CConstaterende datBerg en Dal
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Vizier - Onderzoeksrapport Welzijn LHBTIQA

Gemeenteraad 14 juli 2022, gemeente Berg en DalBij agendapunt: Voor kennisgeving aannemen37.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De ‘onveiligheidsrangorde’ is vergelijkbaar voor alle deelgroepen naar genderidentiteit en seksuele voorkeur, maar de ervaren onveiligheid is wel beduidend hoger onder non-binaire, transgender en panseksuele/queer respondenten dan onder homoseksuele, lesbische, biseksuele en cisgender respondenten. Meer specifiek zien we dat non-binaire en panseksuele/queer respondenten zich op werk of school in het bijzonder meer onveilig voelen: meer dan 1 op 3 respondenten, terwijl dit onder bijvoorbeeld homoseksuele respondenten 1 op 10 is. In vergelijking tot homoseksuele respondenten voelen lesbische respondenten zich bovendien vooral in de openbare ruimte vaker onveilig, zeker in de horeca en het openbaar vervoer. De onveiligheidsgevoelens resoneren sterk met bestaande genderverschillen in veiligheidsgevoelens: vrouwen ervaren meer onveiligheid dan mannen. Bovendien ervaren juist de groepen die zichtbaarder zijn als normafwijkend beduidend meer onveiligheid. Niet onbelangrijk is dat juiste deze groepen – aseksuele, panseksuele/queer, en non-binaire respondenten – zich ook minder veilig voelen in de LHBTIQA+ gemeenschap: ongeveer 1 op 5 tot 1 op 7 geeft dit aan, terwijl dit onder cisgender, homoseksuele, lesbische en biseksuele respondenten 1 op 16 tot 1 op 24 is.

Tabel 3.1: onveiligheidsgevoelens, uitgesplitst per provincie Gemiddelde rapportcijfers van ervaren acceptatie door LHBTIQA+’ers, uitgesplitst per provincie Gelderland

Overijssel

N

Cijfer

%<6

N

Cijfer

%<6

Ouders

904

8,39

11,7

516

8,44

11,0

Broers/ zussen

917

8,80

7,6

528

8,72

10,4

Andere familieleden

923

8,08

11,0

514

8,26

9,7

Vrienden

1008

9,28

2,2

565

9,32

1,9

Leerkrachten/ leidinggevenden

798

8,53

7,3

458

8,44

7,2

Klasgenoten/ collega’s

845

8,37

8,1

486

8,26

8,0

Tijdens het uitgaan

756

7,29

17,2

440

7,44

15,3

Op de sportvereniging

537

7,79

15,0

296

8,06

11,2

In de geloofsgemeenschap

261

5,64

47,9

152

5,79

38,8

In de buurt/ wijk

877

7,68

13,7

492

7,65

13,8

In de stad/ het dorp

911

7,36

15,6

520

7,40

16,6

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

27

Tabel 3.2: Onveiligheidsgevoelens, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit Percentage respondenten dat zich soms tot vaak onveilig voelt op de volgende locaties in hun gemeente. Soms tot vaak (%)

Homo (N=594)

Lesbisch (N=425)

Bi (N=267)

Aseks (N=36)

Pan/q (N=99)

Cis (N=1265)

Trans (N=90)

Non-bin (N=99)

Op straat

34,0

38,8

34,3

35,5

48,6

34,4

43,0

52,9

In horecagelegenheden

23,5

33,1

22,7

29,1

37,1

25,5

29,1

45,8

In het openbaar vervoer

21,9

31,2

21,9

25,0

41,5

24,2

28,6

41,8

In het winkelcentrum

20,2

26,7

22,7

30,5

38,6

21,8

32,1

44,9

Op werk/ op school

10,6

16,8

19,7

23,2

37,2

14,5

22,2

37,1

In gebedshuizen

10,3

11,5

14,0

20,8

17,2

11,7

9,0

21,8

Op de sportvereniging

7,3

12,5

8,5

18,9

11,9

8,4

16,1

22,8

In de LHBTI+-gemeenschap of -beweging

5,3

6,4

5,1

19,3

14,2

5,8

4,1

15,6

Bij mijzelf of bij anderen thuis

3,8

6,5

7,8

13,3

13,0

5,2

11,5

12,9

3.2. GEDRAGSOORZAKEN ONVEILIGHEIDSGEVOELENS

Van alle respondenten die minimaal voor één locatie aangaven zich ooit onveilig te voelen (zo goed als alle respondenten) vroegen we welk gedrag de oorzaak was van die onveiligheid, waarbij respondenten meerdere oorzaken kunnen aangeven. De resultaten hiervan worden weergegeven in Tabel 3.3 en 3.4. Alle gedragingen, inclusief ingrijpende zaken als geweld, criminaliteit, intimidatie en discriminatie, worden door minimaal 1 op 4 genoemd met als plafond asociaal gedrag, dat door 7 op 10 genoemd wordt. De meer generieke gedragen die op straat plaatsvinden en mogelijk deels niet direct gericht zijn op de respondent (bv. asociaal gedrag en hangjongeren), worden vaker genoemd, maar over het geheel tonen de resultaten dat het onveiligheidsgevoel is gegrond in een breed palet aan ervaringen. Grote groepen LHBTIQA+ respondenten noemen bijvoorbeeld discriminatie (4 op 9), schelden (5 op 10) en geweld (ruim 1 op 3) waardoor men zich onveiliger voelt. Het verhogen van de veiligheidsgevoelens lijkt daarmee een brede aanpak gericht op interactie in de publieke ruimte en intermenselijk gedrag te vragen. Dat bepaalde type gedragingen vaker genoemd worden resoneert bovendien met de grotere onveiligheid in de publieke ruimte, waar juist bijvoorbeeld asociaal gedrag en hangjongeren meer voorkomen. Homoman (41): Ik loop wel hand in hand in mijn eigen omgeving, maar niet in de grote stad.

In de grotere steden ervaar ik meer commentaar en meer agressie. Wel eens in het verleden lichtelijk mee in aanraking gekomen, niet heel ernstig hoor, maar bijvoorbeeld dat er naar je getoeterd wordt of dat jongens dingen naar je toeschreeuwen. Dus, ja, toch wel minder veilig. Dat soort ervaringen maakt dat je de keus maakt om minder vaak hand in hand te lopen. De verschillende deelgroepen laten in de breedte een erg vergelijkbaar beeld zien in de gedragingen die genoemd worden. Hoewel de mate van ervaren onveiligheid dus aanzienlijk verschilt tussen de groepen, benoemen LHBTIQA+ over het algemeen dezelfde factoren die daarin een rol spelen. Tegelijkertijd zien we enkele uitzonderingen die op specifieke ervaringen – en daarmee beleidsrichtingen – duiden van in het bijzonder de aseksuele, panseksuele/queer en non-binaire respondenten. In verhoudingen tot de andere groepen noemen zij namelijk substantieel vaker roddels (tot 21 procentpunten vaker), uitsluiting (tot 28 procentpunten vaker) en discriminatie (tot 29 procentpunten vaker). Bovendien rapporteren panseksuele/queer en non-binaire respondenten beduidend vaker geweld. We zien hier een samenhang tussen het behoren tot een meer zichtbare en normafwijkende subgroep en een specifiek soort gedrag waar te nemen, in het bijzonder de meer direct op het individu gerichte vormen van (emotioneel, psychisch en fysiek) geweld.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

28

Tabel 3.3: gedrag dat onveilig gevoel veroorzaakt, uitgesplitst per provincie Percentage respondenten dat zich onveilig voelt door het volgende gedrag Onveilig: ja %

Gelderland

Overijssel

Asociaal gedrag

71,7

67,9

Hangjongeren

65,5

59,3

Intimidatie

51,5

48,0

Schelden

51,7

45,8

Discriminatie

45,4

39,2

Roddels

38,7

38,2

Geweld

36,0

37,8

Uitsluiten

35,8

35,1

Pesten

31,1

27,1

Criminaliteit

30,4

28,0

Gelderland: 927/928 respondenten; Overijssel 526/527 (incl. weet ik niet/nvt)

Tabel 3.4: gedrag dat onveilig gevoel veroorzaakt, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit Onveilig: ja

Homo (N=583)

Lesbisch (N=422)

Bi (N=262)

Aseks (N=36)

Pan/q (N=96)

Cis (N=1243)

Trans (N=89)

Non-bin (N=99)

Asociaal gedrag

71,3

73,5

63,2

66,0

73,1

70,1

70,8

72,2

Hangjongeren

57,2

65,3

60,5

65,5

70,1

63,6

64,4

59,9

Intimidatie

48,3

50,1

52,0

48,0

61,5

49,6

55,2

52,9

Schelden

52,3

48,0

42,3

54,4

56,4

48,4

50,7

59,9

Discriminatie

38,5

45,6

39,5

62,2

60,4

40,5

49,8

67,3

Roddels

31,5

39,7

41,9

48,6

51,8

36,1

49,7

52,4

Geweld

36,2

39,3

30,4

30,8

48,9

36,4

29,7

44,9

Uitsluiten

30,0

36,6

35,6

58,5

52,0

33,3

45,5

50,8

Pesten

24,2

26,8

31,4

50,7

56,5

26,7

48,4

47,1

Criminaliteit

27,9

34,4

24,9

23,2

33,5

30,0

26,0

28,5

3.3 SLACHTOFFERSCHAP

Hierboven bespraken we de bron van onveiligheidsgevoelens, waaronder het waarnemen van uitsluiting en geweld. We vroegen ook in meer directe vorm van welke vormen van ongewenst gedrag de respondenten de afgelopen 2 jaar slachtoffer waren, ‘vanwege’ hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. De antwoord opties per gedrag waren: nooit, wel eens, regelmatig en vaak (en weet ik niet/nvt). Het percentage regelmatig en vaak wordt hier gerapporteerd in Tabel 3.5 en 3.6. 1 op 6 respondenten geeft aan regelmatig tot vaak object te zijn geweest van afkeurende blikken, 1 op 10 van roddels, 1 op 15 van uitschelden, uitlachen of pesten, 3% van bedreiging en minder dan een procent van lichamelijke of seksuele mishandeling (inclusief het antwoord ‘wel eens’ is dit 4%). Met toename van het vergrijp neemt (gelukkig) de prevalentie van het slachtofferschap af. Maar nog altijd betekent 0,7%/0,8% dat ongeveer 11 van onze respondenten regelmatig tot vaak het slachtoffer was (en mogelijk is) van lichamelijke mishandeling in de afgelopen 2 jaar. Wellicht opvallend is de laag gemelde incidentie van het slachtoffer zijn van ongewenst gedrag in de digitale sfeer, dit varieert van tussen de 1% en 4% van de respondenten. Dit kan duiden op het belang van de digitale sfeer in het creëren van een veilige community.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

29

Respondent: Hangjongeren zijn in mijn optiek vaak de “schuldigen” aan roepen, afkeuren, geluiden maken, uitlachen etc. Soms met uitgaan ook (dronken) mannen die het interessant vinden of juist helemaal niks. Dat is niet prettig. Wat je hier aan kan doen vind ik lastig. Omstanders zouden er ook wat vaker wat van kunnen zeggen als ze zien/horen dat dit gebeurt. Homoseksuele, lesbische en cisgender respondenten rapporteren grofweg vergelijkbare cijfers. Voor alle andere groepen zijn de cijfers substantieel hoger, maar varieert het welke vorm van slachtofferschap in het bijzonder relatief hoog is. Grofweg 40% van de transgender, panseksuele/queer en non-binaire respondenten rapporteren dat ze afkeurende blikken krijgen, in vergelijking tot 12% door homoseksuele, lesbische respectievelijk cisgender respondenten, en cyberpesten op sociale media wordt ongeveer viermaal zo vaak gemeld. Weggezet worden met ‘moeilijkdoenerij’ is vaker benoemd door de kleinere subgroepen: ook hier wordt weer duidelijk dat zij in hun seksualiteit of genderidentiteit het meest afwijken van de heteronorm. Aan het meest ernstige einde van het spectrum zien we dat veelal 3% met uitschieters naar 1 en 5% van de aseksuele, transgender, panseksuele/queer en non-binaire respondenten aangeeft regelmatig tot vaak slachtoffer te zijn van seksuele of lichamelijke mishandeling.

Deze groepen zijn fors oververtegenwoordigd in het slachtofferschap. Terwijl transgender of non-binaire respondenten slechts 13% van alle respondenten vormen, vormen zij de helft van alle mensen die regelmatig tot vaak slachtoffer zijn van seksuele mishandeling. Op basis van deze gegevens is de kans van transgender en non-binaire mensen om regelmatig tot vaak slachtoffer te worden van seksuele mishandeling ten opzichte van cisgender respondenten ruim 6 maal zo hoog. Ook de kans van aseksuele mensen om regelmatig tot vaak slachtoffer te worden van seksuele mishandeling ten opzichte van homoseksuele, lesbische en biseksuele respondenten ruim 6 maal zo hoog. Tabel 3.5: Slachtoffer van ongewenst gedrag in de afgelopen 2 jaar uitgesplitst per provincie Gelderland (N=906)

Overijssel (N=508)

Afkeurende blikken

16,6

15,8

Afdoen als moeilijkdoenerij

12,4

10,4

Onderwerp van roddels en praatjes

9,7

9,6

Ongelijke behandeling

8,7

6,3

Uitgescholden, uitgelachen of gepest

7,2

6,0

Buitengesloten of vermeden

6,7

4,3

Cyberpesten via sociale media

4,2

2,6

Bedreiging

3,3

2,5

Cyberpesten via dating apps

2,7

1,4

Cyberpesten via mail

1,0

1,3

Seksuele mishandeling

0,8

0,7

Lichamelijke mishandeling

0,7

0,7

Bekladding, vernieling van eigendommen

0,6

0,9

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

30

Tabel 3.6: Slachtoffer van ongewenst gedrag in de afgelopen 2 jaar uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit SLACHTOFFERSCHAP

Homo (N=567)

Lesbisch (N=414)

Bi (N=253)

Aseks (N=35)

Pan/q (N=91)

Cis (N=1207)

Trans (N=86)

Non-bin (N=97)

Afkeurende blikken

12,0

12,5

18,9

25,1

39,1

12,2

36,7

41,3

Afdoen als moeilijkdoenerij

7,4

8,9

15,6

25,3

31,1

8,8

19,5

25,3

Onderwerp van roddels en praatjes

7,5

6,5

10,9

11,4

23,4

7,3

20,2

22,6

Ongelijke behandeling

6,0

5,1

8,6

18,2

22,9

5,5

13,5

23,8

Uitgescholden, uitgelachen of gepest

5,9

5,1

5,8

10,8

17,5

5,2

13,7

15,7

Buitengesloten of vermeden

4,5

3,2

6,2

18,6

15,7

3,8

12,5

10,6

Cyberpesten via sociale media

2,9

2,1

3,8

6,1

10,8

2,5

10,4

9,0

Bedreiging

2,2

2,0

3,3

6,7

9,3

2,0

8,1

8,2

Cyberpesten via dating apps

2,1

1,1

2,7

3,0

5,0

1,7

5,8

3,7

Cyberpesten via mail

0,5

0,4

0,9

13,0

4,6

0,7

3,6

2,5

Seksuele mishandeling

0,5

0,6

0,7

3,4

1,4

0,6

5,1

2,9

Lichamelijke mishandeling

0,4

0,3

0,5

3,4

3,2

0,4

1,2

3,0

Bekladding, vernieling van eigendommen

0,2

1,0

1,6

11,3

1,0

0,6

5,7

2,9

3.4 HANDELINGSREACTIES SLACHTOFFERSCHAP

Ten slotte hebben we aan mensen die slachtofferschap rapporteerden gevraagd wat ze vervolgens gedaan hebben, waarbij men meerdere antwoorden kon geven. In Tabel 3.7 is per optie het percentage mensen gerapporteerd dat zegt zo gehandeld te hebben. Het meest cruciale resultaat hier is dat een zeer ruime meerderheid niets heeft gedaan: 56% in Overijssel en 60% in Gelderland. Als mensen al wat doen, is het vooral hulp zoeken bij hun sociale kring of de daders aanspreken. Omstanders vormen geen betrouwbare bron van steun. Alle geboden opties van het melden of aangifte doen worden door minder dan 10% van de respondenten gekozen. Nu zou het zo kunnen zijn dat het ene slachtoffer het meldt bij de politie en de ander bij een LHBTI-organisatie en dat de percentages moeten worden opgeteld. Dat is echter niet het geval: alle mensen die minimaal één van de ‘meldopties’ gekozen hebben vormen samen slechts 15,4%. Respondent: “Je negeert het, laat handen los en klaagt veel bij de lhbt-vrienden.” Ook moeten we ons realiseren dat een afkeurende blik niet direct iets is wat aangegeven kan worden. Kijken we enkel naar de 75 mensen in onze data die wel eens, regelmatig of vaak slachtoffer zijn geweest van seksuele en/ of lichamelijke mishandeling dan geeft 62% hiervan niet aan melding gemaakt of aangifte gedaan te hebben. Slechts 17% heeft aangifte gedaan.

Tabel 3.7: Handelingsreacties op slachtofferschap, uitgesplitst per provincie Gelderland (N=679)

Overijssel (N=385)

Ik heb er niks mee gedaan

59,5

56,4

Ik heb hulp gezocht bij familie/ vrienden

20,9

17,0

Ik ben zelf het gesprek aangegaan met de daders

17,5

18,1

Ik heb het gemeld bij een betrokken instantie

9,9

9,8

Ik heb hulp gezocht bij omstanders

5,2

6,0

Ik heb aangifte gedaan bij de politie

4,3

3,7

Ik heb het gemeld bij een LHBTI-belangenorganisatie

4,0

4,6

Ik heb het gemeld aan een onafhankelijk instantie

3,0

3,3

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

31

3.5 (ON)VEILIGHEID: MECHANISMEN EN ERVARINGEN

Het veiligheidsgevoel van mensen wordt wel eens voorgesteld als een kabel met vele draden die er allemaal aan bijdragen, waarvan objectieve veiligheid slechts één draad is20; echter, in het geval van dit onderzoek komen uit de interviews toch heel duidelijk zelf meegemaakte incidenten terug als belangrijke wortel van onveiligheid.

3.5.1 CONTINUE WAAKZAAMHEID Homoseksuele man (40): ‘Ik vind het leuk om soms te spelen met gender, maar dat vermijd ik normaal gesproken buiten mijn inner circle. Speciaal voor dit interview heb ik mijn laarzen met hakken aangetrokken om eens te zien of dat gevoel terecht is. Helaas wel. In de paar honderd meter die ik nodig had om van de parkeergarage naar de interviewlocatie te lopen, kreeg ik al twee opmerkingen van voorbijgangers: ‘Moet je die flikker nou zien!’. Als we interviewees vragen naar hand-in-hand lopen (met een partner), blijkt dat men zeer bewust kiest in welke situaties zij dit wel en niet doen. Zoals uit het voorbeeld hierboven al blijkt, zijn zij op hun hoede voor mogelijke gevaren en houden zij hier verregaand rekening mee in het uiten van hun seksualiteit of genderidentiteit. Homo’s en lesbiennes maken zich duidelijk ‘onzichtbaar’ in de publieke ruimte door zoenen en hand-in-hand lopen te vermijden. 21

3.5.2 HET VERLEDEN TELT

Als men aangeeft (vrijwel) nooit hand-in-hand te lopen, ligt hier bij de interviewees vaak een slechte ervaring aan ten grondslag. Meestal gaat het om een (bijna) geweldsincident of serieuze straatintimidatie. Deze ervaring ligt vaak al ver in het verleden (soms tot 10 jaar terug), maar heeft dan nog altijd invloed op de keuze om de seksuele identiteit niet te laten zien in het openbaar. Eén incident kan voldoende zijn om een permanent onveiligheidsgevoel te creëren. Een geïnterviewde vertelt bijvoorbeeld uitgebreid over een recent discriminatie-incident dat hij meemaakte. Na zijn transitie begon hij op een nieuwe werkplek, waar een collega werkte die hem nog als vrouw had gekend. Al na een paar dagen bleek dat deze collega de andere collega’s had ingelicht over de transitie, waardoor hij regelmatig met ‘zij’ werd aangesproken. Hij had juist gehoopt op dit werk ongehinderd als man te kunnen functioneren. Gesprekken met de collega’s en leidinggevenden haalden niets uit en de situatie verbeterde niet, waardoor hij uiteindelijk weggegaan is bij het bedrijf. Het heeft hem doen besluiten voor zichzelf te beginnen, omdat hij zich in een baan met vaste collega’s niet meer zag functioneren.

20 21

https://hetccv.nl/onderwerpen/veiligheidsbeleving/wat-is-veiligheidsbeleving/de-kabel/

Vermijden en conformeren is een van de belangrijkste coping mechanismen bij discriminatie. Zie Jurriaan Omlo, “Verzetten, vermijden of

veranderen”, pp. 73-128.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

32

3.5.2 BELEIDSBEHOEFTEN

Wat zou kunnen helpen om het veiligheidsgevoel en de acceptatie van LHBTIQA+’ers te verbeteren? Dat vroegen we ook in een open surveyvraag. Eén van de meest genoemde suggesties is meer voorlichting en onderwijs: door het te blijven benoemen het normaal en geaccepteerder maken. Uit de interviews wordt duidelijk dat juist ook de onzichtbare, of zoals sommige interviewees het verwoorden: ‘normale’, LHBTIQA+’ers zichtbaar moeten worden. Als enkel de ‘normafwijkende’ mensen zichtbaar zijn, leidt dat tot stereotypering. Deze reacties leggen duidelijk een spanning bloot. Om stereotypering te doorbreken, zou het goed zijn de diversiteit binnen de LHBTIQA+ gemeenschap te tonen, met daarin tal van mensen die aan het maatschappelijke leven deelnemen: die getrouwd zijn, een kind hebben, een baan en een familie. Dit verkleint de afstand voor mensen om zichzelf te herkennen of te kunnen verplaatsen. Tegelijkertijd dragen dit soort uitspraken door mensen uit de LHBTIQA+ gemeenschap ook juist bij aan het herbevestigen van de ‘doe maar normaal’ norm, waardoor sommige, meer zichtbaar normafwijkende groepen zich gemarginaliseerd zullen blijven voelen. Veel andere suggesties die werden gegeven worden centreren ook rond bekendheid. Zo werd meer zichtbaarheid in de publieke ruimte expliciet genoemd, alsook informatiecampagnes die een duidelijke norm stellen om discriminatie af te wijzen.

3.5.3: MEER KENNIS BIJ INSTELLINGEN EN PROFESSIONALS

Tevens werd gewezen op expertise-ontwikkeling bij instellingen. Zo kunnen bedrijven meer doen aan de positie van LHBTIQA+ onder hun werknemers en in hun publieke uitingen. Met name de transgenders/non-binaire respondenten vragen hierom, omdat zij hun identiteit niet kunnen verbergen op de werkvloer. Maar ook bijvoorbeeld medewerkers in de zorg, die benadrukken dat zij zelf niet altijd open kaart durven te spelen met patiënten. Respondent: Ik wil graag een luisterend oor krijgen bij een gemeente of wijkagent. 'Roze in blauw' is een goed initiatief maar toen ik er aanklopte heeft men mij met het probleem naar de gewone politie doorverwezen. Je wordt niet overal gehoord en serieus genomen als je je meldt. Mensen die je zouden moeten kunnen helpen zijn vaak ook onwetend over de impact. Van de gemeente, meldpunten, de politie en hulpverleners wordt verwacht dat ze meer oog hebben voor specifieke LHBTIQA+ problemen. Meerdere respondenten geven in de open antwoorden aan dat zij onbegrip ervaren als ze zich melden bij politie of hulpverleners. Een van de geïnterviewden vertelt over een conflict met zijn buren, waarbij de wijkagent zich liet ontvallen dat de man zijn vriend bij de deur ook geen afscheidskus moest geven, omdat dit provocerend zou werken. Hierdoor voelde hij zich in een hoek gezet.

Voorvallen zoals deze leiden ertoe dat de meldingsinstanties bij de LHBTIQA+ in een slecht daglicht komen te staan, wat een van de redenen kunnen zijn waarom volgens de survey slechts 15% melding maakt van problemen.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

33

Hoofdstuk 4

SPORT 34

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

HET BEELD: SPORT

Het debat over LHBTIQA+ issues in de sport leeft, maar hoe ervaren LHBTIQA+ inwoners de acceptatie in sport, welke impact heeft dit op hun sportgedrag en is er steun bij problemen? Er lijkt nog een wereld te winnen, zeker voor de acceptatie van transgender en non-binaire respondenten. In de breedte mijden LHBTIQA+'ers bepaalde sporten of sporten als geheel, met alle gezondheidsconsequenties van dien. Specifiek sportbeleid kan hierbij een oplossing zijn, maar de respondenten in Gelderland en Overijssel zien of herkennen weinig beleid gericht op steun en acceptatie. • Er wordt gesport, maar hoe varieert. Onder homoseksuele en transgender respondenten zien we indicaties van een sterke ‘gym culture’. Groeps- en teamsporten zijn relatief populair onder lesbische en biseksuele respondenten. Cruciaal echter is dat aseksuele, panseksuele/queer en transgender respondenten minder in collectief verband sporten en daardoor ook minder sporten in totaliteit. Over het geheel geeft ruim 15% aan dat hun seksuele voorkeur/genderidentiteit een rol heeft gespeeld in het niet sporten of niet in clubverband sporten. • 7 op 10 respondenten heeft de impressie dat mensen met een niet-standaard heteroseksuele voorkeur zichzelf kunnen zijn. In tegenstelling tot de resultaten voor andere domeinen, zien we voor sportontwijking dat juist homoseksuele respondenten meer gebrek aan acceptatie ervaren.

Mogelijk wijst dit op in machocultuur geworteld gedrag en heteronormativiteit binnen bepaalde (team)sporten. • Voor transgender en intersekse sporten denkt zelfs maar 4 op 10 respondenten dat zij zichzelf kunnen zijn. Transgender en intersekse mensen geven zelf 24% tot 26% minder vaak aan zichzelf te kunnen zijn dan homoseksuele, lesbische, biseksuele en cisgender respondenten. Transgender en intersekse respondenten ervaren ook beduidend meer problemen, in het bijzonder met betrekking tot douchen (30%) en gedrag van toeschouwers of tegenstanders (37% en 47%). • Dat transgender en non-binaire respondenten een zwaardere last lijken te dragen is niet verwonderlijk gezien de rol van het lichaam in sport, en hoe die met genderidentiteit verweven is. Het invoeren van privé-faciliteiten en duidelijkere richtlijnen over het mogen sporten in vrouwen- of mannencompetities kunnen hierin mogelijk een belangrijke rol spelen. • Een veel gekozen oplossing voor problemen lijkt het bewust vermijden van of stoppen met bepaalde sporten. We vinden minder indicatie voor het probleem onder de aandacht van de sportorganisatie te brengen. Dit kan duiden op een onveilig klimaat en gebrek aan vertrouwen in een luisterend oor.

Aansluitend hierbij geven respondenten in alle subgroepen voor minder dan 30% aan dat er door hun sportvereniging of -school positieve aandacht aan LHBTI+ acceptatie besteed wordt. Dit past in een totaalbeeld dat respondenten in groten getale geen idee hebben van emancipatiebeleid of het idee hebben dat er geen emancipatiebeleid gevoerd wordt.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

35

4.1 ACHTERGROND

Laten we eerst kijken wat de stand van zaken is qua sportbeoefening. Hoeveel respondenten sporten en beoefent men individuele of groepsport? Deze resultaten zijn te vinden in Tabellen 4.1 en 4.2. Een derde van de respondenten uit Gelderland en ruim 40% van de respondenten uit Overijssel sport niet actief (Tabel 4.1). Bijna veertig procent van onze respondenten is lid van een sportvereniging- of school, en de rest sport individueel. Alhoewel een substantieel deel van de respondenten niet sport, lijkt het verenigingssporten in ieder geval vergelijkbaar met algemene cijfers, zeker specifiek voor Gelderland en Overijssel. 22 Als we het sportgedrag uitsplitsen naar deelgroep (Tabel 4.2) dan ontstaat er een wat complexer patroon, wat onder andere te maken kan hebben met de verschillende subculturen qua sportbeoefening en het aanbod van LHBTIQA+ sportclubs. Zo reflecteren de cijfers een mogelijk sterke ‘gym culture’ (individueel sportschoolbezoek) onder homoseksuele mannen en transmannen en zijn groeps- en teamsporten relatief populair onder lesbische en biseksuele respondenten, wat kan duiden op eigen LHBTIQA+ sportgroepen (hierover later meer). Het meest opvallende voor nu is dat aseksuele, panseksuele/queer en in mindere mate transgender respondenten minder binnen verenigingen sporten, en ook minder sporten in totaliteit.

Dit kan duiden op het niet prettig voelen in zowel reguliere als LHB-sportgroepen/-clubs. Tabel 4.1: Percentages sportende LHBTIQA+’ers, uitgesplitst naar provincie sportgedrag en vorm

Gelderland (N=880)

Overijssel (N=497)

Wel lid van sportvereniging of sportschool

39,4

37,2

Alleen

37,6

36,3

In een groepje

46,9

47,2

In teamverband

24,9

28,8

Niet lid van een sportvereniging, wel sporten

27,0

19,5

Niet lid van sportvereniging, niet sporten

33,6

43,3

Waarvan (meerdere antwoorden mogelijk)

36

Tabel 4.2: Percentages sportende LHBTIQA+’ers, uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit sportgedrag en vorm Homo (N=560)

Lesbisch (N=405)

Bi (N=241)

Aseks (N=34)

Pan/Q (N=86)

Cis (N=1178)

Trans (N=84)

Non-bin (N=91)

38,0

39,8

43,1

24,523

26,323

39,1

35,8

39,6

Alleen

48,2

28,6

30,9

-

-

37,5

40,9

28,2

In een groepje

42,4

51,5

50,6

-

-

48,6

44,4

33,4

In teamverband

17,3

34,2

28,9

-

-

24,6

25,1

48,3

Niet lid van een sportvereniging, wel sporten

24,4

23,5

21,8

32,2

29,0

23,7

29,0

27,9

Niet lid van sportvereniging, niet sporten

37,6

36,7

35,1

43,3

44,7

37,2

35,1

32,5

Wel lid van sportvereniging of sportschool Waarvan (meerdere antwoorden mogelijk)

22

Dit vergelijken we met cijfers uit ‘Zo Sport Nederland’ van NOC*NSF (https://nocnsf.nl/media/4412/zo-sport-nederland-2020_def.pdf)

waarbij we de mensen die aangeven alleen te sporten binnen een sportvereniging of -school niet meerekenen. Dan liggen de lidmaatschapscijfers dicht bij de 28% die dat rapport geeft voor deze twee provincies. 23

Gezien de kleinere omvang van de subgroepen panseksueel/queer en aseksueel en het lage aantal respondenten in deze groepen dat

aangaf lid te zijn van een sportvereniging of sportschool kunnen we geen betrouwbare percentages weergeven.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

4.2 SPORTUITVAL EN ONTWIJKING

Hierboven zagen we al patronen die mogelijk te maken hebben met het ontwijken van sport en sportorganisaties vanwege het zich er als LHBTIQA+'er niet thuis voelen. Dit hebben we ook expliciet gevraagd aan de respondenten die aangaven niet (in verenigingsverband) te sporten. Daarnaast hebben we iedereen enkele stellingen over hun sportgedrag en seksuele voorkeur/genderidentiteit voorgelegd. De resultaten hiervan zijn te vinden in Tabel 4.3 en 4.4. Over het geheel geeft ruim 15% aan dat hun seksuele voorkeur/genderidentiteit een rol heeft gespeeld in het niet sporten of niet in clubverband sporten. Het grootste effect wordt gevonden in het bewust vermijden van bepaalde sporten – preventieve actie als het ware – of het stoppen met een bepaalde sport. In combinatie met lage percentage van team- of verenigingswissel suggereert dit dat LHBTIQA+ sporters die zich niet (meer) veilig voelen in hun team of club, die sport geheel verlaten en bijna nooit een oplossing zien binnen die sport. Zoals we ook meer algemeen zien, dragen transgender en non-binaire respondenten een zwaardere last. Zeker 1 op de 5 respondenten geeft aan dat zij sporten hebben gemeden om hun identiteit, en dat is veel vaker dan cisgender respondenten (1 op de 12). Ook bij de andere stellingen geven niet-cisgender respondenten veel vaker ‘ja’ aan dan cisgender respondenten.

In de toelichting bij de stellingen die kon worden gegeven, zien we dat gebrek aan faciliteiten (privé-faciliteiten of genderneutrale kleedkamers) en het gebrek aan gemengde/non-gendered teams hier een grote rol in spelen. Ook zien we dat veel respondenten aangeven dat ze zich laten weerhouden om eraan te beginnen: de angst voor uitsluiting en discriminatie is hoog en werpt een extra drempel op. Respondent: Als transgender wordt een teamsport lastig in verband met samen douchen en zelf het andere geslacht hebben. Ik zou graag sporten maar dit weerhoudt mij hiervan. Teamsporten vind ik het leukste, maar gaat niet. Te onzeker wat andere mannen vinden/denken en de situatie is gewoon ingewikkelder. Ten slotte, en in tegenstelling tot alle andere resultaten, zien we voor sportontwijking dat juist ook homoseksuele respondenten hier bijzonder veel last van hebben: 34% zegt bepaalde sporten te vermijden; onder lesbische en biseksuele respondenten is dit respectievelijk 10 en 8%. Dit is opvallend, maar niet onverklaarbaar. In de open antwoorden geven homoseksuele mannen aan dat zij de sportschool/sportvereniging ervaren als een sterk heteronormatieve omgeving met een macho-cultuur. Ook voelen zij zich in kleedkamers minder prettig tussen andere mannen, en hebben geen zin in meelachen met grappen over hun geaardheid.

De grappen en bijvoorbeeld het gebruik van scheldwoorden (‘mietje’ en ‘homo’) waar respondenten naar verwijzen zijn onderdeel van een complex systeem waarin ook het maatschappelijk stereotype ‘homo’ (gevoelig en feminien) tegenover het maatschappelijk stereotype van een sporter staat (krachtig, snel, competitief). In het bijzonder homomannen lijken last te hebben van de heteronormatieve cultuur die heerst binnen (team)sporten, zoals onder andere voetbal – de meest populaire (team)sport onder jongens en mannen. 24

24

zie bijvoorbeeld: https://nocnsf.nl/media/1392/zo-sport-nederland_nocnsf-sportonderzoek.pdf

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

37

Tabel 4.3: Relatie LHBTIQA+ en sportmijdend gedrag, uitgesplitst per provincie Heeft het te maken met uw LHBTI-achtergrond dat u niet lid bent van een sportvereniging of sportschool OF niet sport? Niet lid van een vereniging maar wel sporten

Niet lid en sport ook niet

Gelderland (N=238)

Overijssel (N=97)

Gelderland (N=296)

Overijssel (N=214)

Nee

77,8

84,8

82,7

88,5

Gedeeltelijk

18,1

13,2

12,1

10,0

Ja

2,2

2,0

3,0

0,2

Weet ik niet

2,0

0

2,1

1,3

N

238

97

296

214

- = te klein aantal respondenten

Tabel 4.4: Keuzes in sportgedrag, uitgesplitst per provincie, seksuele voorkeur en genderidentiteit Vanwege mijn LHBTI+ achtergrond… Ja/nee (en weet niet) stellingen (% ja) GLD (N=444)

OV (N=220)

Homo (N=276)

Lesbisch (N=182)

Bi (N=126)

Aseks (N=14)

Pan/Q (N=37)

Cis (N=545)

Trans (N=55)

Non-bin (N=50)

Heb ik bepaalde sporten bewust vermeden

26,4

24,7

33,8

10,2

7,5

-

-

8,0

27,8

19,1

Ben ik gestopt met een bepaalde sport beoefenen

15,3

10,3

6,0

3,2

5,8

-

-

3,8

17,4

11,2

Ben ik van team veranderd

1,8

1,6

0,5

0,5

1,2

-

-

0,2

0,9

4,2

Ben ik van sportvereniging veranderd

4,4

3,4

1,3

1,0

1,7

-

-

1,0

3,9

5,4

Sport ik buiten mijn eigen gemeente

7,2

5,1

3,2

2,5

1,2

-

-

2,1

2,6

6,4

Sport ik bij een LHBTI+-team of - vereniging

5,2

4,0

3,2

1,1

0,3

-

-

1,8

2,0

2,6

- = te klein aantal respondenten

4.3 ACCEPTATIE

In Hoofdstuk 2 is de ervaren acceptatie op de sportvereniging al kort aan bod gekomen. Hier gaan we daar dieper op in. In Hoofdstuk 2 hebben we gerapporteerd dat de acceptatie binnen de sportvereniging wat lager was dan in de eigen sociale kring. We zijn nog voor 25% (Gelderland) en 22% (Overijssel) verwijderd van een volledig gevulde acceptatiebarometer. In het bijzonder biseksuele, panseksuele/queer, transgender, non-binaire en aseksuele respondenten ervaren minder acceptatie. Tabel 4.5: Ervaren acceptatie in de sport, per provincie, seksuele voorkeur en genderidentiteit Rapportcijfer acceptatie op sportvereniging (zie Hst 2)

Gemiddelde acceptatie

Gelderland

7,79

Overijssel

8,06

Cis

8,09

Trans

7,13

Non-binair

6,69

Homo

8,13

Lesbisch

8,27

Bi

7,25

Aseksueel

5,60

Pan

6,98

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

38

In Tabel 4.6 rapporteren we opnieuw het gemiddelde rapportcijfer, maar nu berekend per sportverband. We zien beperkte verschillen, waarbij individuele en teamsporters een lager rapportcijfer geven (7,9 en 8,0) aan acceptatie op de sportvereniging/sportschool dan groepssporters (8,5). Juist sporters die in een groepje sporten lijken het meest acceptatie te ervaren, wat in licht met het bovenstaande logisch is omdat individuele sporten een uitwijkmogelijkheid zijn bij mindere acceptatie en je in een team vaak niet alle teamleden ‘kunt kiezen’. Tabel 4.6: Ervaren acceptatie in de sport, per sportverband Acceptatie per sportverband

Gemiddelde acceptatie

Alleen (N=166)

7,92

Groepje (N=223)

8,46

Team (N=130)

8,04

Middels een aantal stellingen diepen we verder uit hoe de acceptatie in de sport ervaren wordt. In Tabel 4.7 rapporteren we per provincie, in Tabel 4.8 de uitsplitsingen per groep. In verband met het hoge aantal antwoorden weet niet/niet van toepassing en het lagere aantal respondenten is de indeling van Tabel 4.8 iets afwijkend. 25 Transgender en non-binair zijn samengevoegd en aseksueel en panseksueel/queer weggelaten, omdat anders geen uitkomsten met acceptabele betrouwbaard te geven zijn. In Tabel 4.8 rapporteren we alleen de percentages die corresponderen met het antwoord ‘(helemaal) mee eens’. Positief resultaat is dat LHB’s voor meer dan 80% vinden dat zij zichzelf kunnen zijn in de sport die zij beoefenen. Onder transgender en non-binaire personen is dit percentage al veel lager, rond de 60%. Als we de categorie ‘weet niet/ niet van toepassing’ meenemen geeft 2 op 10 een neutraal of negatief antwoord op de vragen of er ruimte is om LHBTIQA+ te zijn of iemand zichzelf kan zijn in de sport. Daarnaast geven 4 op de 10 respondenten aan dat ze niet weten of er ruimte is om transgender of intersekse persoon te zijn in de sport, wat kan duiden op weinig actieve aandacht voor dit onderwerp binnen sportverbanden.

Bekijken we deze cijfers per deelgroep dan valt op dat alle groepen aangeven dat er minder ruimte is voor een andere genderidentiteit dan voor een andere seksuele voorkeur. Tegelijkertijd lijken (LHBAP) cisgender respondenten een positievere kijk te hebben op de acceptatie van transgender en intersekse mensen in de sport dan de respondenten die zichzelf als tot die groep behorend identificeren. Transgender en intersekse mensen geven daarbij 24% tot 26%26 minder vaak aan zichzelf te kunnen zijn in de sport dan homoseksuele, lesbische, biseksuele en cisgender respondenten. Zoomen we in op specifieke settings waar mogelijk acceptatie-issues voorkomen, dan rapporteren transgender, non-binaire en intersekse respondenten beduidend meer ervaren problemen. In het bijzonder gaat het om niet geaccepteerd worden tijdens het douchen (30%) en problemen met supporters of tegenstanders (37% en 47%). Dit suggereert dat het ervaren van problemen van teamgenoten minder hoog is (ook al rapporteert 20% meer algemeen ervaren problemen). Dit onderscheid is beduidend minder sterk bij de andere deelgroepen. Lesbische en biseksuele respondenten ervaren de meeste problemen tijdens douchen en van tegenstanders, terwijl homoseksuele respondenten de meeste problemen ervaren in de algemene zin.

25 26

Alleen respondenten die lid zijn van een sportvereniging/sportschool kregen deze stellingen en vragen voorgelegd. Hierdoor is de n 519.

Het antwoord op de stelling ‘ik kan mezelf zijn’ ligt voor transgender/non-binair op 61,9%. De bandbreedte van de andere antwoorden op de stelling ‘kan ik mezelf zijn’ ligt tussen de 81,3% (homoseksueel) en 84,1% (cisgender). Daarmee is de berekening: (81,3-61,9)/81,3*100% tot (84,1-61,9)/84,1*100%.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

39

Tabel 4.7: Acceptatie binnen sportverenigingen, per provincie Gelderland (N=338)

Overijssel (N=181)

(helemaal) mee oneens

Neutraal

(helemaal) mee eens

Weet ik niet

(helemaal) mee oneens

Neutraal

(helemaal) mee eens

Weet ik niet

Is er ruimte om LHBAP+ te zijn

6,5

12,0

71,0

10,5

4,0

13,0

71,2

11,8

Is er ruimte om TI+ te zijn

12,9

10,2

39,1

37,8

8,9

10,9

38,3

41,9

Kan ik mezelf zijn

10,3

9,7

78,5

1,5

5,0

10,7

83,7

0,6

Tabel 4.8: Acceptatie binnen sportverenigingen, per seksuele voorkeur en genderidentiteit Op mijn sportvereniging of in mijn sportschool… Percentages voor het antwoord: (helemaal) mee eens, exclusief weet niet. Homo (N=209)

Lesbisch (N=156)

Bi (N=103)

Cis (N=451)

Trans en Non-bin (N=63)

Is er ruimte om LHBAP+ te zijn

80,2

80,3

80,9

81,3

71,2

Is er ruimte om TI+ te zijn

70,3

64,3

55,2

65,1

58,7

Kan ik mezelf zijn

81,3

82,9

83,6

84,1

61,9

Merk ik dat anderen een probleem hebben met mijn seksuele oriëntatie of genderideniteit tijdens de beoefening van de sport

12,5

7,7

11,9

9,3

19,6

Merk ik dat anderen een probleem hebben met mijn seksuele oriëntatie of genderideniteit tijdens het douchen

8,6

6,3

14,0

7,3

29,2

Merk ik dat tegenstanders bij wedstrijden een probleem hebben met mijn seksuele oriëntatie of genderideniteit

9,5

8,6

15,3

7,0

47,3

Merk ik dat het publiek een probleem heeft met mijn seksuele oriëntatie of genderideniteit

4,6

9,6

10,0

5,0

36,8

4.4 ROL SPORTORGANISATIES

Ten slotte hebben we ook gevraagd of respondenten binnen hun sportvereniging of -school bij iemand terecht kunnen als ze zich niet geaccepteerd voelen en hoe het bestuur van de sportvereniging of -school zich inzet voor emancipatie en acceptatie. Deze cijfers rapporteren we in Tabel 4.9 en 4.10. Als we vragen of respondenten bij iemand terecht kunnen bij problemen, geeft slechts een minderheid aan dat ze ergens terecht kunnen, 40 procent kiest voor ‘weet niet/niet van toepassing’. Dit laatste is een opvallend hoog percentage, dat suggereert dat er voor veel mensen geen evidente plek is om problemen aan te kaarten. Kijken we naar concrete maatregelen vanuit de sportorganisatie zelf, dan geeft ongeveer de helft van de respondenten aan niet te weten of de sportschool of sportvereniging ondersteunt bij problemen, of geeft aan dat niet op hen van toepassing is. Deels zal dit door het uitblijven van problemen komen, maar omdat er niet naar directe eigen ervaringen gevraagd is, geeft dit aan dat respondenten ook niet denken aan ervaringen van anderen binnen hun club. Van alle mensen die een inhoudelijk antwoord gaven, geeft per deelgroep slechts een derde aan dat de organisatie hen ondersteunt bij problemen.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

40

Transgender man (49): Op mijn sportvereniging deed ik een gemengde groepsles. Hoewel ik mij als man had geïdentificeerd, begon na een tijdje de docent mij aan te spreken als ‘zij/haar’. Ik heb haar hier een paar keer op gewezen, maar ze verbeterde haar gedrag niet. Op een gegeven moment namen andere cursisten dit ook over. Ik vond het dusdanig vervelend dat ik naar het management ben gegaan, die mij gelijk gaven. Maar toen kreeg ik van de docent te horen dat ik niet meer welkom was in de les, omdat het vertrouwen was beschadigd. Het merendeel van de respondenten geeft aan dat hun sportorganisatie geen positieve aandacht besteedt aan LHBTIQA+ acceptatie: slechts 1 op de 3 is het (helemaal) eens met die stelling. Homoseksuele en cisgender respondenten geven vaker een positief antwoord op deze vraag dan de andere groepen, maar kijken we naar enkel de positieve, negatieve en neutraal antwoorden dan geeft voor alle groepen minder dan 30% aan dat er positieve aandacht aan LHBTIQA+ acceptatie besteed wordt. Ook wat betreft het bieden van faciliteiten voor LHBTIQA+ respondenten zien we zeer lage percentages respondenten die het eens zijn met de stelling dat de sportvereniging of -school dit doet, en dat geldt voor alle groepen. Ontbrekende faciliteiten die o.a. in de open antwoorden worden genoemd zijn met name genderneutrale en eenpersoons kleedkamers en toiletten.

Tabel 4.9: De rol van sportorganisaties, uitgesplitst per provincie Gelderland (N=331)

Overijssel (N=175)

(helemaal) mee oneens

Neutraal

(helemaal) mee eens

Weet ik niet

(helemaal) mee oneens

Neutraal

(helemaal) mee eens

Weet ik niet

In mijn sportvereniging kan ik terecht bij iemand als ik me niet geaccepteerd voel.

40,9

12,3

7,3

39,5

39,6

9,3

6,1

44,9

Het bestuur besteedt positieve aandacht aan de acceptatie van LHBTI+

32,4

34,2

18,3

15,1

33,6

35,9

12,4

18,0

Het bestuur ondersteunt LHBTI+’ers bij problemen

48,8

17,3

14,9

19,1

46,7

24,2

11,9

17,2

Het bestuur biedt faciliteiten voor mij als LHBTI+’er

44,0

31,5

14,0

10,5

45,2

33,8

11,6

9,3

Tabel 4.10: De rol van sportorganisaties, uitgesplitst per seksuele voorkeur en genderidentiteit (helemaal) mee eens, exclusief weet niet. Homo (N=204)

Lesbisch (N=154)

Bi (N=100)

Cis (N=442)

Trans en Non-bin (N=60)

68,2

70,4

73,5

70,5

64,5

44,4

39,8

37,0

42,9

23,9

Besteedt positieve aandacht aan de acceptatie van LHBTI+

29,6

18,7

21,9

24,3

22,1

Ondersteunt LHBTI+’ers bij problemen

36,2

31,2

38,2

35,6

36,1

Biedt faciliteiten voor mij als LHBTI+’er

22,1

13,1

14,7

18,2

17,0

Kan ik terecht bij iemand als ik me niet geaccepteerd voel. weet niet/nvt

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

41

4.5 SPORT: MECHANISMEN EN ERVARINGEN

In de sport lijken normen over het lichaam, en daarmee samenhangend ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid, sterker aanwezig dan in andere leefdomeinen. De interviews leggen bloot hoe zowel samendoen (een veilig klimaat creëren) als individueel mogelijk maken (zoals kleedkamers) een rol spelen.

4.5.1 SPORTONTWIJKING: DE SPORTSCHOOL ALS HETERONORMATIEVE OMGEVING

De interviews bieden duidelijkheid waarom door LHBTIQA+'ers sport nog vaak niet wordt ervan als een plek die per se past bij de LHBTIQA+ gemeenschap. Sport is duidelijk gescheiden naar man en vrouw. Mannelijk gedrag is de norm. Om hier mee om te gaan, geven interviewees (met name homo-mannen) aan dat ze zelf grapjes gaan maken over hun voorkeur, als een coping mechanism om binnen de groep te blijven vallen. Dit wordt door de meeste geïnterviewden evenwel niet gezien als negatief.

4.5.2. DE ROL VAN DE KLEEDKAMER

Uit de vragenlijst kwam al dat er weinig specifieke faciliteiten zijn voor LHBTIQA+ sporters. Deels kan dit de vraag opwerpen wat er dan aan faciliteiten zou moeten of kunnen zijn. De interviews vullen aan dat één van de plekken waar een LHBTIQA+'er zich het meest geconfronteerd ziet met geaardheid of genderidentiteit, de kleedkamer is. Transgender personen en non-binair/genderqueer personen geven aan dat zij problemen hebben met het kiezen voor een van de twee kleedkamers. Een transgender persoon die momenteel lichamelijk in transitie is van vrouw naar man, vertelt dat hij een keer de mannenkleedkamer binnen is gestapt omdat hij vond dat het daar tijd voor was. Het voelde meteen onprettig en hij is linea recta omgekeerd naar de vrouwenkleedkamer. Maar hij zegt ook: straks kan dat niet meer, en waar ga ik dan naar toe? Een genderneutrale of eenpersoonskleedkamer is er niet in zijn sportschool. Ook een homoseksuele man die in de sportschool komt, vertelt dat het voor hem ongemakkelijk is om zich tussen andere mannen om te kleden. Seksegescheiden kleedkamers laten volgens hem zien dat de samenleving is ingericht naar de heteronorm: om ongewenste intimiteiten te voorkomen en veiligheid te creëren, zitten mannen bij mannen en vrouwen bij vrouwen. Ook hij zou voor een genderneutrale of individuele kleedkamer kiezen als dit kon.

Kleedkamers die geschikt zijn voor de LHBTIQA+ gemeenschap zijn een faciliteit die voor veel sportcentra relatief eenvoudig te realiseren is. Eenpersoons voorzieningen zijn in principe afdoende voor de meeste respondenten. Daarmee is dit een van de meest gemakkelijke drempels die verwijderd kan worden om sportdeelname en acceptatie te verhogen.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

42

4.5.3. DE ROL VAN HET TEAM

Een aantal interviewees gaf aan dat zij van jongs af aan voor een club of in een bepaald team spelen. Twee hiervan gaven ook aan dat zij in hun team een goede coming out hebben gehad, en dat zij zich in dit team thuisvoelen. Er worden wel grappen over hun geaardheid gemaakt, maar, zoals zij zelf zeggen ‘wij maken ook grappen terug’. Met douchen en samen omkleden ervaren ze geen problemen. Zij ervaren hun sport primair als een veilige omgeving, omdat zij in een veilig en accepterend team zitten. In contrast daarmee staat het verhaal van een derde teamsporter, die is gestopt omdat ze in haar team het gevoel had er juist niet voor uit te kunnen komen. Dit meisje was lesbisch en voetbalde in een kleine stad in het meisjesteam. Ondanks het feit dat zij het vermoeden had dat een mede-teamgenoot ook lesbisch was, durfde zij niet met dit meisje, laat staan een trainer, over haar gevoelens te praten. Uiteindelijk is zij om die reden gestopt met voetbal. Dit laat zien dat een veilige en accepterende omgeving belangrijk is voor LHBTIQA+'ers om plezier te beleven aan hun sport en ook aan het sporten te blijven. Het is belangrijk dat sportbesturen aandacht hebben voor onveiligheid binnen teams en zicht blijven houden op signalen van discriminatie.

Het is belangrijk om proactief aan veiligheid te werken, ook als er geen expliciete signalen van onveiligheid zijn: mensen die zich onveilig voelen vertrekken eerder uit hun sport dan dat zij zich over de onveiligheid uitspreken, zoals ook de cijfers in sectie 4.2 laten zien. Trainers spelen een belangrijke rol in het creëren van een veilig teamklimaat, en zouden hier extra op getraind kunnen worden.

43

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

Hoofdstuk 5

RELIGIE 44

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

HET BEELD: RELIGIE

Het snijvlak van religie en LHBTIQA+ inwoners krijgt veel aandacht. Naast de verschillen tussen wat religies wel of niet voorschrijven op dit vlak omvat deze aandacht ook het debat over de verhouding tussen overheid en religie. In dit hoofdstuk kijken we vooral naar hoe LHBTIQA+ inwoners van Gelderland en Overijssel dit snijvlak ervaren, met speciale aandacht voor de groep inwoners die zich zowel als christelijk identificeert en als LHBTIQA+ (over andere religies kunnen we op basis van deze steekproef geen uitspraken doen). Het beeld is complex maar laat ook enkele patronen zien die de veelbesproken spanningen kunnen helpen duiden. • Ongeveer de helft van de respondenten is van geloof gewisseld of uit het geloof gestapt. Hiervan gaven 6 op de 10 respondenten aan dat dit volledig of gedeeltelijk in relatie stond tot hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. Ongeveer 15% van de gelovige opgevoede LHBTIQA+’ers in ons onderzoek identificeert zich nog altijd met hetzelfde geloof. • Van alle onderzochte settings (familie, werk, school, sport), is de ervaren acceptatie vanuit geloofsgemeenschappen het laagst.

Deze lage ervaren acceptatie wordt deels gedreven door mensen die niet (meer) religieus zijn, maar ook respondenten die hun opvoedingsgeloof zijn trouw gebleven of die zijn (over)gestapt naar een (ander) geloof ervaren een lagere acceptatie in de geloofsgemeenschap dan wat we in de breedte vinden voor acceptatie onder familieleden, vrienden, werk en school. • 1 op de 4 van de zelf geïdentificeerde christelijke LHBTIQA+ respondenten in ons onderzoek voelt zich soms of vaak als LHBTI+’er onveilig in gebedshuizen en bijna de helft van de LHBTIQA+ christenen antwoord niet positief op het zichzelf kunnen zijn in de geloofsgemeenschap. Slechts een derde ervaart ruimte om niet cisgender te zijn. • Slechts rond een derde van de christelijke respondenten ervaart ondersteuning of positieve aandacht van leiders; de ervaren acceptatie van medegelovigen uit de geloofsgemeenschappen ligt net wat hoger en ‘loopt daarmee voor’ op de leiders. • In de interviews geven respondenten aan dat zij graag duidelijkheid willen van de kerkgemeenschappen over hun positie. Daarnaast benadrukken met name christelijke jongeren dat het nodig is dat er ook op christelijke scholen een veilige plek voor hen moet zijn, en dat voorlichting over LHBTIQA+ hier nodig is.

Terwijl sommige respondenten juist in hun religie hun steun vinden zien we als algemeen beeld een relatief lage gemiddelde ervaren acceptatie vanuit de geloofsgemeenschappen, en in het bijzonder gemiddeld weinig ervaren steun van de leiding van geloofsgemeenschappen.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

45

5.1 ACHTERGROND

Het snijpunt van religie met seksuele voorkeur en genderidentiteit is een veelbesproken onderwerp. In dit onderzoek hebben we een breder palet aan vragen voorgelegd over hoe dit snijpunt ervaren wordt door LHBTIQA+ inwoners van de gemeenten. Dat rapporteren we in dit hoofdstuk. Onderdeel van het maatschappelijk debat is ook de discussie over wie (mede)verantwoordelijk is voor de positie van LHBTIQA+’ers binnen geloofsgemeenten. Is dit de overheid of primair ‘de kerk’ zelf? Wat wij hier vooral willen doen, is aangeven tegen welke problemen en uitdagingen gelovige LHBTIQA+ aanlopen. Dit betreft ervaringen binnen het kerkelijk domein, maar een deel van deze problemen bevindt zich ook buiten het direct kerkelijke domein: bijvoorbeeld als iemand naar een christelijke school gaat, of in een zeer christelijke omgeving woont. Juist hier raken geloof en overheid elkaar, en kan ons onderzoek een aanvulling bieden voor beleidsmakers én kerkgenootschappen om beter op de hoogte te zijn van wat er speelt. Van de geënquêteerden geeft ongeveer 80% in beiden provincies aan niet gelovig te zijn (maar soms wel zo te zijn opgevoed); ongeveer 1 op 6 (Gelderland) en 1 op 7 (Overijssel respondenten heeft hetzelfde geloof als waarmee men is opgevoed en 5 á 6% is gelovig geworden of naar een ander geloof overgestapt. Alle cijfers rapporteren we in Tabel 5.1.

Tabel 5.1: Aantal gelovige respondenten, uitgesplitst naar provincie Gelderland (N=338)

Overijssel (N=181)

N

%

N

%

Niet gelovige opvoeding en nu ook niet gelovig

277

32,7

167

35,1

Gelovige opvoeding en nu zelfde geloof

134

15,8

69

14,5

Niet gelovige opvoeding en nu wel gelovig.

17

2,0

12

2,4

Gelovige opvoeding maar nu niet meer gelovig

393

46,3

212

44,4

Gelovige opvoeding en nu ander geloof

27

3,2

17

3,6

275 van de gelovige respondenten heeft aangegeven tot welke religie men zich rekent. Hiervan geeft 84% aan christen (excl. Russisch-orthodox) te zijn. In het bijzonder van deze groep religieuze LHBTIQA+’ers kunnen we meer informatie verschaffen over hun huidige ervaringen. 27 De vervolgsecties 5.3 en 5.4 focussen exclusief op christelijke gelovige LHBTIQA+. Hierbij dienen we in acht te nemen dat ook het westers christendom zeer divers is. Om een indicatie te geven: in onze data gaven 95 respondenten aan protestants/PKN, hervormd of gereformeerd te zijn; 67 katholiek of rooms-katholiek;28 59 christendom en 7 doopsgezind, baptist, evangelisch of remonstrant. Wat betreft religieuze identificatie viel op dat bij de vraag met welke religie men identificeerde, respondenten relatief vaak spiritualiteitsstromingen noemden, zoals mystiek, new age, paganisme, satanisme en wicca. In totaal betreft het 28 mensen (10% van de gelovigen). Dit betreft voornamelijk LHBTIQA+’ers die religieus geworden zijn of van religie zijn veranderd, waarbij onder de laatste groep veelal de verandering gekoppeld is aan hun LHBTIQA+ identiteit.

27

Helaas was het aantal respondenten dat aangaf onderdeel te zijn van de islam (1) of het jodendom (2 a 3) onvoldoende om

deze groepen mee te nemen in het vervolgdeel van het onderzoek. 28

Dit omvat ook ‘Oud Katholiek’ en het is niet in alle gevallen mogelijk vast te stellen of iemand zich als Rooms Katholiek of Oud Katholiek identificeert.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

46

Ten slotte vroegen we alle, óók niet (of niet meer) gelovige respondenten hoe vaak ze religieuze bijeenkomsten bezochten, omdat dit niet is voorbehouden is aan mensen die zichzelf als religieus zien. De cijfers in Tabel 5.2 tonen dat ook onder de niet-gelovigen 16% (13,9 + 2,2 + 0,2) en 37% (29,3 + 7,0 + 1,0) nog wel eens of vaker een bijeenkomst bezoekt: vaak gaat het om mensen die wel gelovig zijn opgevoed. Ook zien we dat bijna 40% van de mensen die zichzelf als religieus identificeert nauwelijks bijeenkomsten bezoekt. Kortom, religieuze identificatie kunnen we niet gelijkstellen aan integratie in de geloofsgemeenschap, ook al is er duidelijke samenhang. Tabel 5.2: Bezoek aan religieuze bijeenkomsten, uitgesplitst naar geloofsstatus Hoe vaak bezoekt u een religieuze bijeenkomst? (N=1333) Nooit

Soms

Regelmatig

Vaak

N

%

N

%

N

%

N

%

Niet gelovige opvoeding en nu ook niet gelovig

372

83,6

62

13,9

10

2,2

1

0,2

Gelovige opvoeding en nu zelfde geloof

41

20,2

38

18,7

68

33,5

56

27,6

Gelovige opvoeding maar nu niet meer gelovig

378

62,7

177

29,3

42

7,0

6

1,0

Totaal

816

61,2

292

21,9

138

10,3

87

6,5

Soms (1-2x per jaar), Regelmatig (3 x per jaar tot 1 x per maand), Vaak (meer dan 2x per maand).

5.2 ERVAREN ACCEPTATIE VAN EN UITTREDEN UIT RELIGIEUZE GEMEENSCHAPPEN

Ter herinnering: in Hoofdstuk 2 toonden we dat de ervaren acceptatie vanuit geloofsgemeenschappen tussen de vijfeneenhalf en zes lag, en daarmee veruit het laagst scoorden van alle 11 onderzochte settings. Deze cijfers verhullen echter een fikse spreiding onder de respondenten: mensen die hun geloof verlaten hebben geven veel lagere cijfers dan mensen die zichzelf nu nog als gelovig identificeren.

47

Aan de respondenten die van geloof gewisseld zijn of zijn uitgetreden, is ook gevraagd of dit met hun LHBTIachtergrond te maken had. Bij 6 op de 10 respondenten in deze groepen had dit volledig of gedeeltelijk hiermee te maken. Tabel 5.3: De relatie tussen LHBTIQA+ en geloofsverlating Heeft uw LHBTI+-achtergrond ermee te maken dat u zich niet meer identificeert met de religie van uw opvoeding? N

Ja

Gedeeltelijk

Nee

Gelovige opvoeding maar nu niet meer gelovig

603

21,4

38,3

40,3

Gelovige opvoeding en nu ander geloof

44

38,6

25,0

36,4

Totaal

647

22,6

37,4

40,0

In Tabel 5.4 splitsen we de ervaren acceptatie uit naar de geloofsstatus, inclusief reden van geloofsverlating- of wissel. Daarin zien we grote verschillen. 29 Voor sommige groepen is het aantal respondenten zeer laag, maar ook deze groepen dragen bij aan een helder algemeen patroon: LHBTIQA+ respondenten die gelovig zijn gebleven of geworden ervaren het meeste acceptatie, gevolgd door geloofsverlaters van wie het uittreden losstond van hun seksuele voorkeur of gender identiteit, en de laagste acceptatie zien we bij mensen die vanwege deze identiteit hun (initiële) geloof verlaten hebben.

29

Respondenten die niet gelovig zijn en niet gelovig zijn opgevoed hebben we hier niet opgenomen omdat ze zich minder waarschijnlijk op eigen ervaring met geloofsgemeenschappen baseren.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

De hierboven beschreven ordening was te verwachten: mensen die hun geloof verlaten in relatie tot hun LHBTIQA+ identiteit zullen minder acceptatie (hebben) ervaren van hun geloofsgemeenschap. Echter, wat we door deze opsplitsing ook zien is dat voor LHBTIQA+'ers die zich nu nog als gelovig identificeren, de ervaren acceptatie in de geloofsgemeenschap tussen een 7 en een 8 ligt. Dit is betrekkelijk hoger dan het gemiddelde 5,6 à 5,8, dat we rapporteerden in Hoofdstuk 2 voor ervaren acceptatie in de geloofsgemeenschap. Echter het is nog altijd een relatief laag acceptatie cijfer als we kijken dan de gemiddelde ervaren acceptatie in tal van andere domeinen (zie Tabel 2.4). Additionele analyse toont daarbij bovendien aan, dat de zelfacceptatie onder de christelijke respondenten iets lager (0,3) ligt dan onder andere respondenten. Dat verschil is statistisch significant. Dit betekent dat gelovige LHBTIQA+'ers zichzelf minder goed accepteren dan niet-gelovige LHBTIQA+'ers. Juist omdat we in dit onderzoek een selectie-effect van openlijk christelijke LHBTIQA niet kunnen uitsluiten, is dit des te opvallender.30 Het cijfer voor zelfacceptatie onder gelovige LHBTIQA+'ers zou daarmee in een meer aselecte steekproef wellicht nog lager kunnen uitvallen. Tabel 5.4: Ervaren acceptatie in geloofsgemeenschap, uitgesplitst naar geloofsstatus Ervaren acceptatie in geloofsgemeenschap N

Gemiddelde Cijfer

Niet gelovig opgevoed en nu wel gelovig

17

7,95

Gelovig opgevoed, maar nu een ander geloof niet gerelateerd aan LHBTI-identiteit

5

7,30

Gelovige opvoeding en nu zelfde geloof

146

6,97

Gelovige opvoeding maar nu niet meer gelovig niet gerelateerd aan LHBTI-identiteit

37

6,35

Gelovig opgevoed, maar nu een ander geloof gerelateerd aan LHBTI-identiteit

21

5,46

Gelovige opvoeding maar nu niet meer gelovig gerelateerd aan LHBTI-identiteit

79

3,35

Ondanks dat er nog aanzienlijke winst mogelijk is op de ervaren acceptatie in de geloofsgemeenschap, geeft slechts 5% van de respondenten die wel eens een religieuze bijeenkomst bezoeken aan bijeenkomsten op een andere locatie bij te wonen omdat ze in de eigen gemeente zich niet fijn voelen bij de bijeenkomsten van de geloofsgemeenschap (zie hieronder). Veel vaker worden redenen gegeven die te maken hebben met incidenteel bezoek (voor trouwerij of uitvaart) of met familiebanden. Tabel 5.5: Locatie van bezoek aan religieuze bijeenkomsten Ervaren acceptatie in geloofsgemeenschap Als u een bijeenkomst bezoekt, gaat u dan naar een locatie binnen de gemeente waar u woont? niet ingevuld door de mensen die nooit naar religieuze bijeenkomsten gaan. Totaal N=1333

Totaal

Huidig Christen

N

%

N

%

Ja

305

59,0

136

73,6

Nee, want mijn gemeenschap is niet actief in mijn gemeente

33

6,4

9

5,0

Nee, want ik voel me als LHBTI+’ers daar niet fijn bij

20

3,9

10

5,3

Nee, andere reden namelijk… als: - Andere activiteiten, uitvaart, trouwen, koor - Te gast bij familie/ vrienden, op uitnodiging - Al langer betrokken bij de gemeenschap en verhuisd.

159

30,8

30

16,0

30

LHBTIQA+ inwoners die in minder accepterende contexten leven zullen minder snel openlijk hun LHBTIQA+ identiteit bekendmaken

of daarnaar handelen. De drempel om met vrijwillig onderzoek mee te doen is dan hoger, waardoor juist enkel de meer ‘intern

geëmancipeerden’ uit dergelijke subgroepen zullen meedoen. Door de afwezigheid van de mensen die minder intern geëmancipeerd zijn, zullen er meer relatief hoge scores zijn, terwijl ze in werkelijkheid lager liggen.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

48

5.3 ERVARINGEN LHBTIQA+ CHRISTENEN

Zojuist bespraken we al kort dat weinig respondenten vanwege hun seksuele voorkeur of genderidentiteit naar een andere plaats gaan om religieuze bijeenkomsten bij te wonen. Echter, dit betekent niet dat de ervaren veiligheid tijdens bijeenkomsten optimaal is. Integendeel, 1 op de 4 zelf geïdentificeerde christenen in ons onderzoek voelt zich soms of vaak als LHBTI+’er onveilig in gebedshuizen in de gemeente waar ze wonen (24%) en slechts een derde van hen geeft aan zich daar nooit onveilig te voelen. Dat blijkt uit een nadere analyse van de vraag over onveiligheidsgevoelens, eerder gerapporteerd in Hoofdstuk 3.31 Tabel 5.6: Onveiligheidsgevoelens in gebedshuizen, alleen christenen Percentage respondenten dat zich soms tot vaak onveilig voelt in gebedshuizen onder LHBTIQA+ christenen (N=227) % Vaak

7,0

Soms

17,0

Zelden

15,6

Nooit

33,2

Weet ik niet / nvt

27,1

Ook legden we enkele stellingen voor over de ervaringen binnen de geloofsgemeenschap. Elk van de stellingen is gevraag op een standaard vijfpuntschaal die vraag of mensen het er (helemaal) mee eens of (helemaal) mee oneens zijn, of tussenin. In Tabel 5.7 geven we de resultaten voor alle LHBTIQA+ christenen. Helaas is het niet mogelijk om deze tabel verder uit te splitsen naar seksuele voorkeur of genderidentiteit. Allereerst zien we dat op geen enkele van de stellingen meer dan 57,1% van de respondenten duidelijk voor het ‘accepterende’ of ‘ondersteunende’ antwoord kiest. Op de stellingen over algemene acceptatie geeft rond de helft een ‘accepterend’ of ‘ondersteunend’ antwoord, maar slechts 1 op de 3 respondenten ervaart ruimte voor een niet-cisgender identiteit, of ervaart geen problemen van anderen met betrekking tot hun seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Lesbische vrouw (24): In de kerk waar ik nu kom voel ik me geaccepteerd. Ik ken veel LHBT’ers die in deze kerk zitten. Die staan ook op het podium. Er is een LHBT-kring. Er is representatie. LHBT mag er zijn, er wordt over gesproken. Relatief lage percentages zien we rond items over de leiders van de geloofsgemeenschap. Meer respondenten voelen zich geaccepteerd door medegelovigen dan leiders (49% versus 44%), en slechts rond een derde ervaart ondersteuning of positieve aandacht van leiders.

31

De volledige vraag met betrekking tot onveiligheidsgevoelens is eerder gerapporteerd in Tabel 3.1.

Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel

49

Tabel 5.7: Acceptatie binnen geloofsgemeenschap Allen (N=227) Binnen mijn geloofsgemeenschap …

(helemaal) mee eens %

(helemaal) mee oneens %

…is er ruimte om LHBAP+ te zijn

50,1

17,4

…is er ruimte om TI+ te hebben

34,2

25,5

…kan ik mezelf zijn

57,1

17,4

…voel ik mij geaccepteerd door mijn medegelovigen

48,9

16,0

…voel ik mij geaccepteerd door religieuze leiders

44,4

26,2

…merk ik dat anderen een probleem hebben met mijn seksuele oriëntatie/ genderidentiteit

27,0

33,0

…kan ik bij iemand terecht als ik me niet geaccepteerd voel

45,5

10,1

…besteden positieve aandacht aan de acceptatie van LHBTI+

30,6

26,3

…ondersteunen LHBTI+’s bij problemen

34,1

20,2

…bieden activiteiten voor mij als LHBTI+

9,2

46,5

De leiders van mijn geloofsgemeenschap…

Percentages obv alle respondenten in de subgroep, inclusief ‘weet ik niet / nvt’

5.4 RELIGIE: MECHANISMEN EN ERVARINGEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11641451/1