slm019725 passendebeoordeling rotondewell v3 definitief bewerkt
Tekst van het document
DUCOT ENGINEERING & ADVIES
PASSENDE BEOORDELING ROTONDE N271 WELL IN HET KADER VAN DE WET NATUURBESCHERMING
2 MAART 2023
WSP NEDERLAND B.V. RINGWADE 41 3439 LM NIEUWEGEIN +31 (0)88 910 20 00
PROJECTNUMMER SLM019725 DOCUMENTNUMMER SLM019725.PB, versie 3
wsp.com
COLOFON RAPPORTHISTORIE 1
10 mei 2022
Oplevering concept
2
12 juli 2022
Opmerkingen verwerkt en bouwfase toegevoegd
3
2 maart 2023
Opmerkingen bevoegd gezag verwerkt en AERIUS berekeningen geactualiseerd
CONTACTGEGEVENS Tom Zeegers +031 (0)612 227 207 tom.zeegers@wsp.com AFBEELDING OMSLAG Boomleeuwerik, foto afkomstig uit het hoofdrapport van het beheerplan Maasduinen
AUTORISATIE PROJECTNUMMER
DOCUMENTNUMMER
VERSIE
STATUS
SLM019725
SLM019725.PB
3
Concept
OPGESTELD DOOR
FUNCTIE
DATUM
T. Zeegers M. Koster
Senior ecoloog Medior ecoloog
10 mei 2022 2 maart 2023
GEVERIFIEERD DOOR
FUNCTIE
DATUM
M. Koster T. Zeegers
Medior ecoloog Senior ecoloog
10 mei 2022 2 maart 2023
GOEDGEKEURD DOOR
FUNCTIE
DATUM
N. Pirovano
Senior adviseur Milieu
2 maart 2023
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
PARAAF
PARAAF
PARAAF
WSP 2 maart 2023 pagina 2/75
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Doel
5
1.2
Kwaliteit
5
2
WETTELIJK KADER
6
2.1
Wet natuurbescherming
6
2.2
Algemene doelstellingen Natura 2000
7
3
PLANGEBIED
8
3.1
Huidige situatie
8
3.2
Planontwikkeling
9
4
BESCHRIJVING NATURA 2000-GEBIED MAASDUINEN
10
4.1
Instandhoudingsdoelstellingen
11
4.2
Habitattypen
12
4.3
Habitatrichtlijnsoorten
13
4.4
Broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling
14
5
INVLOED STORINGSFACTOREN
15
5.1
Selectie storingsfactoren
15
5.2
Storingsfactoren waarvan effecten op voorhand zijn uitgesloten
16
5.3
Effecten van stikstof
18
5.3.1
Aerius berekeningen
18
5.3.2
Kritische depositie waarde
18
5.3.3
Achtergronddepositie
18
5.3.4
Beoordelingsmethodiek
19
5.3.5
buitenlandse Natura 2000-gebieden
19
6
STIKSTOFDEPOSITIE
20
6.1
Gebruiksfase
20
6.1.1
Extern salderen
21
6.2
Bouwfase
25
7
EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE 27
7.1
Berekeningsresultaten
27
7.2
Veldbezoek
28
7.3
Effectbeoordeling
28
7.3.1
Bosbiotopen (Bos van arme zandgronden, Eiken- en Beukenbos van lemige zandgronden)
28
Zandverstuivingen
34
7.3.2
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 3/75
7.3.3
Droge heiden
38
7.3.4
Stuifzandheiden met struikhei
41
7.3.5
Zuur ven
44
7.3.6
Hoogveenbossen
46
7.3.7
Oude eikenbossen
48
7.3.8
vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
51
7.3.9
zure vennen
53
7.3.10 vochtige heiden (hogere zandgronden) 7.3.11
55
Kamgrasweiden & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand en veengebied
59
7.3.12
Pioniervegetaties met snavelbiezen
62
7.4
Cumulatie
65
8
CONCLUSIE
66
LITERATUURLIJST
68
BIJLAGE 1: EFFECTENINDICATOR
69
BIJLAGE 2: UITGANGSPUNTEN BEREKENING STIKSTOFDEPOSITIE
70
BIJLAGE 3: AERIUS GEBRUIKSFASE
73
BIJLAGE 4: AERIUS GEBRUIKSFASE NA SALDERING
74
BIJLAGE 5: AERIUS BOUWFASE NA SALDERING
75
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 4/75
1
INLEIDING
Ter plaatse van de kruising van de Wezerweg met de N271 te Well wordt een nieuwe rotonde aangelegd. Door WSP is, in opdracht van Ducot Engineering & Advies, een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke toename van stikstofdepositie in nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Hierbij is voor de gebruiksfase een vergelijking gemaakt tussen de emissie als gevolg van de bestaande weginfrastructuur en de emissie als gevolg van de toekomstige weginfrastructuur. Uit deze berekening blijkt, dat de wijziging van de weginfrastructuur leidt tot een toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Om de wijziging van de infrastructuur mogelijk te maken, zijn de mogelijkheden voor extern salderen onderzocht. Op basis hiervan zijn afspraken gemaakt met een veehouderijbedrijf dat gelegen is aan de Elsteren 15. Een deel van de vleeskalveren worden opgekocht en gebruikt voor extern salderen. Na het toepassen van deze maatregel blijft op een klein deel van het Natura 200-gebied Maasduinen sprake van een toename van de depositie waardoor significant negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden. Hiertoe is het nodig een passende beoordeling op te stellen en dient onderhavig document. Voor de herinrichting van de N271 is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk, dit is een plan in de zin van de Wet natuurbescherming.
De aanleg en het gebruik van de rotonde is een project in de zin van de Wet natuurbescherming. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 1 kan geen gebruik meer worden gemaakt van de zogenaamde ‘bouwvrijstelling’ als opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en het bijbehorende besluit. Daarom wordt in deze passende beoordeling ingegaan op de optredende effecten tijdens zowel de aanlegfase als het gebruik van de ontwikkeling voor het plan en het project.
1.1
DOEL
Doel van de passende beoordeling is het geven van een ecologische onderbouwing waarin wordt beoordeeld of de toename van de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en het gebruik van de rotonde, in cumulatie met andere projecten, leidt tot significante effecten op habitattypen of leefgebieden van soorten. De onderbouwing is gebiedsspecifiek en gericht op de lokale omstandigheden.
1.2
KWALITEIT
WSP Nederland is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland, ingezet voor ecologische onderzoeken, zijn allen VCA gecertificeerd. WSP Nederland is actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Dit betekent dat medewerkers van WSP Nederland zich conformeren aan gedragscodes uitgevaardigd door het NGB. Rapporten voldoen aan de richtlijnen en standaarden die zijn opgesteld door het NGB.
1
Den Haag, Raad van State d.d. 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 5/75
2 WETTELIJK KADER 2.1
WET NATUURBESCHERMING
De Wet natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Europese Natura 2000-gebieden en planten- en diersoorten. De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. In de wet is hiervoor een beoordelingssysteem opgenomen waarin voorafgaand aan een plan of project de mogelijk schadelijke handelingen worden getoetst. Hieraan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. In beginsel treedt de Provincie Limburg, waarin de ingreep plaatsvindt, op als bevoegd gezag ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Bij ontwikkelingen binnen de door de Wnb beschermde gebieden, kunnen negatieve effecten optreden. Ook kunnen effecten optreden wanneer een ontwikkeling in de omgeving van een beschermd gebied plaatsvindt en het gebied daarbij beïnvloedt (externe werking).
Daarnaast is het ook mogelijk dat gebieden, die een belangrijke relatie hebben met een beschermd gebied, beïnvloed worden en zo een indirect effect hebben op het beschermde gebied. Een plan dat niet direct verband houdt of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied of een vergunning voor het realiseren van een project mag pas vastgesteld respectievelijk verleend worden, indien - gelet op de instandhoudingsdoelstelling – de zekerheid is verkregen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Voor zowel het vaststellen van het plan als het verlenen van de vergunning is dan een habitattoets nodig. De eerste stap betreft de oriëntatiefase waarin sprake is van een voortoets. Centraal staat dan de vraag of er een kans op een significant negatief effect is. Indien dergelijke effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dan dient een Passende beoordeling opgesteld te worden, waarin de effecten op Natura 2000-gebied worden onderzocht.
Indien uit deze beoordeling blijkt dat ook na het treffen van mitigerende maatregelen daadwerkelijk sprake is van een significant negatief effect, dan dient om voor vergunningverlening in aanmerking te komen vervolgens voldaan te worden aan de zogenaamde ADC-criteria: • er zijn geen Alternatieven; • er is sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang; • vooraf zijn adequate Compenserende maatregelen getroffen. De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Verder dienen in een passende beoordeling ook eventuele cumulatieve effecten te worden onderzocht, zoals bijvoorbeeld gecombineerde effecten van nieuwe infrastructuur, woongebieden en recreatieve functies op dezelfde soorten en habitats.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 6/75
2.2 ALGEMENE DOELSTELLINGEN NATURA 2000 Voor alle Natura 2000-gebieden zijn algemene doelen geformuleerd die betrekking hebben op behoud van de bijdrage aan de biologische diversiteit en de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie (EU). Deze algemene doelen staan voor behoud en, indien van toepassing, herstel van: 1. De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; 2. De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de EU, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aanwezen; 3. De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 4. De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aanwezen. Vanuit de Europese Unie zijn twee richtlijnen inzake de bescherming van Natura 2000 gebieden opgesteld, de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.
Het doel van de Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand) is de bescherming, het beheer en de regulering van de in de lidstaten voorkomende vogels. De bescherming van soorten en de aanwijzing van beschermde gebieden voor specifieke soorten van Bijlage I en voor trekvogels zijn verwerkt in de Wet natuurbescherming.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 7/75
3 PLANGEBIED 3.1
HUIDIGE SITUATIE
Het plangebied bevindt zich aan de Moleneind te Well in de provincie Limburg en betreft grotendeels de provinciale weg N271 (zie figuur 3.1). De andere delen van het plangebied liggen aan de Wezerweg, Sterrenbos en Kasteellaan in Well. Het merendeel van het plangebied bestaat uit verhard terrein (parkeerterrein en rijksweg), een kleiner deel bestaat uit bos dat onderdeel uitmaakt van de met hekwerk omheinde tuinen aan de Moleneind 7 en 9. De tuinen van Moleneind 7 en 9 grenzen aan een uitgestrekt bosgebied, dat onderdeel vormt van het Natura 2000gebied Maasduinen.
Figuur 3.1. Locatie van de wijziging (witte gebied) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 8/75
3.2 PLANONTWIKKELING De geplande ontwikkeling betreft de realisatie van een rotonde die de Moleneind, Sterrenbos, Kasteenlaan en Wezerweg met elkaar verbindt. Voor het voornemen moeten ter plaatse van de parkeerplek enkele bomen worden gekapt en mogelijk een zomereik op het centrale gedeelte van het plangebied. Verder zal het bestaande fietspad worden omgelegd en de inrit van Moleneind 9 worden verplaatst. Op basis van een actuele luchtfoto en het schetsontwerp is het geschatte ruimtebeslag ter plaatste van de rotonde circa 15 meter buiten verhard terrein en ter hoogte van het verlengde van de Wezerweg tot circa 5 meter buiten verhard terrein.
Figuur 3.2. Schetsontwerp van de planontwikkeling rotonde Well.
Door de aanleg van de rotonde wordt de weg niet interessanter voor weggebruikers. Het aantal voertuigen op de wegvakken neemt niet toe na aanleg van de rotonde. Er is geen sprake van een uitstralingseffect op het onderliggende wegennet. De gevolgen voor een groter netwerk van wegen is daarom niet beschouwd. Het effect van de gebruiksfase wordt alleen beschouwd voor de wegvakken in de nabijheid van de rotonde. Voor de bouwfase wordt rekening gehouden met het effect van omleidingsroutes.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 9/75
4 BESCHRIJVING NATURA 2000GEBIED MAASDUINEN Het plangebied is gesitueerd aangrenzend aan het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ (zie figuur 4.1).
Figuur 4.1. Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het Natura 2000-gebied Maasduinen.
ALGEMENE GEBIEDSOMSCHRIJVING Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater.
Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 10/75
westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos.
4.1
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN
De algemene doelen en kernopgaven zijn voor Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ nader uitgewerkt in specifieke instandhoudingsdoelstellingen. De Maasduinen is binnen de Natura 2000 aangewezen als zowel Vogel- en Habitatrichtlijn. De instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied zijn weergegeven in de tabellen 4.1 t/m 4.3. Hierbij is tevens per doel aangegeven of het een behouds- of uitbreidingsdoelstelling betreft. De oranje gemarkeerde habitattypen of soorten worden meegenomen in de beoordeling. Tabel 4.1. Vastgestelde Habittattypen Natura 2000-gebied Maasduinen HABITATTYPEN
DOELSTELLINGEN
H2310 STUIFZANDEN MET STRUIKHEI
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H2330 ZANDVERSTUIVINGEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H3130 ZWAK GEBUFFERDE VENNEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H3160 ZURE VENNEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H4010A VOCHTIGE HEIDEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H4030 DROGE HEIDEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H6120 STROOMDALGRASLANDEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H6430A RUIGTEN EN ZOMEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H6430C RUIGTEN EN ZOMEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H7110B ACTIEVE HOOGVENEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
H7150 PIONIERSVEGETATIES MET SNAVELBIEZEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H9120 BEUKEN-EIKENBOSSEN MET HULST
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H9190 OUDE EIKENBOSSEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H91D0 HOOGVEENBOSSEN
Behoud omvang en uitbreiding kwaliteit habitattype
H91E0C VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
H91F0 DROGE HARDHOUTOOIBOSSEN
Behoud omvang en kwaliteit habitattype
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 11/75
Tabel 4.2. Vastgestelde Habitatrichtlijnsoorten Natura 2000-gebied Maasduinen HABITATRICHTLIJNSOORT
DOELSTELLINGEN
H1042 GEVLEKTE WITSNUITLIBEL
Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie
H1149 KLEINE MODDERKRUIPER
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie
H1163 RIVIERDONDERPAD
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie
H1166 KAMSALAMANDER
Uitbreiding omvang en kwaliteit leefgebied en uitbreiding populatie
H1337 BEVER
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie
H1831 DRIJVENDE WATERWEEGBREE
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie
Tabel 4.3. Vastgestelde Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) Natura 2000-gebied Maasduinen VOGELRICHTLIJNSOORT (BROEDVOGELS)
DOELSTELLINGEN
A004 DODAARS
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A008 GEOORDE FUUT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A224 NACHTZWALUW
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A236 ZWARTE SPECHT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A246 BOOMLEEUWERIK
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A249 OEVERZWALUW
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A276 ROODBORSTTAPUIT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A338 GRAUWE KLAUWIER
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
Onderstaand is beschreven welke natuurwaarden aanwezig zijn in en rondom het plangebied. De meeste informatie is vergaard uit het beheerplan Maasduinen. Aanvullend is daar waar nodig gebruik gemaakt van de gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
4.2 HABITATTYPEN Vanwege de grootte is het Natura 2000-gebied Maasduinen in het beheerplan opgenomen in meerdere deelgebieden. Het plangebied bevindt zich exacte op de grens van deelgebied 2 Bergerbos en deelgebied 3 Hamert. Figuur 6.2 en 6.3 geven de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de in de nabij gelegen Habitattypen. Het direct aangrenzende bos heeft geen Habitattype toegekend gekregen. In de directe nabijheid bevinden zich de Habitattypen Zandverstuivingen, Droge Heiden, Stuifzandheide en op kleiner schaalniveau ook Oude eikenbossen, Pioniersvegetaties met snavelbiezen en Zwak gebufferde vennen.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 12/75
Figuur 4.2. Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van verspreiding Habitattypen deelgebied Bergerheide.
Figuur 4.3. Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van verspreiding Habitattypen deelgebied Hamert.
4.3 HABITATRICHTLIJNSOORTEN De gevlekte witsnuitlibel komt verspreid voor in de Maasduinen in heidegebieden met begroeide vennen. Echter is de dichtheid overal laag. Dit is op grotere afstand van het plangebied buiten de invloedssfeer van de meeste externe werking van negatieve effecten, uitgezonderd stikstofdepositie.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 13/75
Bevers kunnen worden aangetroffen in de Eckeltse Beek, het Geldernsch-Nierskanaal en het Reindersmeer. Ook in de aangrenzende waterrijke gebieden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied, zoals Klein Vink/Roobeek en de Dorperheide, hebben Bevers zich gevestigd. De verspreiding van de vissoorten kleine modderkruiper en rivierdonderpad beperkt zich tot de Eckeltse Beek en het Geldernsch-Nierskanaal. Deze oppervlaktewateren bevinden zich allen op grotere afstand van het plangebied en daarmee buiten de invloedssfeer van externe werking van negatieve effecten. Kamsalamanders komen in deelgebied Bergerbos alleen voor in het Rondven op de Bergerheide. De overige waarnemingen zijn afkomstig uit het Lommerbroek, Valkenbergvennen en het Heerenven. Deze oppervlaktewateren bevinden zich allen op grotere afstand van het plangebied en daarmee buiten de invloedssfeer van externe werking van negatieve effecten. De Drijvende waterweegbree is alleen bekend in het meest zuidelijke deelgebied van de Maasduinen. In de deelgebieden Bergerbos en Hamert is het voorkomen van deze soort niet bekend.
4.4 BROEDVOGELSOORTEN MET EEN INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING De dodaars broedt in de Maasduinen op vennen in heidegebieden. Hier zijn de vogels alleen ’s zomers aanwezig. Geoorde futen broeden onregelmatig op de vennen van De Hamert en Bergerheide. Van een duurzame populatie is geen sprake en in sommige jaren ontbreekt de soort als broedvogel. De Nachtzwaluw is een broedvogel van heideterreinen, stuifzanden, kapvlaktes, jonge bosaanplant en brede bospaden van enige omvang op droge zandgronden. Kerngebieden zijn de Bergerheide, Eckeltse Bergen en De Hamert. Zwarte spechten zijn te vinden over de gehele Maasduinen in de grotere boscomplexen en de verspreiding is vrij homogeen. De Boomleeuwerik is een bewoner van kleinschalige gebieden op de hogere zandgronden, in zowel agrarisch als heidegebied. Het talrijkst is de soort in heidegebieden met enige opslag van bomen en variatie in structuur en leeftijd van de heide. Op plekken met stuifzandrelicten worden de randen graag bezet. Boomleeuweriken komen wijdt verspreid over de Maasduinen voor. De Maasduinen behoren tot de kerngebieden van Limburg. Oeverzwaluwen zijn soorten van pioniersituaties. De soort komt van nature voor in eroderende oevers van rivieren, mits van voldoende omvang. In het Natura2000-gebied Maasduinen komt de soort echter als broedvogel niet meer voor.
De Oeverzwaluw heeft binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied nooit natuurlijke leefgebieden kunnen bezetten omdat deze gewoonweg ontbreken. Roodborsttapuiten zijn bewoners van half open, kleinschalige cultuurlandschappen, waaronder de heidevelden. Kerngebieden zijn momenteel De Hamert, de Bergerheide en Gemeenteheide, de buitenrand van de Eckeltse Bergen en het Quin. Er broeden slechts onregelmatig Grauwe klauwieren in de Maasduinen. Locaties waar geregeld Grauwe klauwieren opduiken zijn De Hamert en Bergerheide.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 14/75
5 INVLOED STORINGSFACTOREN In dit hoofdstuk is op basis van de uitgangspunten voor de voorgenomen werkzaamheden bekeken of sprake kan zijn van negatieve effecten op de aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Verschillende elementen van de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot effecten op de aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. De mogelijke effecten van de storingsfactoren, de aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden van de Natura 2000-gebied, zijn hieronder besproken.
5.1
SELECTIE STORINGSFACTOREN
De overheid heeft in de vorm van de effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ een instrument ontwikkeld waarmee mogelijk schadelijke effecten als gevolg van een voornemen kunnen worden verkend (Broekmeyer, 2005 & Aanvulling uit 2008). In de effectenindicator zijn de 19 meest voorkomende storende factoren beschreven. Een soort of habitattype is gevoelig voor een storende factor als ‘in zijn algemeenheid’ het voorkomen van de storende factor leidt tot negatieve effecten op een soort of habitattype. Negatieve effecten kunnen weer de gunstige staat van instandhouding beïnvloeden. De mogelijke effecten van de geselecteerde storingsfactoren, op de door de Wet Natuurbescherming beschermde soorten en habitattypen, zijn hieronder besproken. In bijlage 1 is een uitdraai van de effectenindicator bijgevoegd. Hierbij is als activiteit ‘weg’ geselecteerd, omdat de voorgenomen ontwikkeling hier de meeste raakvlakken mee heeft. Tabel 5.1 geeft inzicht welke storingsfactoren vanuit de effecten naar voorkomen op basis van de geselecteerde activiteit en de relevante instandhoudingsdoelstellingen. De gevoeligheid van de soort wordt in de effectenindicator ingeschaald als zeer gevoelig (rood), gevoelig (oranje) of niet gevoelig (groen).
Voor sommige soorten is onvoldoende literatuur beschikbaar om de gevoeligheid voor een bepaalde storingsfactor te kunnen bepalen. De passende beoordeling richt zich op de potentiële effecten op de meest gevoelige soorten.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 15/75
Tabel 5.1. Storingsfactoren voortkomend uit geselecteerde activiteit ‘weg’ voor het gebied Maasduinen. STORINGSFACTOR
MAASDUINEN
1: OPPERVLAKTE VERLIES
X
2: VERSNIPPERING
X
3: VERZURING
X
4: VERMESTING
X
5: VERZOETING
-
6: VERZILTING
-
7: VERONTREINIGING
X
8: VERDROGING
X
9: VERNATTING
-
10: STROOMSNELHEID
-
11: OVERSTROMINGSFREQUENTIE
-
12: DYNAMIEK SUBSTRAAT
-
13: GELUID
X
14: LICHT
X
15: TRILLINGEN
X
16: OPTISCHE VERSTORING
X
17: MECHANISCHE EFFECTEN
-
18: POPULATIE DYNAMIEK
X
19: SOORTENSAMENSTELLING
-
5.2 STORINGSFACTOREN WAARVAN EFFECTEN OP VOORHAND ZIJN UITGESLOTEN Tijdens eerdere toetsingen kon alleen het effect van stikstof, storingsfactoren 3 en 4, niet op voorhand worden uitgesloten. Dit geldt wel voor de andere storingsfactoren. Van de storingsfactoren die op voorhand uitgesloten konden worden, volgt hieronder een beknopte samenvatting. Daarna gaat de rapportage in op de effecten van storingsfactoren 3 en 4. Oppervlakteverlies Het plangebied ligt grotendeels buiten de Natura 2000. Een klein deel van het momenteel aanwezige fietspad (zuidoostelijke deel) bevindt zich binnen het Natura 2000-gebied. De initiatiefnemer is voornemens het fietspad te verwijderen en het om te vormen naar berm. Hierdoor is er geen sprake van oppervlakteverlies. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van oppervlakteverlies in het geding komen.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 16/75
Versnippering Het plangebied ligt grotendeels buiten de Natura 2000. Slechts een klein deel van het fietspad (zuidoostelijke deel) ligt binnen het Natura 2000-gebied. Er wordt geen verbindingszone tussen twee Natura 2000-gebieden verbroken door de voorgenomen plannen. Hierdoor is versnippering niet aan de orde. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000- gebieden op het gebied van versnippering in het geding komen. Verontreiniging De situatie in het plangebied blijft nagenoeg hetzelfde. Het plangebied is momenteel in gebruik als openbare weg en blijft openbare weg, waardoor geen sprake is van stoffen die in het gebied terecht komen die een verontreinigende werking hebben. Tevens komen tijdens de werkzaamheden geen schadelijke stoffen vrij. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van verontreiniging in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Verdroging Het grondwater zit op een diepte van 6,5 m -mv. Door de voorgenomen plannen wordt het grondwater niet aangetast. Tijdens de werkzaamheden vinden graafwerkzaamheden niet tot op deze diepte plaats, waardoor ook geen sprake is van enig hydrologisch effect. Het is op voorhand uit te sluiten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van verdroging in het geding komen.
Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Verstoring door geluid Bij de ontwikkeling van de rotonde in het plangebied worden meerdere wegen op elkaar worden aangesloten. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000-gebied en de nog aanwezige bomenlaag (buffering) treedt er geen negatief effect door een tijdelijke toename van geluid tijdens de aanlegfase. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van geluid in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Verstoring door licht De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van licht. De straatverlichting die momenteel aanwezig is blijft nagenoeg ongewijzigd. Er kan sprake zijn van een tijdelijke toename van verlichting tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000gebied en de nog aanwezige bomenlaag (buffering) leidt dit niet tot een vergroot negatief effect. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van licht in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
Verstoring door trilling Soorten als bever, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en oeverzwaluw die gevoelig zijn voor trillingen komen niet voor nabij het plangebied. Trillingen in de bodem merkbaar over grote afstanden zijn door de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied niet aan orde. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan tijdelijk sprake zijn van een lichte toename van trillingen. Gezien de afstand (circa 100 meter) van de toekomstige locatie van de rotonde tot het Natura 2000-gebied is geen sprake van een negatief effect door een tijdelijke toename van trillingen tijdens de aanlegfase. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van trillingen in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Optische verstoring Door de voorgenomen werkzaamheden verandert het optisch beeld van het plangebied niet. Gezien de ligging van de toekomstige rotonde zorgt de nog aanwezige bomenlaag (buffering) ervoor dat geen negatief effect optreedt bij de aanleg van de rotonde. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van optische verstoring in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 17/75
Veranderingen in populatiedynamiek De toekomstige situatie verandert niet wezenlijk ten opzichte van de huidige locatie, in die zin dat in beide gevallen sprake is van infrastructuur/ openbare weg. Het is op voorhand uitgesloten dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden op het gebied van populatiedynamiek in het geding komen. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
5.3 EFFECTEN VAN STIKSTOF 5.3.1 AERIUS BEREKENINGEN In paragraaf 3.2 is al aangegeven dat de aanleg van de rotonde niet leidt tot extra verkeer op de N271. Effecten in de gebruiksfase worden veroorzaakt door de verschuiving van wegvakken. Om die reden zijn alleen de wegvakken beschouwd die wijzigen. Voor de aanleg van de rotonde zijn uitgangspunten aangeleverd door de provincie Limburg. Ook is na overleg tussen de provincie en de gemeente Bergen een omleidingsroute voor het verkeer vastgesteld. Aan de hand van de inzet van het materieel en de omleidingsroutes is de emissie tijdens de bouwfase locatiespecifiek bepaald. Voor de uitgangspunten voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase wordt verwezen naar bijlage 2. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS versie 2022 waarbij 2023 is gehanteerd als het maatgevende jaar voor de bouwfase en 2024 als het maatgevende jaar voor de gebruiksfase. De aanleg van de rotonde zal ongeveer 4 maanden duren. Het importeren van de pdf-bestanden in AERIUS Calculator is voor iedereen mogelijk. Op de website https://calculator.aerius.nl/wnb/ bevindt zich een veld [Sleep hier uw bestanden, of klik om ze toe te voegen.] met de knop [Importeer] worden de bestanden ingelezen. voor het importeren van gegevens hier bevindt zich ook een koppeling naar het Handboek_Werken met AERIUS calculator_Versie 2022 .
Belanghebbende kunnen indien nodig hulp krijgen van een medewerker van de gemeente Bergen L. (0485 - 34 83 83 vragen naar de heer Wattjes).
5.3.2 KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE De werkzaamheden leiden tot een toename van de stikstofdepositie in diverse Natura 2000-gebieden. In deze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is sprake van een overbelasting door stikstof bij één of meerdere habitattypen. Dit wil zeggen dat de huidige depositie (achtergronddepositie) hoger is dan de kritische depositie waarde (KDW). De KDW is als volgt gedefinieerd: ‘De grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie’ (Van Dobben et al. 2012). Indien de KDW wordt overschreden zijn significant negatieve effecten niet bij voorbaat uit te sluiten en is een passende beoordeling noodzakelijk.
5.3.3 ACHTERGRONDDEPOSITIE In de AERIUS Calculator en de AERIUS Monitor is de reeds aanwezige depositie (achtergronddepositie) opgenomen. Wanneer de totale depositie (achtergronddepositie en bijdrage van het project) meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW ligt van het betreffende habitattype dan is geen sprake van een overbelasting. Indien de totale depositie hoger is dan de KDW dan wordt gesproken van een overbelaste situatie. Er is sprake van een naderende overbelasting indien de totale depositie lager is dan de KDW maar hoger dan de KDW – 70 mol/ha/jaar.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 18/75
5.3.4 BEOORDELINGSMETHODIEK Voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase geldt dat elke toename van de depositie na saldering ecologisch beoordeeld is.
5.3.5 BUITENLANDSE NATURA 2000-GEBIEDEN Effecten op Duitse natura 2000-gebieden worden beoordeeld op basis van het ter plaatse geldende toetsingskader. In Duitsland wordt een toetsings- en beoordelingsmethode gebruikt dat uit twee stappen bestaat. Als eerste wordt het onderzoeksgebied begrensd waarna binnen het onderzoeksgebied de cumulatieve stikstofdepositie wordt beoordeeld. BEGRENZING ONDERZOEKSGEBIED Het onderzoeksgebied wordt begrensd op basis van de door het project (zonder cumulatie) veroorzaakte stikstofdepositie. De depositiewaarde waarop het gebied wordt begrensd, wordt het Abschneidekriterium genoemd. Op basis van een uitspraak van het Bundesverwaltungsgericht (BVerwG 9 A 5.08, 14 april 2010), de hoogste federale administratieve rechtbank, wordt daarvoor een grenswaarde van 100 gram stikstof (7,14 mol) per hectare per jaar aangehouden. BEOORDELING DEPOSITIE BINNEN ONDERZOEKSGEBIED De stikstofdepositie wordt binnen het vastgestelde onderzoeksgebied vervolgens getoetst aan een drempelwaarde (Irrelevanzschwelle). Deze waarde bedraagt 3% van de kritische depositiewaarde van het meest gevoelige habitattype in het betreffende Natura 2000-gebied. Bij deze beoordeling dient de gecumuleerde depositie in beschouwing te worden genomen. De laagste kritische depositiewaarde, die van het habitattype hoogveen, bedraagt 400 mol N/ha/jaar.
Dat betekent dat de laagst denkbare drempelwaarde 12 mol N/ha/jaar bedraagt.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 19/75
6 STIKSTOFDEPOSITIE 6.1
GEBRUIKSFASE
Uit berekeningsresultaten van AERIUS Calculator voor de gebruiksfase blijkt dat het gebruik van de toekomstige rotonde leidt tot een stikstofdepositie in de Natura 2000-gebied Maasduinen, De Bruuk, Deurnsche Peel & Mariapeel, Oeffelter Meent, Sint Jansberg, Zeldersche Driessen en Boschhuizerbergen. Tevens worden stikstofdeposities berekend op de grenzen van de volgende Duitse Natura 2000-gebieden Erlenwälder bei Gut Hovesaat, Fleuthkuhlen, Uedemer Hochwald, Reichswald, Hangmoor Damerbruch, Krickenbecker Seen – Kl. De Witt-See, Nette bei Vinkrath, Vogelschutzgebied ‘Unterer Niederrhein’Vogelschutzgebied ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ en Kalflack. Wanneer echter een vergelijking wordt gemaakt met de bestaande situatie (om alleen het effect van de rotonde te bepalen) dan blijkt dat alleen in Natura 2000-gebied Maasduinen sprake is van een werkelijke toename van de stikstofdepositie. Ook op de Duitse Natura 2000-gebieden wordt ten opzichte van de bestaande situatie geen toename van de depositie berekend. De hoogste toename in Natura 2000-gebied Maasduinen bedraagt 0,70 mol/ha/jaar en wordt veroorzaakt door de verschuiving van de rijlijnen en dus van het verkeer. Een overzicht van de berekeningsresultaten is opgenomen in tabel 6.1. Het gebied waar een toename van de depositie wordt berekend is weergegeven in figuur 6.1.
De berekeningsresultaten zijn tevens opgenomen in bijlage 3. In deze bijlage wordt ook is ook een grotere afbeelding van figuur 6.1 opgenomen. In recente rapportages van de provincie Limburg over Natura 2000-gebied Maasduinen wordt de hoge stikstofdepositie benoemd als een grote bedreiging voor de stand van instandhouding van diverse habitattypen2. Gezien de hoogte van de toename en het oppervlakte waarop sprake is van een toename kunnen significant negatieve effecten op voorhand niet uitgesloten worden. Om die reden zijn de mogelijkheden voor extern salderen onderzocht.
2
Provincie Limburg, Kernrapport Natura 2000-plan 2020-2026 definitief, Maasduinen (145), december 2020. Provincie Limburg, Hoofdrapport Natura 2000-plan 2020-2026 definitief, Maasduinen (145), december 2020.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 20/75
Figuur 6.1. Gebied waar een toename van de depositie wordt berekend als gevolg van het gebruik van de rotonde.
6.1.1
EXTERN SALDEREN
Naar aanleiding van overleg tussen de gemeente Bergen en de Provincie Limburg is het veehouderijbedrijf aan de Elsteren 15 aangedragen als saldogevend bedrijf ten behoeve van extern salderen. Het bedrijf aan de Elsteren 15 beschikt sinds december 1991 over een vergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het houden van 800 mestkalveren. In maart 2007 is een revisievergunning verleend voor het houden van 810 vleesstierkalveren tot 8 maanden in overige huisvestigingssystemen. Maasduinen is op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. De gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen en andere Natura 2000-gebieden in de omgeving van Elsteren 15 zijn op 7 december 2004 op de lijst van communautair belang geplaatst in het kader van de Habitatrichtlijn. Op de relevante referentiedata, 24 maart 2000 (Vogelrichtlijn) en 7 december 2004 (Habitatrichtlijn), was voor de kalverhouderrij de hinderwetvergunning van 10 december 1991 vigerend. Deze vergunning had betrekking op het houden van 800 mestkalveren, overige huisvestingssystemen. In het kader van Wet natuurbescherming is het houden van 800 vleeskalveren overige huisvestingsystemen toegestaan zonder Wnb-vergunning of OBM-natuur. Het bedrijf heeft geen gebruik gemaakt van de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij.
Het bedrijf voldoet aan het besluit emissiearme huisvesting en zijn voorloper. Aangenomen wordt dat de bestaande stallen voldoende capaciteit bieden voor het huisvesten van de vergunde dieraantallen.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 21/75
In overleg met de aanvrager (cluster wegaanleg van de provincie Limburg) is de volgende aanpak gehanteerd om te bepalen met hoeveel kg ammoniak de bedrijfsvoering moet worden verminderd om te komen tot een mogelijk vergunbare situatie: 1. Door middel van een passende beoordeling moet bepaald worden dat een toename van de depositie op de leefgebieden van soorten niet leidt tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten; 2. Door middel van extern salderen moet de emissie zodanig beperkt worden dat geen sprake is van een toename van de depositie op voor stikstofgevoelige habitats (een toename van de depositie op leefgebieden is wel nog toegestaan); 3. Aanvullend wordt de emissie van het saldogevende bedrijf met 50% extra gereduceerd ten gunste van de natuur (de reductie van de emissie ten voor saldering en 50% voor natuur). Een toename van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats wordt voorkomen met een afname van 105 kg NH3, waarvan 50% wordt afgeroomd ten gunste van de natuur. In tabel 6.1 zijn de effecten van het project na saldering weergegeven op de leefgebieden. De AERIUS uitdraai is opgenomen in bijlage 4. In figuur 6.2 is voor de bos van arme zandgronden inzichtelijk gemaakt waar zonder en met salderen een toename van de depositie wordt berekend.
Voor het eiken- en beukenbos van lemige zandgronden is dit inzichtelijk gemaakt in figuur 6.3. De figuren zijn ook opgenomen in bijlage 4. Tabel 6.1. Berekende toename van de depositie in Natura 2000-gebied Maasduinen HABITATTYPE
EFFECT GEBRUIK ROTONDE WELL EFFECT GEBRUIK ROTONDE WELL NA SALDERING
Berekende maximale toename [mol/ha/jaar]
Oppervlakte met Berekende een toename maximale [ha] toename [mol/ha/jaar]
Oppervlakte met een toename [ha]
BOS VAN ARME ZANDGRONDEN
0,70
194,47
0,55
9,88
EIKEN- EN BEUKENBOS VAN LEMIGE ZANDGRONDEN
0,68
15,58
0,48
0,05
ZANDVERSTUIVINGEN
0,12
6,90
-
-
DROGE HEIDEN
0,03
2,42
-
-
ZWAKGEBUFFERDE VENNEN
0,01
0,18
-
-
OUDE EIKENBOSSEN
0,01
0,53
-
-
PIONIERVEGETATIES MET SNAVELBIEZEN
0,01
0,04
-
-
VOCHTIGE HEIDEN (HOGERE ZANDGRONDEN)
0,01
0,64
-
-
De resterende toename van de depositie van 0,55 mol/ha/jaar op leefgebied Bos van arme zandgronden en de toename van 0,48 mol/ha/jaar op leefgebied Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden wordt passend beoordeeld.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 22/75
Figuur 6.2. Bos van arme zandgronden met een toename van de depositie zonder en met saldering
Figuur 6.3. Eiken- en beukenbossen van lemige zandgrond met een toename van de depositie zonder en met saldering
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 23/75
Als gevolg van de externe saldering is in de gebruiksfase sprake van een afname aan stikstofdepositie bij diverse habitattypen binnen de Natura 2000-gebied Maasduinen en Boschhuizerbergen. Hierdoor draagt de toekomstige situatie bij aan het herstel van aanwezige habitattypes. In tabel 6.2 en tabel 6.3 is een overzicht opgenomen van de maximale afname van de depositie als gevolg van het extern salderen en het oppervlakte met een afname van de depositie. Tabel 6.2. Overzicht van de afname van de depositie op Natura 2000-gebied Maasduinen als gevolg van het extern salderen HABITATTYPE
MAXIMALE AFNAME VAN DE DEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
OPPERVLAKTE MET EEN AFNAME VAN DE DEPOSITIE [HA]
BOS VAN ARME ZANDGRONDEN
0,30
2.229,56
EIKEN- EN BEUKENBOS VAN LEMIGE ZANDGRONDEN
0,17
199,79
DROGE HEIDEN
0,16
155,47
ZANDVERSTUIVINGEN
0,25
88,55
VOCHTIGE HEIDEN (HOGERE ZANDGRONDEN)
0,09
24,81
HOOGVEENBOSSEN
0,05
21,94
ZWAKGEBUFFERDE VENNEN
0,19
19,33
ZTUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI
0,08
17,40
VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN (BEEKBEGELEIDENDE BOSSEN)
0,02
11,35
0,04 KAMGRASWEIDE & BLOEMRIJK WEIDEVOGELGRASLAND VAN HET ZAND- EN VEENGEBEID
10,98
ZURE VENNEN
0,05
7,43
PIONIERSVEGETATIES MET SNAVELBIEZEN
0,16
5,25
DROOG STRUISGRASLAND
0,04
3,67
BEUKEN- EIKENBOSSEN MET HULST
0,01
2,61
ZUUR VEN
0,03
2,09
OUDE EIKENBOSSEN
0,10
1,63
DROGE HARDHOUTOOIBOSSEN
0,01
0,77
RUIGTEN EN ZOMEN (DROGE BOSRANDEN)
0,01
0,46
STROOMDALGRASLANDEN
0,01
0,36
ACTIEVE HOOGVENEN
0,01
0,34
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 24/75
Tabel 6.3. Overzicht van de afname van de depositie op Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen als gevolg van het extern salderen HABITATTYPE
MAXIMALE AFNAME VAN DE DEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
OPPERVLAKTE MET EEN AFNAME VAN DE DEPOSITIE [HA]
HOOGVEENBOSSEN
0,03
11,18
ZANDVERSTUIVINGEN
0,02
8,59
JENEVERBESSTRUWELEN
0,02
7,62
STUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI
0,02
4,64
ZWAKGEBUFFERDE VENNEN
0,02
1,43
6.2 BOUWFASE Om in de gebruiksfase (duur circa 4 maanden) negatieve effecten op habitattypen te voorkomen, wordt gebruik gemaakt van extern salderen met 105 kg NH3 van Elsteren 15. In overleg met de aanvrager (cluster wegaanleg van de provincie Limburg) is afgesproken dat deze salderingsbronnen worden aangekocht voor aanvang van de werkzaamheden aan de rotonde. Hierdoor kan ook tijdens de bouwfase gebruik worden gemaakt van deze salderingsbron. Dit heeft tot gevolg dat de toename van de depositie op Natura 2000-gebied Maasduinen als gevolg van de bouwactiviteiten kleiner is. Na saldering (waarbij rekening wordt gehouden met 50% afromen voor de natuur) wordt de toename van de depositie tijdens de bouwfase zoals opgenomen in tabel 6.4 berekend. De berekeningsresultaten zijn tevens opgenomen in bijlage 5. Door toepassing van saldering tijdens de bouwfase wordt geen toename van de depositie berekend in andere natura 2000-gebieden in Nederland of Duitsland. Tabel 6.4. Effecten op Natura 2000-gebied Maasduinen tijdens de bouwfase na saldering HABITATTYPE
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME [MOL/HA/JAAR]
OPPERVLAKTE MET EEN TOENAME [HA]
BOS VAN ARME ZANDGRONDEN
5,05
637,86
EIKEN- EN BEUKENBOS VAN LEMIGE ZANDGRONDEN
5,05
40,87
ZANDVERSTUIVINGEN
3,14
9,56
DROGE HEIDEN
0,23
10,74
STUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI
0,03
3,44
HOOGVEENBOSSEN
0,03
3,78
ZUUR VEN
0,03
0,09
VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN (BEEKBEGELEIDENDE BOSSEN)
0,03
1,20
OUDE EIKENBOSSEN
0,03
0,53
VOCHTIGE HEIDEN
0,02
3,84
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 25/75
HABITATTYPE
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME [MOL/HA/JAAR]
OPPERVLAKTE MET EEN TOENAME [HA]
KAMGRASWEIDE EN BLOEMRIJK WEIDEVOGELGRASLAND VAN HET ZAND- EN VEENGEBIED
0,02
0,04
ZURE VENNEN
0,02
0,29
PIONIERSVEGETATIES MET SNAVELBIEZEN
0,01
0,14
(HOGERE ZANDGRONDEN)
De bovenstaande toenamen van de depositie als gevolg van de bouwfase worden passend beoordeeld.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 26/75
7 EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE 7.1
BEREKENINGSRESULTATEN
Voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase (duur 4 maanden) wordt na saldering een toename van de depositie berekend op een aantal leefgebieden en habitattypen. In tabel 7.1 wordt de berekende toename van de depositie nogmaals getoond en wordt aangegeven welke soorten met een instandhoudingsdoelstelling gebruik maken van deze leefgebieden en habitattypen. Tabel 7.1. Berekende toename van de depositie in Natura 2000-gebied Maasduinen en de relatie met de aangewezen soorten HABITATTYPE OF LEEFGEBIED
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME ALS GEVOLG VAN DE BOUWFASE [MOL/HA/JAAR]
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME ALS GEVOLG VAN HET GEBRUIK VAN DE WEG [MOL/HA/JAAR]
RELATIE MET SOORT
BOS VAN ARME ZANDGRONDEN (LEEFGEBIED)
5,05
0,55
Zwarte specht, nachtzwaluw
EIKEN- EN BEUKENBOS VAN LEMIGE ZANDGRONDEN (LEEFGEBIED)
5,05
0,48
Zwarte specht, nachtzwaluw
ZANDVERSTUIVINGEN
3,14
-
Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit
DROGE HEIDEN
0,23
-
Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit, grauwe klauwier
STUIFZANDHEIDEN MET STRUIKHEI
0,03
-
Nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit, grauwe klauwier
ZUUR VEN (LEEFGEBIED)
0,03
-
Dodaars, geoorde fuut, drijvende waterweegbree
HOOGVEENBOSSEN
0,03
-
-
OUDE EIKENBOSSEN
0,03
-
Zwarte specht, nachtzwaluw
VOCHTIGE ALLUVIALE BOSSEN (BEEKBEGELEIDENDE BOSSEN)
0,03
-
-
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 27/75
HABITATTYPE OF LEEFGEBIED
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME ALS GEVOLG VAN DE BOUWFASE [MOL/HA/JAAR]
BEREKENDE MAXIMALE TOENAME ALS GEVOLG VAN HET GEBRUIK VAN DE WEG [MOL/HA/JAAR]
RELATIE MET SOORT
ZURE VENNEN
0,02
-
Dodaars, geoorde fuut, grauwe klauwier, drijvende waterweegbree
0,02 VOCHTIGE HEIDEN (HOGERE ZANDGRONDEN)
Nachtzwaluw, roodborsttapuit, grauwe klauwier
KAMGRASWEIDEN & BLOEMRIJK WEIDEVOGELGRASLAND VAN HET ZAND EN VEENGEBIED (LEEFGEBIED)
0,02
-
Nachtzwaluw, boomleeuwerik, grauwe klauwier
PIONIERVEGETATIES MET SNAVELBIEZEN
0,01
-
-
Het voorkomen van gevlekte witsnuitlibel, dodaars, geoorde fuut, oeverzwaluw, grauwe klauwier, kamsalamander en drijvende waterweegbree kan worden gerelateerd aan zwak gebufferde vennen. Het voorkomen van nachtzwaluw, boomleeuwerik, roodborsttapuit en grauwe klauwier kan worden gerelateerd aan droge heiden en (de randen van) zandverstuivingen. Het voorkomen van zwarte specht en nachtzwaluw kan worden gerelateerd aan bosbiotopen, met daarin het onderscheid tussen loofbos/ oude eikenbossen als broedgebied en gemengd- en naaldbos als foerageergebied.
7.2 VELDBEZOEK Op 7 april 2022 heeft een veldbezoek plaatsgebonden in leefgebieden die in aanmerking komen voor een locatiespecifieke ecologische beoordeling. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende aspecten bepaald: • Aanwezige biotopen • Aanwezige mierennesten • Eventuele bomen met holtes • Aanwezige kwijnende bomen. Deze aspecten zijn specifiek beoordeeld in het veldbezoek ten aanzien van het leefgebied van de zwarte specht. De zwarte specht betreft een aangewezen broedvogel binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen.
7.3 EFFECTBEOORDELING 7.3.1 BOSBIOTOPEN (BOS VAN ARME ZANDGRONDEN, EIKEN- EN BEUKENBOS VAN LEMIGE ZANDGRONDEN) In tabel 7.2 wordt het effect van het project op het bos van arme zandgronden samengevat weergegeven.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 28/75
Tabel 7.2. Leefgebied bos van arme zandgronden
LEEFGEBIED VOOR
Zwarte specht en nachtzwaluw
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ZWARTE SPECHT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING NACHTZWALUW
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]
1.071
TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED [HA]
2.358,7
TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)
2.358,7
BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR
553,27
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR
70,76
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN > 1,00 MOL/HA/JAAR
13,83
HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]
5,05
LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
1.371
HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
2.445
GEBRUIKSFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR
2,08
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR
7,80
HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS HET GEBRUIK [MOL/HA/JAAR]
0,55
LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
1.791
HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
2.392
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 29/75
Figuur 7.1. Toename van de depositie op het Bos van arme zandgronden tijdens de bouwfase
Figuur 7.2. Toename van de depositie op het Bos van arme zandgronden tijdens het gebruik
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 30/75
In tabel 7.3 wordt het effect van het project op het eiken- en beukenbos van lemige zandgronden samengevat weergegeven. Tabel 7.3. Leefgebied eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
LEEFGEBIED VOOR
Zwarte specht en nachtzwaluw
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ZWARTE SPECHT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING NACHTZWALUW
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]
1.429
TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED [HA]
279,9
TOTAAL AANTAL HA NIET (NADEREND) OVERBELAST
8,4
TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)
271,5
BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR
31,64
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR
10,19
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN > 1,00 MOL/HA/JAAR
0,05
HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]
5,05
LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
1.288
HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
2.392
GEBRUIKSFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR
0,0004
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR
0,05
HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS HET GEBRUIK [MOL/HA/JAAR]
0,48
LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
1.791
HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
2.392
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 31/75
Figuur 7.3. Toename van de depositie op de Eiken- en beukenbossen van lemige zandgronden tijdens de bouwfase
Figuur 7.4. Toename van de depositie op de Eiken- en beukenbossen van lemige zandgronden tijdens het gebruik
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 32/75
De typen ‘bos van arme zandgronden’ en ‘eiken- en beukenbos van lemige zandgronden’ betreffen geen Habitattype, maar vormt het leefgebied dat is gekoppeld aan de zwarte specht en de nachtzwaluw. Het knelpunt van stikstofdepositie levert voor de zwarte specht problemen op in het foerageergebied (bos van arme zandgronden) en niet zozeer in het broedhabitat (eiken- en beukenbos van lemige zandgronden). In het hoofdrapport van het beheerplan is het volgende beschreven: Er zijn aanwijzingen dat de leefgebieden als gevolg van overmatige stikstofdepositie in draagkracht afnemen. Onduidelijk is echter op welke manier en in welke mate dit gebeurt. Op de Brabantse Wal is onderzoek uitgevoerd naar het dieet van jonge Zwarte spechten. Hieruit bleek dat het dieet vooral bestond uit 2-jarige larven van (Bonte) Ribbelboktor en Wortelboktor. Boktorrren zijn stikstof gelimiteerd. Een toename van de stikstofconcentraties leidt dus tot meer boktorren, zij het dat er een Natura 2000-plan Maasduinen (145) 2020-2026, Hoofdrapport, december 2020 64 verschuiving plaatsvind van grote naar kleinere soorten. De hoeveelheid voedsel lijkt dus niet zo’n probleem. Mogelijk is er echter wel sprake van een afname aan kwaliteit. Een dergelijk aspect is al bij Groene spechten geconstateerd en speelt mogelijk ook bij Zwarte spechten.
De boktorlarven vormen dan het stapelvoedsel en de aanvulling met mieren zorgt voor een kwalitatief hoogwaardigere aanvulling van het voedselpakket. Op 7 april 2022 is een veldbezoek uitgevoerd op de geschiktheid van het biotoop voor de zwarte specht te beoordelen binnen de invloedssfeer van de berekende stikstoftoename. Het gebied grenzend aan het plangebied kenmerkt zich deels door kwijnende zomereiken. Dit is vooral het geval bij het deel dat zich kenmerkt door de voormalige stuifduin (gebied direct grenzend aan de noordzijde van het tankstation). Doordat dit stukje enigszins open is en georiënteerd is op het zuiden, is hier een schralere vegetatie en zijn minder bomen aanwezig. Hierdoor heeft de zonkracht meer invloed op de bodem. In dit deel is dan ook het enige nest aangetroffen van de rode bosmier (soort onbepaald). Aannemelijk is dan er meer nesten zijn van rode bosmieren, maar lijkt het om een zeer lage dichtheid te gaan. De overgang van het stuifduin naar het dichtere bos en de kwijnende eiken vormen daarnaast een geschikt biotoop voor de glanzende houtmier en de humusmier. Nesten van deze soorten zijn niet aangetroffen maar bevinden zich dan ook achter de schors van de kwijnende eiken of in de humuslaag.
Het bosgebied ten noorden van deze voormalige stuifduin kenmerkt zich door een bosgebied met een dicht boomkronendek en zonder helling die georiënteerd zijn op het westen of zuiden. De bodem kenmerkt zich daar door een dikke strooisellaag. Dit maakt dit deel van het bosgebied minder geschikt voor de zwarte specht om er te foerageren. Samengevat vormt alleen het zuidelijke deel van het bosgebied geschikt foerageergebied voor de zwarte specht. Een dergelijk oppervlak is verwaarloosbaar in verhouding tot de grootte van een territorium van een zwarte specht. Omdat zwarte spechten beschikken over grote territoria in combinatie met het beperkt aantal waargenomen mierennesten, is het uitgesloten dat een lichte verslechtering van kwaliteit van dit onderdeel binnen het mogelijk aanwezige territorium leidt tot een significant negatief effect. Het huidige territorium, indien die aanwezig is, dat overlapt met het gebied waarin de invloedssfeer van de verhoogde depositie plaatsvindt, blijft gehandhaafd. Nachtzwaluwen bezetten vooral territoria aan de randen van heideterreinen op de overgangen tussen droge heide en bos. Een gevarieerde overgang van heide naar bos draagt bij aan een optimaal broedhabitat. Ondanks een overbelasting van stikstof is de kwaliteit van het leefgebied zodanig dat de populatie nachtzwaluw in Natura 2000-gebied Maasduinen groeit.
De trend voor nachtzwaluw in Maasduinen is positief. Sinds de eerste vlakdekkende broedvogelkartering in 1993 is de populatie in de Maasduinen sterk toegenomen. Kerngebieden zijn de Bergerheide en Eckeltse Bergen en De Hamert met respectievelijk 39 en 21 territoria in 2013. De soort kent een gunstige staat van instandhouding. Met een schatting van in totaal 100 territoriale mannetjes in 2016 wordt de doelstelling van 30 paren ruimschoots gehaald. Sinds 1993 is het aantal meer dan verdubbeld en de toename lijkt nog steeds in gang. Het ingezette heidebeheer en de realisatie van open kapvlaktes en heidecorridors in het bos heeft een positieve werking gehad op de populatie nachtzwaluwen. Hieruit kan worden afgeleid dat het leefgebied van voldoende kwaliteit is met het oog op de instandhoudingsdoelstelling van de nachtzwaluw. Een lichte verslechtering van een klein deel van het leefgebied van de nachtzwaluw heeft geen gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling (die inmiddels ruim is bereikt). Significant negatieve effecten zijn daarom uitgesloten.
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 33/75
7.3.2 ZANDVERSTUIVINGEN In tabel 7.4 wordt het effect van het project op zandverstuivingen samengevat weergegeven. Tabel 7.4. Habitattype zandverstuivingen
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLING ZANDVERSTUIVINGEN
Uitbreiding omvang en kwaliteit habitattype
LEEFGEBIED VOOR
Nachtzwaluw, boomleeuwerik en roodborsttapuit
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NACHTZWALUW
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN BOOMLEEUWERIK
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN ROODBORSTTAPUIT
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
KRITISCHE DEPOSITIE WAARDE [MOL/HA/JAAR]
714
TOTAAL OPPERVLAKTE VAN HET HABITATTYPE [HA]
96,1
TOTAAL AANTAL HA (OVERBELAST)
96,1
BOUWFASE OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,01 – 0,10 MOL/HA/JAAR
8,64
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN 0,11 – 1,00 MOL/HA/JAAR
0,69
OPPERVLAKTE VAN HET LEEFGEBIED MET EEN TOENAME VAN > 1,00 MOL/HA/JAAR
0,22
HOOGSTE PROJECTBIJDRAGE TIJDENS DE BOUW [MOL/HA/JAAR]
3,14
LAAGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
1.288
HOOGSTE ACHTERGRONDDEPOSITIE [MOL/HA/JAAR]
2.351
SLM019725 – Passende Beoordeling rotonde N271 Well SLM019725.PB, versie 3 Ducot Engineering & Advies
WSP 2 maart 2023 pagina 34/75
Figuur 7.5. Toename van de depositie op de Zandverstuivingen tijdens de bouwfase
Habitattype H2330 Zandverstuivingen heeft een KDW van 714 mol/ha/jr. Voor Maasduinen is voor dit habitattype een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlak en een verbeterdoelstelling voor kwaliteit gesteld. Voorkomen en kwaliteit De habitattypen stuifzandheiden (H2310) en zandverstuivingen (H2330) komen naast elkaar voor, dit is logisch omdat dat stuifzandheide een volgende fase in de successie is na zandverstuivingen. Het sturende landschapsecologische proces voor dit habitattype is de windwerking. In de optimale situatie is het gebied zo groot en open dat de wind vrij spel heeft en daarmee zorgt voor voldoende dynamiek van het zand. Immers, wanneer het zand stil komt te liggen krijgen respectievelijk buntgras en algen, mossen, korstmossen en ten slotte grassen grip op de ondergrond. Uiteindelijk raakt het habitat dan in een volgend successiestadium. De overstuivingen zorgen ervoor dat de zich ontwikkelde successiestadia worden teruggezet. Op deze manier ontstaat een mozaïek aan kaal zand en een variatie aan successiestadia. Hierdoor wordt de algehele ontwikkeling richting hogere en dichtere vegetaties geremd en kunnen de kenmerkende vegetatietypen van H2330 en H2310 zich verjongen. De laatste decennia is er echter veel veranderd. De exoot grijs kronkelsteeltje is begin jaren tachtig van de vorige eeuw het gebied binnengekomen en massaal toegenomen.