CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

slm019725 passendebeoordeling rotondewell v3 definitief bewerkt

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Rotonde Well;28.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op veel plekken was de bedekkingsgraad voor uitvoer van herstelmaatregelen 80 tot 100%. Deze vermossing draagt in hoge mate bij aan de achteruitgang en de mate van voorkomen van korstmossen in de stuifzandvegetaties, de vestiging van struikhei en de ontwikkeling van de karakteristieke flora en fauna. De toegenomen stikstofdepositie sinds de jaren zeventig ligt hieraan ten grondslag. Sinds begin jaren negentig doet zich hierin een daling voor. Een zeker herstel in het aantal soorten en in hun uiterlijke verschijningsvorm lijkt hiermee samen te hangen. Vergrassing (met bochtige smele) en opslag van bomen vormt ook een knelpunt. Onder de druk van stikstofdepositie kunnen vanwege de geringe oppervlakte kenmerkende soorten zich nauwelijks handhaven.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 35/75

Deelgebied de Bergerheide beslaat een aanzienlijk deel van het habitattype Zandverstuivingen, namelijk een totaal van ruim 82,5ha. De grootste min of meer aaneengesloten oppervlakten liggen ten zuiden van de Ontginningsweg. Het habitattype komt ook voor ten westen van het Eendenmeer. In deelgebied de Bergerheide domineert het grijs kronkelsteeltje delen van stuifzandvegetatie, met name aan de noordzijde van de Ontginningsweg. Aan de zuidzijde heeft grootschalig herstelbeheer plaatsgevonden. De afname van de typische soorten en het overheersend voorkomen van grijs kronkelsteeltje duidt op een afname van de kwaliteit van het stuifzand op de Bergerheide. Andere delen van Zandverstuivingen kennen ook een slechte staat van instandhouding. Hier is grotendeels de stikstofdepositie debet aan. Het ontbreken van dynamiek door de wind is met cyclisch beheer wel te simuleren, maar de onnatuurlijk hoge snelheid waarmee de successie momenteel plaatsvindt en de verarming van soorten is zo groot dat met beheer vooral voorkomen wordt dat het habitattype verdwijnt. Van verbetering in kwaliteit is nauwelijks sprake en doorgaans is deze van korte duur. Over de periode 1994-2004 is het verspreidingsgebied van het habitattype vergroot door het uitvoeren van gerichte herstelmaatregelen, zoals op de Gemeenteheide.

Het gaat daarbij om maatregelen zoals het verwijderen van grove dennen en de strooisellaag. De kwaliteit is afgenomen door de hoge bedekking van grijs kronkelsteeltje. De staat van instandhouding van Zandverstuivingen is dan ook slecht. Slechts enkele locaties op de Bergerheide zijn vanuit floristisch perspectief sinds 2002 in redelijk goede staat. Plaatselijk komen zeldzame en karakteristieke korstmossoorten als ezelspootje en stuifzandstapelbekertje voor, al bestaat de indruk dat beide soorten in dichtheid afnemen. Beheer Om het dichtgroeien van de heide door Grijs kronkelsteeltje tegen te gaan wordt experimenteel de grond bewerkt door zeer ondiep met een cultivator te bewerken of te eggen. Grijs kronkelsteeltje raakt dan los van de bodem en hierdoor kunnen hopelijk korstmosvegetaties in het habitattype zandverstuivingen tot ontwikkeling komen. In 2005 zijn grootschalig de matten van Grijs kronkelsteeltje verwijderd. Ook is toen enkele centimeters doorworteld licht humeus grijs zand afgeplagd. Hierdoor kwam het verstuifbare schone zand weer vrij. In totaal is er zo’n 10 ha zandverstuiving weer vrijgezet. Inmiddels zijn delen, als gevolg van de hoge stikstofdepositie, wel weer dichtgegroeid met Grijs kronkelsteeltje. Met adequaat beheer is een relatief goede habitatkwaliteit te bereiken/behouden, in vergelijking met locaties waar dit onder gelijke omstandigheden (o.a.

de achtergronddepositie) niet gebeurt. Zo ligt (beheerde) zandverstuiving van relatief goede kwaliteit in deelgebied Bergerheide, ten zuiden van de Ontginningsweg. Toch is ook hier te zien dat het gebied te lijden heeft onder de hoge achtergronddepositie. Grijs kronkelsteeltje is weer bezig aan een opmars. Delen van het stuifzand groeien weer dicht. De snelheid waarmee de successie plaatsvindt, is onnatuurlijk snel door de hoeveelheid stikstof in de achtergronddepositie. Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring en vermesting, begroeiing met grijs kronkelsteeltje en onvoldoende dynamiek. De bodems van zandverstuivingen hebben van nature een zuur karakter. Veel korstmossen zijn echter gevoelig voor de directe effecten van stikstofdepositie uit de atmosfeer. De grotere beschikbaarheid vanuit de bodem (vermesting) draagt in sterke mate bij aan de snelheid van successie door vergrassing, verbraming en verbossing. Grassen en boomscheuten ontwikkelen zich beter onder een hoger stikstofaanbod dan de kenmerkende korstmossen die van nature langzamer groeien. De toename aan schaduwwerking die hier vanuit gaat zorgt voor extra afname van kortmossen en mossen. Een neveneffect van de te hoge stikstofdepositie is de dominante ontwikkeling van tapijten met de invasieve exoot grijs kronkelsteeltje.

Ondanks gedaalde stikstofdepositieniveaus zijn er nog altijd grote oppervlakken Grijs kronkelsteeltje aanwezig. Ook vestigt de soort zich nog steeds razendsnel na recente herstelmaatregelen. De mogelijkheden voor de beheerder om de soort kwijt te raken en korstmossenrijke vegetaties terug te krijgen lijken daarmee in deze situaties beperkt.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 36/75

De zandverstuivingen zijn daarnaast in areaal afgenomen met als gevolg dat er nauwelijks nog sprake is van een natuurlijke winddynamiek. Hierdoor stagneert het proces van erosie en sedimentatie van stuifzand en vindt er geen natuurlijk terugzetten van de successie meer plaats. Dit heeft tot gevolg dat opslag van berken en dennen de overhand krijgt. Spontane bebossing leidt tot habitatverlies en draagt er toe bij dat de restanten te klein zijn geworden om natuurlijke winddynamiek nog toe te laten. Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype Zandverstuivingen is maximaal 3,14 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,43% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt vastlegging van Zandverstuivingen tegengegaan middels regulier beheer, onder meer door het verwijderen van grijs kronkelsteeltje en afplaggen van humeuze bodem. De mate van effecten door overbelasting door stikstof wordt in grote mate bepaald door dit gevoerde beheer. Grote delen van de in 2005 geschoonde zandverstuivingen zijn, ondanks jarenlange forse overschrijdingen van de KDW (770 – 1181 mol/ha/jr; 107-165% van de KDW), relatief goed van kwaliteit. Deze hoge achtergronddeposities zorgen er ter plaatse wel voor dat het habitattype sneller dichtgroeit dan onder lagere stikstofbelastingen.

Een eenmalige depositie van maximaal 3,14 mol/ha/jr bedraagt 0,13 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie of woekering door Grijs kronkelsteeltje. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie tijdens de bouwfase van maximaal 3,14 mol/ha/jr op Zandverstuivingen leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Zandverstuivingen. Als gevolg van het extern salderen leidt het gebruik van de rotonde niet tot een toename van de depositie op het habitattype. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 37/75

7.3.3 DROGE HEIDEN In tabel 7.5 wordt het effect van het project op droge heiden samengevat weergegeven. Tabel 7.5. habitattype droge heiden

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING DROGE HEIDEN

Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype

LEEFGEBIED VOOR

Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit, grauwe klauwier

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NACHTZWALUW

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN BOOMLEEUWERIK

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ROODBORSTTAPUIT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN GRAUWE KLAUWIER

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.071

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

264,5

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

264,5

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

8,40

OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR

2,35

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,23

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.360

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.346

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 38/75

Figuur 7.6. Toename van de depositie op de Droge heiden tijdens de aanleg

Habitattype H4030 - Droge Heide heeft een KDW van 1071 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit Droge heiden komen voor in de hogere delen van het dekzandlandschap, op de stuwwallen en fluvioglaciale vlakten en terrassen waar de watertoevoer alleen bestaat uit infiltratie van neerslag. Verschillen in bodem, vochttoestand, reliëf en beheer leiden tot verschillen in de vegetatie en tot een aanzienlijke variatie in fauna. Daarnaast is ruimtelijke afwisseling met andere vegetaties belangrijk voor de soortenrijkdom, zoals kapvlaktes (voor o.a. boomleeuwerik) en extensief gebruikte akkers. In deelgebied Bergerheide beslaat het habitattype Droge heide grote delen van het heidegebied van de Eckeltse Bergen, de droge koppen rondom het Eendenmeer, grenzend aan de Ceresweg, ten noorden van het Reindersmeer en bij de Wellsche Hut. Kleinere oppervlakten liggen verspreid door het gebied of in mozaïek met de habitattypen Stuifzandheiden en Zandverstuivingen, maar ook als relict opgesloten in bosgebied. Het aanwezige oppervlak bedraagt ongeveer 94 ha. Droge heide heeft in deelgebied Bergerheide plaatselijk te maken met struweelvorming van met name bramen.

Desondanks zijn de met name grotere arealen van redelijke floristische kwaliteit met voldoende dominantie door dwergstruiken in de vorm van struikhei. Stekelbrem komt plaatselijk voor terwijl tormentil plaatselijk algemeen is. De karakteristieke fauna echter, zeker de reptielen als levendbarende hagedis, zandhagedis en gladde slang nemen mogelijk af. Het totale areaal is de laatste tien jaar enigszins toegenomen. In het noordelijke deel is een strook bos gekapt tussen het Quin en de Cokse heide. Hier is bewust alleen het bos gekapt dat op het rivierduin ligt (deels op zuidhelling). Dit is gunstig voor het microklimaat (vanwege de schaduwprojectie van het gekapte bos) en biedt meer potenties voor het habitattype.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 39/75

Beheer De kwaliteit van dit habitattype wordt gestuurd door bodem- en vegetatiesuccessie. Door menselijk gebruik is dit habitattype ontstaan en in stand gehouden. Natuurlijke successie van heide treedt via vergrassing op naar struwelen en bos. Om het habitattype droge heide in stand te houden is altijd beheer nodig, ook wanneer de KDW niet wordt overschreden. Aanvoer van nutriënten versnelt de successie echter, wat een intensiever beheer noodzakelijk maakt om de extra nutriënten weer af te voeren. Dit habitattype komt voor op de hogere, droge zandgronden met hangwaterprofiel en is dus grondwateronafhankelijk. Hierdoor is toevoer van nutriënten via de lucht bepalend; aanvoer van nutriënten via het grondwater speelt geen rol. In deelgebied Bergerheide zet de gemeente Bergen een gescheperde schaapskudde in voor het begrazingsbeheer op de heideterreinen met Stuifzandheiden en Droge heide. Het echter gebleken dat het habitattype op delen sterk is veranderd sinds het moment van kartering. Delen van de op de kartering aangegeven H4030 Droge heide kunnen door successie naar bos, veroorzaakt door geen of (te) beperkt beheer en een overmaat aan stikstof, niet meer als zodanig gekwalificeerd kunnen worden. De droge heide is zodanig begroeid met pijpenstrootje, braam en/of bomen (met name berk en grove den) dat het habitattype niet meer herkenbaar aanwezig is.

Op andere locaties is wel te zien dat met adequaat beheer een relatief goede habitatkwaliteit is te bereiken/behouden bij gelijke omstandigheden (o.a. de achtergronddepositie). Toch is ook hier te zien dat het gebied te lijden heeft onder de hoge achtergronddepositie. Er zijn duidelijk indicatoren van vermesting en verzuring in de vegetatie zichtbaar, zoals lokale vergrassing en opslag van grove den. De snelheid waarmee de successie plaatsvindt, is onnatuurlijk snel door de hoeveelheid stikstof in de achtergronddepositie. Knelpunten De bodems van droge heiden hebben van nature een zuur karakter. Veel korstmossen zijn echter gevoelig voor de directe effecten van stikstofdepositie uit de atmosfeer. De effecten van stikstofdepositie uiten zich vooral op een tweetal ecologische processen, vermesting en verzuring. Afhankelijk van het habitattype waarop de overmatige depositie betrekking heeft zal een of beide van deze processen een negatieve invloed uitoefenen op de ontwikkeling van dit habitattype. Voor het habitattype Droge heide geldt dat beide processen invloed hebben, waarbij vermesting weliswaar een grotere impact heeft. Ondanks dat onder invloed van stikstofdepositie deze bodems verder verzuurd zijn, wil dit niet zeggen dat daarmee het habitattype verdwijnt.

Wel kunnen vegetaties verdwijnen en typische soorten achteruitgaan, die medebepalend kunnen zijn voor een goede kwaliteit van het habitattype. Ook kan het leiden tot bevoordeling van het pijpenstrootje. De hoge stikstofdepositie en de bijbehorende overschrijding van de KDW veroorzaken vermesting van het habitattype. Hierdoor hebben grassoorten, op de heide is dat met name pijpenstrootje, een concurrentievoordeel. Hoewel pijpenstrootje een soort is die thuishoort in het habitattype droge heide, is dominantie van deze soort een teken van slechte kwaliteit. Eutrofiering geeft grassen een concurrentievoordeel ten opzichte van droge heide. De dominantie van pijpenstrootje kan worden onderdrukt door gericht heidebeheer (begrazing is een succesvolle methode), maar ook plaggen kan effectief zijn. Grote delen van het habitattype Droge heide hebben te lijden onder effecten veroorzaakt door de grootschalige plagmethodes die in het verleden zijn toegepast. Plaggen van oude heide om verjonging te stimuleren ging doorgaans vergezeld met het afvoeren van de strooisellaag. Hierdoor werd echter niet alleen de biomassa afgevoerd, maar feitelijk ook het kiembed voor de jonge vegetatie. Op de kale grond blijkt de heide zich niet goed te ontwikkelen in tegenstelling tot de jonge berken (en in mindere mate grove dennen).

Het laten liggen van de strooisellaag en deze langzaam te laten mineraliseren kan een betere uitgangspositie vormen voor de ontwikkeling van nieuwe heidevegetaties, al ligt overdadige bramengroei ook op de loer. Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van rotonde Well op het overbelaste deel van het habitattype H4030 - Droge Heide is maximaal 0,23 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,02% van de KDW.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 40/75

Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verruiging van de heide tegengegaan middels regulier beheer, onder meer in de vorm van begrazing door schapen en verwijderen van opslag. Met dit beheer wordt ernaar gestreefd de kwaliteit en oppervlak van het habitattype te behouden. De mate waarin de effecten door overbelasting door stikstof zichtbaar worden, wordt sterk bepaald door het gevoerde beheer. De extra depositie ten gevolge van de aanleg van de rotonde leidt -theoretisch- tot een verzwaring van het beheer. Er moet immers eenmalig iets meer stikstof uit het systeem worden afgevoerd. De eenmalige toename van de depositie met maximaal 0,23 mol/ha/jaar zal echter niet leiden tot meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten. Hiermee is de extra noodzakelijke beheersinspanning verwaarloosbaar ten opzichte van de huidige beheersinspanning. Conclusies De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,23 mol/ha/jr op Droge Heide leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Droge Heide. Negatieve effecten zijn uit te sluiten. Het gebruik van de rotonde leidt, als gevolg van het extern salderen, niet tot een toename van de depositie op dit habitattype.

7.3.4 STUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI In tabel 7.6 wordt het effect van het project op stuifzandheiden met struikhei samengevat weergegeven. Tabel 7.6. Habitattype stuifzandheiden met struikhei

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING STUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI

Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype

LEEFGEBIED VOOR

Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit, grauwe klauwier

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NACHTZWALUW

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN BOOMLEEUWERIK

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ROODBORSTTAPUIT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN GRAUWE KLAUWIER

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.071

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

23,9

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

23,9

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

1,20

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,03

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.288

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.842

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 41/75

Figuur 7.7. Toename van de depositie op de Stuifzandheiden met struikhei tijdens de aanleg

Habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei heeft een KDW van 1.071 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit De habitattypen stuifzandheiden (H2310) en zandverstuivingen (H2330) komen naast elkaar voor, niet zo gek als je bedenkt dat stuifzandheide een volgende fase in de successie is na zandverstuivingen. Het sturende landschapsecologische proces voor dit habitattype is de ontwikkeling van struikhei. In actieve stuifzandgebieden kan struikhei zich ontwikkelen op plekken van het stuifzand, meestal in uitgestoven laagten waar het zand tot rust is gekomen of in stuifzandheide waar bijvoorbeeld door plaggen een nieuwe uitgangssituatie is gemaakt. Op kale zandige plekken (habitattype zandverstuivingen H2330) kan struikhei zich vestigen en uitgroeien. Het duurt twee tot drie jaar voordat de planten beginnen te bloeien. Droge heide is een typisch landschapselement van de hogere zandgronden waar sinds de Middeleeuwen door houtkap, branden en begrazing het bos is verdwenen. In de periode 1850-1950 is het oppervlak aan droge heide door ontginningen met meer dan 95% afgenomen. Sinds 1960 wordt de heide niet meer ontgonnen.

Echter door verhoogde atmosferische depositie en het wegvallen van de traditionele gebruiksvormen zijn veel droge heiden vergrast en/of verbost. Deelgebied Putjesberg beslaat een deel van het habitattype Stuifzandheiden, namelijk een totaal van ruim 13,5ha. Het gebied ligt ingeklemd tussen bospercelen. Het habitattype komt ook voor ten westen van Well, Bosserheide. Doordat het deelgebied Putjesberg ingeklemd ligt tussen bospercelen zijn in het gebied eveneens dennen, berken en eiken aanwezig. Verbossing en dus afname van de kwaliteit en het oppervlak is dan ook aan de orde indien geen beheermaatregelen periodiek worden uitgevoerd. Andere delen van Stuifzandheiden kennen ook een slechte staat van instandhouding. Hier is eveneens grotendeels de stikstofdepositie debet aan.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 42/75

De afgelopen jaren is het verspreidingsgebied van het habitattype verbetert door het uitvoeren van gerichte herstelmaatregelen. Het gaat daarbij om maatregelen zoals inzet van extra begrazing, kleinschalig plaggen, tegengaan verbossing en opbrengen van steenmeel. Door de dominantie van ongewenste soorten en om de vegetatiestructuur te verbeteren zijn deze maatregelen getroffen. Beheer Het beheer is gebaseerd op het tegengaan van negatieve effecten als gevolg van verzuring en vermesting. Echter, als gevolg van het achterwege blijven van de gewenste effecten is het nodig om een aanvullend beheer uit te voeren. Om het dichtgroeien van de heide door grassen en/of bomen tegen te gaan wordt op zeer lokale schaal kleine stukjes geplagd of bewerkt met een lichte cultivator of eg om de versnelde successie in het habitattype Zandverstuivingen terug te zetten. Ook wordt steenmeel opgebracht om de basenverzadiging in de bodem te herstellen, de versnelde successie te vertragen en de mozaïekstructuur te versterken. De geleidelijke vermindering van de vermestende neerslag biedt, mits gevolgd door herstelmaatregelen, perspectieven voor duurzaam herstel. Recent is een aantal instandhoudingsmaatregelen uitgevoerd. Door middel van een extra begrazingsronde bovenop het reguliere beheer wordt opkomende struweelvorming en overmatige vergrassing binnen het habitattype voorkomen.

Daarnaast wordt extra inzet gepleegd om opslag van berken en grove dennen te verwijderen. Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring, vermesting, onvoldoende dynamiek en de hieraan gerelateerde vergrassing en verbossing. Grassen en boomscheuten ontwikkelen zich beter onder een hoger stikstofaanbod dan de kenmerkende stuifzandheiden die van nature langzamer groeien. De bodems van stuifzandheiden hebben van nature een zuur karakter. Echter door de hoge depositie is deze verwering op een onnatuurlijke wijze versneld en heeft dit in het gebieden geresulteerd in een bodem waarin door het gebrek aan deze mineralen er geen verwering meer mogelijk is. Er wordt de komende 15 jaar wel een daling van de achtergronddepositie verwacht, maar er zal ook dan nog sprake zijn van een overschrijding. Niet onbelangrijk is dat de overschrijding van de KDW voor de habitattypen al decennia lang aan de gang is. Hierdoor hebben de habitattypen al lang te lijden onder de stikstofdepositie. De achteruitgang in met name kwaliteit is daarom ook niet zo maar binnen enkele jaren weer te herstellen, maar vraagt om een lange adem. Het habitattype Stuifzandheiden heeft te leiden van hun gefragmenteerde voorkomen. Als gevolg van de stikstofdepositie en ontbreken van winddynamiek worden de arealen steeds kleiner. Relicten worden vaak omgeven door oprukkende bosgebieden.

Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype stuifzandheiden is maximaal 0,03 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,003% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt vastlegging van stuifzandheiden tegengegaan middels regulier beheer, onder meer door weghalen van jonge aanwas van bomen, begrazing en afplaggen van humeuze bodem. De mate van effecten door overbelasting door stikstof wordt in grote mate bepaald door dit gevoerde beheer. Een eenmalige depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr bedraagt 0,002 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie of extra verbossing of vergrassing van de stuifzandheiden. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 43/75

Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op stuifzandheiden leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van stuifzandheiden. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

7.3.5 ZUUR VEN In tabel 7.7 wordt het effect van het project op het zuur ven samengevat weergegeven. Tabel 7.7. Leefgebied zuur ven

LEEFGEBIED VOOR

Dodaars, geoorde fuut, drijvende waterweegbree

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN DODAARS

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING GOORDE FUUT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING DRIJVEND WATERWEEGBREE

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.214

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED [HA]

9,2

TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST

1,9

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

7,3

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

0,09

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,03

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.413

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.299

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 44/75

Figuur 7.8. Toename van de depositie op Zure vennen tijdens de aanleg

De typen ‘Zure ven’ betreft geen Habitattype, maar vormt het leefgebied dat is gekoppeld aan de dodaars en geoorde fuut. Het knelpunt van stikstofdepositie levert voor beide soorten problemen op zowel in het foerageer- als broedhabitat. In de rapportage vna de herstelstrategie Zure ven is het volgende beschreven: Voor de genoemde VR-soorten is het gehele leefgebied Zuur ven relevant met betrekking tot zowel de voedselvoorziening als als voortplantingsgebied. Effecten van verhoogde N-depositie zijn denkbaar op broedlokaties in de oeverzone, namelijk door opslag van berk, waaronder deze soorten niet broeden, en de daarmee gepaard gaande toename van beschaduwing van en bladinval in zeggenbegroeiingen, die daardoor ongeschikt raken als broedgelegenheid (proces 2: afname nestgelegenheid). Zure vennen zijn minder gevoelig voor verzuring, omdat ze reeds zuur zijn. Een zeer hoge stikstofdepositie kan wel zorgen voor het nog lager worden van de pH, maar er zijn geen aanwijzingen dat dit leidt tot een zodanig effect op de voedselvoorziening van beide vogelsoorten dat populaties van deze soorten daardoor zouden kunnen afnemen. Habitattype H3160 Zure vennen heeft een KDW van 1214 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld.

Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype Zure Vennen is maximaal 0,03 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,002% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verdere verzuring en vermesting van Zure Vennen tegengegaan middels regulier beheer, onder meer door het ven uit te baggeren, weghalen opslag rondom de vennen en de oevers te ontdoen van overtollig slib. De mate van effecten door overbelasting door stikstof wordt in grote mate bepaald door dit gevoerde beheer. Een eenmalige depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr bedraagt 0,001 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de verzuring en vermesting van de Zure Vennen. Deze leidt hiermee ook

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 45/75

niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op Zure vennen leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Zure Vennen. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

7.3.6 HOOGVEENBOSSEN In tabel 7.8 wordt het effect van het project op hoogveenbossen samengevat weergegeven. Tabel 7.8. Habitattype hoogveenbossen

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING HOOGVEENBOSSEN

Behoud omvang en uitbreiding kwaliteit habitattype

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.786

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

30,0

TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST

21,4

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

8,6

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

3,78

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,03

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.462

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.339

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 46/75

Figuur 7.9. Toename van de depositie op Hoogveenbossen tijdens de aanleg

Habitattype H2330 Hoogveenbossen heeft een KDW van 1786 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een behouddoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit Het habitattype omvat relatief laagblijvende vochtige bossen met een dominantie van Zachte berk in de boomlaag en een ondergroei bestaande uit veenmossen. Hoogveenbossen komen voor op voedselarme, natte, zure venige bodem. De grondwaterstanden staan in winter en voorjaar rond maaiveld, en zakken in de zomer idealiter niet verder weg dan enkele decimeters (optimaal bij GLG < 40 cm onder maaiveld). Voeding vindt voornamelijk plaats door regenwater. Door de beperkte aanvoer van voedingsstoffen en de geringe afbraak van organisch materiaal is de voedselrijkdom van nature zeer gering. Hoogveenbossen komen in de Maasduinen voor op natte beboste delen in heiden en in mozaïek met elzenbroekbossen. Ze staan doorgaans onder invloed van regenwater, of voor bossen in het laagveenstadium, onder invloed van lokale kwel. Beheer Het beheer van het habitattype bestaat vooral uit niets doen. Het overige beheer bestaat uit aanvullende PASmaatregelen gericht op het tegengaan van verdroging. Het betref eenmalige maatregelen voor hydrologisch herstel van het gebied, zoals het aanleggen van stuwen buiten het gebied door waterschap Limburg.

Knelpunten Waarschijnlijk zijn hoogveenbossen zeer gevoelig voor stikstofdepositie in verband met vermesting. Bij hoge depositieniveaus wordt de resterende stikstof niet meer door het veenmospakket opgenomen en komt dan beschikbaar voor hogere planten. Hierdoor neemt de groei van bomen en grassen toe, zoals berken (althans in combinatie met de hoge fosfaatconcentraties in Nederlandse hoogvenen) en pijpenstrootje. De sterke beschaduwing die hiervan het gevolg is, is waarschijnlijk nadelig voor veel soorten in de ondergroei, waardoor de kwaliteit van het habitattype afneemt

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 47/75

De hoogveenbossen maken feitelijk onderdeel uit van natte laagten met vochtige heiden en vennen in de vorm van Berkenbroek met Zachte berk. Hierdoor zijn ze ook erg gevoelig voor verdroging, wat leidt tot een afname aan veenmosvegetaties. Als gevolg van verdroging treedt versterkte mineralisatie op van het veenpakket en dus een toename van de voedselrijkdom. Dit heeft dezelfde gevolgen als stikstofdepositie: versterkte boomgroei in een bostype dat van nature een ijl karakter zou moeten hebben en daarnaast verruiging van de ondergroei met vooral pijpenstrootje, waardoor de soortenrijkdom van de ondergroei afneemt. De effecten van stikstofdepositie en verdroging kunnen zichzelf en elkaar versterken, doordat de toename van berken en pijpenstrootje door depositie en verdroging zorgt voor een toename van de verdamping, waardoor de verdroging verder toeneemt. Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype Hoogveenbossen is maximaal 0,03 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,002% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verdere verzuring en vermesting van Hoogveenbossen tegengegaan middels regulier beheer, onder meer door het ven uit te baggeren, weghalen opslag rondom de vennen en de oevers te ontdoen van overtollig slib.

De mate van effecten door overbelasting door stikstof wordt in grote mate bepaald door dit gevoerde beheer. Een eenmalige depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr bedraagt 0,001 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie of woekering door Grijs kronkelsteeltje. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op Hoogveenbossen leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Hoogveenbossen. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

7.3.7 OUDE EIKENBOSSEN In tabel 7.9 wordt het effect van het project op oude eikenbossen samengevat weergegeven. Tabel 7.9. Habitattype oude eikenbossen

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING OUDE EIKENBOSSEN

Behoud omvang en kwaliteit habitattype

LEEFGEBIED VOOR

Zwarte specht, nachtzwaluw

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING VOOR ZWARTE SPECHT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN VOOR NACHTZWALUW

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.071

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

4,3

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

4,3

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 48/75

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

0,53

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,03

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.139

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.250

Figuur 7.10. Toename van de depositie op de Oude eikenbossen tijdens de aanleg

Habitattype H9190 Oude Eikenbossen heeft een KDW van 1071 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een behouddoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit Het habitattype betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel. De bodem wordt enkel gevoed door regenwater, waardoor uitspoeling van mineralen naar de diepere ondergrond optreedt. In de boomlaag van H9190 Oude eikenbossen domineren zomereiken en ruwe berk. De ondergroei is door de arme bodem doorgaans soortenarm en bestaat vooral uit zuurminnende dwergstruiken, grassen, mossen en paddenstoelen. De mantel-en zoomgemeenschappen van dit bostype zijn van wezenlijk belang voor de soortensamenstelling van het habitattype. Het habitattype is in het algemeen ontstaan in het heide-en stuifzandlandschap. Zij onderscheiden zich daarmee van de bossen op de wat rijkere zandgronden (habitattype H9120 Beukeneikenbossen met hulst), die overigens ook oud zijn en een boomlaag van eiken kunnen hebben. (Ministerie van LNV, 2008)

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 49/75

Voor dit habitattype speelt de waterhuishouding geen belangrijke rol. Dit bostype is van nature stikstof gelimiteerd. Een verhoogde instroom van stikstof zorgt aanvankelijk voor een verhoogde productie van het bosecosysteem (zowel bomen als ondergroei). Hierdoor neemt de soortenrijkdom en bedekking in vaatplanten af. Het effect van de stikstofdepositie op de H9190 Oude eikenbossen is complex. De dominante en veelal enige boomsoort van dit bostype (Zomereik) heeft een hoge zuurtolerantie, echter verdergaande verzuring leidt ook tot versnelde uitspoeling van basen en daarmee tot vermindering van de vitaliteit van de bomen. Aangezien de groeiplaats van dit habitattype in ons land zeer voedselarm en relatief slecht gebufferd is, is het aannemelijk dat het netto-effect (zeer) negatief zal zijn. Beheer Het bos kan zich via beheer sterker ontwikkelen richting structuurrijke bossen. Met het gevoerde bosbeheer is het bos goed te behouden. Een verbetering in soortenrijdom in planten blijft echter achter, stikstof is hierbij sturend en beheermaatregelen volstaan niet om de negatieve effecten door overmaat aan stikstof volledig te voorkomen. Knelpunten Zoals de meeste bostypen in Nederland van nature stikstofgelimiteerd. Een verhoogde instroom van stikstof zorgt aanvankelijk voor een verhoogde productie van het oude eikenbosecosysteem (zowel bomen als ondergroei).

Hierdoor nemen typische soorten vaatplanten af in bedekking. Vermesting heeft een direct effect op aanwezige korstmossen en levert vooral voor de korstmosrijke variant van dit bostype een probleem op. Daarnaast heeft stikstof een versterkend effect op de verzuring van de bodem. De dominante en veelal enige boomsoort van dit bostype (Zomereik) heeft een hoge zuurtolerantie. Verzuring leidt echter ook tot versnelde uitspoeling van basen en daarmee tot vermindering van de vitaliteit van de bomen. Verder treedt er in dit system van nature accumulatie van strooisel op, doordat eik slecht verteerbaar blad heeft. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) gehaald kunnen worden. Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype H9091 Oude Eikenbossen is maximaal 0,03 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,003% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verdere verzuring en vermesting van H9091 Oude Eikenbossen tegengegaan middels het niets doen beheer verder vergroot in het gebied. Echter de eenmalige depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr bedraagt 0,001 % van de achtergronddepositie ter plaatse.

Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie of woekering door korstmossen. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op H9091 Oude Eikenbossen leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van H9091 Oude Eikenbossen. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 50/75

7.3.8 VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN (BEEKBEGELEIDENDE BOSSEN) In tabel 7.10 wordt het effect van het project op vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) samengevat weergegeven. Tabel 7.10. Habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING OUDE VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN (BEEKBEGELEIDENDE BOSSEN)

Behoud omvang en kwaliteit habitattype

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.857

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

33,5

TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST

11,0

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

22,5

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

1,20

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,03

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.744

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.123

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 51/75

Figuur 7.11. Toename van de depositie op de Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) tijdens de aanleg

Habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen heeft een KDW van 1857 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) komt vooral voor in beekdalen en laag gelegen delen van de hogere zandgronden, op plekken die onder invloed staan van overstromend beekwater en/of gevoed worden door grondwater dat afkomstig is van aangrenzende hoger gelegen gebieden. Door voeding met oppervlaktewater en grondwater zijn de standplaatsen relatief rijk aan basen en nutriënten. Op de natste, meestal venige standplaatsen komen elzenbroekbossen voor die behoren tot het elzenzegge-elzenbroek. De grondwaterstanden liggen hier in het voorjaar rond het maaiveld en zakken in de zomer hooguit ondiep weg. Op de laagste plekken kan het water een groot deel van het jaar boven het maaiveld staan. In goed ontwikkelde vormen van het elzenbroekbos zakt de grondwaterstand niet verder weg dan ca 60 centimeter. De staat van instandhouding van de Vochtige alluviale bossen is slecht als gevolg van verruiging van de kruidlaag en verdroging. Beheer Het beheer van de bossen bestaat vooral uit niets doen Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor vochtige alluviale beekbegeleidende bossen zijn verdroging en eutrofiering.

Stikstofdepositie leidt in vochtige alluviale bossen tot verzuring, vermesting en dominantie van snelgroeiende soorten. Beekbegeleidende bossen zijn met name bij hoge depositieniveaus gevoelig voor stikstof, in combinatie met verdroging. Daarbij wordt een link gelegd met het vrijkomen (door mineralisatie van organische stof) van grote hoeveelheden stikstof en fosfor, wat onder andere leidt tot sterke toename van brandnetels. Het voorgenomen project staat er niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en verbetering kwaliteit) gehaald kunnen worden.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 52/75

Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) is maximaal 0,03 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,002% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verdere verzuring en vermesting van H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) tegengegaan middels het niets doen beheer verder vergroot in het gebied. Echter de eenmalige depositie van maximaal 0,03mol/ha/jr bedraagt 0,001 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op H91E0C vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Zandverstuivingen. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

7.3.9 ZURE VENNEN In tabel 7.11 wordt het effect van het project op zure vennen samengevat weergegeven. Tabel 7.11. Habitattype zure vennen

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING ZURE VENNEN

Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype

LEEFGEBIED VOOR

Dodaard, geoorde fuut, grauwe klauwier, drijvende waterweegbree

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING DODAARD

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING GEOORDE FUUT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING GRAUWW KLAUWIER

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING DRIJVENDE WATERWEEGBREE

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

714

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

19,8

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

19,8

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

0,29

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,02

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.360

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.700

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 53/75

Figuur 7.12. Toename van de depositie op de Zure vennen tijdens de aanleg

Habitattype H3160 Zure vennen heeft een KDW van 714 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit Zure vennen omvat natuurlijke poelen en meren met zuur water en veenmodder op de bodem. In ons land betreft het zo goed als uitsluitend door regenwater gevoede heidevennen en vennen in de randzone van hoogveengebieden. Daarbij gaat het zowel om de openwaterbegroeiingen als om jonge verlandingsstadia, drijvend of op de oever. Het water van deze poelen en meren is van nature zeer voedselarm (dystroof) en kan door humuszuren bruin gekleurd zijn. In de randzones van deze poelen kunnen ijle begroeiingen van wat hogere schijngrassen zoals snavel- en draadzegge of veenpluis het aanzien bepalen. Als gevolg van de stikstofdepositie vormen vermesting en verzuring de belangrijke bedreigingen. Het verwijderen van opslag zorgt voor een afvoer van stikstof, maar ook voor het tegengaan van ongewilde schaduwwerking door bomen en het reduceren van areaalverlies in geval de opslag dominant wordt. Ook de inzet van extra begrazing draagt bij aan het wegnemen van negatieve effecten als gevolg van de hoge stikstof-depositie. Op kleine schaal zorgt plaggen voor het terugzetten van de versnelde successie.

Het vrijzetten van venoevers, al dan niet met bekalken ter verbetering van de bodemomstandigheden, neemt schaduwwerking van de bomen weg en zorgt voor minder bladinval waardoor de waterhuishouding van de vennen verbetert. Het invangen van stikstof door bomen vormt een groot probleem rondom de vennen. Hierdoor wordt versnelde verlanding en daarmee areaalverlies tegen gegaan. De laatste decennia heeft daarnaast een verandering plaatsgevonden. Enkele vennen in de Maasduinen, waaronder ook kwalificerende vennen, ondervinden kwaliteitsproblemen als gevolg van dominantie van invasieve exoten. Met

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 54/75

name Watercrassula (Crassula helmsii) komt lokaal voor. De effecten hiervan zijn nog niet erg groot, maar bestrijding van deze plant is wel noodzakelijk om uitbreiding en daarmee grotere negatieve effecten te voorkomen. Beheer Het beheer is gericht op het tegengaan van verdroging en eutrofiëring. Maatregelen voor hydrologisch herstel van de vennen bestaan uit het dempen van interne waterlopen en greppels, aanleg van stuwen en aanvullend het invoeren van peilgestuurde drainage. Hier zijn gebiedsgerichte maatregelen in opgenomen die zorgen voor waterconservering in het gebied. Daarnaast zijn enkele vennen bekalkt op de hogere randen van (clusters van) habitattypen. Dee maatregelen is getroffen om een buffering te realiseren tegen verdergaande verzuring. Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring, vermesting en verdroging. Ook struik- en boomvorming in de oevers is een knelpunt. Oorspronkelijk is de biomassa-productie van het habitattype Zure vennen zeer gering. Het organische materiaal hoopt zich nauwelijks op en de successie verloopt zeer langzaam. De hoge atmosferische stikstofdepositie leidt tot een verrijking van de vennen met ammonium en/of nitraat. Vermesting leidt tot verruiging en betere groeiomstandigheden voor voedselminnende plantensoorten. Het gevolg is een ophoping van organisch materiaal.

Lokaal kan een ophoping van organisch materiaal, bijvoorbeeld in de vorm van slib op de venbodem lijden tot het verdwijnen van kenmerkende vegetaties. Vanwege de geringe buffering van deze vennen kan depositie indirect en direct leiden tot verzuring. In de sterk verzuurde wateren (pH beneden 4,5) zullen de zachte waterplanten verdwijnen ten gunste meer zuurtolerante soorten zoals knolrus en sikkelmos. Op den duur zullen alle waterplanten verdwijnen. Bomen en struiken rondom vennen vangen daarnaast extra atmosferisch stikstof in. Daarnaast leidt de slechte hydrologische situatie tot periodieke droogte met als gevolg een afname aan karakteristieke soorten en dominantie van de exoten Watercrassula en Schijngenadekruid. Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype Zure Vennen is maximaal 0,02 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,003% van de KDW. Omdat de achtergronddepositie al hoger is dan de KDW, wordt verdere verzuring en vermesting van Zure Vennen tegengegaan middels regulier beheer, onder meer door het ven uit te baggeren, weghalen opslag rondom de vennen en de oevers te ontdoen van overtollig slib. De mate van effecten door overbelasting door stikstof wordt in grote mate bepaald door dit gevoerde beheer.

Een eenmalige depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr bedraagt 0,002% van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de verzuring en vermesting van de Zure Vennen. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr op Zure vennen leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van Zure Vennen. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

7.3.10 VOCHTIGE HEIDEN (HOGERE ZANDGRONDEN) In tabel 7.12 wordt het effect van het project op vochtige heiden (hogere zandgronden) samengevat weergegeven.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 55/75

Tabel 7.12. Habitattype vochtige heiden (hogere zandgronden)

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING VOCHTIGE HEIDEN Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype (HOGERE ZANDGRONDEN) LEEFGEBIED VOOR

Nachtzwaluw, roodborsttapuit, grauwe klauwier

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING NACHTZWALUW

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING ROODBORSTTAPUIT

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING GRAUWE KLAUWIER

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.214

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]

59,4

TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST

10,6

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

48,8

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

3,84

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

0,02

LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

1.360

HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]

2.098

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 56/75

Figuur 7.13. Toename van de depositie op de Vochtige heiden (hogere zandgronden) tijdens de aanleg

Habitattype H4010A Vochtige heiden heeft een KDW van 1214 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit Natte heide komt in het algemeen voor in een zone rondom vennen en veentjes op schijngrondwaterspiegels in de vlakkere delen van het gebied. In de Maasduinen zijn vennen en veentjes veelal ingesloten tussen hoog opgestoven duinen waar over korte afstanden grote hoogteverschillen zijn. Hierdoor ontbreekt een zone van vochtige heide op veel plaatsen. Het grootste areaal van het habitattype Vochtige heiden (H4010A) in het Bergerbos ligt in het Quin met een oppervlakte van bijna 2,3ha. Het vormt hier een mozaïek met het habitattype Zure vennen. In het Broedersbos liggen enkele relicten met oppervlakten van bijna 0,5ha en van 0,1ha. Het grotere deel is omgeven door bos, het areaal maakt deel uit van een groter heidecomplex dat vooral bestaat uit het habitattype Droge heiden (H4030). In het bosgebied van Bleijenbeek, ten zuiden van de Duivelskuil, ligt een groter relict. Ook dit heideterrein is omgeven door bos. Veel Vochtige heiden zijn gedegradeerd tot dichte, soortenarme pijpenstrootje-vegetaties. Natte en vochtige heiden hebben vrijwel overal te maken met vermesting en verdroging of sterk schommelende waterstanden.

Soorten die kenmerkend zijn voor het habitattype zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Recent geplagde stroken Vochtige heide ontwikkelen zich goed. Door de hoge atmosferische stikstofdepositie dreigen deze locaties echter weer te degraderen naar soortenarme vegetaties. De verbetering is daarmee van tijdelijke aard. Hierdoor is de staat van instandhouding matig en kwetsbaar. De staat van instandhouding van de Vochtige heide van hogere zandgronden is plaatselijk redelijk goed, terwijl op andere delen de kwaliteit te wensen over laat. Vochtige heide heeft te maken met ontwatering, verzuring en vermesting, maar ook achterstallig onderhoud. Heideterreinen bevinden zich in een tussenstadium van de natuurlijke

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 57/75

successie. Niet ingrijpen in de successie zorgt voor het verdwijnen van het habitattype. Een deel van de Vochtige heiden is goed ontwikkeld, vaak na het uitvoeren van beheermaatregelen. Dopheidevegetaties met Klokjesgentiaan, Blauwe zegge en Kleine zonnedauw worden echter afgewisseld met door Pijpenstrootje sterk vergraste delen. Beheer Voor dit habitattype is het sturende proces de grondwaterstand, de zuurgraad en de voedseltoestand. Vochtige heiden komen voor op plekken waar de grondwaterstand aan of net onder het maaiveld staat en hooguit kortstondig dieper wegzakt. Daarnaast is de nutriëntenbeschikbaarheid een belangrijk sturend proces in de snelheid van de successie. Onder natuurlijke omstandigheden hoopt strooisel zich op en neemt de nutriëntenbeschikbaarheid geleidelijk toe. Het habitattype ontwikkelt zich hierdoor via vergrassing door pijpenstrootje richting struweel en bos. Staatsbosbeheer voert een beheer uit door het verwijderen van opslag van met name berken van de oevers van de vennen. Hierdoor wordt de specifieke oevervegetatie van de vennen vrijgezet van houtopslag ten gunste van habitattypen van vennen en vochtige heiden. Begrazing met Hollandse landgeiten vindt plaats in het Quin om de opslag van berken tegen te gaan. Daarnaast vindt extra begrazing plaats om de effecten van constante overbelasting met stikstof tegen te gaan (PAS-maatregel).

Op de Bergerheide wordt beheer uitgevoerd aan de rand van het Rondven (verwijdering van opslag van berk en wilg). Om versnelde successie terug te zetten worden natte terreinen eens per 6 jaar geplagd (PAS-maatregel). Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn verzuring, vermesting, versnippering en verdroging. Als gevolg van een hoge stikstofdepositie treedt vermesting en verzuring op. Door vermesting ontwikkelt pijpenstrootje sterk, wat ten koste gaat van gewone dopheide en de kwaliteit van het habitattype. De grondwaterstand in de Maasduinen is verlaagd door de zandwinningen en ontwatering binnen het Natura 2000-gebied. Een indirect gevolg van verdroging is dat de mineralisatie van organische stof toeneemt en daarmee meer nutriënten beschikbaar komen voor de vegetatie. Dit versterkt de effecten van vermesting. Verzuring kan er toe leiden dat sommige kenmerkende vegetaties binnen de grenzen van het habitattype in het gedrang komen. Een versnelde successie leidt tot struweelvorming en verbossing. Momenteel bestaat de vochtige heide voor een belangrijk deel uit kleine en versnipperde stukken. De versnippering van heideterreinen kan een probleem zijn voor de overleving van populaties. Dit geldt in het bijzonder voor de flora en fauna van de drogere standplaatsen, maar speelt in mindere mate ook voor de soorten van vochtige heide.

Daarnaast ondervinden kleine heideterreinen meer invloed van naastgelegen bossen. Hierdoor slaan meer bomen op dan gemiddeld in grote heideterreinen en groeien de terreinen snel dicht. Ook zijn de kleine heideterreinen gevoeliger voor ontwatering vanuit de omgeving Beoordeling De eenmalige depositie door de aanleg van de rotonde op het overbelaste deel van de het habitattype H4010A Vochtige heiden is maximaal 0,02 mol/ha/jr. De maximale bijdrage bedraagt hiermee 0,002% van de KDW. Een eenmalige depositie van maximaal 0,02 mol/ha/jr bedraagt 0,001 % van de achtergronddepositie ter plaatse. Deze bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie is dusdanig beperkt en tevens eenmalig, dat deze in geen enkel geval leidt tot een merkbare toename van de versnelde successie of woekering door dominante ongewenste soorten. Deze leidt hiermee ook niet tot een extra beheerinspanning om deze effecten teniet te doen. De eenmalige depositie leidt hiermee niet tot enig effect op het habitattype. Conclusie De geringe en eenmalige toename van de depositie van maximaal 0,02 mol/ha/jr op Habitattype H4010A Vochtige heiden leidt niet tot negatieve effecten op dit habitattype. De aanleg van de rotonde bij Well leidt in de toekomst niet tot een verzwaring van de uitbreidingsopgave voor zowel oppervlak als kwaliteit van H4010A Vochtige heiden. Negatieve effecten zijn uit te sluiten.

SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies

WSP 2 maart 2023 pagina 58/75

7.3.11 KAMGRASWEIDEN & BLOEMRIJK WEIDEVOGELGRASLAND VAN HET ZAND EN VEENGEBIED In tabel 7.13 wordt het effect van het project de kamgrasweiden & bloemrijk weidevogelgrasland van het zand en veengebied samengevat weergegeven. Tabel 7.13. Leefgebied kamgrasweiden & bloemrijk weidevogelgrasland van het zand en veengebied

LEEFGEBIED VOOR

Nachtzwaluw, boomleeuwerik, grauwe klauwier

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NACHTZWALUW

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING BOOMLEEUWERIK Behoud omvang en kwaliteit leefgebied INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING GRAUWE KLAUWIER

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]

1.429

TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED [HA]

49,7

TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST

24,7

TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)

25,0

BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR

0,04

HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12469991/1