BP Toelichting herstelbesluit 2025 Energielandgoed Bergen met wijzigingen
Tekst van het document
inkadering. Over de verstoring van de radar van defensie is nog nader onderzoek nodig4. De Commissie merkt op dat hoewel ook de informatie over natuur veelomvattend is en degelijk opgezet, het natuuronderzoek ten tijde van het opstellen van het MER nog niet was afgerond. Daarom is nu nog niet zeker dat het plan aan de natuurwetgeving voldoet. De opmerkingen van de Commissie over natuur hebben met name betrekking op af te ronden onderzoeken. Wat naast een beschrijving van de gevolgen van het plan voor de defensieradar en op beschermde natuurgebieden en soorten nog ontbreekt, is het volgende: − een navolgbare onderbouwing van de wijze waarop de drie modellen tot het voorkeursmodel hebben geleid en tot de varianten daarbinnen, waarmee ook voor een breed publiek inzichtelijk wordt hoe keuzes zijn gemaakt; − een onderbouwing van de score van de effecten van zonnevelden op de bodem, de wijze waarop de effecten van de zonnevelden worden gemonitord, gelet op de onzekerheden daarover, en eventuele maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te herstellen; − de effecten op het landschap vanuit Duitsland gezien, om een volledig beeld van het plan te geven gezien de ligging van het plan nabij de grens; − een beschrijving op hoofdlijnen van mogelijke milieueffecten van het tracé voor de netaansluiting ter plaatse van de doorkruising van de Maas.
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over bestemmingsplan Energielandgoed Wells Meer, zodat het milieubelang bij de besluitvorming over het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen volwaardig kan worden meegewogen.” In de reactienota op het advies11 is deze aanvulling op het MER opgenomen. Hierin wordt per onderdeel ingegaan op de overwegingen omtrent het toetsingsadvies en hoe met het advies is omgegaan bij de vaststelling van het bestemmingsplan. In het milieueffectrapport dat als bijlage bij dit plan is gevoegd, zijn de aanvullingen die zijn gedaan op het MER verwerkt.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen Bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet vanuit milieu hygienisch oogpunt geschikt zijn voor de functie. Bij een functiewijziging die leidt tot een verandering van de bestemming zal eerst een bodemonderzoek moeten worden verricht. Op basis van dit onderzoek kan worden beslist of de bodemverontreiniging dient te worden gesaneerd voordat de nieuwe functie kan worden gerealiseerd.
11
Reactienota advies Commissie voor de milieueffectrapportage, bestemmingsplan en omgevingsvergunningen Energielandgoed Wells Meer, gemeente Bergen, 22 december 2020 58
4.2.2
Toetsing Om aan te tonen dat de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt is voor de nieuwe functie en de uit te voeren werkzaamheden is een bodemonderzoek in de vorm van een milieu hygiënisch vooronderzoek uitgevoerd 12. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, de terreininspectie en het zintuiglijk bodemonderzoek zijn een aantal deellocaties geïdentificeerd. In onderstaande tabel zijn de onderzoekshypotheses die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties weergegeven. De exacte ligging van de deellocaties is te vinden in de bijlagen bij het onderzoeksrapport.
Ten aanzien van deellocatie A kan worden aangesloten bij de bodemkwaliteitskaart en is feitelijk onderzoek in deze fase niet noodzakelijk. Econsultancy adviseert om ter plaatse van de overige deellocaties B t/m G een verkennend bodemonderzoek en/of een verkennend onderzoek asbest in bodem/ puin uit te voeren. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Wanneer op deellocaties B t/m I werkzaamheden plaatsvinden waarmee de bodem geroerd wordt, zal in het kader van de omgevingsvergunning het benodigde bodemonderzoek worden uitgevoerd. 12
Milieuhygienisch vooronderzoek, Wezerweg (ong.), Energielandgoed Wells Meer te Bergen, Econsultancy, rapportnummer: 13699.001, 29 oktober 2020 59
4.2.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3
Natuur
4.3.1
Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet.
4.3.2
Toetsing Natuuronderzoek Op voorhand is niet uit te sluiten dat het voorliggende plan negatieve effecten heeft op beschermde soorten of gebieden. In het kader van het milieueffectrapport is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8 van het MER (Bijlage 4)). Hierin wordt het volgende geconcludeerd met betrekking tot gebiedsbescherming: − De bouw en het gebruik van Energielandgoed Wells Meer heeft geen effect op soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn en kwalificerende niet-broedvogels en een verwaarloosbaar of hooguit gering negatief effect op kwalificerende broedvogels (nachtzwaluw) en beschermde stikstofgevoelige habitattypen waarvoor Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn aangewezen. Significant negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn met zekerheid uitgesloten. − Enkele zonneparken in het zuidwestelijke en noordwestelijke deel van het plangebied (in alle drie de modellen) vallen binnen gebieden die behoren tot het NNN. Voor de aangewezen doelsoorten van de betreffende NNN-gebieden zijn geen effecten te verwachten bij dagvlinders. Beschermde broedvogels en planten kunnen potentieel wel effecten ondervinden door de bouw en aanwezigheid van zonneparken.
Het is daarom niet uit te sluiten dat de kwaliteit van de betrokken NNN-gebieden in beperkte mate zal afnemen door de bouw en het gebruik van de zonneparken. Sowieso is sprake van ruimtebeslag dat moet worden gecompenseerd. − Bij de bouw van zonneparken van Energielandschap Wells Meer is sprake van areaalverlies van de gebieden die behoren tot de Zilvergroene natuurzone. Dit betekent dat voor deze gebiedsdelen natuurcompensatie conform de Beleidsregel Natuurcompensatie voor de ontwikkelingen in de Zilvergroene natuurzone moet worden uitgevoerd. In de Beleidsregel Natuurcompensatie 2018 is gesteld dat
60
compensatie op twee manieren plaats kan vinden: financieel of in natura. Voor gebiedsdelen binnen het plangebied waar de provincie subsidie verleend voor “broedende akkervogels in open akker” zijn effecten op de doelsoorten uitgesloten. Verder wordt het volgende geconcludeerd met betrekking tot soortenbescherming: − effecten op beschermde soorten flora, ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen zijn uitgesloten; − effecten op (verblijfplaatsen van) grondgebonden zoogdieren (steenmarter, das, eekhoorn) en vleermuizen zijn waarschijnlijk beperkt, maar zullen nader onderzocht en onderbouwd worden tijdens geplande veldonderzoeken in 2020; − risico op aantasting of verstoring van jaarrond beschermde nesten van vogels is zeer beperkt, maar zal in 2020 nader onderzocht worden; − effecten op soorten van de Rode Lijst van de soortgroepen flora, ongewervelden, vissen, amfibieën en reptielen zijn uitgesloten; − er is mogelijk sprake van meer dan incidentele sterfte van vogels en vleermuizen in de gebruiksfase van de windturbines. Volgens deskundigenoordeel leidt dit niet tot effecten op de gunstige staat van instandhouding en kan een Wnb-ontheffing voor het doden van vogels en vleermuizen verkregen worden. Dit zal nader onderzocht en onderbouwd worden tijdens geplande onderzoeken in 2020.
Compensatie NNN en zilvergroene natuurzone Met het voorliggende plan wordt voorzien in de benodigde compensatie voor de afname van het areaal NNN (goudgroene natuurzone) en zilvergroene natuurzone. Dit is beschreven in paragraaf 3.2.2. Nader onderzoek soortenbescherming Gedurende het voorjaar, zomer en najaar van 2020 is aanvullend veldonderzoek verricht om informatie te verzamelen over gebiedsgebruik door eventueel vleermuizen, das, nachtzwaluw en steenuil. Bij het MER is een rapport gevoegd met de resultaten (zie bijlage 8b van het MER (Bijlage 4)). Het aanvullende veldonderzoek heeft de volgende resultaten opgeleverd: − Op het terrein van Wellsmeer 1a is een paartje steenuilen vastgesteld. Mogelijk broedt hier ook een kerkuil in de open schuur; − in het plangebied zijn meerdere nesten van broedvogelsoorten aangetroffen waarvan het nest jaarrond bescherming geniet; − in het zuidwestelijke deel van het plangebied zijn meerdere actieve burchten van dassen vastgesteld; − het plangebied wordt niet gebruikt als broedgebied voor de nachtzwaluw. Wel fungeert het plangebied als foerageergebied van de soort voor broedvogels vanuit het Natura 2000-gebied Maasduinen; − het gehele plangebied wordt gebruikt door vleermuizen als foerageergebied en er zijn vliegroutes aanwezig. Daarnaast zijn in drie gebouwen langs de Wellsmeer verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aangetroffen.
De volgende conclusies zijn getrokken in deze beschouwing: − Indien werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het Energielandgoed plaatsvinden in het broedseizoen van vogels, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de Wnb worden overtreden. Deze overtreding van verbodsbepalingen moeten worden voorkomen;
61
− Binnen het bestaande territorium van steenuil en huismus op Wellsmeer 1a moet het beheer erop gericht zijn deze territoria duurzaam te behouden. Dit kan door geschikte habitats te behouden/creëren om voldoende voedsel aan te bieden en tijdig veilige nestplekken aan te bieden; − De nesten binnen het plangebied van broedvogelsoorten (buizerd, torenvalk, havik, steenuil, huismus en mogelijk kerkuil) waarvan het nest jaarrond beschermd is, bevinden zich op >75 meter afstand van de geplande windturbines. Hierdoor kan worden uitgesloten dat verstorende effecten zullen optreden op deze soorten; − Broedactiviteit van eekhoorns is niet vastgesteld in (de omgeving van) het plangebied. Hierdoor kunnen effecten op deze soort worden uitgesloten; − De huidige inrichtingsplannen leiden tot aantasting van foerageergebied van de vastgestelde actieve burchten van dassen, vanwege de plaatsing van zonnepanelen. Hiervoor is een Wnb-ontheffing nodig en deze aantasting zal tijdig moeten worden gecompenseerd; − Het plangebied wordt niet gebruikt als broedgebied voor de nachtzwaluw, maar wel als foerageergebied voor broedvogels vanuit het Natura 2000-gebied Maas-duinen.
De kans dat nachtzwaluwen uit het Natura 2000-gebied in aanvaring komen met de windturbines van Energielandgoed Wells Meer is uitgesloten, gezien de verspreiding van waargenomen exemplaren, de ecologie, het vlieg-gedrag en de informatie uit literatuur over de aanvaringskans; − De sloop van enkele gebouwen langs de Wellsmeer zorgt voor een fysieke aantasting van verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is een Wnb-ontheffing nodig en de verblijfplaatsen dienen tijdig te worden gecompenseerd; − De plaatsing en het gebruik van de geplande windturbines op Energielandgoed Wells Meer gaan niet ten koste van essentieel foerageergebied van vleermuizen; − Effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen door de aanleg van en fysieke aanwezigheid van de geplande windturbines kunnen worden uitgesloten; − Voor het Energielandgoed Wells Meer worden maximaal 5 aanvarings-slachtoffers onder vleermuizen per windturbine per jaar voorspeld. Voor het gehele windpark betekent dit dat jaarlijks maximaal 20 aanvaringsslachtoffers worden voorspeld. Deze slachtoffers bestaan uit 17 gewone dwergvleermuis, één rosse vleermuis, één laatvlieger en één ruige dwergvleermuis.
Voor grootoor-vleermuizen, bosvleermuis, kleine dwergvleermuis en andere Myotis en Nyctaloide vleermuizen kan het optreden van aanvaringsslachtoffers in Energielandgoed Wells Meer worden uitgesloten; − Voor de voorzienbare sterfte is een Wnb-ontheffing nodig waarbij wordt onderbouwd dat de gunstige staat van instandhouding van betrokken soorten niet in het geding komt. Voor de vier soorten vleermuizen met jaarlijks voorzienbare sterfte, blijft het voorspelde aantal aanvaringsslachtoffers, ook indien rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten, (ruim) onder de 1%-mortaliteitsnorm. Een effect van de windturbines op de gunstige staat van instandhouding van de lokale (en daarmee ook op regionale en landelijke) populatie van gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis is uitgesloten. − De geplande windturbines kunnen ook leiden tot voorzienbare sterfte onder vogels, waarvoor een Wnb-ontheffing nodig is. De werkzaamheden in het plangebied worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Op basis van de bevindingen ten aanzien van de steenuil is in het kader van het MER een ontwerp gemaakt voor het deel van het plangebied waar het zonnepark, het
62
bezoekerscentrum én het bedrijventerrein is gesitueerd. Deze locatie is nagenoeg gelijk aan het adres Wellsmeer 1a. Uit het ontwerp blijkt dat een inrichting mogelijk is, waarmee het behoud van de nestlocatie mogelijk is en voldoende foerageergebied wordt gecreëerd, waardoor negatieve effecten op deze soort zijn uit te sluiten. In het voorliggende plan is geregeld dat de schuur behouden kan blijven. De op basis van het nadere onderzoek soortenbescherming noodzakelijk Wnb-ontheffingen zijn aangevraagd. De benodigde mitigerende maatregelen zullen worden genomen. Stikstofonderzoek Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Natura 2000gebied de ‘Maasduinen’ ligt aangrenzend aan het plangebied. Daarnaast ligt Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen op circa 5,5 km van het plangebied. In Natura 2000gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. De aanleg en het gebruik van het Energielandgoed Wells Meer kunnen gevolgen hebben voor de stikstofdepositie op deze voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Om deze gevolgen te kwantificeren zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met het verspreidingsmodel AERIUS-Calculator 202013. Daarnaast is een toelichting bij deze stikstofberekeningen opgesteld14.
Hierbij is een vergelijking is gemaakt met de deposities ten gevolge van het huidige agrarische gebruik. Geconcludeerd wordt dat er in de aanleg- en gebruiksfase geen netto depositieresultaten plaats boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Het Energielandgoed heeft daarom in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000 gebieden. In de stikstofberekeningen is rekening gehouden met de regeling in het voorliggende plan dat agrarisch medegebruik, beweiding en bemesting enkel middels een omgevingsvergunning zijn toegestaan (artikel 5.4.2. van de regels). Voorwaarde voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning is dat een vastgelegde maximale stikstofemissie per hectare per 5 jaar niet wordt overschreden. Hierbij is onderscheidt gemaakt in de eerste vijf jaar na inwerkingtreding van het plan (de aanlegfase) en de daarop volgende periodes van 5 jaar (de gebruiksfase). 4.3.3
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
13
Resultaten berekeningen AERIUS, AERIUS Calculator, 27 januari 2021
14
Energielandgoed Wells Meer, Toelichting stikstofberekeningen, Pondera, 719007, 17 februari 2021 63
4.4
Bedrijven en milieuzonering
4.4.1
Algemeen Bij het realiseren van een nieuwe functie moet vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 Past de nieuwe functie in de omgeving? 2 Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk en kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Gemengde gebieden zijn gebieden met functiemenging. 4.4.2
Toetsing Het plangebied is in de huidige situatie te definiëren als een rustig buitengebied. Er is maar beperkt sprake van functiemenging, waardoor niet kan worden gesproken van een gemengd gebied. Dit betekent dat geen afstandsstap terug kan worden gedaan. In het plangebied worden geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel worden verschillende functies mogelijk gemaakt die milieuhinder kunnen geven: − zonnepark; − windturbines; − bedrijfsverzamelgebouw; − bezoekerscentrum. Getoetst moet worden of het Energielandgoed invloed uitoefent op het woon- en leefklimaat van in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies (i.c. woningen). Zonnepark Een zonnepark vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in de termen van milieuzonering. Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van ruimtelijk relevante milieuaspecten, waardoor het aanhouden van een afstand niet noodzakelijk is.
64
De beoogde zonnestroominstallatie gaat zorgen voor 271 MWp, waardoor de installatie geschaard kan worden onder de categorie ‘elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen 10-100 MVA’. De grootste afstand voor wat betreft geluid richting gevoelige functies is 50 meter. Aangezien nog niet bekend is op welke locatie het onderstation gerealiseerd moeten worden, wordt dit met het voorliggende plan nog niet mogelijk gemaakt. Hiervoor zal een aparte procedure gevolgd worden, waarbij ook getoetst wordt aan bedrijven en milieuzonering. Gezien de omvang van het plangebied (400 ha) is er voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de benodigde richtafstanden tot omliggende objecten. De locatie van het onderstation staat de uitvoerbaarheid van het project daarom niet in de weg. De realisatie van transformatoren is wel mogelijk binnen het Energielandgoed. In het voorliggende plan is geregeld dat binnen 50 meter afstand van gevoelige functies geen transformatoren gerealiseerd mogen worden. Op deze wijze is gewaarborgd dat dat wordt voldaan aan de richtafstand en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige functies in en rondom het plangebied. Windturbines Voor windturbines met een wiekdiameter van 50 meter geldt op basis van de publicatie bedrijven en milieuzonering een richtafstand van 300 meter voor geluid en 50 meter voor gevaar.
De rotordiameter van de windmolens in het voorliggende plan wordt maximaal 170 meter. Dit betekent dat de afstanden uit de VNG-publicatie niet zonder meer aangehouden kunnen worden, maar deze geven wel een indicatie. De bedrijfswoning aan de Veenweg 4 in Well (gevoelige functie) ligt op circa 250 meter afstand van de zuidoostelijke windmolen. In het kader van het voorliggende plan is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in paragraaf 4.4.3. Geconcludeerd wordt dat de geluidniveaus bij woningen van derden voldoen aan de norm indien mitigerende maatregelen worden genomen. Aan de richtafstand met betrekking tot gevaar wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van de omliggende gevoelige objecten. In paragraaf 4.13 komt dit aspect uitgebreider aan de orde en wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bedrijfsverzamelgebouw In het bedrijfsverzamelgebouw zijn aan het energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesector toegestaan. Dit betekent dat het gebouw een kantoorfunctie kan krijgen of dat er bedrijvigheid is toegestaan. Voor kantoren geldt een richtafstand van 10 meter voor geluid. Voor bedrijvigheid geldt een richtafstand van maximaal 300 meter (indien een bedrijf met milieucategorie 4.2 wordt gerealiseerd).
De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 700 meter (Wezerweg 16a). Aan de richtafstanden voor kantoren en bedrijvigheid wordt hiermee ruimschoots voldaan.
65
Bezoekerscentrum Een bezoekerscentrum kan worden geschaard onder categorie ‘bibliotheken, musea, ateliers, e.d.’. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 580 meter van het bezoekerscentrum (Wezerweg 16a). Aan de richtafstand wordt hiermee ruimschoots voldaan, waardoor gesteld kan worden dat het bezoekerscentrum geen negatief effect zal hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. 4.4.3
Akoestisch onderzoek industrielawaai In het MER en bijbehorende bijlage (Bijlage 4) is de geluidbelasting van de windturbines bij omliggende woningen berekend. Dit is gedaan voor het voorkeursmodel uit de milieueffectrapportage (waaronder 1 opstelling voor de zonnepanelen en de drie mogelijk opstellingen van windturbines). Met het voorliggende plan wordt windturbineopstelling B mogelijk gemaakt. In het akoestisch onderzoek bij het MER is uitgegaan van windturbines met een hoge geluiduitstraling. De geluidniveaus bij de woningen van derden voldoen in alle alternatieven aan de norm Lden=47 dB en Lnight=41 dB, mits er (met bijv. de beschouwde luide windturbines) in bepaalde perioden de instellingen van de turbines worden gewijzigd, zogenaamde mitigerende maatregelen. Met deze instellingen worden de geluidbronsterkten van de turbine gereduceerd. De geluidvoorzieningen gaan enigszins ten koste van de energieproductie. Verder zijn de akoestische effecten beneden de norm bepaald. Het aantal (ernstig) gehinderden binnenshuis neemt door de realisatie van Energielandgoed Wells Meer toe van 1 - 2 gehinderden in de referentiesituatie tot maximaal 4 - 5 gehinderden bij realisatie van windturbineopstellingen A en B.
Het feit dat het aantal gehinderden toeneemt wordt in dit geval aanvaardbaar geacht, omdat de verslechteringen in omgevingskwaliteit het gevolg is van de keuze om op grootschalige wijze in het gebied windenergie op te wekken. Het algemene belang dat daarmee is gemoeid, weegt in dit geval zwaarder dan de beperkte toename van het aantal gehinderden.
4.4.3
Geluid Milieunormen Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding (DZU) over -samengevat - de vraag of voor het vastleggen van milieunormen voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer een plan-MER-plicht bestaat op grond van de Europese SMB-richtlijn. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat op grond van het Europese recht inderdaad een dergelijke beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu. Die beoordeling is inmiddels door het Rijk opgesteld en er zijn inmiddels nieuwe ontwerpnormen gepubliceerd. Deze zijn echter nog niet definitief vastgesteld en nog niet in werking getreden. Totdat deze nieuwe normen in werking treden zijn de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling buiten toepassing. 66
De ABRvS geeft echter ook aan dat in de tussentijd het bevoegd gezag voor een concreet project eigen normen kan stellen ter vervanging van de normstelling uit het Activiteitenbesluit en de -regeling. Voor Energielandgoed Wellsmeer (ELWM) is op 9 februari 2021 door de gemeenteraad een bestemmingsplan vastgesteld. Ook zijn op 23 februari 2021 omgevingsvergunningen verleend. Op 25 april 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Energielandgoed Wells Meer" gewijzigd en opnieuw vastgesteld. Ook is op 10 mei 2022 de omgevingsvergunning voor de windturbines gewijzigd en opnieuw vastgesteld. Op 24 december 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS) een uitspraak gedaan in de zaak Energielandgoed Wellsmeer. Op basis van deze uitspraak dient het college in de planregels en de vergunningvoorschriften alsnog een eigen norm voor het aspect geluid op te nemen die is voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. In het rapport ‘milieunormen Energielandgoed Wells Meer’ 15 (zie bijlage 20) voorziet in deze motivering. Het rapport is toegespitst op de situatie in Energielandgoed Wellsmeer en maakt inzichtelijk wat het aantal (ernstig) geluidgehinderden in verhouding tot het energieproductieverlies is bij verschillende mogelijk te hanteren geluidnormen.
Onderstaand zijn de conclusies en adviezen uit het rapport samengevat. Windturbinegeluid kan hinderlijk zijn en dat maakt dat het wenselijk is geluidniveaus bij geluidgevoelige gebouwen te beperken tot een aanvaardbaar niveau, teneinde een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden te kunnen garanderen en daarmee effecten op het milieu te kunnen minimaliseren. Uit de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken van oa. het RIVM, WHO, TNO, Umwelt Bundesamt en diverse wetenschappelijke journals komen inzichten naar voren over de hinderlijkheid van windturbinegeluid bij verschillende niveaus. Energielandgoed Wells Meer zal – zonder het nemen van mitigerende maatregelen – een maximale geluidbelasting van 49 dB Lden veroorzaken op één omliggend geluidgevoelig object. Voor circa 60% (27 van de 44 woningen) treedt een geluidbelasting van 40 dB Lden of lager op, zonder dat er maatregelen worden genomen. De geluidbelasting die zonder mitigerende maatregelen optreedt leidt tot een toevoeging van circa 2,2 ernstig gehinderden in de gehele omgeving. Wanneer een lagere maximale geluidbelasting van 47 dB Lden wordt toegepast, neemt de toevoeging van het aantal ernstig gehinderden als gevolg van windturbinegeluid af tot 1,9. De maximale geluidbelasting neemt af van 49 naar 47 dB Lden en het aantal woningen met een geluidbelasting van meer dan 45 dB Lden neemt af met 1.
Door de maximale geluidbelasting van Wells Meer verder te reduceren tot 45 dB Lden, neemt de toevoeging van het aantal ernstig gehinderden af tot 1,4. De maximale geluidbelasting verlagen naar 45 en 44 dB Lden heeft primair effect op het aantal woningen die een geluidbelasting van 40 dB Lden of minder ontvangen. Dit aandeel groeit naar circa 70% respectievelijk 80%.
15
Milieunormen energielandgoed Wells Meer, Pondera, 719007, 6 maart 2025 67
Aantal ernstig gehinderden binnenshuis per normstelling Het mitigeren van geluid naar een norm (voor Energielandgoed Wells Meer) van 47 dB Lden betekent een energieproductieverlies van circa 2%. Een strengere norm voor Energielandgoed Wells Meer van 45 dB Lden betekent een productieverlies van circa 6%. Voor een norm van 44 dB Lden voor Wells Meer wordt een productieverlies van 10% verwacht. Om de lagere geluidbelastingen op de gevel van omliggende woningen te kunnen realiseren bij geluidnorm van 45 dB Lden zijn forse mitigerende maatregelen nodig in vergelijking met het realiseren van een maximaal toelaatbare geluidbelasting van 47 dB Lden. Uit de analyses blijkt dat bij realisatie van Energielandgoed Wells Meer zonder geluidvoorzieningen de maximale geluidbelasting 49 dB Lden bedraagt, waarbij het percentage ernstig gehinderden 2,3% telt van de omwonenden van het windpark. Er is één woning met deze geluidbelasting. De overige woningen ontvangen een geluidbelasting van 47 dB Lden of minder. Het reduceren van de geluidbelasting van Energielandgoed Wells Meer tot maximaal 47 dB Lden zorgt voor minder ernstig gehinderden (2,0% van de omwonenden of 2,0 personen). Dit gaat gepaard met een geschat opbrengstverlies van circa 2%.
De gevoeligheidsanalyse, die rekening houdt met een, niet bewezen, mogelijk hogere hinderervaring bij een lagere dosis aan geluid, leidt tot maximaal 4,2 personen met ernstige hinder binnenshuis (4,1% van de omwonenden) in het geval van een conservatieve dosis-hinderrelatie. Gezien de relatief lage belastingen (veel woningen met 40 dB Lden of lager) en het feit dat er vanuit wetenschappelijk perspectief (zie paragraaf 3.3) geen reden is om een lagere norm te stellen, leidt een geluidnorm van 47 dB Lden niet tot onaanvaardbare hinder of gezondheidseffecten. Omwonenden worden hiermee beschermd tegen geluidbelastingen van 48 of 49 dB Lden, die gepaard gaan met 10-12% ernstige hinder binnenshuis en 22-26% ernstige hinder buitenshuis. Bij een geluidnorm van 47 dB Lden wordt daarnaast geen overschrijding van de Vercammen-curve, en daarmee verwachte hinder als gevolg van laagfrequent geluid, verwacht. Bij dergelijke geluidniveaus is overschrijding van de Vercammen-curve, en daarmee verwachte hinder als gevolg van LFG, mogelijk. Om hinder als gevolg van tonaal geluid zo veel als mogelijk te voorkomen wordt voorgesteld om een planregel / vergunningvoorschrift op te nemen waarbij in het geval van windturbinegeluid met een duidelijk tonaal karakter ter plaatse van het referentiepunt 68
(bepaald conform IEC 61400-11:2012) een straffactor van 5 dB, net als bij industrielawaai en gebaseerd op ISO 1996-2:2017, wordt toegepast op de berekende geluidbelasting in dB Lden. Deze planregel zou als volgt kunnen luiden: Een windturbine mag, gemeten volgens IEC 61400-11, op het referentiepunt (de 'reference position' zoals omschreven in IEC-61400-11), maximaal +5 dB gemiddelde tonale hoorbaarheid (tonal audibility, ΔL) veroorzaken. Indien deze gemiddelde hoorbaarheid meer dan 5 dB bedraagt wordt een straftoeslag van 5 dB op de geluidbelasting in dB Lden toegepast. Deze straftoeslag vervalt indien de tonaliteit aantoonbaar is verholpen. Dit kan middels een controlemeting worden aangetoond. Het stellen van een strengere norm dan 47 dB Lden leidt, op basis van het geselecteerde turbinetype, tot extra productieverliezen. Dit verlies in duurzaam opgewekte elektriciteit zal, in het kader van de duurzaamheidsdoelstellingen van gemeente Bergen (L), op een andere locatie moeten worden opgewekt. Dit kan ook tot hinder als gevolg van geluid leiden op eventuele alternatieve locaties. Overigens kan bij de keuze van het windturbinetype wellicht worden gezorgd voor een windturbine met een lagere geluidemissie, waarmee - zonder maatregelen die ten koste gaan van de energieproductie - toch een lagere belasting op de omgeving kan worden gerealiseerd.
Cumulatie met andere geluidbronnen Cumulatie met andere geluidbronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke normen van kracht. Met de cumulatieve rekenmethode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines is de gecumuleerde geluidbelasting berekend. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende mate van hinderlijkheid van de diverse geluidbronnen: − Windturbine L*WT = 1,65 * L WT - 20,05 dB − Wegverkeer L*VL = 1,00 * L VL + 0,00 dB = LVL − Industrie L*IL = 1,00 * L IL + 1,00 dB − Scheepvaart L*SV = 0,975 * LSV – 0,7 dB De cumulatieve geluidbelasting wordt bepaald door de afzonderlijke waarden L* bij elkaar op te tellen (zogenoemde energetische sommatie). De geluidbelasting (grootheid L) wordt uitgedrukt in Lden, met uitzondering van industrielawaai waarvoor de etmaalwaarde geldt. Voor de windturbine in Energielandgoed Wells Meer is cumulatie met wegverkeer en bestaande windturbines in Duitsland relevant. Voor de referentietoetspunten is in het MER en bijbehorende bijlage (bijlage 4) inzichtelijk gemaakt wat de realisatie van de windturbines in Energielandgoed Wells Meer betekent voor de cumulatieve geluidbelasting.
Een gangbare en geaccepteerd methodiek om cumulatieve geluideffecten te beoordelen is met gebruik van de 'Methode Miedema'. In deze methode wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving bepaald voor en ná toevoeging van een nieuwe geluidbron. Hiermee kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld. De cumulatieve geluidbelasting van alle geluidbronnen is berekend voor de referentietoetspunten. Zie volgende tabellen voor de waardering van de Methode Miedema en de berekende cumulatieve geluidbelasting.
69
Kwaliteit van de akoestische omgeving
Geluidklasse
Goed
< 50 dB
Redelijk
50 - 55 dB
Matig
56 - 60 dB
Tamelijk slecht
61 - 65 dB
Slecht
66 - 70 dB
Zeer slecht
>70 dB
Waardering kwaliteit akoestische omgeving volgens Methode Miedema
Cumulatieve geluidbelasting referentiesituatie en toekomstige situatie [dB(A)] In de bestaande situatie, zonder windpark in Energielandgoed Wells Meer, wordt de akoestische omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten bepaald door het wegverkeer (VL). De akoestische kwaliteit van de omgeving varieert van goed (< 50 dB) tot matig (56-60 dB). In de toekomstige situatie met het windpark wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten nog veelal bepaald door wegverkeer, maar ook door de nieuwe windturbines en varieert de akoestische kwaliteit van de omgeving nog steeds van goed (< 50 dB) tot tamelijk slecht (61-65 dB). Voor de woning Wellsmeer 1a één woning geldt dat de akoestisch kwaliteit van goed naar slecht, maar deze woning wordt met onderhavig bestemmingsplan geamoveerd, waardoor deze verder niet meer meegenomen wordt in de beoordeling. Er vindt ‘worst-case’ op zeven van de overgebleven vijftien punten een cumulatieve verslechtering op de schaal van Miedema plaats. In zes van de zeven gevallen is er sprake van een cumulatieve verslechtering van de akoestische kwaliteit naar redelijk of matig, er is dan nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
70
Voor één woning is er weliswaar sprake van een verslechtering van matig naar tamelijk slecht, maar deze verslechtering is feitelijk maar 1 dB en dus zeer beperkt. Bekend is dat een toename van geluidbelasting van 1-2 dB door het menselijk oor niet tot nauwelijks waarneembaar is. Een toename van 1-2 dB is daarmee ook aanvaardbaar. De cumulatieve verslechtering van de akoestische kwaliteit is inherent aan het realiseren van een windpark in een relatief stille omgeving en wordt acceptabel geacht gezien het belang van het realiseren van het windpark als bijdrage aan de landelijke duurzame energiedoelstelling. Wanneer gekozen wordt voor realisatie van een 'stillere' windturbine (niet worst case) neemt ook de cumulatieve geluidbelasting af. Bovendien wordt voldaan aan de wettelijke norm ten aanzien van geluid. 4.4.4
Conclusie In de regels van het voorliggende plan is gewaarborgd dat voor de windturbines moet worden voldaan aan de normen uit het activiteitenbesluit. van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Om hinder als gevolg van tonaal geluid zo veel als mogelijk te voorkomen is daarnaast in de planregels opgenomen dat in het geval van tonaliteit ter plaatse van de ontvanger (bepaald conform ISO 1996-2:2018 bijlage J) een straffactor van 5 dB wordt toegepast op de berekende geluidbelasting dB Lden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5
Geluid
4.5.1
Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek.
4.5.2
Toetsing In het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Wel wordt in het plangebied een nieuwe weg aangelegd: de Energieboulevard. Getoetst moet worden of als gevolg van deze weg de geluidbelasting bij omliggende woningen acceptabel blijft. De Energieboulevard vormt voor langzaam verkeer een verbinding tussen de Wezerweg en de Veenweg. Aan de Energieboulevard komen het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw te liggen. Deze zijn voor gemotoriseerd verkeer alleen bereikbaar vanaf de Veenweg. Indien de Energieboulevard een 60 km/h weg wordt, krijgt deze een onderzoekszone van 250 m. De exacte locatie waarop de Energieboulevard aansluit op de Veenweg is nog niet bekend. In de planopzet is er voldoende ruimte om ervoor te zorgen dat de
71
weg op meer dan 250 meter van omliggende woningen komt te liggen en/ of te garanderen dat er sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat bij deze woningen. 4.5.3
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.6
Gezondheid
4.6.1
Algemeen Wanneer windturbines en zonnepanelen in bewoonde gebieden worden geplaatst, kunnen omwonenden hinder ondervinden van de effecten van windturbines op de omgeving. Voor slagschaduw en geluid gelden in Nederland normstellingen. Daarnaast zijn (wetenschappelijke) studies gedaan naar mogelijke andere gezondheidseffecten. Het gaat hierbij om laagfrequent geluid, elektromagnetische velden, trillingen en fijnstof bij windturbines en elektromagnetische velden en reflectie van zonlicht bij zonnevelden.
4.6.2
Toetsing In bijlage 5 van het MER (zie Bijlage 4) is een overzicht van de (wetenschappelijke) studies opgenomen. Geconcludeerd wordt dat hieruit volgt dat er voor deze windturbine effecten en effecten van zonnepanelen geen reden is om aan te nemen dat er negatieve gezondheidseffecten optreden.
4.6.3
Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.7
Slagschaduw
4.7.1
Algemeen Schaduweffecten van een draaiende windturbine kunnen hinder veroorzaken bij mensen. De maximale flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Bekend is dat flikkerfrequenties onder 2,5 Hz niet schadelijk zijn (veroorzaken niet potentieel epileptische aanvallen bij daarvoor gevoelige personen). Flikkerfrequenties tussen 2,5 Hz en 14 Hz kunnen als erg storend worden ervaren. Deze frequenties worden in de praktijk door gangbare windturbines niet bereikt. Een groter verschil tussen licht en donker (meer contrast) wordt als hinderlijker ervaren. Verder speelt de blootstellingsduur een grote rol bij de beleving. In artikel 3.14 onder 4 van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt verwezen naar de bij de ministeriële regeling te stellen maatregelen. In deze regeling is in artikel 3.12 voorgeschreven dat een turbine is voorzien van een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voor zover de afstand tussen de turbine en de woning minder bedraagt
72
dan twaalf maal de rotordiameter en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten slagschaduw kan optreden 4.7.2
Toetsing In een onderzoek naar slagschaduw (zie bijlage 7 van het MER (Bijlage 4)) zijn de slagschaduweffecten inzichtelijk gemaakt van het voorkeursmodel (waaronder 3 mogelijke opstellingen voor windturbines). Bij enkele rekenpunten treedt voor de verschillende windturbineopstellingen meer dan 6u per jaar aan slagschaduw op. Daarbij is normoverschrijding mogelijk. De hinderduren van maatgevende turbine(s) worden weggenomen tot binnen de normstelling door een automatische stilstandsvoorziening die de windturbine(s) afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten. De slagschaduwduur ter plaatse van gevoelige gebouwen bedraagt met stilstandsvoorziening dan minder dan gemiddeld 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag. Cumulatie van slagschaduw met de nabijgelegen windturbines in Duitsland is in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk gemaakt. Hierbij is de niet-gemitigeerde situatie inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat er in een niet-gemitigeerde situatie de kans bestaat dat de norm uit het activiteitenbesluit wordt overschreden. Artikel 3.12.2 van het activiteitenbesluit geeft in deze gevallen de mogelijkheid om bij vergunningverlening maatwerk toe te passen, waardoor aan norm voldaan zal worden. Middels regels in het voorliggende plan wordt geborgd dat moet worden voldaan aan de normen uit het activiteitenbesluit.
Middels een voorschrift in de omgevingsvergunning wordt bovendien geborgd dat de benodigde mitigerende maatregelen moeten worden genomen om hieraan te voldoen.
4.7.3
Conclusie Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.8
Geur
4.8.1
Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij vormt in eerste instantie het wettelijk kader voor de beoordeling van geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een inrichting ten behoeve van een veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van (geprojecteerde) veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft op twee wijzen betrekking op ruimtelijke procedures. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.
73
4.8.2
Toetsing In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen en worden geen veehouderijen toegelaten. De woning Wellsmeer 1a zal worden geamoveerd en van de overige geurgevoelige objecten in het plangebied blijft de bestemming ongewijzigd. In de energieboulevard wordt een bezoekerscentrum toegelaten en bedrijven waarvan de gebouwen een geurgevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij kunnen zijn. In een geuronderzoek (zie bijlage 9) is onderzocht of deze geurgevoelige objecten geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen, of dat omliggende veehouderijen in hun belangen kunnen worden geschaad door de realisatie van deze nieuwe geurgevoelige objecten. Hierin wordt het volgende geconcludeerd: − de huidige geurbelasting ter plaatse van de geurgevoelige objecten leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plan is in zoverre niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. − de Energieboulevard is geprojecteerd op een afstand van meer dan 1500 meter van bouwblokken van veehouderijbedrijven. In de omgeving bevinden zich geen pelsdierhouderijen. Aan de ‘vaste afstandsnormen bij en krachtens artikel 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij is ruim voldaan. − het plangebied is omringd door bestaande geurgevoelige objecten (burgerwoningen) met een geurbelastingsnorm van 3,0 [OUE/m3].
Reeds hierdoor kan geconcludeerd dat omliggende veehouderijen door de voorgenomen splitsing niet in hun belangen worden geschaad.
4.8.3
Conclusie Geurhinder veroorzaakt door tot veehouderij behorende dierverblijven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Algemeen Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een plan om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren. Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de
74
luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd. 4.9.2
Toetsing Met het voorliggende plan wordt een energielandgoed mogelijk gemaakt, waarbinnen onder andere een zonnepark, windmolens, een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw kunnen worden gerealiseerd. Met het plan wordt geen biomassacentrale mogelijk gemaakt, dit in afwijking van de uitgangspunten uit het MER. Er is geen sprake van een ‘gevoelige bestemming’ in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. Het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw (kleinschalige bedrijvigheid) hebben een verkeersaantrekkende werking (zie hoofdstuk 4.14) en kunnen hierdoor een negatief effect hebben op luchtkwaliteit. In paragraaf 15.3 van het milieueffectrapport (zie bijlage 4) is getoetst of de toename van het aantal verkeersbewegingen in betekenende mate van invloed is op luchtkwaliteit. Hierin wordt geconcludeerd dat de verkeersbewegingen van het bezoekerscentrum en de kleinschalige bedrijvigheid niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In paragraaf 15,2 van het milieueffectrapport is de huidige achtergrondconcentratie in het plangebied bepaald op basis van de grootschalige concentratie kaarten van RIVM (zie bijlage 4). De achtergrondconcentratie van fijnstof in Energielandgoed Wells Meer is minder dan 18 µg/m3 in 2019. De achtergrondconcentratie van zeer fijnstof (PM 2,5) logt tussen 10 en 12 µg/m3 in 2018.
De achtergrondconcentratie van stikstof (NO 2) in Energielandgoed Wells Meer ligt tussen de 10 en 15 µg/m3 in 2019. In de huidige situatie wordt derhalve ruim voldaan aan de grenswaarden.
4.9.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Water
4.10.1
Wettelijke kaders Algemeen Op het gebied van het water gelden diverse beleidsstukken en wetten. In de milieueffectrapportage is een uitgebreide beschrijving opgenomen van de relevante wetgeving op Europees, nationaal, provinciaal, waterschaps- en gemeentelijk niveau (zie bijlage 4, hoofdstuk 11). Watertoets Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige
75
wijze in het plan worden afgedwongen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.10.2
Toetsing In het kader van het milieueffectrapport is het effect van het voorkeursmodel op de waterhuishouding beoordeeld (zie bijlage 4, hoofdstuk 11): − Zonne-energie: Bij de realisatie van zonne-energie conform het VKM wordt de waterhuishouding beïnvloed door een veranderende verspreiding van neerslag over de bodem. Door de overdekking die de zonnepanelen vormen zal neerslag geconcentreerder op de bepaalde plekken terechtkomen waar mogelijk uitloging plaats zal vinden. De hemelwaterafvoer, of het borgingsvermogen wordt hierdoor niet beïnvloed omdat voldoende infiltratiemogelijkheden in de grond aanwezig blijft. Omdat er ruimte tussen de panelen vrij gehouden wordt, en de rijen op voldoende afstand van elkaar staan worden er geen negatieve effecten verwacht. Door gebruik te maken van niet-uitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en wordt ook een verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. Het effect op het aspect waterhuishouding (waterkwaliteit en -kwantiteit) door de realisatie van zonne-energie conform het VKM, wordt beoordeeld als neutraal (effectbeoordeling: 0 ) en is weergegeven in Tabel 1.20. De opstellingsvormen van de zonnevelden zijn hierin niet onderscheidend.
− Aanpassing Molenbeek: Het uitgangspunt in het VKM is om de waterkwaliteit van de Molenbeek te verbeteren en tevens de hoge piekafvoeren in de winter te kunnen opvangen en meer water te houden voor droge zomers. Hiervoor is al een mogelijke invulling van het toekomstige watersysteem beoordeeld. Het effect op het aspect waterhuishouding (waterkwaliteit en -kwantiteit) door de realisatie de Molenbeek conform het VKM, wordt beoordeeld als positief (effectbeoordeling: + ) − Windmolens: Bij de realisatie van vier windturbines conform het VKM wordt de waterhuishouding beïnvloed door de windturbine fundaties. Tijdens de aanleg van de fundaties is bemaling nodig wat een effect zal hebben op grondwaterstanden. Informatie over de aard en omvang van de bemaling dient te worden voorgelegd aan het waterschap ter beoordeling van eventuele effecten. Uitspoelen van stoffen, en daarmee veranderingen van de grondwaterkwaliteit, wordt niet verwacht. Tijdens de operationele fase, dus als de windturbines in werking zijn, is er geen effect op het grondwater. Na afsluiting van het bouwproces zal de normale grondwaterstand weer hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet binnen de verwachting liggen.
Door gebruik te maken van niet-uitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. De fundaties, en bijbehorende kraanopstelplaatsen en toegangswegen, vergrootten het verharde oppervlak in het plangebied naar schatting met circa 10.528 m 2 (inkoopstations niet meegenomen). Door een toenemend verhard oppervlak stroomt hemelwater sneller af. De daadwerkelijke effecten en de noodzaak en hoeveelheid van de benodigde berging dient in overleg met het waterschap en de
76
gemeente bepaald te worden. Voor de instandhouding van een goede waterkwaliteit, grondgebruik en een veilige afwatering speelt het oppervlaktewater een cruciale rol. De minimale afstand van de windturbines tot een primaire watergang in het VKM is circa 25 meter. Hiermee blijven de fundaties (bij een straal van 15 meter) buiten de beschermingszone van 5 meter en kan worden geconcludeerd dat de windturbines (zeer) weinig effect hebben op de watergangen in het plangebied. De realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum zijn niet meegenomen in de milieueffectrapportage. Het verhard oppervlak zal hierdoor toenemen. Ook de zonnepanelen zorgen voor een toename van het verhard oppervlak. Geohydrologisch onderzoek In het plangebied moeten verschillende watergangen worden gedempt, omdat ter plaatse van deze watergangen windturbines worden gerealiseerd. In een geohydrologisch onderzoek16 is het effect van deze dempingen en andere maatregelen die in het plangebied worden genomen onderzocht. Hieruit volgen de volgende conclusies: − blijvende functies voldoen aan minimale ontwateringsdiepte; − geen drainage of extra watergangen nodig; − bij nieuwe bebouwing (bezoekerscentrum?) rekening houden met geringe ontwateringsdiepte.
Lokale ophoging nodig; − primaire watergang oostzijde van het plangebied behouden: − aansluiten op de (bestaande) tertiaire watergang; − indien dit i.v.m. bijv. onderhoud niet mogelijk is, nieuwe watergang andere wegzijde; − stuwen plaatsen in watergang, zodat water langer wordt vastgehouden. Zelfde hoogte als bestaande stuwen in de ‘Waterlossing op de Oever’; − mogelijk verbreden/verdiepen watergang langs Duitse grens na realisatie van het Energielandgoed; − monitoren buiten plangebied aan de noord- en westzijde. Bij het uitwerken van de plannen zal rekening worden gehouden met deze conclusies en de benodigde mitigerende maatregelen.
16
Geohydrologisch onderzoek, Anteagroup, 19 oktober 2020 77
Watertoets In het kader van de watertoets is voor het voorliggende plan een toelichting op de watertoets17 opgesteld. Hierin is een concept waterparagraaf opgenomen, waarin de invloed op het grondwater, het watersysteem, vuil- en hemelwater en waterveiligheid zijn besproken. Bij het watersysteem komen onder andere de watersysteemontwikkeling en de gevolgen van het dempen van watergangen, de aanleg van zonnepanelen en de toename van het verhard oppervlak aan bod. Daarbij worden noodzakelijke maatregelen genoemd, zoals de compensatie van de toename van het verhard oppervlak. Uit de watertoets volgt dat in verband met de toevoeging van 40.000 m 2 extra verhard oppervlak, 4.000 m3 waterberging gerealiseerd moet worden. De realisatie van deze waterbergingsopgave is in het voorliggende plan geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Het waterschap is betrokken in de voorfase van het Masterplan Energielandgoed Wells Meer. Het waterschap heeft de watertoets beoordeeld en is hiermee akkoord. 4.10.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.11
Archeologie
4.11.1
Algemeen In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
4.11.2
Toetsing In het kader van het milieueffectrapport (zie bijlage 4, hoofdstuk 10) is het effect van de realisatie van de zonnepanelen en de windturbines op archeologie onderzocht. Hierin is getoetst aan het huidige beleid en regelgeving. Geconstateerd wordt dat er in het plangebied op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het vigerende bestemmingsplan gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde aanwezig zijn. Voor deze gebieden is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die: − dieper reiken dan 0,4 meter onder het maaiveld; en − groter zijn dan 250 m2 (hoge verwachtingswaarden), of 2.500 m2 (middelhoge verwachtingswaarden). Beleidsregel 6 van de Nota Archeologiebeleid Bergen geeft aan dat: indien in één plangebied meerdere verwachtingswaarden voorkomen, dan geldt de hoogste waarde
17
Toelichting op de watertoets Energielandgoed Wells Meer, Bergen, Anteagroup, kenmerk:
0450732.100, 9 juli 2020 78
(en dus de kleinste ondergrens). Slechts als de hoogste waarde een zeer beperkt deel uitmaakt van het plangebied (< 10 %), kan na afweging worden besloten om de oppervlakteondergrens te hanteren die het grootste deel uitmaakt van het plangebied. Het gebied met hoge verwachtingswaarden betreft minder dan 10% van het plangebied van Energielandgoed Wells Meer. Daarom wordt de ondergrens van 2.500 m 2 , behorende bij de middelhoge verwachtingswaarde, gehanteerd als grenswaarde voor archeologisch onderzoek. Vervolgens zijn de oppervlaktes van de ingrepen dieper dan 0,4 m van de verschillende onderdelen uit het plan berekend. Geconcludeerd wordt dat met de zonnepanelen de drempelwaarde van 2.500 m2 wordt overschreden. De windturbines worden gerealiseerd buiten het gebied met een middelhoge of hoge verwachtingswaarde, met uitzondering van de meest noordoostelijke windturbine. In de milieueffectrapportage is het effect van de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw, het bezoekerscentrum en de aanpassing van de Molenbeek niet meegenomen. In het voorliggende bestemmingsplan is de mogelijk locatie voor het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum aangeduid. Deze worden niet gerealiseerd binnen een gebied met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde. De aanpassing van de Molenbeek wordt deels voorzien in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Bij beide ontwikkelingen zijn ingrepen in de grond dieper dan 0,4 meter noodzakelijk. Met de verschillende ontwikkelingen die in het plangebied worden mogelijk gemaakt, wordt de drempelwaarde van 2.500 m2 overschreden. Dit betekent dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.11.3
Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek18 uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn vuursteenvindplaatsen bekend uit het mesolithicum en grafheuvels uit de bronstijd. De exacte omvang en ligging hiervan is echter niet bekend. Tevens is bekend dat in het plangebied een eendenkooi heeft gelegen, waarvan het exacte karakter niet helemaal duidelijk is, alsmede een Wehrmachtshuisje uit de Tweede Wereldoorlog. Bodemopbouw en bodemverstorende ingrepen Het plangebied maakt deel uit van een terrasvlakte die is bedekt met dekzand. In het noordoostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied is het dekzand opgestoven tot ruggen en welvingen. Langs de zuidwest- en noordwestgrens van het plangebied zijn rivierduinen aanwezig, die vermoedelijk vanaf de late middeleeuwen plaatselijk zijn gereactiveerd (stuifzanden). Het zuidelijke deel van het plangebied wordt doorsneden door een restgeul uit vermoedelijk het Allerødinterstadiaal. In de restgeul en in de
18
Gemeente Bergen, Plangebied Energielandgoed Wells Meer, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, BAAC, kenmerk: V-20.0111, juni 2020 79
lagere delen van het landschap heeft zich veen gevormd, dat inmiddels door de ontwatering en ontginning grotendeels is verdwenen. In het dekzand heeft zich een veldpodzol gevormd, terwijl in het stuifzand sprake is van duinvaaggronden. Mogelijk kan onder het stuifzand nog een veldpodzol aanwezig zijn. In de restgeul is sprake van een gooreerdgrond. Naar verwachting is derhalve in het grootste deel van het plangebied sprake van een circa 30 cm dikke bouwvoor. Plaatselijk is door egalisatie en verploeging een heterogene laag ontstaan, waardoor onder de bouwvoor een maximaal 30 cm dikke menglaag aanwezig is. Deze zones zijn op basis van een bureauonderzoek niet te begrenzen. Er zijn een aantal zones waar mogelijk ontgrondingen of ander groot grondverzet (motorcrossbaan) hebben plaatsgevonden. Specifieke archeologische verwachting In het bureauonderzoek is een specifieke archeologische verwachting opgesteld (zie volgende afbeelding). Aan de hogere landschappelijke gebieden is een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische waarden uit het laat-paleolithicum-mesolithicum (vuursteenvindplaatsen) tot en met de ijzertijd. Voor de zone langs de restgeul (buffer 200 m) geldt voor deze periode een hoge verwachting, waarbij voor de restgeul zelf een specifieke verwachting voor aan natte context gerelateerde vindplaatsen geldt (afvaldumps, rituele depositie etc.).
Voor de lagere delen van het landschap geldt een lage verwachting. Voor de Romeinse tijd tot en met de volle middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een lage verwachting. Voor de eendenkooi, de mogelijke locatie van de watermolen en de Molenbeek geldt een hoge verwachting voor de periode late middeleeuwennieuwe tijd B. In het gebied kunnen de resten van bebouwing, beschoeiingen, duikers etc. aanwezig zijn. Tot slot geldt voor de zone rond het Wehrmachtshuisje een hoge verwachting voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Daarbij moet gedacht worden aan schuilloopgraven, zoeklichtopstellingen), (kabel)sleuven, greppels en as- en afvalkuilen.