts’ 7% respondenten die zich soms tot vaak onveilig voelden.35 Deze relatieve veiligheid lijkt niet te verklaren door een grote onbekendheid met de beweging. Tegelijkertijd zagen we ook dat de meldingsbereidheid van incidenten extreem laag is en dat ook maar 5% van de respondenten belangenorganisaties noemde als waar ze hulp zochten of een melding deden. Op basis van de lijst met genoemde belangengroeperingen, kunnen we stellen dat dit niet komt door hun onbekendheid.
Belangengroepen en de LHBTIQA+ gemeenschap worden relatief vaak als veilig ervaren en kennen brede bekendheid als belangenbehartiger, maar toch vinden respondenten niet hun weg naar deze organisaties bij incidenten. Als we de lijst met genoemde organisaties beschouwen zien we een zeer diverse lijst met tal van lokale organisaties en initiateven, onderwijsinstellingen, culturele groepen, horeca, individuele activisten, voorlichtingstheatergroepen, medische instellingen, politieke partijen, sportorganisaties en groepen gecentreerd rond bijvoorbeeld leeftijd (jongeren; senioren), religie, verstandelijke beperking, lesbische voorkeur, biseksualiteit of genderidentiteit. Tegelijkertijd staan enkele organisaties, op basis van het aantal malen dat ze genoemd worden, centraler in de LHBTIQA+ gemeenschap. Het COC, en haar lokale afdelingen (maar niet specifieke werkgroepen), is goed voor 717 vermeldingen. Met andere woorden, 5 á 6 op 10 respondenten die op dit punt van de vragenlijst participeerde nam de moeite het COC te noemen. Voor een open vraagstelling kan dit als een zeer hoog aandeel beschouwd worden. Desalniettemin noemde bijna de helft van de respondenten niet het COC, en dit betreft ook ruim 10% van de mensen die wel een antwoord invulde.
Dit kan een indicatie zijn dat niet alle LHBTIQA+ inwoners zich door het COC vertegenwoordigd voelen, wat ook consequenties kan hebben voor de oriëntatie van gemeenten in het vormgeven van hun emancipatiebeleid. Met het risico vele andere initiatieven te kort te doen, zijn er nog 22 organisaties die een dozijn maal of vaker genoemd zijn: • Amnesty (International)
• Movisie
• Roze Woensdag (Nijmegen)
• Artikel 1 / Antidiscriminatiebureaus / Vizier
• Poink (lesbische vrouwen)
• Transgender Netwerk / TNN
• De Kringen
• Politie / Roze in Blauw
• Transvisie
• Dito! (Nijmegen)
• Roze 50+ (Ouderen)
• Village people (Harderwijk)
• Exaltio (Twente)
• Roze Huis (Nijmegen)
• Wijdekerk (Christelijk)
• GGD
• Rutgers
• Goed Geaard (Achterhoek)
• SchoolsOUT (regio Nijmegen)
• GSA
• Shout (Wageningen)
• Jong & Out (t/m 18) 34
Bij het bestuderen van de lijst is het belangrijk te vermelden dat, omdat een deel van de werving via belangenverenigingen is
gegaan, het niet verwonderlijk is dat deze belangenverenigingen bekend zijn bij de respondenten. 35
Zoals ook in Hoofdstuk 3 benoemd: onder sommige deelgroepen loopt dit percentage op tot 20%.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
57
De belangrijkste boodschap van deze lijst is dat de LHBTIQA+ gemeenschap en beweging zeer divers is. Het COC neemt een belangrijke plek in, maar organisaties voor specifieke doelgroepen zoals jongeren (Dito!, Jong & Out, Exaltio), ouderen (Roze 50+), transgenderpersonen (TNN, Transvisie), gelovigen (Wijdekerk), lokale groepen (Village people, Roze Huis, Shout, Goed Geaard) en Lesbische vrouwen (Poink) kennen een brede bekendheid en suggereren een veelkleurige behoefte. Daarnaast tonen het vaak genoemd worden van organisaties als Movisie, de ADV’s, en Rutgers de gewaardeerde rol van advies- en beleidsorganisaties, en de aanwezigheid van Roze in Blauw, GGD’s en de GSA de zichtbaarheid voor LHBTIQA+ binnen grotere niet-LHBTIQA+ organisaties. Tenslotte valt het op dat we ongekend veel deelnemers hebben weten te werven die zich identificeren als aseksueel (44), biseksueel (314), en lesbisch (455), maar dat specifieke belangengroepen hiervoor relatief weinig genoemd zijn. Het NOA (aseksualiteit) viermaal en LNBi éénmaal. Enkele organisaties voor/door lesbische vrouwen komen wel wat vaker terug in de lijst, zoals het Lesbisch Festival, het Lesbisch Archief Nijmegen en Zij aan Zij. Aan deze observatie zijn niet direct conclusies te verbinden.
Mogelijke verklaringen zijn dat de belangen van deze groepen worden afgedekt door andere bredere organisaties en er geen brede behoefte is aan zelforganisatie, dat specifieke belangenorganisaties onbekend zijn bij de respondenten, geen regionale afdelingen hebben, of dat de zelforganisatie nog in de kinderschoenen staat of kampt met organisatorische uitdagingen.
6.6 GEMEENTEBELEID: MECHANISMEN EN ERVARINGEN
In het bovenstaande hoofdstuk constateerden we dat veel LHBTIQA+ inwoners willen dat er veel meer gedaan wordt aan zichtbaarheid en acceptatie door gemeenten. De interviews ondersteunen en duiden deze wens. Met name inwoners die in kleinere, landelijk gelegen kernen wonen willen dat hun gemeente zich ook voor hen inzet. Dit betekent niet dat de Regenbooggemeenten op hun lauweren kunnen rusten: het beter zichtbaar maken van beleid en expliciete aandacht voor minderheidsgroeperingen zijn ook voor hen verbeterpunten, juist ook buiten de centrumsteden.
6.6.1: KLEINERE GEMEENTEN: EEN WERELD TE WINNEN
In lijn met de resultaten zoals hierboven gegeven geven geïnterviewden uit kleinere dorpen en steden, die veelal geen regenbooggemeente zijn, over het algemeen aan dat hun gemeente geen specifiek beleid voor hen voert, en dat zij dit een gemis vinden. Juist in de kleinere gemeenten is de zichtbaarheid van LHBTIQA+ al lager en uit de interviews komt het effect hiervan naar voren: het voelt voor hen soms alsof je er alleen voor staat als LHBTIQA+'er. Een inwoner van een kleine stad in Overijssel geeft bijvoorbeeld aan dat hij zelf maar een regenboogvlag heeft opgehangen bij zijn huis, omdat de gemeente het niet doet. Een regenboogvlag is een gemakkelijke eerste stap, die ook voor niet-regenbooggemeenten haalbaar is. Ook in gemeenten die zich op de Bible-belt bevinden, is hier veel behoefte aan. LHBTIQA+'ers willen graag horen dat de gemeente er óók voor hen is. Non-binaire geïnterviewde (19): Ze doen in mijn gemeente helemaal niets. Als ze zouden beginnen met op Coming Out Day een regenboogvlag hijsen dan is dat een eerste stap. Daar zou ik echt al super blij mee zijn. Sommige mensen die ik ken, krijgen weinig acceptatie van hun omgeving, en die halen heel veel erkenning uit dat soort dingen. Daarnaast worden ontmoetingsplekken genoemd, omdat juist in de kleinere gemeenten op het oog weinig te doen is voor deze groep.
Ook de grotere regenbooggemeenten zouden hier een brugfunctie kunnen vervullen om de kleinere omliggende gemeenten te inspireren en te ondersteunen. Zo geeft een geïnterviewde aan dat hij weet dat er in een grotere stad dingen worden georganiseerd, maar dat hij daar niet naartoe gaat, omdat het simpelweg te ver is.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
58
6.6.2: ZICHTBAARHEID VAN BELEID
Onduidelijkheid over beleid bleek uit de vragenlijst. Ook bijna alle geïnterviewden geven aan geen idee te hebben wat hun gemeente eigenlijk doet voor inwoners met een LHBTIQA+ achtergrond. De wat oudere geïnterviewden uit de grotere steden hebben nog een redelijk idee over algemeen zichtbaar beleid (ze noemen regenboogvlaggen, evenementen en ontmoetingsplekken of COC’s), maar over het echte beleidswerk (ondersteunen van zorg, maatschappelijk middenveld en sport) weten zij over het algemeen ook weinig. Zoals uit de vragenlijst al bleek, wordt er in het bijzonder op het gebied van veiligheid, sport en geloof nog veel werk gezien. Maar ook voorlichting in zorginstellingen en scholen is iets waarvan respondenten aangeven dat hier meer noodzaak voor is. Respondent: Ik ben zorgmedewerker en durf niet tegen cliënten te zeggen dat ik een vriendin heb. Andersom ken ik cliënten die er niet voor uit durven te komen dat ze trans zijn. Organiseer eens samen met een zorgorganisatie een middag om aandacht te vragen voor verschillen in elkaars oriëntatie, dan kunnen we de leefomgeving verbeteren en kwaliteit van zorg verhogen. Het concreet en in specifieke settings seksuele en genderdiversiteit bespreken, daarin ligt een kans voor gemeenten.
Zij kunnen aan de ene kant veel meer samen gaan werken met andere organisaties, waardoor het beleid veel dichter bij de burger komt en LHBTIQA+ acceptatie gemakkelijker en vooral betekenisvoller (want concreet en in context) door de samenleving verspreid raakt. In algemene termen is de acceptatie in Nederland namelijk zeer hoog; de vertaling naar de dagelijkse praktijk en het aanpassen van alledaagse routines is echter minder vanzelfsprekend.36
6.6.3: ONDERWIJS EN VEILIGHEID
Zoals we zagen zijn meer voorlichting en het actiever uitdragen van een regenboogplaats sterke behoeften. Ook in de open vragen waarin we ruimte gaven om met eigen ideeën te komen, wordt dit heel duidelijk genoemd. Met name voorlichting in het onderwijs wordt hierin gezien als een belangrijke manier om kinderen kennis te laten maken met diversiteit, en LHBTIQA+ acceptatie te verhogen door het normaal te maken. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat aan alle groepen aandacht wordt besteed. Met name de kleinere, meer normafwijkende groepen vragen expliciet om aandacht: transgender personen, non-binair/queer personen, intersekse personen en aseksuele personen. Zoals we in Hoofdstuk 5 zagen is voorlichting op zichzelf niet afdoende. De vorm, inhoud en frequentie van de voorlichting zijn cruciaal. Het Kenniscentrum Integratie en Samenleving biedt hiervoor veel informatie en evidence-based materiaal.37 Daarnaast is er behoefte aan zichtbaarheid en voorlichting specifiek om de veiligheid te verhogen. Diverse respondenten en een aantal geïnterviewden vinden dat de gemeente veel meer en duidelijker moet optreden tegen discriminatie en geweld. Ze wijzen op samenwerking met de politie, een duidelijker meldpunt, en aandacht voor veiligheid in specifieke wijken.
36 37
Zie bijvoorbeeld: Keuzenkamp, S., & Kuyper, L. (2013). Acceptatie van homoseksuelen, biseksuelen en transgenders in Nederland 2013.
Zie: https://www.kis.nl/artikel/effectief-discriminatie-bestrijden-zo-doe-je-dat
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
59
6.6.4: LUISTER NAAR ONS!
In alle diepte-interviews vroegen we mensen of ze actief zijn binnen hun gemeente voor LHBTIQA+ zaken. Geen enkele van onze interviewees was lid van een regenboogcommissie of heeft een bestuursfunctie bij bijvoorbeeld een belangenvereniging. Wel geven sommigen aan dat zij contact hebben gezocht met de gemeente over LHBTIQA+ zaken en dat ze ontevreden zijn over het resultaat. Twee geïnterviewden geven aan dat zij aan hun niet-Regenbooggemeente expliciet gevraagd hebben om een regenboogvlag op te hangen. Op dit initiatief kwam of een negatief antwoord of überhaupt geen antwoord. Deze initiatiefnemers voelden zich als LHBTIQA+'er totaal niet gehoord en hebben niet het idee dat de gemeente er ook voor hen is. Ook in de open vragen komen diverse van dit soort situaties en voorvallen terug, variërend van een onbevredigend afgehandelde klacht over een trouwambtenaar tot het niet in kunnen vullen van een genderneutrale optie op een formulier. Belangrijk is dus ook dat in de dienstverlening vanuit de gemeente aandacht wordt geschonken aan de LHBTIQA+ groep. Sta open voor initiatieven vanuit bewoners en neem suggesties en klachten hierover serieus. Verwijs niet direct naar hoe moeilijk het is om dit in het computersysteem in te voeren, maar kijk hoe en wanneer het wel kan.
Onderdeel hiervan is bijvoorbeeld ook dat medewerkers getraind worden en dat er diversiteit onder de medewerkers is, zodat er continue vanuit meerdere perspectieven naar beleid gekeken wordt.
60
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Hoofdstuk 7
ONTWIKKELING IN GELDERLAND/ OVERIJSSEL 61
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
HET BEELD: ONTWIKKELING IN GELDERLAND/OVERIJSSEL
Dat er nog ruimte voor verbetering is met betrekking tot LHBTIQA+ emancipatie is helder. Maar de afgelopen jaren heeft de Nederlandse en meer specifiek de Gelderse en Overijsselse samenleving niet stilgestaan. Hoe is die periode ervaren, is er de afgelopen twee jaar vooruitgang geboekt, voor wie en op welk terrein? • Over het geheel ervaren over de afgelopen twee jaar meer respondenten een positieve dan een negatieve ontwikkeling in acceptatie, ongewenst gedrag en bespreekbaarheid. We kunnen voorzichtig concluderen dat de acceptatie van niet-standaard seksuele voorkeuren gemiddeld genomen ietwat is toegenomen in de meeste leefdomeinen. • Vooral jongere respondenten rapporteren de sterkste positieve verandering, dit kan echter gegrond kan zijn in met objectieve veranderingen, hun verandering van omgeving, maar ook in hun eigen persoonlijke ontwikkeling onafhankelijk van veranderingen in de maatschappij. • Onder de groep transgender, non-binaire en intersekse respondenten ervaren meer respondenten een negatieve ontwikkeling: in sommige situaties bijna 1 op de 3 respondenten; • We vinden indicaties dat de ervaren veiligheid in de eigen buurt of wijk niet verslechterd is, maar in het dorp of de stad algemeen wordt wel verslechtering gerapporteerd door cisgender LHBTIQA+ inwoners.
• Ook zien we juist dat meer transgender, non-binaire en intersekse respondenten aangeven een toename dan een afname in ongewenst gedrag te ervaren in de afgelopen jaren. De groeiende aandacht voor de emancipatie en acceptatie van deze groepen en hun zichtbaarheid kan hebben geleid tot een contrareactie van bepaalde groepen in de maatschappij. Dit vraagt om gepast beleid ter bescherming van emancipatieprocessen. • In Gelderland ervaarde gemiddeld genomen veel transgender, non-binaire en intersekse respondenten een vooruitgang in de acceptatie; ook in de sport, maar wel in veel mindere mate. In Overijssel was de algemene positieve trend al wat minder sterk (maar nog steeds substantieel). • Tegelijkertijd laat de ontwikkelingsvraag in de geloofsgemeenschap, die enkel is voorgelegd aan LHBTIQA+ inwoners die zich als gelovige identificeren, juist een positieve ontwikkeling zien. Dit heeft zowel betrekking op acceptatie als op bespreekbaarheid, waarbij laatstgenoemde het sterkst is toegenomen. • Het lijkt mogelijk om voorzichtig te concluderen dat binnen de geloofsgemeenschappen een positieve trend wordt ervaren door de LHBTIQA+ christenen, op het gebied van seksuele diversiteit en op het gebied van genderidentiteit.
• In de bredere LHBTIQA+ gemeenschap is er mogelijk sprake van minder ervaren acceptatie vanuit geloofsgemeenschappen; dit kan onder andere komen door (1) meer media-aandacht voor conflictueuze situaties is en (2) meer negatieve ervaringen (wellicht als behoudende reactie op emancipatoire ontwikkeling of doordat LHBTIQA+ gelovigen meer zichtbaar worden en meer vragen stellen).
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
62
7.1 ACHTERGROND
In 2019 is een eerder onderzoek uitgevoerd, waarin zowel niet-LHBTI als LHBTI-inwoners van Gelderland en Overijssel werd gevraagd naar hun beeld over veiligheid en (LHBTI)-acceptatie. Hieraan namen toen 584 LHBTI+ inwoners deel. Aan het onderzoek uit 2019 en het huidige onderzoek zal deels zijn deelgenomen door dezelfde inwoners. Dit is echter niet traceerbaar. Ook zijn beide LHBTIQA+ steekproeven niet willekeurig getrokken uit een register van LHBTIQA+ inwoners. Beide steekproeven hebben daarom foutmarges die moeilijk precies te bepalen zijn. Een vergelijking van de cijfers uit 2019 en 2021 is daarom enkel mogelijk met enkele stevige slagen om de arm. Met andere woorden, als de acceptatie in 2021 drie procentpunten hoger (of lager) uitpakt dan wat gevonden werd in 2019, dan is het moeilijk om te concluderen dat hier sprake is van een stijging (of daling) van de ervaren acceptatie. Toch trachten we in dit hoofdstuk meer te zeggen over de ontwikkeling in het Welzijn van de LHBTIQA+ inwoners van Gelderland en Overijssel over de afgelopen twee jaar. We doen dit door twee verschillende strategieën te combineren. 1)
Allereerst hebben we het simpelweg aan de respondenten voorgelegd: we hebben op een aantal deelgebieden (acceptatie, veiligheid, sport, religie) gevraagd of naar hun ervaring de situatie verbeterd of verslechterd. Een kanttekening daarbij is echter wel dat in de ze periode corona haar intrede deed; daarom vroegen we dat waar relevant niet mee te nemen in de afweging.
2) Enkele vragen zoals gerapporteerd in 2019 hebben we gerepliceerd in dit onderzoek, en opnieuw aan de respondenten voorgelegd. Hoewel een directe vergelijking niet mogelijk is, kunnen we hierdoor wel zien over er een algeheel patroon zichtbaar wordt (wat moeilijk te duiden is) en of bepaalde vragen hiervan afwijken. In het laatste geval is dit wel een indicatie dat op bepaalde thema’s een ontwikkeling heeft plaatsgevonden. De werving voor dit onderzoek in vergelijking tot het onderzoek uit 2019 heeft zich sterker gericht op een breed palet aan subgroepen binnen de LHBTIQA+ gemeenschap. Hierdoor is het bereik van dit onderzoek waarschijnlijk representatiever wat betreft niet-cisgender respondenten, LHBTIQA+ christenen en jongeren. Voor deze groepen is aannemelijk dat ze in sommige contexten meer negatieve ervaringen hebben, wat bij een gelijkblijvende welzijnssituatie ten opzichte van 2019 zou leiden tot een wat lager welzijn in de cijfers uit 2021. De werving voor dit onderzoek in vergelijking tot het onderzoek uit 2019 heeft zich ook sterker gericht op werving via zelforganisaties en sociale media platforms. Mensen die hierin/hierop actief zijn vaker wat kritischer op de algehele situatie (wat voor sommigen juist motivatie tot die participatie is).
Bovengeschetste mogelijke en waarschijnlijke afwijkingen houden we in het achterhoofd bij de interpretatie van de resultaten: bij een stijging sinds 2019 is het minder waarschijnlijk dat dit komt door de verschillen in de steekproeftrekking. Bij een daling kunnen we die conclusie niet zo snel trekken omdat dan de methodisch ingeschatte afwijking en het resultaat in dezelfde richting wijzen en niet te onderscheiden zijn. We begrijpen dat er behoefte is aan helderheid of beleid heeft gewerkt, en behoefte aan kennis over de richting waarin het welzijn van LHBTIQA+’ers in Gelderland en Overijssel zich ontwikkelt. In dit hoofdstuk zullen we dan ook expliciet aangeven waar wij op basis van de data en bestaande kennis met enige zekerheid indicaties van ontwikkelingen herkennen. We vragen de lezers van dit rapport met dezelfde voorzichtigheid en voorbehouden de vergelijking tussen 2019 en 2021 te interpreteren. Bovendien is het voor het beoordelen van specifieke beleidsmaatregelen en -plannen aan te raden een specifieke en passende beleidseffectmeting te doen gedurende en na de interventie, en een ‘theory-based evaluation’ of meta-analyse in de ontwerpfase van het beleid.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
63
7.2 ERVAREN ACCEPTATIE
De algemene vraag over acceptatie door verschillende omgevingen is in zowel 2018/2019 als in 2021 aan de respondenten voorgelegd. Deze resultaten worden gerapporteerd in Tabel 7.1. Ook hebben we in 2021 gevraagd naar de algehele ontwikkeling in acceptatie over de laatste twee jaar, een onderscheid makend tussen voor seksuele diversiteit en genderidentiteit. Deze resultaten zijn te vinden in Figuur 7.1. Vergelijken we de gerapporteerde acceptatie door de omgeving, dan zien we zeer vergelijkbare cijfers voor beide provincies en alle settings. Enkel bij het uitgaan zien we over het algemeen wat lagere cijfers. Zoals gezegd moeten we oppassen dit als een trend te interpreteren, omdat dit kan samenhangen met corona en ook het actief werven via jongerenorganisaties. Additionele analyses tonen ook dat onder jongeren de ervaren acceptatie juist in het uitgaan substantieel lager ligt, zo is dit bijvoorbeeld slechts een 6,3 onder de 18 tot 22-jarigen. Desalniettemin kunnen we op basis van deze uitgediepte cijfers gerust stellen dat het uitgaansleven, in het bijzonder voor jongeren, een aandachtsgebied is wat betreft ervaren acceptatie. Figuur 7.1: Ervaren acceptatie in sociale relaties en settings, in 2018/2019 en 2021 In de buurt/ wijk Tijdens het uitgaan Klasgenoten/ collega’s Leerkrachten/ leidinggevenden Vrienden Andere familieleden Broers/ zussen
64
Ouders 1 Overijssel 2021
2
3
Overijssel 2018/2019
4
5
6
Gelderland 2021
7
8
9
10
Gelderland 2018/2019
Een tweede belangrijke observatie zou kunnen zijn dat over de gehele breedte de acceptatiecijfers voor Overijssel in 2021 hoger liggen dan in 2018/2019, terwijl dit niet zo is voor Gelderland. Om dit te kunnen duiden, is de ontwikkelingsvraag cruciaal. Uit die cijfers kunnen we concluderen dat we een voorzichtige positieve ontwikkeling zien, niet alleen voor Overijssel maar ook voor Gelderland. Als we namelijk naar Tabel 7.2 kijken, zien we voor beiden provincies een zeer vergelijkbaar beeld voor seksuele oriëntatie: de grootste groep respondenten geeft aan dat er weinig veranderd lijkt, ongeveer 1 op 7 á 8 respondenten ervaart een negatieve ontwikkeling en 4 op 10 respondenten ervaren een positieve ontwikkeling. Dit resulteert in een ‘positief saldo’ van +26 (OV) en +27 (GLD). Gegeven de methodische kanttekeningen die we aan het begin van dit hoofdstuk maakten, en deze positieve cijfers, kunnen we voorzichtig concluderen dat de acceptatie van niet-standaard seksuele oriëntaties gemiddeld genomen ietwat is toegenomen in de meeste leefdomeinen, niet alleen in Overijssel, maar ook in Gelderland. Tegelijkertijd dienen we ons direct te beseffen dat dit niet voor alle groepen of contexten zal gelden (waarover hieronder meer).
Als we kijken naar de toelichting die mensen konden geven bij deze vraag, valt op dat veel respondenten wijzen naar de media: omdat hier meer aandacht is voor met name transgender en non-binaire personen, vermoeden zij dat de acceptatie is toegenomen. Ook sociale media en de toegankelijkheid van informatie worden benoemd. Anderen reflecteren op hun eigen omgeving: zij benadrukken bijvoorbeeld dat ze zelf in
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
hun directe omgeving geen verschil ervaren, of dat ze juist veel meer hun omgeving zijn gaan voorlichten over hoe het is om LHBTIQA+ te zijn. Een derde typische reactie is de ‘backlash’: mensen nemen als reactie op de emancipatiebeweging juist een tegenbeweging waar, die conservatief en behoudend is. Oorzaken van die tegenbeweging worden gezocht in politiek, religie (christendom en islam), leeftijd (oudere mensen), woonomgeving (dorp/platteland) en opleidingsniveau. Van alle drie deze reacties geven we hieronder een typisch voorbeeld. Respondent: Ik denk dat het voor LHB’s hetzelfde gebleven is. Maar de bekendheid van transseksueel en interseksueel is toegenomen en ik denk dat mensen daardoor minder bang zijn nu ze er meer van weten. Respondent: In mijn omgeving is daar nooit moeilijk over gedaan. Respondent: De samenleving is meer gepolariseerd. De ene kant is progressiever geworden, de andere kant is meer conservatiever gaan denken. Het werkt denk ik twee kanten op. De ervaren acceptatie van niet cisgender inwoners toont ook een positief totaalbeeld, maar ook een wat complexer beeld. Allereerst zien we dat in vergelijking tot de resultaten voor seksuele voorkeur, meer respondenten een negatieve ontwikkeling hebben ervaren. Dit betreft circa 1 op de 5 respondenten, en onder de niet-cisgender respondenten in Overijssel gaat dit zelfs bijna naar 1 op 3.
Dit verklaart onder andere ook waarom het totaalbeeld +38 onder transgender, non-binaire, intersekse en genderqueer respondenten in Gelderland is, en slechts +18 in Overijssel. Dit verschil alsook het meer algemeen hogere percentage mensen dat een negatieve ontwikkeling ervaart is aan te merken als aandachtspunt, ook al is hier het totaalbeeld er eveneens eentje van voorzichtige vooruitgang, in beide provincies.
65
Tabel 7.2: Ontwikkelingsvraag over acceptatie, uitgesplitst per provincie Denkt u dat mensen in uw omgeving in de afgelopen 2 jaar negatiever of positiever zijn komen te staan tegenover… (%) N
(iets + veel) negatiever
Gelijk gebleven
(iets + veel) positiever
Weet ik niet/ nvt
positiever minus negatieve
Gelderland
991
12,8
42,9
40,0
4,4
+ 27,2
Overijssel
556
14,3
43,7
40,0
1,9
+ 25,7
991
19,6
28,9
40,4
11,0
+ 20,8
131
17,9
23,8
56,2
2,0
+ 38,3
556
21,0
33,0
36,0
10,0
+ 14,0
70
29,3
19,7
47,0
4,0
+ 17,7
Lesbische, homoseksuele, biseksuele of panseksuele voorkeur
Transgender, non-binaire, intersekse genderidentiteit Gelderland enkel niet cisgender respondenten Overijssel enkel niet cisgender respondenten
De ontwikkeling in acceptatie van seksuele diversiteit kunnen we verder uitsplitsen voor verschillende demografische groepen onder de respondenten: zie hiervoor Tabel 7.3.38 Deze uitsplitsing toont aan de ene kant dat alle groepen gemiddeld een positieve netto-ontwikkeling in de acceptatie ervaren. Maar we zien ook verschillen tussen de groepen. Wanneer slechts een kleine positieve ontwikkeling zichtbaar is, betekent het over het algemeen dat grotere aantallen respondenten in die groep een negatieve ontwikkeling ervaren.
38
Voor de ontwikkeling in acceptatie van transgender, non-binaire en intersekse respondenten is dit enkel nuttig als we dat voor respondenten met die genderidentiteit doen. Het aantal respondenten in de groepen is echter te klein om verder uit te splitsen naar leeftijd.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Van de verschillen is het meest opvallend dat er een zeer sterk patroon is naar leeftijd. Hoe ouder men is hoe minder positieve ontwikkeling men ervaart. Dit kan te maken hebben met meer aandacht voor jongeren in het beleid en bij belangenorganisaties, maar het kan (deels) ook samenhangen met de ontwikkeling die jongeren sowieso doormaken in het bepalen van hun positie in de maatschappij of met verandering in het leven. De overgang van middelbaar onderwijs naar MBO/HBO/WO heeft ook vaak een verschil in omgeving tot gevolg, waarbij mogelijk selectie richting meer accepterende omgevingen plaatsvindt. Tabel 7.3: Ontwikkelingsvraag over acceptatie, uitgesplitst naar leeftijd, religie, cisgender geslacht en opleidingsniveau. Denkt u dat mensen in uw omgeving in de afgelopen 2 jaar negatiever of positiever zijn komen te staan tegenover mensen met een lesbische, homoseksuele, biseksuele of panseksuele voorkeur Positiever minus negatiever Leeftijd (1233) 22 en jonger
+ 63,1
23 t/m 34
+ 44,2
35 t/m 49
+ 12,3
50 t/m 65
+ 7,7
66 en ouder
+ 5,6
Religie (1296) Niet gelovig opgevoed; niet gelovig nu
+ 30,2
Hetzelfde geloof nu als waarin opgevoed
+ 26,8
Gelovig opgevoed, nu niet gelovig of ander geloof
+ 19,9
cisgender geslacht (1321) Vrouw
+ 25,9
Man
+ 19,6
Hoogst behaalde opleiding (1179) VMBO, LBO, MULO, ULU, MAVO
+ 31,7
HAVO / VWO
+ 56,4
MBO
+ 24,9
HBO
+ 9,1
WO
+ 26,1
7.2 ERVAREN VEILIGHEID
Kijken we naar de ervaren ontwikkeling in veiligheid, dan zien we in Gelderland en Overijssel een zeer vergelijkbaar patroon. Ruim tweederde van de mensen geeft aan dat de situatie ongeveer gelijk gebleven is. Voor de eigen buurt of wijk is dit ook het gemiddelde totaalbeeld – geen verandering – maar tegelijkertijd geeft 1 op 10 (GLD) en 1 op 8 (OV) nog wel aan dat de situatie minder veilig is geworden. Ook zien we een duidelijk verschil met de ervaren veiligheid in de eigen buurt/wijk en het dorp of de stad waarin men woont. Voor beide provincies is het totaalbeeld voor dorp/stad negatief: 4 a 5 procentpunten méér respondenten zeggen dat het (veel) minder veilig is geworden dan dat het (veel) veiliger is geworden. Additionele analyses tonen dat dit negatieve verschil enkel onder cisgender respondenten zichtbaar is; onder transgender/non-binair respondenten vinden we een nettoverschil van 0.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
66
Tabel 7.4: Ontwikkelingsvraag veiligheid, uitgesplitst naar provincie Bent u zich als LHBTI+’er de laatste 2 jaar, meer of minder veilig gaan voelen in uw:…… % N
(veel) minder veilig
Gelijk gebleven
(veel) veiliger
Weet ik niet/ nvt
veiliger minus onveiliger
GLD-Wijk/ buurt
916
10,5
71,6
13,5
4,5
+ 3,0
GLD-Dorp/ stad
916
17,2
66,4
12,9
3,5
- 4,3
OV-Wijk/ buurt
520
12,3
71,7
12,5
3,5
+ 0,2
OV-Dorp/ stad
520
17,2
67,4
12,6
2,8
- 4,6
Onveiligheidsgevoel kan samenhangen met ervaren ongewenst gedrag, maar we zien niet een vergelijkbare ervaren trend in Tabel 7.5. In het onderzoek vroegen we naar een toename of afname van ongewenst gedrag in de afgelopen 2 jaar. Over de breedte zijn de resultaten positief. De meeste respondenten zeggen dat ze minder ongewenst gedrag zijn gaan ervaren. Tegelijkertijd gelden hierbij ook twee belangrijke nuanceringen. Ten eerste rapporteert nog altijd 1 op de 6 (GLD) en 1 op de 5 (OV) respondenten dat ze (veel) méér ongewenst gedrag hebben ervaren. Ten tweede vinden we voor transgender, non-binaire en intersekse respondenten juist een negatieve trend, waarbij meer respondenten aangeven meer ongewenst gedrag te ervaren. Dit lijkt contra-intuïtief gezien de groeiende aandacht voor de emancipatie en acceptatie van deze groepen, in bijvoorbeeld de media. Juist hun zichtbaarheid lijkt te zijn toegenomen. Maar deze toenemende aandacht kan ook zorgen voor een contrareactie, die een mogelijke verklaring biedt voor de observatie hier. In andere woorden, ten tijde van toenemende emancipatie is extra aandacht voor ongewenst gedrag van belang. Tabel 7.5: Ontwikkelingsvraag ongewenst gedrag, uitgesplitst naar provincie, seksuele voorkeur en genderidentiteit Heeft u als LHBTI+ ‘er de laatste 2 jaar, meer of minder te maken gekregen met ongewenst gedrag? % N
(veel) minder
Gelijk gebleven
(veel) meer
Weet ik niet/ nvt
minder minus meer ongewenst gedrag
Gelderland
896
16,4
62,8
13,4
7,4
3,0
Overijssel
502
18,9
58,3
14,3
8,5
4,6
cis LHB
1188
17,3
64,3
11,8
6,6
5,5
TI
164
18,4
41,5
26,1
14,0
-7,7
Onveiligheid en ongewenst gedrag zijn altijd zorgwerkend, maar op basis van bovenstaande observaties dient wellicht meer aandacht gegeven te worden aan de situatie buiten de eigen woonomgeving, en de onveiligheid van en ongewenst gedrag jegens transgender, non-binaire en intersekse inwoners.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
67
7.4 SPORT
Ook aan alle respondenten die sporten op een sportschool of een club, hebben we gevraagd hoe ze de ontwikkeling in dit specifieke domein zien. In Tabel 7.6 rapporteren we nogmaals de algemene acceptatievraag voor sport39, in Tabel 7.7 rapporteren we de ontwikkelingsvraag die we stelden aan alle sporters. De acceptatiecijfers op de sportvereniging en de ontwikkeling daarin tonen over het geheel een vergelijkbaar beeld met die van de algemene acceptatie in Sectie 7.2: alle cijfers samen suggereren een verbeterende context, maar tegelijkertijd rapporteren substantiële groepen respondenten ook achteruitgang. Een opvallende discrepantie met de algemene cijfers zien we echter onder de transgender, non-binaire en intersekse respondenten in Gelderland. In de ontwikkelingscijfers voor acceptatie, gerapporteerd in Tabel 7.2, was de netto ontwikkeling +38 procentpunten (het percentage respondenten dat vooruitgang ervaarde minus het percentage dat een negatieve ontwikkeling ervaarde). Maar met betrekking tot sport is dit slechts +20 procentpunten. Het lijkt dus dat de acceptatie in de sport achterblijft ten opzicht van de flinke verbetering die algemeen werd waargenomen in Gelderland. In Overijssel zien we dit patroon niet: daar is de vooruitgang in de sport (+17,5) veel meer gelijk aan de algemene ontwikkeling (+17,7, zie Tabel 7.2).
Tabel 7.6: ervaren acceptatie in sport, uitgesplitst naar provincie, in 2018/2019 en 2021 Ervaren acceptatie door de directe omgeving. Gelderland
Op de sportvereniging
Overijssel
2018/2019
2021
2018/2019
2021
7,9
7,79
7,7
8,06
Tabel 7.7: Ontwikkelingsvraag m.b.t. acceptatie in sportomgeving, uitgesplitst naar provincie Denkt u dat mensen van uw sportvereniging of sportschool de afgelopen 2 jaar negatiever of positiever zijn komen te staan tegenover mensen met een LHBAP+-achtergrond of TIQ+ (excl. Weet niet, niet nvt) N
(veel) negatiever
Gelijk gebleven
(veel) positiever
positiever minus negatiever
Gelderland LHBAP+
244
4,3
65,3
30,4
+26,1
Gelderland - TI+
201
9,5
61,1
29,3
+19,8
Overijssel - LHBAP+
118
4,7
65,7
29,5
+24,8
Overijssel -TI+
91
15,8
49,0
33,3
+ 17,5
39
Deze resultaten zijn ook te vinden in Tabel 7.1
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
68
7.5 RELIGIE
In Tabel 7.8 rapporteren we nogmaals de ervaren acceptatie door de geloofsgemeenschap, zoals eerder gerapporteerd in Figuur 7.1. Daarnaast stelden we twee ontwikkelingsvragen aan gelovigen: over de acceptatie en over de bespreekbaarheid van LHBTIQA+. Deze worden gerapporteerd in Tabellen 7.9 en 7.10. In tegenstelling tot alle andere settings, zien we bij de geloofsgemeenschap sterk lagere acceptatiecijfers voor 2021 dan voor 2018/2019 (onder alle respondenten, niet enkel gelovigen). Tegelijkertijd laten de ontwikkelingsvragen, die enkel zijn voorgelegd aan LHBTIQA+ inwoners die zich als gelovige identificeren, juist een positieve ontwikkeling zien, zowel qua acceptatie als in de bespreekbaarheid, waarbij laatstgenoemde het sterkst is toegenomen (tot +50). Hoe zijn deze ‘tegengestelde’ bevindingen met elkaar te rijmen? Drie verklaringen lijken initieel voor de hand te liggen. 1. In het onderliggende onderzoek is bewust ook geworven via religieuze netwerken waardoor we een beter beeld van deze moeilijk te bereiken groep krijgen. Als juist religieuze respondenten negatiever zouden zijn over geloofsgemeenschappen zou dit betekenen dat de cijfers in 2021 lager zijn door de steekproefselectie. Echter, in bovenstaande hoofdstukken hebben we al gezien dat juist religieuze respondenten positiever zijn over de acceptatie binnen geloofsgemeenschappen.
Deze verklaringen kunnen we met redelijke zekerheid verwerpen. 2. Dat juist religieuze respondenten positiever zijn over acceptatie in de gemeenschap indiceert een ‘overlevingsvertekening’: mensen die zich minder geaccepteerd voelen zullen eerder uit hun religie stappen waardoor de gemiddelde ervaren acceptatie ‘stijgt’. De cijfers in Hoofdstuk 5 (Tabel 5.4) ondersteunen het bestaan van dit proces. Hier zagen we al dat mensen die nog gelovig zijn hun acceptatie tussen de 7 en 8 geven, terwijl mensen die uit het geloof zijn weggegaan gemiddeld onvoldoendes geven. Dit effect is van belang voor onderstaande bevindingen, omdat de ontwikkelingsvragen enkel voorgelegd zijn aan religieuze respondenten en de ‘stationaire’ acceptatievraag aan alle respondenten. Mensen binnen geloofsgemeenschappen zien dan een positieve ontwikkeling, terwijl het generiek publiek juist een negatieve ontwikkeling ervaart. Deels zou dit effect versterkt kunnen worden als er in onze algemene steekproef meer voormalig gelovigen of niet (meer) gelovigen LHBTIQA+’ers uit traditionelere omgevingen aanwezig zijn dan in 2019 het geval was. 3. Tenslotte kan men zich bewuster zijn geworden van spanningen. De laatste jaren krijgt het snijvlak van religie en LHBTIQA+ emancipatie veel aandacht in media, politiek en publiek debat.
Dit kan ervoor zorgen dat respondenten negatief beïnvloed worden in het geven van een cijfer, in het bijzonder omdat media vaak een conflictframe hanteren waarbij juist de conflictueuze situaties aandacht krijgen. Gelovige LHBTIQA+ inwoners zal dit minder beïnvloeden omdat zij niet hun beeld vormen op basis van mediaberichtgeving. Ook dit biedt een (deel-)verklaring voor de gevonden discrepantie. Op basis van bovenstaande afwegingen, kunnen we voorzichtig concluderen dat binnen de geloofsgemeenschappen een positieve trend wordt ervaren door de LHBTIQA+ christenen. Dat geldt zowel op het gebied van seksuele diversiteit en op het gebied van genderidentiteit. Onder het bredere LHBTIQA+ publiek is er mogelijk sprake van minder ervaren acceptatie vanuit geloofsgemeenschappen. Dit kan onder andere komen door meer media-aandacht voor conflictueuze situaties, of door meer negatieve ervaringen (wellicht als behoudende reactie op emancipatoire ontwikkeling of doordat LHBTIQA+ gelovigen meer zichtbaar worden en meer vragen stellen).
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
69
Tabel 7.8: Ervaren acceptatie in religie, in 2018/2019 en 2021 Ervaren acceptatie door de directe omgeving. Gelderland
In de geloofsgemeenschap
Overijssel
2018/2019
2021
2018/2019
2021
7,5
5,64
6,9
5,79
Tabel 7.9: Ontwikkelingsvraag m.b.t. acceptatie in religieuze omgeving, uitgesplitst naar provincie en genderidentiteit Denkt u dat mensen in uw geloofsgemeenschap de afgelopen 2 jaar negatiever of positiever zijn komen te staan tegenover LHBAP+ en TI+? N
(veel) negatiever
Gelijk gebleven
(veel) positiever
meer minus minder
Gelderland LHBAP+
145
8,7
50,3
41,0
+ 32,3
Overijssel - LHBAP+
78
11,9
58,9
29,2
+ 17,3
Gelderland – TI+ (incl. cisgender respondenten)
128
12,3
55,4
32,5
+ 20,2
Overijssel - TI+ (incl. cisgender respondenten)
62
20,0
50,5
29,5
+ 9,5
Transgender, non-binaire en intersekse gelovigen in Gelderland en Overijssel
36
19,4
44,4
38,9
+19,5
Tabel 7.10: Ontwikkelingsvraag m.b.t. bespreekbaarheid in religieuze omgeving, uitgesplitst naar provincie en genderidentiteit
70
Denkt u dat de afgelopen 2 jaar LHBAP en TI+ acceptatie meer of minder bespreekbaar zijn geworden in uw geloofsgemeenschap N
(veel) minder bespreekbaar
Gelijk gebleven
(veel) meer bespreekbaar
meer minus minder
Gelderland LHBAP+
146
3,4
43,6
52,9
+ 49,5
Overijssel - LHBAP+
79
7,7
51,6
40,9
+ 32,2
Gelderland – TI+ (incl. cisgender respondenten)
126
4,0
46,3
49,7
+ 45,7
Overijssel - TI+ (incl. cisgender respondenten)
66
18,7
49,7
31,7
+ 13,0
Transgender, non-binaire en intersekse gelovigen in Gelderland en Overijssel
36
8,3
33,3
58,3
+ 50,0
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Hoofdstuk 8
GEOGRAFISCHE VERSCHILLEN 71
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
HET BEELD: GEOGRAFISCHE VERSCHILLEN
De emancipatie van LHBTIQA+ inwoners is onderdeel van een maatschappelijk proces dat op landelijk en internationaal niveau plaatsvindt. Tegelijkertijd kunnen provincies, regiobesturen en gemeenten een belangrijke rol spelen en zijn er substantiële verschillen tussen gebieden. Ook weten we dat de materiële leefomgeving (zoals faciliteiten) en leefcultuur een belangrijke rol spelen, en deze factoren zijn vaak gekoppeld aan stedelijkheid. In dit hoofdstuk worden geografische verschillen in kaart gebracht. • De mate van stedelijkheid heeft een relatie met de mate waarin LHBTIQA+ inwoners ongewenst gedrag meemaken en acceptatie ervaren. Het lijkt samen te hangen met de mate van faciliteiten en lokale cultuur. • De mate van veiligheid en acceptatie neem af naarmate stedelijkheid afneemt, met de uitzondering dat in buitengebieden de ervaren acceptatie niet het laagst is, en onder gelovigen lijkt deze zelfs het hoogst. Echter, de mate van ervaren onaccepterend gedrag is er ook het hoogst en de ruimte om transgendersporter te zijn het laagst. In het buitengebied mijden of stoppen relatief meer mensen met een sport vanwege hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. Alles samen lijkt er een discrepantie tussen ervaren gedrag en een algemeen gevoel van onveiligheid/acceptatie in het buitengebied.
• De behoefte aan emancipatiebeleid zoals positieve aandacht, voorlichting, veilige cruisegebieden (homo-ontmoetingsplaatsen) en genderneutrale toiletten is het grootst onder inwoners van dorpen en buitengebieden. • Kijken we naar verschillen tussen de COROP-regio’s dan zien we een patroon waarbij de situatie het positiefst is in de regio’s aan de zuid- en oostgrens en minder positief aan de noord- en westgrens. • Een regionale blik verbloemt wel verschillen binnen regio’s, zoals verschillen tussen gemeenten en de al beschreven verschillen naar mate van stedelijkheid (ook binnen gemeenten). In stedelijke gemeenten lijkt de algehele acceptatie en veiligheid hoger, als ook in de Achterhoek en Twente. De acceptatie en veiligheid in de noordwestelijke grensgemeenten is het over het algemeen betrekkelijk lager. • De ervaren vooruitgang met betrekking tot seksuele voorkeur is hoger in de noordwestelijke regio’s. • De ervaren verandering rond genderidentiteit is niet in alle regio’s overwegend positief: in ZuidwestGelderland is deze negatief.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
72
8.1 ACHTERGROND
Tot dusverre hebben we de situatie in Gelderland en Overijssel als geheel geschetst. Alhoewel er niet direct reden is om aan te nemen dat de grotere patronen substantieel verschillen binnen de provincies, kunnen we op basis van bestaande kennis verwachten dat in sommige regio’s of in meer landelijke gebieden het welzijn van LHBTIQA+ inwoners minder hoog ligt. Gezien de grote aantallen deelnemers in dit onderzoek kunnen we echter verder gaan dan dit veronderstellen: we kunnen het onderzoeken. In dit hoofdstuk verzorgen we deze uitsplitsing op basis van twee indelingen: de COROP-indeling en de zelfgerapporteerde woonomgeving. De opbouw van het hoofdstuk volgt de indeling van de rest van het rapport. Per thema hebben we enkele kerncijfers uitgesplitst. Omdat de aantallen respondenten per regio beperkt zijn, zijn we hierin selectief. Voor de leesbaarheid rapporteren we voornamelijk de treffende verschillen, en geven we het in de tekst aan als er geen noemenswaardige verschillen zijn (in plaats van dat we tabel na tabel produceren met dezelfde cijfers). Allereerst delen we de twee provincies op in de 7 COROP-regio’s.40 Elk van de zeven regio’s bevat een afdoende aantal respondenten om een gemiddelde te geven dat ook betekenisvol is voor beleidsmakers.