CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

RES Noord- en midden 1.0

Gemeenteraad 8 juni 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling RES 1.0;29.141 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Stimulering zonnepanelen op daken Vanuit het thema Grootschalige Opwek is een plan opgesteld voor een RESbrede aanpak van het stimuleren van de aanleg van zonnepanelen op grote daken. Dit plan richt zich ook op daken van bedrijven (commercieel vastgoed) en zoekt hierover samenwerking met bedrijven, zowel via het wettelijk spoor (agendering en stimulering door de RUD-LN) als via de stimulerende/ ondersteunende acties. De bedoeling is dat bedrijven/commercieel vastgoed integraal benaderd worden voor zowel energiebesparing als zonnepanelen.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

65

4 Grootschalige elektriciteitsopwekking 4.1 Ambitie Voor grootschalige opwekking is voor de RES-regio Noord- en Midden-Limburg een jaarlijkse opbrengst van tussen 1,0 en 1,4 terawattuur (TWh) geformuleerd als ambitie voor 2030 (vergund in 2025). Dit komt bij benadering overeen met de regionale elektriciteitsvraag van de gebouwde omgeving het komend decennium, exclusief de te verwachten stijgende vraag naar elektriciteit voor de warmte- en mobiliteitstransitie. Het kwantitatieve doel van (gemiddeld) 1,2 TWh betreft de grootschalige duurzame elektriciteitsopwekking, waarbij reeds bestaande projecten en geplande projecten uit de subsidieregeling SDE+ worden meegeteld. De uitwerking betreft voornamelijk de realisatie van de resterende ambitie naast de bestaande en geplande projecten, om te komen tot de 1,2 TWh per jaar. Ons bod van 1,2 TWh richt zich op 2030. Projecten die hiervoor nodig zijn, moeten in 2025 vergund zijn. Ook daarna zal de behoefte aan duurzaam opgewekte energie blijven groeien (zie hoofdstuk 6). Daar houden we nu alvast rekening mee. Het ontwikkelen van energieprojecten en voldoende netwerkcapaciteit kost namelijk veel tijd. We onderzoeken daarom nu al wat nodig is voor deze opgave ná 2025, zodat wij en onze partners in de regio onze verantwoordelijkheid kunnen nemen.

In dit hoofdstuk wordt ons bod onderbouwd op basis van ruimtelijke analyses, scenario’s en berekeningen. De basis hiervan ligt in de uitgangspunten die hieronder beschreven staan. Hoeveel is 1.200 GWh?

of 60 - 80 windturbines (5 - 6 MW)

of 130 - 160 windturbines (3 MW)

RES | Noord- en Midden Limburg

1.400 - 1.800 ha zonnepark (afhankelijk van oriëntatie en ontwerp)

Samen werken aan een duurzame regio

66

4.2 Uitgangspunten Hoezeer we ons als regio ook zullen inspannen om energie te besparen, er zal altijd opwekking van duurzame elektriciteit nodig blijven. Een belangrijk deel van deze energie zal door grootschalige windparken- en/of zonneweides worden opgewekt. Onder grootschalige elektriciteitsopwekking wordt verstaan: • Zon-op-dak: meer dan 50 zonnepanelen (~ meer dan 15 kWp); • Zon-op-veld: meer dan 10 ha zonnepanelen (~ meer dan 10 MW); • Wind-op-land: meer dan twee windturbines van (ten minste) 3,5 MW (~ meer dan 7 MW). Dit zijn de uitgangspunten voor grootschalige opwekking: • We gaan scenario’s onderzoeken waarbij we in ieder geval een evenredig deel (op basis van gebruik en potentie) van ons elektriciteitsverbruik grootschalig duurzaam opwekken (Tabel 9). We committeren onszelf daarom als RES-regio Noord- en MiddenLimburg aan de ambitie van 1,2 TWh, met een bandbreedte van 1,0 tot 1,4 TWh, aan te realiseren duurzaam opwekkingsvermogen. • We houden ruimtelijke kwaliteit als geheel in beeld en onderzoeken de mogelijkheden in de regio aan de hand van het landschap en de koppelopgaven. De uitwerking van de mogelijkheden zal scenario’s opleveren met potentiegebieden. • We sluiten op voorhand geen enkele duurzame techniek voor grootschalige opwek uit en kijken per techniek naar de kansen in de regio.

• Meervoudige elektriciteitsopwekking (de combinatie van meerdere vormen van duurzame opwekking op één locatie = energielandschap) heeft de voorkeur. Daarnaast zijn kleine projecten mogelijk door gemeentelijk maatwerk. • Dubbel ruimtegebruik (de combinatie van doelen of opgaven, zoals bijvoorbeeld het verbeteren van biodiversiteit en energieopwekking op één locatie) heeft de voorkeur bij nieuw te realiseren projecten. • Voor de realisatie van grootschalige opwekking is per gemeente maatwerk mogelijk, passend binnen de kaders van de RES. • We houden rekening met uitsluitingsgebieden.

1,2 TWh

RES 1 TWh

RES | Noord- en Midden Limburg

1,4 TWh

Samen werken aan een duurzame regio

67

Als bron is de volgende studie gebruikt (zie Tabel 9) waarbij de onderzoeks­ vraag luidde: Wat is de opgave per regio wanneer de totale nationale RESopgave wordt verdeeld op basis van potentie of op basis van huidig gebruik? De opgave voor onze regio zou voor een verdeling op basis van potentie uitkomen op 1,0 TWh (bandbreedte 1,0 – 1,4). Bij de verdeling op basis van huidig gebruik gebouwde omgeving komt dit neer op 1.2 TWh. Tabel 9 Opwekken evenredig deel Verdeling op basis van potentie

Potentie

Zon TWh Noord- en 2,4 Midden Limburg

Zon en Wind wind Zon TWh TWh TWh

Verdeling op basis van gebruik Huidig gebruik gebouwde Zon en Huidig Wind wind Inwoners gebruik omgeving TWh TWh TWh TWh TWh

14

1,0

16

1,4

1,0

1,1

0,8

1,2

Bron: Quintel Energietransitiemodel (ETM), d.d.15 augustus 2019 *

Op basis van potentie betekent dat een bandbreedte tussen 1,0 TWh en 1,4 TWh.

*

Op basis van gebruik betekent dat 1,2 TWh voor de gebouwde omgeving.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

68

4.3 Waar staan we nu? Inleiding

Hoeveel energie wordt er op dit moment opgewekt? Wat zit er op kortere termijn aan duurzame opwekking in de planning en wat is de potentie? Met de antwoorden op deze vragen kan een overzicht worden gemaakt van de grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit. Dit overzicht heeft een sterk ruimtelijke component: waar wordt en kan elektriciteit worden opgewekt? Om deze vragen te beantwoorden heeft een ruimtelijke analyse plaatsgevonden. Deze analyse bestond uit een aantal stappen waarbij aandacht is besteed aan grondgebonden opwekking en opwekking vanaf daken: de huidige bijdrage van dakopwekking en de bepaling van de resterende potentie van daken voor grootschalige opwekking. Het ruimtelijk-analytische proces om te komen tot een regionale potentie is onderverdeeld in de volgende opeenvolgende stappen: • Stap 1: Huidige en geplande opwekking. • Stap 2: Bepaling opwekpotentie zon-op-dak. • Stap 3: Het analyseren van de potentie van grondgebonden zon-PV-projecten (zonneweides) en windprojecten. De stappen worden vanaf paragraaf 4.3.3 toegelicht. Het resultaat is een aantal kaarten waarin de gegevens in een ruimtelijke context zijn weergegeven, onderscheidend naar opwekking van energie via zon en wind. De cijfers die zijn gebruikt in de analyse voor de opbrengstpotentie van windturbines en zonneweide zijn gebaseerd op de huidige praktijk en stand der techniek.

Naar verwachting stijgen de komende jaren de efficiëntie en opbrengsten van windturbines en zonneweides. Daarom is het raadzaam om de analyse steeds bij te stellen. Pas bij het maken van een ontwerp ontstaat inzicht in de werkelijke opbrengstpotentie van een locatie. In Bijlage 5 is verdere uitleg beschikbaar over wat grootschalige opwekking is, welke aannames zijn gemaakt voor de opbrengstpotentie en een toelichting op definities van data en de gebruikte databronnen.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

69

4.3.1 Stap 1: Huidige en geplande opwekking De resultaten van de analyses 2020 (huidige opwekking) en 2025 (geplande opwekking) zijn weergegeven in kaartmateriaal, opgenomen in Kaart 1 (Bijlage 6) en Kaart 2 (Bijlage7). In de kaart met de huidige opwekking (Kaart 1) zijn zon en wind gecombineerd. Middels cirkelgrootte is de huidige duurzame opwekking in megawatt (MW) weergegeven, waarbij de kleur aangeeft of het zon of wind betreft. Voor zon is in de legenda onderscheid gemaakt tussen grondgebonden zon en zon-op-dak. In de kaart met de geplande opwekking zijn zon en wind ook gecombineerd. Middels cirkelgrootte is de geplande duurzame opwekking in MW weergegeven, waarbij de kleur aangeeft of het zon of wind betreft. Ook hier is voor zon onderscheid gemaakt tussen grondgebonden zon en zon-op-dak.

Gerealiseerde projecten

Bij het opstellen van de concept RES-NML kende de regio een duurzame elektriciteitsopwekking (grootschalig >15KWp) van 128 gigawatt uur (GWh). Per september 2020 is de grootschalige elektriciteitsopwekking in de RESNML gestegen naar 205 GWh. Van deze gerealiseerde projecten betreft 149,7 GWh grootschalig zon-PV op daken, 8,2 GWh zonneweides en 47,4 GWh elektriciteitsopwekking door windturbines.

Pijplijnprojecten

Dit zijn de projecten waarvoor een SDE+ beschikking is afgegeven maar die nog niet zijn gerealiseerd. Bij zonneweides en windturbines is een omgevingsvergunning een vereiste voor het verkrijgen van een SDE+ beschikking. Uit de praktijk blijkt dat de pijplijnprojecten (zoals opgenomen in de SDE-lijsten) geen realistisch beeld schetsen van het totale vermogen dat gerealiseerd gaat worden. Om een realistisch beeld te geven heeft het Nationaal Programma RES in zijn handreiking aangegeven welk gedeelte van de projecten meegenomen kan worden. Voor zon-PV-projecten wordt een slagingspercentage gehanteerd van 50% en voor windenergieprojecten 95%. De zon-PV-projecten hebben namelijk nog een aantal onzekerheden na het verkrijgen van de SDE+. Dit zit voornamelijk in constructiebeperkingen voor zon-op-dakprojecten en de aansluiting op het net. Voor windenergieprojecten wordt gesteld dat ze een zeer hoge realisatiegraad hebben doordat het vaak al zeer lang lopende trajecten zijn waar veel werk in is gaan zitten, onder andere voor afstemming met de lokale omgeving. Dit maakt dat deze projecten enkel nog wachten op de SDE+ beschikking om gerealiseerd te worden. Als deze wegingspercentages over de pijplijnprojecten uit de SDE+ lijst worden gelegd, dan blijft er nog een gewogen potentie van pijplijnprojecten over van 660 GWh.

Het grootste gedeelte hiervan bestaat uit zon-op-dak met een gewogen potentie van 331 GWh. De gewogen potentie van zonneweides in de pijplijn betreft 38,2 GWh. De gewogen potentie van windturbines in de pijplijn betreft 290,5 GWh. In Bijlage 8 staat een aanpak opgenomen voor het verhogen van de slagingskans van de pijplijnprojecten zon-op-dak.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

70

Tabel 10: Gerealiseerde en pijplijnprojecten RES-NML Concept-RES (september 2019)

Gerealiseerde projecten (>15KWp)

Pijplijnprojecten met SDEsubsidiebeschikking (gewogen)

RES 1.0 (september 2020)

Zon-op-dak:

101,1 GWh

Zon-op-dak

149,7 GWh

Zonneweides

5,1 GWh

Zonneweides

8,2 GWh

Wind

21,7 GWh

Wind

47,4 GWh

Totaal

128 GWh

Totaal gerealiseerd

205 GWh

Zon-op-dak:

331 GWh

Zonneweides:

38,2 GWh

540 GWh

Wind: 290,5 GWh Totaal gewogen pijplijn:

660 GWh

Energielandgoed Wells Meer

240 GWh

240 GWh

Totaal

908 GWh

1105 GWh

Energieprojecten zonder SDE+ beschikking | Energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’ De huidige pijplijnprojecten zoals opgenomen in Tabel 10 bevatten enkel de projecten die een SDE+ beschikking hebben (m.u.v. Wells Meer). Deze paragraaf beschrijft de nog niet gerealiseerde energieprojecten zonder SDE+ beschikking en is opgedeeld in: • Energielandgoed Wells Meer • Energieprojecten met een offerteaanvraag bij Enexis maar nog zonder SDE+ beschikking en omgevingsvergunning • Energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’

Aankomend project: Energielandgoed Wells Meer

De gemeente Bergen heeft het grote project Energielandgoed Wells Meer op de planning staan. Voor de opwekking van grootschalige elektriciteit is er in het Energielandgoed gekozen voor verschillende zon-PV-projecten, gecombineerd met een aantal windturbines. De ambitie die Bergen heeft voor de opwekking bedraagt 240 GWh. Dit project bevindt zich in de plan- en vergunningenfase en moet nog gerealiseerd worden. Gezien de omvang van dit project en de substantiële bijdrage die het kan leveren aan de opgave voor RES-NML is het Energielandgoed Wells Meer expliciet opgenomen in Tabel 10.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

71

Energieprojecten met offerteaanvraag bij Enexis zonder SDE+ beschikking en omgevingsvergunning

Om een realistischere inschatting te kunnen maken over mogelijke toekomstige projecten in onze regio, is een inventarisatie gedaan van projecten die nog in een vroeg stadium zitten. Deze projecten hebben dus nog geen SDE+ aangevraagd of toegekend gekregen en beschikken nog niet over een omgevingsvergunning. Voor deze inventarisatie is de Duurzaam Op Land (DOL)-lijst van Enexis gebruikt. Op basis van deze DOL-lijst geeft Tabel 11 een overzicht van projecten die een offerte hebben aangevraagd bij Enexis maar nog niet beschikken over een SDE+ beschikking of omgevingsvergunning. Let wel: de cijfers in Tabel 11 geven geen exact beeld beeld. Over de kansen van deze projecten is namelijk nog weinig te zeggen. Bij een aantal van deze zon-op-landprojecten heeft bijvoorbeeld nog geen afstemming tussen initiatiefnemer en gemeente plaatsgevonden. Het is nog onduidelijk of deze projecten passen binnen de kaders van het gemeentelijke en RES-beleid. Ze zijn daarom ook niet meegenomen in de potentie zoals weergegeven in Tabel 10.

Tabel 11: Energieprojecten met een offerteaanvraag bij Enexis zonder SDE+ beschikking Categorie Zon-op-dak

53 MW verdeeld over 50 projecten (omgerekend +/- 50 GWh)

Zon-op-land

335 MW verdeeld over 14 projecten (omgerekend +/- 318 GWh)

Wind

Geen offerteaanvragen bij Enexis, zonder SDE-beschikking voor wind

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

72

Ambitieprojecten

Naast de gerealiseerde energieprojecten, de pijplijnprojecten (Tabel 10) en projecten met een offerteaanvraag bij Enexis (Tabel 11), kent onze regio tal van energieprojecten in de ‘idee- en oriëntatiefase’, de zogenaamde ambitieprojecten. Deze projecten hebben nog geen SDE-aanvraag, omgevingsvergunning of een offerte-aanvraag bij Enexis. Ze kennen een grote diversiteit in vorderingen inzake planontwikkeling, de mate van betrokkenheid van de omgeving en betrokkenheid van gemeente. Over de slagingskans van deze projecten en de bijdrage aan het RES-bod kan op dit moment nog geen uitspraak worden gedaan. Wel is de verwachting dat een groot deel van deze projecten in de tijd gezien doorontwikkeld zullen worden en daarmee alsnog veel impact geven op het netwerk van Enexis.

Gesprekken Enexis en gemeenten op basis van de DOL-lijst Op basis van de DOL-lijst (Duurzaam Op Land) zijn gesprekken gevoerd met gemeenten over de aankomende initiatieven/plannen die bekend zijn. In deze lijst staan initiatieven opgenomen die bij Enexis bekend zijn. Dit gaat over heel concrete initiatieven, waarvoor al een offerte, vergunning en een SDE-beschikking aanwezig is, maar ook over initiatieven die nog een 1e oriëntatiefase zitten en waarvoor de gemeenten, omdat deze plannen vooralsnog niet binnen het beleid passen, geen vergunning zal verlenen. Aan de hand van een geanonimiseerde kaart heeft Enexis deze lijst met gemeenten gesproken om de doorgangskansen van deze energieprojecten (uit Tabel 11) beter in te schatten. Dit heeft geleid tot een waardevolle update en optimalisatie van de DOL-lijst en beter inzicht bij gemeenten van aankomende initiatieven. Deze informatie gebruikt Enexis om samen met de gemeenten met de initiatiefnemers in gesprek te gaan en minder kansrijke projecten van de DOL-lijst te halen. Dit kan bijdragen aan het verminderen van de schaarste op het elektriciteitsnet in Noord- en MiddenLimburg.

Opvallende ontwikkelingen

Enkele opvallende ontwikkelingen t.o.v. de eerdere cijfers uit de conceptRES: • Ten opzichte van de gebruikte data in de concept-RES (september 2019) is een substantiële stijging waarneembaar in grootschalige elektriciteitsopwekking in RES-NML (>15KWp). In minder dan een jaar tijd is 77 GWh aan grootschalige elektriciteitsopwekking erbij gekomen. Nieuw gerealiseerde grootschalige zon-op-dakprojecten dragen voor het grootste gedeelte bij aan deze stijging (48,6 GWh). De ingebruikname van de twee windturbines van het coöperatieve windpark Heibloem in Leudal draagt ook 25.7 GWh bij. • Zoals is weergeven in Kaart 1 (2020) is in de RES-regio NML maar liefst 95% van alle zonnepanelen op daken gerealiseerd. • De SDE+ voorjaarsronde 2020 heeft gezorgd voor een stijging van 120 GWh aan gewogen pijplijnprojecten. • In de categorie pijplijnprojecten zijn dertien zonneweides opgenomen, verdeeld over acht gemeenten in Noord- en Midden-Limburg. Deze zonneweides zijn dus nog niet gerealiseerd, maar hebben wel al een omgevingsvergunning van de gemeente en een SDE+ beschikking. • Van de pijplijnprojecten zonne-energie betreft 90% zon-op-dak en 10% zonneweides.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

73

•

Van het totaal aan gewogen pijplijnprojecten (660 GWh) betreft een wezenlijk deel (44%) windenergie (290 GWh). Deze windprojecten kennen een hoge slagingskans. Deze pijplijnprojecten windenergie bevinden zich in vijf gemeenten in Noord- en Midden-Limburg.

Systeemefficiëntie

Uit de doorrekening van de Concept RES blijkt dat, niet alleen in de regio Noord- Midden Limburg maar van nagenoeg alle regio’s, de impact op de maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag en de benodigde doorlooptijd fors is. Om de RES-regio concrete handvatten te geven, heeft Enexis Netbeheer voor de regio inzichtelijk gemaakt welke kwantitatieve besparingen mogelijk zijn als de suggesties inzake de systeemefficiënt maximaal ingepast worden Wat is systeemefficiëntie? Bij een efficiënt energiesysteem kunnen duurzame energieprojecten aangesloten worden waarbij de maatschappelijke kosten van de investeringen laag zijn en de aanpassingen tijdig worden gedaan. Bij systeemefficiëntie gaat het om twee basisprincipes: • Het bestaande energienetwerk zoveel mogelijk benutten om extra investeringen voor uitbereiding en nieuwe energienetwerken te voorkomen. • De energievraag, aanbod en het benodigde energienetwerk op elkaar afstemmen bij het maken van keuzes voor zoekgebieden.

Om de maximale impact van systeemefficiëntie te benutten, is samenwerking essentieel. Elke partij kan op zijn manier hieraan bijdragen.

RES-regio

Systeemefficiëntie

Netbeheerder Maatregelen

Storingsreserve (redundantie) gebruiken voor het transport van elektriciteit uit duurzame opwek op lan

Maatregelen

Locatiekeuze laten aansluiten bij bestaande netcapaciteit Transport minimaliseren door combineren energievraag en -aanbod Evenwichtiger verdelen van opgesteld vermogen wind en zon (idealiter een 50-50 verdeling) en waar mogelijk op één aansluiting (cablepooling)

Wind-zon initiatiefnemers Maatregelen

Aansluiten van wind en zon op één aansluiting (cablepooling) Afspraken maken over het aftoppen (aansluiten op bijv. 70% van het productievermogen)

Systeemefficiëntie is een belangrijk onderdeel van de integrale afweging. Het leidt tot een betere uitvoerbaarheid van de ambities. We realiseren ons daarbij terdege dat de RES-regio uiteindelijk de afweging maakt tussen draagvlak, ruimte, systeemefficiëntie en de hoogte van de regionale ambitie.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

74

Transport schaarste

De enorme toename van decentraal opgewekte duurzame elektriciteit met name uit zonnepanelen en windmolens is de aanleiding van transport schaarste: lokale elektriciteitsnetten kunnen het aanbod niet meer aan en het landelijke hoogspanningsnet TenneT kan de energie niet meer afvoeren op het transportnet. Oftewel, vrij vertaald, het is druk op de N-wegen, maar het verkeer kan niet doorrijden omdat de autosnelwegen van TenneT ook vol staan. Het grootschalig uitbreiden van het elektriciteitsnet vergt vele jaren waarbij tot op heden termijnen van 5 tot 10 jaargebruikelijk zijn. Voor veel onderstations in Noord- en Midden- Limburg hebben de netbeheerders al transport schaarste moeten uitroepen. Dit betekent dat op het hoogspanningsstation nog maar beperkt, of voor een enkel station zelfs geen, transportcapaciteit voor terug levering van elektriciteit beschikbaar is. Kleine projecten en zon op dak bij particulieren kunnen daarentegen nog gewoon worden aangesloten. Het is ook goed om te weten dat voor afnemers (verbruikers) schaarste geen gevolgen heeft. Het betreft hier enkel schaarste voor INVOEDERS (opwek van elektriciteit die wordt ingevoed op de netten).

4.3.2 Stap 2: Bepaling opwekpotentie zon-op-dak De extra opwekpotentie van grootschalige zon-PV op daken (naast de reeds geplande projecten uit de vorige stap) is bepaald op basis van het beschikbare dakoppervlak binnen de regio. Hiervoor is een analyse uitgevoerd van het totale dakoppervlak op basis van BAG-data. Omdat dit hoofdstuk zich enkel richt op grootschalige elektriciteitsopwekking worden systemen onder de 15 KWp niet meegenomen. Om deze buiten de potentie te laten, is er in de analyse gerekend met een minimaal dakoppervlak van 200 m2, omdat blijkt dat onder de 200 m2 er in de praktijk nauwelijks systemen groter dan 15 KWp worden gerealiseerd. Dit komt mede door het benodigd oppervlak van de panelen en bouwkundige beperkingen. De BAG-analyse met deze ondergrens laat zien dat er binnen de regio een totaal grootschalig dakoppervlak is van 24.570.332 m2. De Handreiking RES houdt er rekening mee dat van het totale dakoppervlak 30% geschikt is voor het bepalen van de dakpotentie voor zonnepanelen. Dit houdt dus in dat er 7.371.100 m2 aan potentieel interessant dakoppervlak overblijft. Dit is inclusief de projecten die reeds gerealiseerd zijn of gaan worden uit de vorige stap. Het is niet duidelijk op basis van openbare data hoeveel vierkante meter daken er reeds zijn gebruikt voor zonnepanelen en hoeveel vierkante meter nog in de planning zit.

Om de resterende dakpotentie te bepalen moet dus een inschatting gemaakt worden om te berekenen hoeveel vierkante meter daken gerealiseerd is en in de planning zit.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

75

Als uitgangspunten hiervoor gelden: • Reeds gerealiseerde projecten wekken 275 wattpiek (Wp) per paneel op. • De geplande projecten wekken 300 Wp per paneel op. • 50% van het dakoppervlak is ongeschikt voor panelen in verband met schaduw en oriëntatie van de panelen. Met deze uitgangspunten is berekend dat er reeds op 6.287.544 m2 aan dakoppervlak zonnepanelen liggen of in de planning zitten. Dit houdt in dat nog 1.083.555 m2 dakoppervlak potentie heeft voor panelen. Op dit oppervlak kan nog +/-100 GWh opwek gerealiseerd worden op jaarbasis (Dit was 94 GWh in de concept-RES. Deze berekening is met de meest recente kengetallen opnieuw gedaan). Dit zijn naar verwachting niet de meest gemakkelijke projecten, aangezien de gemakkelijke projecten zeer waarschijnlijk reeds gerealiseerd zijn. Er zal door alle belanghebbenden daarom veel werk in gestoken moeten worden om deze nieuwe projecten nog te ontwikkelen.

?

?

? ?

?

?

?

4.3.3 Stap 3: Bepaling opwekpotentie zonneweides en windturbines: zon en wind op land Opwekpotentie zonneweides

Het uitgangspunt voor het bepalen van de potentie van zonnepanelen op land is een kwaliteitsbeoordeling van het type landschap. De centrale vraag is: welke landschapstypen zijn geschikt voor grootschalige opwekking met zonnepanelen zodanig dat er minimaal kwaliteitsverlies optreedt? Deze geschikte landschapstypen worden als kansrijk aangeduid. Bij de grootschalige opwekking van duurzame energie hebben vooral windturbines en zonneweides invloed op het bestaande landschap. Uitgangspunt voor de grootschalige elektriciteitsopwekking is om zoveel mogelijk te clusteren in grote projecten en te combineren met andere ruimtelijke opgaven.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

76

Binnen de RES wordt gekeken naar de specifieke identiteit van een landschap. Belangrijke aspecten hierbij zijn de ondergrond, reliëf, waterhuishouding, schaalgrootte, inrichting, gebruik, cultuurhistorie en natuur. Op basis van kenmerken zijn binnen de regio enkele landschapstypen als meest geschikt beoordeeld voor grootschalige opwekking van zonne-energie, omdat de grootschalige opzet het beste te verenigen is met dit type landschap. Zowel voor wind- als zonne-energie vallen grote delen van het grondgebied als ongeschikt af. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met conflicten met andere ruimtelijke opgaven. Vanuit ruimtelijke kwaliteit hebben slechts bepaalde landschappen de voorkeur en zijn andere door hun landschappelijke waarde niet geschikt. Op basis van de analyse voldoen de droge- en natte heideontginningen, (een deel van de) veenontginningen en plateauontginningen het meest aan de kwaliteitskenmerken. In Bijlage 9 ‘Landschap als drager van grootschalige opwek’ is de landschapsanalyse en de bepaling van de kansrijke landschapstypen in de regio nader toegelicht. Deze Bijlage biedt de gemeenten een handreiking om invulling te geven aan gemeentelijk beleid met landschapskwaliteit als belangrijke voorwaarde voor inpassing van grootschalige opwekking.

Voor het bepalen van de opwekpotentie van zonneweides zijn de volgende twee stappen doorlopen, die uiteindelijk hebben geleid tot een in Bijlage 12 opgenomen kaart met potentiegebieden: • Het toetsen van de landschapsstudie aan het gemeentelijk beleid. • Op basis van gebruik en/of bestemming zijn er gebieden uitgesloten (zie onderstaand kader). Gebieden (generiek) uitgesloten voor zonneweides: • Bebouwde kom (+ buffer) • Werelderfgoed (Unesco) • Beschermd stads- en dorpsgezicht • Monumenten • Buisleidingen (+ buffer) • Natuurnetwerk Limburg (de voormalige goudgroen aangeduide POLgebieden met inbegrip van de Natura2000 gebieden) • bestaande bos- en natuurgebieden gelegen in de groenblauwe mantel. • Buisleidingen (+ buffer) • Waterwingebieden • Rivierbed zoals begrensd in de Waterwet.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

77

Opwekpotentie windenergie

Voor het bepalen van de opwekpotentie wind (windturbines) zijn de volgende stappen doorlopen: • Het bepalen van uitsluitings- en beperkingsgronden. De uitsluitings- en beperkingsgronden zijn samengevat in onderstaand kader en ook weergegeven in Bijlage 11. • In een aantal gevallen is een bufferafstand tot de ruimtelijke eenheid aangehouden als uitsluitingsgebied. In het RVO-handboek Risicozonering Windturbines (RVO, 2015) staat een risico-afstand, gekoppeld aan de ashoogte en de rotordiameter, gekoppeld aan bijvoorbeeld de kwetsbaarheid van de bebouwing. Daarnaast kunnen bufferafstanden worden berekend op basis van de te verwachte geluidsbelasting. Het toepassen van de belangrijkste regels voor geluid van windturbines in het Activiteitenbesluit is maatwerk, gekoppeld aan diverse formules. • Uiteindelijk is de kaart voor wind nog niet voldoende gereed en daarom nog niet aan deze RES toegevoegd, gezien de mogelijke grondspeculatie die hierop kan volgen.

Gebieden met een (generieke) uitsluiting/beperking windturbines: • Bebouwde kom (+ buffer) • Bebouwing (+ buffer) • Kassen • Werelderfgoed (Unesco) • Wegen (+ buffer) • Spoorwegen (+ buffer) • Waterwegen (+ buffer) • Risico-inrichtingen • Buisleidingen (+ buffer) • Hoogspanningsleidingen (+ buffer) • Primaire waterkeringen (+ buffer) • Luchthavens • Radar, bouwhoogteperkingen, laagvliegzones • Natura 2000-gebieden • Stiltegebieden • Provinciale natuurgebieden (goud, zilver, brons) • Rivierbed zoals begrensd in de Waterwet • Waterwinning uitsluiting • Grondwaterbeschermingsgebieden

Potentie in kaart gebracht

De resultaten van de analyses 2030 (potentie opwekking) zijn weergegeven in kaartmateriaal, opgenomen in Bijlage 12. Op de kaart voor de opwekpotentie zon is de legenda weergegeven. In de bijschriften op de kaart zijn de gemeentelijke aandachtspunten verwoord. Tevens is op de kaarten het projectgebied Wells Meer weergegeven.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

78

Energielandgoed Wells Meer

In de regio Noord- en Midden-Limburg ligt het gebied Wells Meer, een project van de gemeente Bergen. Hier wil de gemeente ‘Energielandgoed Wells Meer’ gaan ontwikkelen. Hiervoor zijn de procedures al gestart. (Bron: Notitie reikwijdte en detailniveau milieueffectrapportage bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer Gemeente Bergen (L) Vastgesteld, Pondera Consult 11-6-2019).

Figuur 13: Ontwikkeling en proces Energielandgoed Wells Meer Voor de opwekking van grootschalige elektriciteit is er in het Energielandgoed gekozen voor verschillende zon-PV-projecten, gecombineerd met een aantal windturbines. De ambitie die de gemeente Bergen heeft voor de opwekking bedraagt 240 GWh. Dit project bevindt zich nog in de ontwerpen planfase en moet nog gerealiseerd worden. Verdere informatie over het project is te vinden op: www.energielandgoedwellsmeer.nl/energielandgoedwells-meer/ambitie. GWh Gerealiseerd

205

Geplande projecten volgens SDE subsidie aanvragen (gewogen)

660

Energielandgoed Wells Meer

240

Restpotentie dak

100

Totaal

RES | Noord- en Midden Limburg

1.205

Samen werken aan een duurzame regio

79

4.4 Impact op het energieinfrastructuur De energie-infrastructuur als multifunctionele verbinder

De energie-infrastructuur van ons land verbindt – letterlijk – alle ambities en plannen in de dertig RES-regio’s; het is de ruggengraat van onze gezamenlijke energiestrategie. Deze energie-infrastructuur maakt onder invloed van de Energietransitie een ware revolutie door. Hij werd aangelegd als transportmiddel om te voorzien in de vraag naar energie. Nu verandert het net in een multifunctionele verbinder van aanbod, vraag en opslag van elektriciteit, duurzame warmte en groene alternatieven voor aardgas. Dat biedt kansen maar ook forse uitdagingen. Juist daarom is een gedeeld beeld over vraagstukken en mogelijkheden van deze infrastructuur cruciaal om te komen tot haalbare en betaalbare plannen. Ook Enexis Netbeheer vindt het belangrijk inzichten met elkaar te delen en samen de benodigde infrastructuur te ontwerpen, zodat we als regio gezamenlijk kunnen anticiperen op ontwikkelingen. Echter, de huidige governance van het (veranderende) energiesysteem is op dit moment nog niet ingericht op het maken van deze integrale afwegingen. Daarom moeten we als regio continu samenwerken en afspraken maken met alle betrokken partijen richting een realiseerbare en kostenefficiënte RES.

Impact op de energie-infrastructuur

De plannen voor duurzame opwek hebben grote impact op de benodigde infrastructuur. In het proces van de totstandkoming van de RES 1.0 gaat Enexis Netbeheer op basis van de door de regio aan te leveren gegevens de impact van de plannen op de energie-infrastructuur bepalen. Er wordt een integrale doorrekening gemaakt, waarbij ook rekening wordt gehouden met de toekomstige ontwikkelingen in andere sectoren (o.a. industrie, mobiliteit). Impact wordt uitgedrukt in tijd (termijn om aanpassingen te realiseren), geld (investeringen) en ruimte (ruimtebeslag van stations en infrastructuur). Deze Netimpact-analyse brengt in beeld waar knelpunten ontstaan en welke investeringen van de netbeheerder nodig zijn om de RES 1.0 ambities te realiseren. Daarmee geeft de RES 1.0 ook richting aan het Investeringsplan van Enexis en TenneT, welke 2-jaarlijks worden herijkt.

Systeemefficiëntie voor een uitvoerbare en betaalbare RES De totale maatschappelijke kosten, het ruimtebeslag en de benodigde tijd in de uitvoering is fors. Door in te zetten op systeemefficiëntie kan de impact beperkt worden. Daarom is in de netimpact-analyse nadrukkelijk aandacht gegeven aan mogelijkheden om het net zo efficiënt mogelijk in te zetten. Bijvoorbeeld door een evenwichtige balans van zon- en windparken en door energie dáár op te wekken waar er vraag is, zodat minder energie getransporteerd hoeft te worden. Met deze adviezen kan de RES-regio sturen op keuzes die bijdragen aan een uitvoerbare en betaalbare RES.

Bepalen impact op de energie-infrastructuur

Voorafgaand aan de volledige doorrekening, de netimpact-analyse van RES 1.0, is er door de RES-regio Noord- en Midden-Limburg gekozen om eerst een voor-analyse uit te voeren. Deze analyse helpt in deze fase bij

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

80

het maken van traject keuzes en prioriteringen, voordat de volledige doorrekening wordt gemaakt.

Wat is een voor-analyse?

Een voor-analyse geeft met behulp van regionale data inzicht in de ruimte voor het aansluiten van duurzame opwek per station. Ook worden aanbevelingen gemaakt die de Systeemefficiëntie zullen bevorderen. Deze extra stap is nodig om meer duidelijkheid te krijgen over de ambitieprojecten. De resultaten van deze voor-analyse kunnen worden gebruikt in de discussies over o.a. participatie, landschappelijke inpassing en lokaal en regionaal draagvlak van deze ambitieprojecten. Uiteindelijk zal de output van de discussies en bijbehorende data (waar, wordt wanneer, wat opgewekt) meegenomen in de definitieve netimpact-analyse voor de regio.

Resultaten voor-analyse

De voor-analyse geeft m.b.v. kaartbeelden inzicht in de benodigde en beschikbare capaciteit voor het aansluiten van duurzame opwek per station in de peiljaren 2025 en 2030. Waar is nu ruimte en waar zijn werkzaamheden van Enexis en/of TenneT nodig voor het realiseren van de plannen. De Energietransitie is iedere dag aan ontwikkelingen onderhevig. Dit geld ook voor de gebruikte data (peildatum 26 januari 2021) en daarmee ook voor de uitkomst van deze voor-analyse. Periodiek zal deze data worden vernieuwd en zullen doorrekeningen opnieuw worden uitgevoerd zodat er voor de sturing van het RES-proces altijd de meest relevante data ter beschikking is. Toelichting kaartbeelden: De weergegeven kleuren hebben betrekking op de netuitbreidingen die door Enexis en TenneT kunnen worden uitgevoerd. Groen gekleurd geeft de regio’s weer waar na realisatie van het bod nog vrije transportcapaciteit beschikbaar is (geen knelpunten). Hier is dus voor de regio nog (beperkte) ruimte om extra opwek te ontsluiten. In de gele gebieden zal Enexis aan de slag moeten gaan voor het realiseren van extra transportcapaciteit. In de blauwe gebieden zijn uitbreidingen van TenneT noodzakelijk maar als er uitgebreid is, dan is in de oranje gebieden ook na de realisatie van het RES-bod, nog vrije capaciteit beschikbaar.

In de rood gekleurde gebieden is er nu een tekort aan capaciteit en zal een robuuste oplossing zoals een nieuw station noodzakelijk zijn. Voor de juiste interpretatie van de kaartbeelden nog aandacht voor de zogenaamde grensgevallen. Enkele stations zitten in het grensgebied van de maximale capaciteit. Dat betekenend dat gebieden nog maar net rood zijn of net groen gekleurd zijn. Een kleine draai aan de dataknop kan dat beeld laten kantelen.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

81

Voor-analyse, peiljaar 2025

Bovenstaand kaartbeeld geeft weer dat o.a. op de onderstations Venray en Helden het RES-bod niet kan worden ontsloten en een nieuw station een mogelijke oplossing is. In Kelpen zijn werkzaamheden van TenneT en Enexis noodzakelijk om het bod te kunnen ontsluiten maar dan is er nog vrije capaciteit beschikbaar. Voor de overige onderstations en regio’s die van daaruit worden ontsloten is o.b.v. de aangereikte data, eventueel na werkzaamheden van respectievelijk Enexis of TenneT nu nog ruimte om duurzame opwek te ontsluiten. In de analyse hebben wij ook gekeken naar de vrije ruimte op stationsniveau en wat de capaciteitsgrenzen zijn van Enexis en TenneT (eventueel na uit te voeren werkzaamheden). Hieruit blijkt dat een deel van de onderstations, ook na uitbreidingen van Enexis door capaciteitsbeperkingen van TenneT niet de gewenste capaciteit van het RES-bod kunnen ontsluiten. Bij het doorrekenen van de vooranalyse zijn eventueel geplande uitbreidingen van TenneT nog niet in meegenomen.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

82

Voor-analyse, peiljaar 2030

De situatie in 2030 wordt nog urgenter. Ook onderstations Horst, Nederweert, Weertheide en Born hebben in 2030 ook een tekort aan capaciteit en zullen zowel Enexis en TenneT aan de slag moeten gaan met een eventuele nieuwe onderstations. Bij de impactbepaling op stationsniveau in 2030 zien we aantal uitschieters. Een enorme groei op station Venray wordt veroorzaakt door het Energielandgoed Wells Meer. Echter, dit vermogen wordt ook ontsloten op een nog nieuw te bouwen station. Maar, dan zijn alsnog de hoogspanningslijnen van TenneT een beperkende factor. Ook bij onderstations Horst, Nederweert, Weertheide en Born zien we een groei. Waarbij de groei van Weertheide en Born voornamelijk door de aangrenzende RES-regio’s wordt veroorzaakt en ook hier is een robuuste infrastructurele oplossing noodzakelijk.

Conclusies voor-analyse •

•

•

Enkele stations zitten in het grensgebied van de maximale capaciteit (nog net groen of al net rood). Wellicht dat aanpassingen in de terugleverlimiet van TenneT al een oplossingen kan geven. Er zijn veel werkzaamheden nodig op de onderstations voor het creëren van de benodigde extra capaciteit, maar dat daarnaast de knelpunten van TenneT de belangrijkste bottleneck vormen. In het merendeel van de stations kan Enexis nog beperkt uitbreiden, maar de echte ontsluiting op het hoogspanningsnet moeten door TenneT worden aangepakt.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

83

• •

Diverse knelpunten kunnen alleen door de bouw van een nieuw onderstation worden opgelost. Deze voor-analyse is gebaseerd op een moment opname van de zogenaamde pijplijn projecten en de ambitieprojecten. Detaillering van de ambitieprojecten is noodzakelijk om de maatschappelijke impact (ruimte, tijd en geld) beter in beeld te brengen en om daar waar mogelijk deze impact te beperken.

Vervolgstappen en aanbevelingen Aanbevelingen naar aanleiding van de voor-analyse: De vooranalyse geeft een beeld van de impact op de onderstations naar aanleiding van de plannen van de RES Noord- Midden Limburg en daarmee koers en hoe richting kan worden gegeven aan het definitieve bod en de uitvoering. Daarnaast geeft deze voor-analyse een beeld van welke onderstations er nu nog capaciteit beschikbaar is en waar de regio dus nu al aan de slag kan met het ontwikkelen van duurzame opwek en daar waar eerst uitbreidingen noodzakelijk zijn en pas op termijn plannen uitgevoerd kunnen worden. Het is advies is daarom, start met het ontwikkelen met plannen, daar waar capaciteit beschikbaar is. En plan daar waar nu eerst nog capaciteit moet worden bijgebouwd samen (regio en netbeheerder) de uitrol van de ambitieplannen. Daarnaast adviseert Enexis om, daar waar mogelijk beter te sturen op de verhouding zon en wind. Immers, opwek van windenergie geeft tot een factor 3x meer energie (kWh) dan een zonneweide van hetzelfde vermogen. Afstemming op regionaal niveau zal een cruciale rol spelen om de verschillende ambities van de gemeenten in regionaal verband bij elkaar te brengen om samen de integrale afwegingen te maken voor het ontsluiten van energiesysteem. Veel knelpunten ontstaan nu bij het netwerk van TenneT, onze landelijke netbeheerder.

Deze knelpunten zijn inmiddels geadresseerd bij belangrijke stakeholders zoals het NP RES, ministerie van EZK om meer sturing te krijgen op deze problematiek, die regionaal ontstaat, maar om een bovenregionale of zelfs landelijke oplossing vraagt. Netvisies Zowel Enexis als TenneT moeten aan de slag zodat de plannen en ambities van de regio ook kunnen worden ontsloten op het regionale- en landelijke netwerk. Om deze plannen gestructureerd invulling te geven worden er nu netvisies opgesteld. Deze netvisies geven o.b.v. de regionaal ontwikkelingen (opwek, industrie, gebouwde omgeving) een beeld van de noodzakelijke capaciteit en een visie hoe deze capaciteit ontsloten kan worden. Deze netvisies zijn hierdoor het fundament voor de investeringsplannen van Enexis en TenneT. Vanzelfsprekend wordt de RES-data als input gebruikt bij het uitwerken van deze netvisies.

De netimpact-analyse

De voor-analyse is voor de RES-regio richtingbepalend. Op basis van de door de RES-regio aangeleverde gedetailleerde gegevens gaat Enexis de impact van

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

84

de plannen op de energie-infrastructuur bepalen. De bevindingen van deze netimpact-analyse zijn het startpunt voor het traject RES 1.0 naar RES 2,0 en worden als bijlage toegevoegd bij het definitieve RES 1.0 document welke ter accordering aan de raden wordt aangeboden. Naast het vervolgtraject om te komen van de RES 1.0 naar de RES 2.0, zal uiteindelijk leiden tot het verlenen van de benodigde vergunningen (gereed in 2025) en uiteindelijk het realiseren van de ambities in 2030. Daarnaast zullen de regio, provincie en Enexis afspraken moeten maken over een gewenste volgordelijkheid in het ontsluiten van de plannen, het zogenaamd programmeren van de duurzame opwek.

Programmeren van duurzame opwek

De RES 1.0 geeft richting aan het komende investeringsplan van Enexis en van TenneT – de netbeheerder van het landelijke net. Uitbreiding van de energieinfrastructuur kent veelal langere doorlooptijden dan de ontwikkeling van duurzame opwek. Doorlooptijden die kunnen oplopen van 5 tot 7 jaar en met uitschieters tot 10 jaar. Dit betekent dat wanneer ontwikkelingen uit de markt afwijken van het RES-bod, dit ten koste kan gaan van de haalbaarheid van de RES. Een uitvoerbare RES vraagt daarom om het programmeren van de opwekplannen in de tijd en het starten met de realisatie van duurzame opwek waar netcapaciteit beschikbaar is. Het advies is dan ook: start tijdig met benodigde planprocedures voor de energie-infrastructuur en onderzoek hoe planprocedures versneld kunnen worden. Samenwerken in gebiedsprocessen en het erkennen van wederzijdse belangen, kunnen tot een beter, sneller en gedragen planproces leiden. Start daarnaast ook met een breed gedragen overlegstructuur (regio, gemeenten, netbeheerders) om voortgang te monitoren en daar waar nodig bij te sturen. Het realiseren van een energie-infrastructuur gaat gepaard met lange doorlooptijden. Kijkend naar het verleden zijn, zeker voor de hoogspanningsinfrastructuur, doorlooptijden van 7 tot 10 jaar niet ongebruikelijk.

Echter, 60 tot 80% van deze doorlooptijden zijn nodig voor het verwerven van de gronden (ruimte voor stations en de kabeltracés), aanpassen omgevingsplannen en het verkrijgen van de benodigde vergunningen en liggen daarmee nagenoeg niet in de beïnvloedingssfeer van de netbeheerders maar van de gemeenten en provincies. Willen we versnellen dan ligt hier een belangrijke gemeenschappelijke taak.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

85

4.5 Hoe gaan we onze ambitie bereiken? Regio is goed op weg

In de regio zijn veel nieuwe lokale initiatieven in ontwikkeling. Daarmee is de regio goed op weg om haar ambitie te bereiken. Hoewel een deel van deze initiatieven uiteindelijk geen doorgang zal vinden (bijv. omdat de businesscase niet rond komt), is de verwachting dat met de initiatieven die in de pijplijn zitten de ambitie van 1,2 TWh gehaald gaat worden. Om te borgen dat een zo groot mogelijk deel van de plannen doorgang vindt en daarvoor de juiste voorwaarden worden geschapen, zijn er wel een aantal acties nodig.

Actielijn zonneweides en windturbines

De gemeente staat aan de lat om de initiatieven (binnen haar grondgebied) van de grond te krijgen. Op regionaal niveau vindt afstemming plaats over de voortgang van de initiatieven. Een regionale aanpak voor grootschalige zonneweides en windturbines wordt nader uitgewerkt in de eerste helft van 2021. De eerste stap is een gespreksronde met individuele gemeenten, waarin concrete en actuele informatie over hun pijplijn- en ambitieprojecten wordt opgehaald. In de vervolgstappen worden deze gegevens geanalyseerd en kunnen uitvoeringsafspraken worden gemaakt over de mate en vorm van regionale samenwerking rondom zonneweides en windturbines. Er is in de regio in beginsel brede steun voor het regionaal prioriteren van energie-opwek-projecten. Voor een gedragen prioritering is het van belang dat deze objectief en uitlegbaar is en er enige flexibiliteit en eigen beleidsruimte blijft. Hiertoe zijn er drie criteria geïdentificeerd die de regio van belang vindt bij de prioritering: 1) de mate van lokaal draagvlak en lokaal eigenaarschap, 2) de systeemkosten en 3) de landschappelijke kwaliteit. De drie genoemde criteria zullen nader worden uitgewerkt en geoperationaliseerd, inclusief de wijze waarop (bijv. middels een programmeringskader) en door wie deze worden bepaald. De regio streeft naar een zo objectief mogelijke en breed gedragen prioriteringswijze.

Actielijn zon-op-dak • • • •

Een RES-versnellingsteam wordt opgericht om de gemeenten te faciliteren om zon-op-dak initiatieven te stimuleren. Het versnellingsteam helpt initiatiefnemers die een SDE-beschikking hebben ontvangen bij het realiseren van hun initiatief. Het versnellingsteam stimuleert dakeigenaren om zonnepanelen te plaatsen. De aanpak wordt nader uitgewerkt in eerste helft 2021.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

86

Actielijn landschapsinstrumentarium •

•

Zoals gezegd staat de gemeente aan de lat om de eigen initiatieven van de grond te krijgen. Qua ruimtelijke inpassing kunnen ze daarbij gebruikmaken van de landschapsprincipes en landschapsmatrix die in RES-verband zijn uitgewerkt. Vanuit de RES wordt gebruik van dit landschapsinstrumentarium gestimuleerd. In de eerste helft van 2021 dienen de landschapsprincipes en de landschapsmatrix in een handreiking voor gemeenten te worden uitgewerkt.

Actielijn energie-infrastructuur • •

Uitvoeren netimpact-analyse en op basis van de bevindingen acties uitstippelen en/of bijsturen. De energie-infrastructuur – met name de elektriciteitsinfrastructuur – is een cruciale backbone voor het terug leveren en afnemen van elektriciteit. Op diverse plekken in onze regio is al sprake van schaarste in de netcapaciteit en de verwachting is dat dit – mede gezien de initiatieven die in de pijplijn zitten – alleen nog maar zal toenemen. Nauwe samenwerking tussen gemeenten, RES-regio en netbeheerders is cruciaal om zoveel mogelijk initiatieven tijdig te kunnen aansluiten op het net. Tevens zal samenwerking plaatsvinden met de Provincie, die vanuit haar PES een regierol heeft m.b.t. de capaciteit van de energie-infrastructuur.

?

?

RES | Noord- en Midden Limburg

? ?

?

?

?

Samen werken aan een duurzame regio

87

5 Regionale Structuur Warmte 5.1 Ambitie Iedere RES-regio levert een Regionale Structuur Warmte (RSW) op. De RSW is input voor de lokale Transitievisies Warmte (TVW’s) die iedere gemeente eind 2021 dient op te leveren. Andersom leveren de TVW’s output richting het opvolgende proces van opstellen RES-NML 2.0 (tot medio 2023). Nederland wil in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas in de gebouwde omgeving. De RES-regio Noord- en Midden-Limburg onderschrijft deze ambitie: in 2050 wordt alle warmte voor de gebouwde omgeving in de regio Noord- en Midden-Limburg opgewekt uit duurzame energiebronnen. Het regionale en lokale gasnet van Enexis blijft in de RES-regio NML op weg naar het jaar 2050 grotendeels in stand en blijft aangesloten op het landelijke hoofdnet voor transport van gassen. Enexis speelt vanaf nu zo goed mogelijk in op allerlei ontwikkelingen en innovaties. Voor het realiseren van deze ambitie is afstemming met de RES-partijen en hun omgeving nodig over: • een logische inzet van beschikbare (bovengemeentelijke) warmtebronnen; • de afweging en afstemming tussen warmte-inzet in verschillende sectoren; • mogelijkheden tot het eveneens dubbel inzetten van duurzame warmte: eerst als een hoog temperatuur-bron en vervolgens als een laag temperatuur-bron (d.m.v.

cascadering); • het inzichtgeven in de benodigde toekomstige bovengemeentelijke infrastructuur voor het transport van duurzame warmte, een transportsysteem bij voorkeur in publiek eigendom, en in de benodigde seizoensopslag van duurzame warmte. Belangrijk hierin is de integrale afweging van kwantiteit, ruimtegebruik, maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en efficiëntie van het beoogde energiesysteem voor duurzame warmte. Alleen een integrale afweging leidt tot efficiënte inzet van duurzame bronnen. De uitdaging zit in het aantal grootschalige warmtebronnen in de regio: dat is beperkt. De warmtetransitie zal daardoor grotendeels op gemeentelijk en wijkniveau plaatsvinden, in lijn met het Klimaatakkoord 2019.

Gemeente Gemeente Gemeente

Gemeente

Gemeente

Warmte RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

88

5.2 Uitgangspunten Dit zijn de uitgangspunten voor duurzame warmte zoals opgenomen in de uitgangspuntennotitie: • We ontwikkelen een Regionale Structuur Warmte (RSW) waarin we op regionaal niveau de huidige (en voor zover bekend, toekomstige) warmtebronnen en de warmtevraag in beeld brengen en waarin we een overzicht geven van de bestaande, geplande en/of benodigde hoofdinfrastructuur voor warmte. Daarbij kijken we naar de volgende technieken die intergemeentelijk en/of regionaal zijn te benutten als bron van duurzame warmte: restwarmte, biogas (en groengas), bodemenergie (warmte-koude-opslag), geothermie (ondiep en diep), en omgevingsenergie (aquathermie en zonthermie). Dit alles bekeken vanuit het perspectief van technische haalbaarheid en beschikbaar, en maatschappelijk verantwoord te benutten. • We brengen de mogelijkheden voor regionale herverdeling van warmte naar duurzame warmte in beeld. Dit doen we op basis van de vaak gemeentegrens-overschrijdende vraag en aanbod van duurzame warmte. Op onderdelen moeten hierover bovenlokale afspraken worden gemaakt. • De RSW is input voor de lokale TVW maar treedt hiervoor niet in de plaats. Alle 15 individuele gemeenten zijn verantwoordelijk voor het opstellen van een lokale TVW.

• We gaan voor 100% duurzame warmte in 2050, hetgeen onder andere betekent dat we op termijn geen gebruik meer maken van netto import van biomassa voor vergisting. We bevinden ons echter aan het begin van de transitie van de uitfasering van aardgas naar 100% duurzame warmtebronnen. In deze fase kunnen hybride-oplossingen en import nodig zijn. We onderzoeken dit verder op weg naar RES-NML 2.0. • Naast de ontwikkeling van de RSW richten we ons ook op kennisvergaring en kennisdeling, bijvoorbeeld over de inzetbaarheid van bronnen van thermische energie, netwerkoplossingen en de ontwikkeling van nieuwe technieken. • De RSW geeft inzicht in de warmtevraag en het warmte-aanbod in de regio. De warmtevraag bestaat uit alle woningen en maatschappelijke c.q. commerciële utiliteitsgebouwen (vastgoed in de gebouwde omgeving) en die van de industrie en glastuinbouw. Daarnaast is gekeken naar het mogelijke aanbod van warmte: de kansen die glastuinbouw en industrie bieden voor verdere verduurzaming.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

89

Bovengemeentelijke bronnen duurzame warmte

De RSW geeft een eerste inzicht in de (potentiële) bovengemeentelijke bronnen van duurzame warmte. Een bovengemeentelijke warmtebron heeft een dusdanige potentie dat hij ook omliggende gemeenten van duurzame warmte kan voorzien. Denk daarbij aan mest uit de hele regio die in één gemeente wordt vergist, of warmte uit een rivier die voor enkele gemeenten beschikbaar kan komen. Als in beeld is welke bovengemeentelijke warmtebronnen er zijn, kan vroegtijdig afstemming plaatsvinden over het gebruik. Hierin zijn ook sectoren in de regio met een grote warmtevraag van belang, zoals glastuinbouw en industrie. Door vroegtijdige afstemming over bovengemeentelijke warmtebronnen wordt dubbel brongebruik voorkomen. Afstemming moet plaatsvinden voordat de gemeenten hun TVW vastgesteld hebben (uiterlijk eind 2021) en de in het Klimaatakkoord beoogde routekaarten van Glastuinbouw en Industrie zijn opgeleverd. Vroegtijdige afstemming op regionaal niveau helpt gemeenten bij het maken van afspraken over warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie, evenals bij het opstellen van de TVW en het maken van keuzes in de uitvoeringsplannen. Dit is een tweejaarlijks terugkerend proces van afstemmen, elke twee jaar worden zowel de 15 gemeentelijke Transitievisies Warmte herzien als de Regionale Structuur Warmte voor Noord- en Midden-Limburg, vooralsnog in de periode 2021-2030.

Onderstaande figuur geeft aan hoe de samenhang tussen regio, gemeente en wijk voor de Warmtetransitie georganiseerd is.

Regionale Structuur Warmte (RSW) Regionale vraag en aanbod

Transitievisie Warmte (TVW) Tijdspad van wijken en

Onzekerheid neemt af met de tijd

Warmtebronnen en oplossingen

voorkeursoplossing per wijk

Wijkuitvoeringsplan Kennis neemt Wijkinfrastructuur

toe met de tijd

Figuur 14: Hoe de samenhang tussen regio, gemeente en wijk voor de Warmtetransitie georganiseerd is. RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

90

5.3 Waar staan we nu? 5.3.1 Aanbod Duurzame Warmte De warmtepotentie in de regio is zeer divers. De energetische potentie van verschillende warmtebronnen is onderzocht en hieronder samengevat (Tabel 14). De energetische potentie is de maximale energiehoeveelheid die bij de bron afgegeven kan worden. Dit wil dus niet zeggen dat al deze warmte voor de gebouwde omgeving beschikbaar komt. Tabel 14: Energetische potentie van duurzame warmtebronnen in Noord- en Midden-Limburg

Laag Temperatuur

Midden/ Hoog Temperatuur

(<50 graden)

(50-70 graden/ >70 graden)

1.600.000 TJ/jaar

165.000 TJ/jaar

Duurzame Restwarmte

200

4.500

Groengas

0

2.500

WKO – open bronnen (opslag)

850.000

0

WKO – gesloten bronnen

600.000

0

Ondiepe Geothermie

130.000

0

Diepe Geothermie

0

150.000

Aquathermie (TEO, lokaal)

24.000

0

Zonthermie (lokaal)

n.t.b.

n.t.b.

Bron duurzame warmte

Totale potentie Warmtebronnen:

Hierna is elke warmtebron uitgewerkt. Er wordt aangegeven wat de potentie is en wat de kansen en belemmeringen voor deze duurzame warmtebron zijn.

Duurzame restwarmte

Restwarmte is de warmte die overblijft uit (industriële) processen. Deze kan worden gebruikt in andere productieprocessen, dan wel worden ingezet als bron om ruimtes te verwarmen en/of voor warm tapwater. De aanwezigheid van een restwarmtebron wil echter niet zeggen dat deze ook direct gebruikt kan worden. De temperatuur van de restwarmte, de afstand tot de gebouwde omgeving, de zekerheid van levering en de duurzaamheid van de bron zijn aspecten die onderzocht moeten worden.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

91

Potentie duurzame restwarmte Restwarmte wordt in de regio vooral gevonden op gemeentelijk niveau. Denk daarbij aan supermarkten, productielocaties en kleine datacenters. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bronnen die op lage temperatuur warmte afgeven en bronnen die op hoge temperatuur warmte afgeven. De totale potentie van de hoog temperatuur-bronnen is circa 4.500 TJ/jr (terajoule per jaar), de potentie van de laag temperatuur-bronnen is circa 200 TJ/jr. Het is vaak economisch niet haalbaar om al deze kleine bronnen direct te benutten voor ruimteverwarming. Op wijkniveau zijn er kansrijke ontwikkelingen om warmte uit allerlei kleine warmtebronnen collectief op te slaan. Het benutten van een seizoens-onafhankelijke warmtevoorziening wordt dan wél mogelijk. Kansen duurzame restwarmte Na de heropening van de Clauscentrale is sinds oktober 2020 een grote potentiële hoeveelheid restwarmte in de omgeving van Roermond beschikbaar. Het is een private productiecentrale voor de opwekking van grijze elektriciteit uit aardgas. De potentie is, op basis van onderzoek uit juni 2011 van eigenaar RWE, 73 TJ/jr en voldoende voor ongeveer 1.500 te renoveren woningen/wooneenheden naar energielabel B.

Kanttekening hierbij is dat de op aardgas functionerende Clauscentrale (vooralsnog) de functie van back-up in de nationale elektriciteitsvoorziening heeft en niet continu als warmtebron beschikbaar zal zijn. De Clauscentrale kan mogelijk in combinatie met andere warmtebronnen van betekenis worden in haar directe omgeving, zoals de restwarmte van Smurfit Kappa in de gemeente Roermond. Van een regionale potentie van restwarmte is geen sprake. Bovenregionaal zijn er twee potentiële bronnen aan te wijzen: Nyrstar in Budel ten westen van de gemeente Weert en Chemelot in Sittard-Geleen ten zuiden van de gemeente Echt-Susteren. De gezamenlijke potentie van deze twee (hoog temperatuur-) restwarmtebronnen is 16.100 TJ/jr. Belangrijk is dat deze onderdeel zijn van de gelijktijdige afwegingen in onze aangrenzende RESregio’s (MRE respectievelijk Zuid-Limburg) en dat ze daarom niet zondermeer beschikbaar zullen komen. Verder geldt voor zowel Nyrstar als voor Chemelot dat ze geen bronnen van regionale betekenis zijn. Een potentieel kansrijk lokaal project is de ontwikkeling van het Ecovat Panningen (gemeente Peel en Maas) waarin de warmte uit enkele duurzame lokale bronnen seizoens-onafhankelijk zal worden opgeslagen en andersom geleverd aan een te realiseren wijknet voor duurzame warmte.

De haalbaarheid van dit project wordt momenteel door de coöperatie Peel Energie samen met de gemeente onderzocht. De gemeente overweegt bij een positief resultaat van dat onderzoek in 2021 een subsidieaanvraag in te dienen binnen het nationaal Programma Aardgasvrije Wijken om realisatie van dit nog unieke duurzame warmtesysteem mogelijk te kunnen maken. Belemmeringen duurzame restwarmte De haalbaarheid van restwarmte als bron voor warmtenetten is afhankelijk van een aantal factoren. Voor een bij voorkeur publiek en opengesteld warmtenet zal een nieuwe, specifiek op een warmtenet afgestemde infrastructuur moeten worden aangelegd. Voor de investeringskosten van een nieuw aan te leggen warmte-infrastructuur geldt een afschrijvingstermijn van 40-60 jaar. Gedurende deze termijn zal de voeding van het net door meerdere

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

92

duurzame warmtebronnen geborgd moeten zijn. Deze borging zal door de gemeente in de op te stellen Transitievisie Warmte ingevuld moeten worden. De lokaal aanwezige restwarmtebronnen kunnen, voor zolang deze aanwezig zijn, ingezet worden al dan niet in combinatie met andere warmtebronnen zoals groengas, aquathermie en zonthermie. De aanleg van warmtenetten alleen baseren op de beschikbaarheid van lokale restwarmte is meestal niet haalbaar.

Groengas

Biomassa kan op verschillende manieren worden ingezet om warmte te produceren. De term biomassa staat voor al het materiaal dat afkomstig is van levende organismen. Droge biomassastromen, vaak houtige biomassa zoals snoei- en maaiafval en landbouwafval, worden verbrand om warmte te produceren. Natte biomassastromen, zoals mest en GFT-afval, worden vergist, vergast of gecomposteerd om warmte en/of biogas te produceren. Vergisting is het omzetten van biomassa in biogas door middel van bacteriën en schimmels. Biogas kan vervolgens als variant worden opgewaardeerd naar groengas op aardgaskwaliteit dat lokaal rechtstreeks te benutten is voor de warmtevoorziening van woningen/gebouwen. In onderstaand figuur staan de verschillende biomassastromen verdeeld over de soorten verwerkingstechnieken voor warmteproductie. In dit hoofdstuk wordt enkel de potentie/beschikbaarheid van biomassastromen voor vergisting en opgenomen, oftewel groengas. Groengas wordt geproduceerd uit bijvoorbeeld agrarische reststromen (mest), GFTafval, bermgras, rioolslib uit de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), maar ook bijvoorbeeld organische afvalstromen uit de levensmiddelenindustrie. Deze organische reststromen hebben meestal geen directe toegevoegde waarde meer aan het ketenproces en worden daarom samengebracht onder de noemer van biogene reststromen.

Vergisten

Verbranden

Composteren

Vergassen

• Huishoudelijk / restafval • Afval uit voedingsen genotsmiddelen industrie (VGI) • GFT-afval • Natte mest • Rioolslib • Bermgras, maaisel, etc. • Akkerbouwafval

• Huishoudelijk afval • Grof tuinafval • Resthout (snoei- en houtafval) • Droge mest

• Afval uit voedingsen genotsmiddelen industrie (VGI) • GFT afval • Akkerbouwafval

• Bermgras, maaisel, etc. • Resthout • Akkerbouwafval

Figuur 15: De verschillende biomassastromen in relatie tot de verwerkingstechnieken voor warmteproductie.

RES | Noord- en Midden Limburg

Samen werken aan een duurzame regio

93

De RES richt zich enkel op vergisten (zie gele kader). De werking van een biomassa-vergister, waarmee biogas wordt geproduceerd, is een techniek die zich reeds heeft bewezen. Het geproduceerde biogas kan op verschillende manieren worden ingezet. Biogas kan bijvoorbeeld via een warmtekrachtkoppeling (WKK) omgezet worden in duurzame warmte en duurzame elektriciteit. Potentie groengas Tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas wordt ‘groengas’ genoemd. Duurzaam groen gas kan mogelijk via het bestaande gasnet van Enexis worden gebruikt in bestaande en nieuwe cv-ketels. Het bepalen van de potentie van groengas uit natte biomassa is locatie- en periode-afhankelijk. Er zijn meerdere variabelen en scenario’s die invloed uitoefenen op het resultaat. Mest heeft veruit het grootste aandeel in de totale potentie, waarbij de regio wel wil waken voor een zogeheten lock-in, waarbij de warmtevoorziening te afhankelijk wordt van mest. In 2021 starten we met nader onderzoek naar de potentie, vooren nadelen. Bij de verdere concretisering van de productiecapaciteit van groengas (bij de RSW 2.0) worden de ontwikkelingen in een transitie naar een natuurinclusieve landbouw meegenomen (dat mogelijk gevolgen hebben voorde productie van groengas). De waarde van groengas voor de energietransitie in onze regio wordt verder onderzocht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10096543/1