RES Noord- en midden 1.0
Tekst van het document
Daarnaast moet ook bij initiatieven van externe of marktpartijen voorop staan dat iedereen kan meedoen. Een andere manier om sociale inclusiviteit te bevorderen is het aansluiten bij bestaande lokale initiatieven in een wijk of buurt: het faciliteren van actieve bewoners, organisaties en betrokkenen. Bij een gezamenlijk doel met de wijkbewoners krijg je meer slagkracht. Als je probeert te kijken naar de energie die er al is, kom je erachter wat er leeft in een wijk, en wat belangrijke opgaven, drijfveren en waarden zijn van bewoners en andere actief betrokkenen. Hoe meer je weet van de (leefwereld) van wijkbewoners, des te meer kun je duurzaamheidsambities koppelen aan lokale sociale opgaven. Door de energietransitie te koppelen aan andere opgaven die bijvoorbeeld op wijkniveau spelen, vergroot je draagvlak voor het realiseren van energie-ambities.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
32
Pijler 2: Iedereen kan het betalen De betaalbaarheid van de energietransitie is een bijzonder belangrijk aspect van sociale duurzaamheid. Het gaat er hierbij om dat de kosten die gemaakt worden voor de transitie van fossiele naar duurzame energie betaalbaar moeten blijven voor alle huishoudens. We willen een energiesysteem dat betaalbaar is, zowel in ontwikkeling als in onderhoud. Dit betekent een afweging tussen de inzet van bronnen voor elektriciteit (zon en wind) en voor de investeringen in het transport- en opslagsysteem. Hetzelfde geldt voor warmte (aardwarmte, groen gas of restwarmte). Het is dan ook belangrijk om bij het kiezen van (technische) oplossingen ook oog te hebben voor de maatschappelijke kosten. Naast de meer algemene betaalbaarheid van deze grootschalige of collectieve voorzieningen (zoals een warmtebron), is ook de betaalbaarheid op individueel niveau een belangrijk aandachtspunt. Uit onderzoek van het Nibud (2020) blijkt dat een deel van de bewoners bijvoorbeeld niet in staat is om zijn of haar woning adequaat te isoleren of om een warmtepomp aan te schaffen. Verder heeft een deel van de bewoners zelfs moeite om de energierekening te betalen. Bij die groep spreken we van ‘energiearmoede’. Het is de vraag hoe we goed in beeld krijgen bij wie dit speelt en wat je daar in RES-verband in zou willen betekenen.
Het sociale domein bij gemeenten speelt een belangrijke rol in de signalering van energiearmoede. Daarom is een koppeling met dit domein essentieel.
€€
€
Pijler 3: Iedereen kan meeprofiteren De energietransitie brengt veranderingen met zich mee in de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van windturbines of zonneweides. Lokaal eigendom en lokale winstdeling kunnen belangrijke middelen zijn om het draagvlak voor de energietransitie te versterken. Het zorgt ervoor dat (een deel van) de baten van een lokaal project in de regio blijven en niet wegvloeien naar bijvoorbeeld buitenlandse investeerders. Met de lokale omgeving als mede-eigenaar en dus mede-ontwikkelaar, worden de beste voorwaarden geschapen voor een gelijkwaardige, open en transparante samenwerking met andere partijen. Draagvlak valt of staat met het proces tijdens de ontwikkeling van een project en het vertrouwen dat de lokale omgeving heeft in dit proces. Een voordeel van een lokale partij als (mede)ontwikkelaar is dat deze de omgeving en de mensen rond het project kent, en andersom. Wanneer de omgeving eigenaar is van het resultaat, is ze ook eigenaar van de ontwikkeling ervan. Ook de creatie van lokale of regionale werkgelegenheid is een vorm van meeprofiteren.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
33
2.3.3 Participatie in de uitvoer van de RES: lokaal eigendom In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor grootschalige opwek van hernieuwbare elektriciteit op land gestreefd wordt naar 50% eigendom van de lokale omgeving. Dit streven wordt overgenomen in de RES van onze regio. De regio ziet lokaal eigendom als een belangrijk middel om het draagvlak voor de energietransitie te versterken. Daarnaast zien wij lokaal eigendom als een geëigend middel om open, gelijkwaardige en transparante projectsamenwerkingen te organiseren. Het is volgens ons een goed instrument om (project)baten in de lokale omgeving te laten landen. Lokaal eigendom én lokale medezeggenschap Als RES volgen wij de nationale lijn om te streven naar het realiseren van minimaal 50% lokaal eigendom bij grootschalige zon- en windprojecten. Daar voegen wij een aanvullend streven aan toe: het bereiken van lokale medezeggenschap bij alle grootschalige zon- en windprojecten. Lokale medezeggenschap bij alle grootschalige opwekprojecten Lokale medezeggenschap vormt voor ons een basisvereiste bij een nieuwe ontwikkeling. Als regio vinden wij dit nog belangrijker dan het bereiken van lokaal eigendom. Onder medezeggenschap verstaan wij: de omgeving is van A tot Z als partner bij de ontwikkeling van een initiatief betrokken.
Onder de omgeving verstaan we coöperatie(s), burgers of bedrijven uit de omgeving van de projectlocatie. In onze optiek dient bij ieder initiatief sprake te zijn van een vorm van lokale medezeggenschap. Lokaal eigendom bij 50% van de grootschalige opwekprojecten Bij lokaal eigendom is altijd sprake van financiële participatie: de omgeving investeert mee en draagt risico. De omgeving verkrijgt hierbij een substantieel deel van het economische en juridische eigenaarschap van het initiatief. Onder de omgeving verstaan we burgers, bedrijven, coöperatie(s) en/of gemeente(n) uit de omgeving van de projectlocatie. Dit is maatwerk per locatie. Het gaat daarbij om eigendom van een collectief, niet van een enkel bedrijf of individu. Het streven naar 50% lokaal eigendom geldt voor alle grootschalige initiatieven. Verankeren doelstellingen in concrete afspraken Het nakomen van deze doelstelling valt of staat bij de borging van de afspraken in beleid. Dit gaan wij realiseren doordat gemeenten de RESafspraken binnen afzienbare tijd dienen in te passen in hun lokale (omgevings)beleid. Een nog uit te werken handreiking voor gemeenten zal hen hierbij ondersteunen. Daarnaast zal de RES-uitvoeringsorganisatie het bereiken van de doelstellingen monitoren.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
34
2.4 Vervolg Wat gaan we doen in de RES 1.0? • Bij de totstandkoming van de RES hebben we op regionaal niveau vooral vertegenwoordigende partijen betrokken, zoals volksvertegenwoordigers en belangenorganisaties. Na de RES 1.0 willen we ook inwoners betrekken, onder andere bij de verdere concretisering van de zoekgebieden voor duurzame grootschalige opwek van elektriciteit. • In de RES 2.0 worden de regionale afspraken om te voorzien in de warmtebehoefte vastgelegd. Hierbij gaan wij de belanghebbenden betrekken. • Wij bekijken hoe we inwoners en belangenorganisaties blijvend bij de uitvoering van de RES en invulling van komende RES-en kunnen betrekken en komen met een concreet participatieplan om zo onze participatiedoelen te halen. • Wij blijven als RES-partners de krachten bundelen en zorgen dat de in onze regio aanwezige kennis en kunde t.a.v. participatie onder de partners gedeeld wordt, om zo tot een zo goed mogelijke uitvoering van de RES 1.0 te komen. • Wij willen 50% lokaal eigendom een reëel streven maken door dit op te nemen in het lokale (omgevings)beleid. Wij gaan een handreiking uitwerken die gemeenten hierbij gaat ondersteunen. • We geven aandacht aan sociale duurzaamheid in de uitvoering van de RES 1.0. Het is een methodiek, het is een manier van denken en doen. We nemen dit mee in onze manier van werken, onze strategie en de uitvoering daarvan.
We geven inhoud aan begrippen als bewustwording, energiearmoede en collectieve voorzieningen. • Wij bekijken hoe we inwoners en belangenorganisaties blijvend bij de uitvoering van de RES en invulling van komende RES-en kunnen betrekken en komen met een communicatiestrategie en een concreet participatieplan om zo onze participatiedoelen te halen.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
35
3 Energiebesparing en kleinschalige energieopwekking 3.1 Ambitie Energiebesparing is een belangrijk onderdeel van de Trias Energetica (verminderen, vergroenen, verschonen). Wat niet aan energie verbruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. Omdat energiebesparing veelal kan worden gerealiseerd met isolerende maatregelen, is energiebesparing ook van belang voor de warmtevraag en daarmee voor transitie van aardgas naar een niet-fossiele warmtevoorziening. Daarom krijgt energiebesparing een belangrijke plek in deze RES. De gebouwde omgeving biedt ook goede kansen voor duurzame energieopwekking met zonnepanelen. Wij zoeken dus de combinatie tussen besparing en opwekking. Op deze wijze wordt ook bijgedragen aan de doelstellingen voor CO2-emissiereductie uit het Klimaatakkoord (2019). Behalve in de gebouwde omgeving zien we ook kansen voor meer energiebesparing bij bedrijven en instellingen in de regio die vallen onder de Wet Milieubeheer. Daarom nemen we die ook mee in onderstaande uitwerking. Onze ambitie is om voor de gebouwde omgeving middels energiebesparing en kleinschalige energieopwekking tenminste 25% CO2-emissiereductie te realiseren in 2030, ten opzichte van 2015. Waarbij we ernaar streven dat in 2030 op 70% van de geschikte daken gemiddeld tien panelen zijn geplaatst.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
36
3.2 Uitgangspunten We ontwikkelen een RES voor CO2-emissiereductie d.m.v. energiebesparing en duurzame energieopwekking (met gebouw-gebonden zonnepanelen). In de aanpak zullen de doelgroepen zoveel mogelijk integraal benaderd worden voor zowel energiebesparing als duurzame energieopwekking. Financiële, technische en maatschappelijke haalbaarheid is een belangrijke randvoorwaarde. We richten ons op energiebesparing en opwekking van duurzame energie bij de volgende doelgroepen: commercieel vastgoed, maatschappelijk en publiek vastgoed alsmede woningen van particuliere eigenaren, woningcorporaties, particuliere verhuurders en VvE’s. Wij richten ons ook op de bedrijven en instellingen waarvoor de informatie- en energiebesparingsplicht conform het Activiteitenbesluit milieubeheer geldt. Op basis hiervan formuleren we voor de RES-regio één gezamenlijke aanpak. We nodigen alle partijen uit om aan te haken en brengen hiervoor de benodigde capaciteit en middelen bij elkaar.
3.3 Waar staan we nu? 3.3.1 Reikwijdte van de aanpak van energiebesparing en kleinschalige opwek Energiebesparing door: • Energiebehoefte reduceren (gedrag, gebruik en gebouwkwaliteit). • Toepassing efficiëntere technieken en installaties voor productieprocessen. Bij gebouwkwaliteit gaat het met name om de toepassing van isolerende maatregelen (vloer, spouwmuur, dak, ramen) en om energiezuinige verlichting en apparaten (verwarmingsinstallatie, ventilatie). Ook door aanpassing van gedrag (apparaten niet onnodig aan laten staan) en gebruik (bijvoorbeeld goede inregeling apparaten en aanwezigheidsdetectie) kan veel energie bespaard worden. Het gaat bij dit alles om ‘no regret’- maatregelen die relatief weinig kosten en snel zijn terugverdiend (4 tot 10 jaar). Deze maatregelen zijn altijd nuttig, ook indien in een latere fase voor een warmtepomp of aansluiting op een warmtenet gekozen wordt.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
37
Kleinschalige duurzame energieopwekking: • Zonnepanelen op daken: installaties tot maximaal 15 kWp vermogen (circa 50 panelen).
Isolatie Energiegebruik voor warmte en kracht
Efficiëntere installaties Kleinschalige opwekking
Energiegebruik voor warmte en kracht
Huidig
HR ++
Ambitie 2030
Gebouwen en doelgroepen Onder de gebouwde omgeving verstaan we de volgende gebouwen met bijbehorende doelgroepen (waarbij commercieel en publiek vastgoed is verdeeld volgens de Standaard Bedrijfsindeling SBI): • Woningen Particulier Sociale huur Commerciële huur VvE’s •
Publiek en maatschappelijk vastgoed Openbaar bestuur (SBI O) Onderwijs (SBI P) Gezondheids- en Welzijnszorg (SBI Q) Kunst, cultuur, sport en recreatie (SBI R) Overige dienstverlening (SBI S)
•
Commercieel vastgoed Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s (SBI G) Vervoer en opslag (SBI H) Logies-, maaltijd- en drankverstrekking (SBI I) Informatie en communicatie (SBI J) Financiële instellingen (SBI K) Verhuur van en handel in onroerend goed (SBI L) Advisering, onderzoek, specialistische, zakelijke dienstverlening (SBI M) Verhuur van roerende goederen, overige zakelijke dienstverlening (SBI N)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
38
Voor het bedrijfsleven focussen we op industrie en bedrijfsleven (SBI C) waarvoor de gemeenten bevoegd gezag zijn. Deze bedrijven zijn te verdelen in twee groepen: • Vergunningplichtige bedrijven (type C en IPPC). Deze bedrijven bestrijken 7% van het totale bedrijvenbestand. Voor deze ruim 900 bedrijven geldt geen informatieplicht, maar gelden de in de vergunning opgenomen voorschriften ten aanzien van energie. • Bedrijven die onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer vallen (Type A en B). Deze kunnen verdeeld worden in twee subgroepen: Bedrijven die meer dan 25.000 m3 gas of 50.000 kilowattuur (kWh) per jaar gebruiken. Voor deze bedrijven geldt de informatie- en realisatieplicht energiebesparing voor besparingsmaatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. In lijn met het Klimaatakkoord wordt deze verplichting (waarschijnlijk per 2023) verbreed van energiebesparing naar CO2-reductie. Bedrijven die minder dan 25.000 m3 gas en minder dan 50.000 kWh per jaar verbruiken. Hiervoor geldt geen informatie- en realisatieplicht. Deze bedrijven kunnen wel worden gestimuleerd tot het nemen van energiebesparende maatregelen. NB 1: Een deel van het commercieel vastgoed valt in de bedrijvencategorie A en B conform het Activiteitenbesluit Milieubeheer, en zal ook als zodanig worden behandeld.
NB 2: De zwaardere, vaak energie-intensieve industrie hoort niet bij de RESaanpak omdat deze onder het bevoegd gezag van het Rijk en de Provincie Limburg vallen.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
39
3.3.2 Energieverbruik gebouwde omgeving In 2017 telde de gebouwde omgeving van Noord- en Midden-Limburg in totaal 264.514 objecten. Tabel 1 laat zien dat ruim 87% van deze gebouwen woningen zijn. De verhouding tussen woningen en niet-woningen is voor de regio hetzelfde als de rest van Nederland, circa 7:1. Tabel 1 Voorraad woningen en niet-woningen, 2017 Noord- en Midden Limburg
Nederland
Woningen
230.659
7.686.178
Niet-woningen
33.855
1.122.809
Totaal
264.514
8.808.987
Bron: CBS Statline 2017 In Tabel 2 zijn de kwantitatieve gegevens van energiegebruik in terajoule (TJ) en CO2-uitstoot in megaton (Mton) gegeven. De woningen zijn verantwoordelijk voor het grootste deel van het energiegebruik (63%) en de CO2-uitstoot (57%) in de gebouwde omgeving. Ondanks het relatief beperkte aantal niet-woningen (33.855) zijn het publiek, maatschappelijk en commercieel vastgoed samen goed voor 43% van de CO2-uitstoot voor de gebouwde omgeving. Tabel 2 Energieverbruik en CO2-uitstoot per doelgroep. Energieverbruik
Doelgroep
CO2 -uitstoot
TJ
%
Kton
%
Woningen
13.629
63%
951
57%
Publiek en maatschappelijk vastgoed
2.589
12%
215
13%
Commercieel vastgoed
5.394
25%
493
30%
Totaal
21.612
100%
1659
100%
Bron: CBS + Klimaatmonitor 2017
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
40
In Figuur 3 zien we de CO2-uitstoot (door gas- en elektriciteitsgebruik) per doelgroep. Voor woningen komt een groot deel van de CO2-uitstoot door het gasverbruik voor het verwarmen. Bij commercieel vastgoed komt een groot deel door elektriciteitsverbruik. Voor publiek en maatschappelijk vastgoed zijn er zowel objecten met hoog elektriciteitsverbruik als objecten met hoog gasverbruik. Dit laatste is te verklaren door de grote variatie in functies en gebruikersprofielen binnen het publiek en maatschappelijk vastgoed (bijvoorbeeld de categorie gezondheidszorg en scholen en de categorie kunst, cultuur, sport en recreatie).
0,8
CO₂-uitstoot electriciteit
CO₂-uitstoot Gas
0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0
Publiek en Maatschappelijk vastgoed
Commerciële dienstverlening
Woningen
Figuur 3: CO2-uitstoot gebouwde omgeving [Mton]
Woningen
Voor de ca. 230.700 woningen in Noord- en Midden-Limburg ligt per woning het energiegebruik en de CO2-uitstoot gemiddeld hoger dan voor de gemiddelde woning in Nederland (Tabel 3). Dit is voornamelijk te verklaren door een gemiddeld grotere woning (22,1% groter vloeroppervlak) en het type woningen in de regio: meer dan de helft van de woningen is vrijstaand of een 2-onder-1-kap (Figuur 4). Ook het bouwjaar speelt een belangrijke rol in de energiebehoefte van woningen. In de regio heeft ca. 81% van de woningen een bouwjaar van vóór 1985 en ca. 19% een later (Figuur 5). Woningen van vóór 1985 zijn nauwelijks geïsoleerd, zodat er vaak nog veel energie te besparen is.
Tabel 3 CO2-uitstoot woningen. Gemiddeld per woning
CO2-uitstoot [ton/jaar]
Nederland
3,486
Noord- en Midden Limburg
4,112
Verschil
+18%
Bron: RWS Klimaatmonitor (peiljaar 2017)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
41
Vrijstaande woning
Hoekwoning
2^1 kap woning
Overig/onbekend
Tussenwoning
Appartement
Figuur 4: Verdeling type woningen Noord- en Midden-Limburg (bron: Woonmonitor 2018)
50000
40000
30000
20000
10000
0
Aantal woningen Figuur 5: Bouwjaar woningen in Noord- en Midden-Limburg (Bron: CBS Statline 2017)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
42
Wat betreft de energielabels van de woningen valt op dat voor een groot deel van de woningen het energielabel onbekend is (Figuur 6). De hoogste labels A, B en C komen het meeste voor bij gecertificeerde huizen. Dit is te verklaren doordat het voor het verkopen en verhuren van huizen nu verplicht is een energielabel te hebben. Hierdoor zijn het vooral nieuwbouwwoningen die een energielabel hebben. Deze hebben een hoog label vanwege de energie- en isolatie-eisen uit het bouwbesluit.
A
A
B
B C
C D
D
Onbekend
E E G
F
F
G Onbekend Figuur 6: Energielabels woningen Noord- en Midden-Limburg (Bron: WoonmonitorAantal 2018) woningen
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
43
Publiek en maatschappelijk vastgoed
Tabel 4 geeft inzicht in het energieverbruik en de CO2-uitstoot van de doelgroep publiek en maatschappelijk vastgoed. Dit laat het grootste gebruik zien in de sectoren gezondheidszorg en openbaar bestuur. Het openbaar bestuur heeft een relatief erg hoog elektriciteitsgebruik. Tabel 4: Jaarlijks energiegebruik en CO2-uitstoot van publiek en maatschappelijk vastgoed Noord- en Midden-Limburg
Gasgebruik [m3]
Elektriciteits gebruik [kWh]
CO2 uitstoot [Kton]
Openbaar bestuur en defensie; verplichte sociale verzekeringen (SBI O)
9.638.000
80.317.000
54
Onderwijs (SBI P)
6.261.000
26.011.000
23
Gezondheids- en welzijnszorg (SBI Q)
21.386.000
100.838.000
84
Kunst, amusement en recreatie (SBI R)
7.791.000
49.370.000
36
Overige dienstverlening (SBI S)
5.458.000*
18.136.000
18
Totaal:
50.534.000
274.755.000**
215
Bron: Klimaatmonitor 2017 *
Geëxtrapoleerd van 2018 waarde
** Afwijking in de data: totaal komt 83.000 kWh lager uit dan opgegeven totaal voor de publieke dienstverlening door Klimaatmonitor
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
44
Commercieel vastgoed
Tabel 5 geeft inzicht in het energieverbruik en de CO2-uitstoot van de commerciële sector. De detailhandel is verantwoordelijk voor veruit het grootste elektriciteitsgebruik. Dit komt door de grote hoeveelheid verlichting en bij supermarkten ook door de koeling. Verlichting is vaak verantwoordelijk voor bijna 70% van het primaire energiegebruik in winkels. Ook bij de categorie vervoer en opslag en de categorie informatie en communicatie is in verhouding het grootste deel van de energievraag voor elektriciteit. Bij logiesfunctie is het gasgebruik in verhouding het hoogst. Dit is te verklaren door de hoge vraag aan warm tapwater door bijvoorbeeld hotels. Tabel 5: Jaarlijks energiegebruik en CO2-uitstoot van commercieel vastgoed Noord- en Midden-Limburg. Gasgebruik [m3]
Elektriciteits gebruik [kWh]
CO2 uitstoot [Kton]
Groot- en detailhandel, reparatie van auto's 31.012.000 (SBI G)
328.606.000
204
Vervoer en opslag incl. railverkeer (SBI H) 8.251.000*
169.843.000
91
Logies-, maaltijd- en drankverstrekking (Horeca, SBI I)
27.449.000*
119.613.000
103
Informatie en communicatie (SBI J)
1.692.000*
35.129.000
19
Financiële activiteiten en verzekeringen Onbekend (SBI K)
37.101.000
24
Exploitatie van en handel in onroerend goed (SBI L)
3.889.000
25.411.000
18
Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten (SBI M)
3.841.000
20.730.000
16
Administratieve en ondersteunende dienstverlening (SBI N)
4.078.000
22.981.000
18
Totaal:
83.813.000
759.414.000
493
Bron: klimaatmonitor 2017, *2016
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
45
3.3.3 Energieverbruik industrie/bedrijfsleven Naast de gebouwde omgeving is het ook belangrijk dat het energiegebruik en daarmee de CO2-uitstoot door bedrijven wordt verminderd. De energievraag van bedrijven betreft niet alleen gas en elektriciteit voor gebouw-gebonden energie, maar met name ook energie voor bedrijfs- en productieprocessen. Op basis van gegevens van de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord (RUD-LN) is voor de middelgrote en kleine energiegebruikers (meestal behorend tot Activiteitenbesluit categorie B en A bedrijven) in Noord- en Midden-Limburg een CO2-uitstoot van 1.150 Kton berekend.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
46
3.3.4 Potentie voor energiebesparing en reductie CO2‑uitstoot Potentie voor CO2-emissiereductie door energiebesparing
Voor de verschillende doelgroepen hebben we het energiebesparingspotentieel bepaald op basis van ervaringscijfers en expert judgement. Voor de woningen is dit gedaan door de mogelijke besparingen in gasverbruik (met name isoleren, gedragsverandering en gebruikersinstellingen) in te schatten. Bij commercieel vastgoed is gekeken naar de impact van besparing op elektriciteitsgebruik (bijvoorbeeld ledverlichting en gebruikersinstellingen), en bij publiek en maatschappelijk vastgoed naar een mix hiervan. Hiervan afgeleid is de reductiepotentie voor CO2-emissie. Tabel 6 hieronder laat een mogelijke besparing zien van 32% voor de gebouwde omgeving en Tabel 7 een potentiële besparing voor het bedrijfsleven van 15% . Tabel 6 Overzicht potentie CO2-reductie per doelgroep gebouwde omgeving Noord- en Midden-Limburg. Gerealiseerde CO2-emissies [Kton]
Potentie % besparing
Potentie % besparing op totaal
Publiek en Maatschappelijk 215 vastgoed
23%
3%
Commercieel vastgoed
493
23%
7%
Woningen
951
26%
15%
Kleinschalige opwekking
-
-
7%
Totaal
1,659
Doelgroep
32%
Bron: CBS + Klimaatmonitor 2017
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
47
Tabel 7 Overzicht potentie CO2-reductie bedrijfsleven Noord- en MiddenLimburg Doelgroep
Gerealiseerde CO2 emissies [Kton]
Potentie % Besparing
Bedrijfsleven
1,15
15%
Bron: gegevens van de RUD
Potentie voor CO2-emissiereductie door kleinschalige energieopwekking
Kleinschalige opwekking met zonnepanelen richt zich op installaties tot maximaal 15 kWp. Dit zijn circa 50 zonnepanelen. In het algemeen gaat het om zonnepanelen op daken van woningen en andere kleinere gebouwen. De praktijk tot dusver leert dat het gemiddelde aantal panelen per woning ongeveer tien is. Het beschikbare geschikte dakoppervlak wordt daarmee niet volledig benut.
Het Nationaal Programma RES heeft voor de regio Noord- en Midden-Limburg tot 2030 een potentie voor kleinschalige zon-PV (zonnepanelen-projecten) berekend van 0,38 TWh. Dit zou leiden tot 10% besparing in CO2-uitstoot. Gelet op de praktijk lijkt dit een overschatting te zijn. Daarom wordt een meer realistische doelstelling voor kleinschalige zon-PV voorgesteld: in 2030 zijn op 70% van de geschikte daken gemiddeld tien panelen geplaatst. Deze opwekking van duurzame elektriciteit levert dan in potentie een CO2emissiereductie van 7%. NB: Vanuit het thema Grootschalige Energieopwekking wordt een aanpak voorgesteld voor het grootschalig benutten van daken van maatschappelijk en commercieel vastgoed (incl. bedrijven). Het gaat daarbij om zonnepanelenprojecten groter dan 15 kWp. In de uitvoering daarvan wordt zoveel mogelijk de combinatie gezocht met de hier uitgewerkte energiebesparing.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
48
3.4 Hoe gaan we onze ambitie bereiken? 3.4.1 Versnelling nodig Onze ambitie is om door middel van energiebesparing en kleinschalige energieopwekking tenminste 25% CO2-emissiereductie te realiseren voor de gebouwde omgeving in 2030 ten opzichte van 2015. Het huidige verloop in het energiegebruik en de daaraan gerelateerde CO2-emissie van de gebouwde omgeving laat sinds 2013 een daling zien. Deze daling verloopt echter niet snel genoeg om de ambitie in deze RES te realiseren. Er is een versnelling nodig, zoals indicatief is weergegeven in Figuur 7.
CO2
25%
2015
2020
RES 1.0
RES 2.0
RES 3.0
RES 4.0
2030
Figuur 7: Schematische weergave van verloop afname CO2-emissie en noodzakelijke versnelling
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
49
3.4.2 Drempels slechten Om deze versnelling bij de verschillende doelgroepen te behalen, kijken we per doelgroep waar het meeste verbruik / de meeste emissie is en hoe de meeste winst te halen is. Hierbij zien we een aantal drempels. De belangrijkste zijn: •
•
•
•
•
Urgentie en verantwoordelijkheid: bij veel doelgroepen bestaat een gebrek aan urgentiegevoel en verantwoordelijkheid voor eigen handelen. Er is bewustwording noodzakelijk voor de energieen klimaatproblematiek en de mogelijkheid om zelf wat hieraan te doen; Kennis: bij doelgroepen is er gebrek aan enerzijds informatie en inzicht over aankomende veranderingen en anderzijds over de eigen mogelijkheden (technisch en financieel). Inzetten op duidelijke communicatie is daarom nodig. Dit kan door o.a. voorlichtingscampagnes, websites met energieloket, lokale ambassadeurs en parkmanagement voor bedrijventerreinen; Uitvoerbaarheid: als men al weet welke maatregelen men wil implementeren, dan zijn er vervolgens nog veel stappen nodig om van ‘wat’ naar ‘hoe’ te gaan. Denk aan complexe processen met betrekking tot wetgeving en vergunningen, technische installatie en financiering. Ontzorgen van de diverse doelgroepen in de processtappen is daarom nodig; Eigenaarschap: vaak is sprake van een splitsing tussen de eigenaar van een gebouw en de gebruiker. Zodoende komt het resultaat van de investering (besparing) bij de gebruiker terecht en niet bij de investeerder (de eigenaar).
Andersom heeft de gebruiker vaak beperkte invloed op veranderingen en implementatie van maatregelen, waardoor hij vaak met hoge gebruikskosten blijft zitten; Financiering: maatregelen voor energiebesparing en zon-op-dak vragen om (vaak) aanzienlijke investeringen. Met name particuliere woningbezitters in de lagere inkomensklassen en kleinere MKB-bedrijven hebben weinig eigen investeringsvermogen voor duurzame maatregelen. Daarnaast is het voor diverse maatregelen niet mogelijk een sluitende businesscase op te stellen, vanwege hoge kosten en/of omdat de prijs die een (groot) gebruiker nu voor energie (per kWh of m3) betaalt relatief laag is.
Om deze drempels weg te nemen is een samenhangende benadering nodig. In de volgende paragrafen zijn per doelgroep instrumenten uitgewerkt die helpen bij het inzetten van de versnelling. Deze instrumenten vragen om extra kennis, capaciteit en investeringen, zowel van gemeenten als van de doelgroepen en overige belanghebbenden.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
50
3.4.3 Samenwerken in RES-verband / cafetaria model / monitoring De overheden (gemeenten, Provincie, Rijk), alsmede diverse nongouvernementele organisaties (NGO’s), koepel- en brancheorganisaties en andere partijen hebben de afgelopen jaren instrumenten ontwikkeld en capaciteit ingezet om de verduurzaming van de gebouwde omgeving en andere doelgroepen te stimuleren. Daarbij is soms samengewerkt, maar ook zijn veel acties en instrumenten vanuit de individuele organisaties ontwikkeld en uitgevoerd. Hoewel deze wel leiden tot resultaat (er is een afname van energiegebruik en CO2-uitstoot, zie Figuur 7), is onduidelijk of en in welke mate deze inzet efficiënt en daadwerkelijk effectief is. Monitoring (zeker van effecten) en evaluatie vindt beperkt plaats. In RES-verband wordt daarom voor de diverse doelgroepen een aanpak (ontzorgingsprogramma) met een palet van acties en instrumenten voorgesteld waaraan gemeenten, Provincie en Waterschap kunnen deelnemen. Zij kunnen de hele aanpak overnemen, maar ook onderdelen daarvan. Zo ontstaat een soort ‘cafetaria-model’. Deelname aan alle acties is dus geen verplichting; er kan ook voor gekozen worden zelfstandig zaken te blijven organiseren en uitvoeren. De aanname is echter dat door zoveel mogelijk eenzelfde aanpak te volgen, samen te werken en geen eigen lokale instrumenten te ontwikkelen, de beoogde energiebesparing c.q.
CO2-reductie efficiënter en effectiever gerealiseerd kan worden. Efficiënter doordat kennis, capaciteit, ontwikkel- en uitvoeringskosten gedeeld kunnen worden, waarbij ambtelijke organisaties worden ontzorgd. Effectiever omdat op een groter schaalniveau instrumenten gerichter kunnen worden ingezet. Om de voortgang van de besparingsaanpak te volgen, gaan we in RES-verband monitoren, evalueren en periodiek rapporteren over: • Input: de inzet van instrumenten, capaciteit en financiële middelen op regionaal- en gemeentelijke niveau; • Output: de uitvoering en voortgang van acties, projecten e.d. op regio- en gemeentelijke niveau; • Outcome / effect: de resultaten in termen van (verloop van) energiegebruik en CO2-emissie op gemeentelijk en regionaal (RES-) niveau Op basis van de voorgaande punten worden effectiviteit en efficiëntie van de verschillende instrumenten en de vooruitgang per gemeente en op RES-niveau geëvalueerd en gerapporteerd, ten behoeve van de volgende RES (2.0).
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
51
3.4.4 Ontzorgingsprogramma energiebesparing (en zonnepanelen op dak) per doelgroep Ontzorgingsprogramma
Woningen
Gemeentelijk en maatschappelijk vastgoed
Commercieel vastgoed en bedrijven
Figuur 8: Drie hoofdgroepen binnen het ontzorgingsprogramma
Woningen Wat willen we bereiken?
Meer urgentiegevoel en kennis over handelingsperspectief energietransitie bij inwoners. Meer en snellere implementatie van maatregelen voor energiebesparing en kleinschalige opwekking. Focus op woningen die vóór 1985 gebouwd zijn en/of woningen met energielabel C of slechter.
Onze strategie op het gebied van woningen is onderverdeeld in twee groepen: particuliere woningeigenaren (inclusief kleine particuliere verhuurders en VvE’s) en woningcorporaties (sociale huur). Particuliere woningeigenaren De ‘klantreis’ (zie Figuur 9 verderop) maakt het ontzorgingsproces voor woningbezitters inzichtelijk. De klantreis is een conceptuele beschrijving van de werkelijkheid en geeft de stappen weer die een woningbezitter doormaakt van begin tot einde. In de praktijk zal niet iedere inwoner precies langs alle fases gaan. Sommige inwoners willen geïnspireerd worden, andere willen hulp bij het kiezen van een leverancier. De klantreis geeft aan op welk moment een instrument inspeelt op de vragen en behoeften van de woningbezitter. Zo zal hij in de beginfase
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
52
vooral geïnspireerd worden door een ambassadeur/coach. De ervaring is immers dat de meeste woningbezitters in deze fase niet zelf actief op zoek gaan naar informatie. Uit een door ons uitgevoerde SWOT-analyse van diverse aanpakken gericht op de burger c.q. particuliere woningbezitter is naar voren gekomen dat de combinatie van een digitaal energieloket met backoffice, lokale ambassadeurs/ coaches en professionele energieadviseurs de beste middelen zijn om inwoners te enthousiasmeren, te informeren en te adviseren. Over nut en noodzaak van fysieke ‘voorbeeldwoning energie/duurzaamheid’ zijn de meningen verdeeld. Er is of was reeds een aantal van dergelijke voorbeeldwoningen in de regio (o.a. de Woning van Morgen in Venlo). Daarnaast is in Parkstad Limburg de Woonwijzerwinkel en in Maastricht het EnexisHuis. Méér voorbeeldwoningen in de regio bieden daarom nauwelijks meerwaarde. Een mobiele ‘winkel’, die bijvoorbeeld gemeenten bezoekt tijdens marktdagen, kan wél voldoende meerwaarde bieden. Er zijn diverse partijen die dit reeds aanbieden, o.a. het Duurzaam Bouwloket (zie hierna).
Klantreis
De klant wordt bewust, krijgt interesse en wordt enthoudiast
De klant wordt actiet, informeert en overweegt opties
De klant maakt een keuze, zoekt financiering uit en onderneemt actie
• Waarom zou ik
• Wat kan ik doen in
• Hoe kom ik aan
De klant ervaart wooncomfort en ontvangt service
De klant wil zijn ervaringen delen en wil de volgende stap zetten
• Waar kan ik mijn iets doen?
mijn situatie?
• Waarom zou ik
• Waarmee mak de
nu iets doen?
meeste impact?
aannemer feedback
een betrouwbare aannemer?
geven? • Waar kan ik terecht
• Ik word ambassadeur! • Hoe blijf ik op de
• Wat is een reële prijs?
bij vragen en
hoogte van actuele
• Hoe kom in
storingen?
ontwikkelingen?
aanmerking voor subsidie?
Digitaal loket met back office Professionele energie adviseurs Lokale ambassadeur en energie coaches
Figuur 9: Klantreis woningeigenaar
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
53
Digitaal loket Een digitaal loket is voor de meeste mensen toegankelijk, maar het komt niet vanzelf naar de inwoner toe. Het doel van het loket is: • Duidelijk, transparant en up to date informatie bieden over nut en noodzaak van de energietransitie en de mogelijkheden van ieders eigen bijdrage (gedrag en technisch). • Leiderschap en goede voorbeelden een podium geven om anderen te inspireren en laten leren. • Informeren over wettelijke regelgeving en over bestaande instrumenten, zoals Zonnekaart Limburg, de provinciale lening Duurzaam Thuis, het Nationaal Warmtefonds of andere financiële instrumenten. Een digitaal loket met backoffice bestaande uit deskundige adviseurs, zoals het Duurzaam Bouwloket, biedt het voordeel dat iedereen er terecht kan met vragen. Het is interactief en geeft de bezoeker deskundig en up-to-date informatie en advies. Voordeel is ook dat gemeenteambtenaren worden ontlast met vragen van burgers, en zelf ook bij de backoffice terecht kunnen met hun eigen vragen. Om het digitaal loket tot een succes te maken, zijn de volgende aspecten van belang: • Koppel het digitale loket aan de gemeentelijke website, zodat het goed vindbaar is en er een ‘couleur locale’ kan ontstaan, zodat het voor de inwoner als ‘iets van de gemeente’ direct herkenbaar is. Koppel ook goede voorbeelden uit de eigen gemeente aan het loket.
• Maak de backoffice professioneel en goed bereikbaar, zodat het als persoonlijk en deskundig ervaren wordt. • Zorg ervoor dat de medewerkers van de backoffice altijd op de hoogte zijn van actuele informatie uit de gemeente. • Zorg dat het loket objectieve informatie en onafhankelijk advies geeft. • Geef regionale bedrijven een plek op het digitale loket, zodat lokale, duurzame bedrijvigheid gestimuleerd wordt. • Koppel andere thema’s aan het loket, zoals de circulaire economie en klimaatadaptatie, zodat de inwoner de relatie tussen deze thema’s begrijpt. • Verstrek daarnaast vanuit het digitale loket periodiek doelgerichte informatie via gemeentelijke bladen. Ook periodieke themagerichte acties (publiekscampagnes) over mogelijkheden van energiebesparing, kosten en financieringsmogelijkheden verdienen de aandacht. De kosten van deelname aan een digitaal loket met backoffice zijn per gemeente €5.000 tot €9.500 per jaar, afhankelijk van de grootte van de gemeente. Een digitaal loket (= alleen website) zonder backoffice kost €3.000 tot €5.000 per jaar per gemeente. In dit geval zal meer ambtelijke capaciteit nodig zijn voor het beantwoorden van vragen van burgers, organisaties en bedrijven en het bijhouden van ontwikkelingen (o.a. regelgeving en energiefondsen)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
54
Coaches of ambassadeurs Ambassadeurs of coaches zijn vaak inwoners met positieve praktijkervaring of leden van een lokale energiecoöperatie. Zij kunnen hun ervaringen delen met andere burgers en bedrijven. Een ambassadeur/coach kan zijn eigen verhaal vertellen en kan daarmee op een laagdrempelige manier enthousiasmeren en inspireren. Een ambassadeur/coach is echter geen professioneel adviseur en zal dus minder inhoudelijk deskundig zijn. Voor meer technisch en of financieel advies moet de inwoner bij het loket of de adviseur zijn. Ambassadeurs/coaches kunnen per gemeente georganiseerd worden, maar kunnen ook in een netwerk over gemeentegrenzen heen opereren. In alle gevallen is het van belang dat zij contact met elkaar en met de gemeenten houden. Als RES-regio kan dit voor de gemeenten samen worden georganiseerd via een regionaal platform zoals het SELL (Servicepunt Energie Lokaal Limburg). Maar een gemeente kan dat ook individueel regelen, bijvoorbeeld als onderdeel van het digitale loket.
Energieadviseurs Een adviseur geeft onafhankelijk, professioneel en persoonlijk advies. Dit advies is arbeidsintensief en dus zijn er meer kosten aan verbonden. Adviseurs kunnen dan ook het beste gericht worden ingezet op een specifiek gebied of doelgroep. Mede omdat gekwalificeerde energieadviseurs schaars zijn en om kostenefficiënt te werken, wordt het volgende aanbevolen: • Maak een pool van regionale professionele adviseurs zodat inwoners weten waar ze betrouwbaar en professioneel advies kunnen krijgen. Stem dit ook af met energiecoöperaties, die als ambassadeur/coach kunnen optreden. • Adviseurs uit eigen regio zijn een pré voor persoonlijke benadering en herkenbaarheid. Borg wel de klantgerichtheid, deskundigheid en onafhankelijkheid van de adviseurs in de pool. • Zet adviseurs gericht in. Bij woningen die vóór 1985 gebouwd zijn en veelal energielabel C of slechter hebben, is in verhouding tot de kosten relatief de meeste energiebesparing te realiseren. De inzet van adviseurs moet daarom vooral gericht worden op wijken waar veel oudere woningen staan. Daarnaast kan ook met banken, makelaars en notarissen worden afgesproken dat zij kopers van bestaande woningen wijzen op energiebesparing, de mogelijkheid van zonnepanelen en gebruik maken van een energieadviseur.
De kosten voor een deskundig professioneel energieadvies, waarbij de klant ook geholpen wordt met aanvragen en beoordelen van offertes en evt. een oplevercontrole plaatsvindt, bedragen ca. €500,- per klant. Gemeenten kunnen overwegen om een deel van deze kosten voor de inwoners te vergoeden (mogelijk d.m.v. RRE-subsidie). Daarnaast zal het door gemeenten gezamenlijk inrichten van een adviseurspool capaciteit besparen voor aanbesteding. Dan kan er waarschijnlijk een beter uurtarief worden bedongen. Door samen te werken ontstaat voor de deelnemende gemeenten flexibiliteit in de inzet van de adviseurs.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
55
Woningcorporaties Woningcorporaties hebben hun eigen doelstellingen en aanpak m.b.t. energie transitie en verduurzamen van hun sociaal woningbezit. De aanpak is veelal afgestemd op de meerjarige onderhoudsprogramma’s, maar er bestaan ook mogelijkheden voor verduurzaming bij wisseling van bewoners en evt. op aanvraag (m.n. voor zonnepanelen). Omdat woningcorporaties veel ervaring opdoen met verduurzaming, is het aan te bevelen dat zij hun kennis onderling delen. Hiervoor zou het provinciaal netwerk van de woningcorporaties gebruikt kunnen worden of een aparte Community of Practice opgericht kunnen worden. Hieraan kan ook een vertegenwoordiging vanuit de RES en/of gemeenten deelnemen Zo kunnen tijdig eventuele plannen voor de warmtetransitie en aardgasvrije wijken gedeeld worden, zodat corporaties daarop kunnen inspelen met hun verduurzamingsplannen. Om dit te concretiseren bevelen wij aan dat vanuit de RES (evt. gemeenten apart) met de relevantie woningcorporaties: • prestatie- en resultaatafspraken worden gemaakt over (de mate en omvang van) de verduurzaming van de sociale huurwoningen. Verduurzaming tot minimaal B-label zou daarbij de ondergrens moeten zijn; • afspraken worden gemaakt over uitwisseling van informatie en kennis m.b.t. verduurzaming en plannen betreffende warmtetransitie (bijv. plannen voor aardgasvrije wooncomplexen).
Publiek en maatschappelijk vastgoed Wat willen we bereiken?
Overheden geven het goede voorbeeld met verduurzamen van publiek / gemeentelijk vastgoed: Toepassen van de sectorale routekaarten maatschappelijk vastgoed en opstellen vierjaarlijkse portefeuille-routekaarten voor de diverse soorten maatschappelijk vastgoed. (zie voor uitleg volgende pagina) In 2023 voldoen alle overheidsgebouwen aan de wettelijke verplichtingen: tenminste energielabel C en alle energiemaatregelen treffen met een terugverdientijd ≤ 5 jaar. Verder zijn alle overheidsgebouwen met daarvoor geschikte daken voorzien van zonnepanelen. Aanvullende ambitie publiek vastgoed: ook energiemaatregelen treffen met een terugverdientijd ≤ 15 jaar. In 2030 zijn alle overige maatschappelijk vastgoedgebouwen met daarvoor geschikte daken voorzien van zonnepanelen.
Voor bestaand maatschappelijk vastgoed is een aantal verplichtingen van toepassing: in 2023 dienen alle overheidsgebouwen tenminste energielabel C te hebben, moeten energiemaatregelen met een terugverdientijd met minder of gelijk dan vijf jaar worden getroffen, en waar mogelijk worden zonnepanelen aangebracht op daken. (NB: zie verderop m.b.t. wijziging regelgeving vanaf 2023)
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
56
Mede vanuit de voorbeeld- en aanjaaggedachte is het belangrijk dat voor het gemeentelijk/publiek vastgoed verduurzamingsplannen worden opgesteld en daarvoor financiële middelen worden gereserveerd/vrijgemaakt. Ook voor het maatschappelijk vastgoed, met een breed scala aan doelgroepen en eigenaren, dient de slag van energiebesparing en zonnepanelen gemaakt te worden. Kenmerkend voor het publieke en maatschappelijke vastgoed is dat in veel gevallen niet duidelijk is wie de eigenaar van het gebouw is: vaak is de gebruiker een andere partij dan de eigenaar. Gemeenten zijn vaak de gebouweigenaar van (basis)scholen, sportaccommodaties, gemeenschapshuizen en monumenten, terwijl andere partijen ze gebruiken (Figuur 10). De verantwoordelijkheid voor investeringen voor verduurzaming ligt bij de eigenaren. Maar de gebruikers genieten vaak het voordeel van de lagere energierekening. Daarom moeten ook goede afspraken gemaakt worden over welke partij investeert, welke partij verantwoordelijk is voor beheer en onderhoud en wie het financieel voordeel verwerft.
Sectorale Routekaart Sport
(gemeentelijk bezit)
Monumenten Welzijn Ambt. huisvesting
Onderwijs (PO/VO)
Cultuur
Figuur 10: Maatschappelijk vastgoed binnen de invloedssfeer van gemeenten
Routekaarten In het Klimaatakkoord hebben twaalf maatschappelijk vastgoedsectoren (Rijksvastgoedbedrijf, gemeenten, provincies, politie, onderwijs (PO en VO, MBO, HBO en WO), zorg- en sportvastgoed en monumenten) afgesproken ieder een sectorale routekaart op te stellen. Eigenaren van maatschappelijk vastgoed moeten binnen de kaders van ‘hun’ sectorale routekaart een eigen vierjaarlijkse portefeuilleroutekaart maken. Voor gemeentelijk vastgoed heeft de VNG de Sectorale Routekaart Maatschappelijk Vastgoed gelanceerd, die een opmaat vormt voor het opstellen van portefeuilleroutekaarten door individuele gemeenten. Ook voor scholen, sport, zorg en monumenten zijn de sectorale routekaarten gepubliceerd. In de cultuursector is het landschap divers. Hier bestaat het
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
57
vastgoed onder meer uit bibliotheken, musea en theaters. Vanwege deze diversiteit is er voor deze categorie geen algemene sectorale routekaart opgesteld. Toepassing van de portefeuilleroutekaarten is een grote kans voor vastgoedmedewerkers om de verduurzaming van het vastgoed veel concreter te maken. Er moet een plan op tafel worden gelegd waarin voor de komende vier jaar projecten zijn geselecteerd die tot (bijna) energie-neutrale gebouwen moeten leiden. De ‘slimme selectie’ van gebouwen die in de portefeuilleroutekaart komen hangt nauw samen met het vastgoedbeleid. Er is namelijk een langetermijnperspectief nodig waarin een brede afweging plaatsvindt op portefeuilleniveau. Afstemming met MJOP’s (meerjarenonderhoud programma’s) en het accommodatiebeleid (welke gebouwen blijven voor langere termijn in gebruik) is noodzakelijk.
Publiek/gemeentelijk vastgoed
Het is de bedoeling dat gemeenten op basis van de Routekaart Gemeentelijk Maatschappelijk Vastgoed de eigen opgave in beeld brengen en de wijze waarop zij de verduurzaming gaan realiseren. De eigen portefeuilleroutekaart bevat naast een strategie ook een uitvoeringsplan voor de korte termijn van vier jaar, inclusief de benodigde investering. De RES biedtj hiervoor aanpakken en instrumenten waarmee de gemeenten, in overleg met de gebruikers, aan de slag kunnen: • Toepassen van de Routekaart Gemeentelijk Maatschappelijk Vastgoed. Recent is ook de Leidraad verduurzamen gemeentelijk vastgoed verschenen, die een stappenplan bevat met praktijkvoorbeelden voor verduurzamen van het gemeentelijk vastgoed. • Deelnemen van gemeenten tot 25.000 inwoners aan het provinciaal ontzorgingsprogramma voor maatschappelijk vastgoed. Voor de RES-NML betekent dit concreet dat zeven van de vijftien gemeenten hierop aanspraak kunnen maken. Zie de nadere toelichting verderop. NB: Een gelijksoortige aanpak kan vanuit de RES-samenwerking ook worden opgezet voor de grotere gemeenten. • Inrichten van een Community of Practice voor verduurzaming gemeentelijk vastgoed.
Hierin worden, al dan niet ondersteund door professionele partijen, kennis en ervaringen gedeeld over investeringsopgaven en de uitvoering (business cases, financiering + FTE’s), efficiënter gebruik van gebouwen (integratie accommodatiebeleid en verduurzamingsopgave), samenwerken binnen de gemeentelijke organisatie en besluitvorming. • Toepassen van een (gezamenlijk) energiemonitoringssysteem. Om goed inzicht te hebben in het eigen vastgoed, energieverbruik en vooruitgang van de verduurzamingsopgave, is een energiemonitoringssysteem essentieel. Dit biedt de volgende voordelen: inzicht in ‘laaghangend fruit’-maatregelen, sturing op duurzamer gedrag gebruikers, betere gebouw-inregeling en ontzorgen van de facilitaire dienst in facturatie van energiekosten en bijhouden/ voorkomen van onnodige aansluitingskosten. Hiermee is snel zowel financiële winst als energiebesparing te realiseren. • Desgewenst kan een financieel model / regeling ontwikkeld worden voor het verrekenen van het kostenvoordeel voor de gebruiker met de investeringen door de eigenaar.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
58
Wijziging regelgeving Vanaf 2023 gaat de wet- en regelgeving op basis van de Omgevingswet wijzigen. Dat betekent dat op basis van het dan geldende ‘Besluit bouwwerken leefomgeving’ de gebouweigenaar verantwoordelijk wordt voor de energie‘performance’ van het gebouw (dit geldt m.n. voor maatschappelijk en commercieel vastgoed). De gebruikers die een zgn. milieubelastende activiteit uitvoeren, zullen op basis van het ‘Besluit activiteiten leefomgeving’ verantwoordelijk zijn voor de energieprestatie van de processen in dat gebouw. Dit kan ook betekenen dat de dienst Bouw- en woningtoezicht extra energietaken krijgt of dat deze taken expliciet bij de RUD-LN moeten worden neergelegd. Overigens krijgen gemeenten dan de bevoegdheid om eigen regels vast te stellen voor de energiebesparingsplicht bij milieubelastende activiteiten (bijv. een andere grens voor de terugverdientijd van verplichte maatregelen), of een andere grens voor de omvang van het energiegebruik (nu bijv. 50.000 kWh/j). Het is aan te bevelen om dit op termijn in RES-verband (liefst provinciaal) uit te werken om voor gemeenten en regio’s een gelijk speelveld te behouden.
Overig maatschappelijk vastgoed (onderwijs, zorg, sport, cultuur)
Ook de eigenaren van ander maatschappelijk vastgoed moeten aan de slag met verduurzaming. Bij voorkeur worden hiervoor de sectorale routekaarten toegepast. Die worden uitgewerkt in portefeuille-routekaarten en vierjaarlijkse plannen van aanpak met projecten die tot energiebesparing (en duurzame opwek) leiden. Ook hier moet de verbinding gelegd worden met het accommodatiebeleid. Evenals de kleinere gemeenten kunnen ook maatschappelijk vastgoedeigenaren met een beperkt aantal gebouwen gebruik maken van het provinciaal ontzorgingsprogramma. Voor de uitvoering van dit ontzorgingsprogramma is samenwerking met de RES-regio’s en gemeenten van groot belang. Provinciaal ontzorgingsprogramma kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren Door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is de ‘Regeling specifieke uitkering ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed’ ter beschikking gesteld en via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aangeboden aan de provincies. Deze regeling voorziet in het verstrekken van specifieke uitkeringen aan provincies van ten hoogste € 2 miljoen per provincie voor het ontzorgen van minimaal 100 kleine maatschappelijke vastgoedeigenaren bij de verduurzaming van de gebouwen die zij in eigendom hebben.
Deze middelen zijn begin 2021 beschikbaar via een specifieke uitkering aan de provincie, zodat begin 2021 gestart kan worden met het ontzorgingsprogramma. De middelen dienen vóór 1 januari 2024 uitgezet te zijn. RVO zal de provincies ondersteunen gedurende de gehele looptijd van het programma. In totaal zijn er in heel Limburg circa 295 kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren met circa 695 gebouwen. Het streven is om minimaal
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
59
100 eigenaren met circa 287 gebouwen te ondersteunen middels het ontzorgingsprogramma. Met ontzorgen wordt bedoeld het begeleiden bij het verduurzamen van hun gebouwen. Dat gaat van bewustwording, enthousiasmeren, energieadvies, businesscase opstellen en financieel advies tot de aanbesteding van de duurzaamheidsmaatregelen (energiebesparing en zonnepanelen op dak). Het provinciaal ontzorgingsprogramma stimuleert ook vraagbundeling en het delen van opgedane kennis en ervaring met het Kennis en Innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed. Aanvullend op de provinciale ontzorgingsprogramma’s zal RVO een landelijk ondersteuningsprogramma inrichten, waarbij het Kennis- en Innovatieplatform verduurzaming maatschappelijk vastgoed zal worden betrokken. Hiermee wordt beoogd om het verduurzamingsproces van kleine maatschappelijk vastgoedeigenaren in beeld te brengen en waar mogelijk te standaardiseren.
Bedrijven en commercieel vastgoed Wat willen we bereiken?
Bedrijven voldoen aan de informatieplicht cf. Activiteitenbesluit Wm (t.z.t. Besluit activiteiten leefomgeving): melden energiegebruik en energiemaatregelen. Bedrijven met elektriciteitsgebruik ≥50.000 kWh/j of gasgebruik ≥25.000 m3/j implementeren maatregelen met een terugverdientijd (TVT) ≤ 5 jaar. Daarbij maken ze gebruik van de erkende maatregelen-lijsten. Bedrijven met een kleiner energiegebruik implementeren zoveel mogelijk maatregelen met een terugverdientijd van ≤ 5 jaar. Bedrijven met geschikte daken benutten deze zoveel mogelijk voor duurzame energieopwekking met zonnepanelen.
Energiebesparing bedrijven via wettelijk VTH-instrumentarium De RES-regio Noord en Midden-Limburg kent veel bedrijven van diverse omvang en vallend onder diverse wettelijke verplichtingen (Figuur 11). De overheid heeft voor energiebesparing door bedrijven wetgeving vastgesteld en op basis hiervan voor (19) bedrijfstakken ‘erkende maatregelenlijsten’ opgesteld. Het gaat o.a. om de implementatie van het Activiteitenbesluit wet milieubeheer en de Energie Efficiency Richtlijn. De gemeenten en de RUDLN (Regionale Uitvoeringsdienst Limburg Noord) zijn als bevoegd gezag aangewezen voor toezicht en handhaving van met name de middelgrote en kleine energiegebruikers. De energievraag van de bedrijven betreft niet alleen gas en elektriciteit voor het verwarmen en verlichten van bedrijfsgebouwen, maar ook energie voor bedrijfsprocessen. NB: Zie de opmerkingen op pagina 31 onder Wijziging regelgeving.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
60
Bedrijven per gemeente aantallen 0
500
1.000
1.500
2.000
2.500
3.000
3.500
4.000
4.500
5.000
Beesel Bergen (L) Echt-Susteren Gennep Horst aan de Maas Leudal Maasgouw Mook en Middelaar Nederweert Peel en Maas Roerdalen Roermond Venlo Venray Weert
Bedrijven informatieplicht
Vergunning-plichtige bedrijven
Glas-tuinbouw
Overige bedrijven
ETS en/of MJA
Figuur 11: Verdeling van de diverse categorieën bedrijven over de gemeenten in de RES-regio
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
61
Gemeente
Aantal bedrijven (RvO)
Bedrijven informatieplicht
Informatieplicht ingediend
% ingediend
nog in te dienen
% nog in te dienen
vergunningplichtige bedrijven
ETS en/of MIA
Glas-tuinbouw
overige bedrijven
Tabel 8: Aantal bedrijven per gemeente en informatieplicht energiebesparing (stand per 5 oktober 2020)
Beesel
445
100
32
32%
68
68%
9
6
4
326
Bergen (L)
517
150
42
28%
108
72%
29
5
15
318
Echt-Susteren
1.670
297
92
31
205
69%
55
4
0
1.314
Gennep
720
182
54
30%
128
70%
22
5
1
510
Horst aan de Maas
2.105
598
168
28%
430
72%
104
6
75
1.322
Leudal
1.896
530
150
28%
380
72%
87
2
15
1.262
Maasgouw
1.074
159
61
38%
98
62%
23
3
2
887
Mook en Middelaar
271
63
17
27%
46
73%
6
1
0
201
Nederweert
999
258
66
26%
192
74%
117
4
6
614
Peel en Maas
2.129
573
171
30%
402
70%
100
9
63
1.384
Roerdalen
598
99
39
36%
63
64%
29
0
2
468
Roermond
3.119
726
251
35%
475
65%
29
24
2
2.338
Venlo
4.970
1.199
366
31%
833
69%
80
26
53
3.612
Venray
2.224
655
187
29%
468
71%
191
12
14
1.352
Weert
2.721
660
186
28%
474
72%
78
17
3
1.963
Totaal
25.458
6.249
1.879
30,1%
4.370
69,9%
959
124
255
17.871
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
62
Voor veel bedrijven geldt de informatieplicht en besparingsplicht energie. Het toezicht houden op de uitvoering hiervan, evenals handhaving, behoort tot de basistaken van de RUD. Hieraan is tot enkele jaren geleden beperkte prioriteit en capaciteit gegeven. Ondanks dat vanuit ministerie (EZK), RVO en RUD de afgelopen jaren bedrijven zijn gewezen op hun informatieplicht, heeft per oktober 2020 pas ca. 30 % van de bedrijven voldaan aan de informatieplicht. Landelijk heeft ca. 50% van de bedrijven voldaan. Als vervolgactie is heeft de RUD-LN de bedrijven wederom gewezen op het niet voldoen aan de informatieplicht. Op de niet-melders is tot dusver geen verdere actie ondernomen, omdat dit vooralsnog niet is opgenomen in het uitvoeringsprogramma van de RUD. Uit controles door de RUD is bij 90-95% van de bedrijven gebleken dat op het gebied van energie iets niet in orde is. Dit geldt zowel voor vergunningplichtige als informatieplichtige bedrijven. Bijvoorbeeld de melding komt niet overeen met de werkelijke situatie, er is geen plan van aanpak voor nog uit te voeren maatregelen, het bedrijf moet voldoen aan de EED-richtlijn, of het energiebesparingsonderzoek is ouder dan vier jaar. Hieruit blijkt dat bedrijven problemen ervaren bij de informatieplicht en de verplichte energiebesparing.
Voorlopige conclusies zijn dat het urgentiegevoel er wel is bij veel bedrijven, maar dat ze door gebrek aan kennis niet weten waar ze moeten beginnen met energiebesparing en dat ze niet op de hoogte zijn van financieringsmogelijkheden. Gelet op de bijdrage van bedrijven aan het energiegebruik en de CO2-uitstoot, is er meer aandacht, toezicht en handhaving nodig m.b.t. energiebesparing door bedrijven en organisaties met commercieel vastgoed. Als RES-gemeenten een gezamenlijke prioritering en aanpak ontwikkelen, zal er een duidelijke boodschap richting bedrijven uitgaan, waardoor deze meer initiatief moeten nemen voor energiebesparing. Hiertoe worden de volgende acties geadviseerd: • Betere communicatie, inzet van extra menskracht en financiële instrumenten door RVO, gemeenten, RUD-LN, LWV en MKB-Limburg. Hierdoor worden gebrek aan kennis en ontbrekend urgentiegevoel bij bedrijven verminderd. • Bespreek nut/noodzaak, doelstelling en mogelijkheden van een wettelijke aanpak van energiebesparing door bedrijven in het AB en DB van de RUD-LN. Geef de RUD-LN opdracht voor toezicht en handhaving inzake energiebesparing, voor zover dit niet in reguliere opdracht van basistaken opgenomen is. • Energiebesparing door de RUD-LN moet meer prioriteit krijgen in de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving door gemeenten.
Deze extra inzet kan plaatsvinden via her-prioritering van de bestaande capaciteit of via inzet van extra capaciteit. Hiervoor bedoelde rijksmiddelen zouden daartoe moeten worden ingezet (NB: Sommige gemeenten doen dit nog niet). Het AB/DB RUD-LN dient hierover een besluit te nemen. De gemeenten zullen evenwel de beleidsmatige keuze hiervoor moeten maken.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
63
De medewerkers van RUD-LN dienen voldoende uren beschikbaar te krijgen om ervaring op te doen en te kunnen voldoen aan de kwaliteitscriteria. De RUD dient daartoe een plan van aanpak uit te werken, waarin ook de benodigde capaciteit, kosten en (mogelijkheden voor) de aansturing van energiespecialisten zijn uitgewerkt. In dit plan moet de aanpak van vergunningplichtige en informatieplichtige bedrijven afzonderlijk worden uitgewerkt, met aandacht voor doelmatigheid (te bereiken energiebesparing c.q. CO2-emissiereductie per ingezette capaciteit of geld). Dit betekent dat de RUD zich vooral moet focussen op bedrijven waar CO2-winst te behalen valt. Dit zijn vaak bedrijven die nog weinig maatregelen hebben getroffen, of die veel energie gebruiken. Op basis daarvan kan een prioritering in de aanpak worden voorgesteld (bijv. focus op vergunningplichtige bedrijven, focus op de grootste energiegebruikers of focus op bedrijven met slecht naleefgedrag). • Borg dat Rijksmiddelen uit de mei- en decembercirculaires, bestemd voor RUD-taken, daadwerkelijk beschikbaar komen als energiebudget voor de RUD-LN.
Ondersteuning MKB-bedrijven door koepelorganisaties Stimulering en ondersteuning MKB-bedrijven door initiatieven vanuit koepelorganisaties Wij verkennen met de Limburgse Werkgeversvereniging (LWV), MKB Limburg, bedrijventerrein organisaties welke ‘ontzorgingspakketten’ te ontwikkelen en aan te bieden zijn voor het Limburgse bedrijfsleven en verduurzaming van bedrijventerreinen. Veel MKB’ers zijn bereid om in energie- en duurzaamheidsmaatregelen te investeren. Enerzijds in onderlinge collectieve of coöperatieve afspraken over duurzame inkoop c.q. opwek van energie (bijv. zon-op-dak bij ondernemers op bedrijventerreinen), anderzijds om zelf initiatieven te ontwikkelen in de energietransitie. Wij willen deze bedrijven ondersteuning bieden vanuit toegevoegde waarde en – als dat nodig is - ook knelpunten in de uitvoering als gevolg van in de uitvoering van wet- en regelgeving aankaarten bij de rijksoverheid. Diverse gemeenten zijn al gestart met projecten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen. Een aansprekend voorbeeld is Venlo, waar de bedrijvenorganisatie Ondernemend Venlo samen met LWV Parkmanagement en de gemeente Venlo het project Duurzame Bedrijventerreinen is gestart. Financiering gebeurt met OP-Zuid-subsidie, met provinciale cofinanciering. Het uiteindelijke doel is om op innovatieve wijze schaalgrootte te organiseren bij het verduurzamen van bedrijventerreinen.
Collectiviteit kan voordelen opleveren voor duurzame energieproductie, -efficiëntie en -besparing.
RES | Noord- en Midden Limburg
Samen werken aan een duurzame regio
64
De ervaringen worden gebruikt voor uitrol naar andere bedrijventerreinen in Venlo. Die uitrol moet er toe leiden dat in 2030 op alle bedrijventerreinen van Ondernemend Venlo 20% energie bespaard wordt, op 20% van de daken duurzame energie wordt opgewekt en op 20% van de bedrijventerreinen gevolgen van de klimaatverandering opgevangen kunnen worden. Bij succes kan een soortgelijke aanpak worden ingezet op andere bedrijventerreinen in de RES-regio. Hiertoe kan vanuit de RES een kennisnetwerk worden opgezet, waarin ook andere initiatieven voor verduurzaming van bedrijventerreinen worden gedeeld. Tevens bezien wij of op regionale of provinciale schaal ondersteuning geboden kan worden aan het Charter Energietransitie MKB van de Stichting Groene Economie Limburg. Dit initiatief beoogt een regionale aanpak waarin bedrijfsleven, overheid (met name RUD) en onderwijs samenwerken om de energietransitie bij het MKB te stimuleren. Deze aanpak is als een ‘wortel’benadering (stimuleren en helpen) opgezet, in tegenstelling tot de wettelijke aanpak van energiebesparing via uitvoering van toezicht en handhaving (stok). Doel is via een ontzorgingsaanpak (vergelijkbaar met de ‘klantreis’) energiebesparing en duurzame energieopwekking bij bedrijven te stimuleren door voorlichting en inzet van energieadviseurs.