4. Vizier - Onderzoeksrapport Welzijn LHBTIQA
Tekst van het document
Welzijnsonderzoek
Gelderland en Overijssel
COLOFON: Auteurs:
Niels Spierings, Eveline van Hilten-Rutten, Marleen Hasselt Opdrachtgevers:
Provincie Gelderland en Provincie Overijssel Uitvoerende organisaties:
Vizier en Radboud Social Cultural Research (Radboud Universiteit) Publicatiedatum: oktober 2021
Vormgeving:
Onze Creativitijd Contact: Vizier
Ariënsplein 1 7511 JX Enschede 085 0734600 info@vizieroost.nl Het overnemen uit deze publicatie is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
2
INHOUDSOPGAVE
Samenvatting .........................................................................................................................................................................................................4 Hoofdstuk 1. Opdracht en opzet ...........................................................................................................................................................9 Hoofdstuk 2: Acceptatie................................................................................................................................................................................17 Hoofdstuk 3: (On)veiligheid ......................................................................................................................................................................25 Hoofdstuk 4: Sport...............................................................................................................................................................................................34 Hoofdstuk 5: Religie ...........................................................................................................................................................................................44 Hoofdstuk 6:
Gemeentebeleid...............................................................................................................................................................52 Hoofdstuk 7: Ontwikkeling 2019-2021 ................................................................................................................................................61 Hoofdstuk 8: Geografische verschillen .........................................................................................................................................71 Hoofdstuk 9: Aanbevelingen....................................................................................................................................................................83 Bibliografie..................................................................................................................................................................................................................88 Bijlagen Bijlage 1: Vragenlijst LHBTI+’ers in Gelderland en Overijssel...............................................................................89 Bijlage 2: Basisvragenlijst voor anvullende interviews ...........................................................................................104 Bijlage 3: Respons per
gemeente.................................................................................................................................................106 Bijlage 4: Suggesties voor verbetering en beleidsrichtingen uit de open vragen ...................108
3
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
SAMENVATTING 4
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
OPZET
Het voorliggende onderzoek is een direct vervolg op het op het Samenlevingsonderzoek Oost-Nederland uit 2019,1 nu in opdracht van de provincies Gelderland en Overijssel uitgevoerd door Vizier in samenwerking met de Radboud Universiteit. De hoofdvraag is Hoe wordt de huidige acceptatie van LHBTIQA+ inwoners2 in Gelderland en Overijssel door henzelf ervaren en hoe heeft zich dit in de afgelopen twee jaar ontwikkeld? Het onderzoek richt zich op verschillende deelgebieden: acceptatie, onveiligheid, sport, religie en gemeentebeleid. Daarnaast maken we een expliciete vergelijking tussen het onderzoek van 2019 en 2021 en onderzoeken we geografische verschillen. Waar mogelijk zijn de resultaten uitgesplitst naar seksuele voorkeur (LHBAP+) en genderidentiteit (TIQ+), zodat er een meer gedetailleerd beeld ontstaat. Tussen begin maart 2021 en begin april 2021 zijn via diverse kanalen Gelderse en Overijsselse LHBTIQA+ respondenten geworven voor het vragenlijstonderzoek. 1649 respondenten vielen in de doelgroep, waarvan er 1217 de volledige vragenlijst invulden. Ter verdieping zijn 18 aanvullende diepte-interviews afgenomen om ontwikkelingen beter te kunnen duiden. Hieronder vatten we resultaten samen. Deze samenvatting is niet per hoofdstuk geordend, maar licht de algemene patronen en opvallende uitzonderingen uit.
Elk hoofdstuk begint daarnaast ook met een thematische samenvatting in bulletpoints.
VOORUITGANG, MAAR NIET VOOR IEDEREEN OF OVERAL
We kunnen voorzichtig concluderen dat de acceptatie van niet-standaard seksuele voorkeuren gemiddeld genomen ietwat is toegenomen in de meeste leefdomeinen. Over de breedte zien LHBTIQA+’ers in de laatste twee jaar eerder een positieve ontwikkeling dan een negatieve. Maar de groep die een negatieve ontwikkeling ziet, blijft substantieel (oplopend tot ongeveer 30%). Bovendien is de ervaren veiligheid in de stad of het dorp waar men woont volgens meer mensen verslechterd dan verbeterd; voor de eigen wijk of buurt is de trend andersom. De ontwikkeling voor minderheden op het gebied van genderidentiteit is minder eenduidig. Onder transgender, non-binaire en intersekse respondenten is het aandeel respondenten dat een negatieve ontwikkeling ervaart relatief groter. Met betrekking tot ongewenst gedrag geven zelfs meer van hen aan een negatieve dan een positieve ontwikkeling te ervaren.
(ON)BEKEND MAAKT ONBEMIND
Niet alleen in de ervaren trend zien we een verschil tussen deelgroepen, ook op het niveau van ervaren acceptatie en veiligheid. Over bijna alle leefdomeinen heen zien we zeer duidelijk dat homoseksuele, lesbische en cisgender respondenten de meeste acceptatie, ondersteuning en veiligheid ervaren, en ook zijn ze gelukkiger. Biseksuele, panseksuele/queer en transgender respondenten ervaren dit minder, en aseksuele en non-binaire respondenten ervaren dit het minst. Zo voelen non-binaire en panseksuele/queer respondenten zich op werk of school zo’n 3,5 maal vaker onveilig dan homoseksuele respondenten. In lijn met bestaand landelijk onderzoek zien we een ordening gebaseerd op wie het meest aan de dominante maatschappelijke normen voldoet en welke groepen het meest bekend zijn. Meer zichtbaarheid en bekendheid is deels de sleutel voor meer acceptatie, maar tegelijkertijd kan juist die zichtbaarheid van normafwijking op korte termijn ook leiden tot meer weerstand van buitenaf. Weerstand voorkomen, maar ook ombuigen en weerbaarheid vergroten zijn cruciaal in het emancipatieproces van bijvoorbeeld transgender en non-binaire inwoners.
1 2
Heuzels, L. & Hoeve, R. van der, Samenlevingsonderzoek Oost-Nederland: Acceptatie van LHBTI+’ers in Gelderland en Overijssel, april 2019. LHBTIQA+ staat voor: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender, intersekse, queer, aseksueel en alle andere seksuele
voorkeuren en genderidentiteiten die in de minderheid zijn. Het merendeel van de mensen is heteroseksueel en voelt zich fijn
bij zijn/haar geboortegeslacht (cisgender): deze groepen zijn niet meegenomen in dit onderzoek. Voor meer definities, zie het schema onderaan deze samenvatting.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
5
DE STEDEN EN HET ZUIDOOSTEN LOPEN VOOROP
In de breedte zien we een patroon dat naarmate de stedelijkheid van de leefomgeving afneemt ook de ervaren veiligheid en acceptatie afnemen. Juist in de minder stedelijke gebieden hebben LHBTIQA+ inwoners de behoefte aan zichtbaar en expliciet emancipatiebeleid zoals positieve aandacht en voorlichting, veilige cruisegebieden (homo-ontmoetingsplaatsen) en genderneutrale toiletten. Dit betreft ook de inwoners in minder stedelijke gebieden van stedelijke gemeenten. De acceptatie en veiligheid is over het algemeen ook hoger in de zuidelijke en oostelijke gemeenten en regio’s (zoals Arnhem-Nijmegen, de Achterhoek en Twente). Dit kan verschillende oorzaken hebben, waaronder de sterkere rol die religieuze en behoudende normen spelen in de noordelijke en westelijke gebieden. De uitzonderingen op dit patroon kunnen als best practices een basis bieden voor nieuw beleid.
KWETSBARE GROEPEN
Hierboven schetsen we al een hiërarchie in acceptatie. Er zijn nog andere groepen die kwetsbaar zijn in specifieke contexten. Enkele belangrijke voorbeelden zijn: • Ondanks relatief veel acceptatie ervaart 1 op 9 van de respondenten in Gelderland en 1 op 13 in Overijssel een lage acceptatie (rapportcijfer 5 of lager) van de eigen ouders en broers of zussen. In beleid moet nooit vergeten worden dat zelfs bij brede en sterke acceptatie er gevallen zijn waarin een primaire omgeving, het gezin, een bron is van onveiligheid. • Transgenderisme en non-binariteit krijgt recentelijk meer aandacht in de maatschappij, media en beleid. Dit onderzoek onderstreept echter dat ook aseksuele inwoners van Gelderland en Overijssel relatief veel nonacceptatie ervaren. Ook aan hen zou meer aandacht besteed kunnen worden. • In het bijzonder in de openbare ruimte rapporteren lesbische vrouwen veel meer (tot 42% meer) onveiligheid en slachtofferschap dan (homoseksuele) mannen.
GEWELD EN VEILIGHEID
Onveiligheid wordt het meest ervaren in de publieke ruimte (op straat, in de horeca, in het OV, en in het winkelcentrum). Echter ook op school of werk ervaart nog ongeveer 1 op de 6 respondenten soms tot vaak onveiligheid. Veel gehanteerde oplossingen hiervoor zijn niet het melden van onveiligheid bij leidinggevenden of hulpinstanties, maar juist zichzelf onzichtbaar maken en het gedrag aanpassen. Een enkel incident kan nog zeer lang een onveiligheidsgevoel voeden. Mensen voelen zich gemiddeld het meest veilig in het eigen huis en binnen de LHBTIQA+ beweging. Opvallend genoeg wordt ook ongewenst gedrag op sociale media relatief weinig genoemd. Dit lijken relatief veilige havens, die – naast het bestrijden van onveiligheid – aandacht verdienen in termen van versteviging en meer ingezet kunnen worden om bijvoorbeeld jongeren of gemarginaliseerde groepen te bereiken. De meldingsbereid zou langs deze routes ook verhoogd kunnen worden, maar dan moeten instanties wel snel en adequaat reageren.
SPORT: DE BAL LIGT BIJ DE ORGANISATIES
LHBTIQA+ sporters mijden bepaalde sporten of sportverenigingen vanwege hun seksuele voorkeur of genderidentiteit. Hierdoor lijken minder aseksuele, panseksuele/queer en transgender respondenten te sporten. In tegenstelling tot de resultaten voor andere domeinen, zijn het juist homoseksuele respondenten die een groter gebrek aan acceptatie ervaren, hetgeen verklaard kan worden door het machismo en de heteronormatieve cultuur in mannensport. Minder dan 40% van de respondenten denkt dat transgender en intersekse sporters zichzelf kunnen zijn. Transgender en non-binaire sporters ervaren beduidend meer problemen, in het bijzonder met betrekking tot douchen en gedrag van toeschouwers of tegenstanders. Er is een behoefte aan meer genderneutrale, individuele faciliteiten (kleedhokjes, douches) en een proactieve houding van de sportorganisaties. Van sportorganisaties wordt verwacht dat ze niet reactief afwachten tot een incident gemeld wordt, maar zelf een veilig klimaat creëren zodat LHBTIQA+'ers überhaupt komen sporten, zich niet onzichtbaar maken, en misstanden durven te melden.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
6
RELIGIE: BESPREEKBAARHEID ALS STARTPUNT VOOR ACCEPTATIE? Van alle onderzochte settings (familie, werk, school, sport), is de ervaren acceptatie vanuit
geloofsgemeenschappen het laagst. Bij veel respondenten heeft de relatie tussen religie en hun seksuele voorkeur of genderidentiteit dan ook een rol gespeeld in het wisselen van geloof of het geloof achter zich laten. In de bredere LHBTIQA+ gemeenschap is het gevoel van acceptatie vanuit geloofsgemeenschappen de afgelopen jaren afgenomen. Dit betekent niet per se dat deze ook werkelijk is verminderd: media-aandacht voor conflictueuze situaties voeden beeldvorming en de emancipatie van bijvoorbeeld LHBTIQA+ gelovigen (inclusief jongeren) kan hebben geleid tot meer tegenreacties, terwijl onder gelovigen in de breedte de acceptatie toegenomen zou kunnen zijn. Ook is er een substantiële groep die hun (in Gelderland en Overijssel voornamelijk christelijke) geloof combineert met hun niet-heteroseksuele voorkeur of niet-cisgenderidentiteit.3 Onder hen hebben er meer vooruitgang ervaren de afgelopen twee jaar dan achteruitgang; een patroon dat sterker is voor bespreekbaarheid dan acceptatie. De ervaren acceptatie is (iets) hoger van de geloofsgemeenschap dan van de religieuze leiders. Slechts rond een derde ervaart ondersteuning of positieve aandacht van leiders. Respondenten die zich identificeren als christelijk lijken vooral behoefte te hebben aan duidelijkheid (Wat kan en mag in hun gemeenschap?) zonder dat ze daar zelf continu naar moeten vragen.
Daarnaast benadrukken met name christelijke jongeren dat er ook op christelijke scholen een veilige plek voor hen moet zijn, en dat voorlichting over LHBTIQA+ hier nodig is.
EXPLICIET EN CONCRETER BELEID GEZOCHT
Hierboven zijn al verschillende beleidssuggesties voorbij gekomen. Als we respondenten van dit onderzoek ernaar vragen, dan voeren Gelderse en Overijsselse gemeenten momenteel vooral beleid dat op voorlichtingsactiviteiten en zichtbaarheid is gericht. Zichtbaarheid, bijvoorbeeld door regenboogvlaggen, en voorlichting speelt een belangrijke rol in emancipatie, maar dat beleid blijft algemeen en is meer een advies dan dat de overheid echt sturend optreed. Onze respondenten willen zeker meer zichtbaarheidsbeleid, juist in de niet-stedelijke gebieden. Tegelijkertijd wordt onderstreept dat zichtbaarheid niet genoeg is. Er wordt gevraagd om concreet beleid in de publieke ruimte, zoals genderneutrale toiletten. Vooral wordt er gevraagd om toegepast beleid zoals optreden op scholen, zorginstellingen en sportverenigingen. Respondenten willen dat beleid proactief in plaats van reactief wordt ingezet. Van de overheid en andere instellingen (zoals we ook op de thema’s sport en religie zien) wordt verwacht dat zij initiatief nemen om normen van veiligheid en acceptatie te uiten en daar in de eigen organisatie heel concreet gevolg aan geven. Dit betekent ook het bewust worden en waar mogelijk doorbreken van heteronormatieve patronen, die doorwerken in alle facetten van de samenleving. Alle aanbevelingen worden aan het eind van dit onderzoek gebundeld in hoofdstuk 9.
3
In dit deelgebied gaan we alleen in detail in op het christendom, omdat er voor andere stromingen onvoldoende respondenten waren.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
7
UITLEG AFKORTING LHBTIQA+ EN GEBRUIKTE BEGRIPPEN De afkorting LHBTIQA+ wordt gebruikt voor mensen die zich niet identificeren als cisgender en een andere seksuele voorkeur hebben dan heteroseksueel. Seksuele voorkeur gaat over tot wie iemand zich, in termen van gender, (seksueel) aangetrokken voelt. We onderscheiden in dit onderzoek de volgende seksuele voorkeuren: • Heteroseksueel: iemand valt op het andere geslacht (man op vrouw, vrouw op man) • Homoseksueel/lesbisch: iemand valt op hetzelfde geslacht (man op man, vrouw op vrouw) • Biseksueel: iemand valt op beide geslachten (zowel man als vrouw). Sommige biseksuelen sluiten ook andere genderidentiteiten niet uit. • Panseksueel: iemand valt op alle geslachten, ook op andere genderidentiteiten, zoals non-binair. Vaak zegt men ook wel: ‘ik val op mensen’. • Aseksueel: iemand voelt zich niet seksueel aangetrokken tot een andere persoon. Er zijn verschillende gradaties mogelijk. Daarnaast kennen we demiseksueel: iemand voelt zich pas (seksueel) aangetrokken tot een ander als er sprake is van een diepe, emotionele band. Genderidentiteit gaat over of iemand zich identificeert als man, vrouw, allebei, geen van beide, iets er tussenin of iets buiten dit spectrum. Als iemand zich bijvoorbeeld man voelt, maar bij de geboorte als vrouw is bestempeld vanwege diens fysieke kenmerken, is deze persoon waarschijnlijk transgender.
• Cisgender is de term voor wanneer iemand zich fijn voelt bij het geslacht dat ze gekregen hebben bij de geboorte. • Transgender: iemand die zich niet prettig identificeert bij het geslacht van geboorte, maar bij het andere geslacht in het binaire systeem. Of mensen hun lichaam (deels) aanpassen (willen) aan de eigen identiteit is voor deze classificering irrelevant. • Non-binair: iemand die zich niet prettig voelt bij de binaire gendercategorieën (man/vrouw). Andere termen hiervoor zijn genderqueer of genderfluïde. In de afkorting LHBTIQA+ staat de I voor intersekse conditie. Dit verwijst naar de ervaring van mensen die geboren zijn met een lichaam dat niet past binnen de normatieve definities van man en vrouw: het zijn mensen die geslachtskenmerken van beide geslachten hebben. Intersekse is dus geen seksuele voorkeur of genderidentiteit. De Q staat voor queer. Dit is een meer algemeen woord dat staat voor een open, brede genderidentiteit en/of seksuele identiteit. Mensen noemen zichzelf vaak queer als ze zichzelf niet willen labelen met een vaststaande gender en/of seksuele identiteit. Sommige mensen gebruiken queer als parapluterm voor alles wat niet heteroseksueel en/of cisgender is, dat is niet hoe we de term in dit rapport gebruiken.
De + staat voor alle seksuele voorkeuren en genderidentiteiten, naast heteroseksueel en cisgender, die niet direct in de afkorting benoemd worden. Zoals panseksueel, genderqueer en non-binair.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
8
Hoofdstuk 1
OPDRACHT EN OPZET 9
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
In dit onderzoek brengen we de acceptatie van LHBTIQA+ personen in Gelderland en Overijssel in beeld. In de inleiding schetsen we de achtergronden waartegen dit onderzoek is uitgevoerd, definiëren we onze methodes en maken we inzichtelijk hoe de indeling van respondenten tot stand is gekomen.
1.1 ONDERZOEKSOPZET Achtergrond en doelstelling Dit onderzoek is een direct vervolg op het op het Samenlevingsonderzoek Oost-Nederland uit 2019. Er is onderzocht wat de stand van zaken is in 2021, en wat de ontwikkelingen zijn over de afgelopen twee jaar in Gelderland en Overijssel als het gaat om de ervaren acceptatie en het welzijn van LHBTIQA+’ers. Het vorige rapport maakte een vergelijking tussen niet-LHBTIQA+ inwoners en LHBTIQA+ inwoners, en focuste op mentaliteit en gedrag ten aanzien van LHBTIQA+ inwoners. In dit onderzoek zullen we juist verder inzoomen op de ervaringen en positie van alleen de LHBTIQA+ inwoners van de provincies. Het voorliggend rapport herhaalt kerndelen uit het onderzoek uit 2019 en diept aandachtspunten uit die in het onderzoek in 2019 naar voren kwamen. Ook gaan we expliciet in op de ontwikkelingen sinds 2019. Vizier heeft in opdracht van de provincies Gelderland en Overijssel en in samenwerking met een onderzoeksteam van de Radboud Universiteit het onderzoek vormgegeven en uitgevoerd. Vraagstelling Het doel van dit onderzoek is het beantwoorden van onderstaande volgende vraag.
“Hoe wordt de huidige acceptatie van LHBTIQA+ inwoners in Gelderland en Overijssel door henzelf ervaren en hoe heeft zich dit in de afgelopen twee jaar ontwikkeld?“ Daar waar mogelijk en afhankelijk van de relevantie voor de thematiek zullen de uitkomsten worden uitgesplitst naar geografische eenheid en naar doelgroep. Geografische verschillen Geografisch wordt in de verschillende hoofdstukken, net als in 2019, een uitsplitsing gemaakt naar provincie Gelderland en Overijssel. De patronen in de provincies zijn zeer vergelijkbaar. Vervolgens zullen we in Hoofdstuk 8 een verdere uitdieping presenteren op basis van de COROP-indeling4 en de stedelijkheid van de leefomgeving van de respondenten. Vooral de directe leefomgeving van de respondenten (stad/dorp/buitengebied) blijkt van invloed te zijn op de acceptatie en veiligheidsbeleving. In Tabel 1.1 is beschreven welke gemeenten onder welke COROP-regio vallen. Tabel 1.1 Overzicht van gemeenten per COROP-gebied in Gelderland en Overijssel COROP-gebied
Gemeenten
Noord-Overijssel
Dalfsen, Hardenberg, Kampen, Ommen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle
Zuidwest-Overijssel
Deventer, Olst-Wijhe, Raalte
Twente
Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo, Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden
Veluwe
Apeldoorn, Barneveld, Ede, Elburg, Epe, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nijkerk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Scherpenzeel, Voorst, Wageningen
Achterhoek
Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Brummen, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk, Zutphen
Arnhem/Nijmegen
Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen, Zevenaar
Zuidwest-Gelderland
Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal, Zaltbommel
4
Coördinatie Commissie Regionaal OnderzoeksProgramma
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
10
Een onderscheid in stedelijkheid wordt gehanteerd op basis van antwoorden vanuit de vragenlijst. Respondenten konden aangeven hoe ze woonden: in het centrum van een stad, in de buitenwijk van een stad, in een dorp, of in het buitengebied. Deze indeling heeft de voorkeur boven een stedelijkheidsmaat van de gemeente, omdat de laatste verschillende gebiedstypen binnen een gemeente middelt, terwijl uit eerder onderzoek juist bekend is dat de directe woonomgeving van belang is.5 Doelgroepen Onderdeel van de vraagstelling was om, waar mogelijk, specifieker te kijken naar het welzijn van subgroepen binnen de LHBTIQA+ community. Door de unieke werving en gedetailleerde vragenlijst (zie Sectie 1.2: Onderzoeksverantwoording) kunnen we in dit onderzoek meer ingaan op (verschillende groepen) inwoners die zich niet cisgender identificeren en voor sommige vragen ook naar de ervaringen van biseksuele, panseksuele of aseksuele inwoners. De groepen en labels zijn tot op zekere hoogte in continue flux: de betekenis van termen verandert en verschillende mensen bedoelen verschillen zaken met dezelfde term. Zonder de intentie te hebben hieronder de bijbehorende discussies te slechten, geven we aan hoe we de groepen hebben ingedeeld. Dit is gedaan op basis van kennis van de gemeenschappen en de mogelijkheden in de data.
Zo zijn sommige groepen samengevoegd onder één label terwijl ze wel degelijk verschillende identiteiten betreffen. Dit is gedaan omdat zij tegelijkertijd in hun sociale ervaringen en positie vergelijkbare patronen laten zien. Door, veelal in aantal kleine groepen in onze data, samen te voegen kunnen we juist ook aandacht aan hun welzijn schenken. Zouden we dit niet doen, dan konden we niets rapporteren, of zouden deze groepen opgaan in het grote gemiddelde wat geen recht doet aan hun specifieke welzijnssituatie. Genderidenteit Genderidenteit is gecategoriseerd op basis van twee vragen: 1. Welk geslacht is u bij uw geboorte toegewezen? (Intersekse; Man; Vrouw; Overig, namelijk ….) 2. Hoe omschrijft u momenteel uw genderidentiteit (wat u bent in uw gevoelens en/of gedachten)? (Vrouw; vooral vrouw; zowel vrouw als man; vooral man; man; niet vrouw en niet man; overig, namelijk) Open antwoorden op deze vragen zijn voor zover mogelijk gehercodeerd naar categorieën cisman, cisvrouw, transvrouw, transman, genderqueer, genderfluïde, non-binair en weet niet.6 De huidige genderidentiteit was leidend bij de indeling. Vervolgens is voor de mensen die zich bij het invullen van de vragenlijst eenduidig als man of vrouw identificeerden, gekeken of dit afweek van het geslacht toegewezen bij geboorte om mensen als cis- of transpersoon te categoriseren.
Op basis van de kenmerken en omvang van de groepen is vervolgens gekomen tot de volgende indeling en labels.
5
De data laten toe om ook op stedelijkheidsniveau per gemeente uit te splitsen. We zien dan inderdaad minder betekenisvolle
verschillen, wat de voor dit rapport gemaakte keuze valideert. In 2019 is er wél gerapporteerd op basis van stedelijkheidsniveau per gemeente. 6
Van de 17 open antwoorden op vraag 1 en 34 open antwoorden op vraag 2 zijn er 19 gehercodeerd. De niet gehercodeerde
antwoorden waren simpelweg niet in te delen in zinvolle categorieën met betrekking tot genderidentiteit. Denk daarbij aan antwoorden als ‘hond’ en ‘goddelijk’.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
11
Cisgender
Identificeert zich vooral of volledig als het geslacht toegewezen bij geboorte
Transgender
Identificeert zich vooral of volledig als man respectievelijk vrouw, terwijl het bij geboorte toegewezen geslacht vrouw respectievelijk man was of intersekse
Non-binair
identificeert als noch man noch vrouw; zowel man als vrouw; genderqueer; genderfluïde; androgyn; of non-binair
Bij uitsplitsing naar genderidentiteit zijn niet meegenomen respondenten die ‘weet niet’ hebben aangegeven of geen antwoord hebben gegeven (bijvoorbeeld bij overig)7 Seksuele voorkeur Seksuele voorkeur is gecategoriseerd op basis van één vraag: 1. Hoe zou u uw seksuele oriëntatie omschrijven? (heteroseksueel; homoseksueel; lesbisch; biseksueel; aseksueel; panseksueel; weet ik (nog) niet; overig, nl.) Open antwoorden zijn voor zover mogelijk ingedeeld in de categorieën heteroseksueel, homoseksueel, lesbisch, biseksueel, aseksueel, panseksueel (bv. mensen die niet aan labels doen maar ‘gewoon op mensen vallen’) en weet niet/overig (bv. polyamoreus).8 Relatief veel respondenten gaven in de open antwoorden aan queer te zijn; deze groep hebben we samengevoegd met panseksueel omdat beiden in hun seksuele voorkeur het binair geslacht overstijgen. Ook geven relatief veel respondenten in de open antwoorden aan een seksuele voorkeur te hebben én aseksueel te zijn; deze respondenten hebben we voor dit onderzoek onder de categorie aseksueel gecategoriseerd.9 Op basis van de kenmerken en omvang van de groepen is gekomen tot de volgende indeling en labels.
Homoseksueel
zelfidentificerend homoseksueel,10 niet expliciet aseksueel
Lesbisch
zelfidentificerend lesbisch,11 niet expliciet aseksueel
Biseksueel
zelfidentificerend biseksueel, niet expliciet aseksueel
Panseksueel/Queer
zelfidentificerend als als panseksueel of queer of niet aan labels doen; niet expliciet aseksueel
Aseksueel
expliciet zelfidentificerend als aseksueel, inclusief demiseksueel
Bij uitsplitsing naar seksuele gerichtheid zijn niet meegenomen respondenten die ‘heteroseksueel’ aangegeven13 hebben, geen antwoord hebben gegeven (bijvoorbeeld bij overig), of weet niet/overig.
7
‘Weet niet’ kan duiden op een non-binaire ‘questioning’-identiteit, maar deze respondenten definitief als non-binair identificeren is
8
Van de 68 open antwoorden konden er 61 gehercodeerd worden.
een niet te onderbouwen aanname. Derhalve zijn zij ondergebracht onder ‘overigen’. Het betreft hier minder dan vijf respondenten.
9
Eén respondent gaaf aan aromantisch homoseksueel te zijn; deze persoon is onder de categorie aseksueel gecategoriseerd;
10
Dit kan respondenten omvatten die zich als homoseksueel identificeren maar zich ook als vrouw identificeren; in onze data twee
11
Dit kan respondenten omvatten die zich als homoseksueel identificeren maar zich ook als vrouw identificeren; in onze data komt
‘homoseksueel’ was ook te rechtvaardigen geweest. Op de uitkomsten heeft dit geen substantiële invloed.
transvrouwen en twee cisvrouwen. Negen non-binaire respondenten identificeren zich als homoseksueel.
dit nul keer voor. 26 non-binaire respondenten identificeren zich als lesbisch.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
12
1.2 ONDERZOEKSVERANTWOORDING Werkwijze en respons Tussen 2 maart 2021 en 5 april 2021 zijn LHBTIQA+’ers, woonachtig in de provincies Gelderland of Overijssel geworven om een online vragenlijst in te vullen over hun ervaren acceptatie en welbevinden. De vragenlijst is gedeeltelijk gebaseerd op de vragenlijst die voor het onderzoek in 2018-2019 werd gebruikt. In het onderzoek van 2018-2019 kwam een aantal aandachtspunten naar voren: sport, religie, en de verschillen naar stedelijkheid van de woonomgeving. Daarom zijn over deze thema’s extra vragen opgenomen. Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is het in kaart brengen van de ontwikkeling sinds het onderzoek in 2019. Een belangrijke maatschappelijke gebeurtenis sinds 2019 is de uitbraak van de coronapandemie en de daaraan gekoppelde beleidsmaatregelen, met hun persoonlijke en maatschappelijke consequenties. Dit heeft invloed gehad op de mate waarin deelnemers bijvoorbeeld naar horecagelegenheden zijn geweest of eenzaamheid hebben ervaren. In dit onderzoek lag de focus echter op de ‘normale’ situatie.
Bij het opstellen van de vragen is hier rekening mee gehouden, bijvoorbeeld door sommige vragen vanwege een te beperkte validiteit niet op te nemen, of door expliciet te vragen naar de situatie voor corona.14 Daar waar te verwachten is dat corona interfereert met de uitkomsten wordt dat expliciet in de tekst benoemd en besproken. De conceptvragenlijst is voorgelegd aan betrokken beleidsmedewerkers van de provincies Gelderland en Overijssel voor input. De volledige gebruikte vragenlijst is te vinden in Bijlage 1. Vragenlijst De vragenlijst is verspreid in maart 2021 via een open weblink onder LHBTIQA+’ers. Het onderzoeksteam heeft daarbij gebruik gemaakt van meerdere manieren om respondenten te werven. Belangenorganisaties, zoals de lokale afdelingen van het COC, TransgenderNetwerk Nederland, Transvisie, LHBTIQA+- en regenboograden, het Pride Netwerk in Enschede en Nijmegen, zijn benaderd om de link onder hun leden te verspreiden. Daarnaast is de link verspreid onder contactpersonen van de onderzoeksorganisaties (Radboud Universiteit, Vizier en de provincies Gelderland & Overijssel). Hierdoor hebben onder andere ambtenaren met lhbti-zaken en/of diversiteit in hun portefeuille, GGD’s, universiteiten, belangenverenigingen, scholen, religieuze instellingen en groepen, en organisaties voor sociaal werk de vragenlijst verder helpen verspreiden.
Voor de GGD’s zijn daarnaast folders opgesteld met informatie over de vragenlijst, die verspreid werden onder de bezoekers van de poli seksuele gezondheid van de GGD’s in Gelderland en Overijssel. Daarnaast is er ook actief op social media gedeeld en geadverteerd, om het bereik van de enquête verder te vergroten en ook mensen die minder actief zijn binnen de LHBTIQA+ gemeenschap te bereiken. De vragenlijst kon volledig anoniem ingevuld worden en daarnaast werden er 10 waardebonnen van €50,- verloot onder de respondenten om de respons te verhogen.
12 13
Zeven respondenten gaven expliciet aan demiseksueel te zijn.
Dit betreft respondenten die wel onder de LHBTIQA+ paraplu vallen omdat ze zich bijvoorbeeld als transgender identificeren
(en bij de resultaten voor genderidentiteit dus zijn meegenomen); cisgender-heteroseksuele respondenten zijn geen onderdeel van dit onderzoek. 14
Enkele respondenten hebben via de open vragen wel op de LHBTIQA+-specifieke impact gereflecteerd, zoals bijvoorbeeld in de sectie ‘landelijke overheid’ van Bijlage 4 te lezen is.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
13
Telefonische interviews Aan het einde van de vragenlijst is gevraagd of de respondenten hun ervaringen nog wilden delen in een telefonisch interview. Hiertoe konden geïnteresseerden hun contactgegevens achterlaten zodat het onderzoeksteam hen kon benaderen voor een gesprek om de informatie uit de vragenlijsten verder uit te diepen. 709 respondenten hebben hun gegevens achter gelaten. In juni 2021 zijn ruim 80 van deze personen benaderd en zijn er uiteindelijk 18 interviews afgenomen.15 Bij de selectie van geïnterviewden is zo veel mogelijk rekening gehouden met representativiteit, dus de mate waarin de situatie van onze respondenten een afspiegeling vormt van de situatie van alle LHBTIQA+ inwoners in Gelderland en Overijssel. Onderzoekers waren daarbinnen wel afhankelijk van bereidheid van benaderde respondenten om mee te werken. 8 geïnterviewden identificeerden zich als homoseksueel, 4 als lesbisch, 4 als biseksueel, 1 als panseksueel, en 1 als aseksueel. Van de geïnterviewden waren er 12 cisgender, 2 transgender en 4 non-binair/genderqueer. Respondenten waren zowel afkomstig uit Gelderland (12) als Overijssel (6). De jongste geïnterviewde was 19 jaar, de oudste 71, met een gemiddelde leeftijd van 37 jaar.
Semigestructureerde interviews op basis van een basisvragenlijst zijn afgenomen waarin gefocust is op de deelgebieden van dit onderzoek: acceptatie, veiligheid, sport, religie en gemeentebeleid.16 Tijdens het interview zijn ook vervolgvragen gesteld o.b.v. gegeven antwoorden en is steeds een keuze gemaakt welke deelgebieden wel of niet behandeld werden. De interviews duurden gemiddeld 30-40 minuten. Van deze interviews zijn geanonimiseerde transcripties gemaakt die vervolgens gecodeerd en geanalyseerd zijn. De informatie uit de aanvullende interviews wordt steeds verwerkt in de relevante hoofdstukken. Respons en representativiteit De onderzoekspopulatie bestond uitsluitend uit LHBTIQA+’ers, woonachtig in de provincies Gelderland of Overijssel. Doordat seksuele voorkeur en genderidentiteit niet centraal worden geregistreerd, is het onmogelijk als basis van het onderzoek een willekeurige steekproef te trekken (de ‘gouden standaard’) uit de totale populatie LHBTIQA+’ers in Gelderland en Overijssel. Het is uit onderzoek van Kuyper, Fernee, & Keuzenkamp (2016) bekend dat als er voornamelijk via belangengroepen geworven, er een bepaalde vertekening plaatsvindt. Tegen die achtergrond hebben we in dit onderzoek via diverse kanalen geworven, waaronder ook via sociale media en minder activistische of LHBTIQA+ gerichte netwerken.
De resultaten van dit onderzoek gelden allereerst en voornamelijk voor de ondervraagde respondenten. Zoals geldt voor elk onderzoek naar deze deelgroep zijn de cijfers niet exact, maar eerder indicatief voor de situatie van de gehele LHBTIQA+ populatie in beide provincies. Omdat we verschillende deelpopulaties beter konden bereiken door de diverse werving, én omdat we een grote steekproef geworven hebben, kunnen we in dit onderzoek wel subgroepen binnen de LHBTIQA+ gemeenschap vergelijken. Daarnaast is de data gewogen naar leeftijd, geslacht en provincie, zoals hieronder besproken wordt, om uitkomsten beter te kunnen vertalen naar de populatie. Concreet betekent het dat hier een uniek grootschalig onderzoek naar LHBTIQA+ inwoners voorligt, waarbij de algehele patronen met hoge betrouwbaarheid kunnen wordt geconstateerd en gegeneraliseerd, maar we (zoals bij al dit type onderzoek) de individuele, specifieke cijfers voorzichtig moeten generaliseren en een nauwkeurigheidsmarge17 in acht moeten nemen als we ze vertalen naar de hele LHBTIQA+ populatie in Gelderland en Overijssel.
15 16 17
17 interviews zijn telefonisch afgenomen, 1 interview is live afgenomen op verzoek van de geïnterviewde. De vragenlijst is te vinden in bijlage 2.
In 2019 werd voor de LHBTIQA+ steekproef een nauwkeurigheidsmarge van 4% gegeven op de hele steekproef en tussen de 5 en
10% voor de regio’s en provincies. Omdat we geen exact beeld van de totaalpopulatie hebben geven we in dit rapport geen exacte
foutmarge. Zouden we de logica van het rapport uit 2019 volgen dan zou op onze gehele steekproef de foutmarge 1% of minder zijn, voor deelgroepen van 500 respondenten (bv de provincie Overijssel) 4% en groepen van 100 respondenten ongeveer 9%.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
14
Met de vragenlijst zijn 2092 mensen gestart. Vervolgens zijn alle vragenlijsten geselecteerd die in de doelgroep vielen (op basis van seksuele voorkeur of genderidentiteit en woonplaats) en inhoudelijk vragen beantwoord hebben, wat een populatie van 1649 betreft (in vergelijking tot 584 respondenten in 2019). Hiervan hebben 1217 respondenten de volledige vragenlijst ingevuld en 432 een deel van de vragenlijst. In bijlage 3 zijn de responscijfers per provincie en per gemeente te vinden. Om de data optimaal te benutten, rapporten we per uitkomst over álle antwoorden die gegeven zijn, waardoor tussen vragen het aantal respondenten verschilt. In de tabellen en grafieken wordt het aantal gegeven antwoorden telkens opnieuw gespecificeerd door middel van de letter n. Weging Om over- en ondervertegenwoordiging van verschillende achtergrondkenmerken van respondenten te compenseren zijn de resultaten gewogen naar geslacht, leeftijd en provincie waar zij woonachtig zijn. Omdat niet alle respondenten de volledige vragenlijst hebben ingevuld, is er gewogen in 3 stappen. Als eerst voor de respondenten met een geldig antwoord op zowel geslacht als leeftijd en provincie. Vervolgens voor de respondenten die geen geldig antwoord hadden op geslacht en tot slot voor de mensen die geen geldig antwoord hadden op leeftijd.
Tabel 1.2: Aantallen respondenten uitgesplitst per provincie en COROP-gebied Respons LHBTIQA+ COROP-gebied Noord-Overijssel
236
Zuidwest-Overijssel
81
Twente
236
Veluwe
298
Achterhoek
153
Arnhem/Nijmegen
565
Zuidwest-Gelderland
80
15
Provincie Gelderland
1060
Overijssel
589
Totaal Oost-Nederland
1649
Tabel 1.3: Aantallen respondenten uitgesplitst naar seksuele voorkeur en genderidentiteit Seksuele voorkeur
Gelderland
Overijssel
Heteroseksueel (niet cisgender)
8
8
Lesbisch
294
161
Homoseksueel
407
239
Biseksueel
193
121
Panseksueel/ Queer
81
33
Aseksueel
33
11
Weet ik nog niet/ Overig
35
11
Cisgender
889
510
Transgender
65
34
Non-binair/ Gender fluïde/ genderqueer
83
38
Genderidentiteit
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
1.3 LEESWIJZER
Dit rapport bestaat uit 7 inhoudelijke hoofdstukken. In ieder hoofdstuk rapporteren we een deelgebied van ons onderzoek, door tabellen en figuren te presenteren met daarbij een duiding van wat we zien. Voorafgaand aan ieder hoofdstuk presenteren we in een samenvatting de belangrijkste cijfers en trends die wij waarnemen. Bij het bestuderen van tabellen en figuren, is het voor de lezer belangrijk om te beseffen dat het aantal respondenten per vraag verschilt. Niet alleen omdat we ervoor gekozen hebben om ook onvolledig ingevulde vragenlijsten mee te nemen, maar ook omdat sommige vragen niet aan iedereen gesteld zijn. Met name in de secties over acceptatie in sport en religie is dit het geval; hierdoor is het voor niet alle vragen mogelijk de antwoorden uit te splitsen tussen dezelfde subgroepen. We rapporteren in veel tabellen de cijfers voor provincies Gelderland en Overijssel naast elkaar, en niet gezamenlijk. Hierin volgen we de opzet zoals deze ook in 2019 is gebruikt. Het is niet de bedoeling om deze cijfers diepgaand te vergelijken tussen deze provincies, bovendien zijn de trends grotendeels gelijk en de verschillen klein. De interviews worden aan het eind van elk hoofdstuk besproken in relatie tot de surveyresultaten. Daarnaast verwerken we losse quotes van respondenten (uit de open vragen) en interviewees door het rapport, waar zij relevant en verhelderend zijn.
16
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Hoofdstuk 2
ACCEPTATIE 17
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
HET BEELD: ACCEPTATIE
Voor vele LHBTIQA+'ers scoort de ervaren acceptatie voldoende, maar bijna nergens wordt die als volledig gezien. Er zijn nog altijd aanzienlijke aantallen die zich niet geaccepteerd voelen door hun familie of in de woonomgeving. De acceptatie ligt lager voor niet-zelfgekozen omgevingen, en ook als de persoon behoort tot een meer ‘normafwijkende of atypische’ groep. In deze groepen ligt ook de zelfacceptatie lager. • Over de breedte zien we dat de zelfacceptatie onder respondenten hoog is en dat ook de gemiddelde ervaren acceptatie in verschillende sociale relaties en settings ‘voldoende’ is (hoger dan 6 op 10). Tegelijkertijd is er zeker nog ruime winst te behalen en scoren sommige doelgroepen, met name non-binair en aseksueel, structureel lager. • De acceptatie toont sterke variatie tussen settings en sociale relaties. Vrienden zijn de belangrijkste groep waarvan acceptatie ervaren wordt en voor geloofsgemeenschappen is de ervaren acceptatie het laagst. • Tussen de 8 en 12% van de respondenten uit Gelderland en Overijssel ervaart onvoldoende acceptatie van de eigen ouders en broers of zussen: zij geven een 5 of lager. Het directe gezin kiest iemand niet zelf en is een belangrijke bron van veiligheid. LHBTIQA+'ers die door directe familie niet geaccepteerd worden, vormen een potentieel zeer kwetsbare groep.
• Tussen de 13 en 17% van de respondenten voelt zich niet geaccepteerd in de eigen Gelderse of Overijsselse buurt, wijk, dorp of stad. • Er is een zeer duidelijk patroon welke groepen gemiddeld het meeste acceptatie ervaren (in bijna alle omgevingen ook) en welke groepen minder: homoseksuele, lesbische en cisgender respondenten ervaren het meest acceptatie. Aseksuele en non-binaire respondenten ervaren het minst acceptatie. Hier tussenin vinden we biseksuele, panseksuele/queer en transgender respondenten. Dit patroon overlapt sterk met de maatschappelijke normen en de acceptatie van verschillende vormen van genderidentiteit en seksuele voorkeur onder de algehele Nederlandse bevolking.18 Simpel uitgedrukt: ‘hoe meer standaard en hoe minder zichtbaar ‘afwijkend’ een groep is, hoe meer ze geaccepteerd worden’. • Acceptatie door de buitenwereld en zelfacceptatie tonen een zeer vergelijkbaar patroon. Niet onwaarschijnlijk is dat meer geaccepteerd worden door iemands omgeving ook leidt tot meer zelfacceptatie.
2.1 OPENHEID
Hoe open zijn respondenten over hun seksuele oriëntatie en/of hun genderidentiteit in Gelderland en Overijssel? ‘1’ betekent volledig gesloten, ‘10’ staat voor volledig open. In beide provincies is dat net geen 8. Hierbij moet wel vermeld dat mensen die meer gesloten zijn over hun seksuele oriëntatie en/of genderidentiteit minder snel mee zullen doen met dit onderzoek, ook al is het volledig anoniem en digitaal. Het percentage mensen dat hun openheid een ‘onvoldoende’ geeft kan daarom alsnog als substantieel gezien worden: 1 op 8 respondenten in Gelderland en 1 op 7 in Overijssel.
18
Zie SCP monitor of recente NKO data.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
18
Tabel 2.1. Openheid over seksuele voorkeur of genderidentiteit Gemiddelde rapportcijfer openheid over seksuele oriëntatie of genderidentiteit. N
Gemiddelde Cijfer
% <6 (onvoldoende)
Totaal
1649
7,91
12,8
Gelderland
1060
7,97
12,0
Overijssel
589
7,80
14,4
2.2 ZELFACCEPTATIE, TEVREDENHEID & GELUK
Om te zien hoe LHBTIQA+’ers in hun vel zitten, hebben we twee algemene vragen en een specifieke LHBTIQA+ vraag gesteld. We vroegen naar algemene tevredenheid en geluksgevoel, en daarnaast naar zelfacceptatie (In welke mate accepteert u uw eigen seksuele voorkeur en/of genderidentiteit?). Respondenten konden dit aangeven op een schaal van 1 tot 10. De exacte cijfers staan in Tabel 2.2. De Figuur 2.3 telt de drie maten op en geeft voor elke groep aan hoeveel van de totale score bereikt is (blauw) en hoeveel verbeteringsruimte er nog is (paars). Dit noemen we een barometer. We zien wederom geen grote verschillen tussen de provincies, maar wel tussen de doelgroepen. Alle groepen rapporteren hoge zelfacceptatie – mensen met lagere zelfacceptatie zullen minder snel meedoen met het onderzoek – maar deze is wel beduidend lager onder panseksuele, transgender, biseksuele, aseksuele en non-binaire respondenten. Voor algehele tevredenheid en geluk zien we dat in het bijzonder aseksuele, non-binaire, en transgender respondenten minder hoge cijfers rapporteren. In termen van geluksbarometers is bijvoorbeeld 24% ongevuld voor lesbische respondenten (zij geven het hoogste cijfer) en 42% voor non-binaire respondenten (zij geven het laagste cijfer). Met bovengenoemde cijfers zitten o.a.
de non-binaire, aseksuele en transgender en queer respondenten ook onder het gemiddelde in vergelijkbare onderzoeken, bijvoorbeeld in de provincie Gelderland.19 Een voor de hand liggende duiding van deze verschillen is te vinden in het meer te maken hebben met uitsluiting door maatschappelijke normen, discriminatie en onheuse bejegeningen. Aanvullende analyses ondersteunen dit: vergelijken we respondenten die wel en geen discriminatie jegens hen rapporteren (zie Hoofdstuk 3), dan zijn degenen die geen discriminatie ervaren hebben gemiddeld genomen 0.7 gelukkiger. Voor pesten, schelden en roddelen is dit respectievelijk een verschil van 0.9, 0.4 en 0.7.
19
In de Monitor Welbevinden Gelderland 2021 wordt met een iets anders geformuleerde vraag een gemiddelde van 7,5 over de
Gelderse bevolking gemeten. https://www.gelderland.nl/bestanden/Gelderland/COVID-19/DOC_Rapportage_Monitor_welbevinden_Gelderlanders_2021_deel_I_Iedereen_doet_mee.pdf
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
19
Tabel 2.2: Mate van zelfacceptatie, tevredenheid en geluk Zelfacceptatie
Tevredenheid
Geluk
N
Gemiddelde Cijfer
N
Gemiddelde Cijfer
N
Gemiddelde Cijfer
Totaal
1221
9,12
1222
7,61
1223
7,55
Gelderland
785
9,09
784
7,69
786
7,52
Overijssel
436
9,15
437
7,47
437
7,60
Homoseksueel
494
9,26
494
7,87
495
7,77
Lesbisch
376
9,29
376
7,68
375
7,85
Biseksueel
214
8,71
214
7,33
214
7,07
Aseksueel
27
8,43
27
6,49
27
6,18
Panseksueel/queer
73
8,85
73
7,08
73
6,81
Cisgender
1057
9,21
1059
7,77
1058
7,73
Transgender
69
8,73
69
6,67
70
6,51
Nonbinair/genderfluide/ genderqueer
72
8,26
72
6,41
73
6,19
Figuur 2.3: Barometer voor zelfacceptatie, tevredenheid en geluk 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 Homoseksueel
Bereikt Ongevuld
Lesbisch
Biseksueel
Panseksueel/ queer
Aseksueel
Cisgender
Transgender
Non-binair
2.3 ERVAREN ACCEPTATIE
Welk cijfer – van 1 ‘geen acceptatie’ tot 10 ‘veel acceptatie’ – geven respondenten voor de acceptie in hun omgeving? Dit is uitgevraagd voor verschillende sociale relaties en daarnaast voor bepaalde settings, zoals uitgaan en buurt/wijk. In Tabel 2.4 worden de resultaten per provincie weergegeven: per categorie het aantal respondenten, het gemiddelde cijfer en het percentage dat een onvoldoende geeft (lager dan een 6). Voor alle sociale relaties is de gemiddelde acceptatie 8 of hoger. In het bijzonder van vrienden en broers en zussen wordt het meeste acceptatie ervaren. Dit geldt echter niet voor iedereen: 1 op 9 tot 1 op 13 van de respondenten uit Gelderland en Overijssel ervaart een lage acceptatie (5 of lager of 10) van de eigen ouders en broers of zussen. Omdat je je gezin niet kunt kiezen, vormen deze LHBTIQA+'ers een potentieel zeer kwetsbare groep. De acceptatie in verschillende settings ligt gemiddeld lager, maar scoort voldoende. Daarbij zien we wel dat de publieke ruimte (bij het uitgaan, in de buurt en in de stad/dorp) de ervaren acceptatie wat lager ligt. Dit betekent dat juist in deze deels niet te ontwijken settings relatief grotere groepen zich niet geaccepteerd voelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor 1 op 6 tot 1 op 7 respondenten in Gelderland en Overijssel wat betreft hun buurt, wijk, stad of dorp.
Enkel vanuit geloofsgemeenschappen wordt nog minder acceptatie ervaren. Hier kiest 39% (Overijssel) en 48% (Gelderland) van de respondenten voor een ‘onvoldoende’. In Hoofdstuk 5 schetsen we een meer gedetailleerd beeld van de relatie van LHBTIQA+ welzijn en religie, en nuanceren we ook deze onvoldoende.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
20
Tabel 2.4: Ervaren acceptatie in sociale relaties en settings, uitgesplitst per provincie Gemiddelde rapportcijfers van ervaren acceptatie door LHBTIQA+’ers, uitgesplitst per provincie Gelderland
Overijssel
N
Cijfer
%<6
N
Cijfer
%<6
Ouders
904
8,39
11,7
516
8,44
11,0
Broers/ zussen
917
8,80
7,6
528
8,72
10,4
Andere familieleden
923
8,08
11,0
514
8,26
9,7
Vrienden
1008
9,28
2,2
565
9,32
1,9
Leerkrachten/ leidinggevenden
798
8,53
7,3
458
8,44
7,2
Klasgenoten/ collega’s
845
8,37
8,1
486
8,26
8,0
Tijdens het uitgaan
756
7,29
17,2
440
7,44
15,3
Op de sportvereniging
537
7,79
15,0
296
8,06
11,2
In de geloofsgemeenschap
261
5,64
47,9
152
5,79
38,8
In de buurt/ wijk
877
7,68
13,7
492
7,65
13,8
In de stad/ het dorp
911
7,36
15,6
520
7,40
16,6
Als we de ervaren acceptatie uitsplitsen naar genderidentiteit (figuur 2.5 en 2.6) en seksuele voorkeur (figuur 2.7 en 2.8) ontstaat er een vrij eenduidig beeld. De acceptatie onder vrienden is vergelijkbaar voor alle groepen, met de kanttekening dat aseksuelen het minst, maar nog altijd veel, acceptatie van vrienden ervaren. Vrienden kies je zelf en niet verrassend wordt van hen dan ook het meeste en (zeer) hoge acceptatie ervaren. Bovendien kun je niet-accepterende vrienden na een coming-out ook vermijden of de vriendschap opzeggen. Vrienden kunnen daarmee een bufferend netwerk vormen. Cisgender respondenten ervaren meer acceptatie dan transgender respondenten in alle andere settings en van alle andere sociale relaties. Non-binaire respondenten ervaren gemiddeld nog minder acceptatie dan transgender respondenten. Zo ervaren non-binaire respondenten ruim bijna anderhalf punt minder acceptatie van familieleden dan cisgender (niet-heteroseksuele) respondenten op een schaal van 1 tot 10. Ze geven een 6,9 in plaats van een 8,3: dat is zo’n 20% lager. De ervaren acceptatie van non-binaire respondenten kan ook als volgt beschreven worden: kijkend naar de verschillende settings is voor non-binaire respondenten nog 37 tot 58% van de acceptatiebarometer niet gevuld. Hier ligt dus veel ruimte voor verbetering.
Tussen homoseksuele en lesbische respondenten zien we geen grote verschillen. Onder de andere drie vormen van seksuele voorkeur is de ervaren acceptatie lager en afnemend in een tamelijk consistente volgorde: biseksuelen, panseksuelen/queer, en aseksuelen. Ter illustratie, in de buurt of wijk ervaren panseksuele en queer respondenten 14% minder acceptatie dan lesbische respondenten. En gemiddeld ervaren biseksuelen respondenten 10% minder acceptatie van hun ouders dan homoseksuele respondenten. Kijken we weer naar hoe ver de acceptatiebarometers ongevuld zijn, dan is er op veel plekken met name bij de kleinere seksuele voorkeuren nog ruimte voor verbetering. Bijvoorbeeld als het gaat om acceptatie door leerkrachten/ leidinggevenden is er 12% ruimte voor verbetering bij homoseksuele respondenten, 22% bij biseksuele respondenten, en 30% bij panseksuele/queer respondenten.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
21
Figuur 2.5: ervaren acceptatie in sociale relaties, uitgesplitst naar genderidentiteit 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Vrienden Broers/ zussen Ouders Andere familieleden Leerkrachten/ leidinggevenden Klasgenoten/ collega’s Cisgender
Transgender
Non-binair
Figuur 2.6: ervaren acceptatie in settings, uitgesplitst naar genderidentiteit 10 9 8
Op de sportvereniging
7
In de buurt/ wijk
6
In de stad/ het dorp
5
Tijdens het uitgaan
4
In de geloofsgemeenschap
3 2 1
Cisgender
Transgender
Non-binair
Figuur 2.7: ervaren acceptatie in sociale relaties, uitgesplitst naar seksuele voorkeur 10 9
Vrienden
8 7
Broers/ zussen
6
Ouders
5
Andere familieleden
4
Leerkrachten/ leidinggevenden
3
Klasgenoten/ collega’s
2 1
Homoseksueel
Lesbisch
Biseksueel
Panseksueel
Aseksueel
Figuur 2.8: ervaren acceptatie in settings, uitgesplitst naar seksuele voorkeur 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1
Op de sportvereniging In de buurt/wijk In de stad/het dorp Tijdens het uitgaan In de geloofsgemeenschap Homoseksueel
Lesbisch
Biseksueel
Panseksueel
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Aseksueel
22
2.4 ACCEPTATIE: MECHANISMEN EN ERVARINGEN
Op basis van diepte-interviews kunnen we enkele suggesties doen die de geconstateerde verschillen in ervaren acceptatie duiden. Centraal hierin staan de mate waarin mensen van de norm afwijken en als zodanig zichtbaar zijn en de bekendheid bij het grotere publiek van een specifieke voorkeur of identiteit.
2.4.1 LHB VS TRANS/QUEER ACCEPTATIE
Zo suggereren de interviews dat zichtbaarheid een belangrijke rol speelt in acceptatie en daarmee valt te begrijpen waarom de meer ‘normafwijkende groepen’ minder acceptatie ervaren. Interviewees die zich identificeren als homoseksueel, lesbisch of biseksueel, stellen dat zij voor het merendeel ‘niet zichtbaar homo’ zijn. Het idee van ‘straight-passing’, oftewel heteroseksueel lijken aan de buitenkant, wordt veel genoemd. Factoren hiervoor zijn uiterlijk, kleding, postuur en gedrag. ‘Oh maar jij bent niet zo’n echte homo’ wordt vaak goedbedoelend, maar veelzeggend, tegen hen gezegd. Transgender en non-binaire interviewees vertellen dat zij zich vaak bewust strategisch aanpassen aan de hetero/cisgender-norm zodat ze geaccepteerd worden (om ‘wie ze niet zijn’). Zo vertelde een non-binaire geïnterviewde (hij/hem) bijvoorbeeld dat hij er niet voor zou kiezen om nagellak of make-up te dragen in het openbaar, omdat hij niet de aandacht op zichzelf wil vestigen. Een tweede verklaring die interviewees opwerpen is dat de bekendheid van homoseksueel en lesbisch veel groter is dan van bijvoorbeeld panseksueel, transgender of non-binair/genderqueer. Een homo-man (71) vertelt dat hij de homo-emancipatie vanaf het begin heeft meegemaakt, en dat hij in zijn jonge jaren veel meer te maken kreeg met onbegrip en dwingende maatschappelijke normen dan nu.
Drie geïnterviewden van rond de 40 zijn eerder als homo of lesbienne uit de kast gekomen, maar merkten in de loop van de tijd dat hun genderidentiteit niet cisgender is. Ze maakten daarmee in de afgelopen jaren een tweede coming-out. Zij laten zien dat de maatschappij als geheel nu in een fase van emancipatie zit waarin transgenderisme en queerness breder bekend wordt. Ook jongere respondenten benadrukken dat er al wel veel meer bekendheid is voor bijvoorbeeld transgender-zijn in de media, op TV en bijvoorbeeld ook in Netflix series. Dit heeft volgens hen een positieve invloed op hun acceptatie, maar deze is simpelweg nog wel minder ver. Non-binaire biseksueel (42): Ik moet het gesprek met mijn ouders nog voeren. Ik ben daar wel bang voor, maar ik weet ook dat mijn ouders het programma de Roze Revolutie hebben gekeken. Daar is ook een aflevering aandacht besteed aan andere genderidentiteiten. Transgender personen, non-binair… Dus ik hoop dat dat een beetje voorwerk heeft gedaan. Dat ze er wat meer voor openstaan als ik het ga vertellen.
2.4.2 ASEKSUALITEIT
In de systematische vergelijking van respondenten zagen we dat aseksuelen de minste acceptatie ervaren. De aanvullende interviews suggereren dat niet alleen de onbekendheid van deze vorm van seksuele voorkeur een rol speelt. Zo benadrukt een geïnterviewde aseksuele vrouw (31) ook juist de rol van normen, in dit geval het gegeven dat de maatschappij om liefde en relaties draait. Als aseksueel heeft zij hiervoor weinig interesse en dat maakt dat zij moeilijk mee kan praten in gesprekken met collega’s, familie en vrienden. Toen zij nog niet wist dat ze aseksueel was, werd haar bovendien vaak gezegd dat ze conservatief was, omdat ze niet meedeed aan one-night-stands en korte relaties.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
23
Aseksuele aromantische vrouw (31): “Als je zegt dat je homo bent, dan kom je wel soms eikels tegen die dat niet accepteren, omdat ze vinden dat iedereen hetero moet zijn. Maar je voldoet wel aan de norm dat je op een gegeven moment een partner vindt, en dat mensen de aanname doen dat je op een gegeven moment met die partner ook seks hebt. En dan kun je wel met elkaar praten over dezelfde gevoelens die je hebt, die je als aseksueel níet hebt. En daardoor is het moeilijker om gewoon met een vriendengroep of een vriendinnengroep mee te praten.”
2.4.3 SOCIALE SETTINGS
Tenslotte, bij de diverse sociale relaties viel al op dat toch een substantieel aantal respondenten aangaf weinig acceptatie van ouders of andere familie te ervaren. In de interviews hoorden we dit ook terug, of zeiden geïnterviewden dat deze acceptatie tijd nodig heeft gehad om te groeien. De geïnterviewden die expliciet aangeven deze problemen totaal niet te ervaren, waren meestal homoseksueel of lesbisch. Interviewees met een niet ‘standaard’ genderidentiteit of minder bekende seksuele voorkeur gaven ook aan (nog) niet open over hun genderidentiteit of seksuele voorkeur te zijn. Het lijkt dat het accepteren van met name een andere genderidentiteit voor ouders en familieleden een lastig proces is, waarbij in sommige gevallen religieuze motieven, maar ook verwachtingspatronen een rol spelen.
24
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
Hoofdstuk 3
(ON)VEILIGHEID
25
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
HET BEELD: (ON)VEILIGHEID
Dit hoofdstuk schetst bovenal dat onder alle LHBTIQA+ inwoners, onveiligheid en ongewenst gedrag een probleem is waar veel zaken onder vallen, inclusief extreme vormen zoals mishandeling. Het eigen huis, de LHBTIQA+ beweging en sociale media zijn relatief veilige havens, maar niet voor iedereen. De meldingsbereidheid ligt laag en de meer atypische, zichtbare en normafwijkende groepen ervaren meer onveiligheid. • Onveiligheid in de eigen gemeente wordt het meest ervaren in de publieke ruimte (op straat, in de horeca, in het OV, en in het winkelcentrum), maar ook op school of werk ervaart nog ongeveer 1 op de 6 respondenten soms tot vaak onveiligheid. Grote groepen lopen hiermee het risico op isolatie en beperkte bewegingsvrijheid. • De ervaren onveiligheid is beduidend hoger onder non-binaire, transgender en panseksuele/queer respondenten dan onder homoseksuele, lesbische, biseksuele en cisgender respondenten. Zo voelen non-binaire en panseksuele/queer respondenten zich op werk of school zo’n 3,5 maal vaker onveilig dan homoseksuele respondenten. In de openbare ruimten voelen ook lesbische respondenten zich onveiliger dan homoseksuele respondenten. • Onveiligheid is terug te voor op een breed palet aan ervaringen. Grote groepen van de LHBTIQA+ respondenten noemen discriminatie (4 op 9), schelden (5 op 10) en geweld (ruim 1 op 3) waardoor men zich onveiliger voelt.
Daarbij geven respectievelijk 9, 8 en 1% procent van de respondenten aan in de afgelopen 2 jaar zelf regelmatig tot vaak slachtoffer te zijn geweest van respectievelijk ongelijke behandeling, schelden/uitlachen/pesterijen en fysieke of seksueel mishandeling. Deze percentages zijn aanzienlijk hoger als we het antwoord ‘wel eens’ meenemen. • Het ‘regelmatig tot vaak’ slachtofferschap ligt substantieel hoger onder meer normafwijkende respondenten. Zo hadden transgender en non-binaire mensen een ruim 6 maal zo’n hoge kans op regelmatig tot vaak slachtoffer te worden van seksuele mishandeling ten opzichte van cisgender respondenten, en hetzelfde geldt voor aseksuele respondenten ten opzichte van homoseksuele, lesbische en biseksuele respondenten. • Van alle respondenten die wel eens, regelmatig of vaak slachtoffer is geweest van seksuele en/ of lichamelijke mishandeling heeft 62% aangegeven hier geen melding van te hebben gemaakt of aangifte te hebben gedaan. 17% deed wel aangifte. In de breedte leiden ongewenste situaties onder bijna 6 van 10 respondenten niet tot enige actie, ook niet tot steun zoeken bij vrienden of familie. • Mensen voelen zich gemiddeld het meest veilig in het eigen huis, binnen de LHBTIQA+ beweging en ook ongewenst gedrag op sociale media wordt relatief weinig genoemd.
Dit lijken relatieve veilige havens, die – naast bestrijden van onveiligheid – aandacht verdienen in termen van versteviging.
Welzijnsonderzoek LHBTIQA+ Gelderland en Overijssel
26
3.1 ONVEILIGHEIDSGEVOELENS
We vroegen respondenten hoe vaak men zich als LHBTIQA+’er onveilig voelde op de volgende plekken in de gemeente waar ze wonen, met als opties nooit, zelden, soms en vaak (en n.v.t.). Omdat de coronamaatregelen het sociale en publieke verkeer sterk beperkt hebben, verzochten we respondenten hierbij terug te denken aan de situatie voor de coronapandemie. Tabel 3.1 rapporteert per provincie het percentage mensen dat ‘soms’ of ‘vaak’ antwoordde. In Tabel 3.2 wordt dit percentage weergegeven naar genderidentiteit en seksuele voorkeur. Onveiligheid wordt met 23% tot 38% het meest ervaren in de publieke ruimte: op straat, in de horeca, in het openbaar vervoer en in het winkelcentrum. Maar ook op school of werk ervaart ongeveer 1 op de 6 respondenten soms tot vaak onveiligheid. Op straat is dit 1 op 3. De meest publieke ruimte scoort dus relatief onveilig. LHBTIQA+ inwoners voelen zich mogelijk ook beperkt in hun bewegingsvrijheid, zeker omdat bijvoorbeeld de straat nauwelijks te vermijden is. Opvallend in vergelijking tot de resultaten uit het vorige hoofdstuk is dat in gebedshuizen relatief weinig onveiligheid wordt ervaren. Zelfselectie van wie een gebedshuis bezoekt kan hierin een rol spelen (zie Hoofdstuk 5).